
![[Vademecum inhoud]](http://www.kuleuven.ac.be/cwis/images/bindex.gif)
![[Zoeken lokaal]](http://www.kuleuven.ac.be/cwis/images/bzoekl.gif)
![[Hoger]](http://www.kuleuven.ac.be/cwis/images/bhoger.gif)
![[Directie]](http://www.kuleuven.ac.be/cwis/images/bdirectie.gif)
![[Vademecum handleiding]](http://www.kuleuven.ac.be/cwis/images/bvademec.gif) |
Begeleide Zelfstudie: een totaalconcept voor het
onderwijs aan de K.U.Leuven
Status: publiek
Begeleide Zelfstudie
Een totaalconcept voor het onderwijs aan de K.U.Leuven
Eindrapport ter bespreking voorgelegd op de Academische Raad
vanwege de Onderwijsraad na voorbereiding door de Werkgroep Begeleide Zelfstudie
Samenstelling van de Werkgroep
E. Aernoudt, J. Decorte (voorzitter), J. Elen, M. Hellemans, G. Laekeman, F. Lammertyn,
J. Lowyck, S. Neetens, H. Pauwels, J. Ramon, J. Van Thienen, G. Volckaert,
B. Wylin
Februari 1999
1. Inleiding
2. De nood aan een vernieuwd en expliciet
onderwijsconcept
2.1. Externe factoren
Een voortdurende reflectie op de eigen uitgangspunten, hun implicaties
en eventuele wijzigingen daarin, zijn kenmerkend voor een doordacht universitair
onderwijsbeleid. Uitgaande van deze stelling richtte de Onderwijsraad een als fundamenteel
omschreven werkgroep Zelfstudie op. De werkgroep kreeg als taak de betekenis
en de implicaties van begeleide zelfstudie voor universitair onderwijs te
omschrijven. De werkgroep vormt een vervolg en correctie op de zelfstudieprojecten van de
Onderwijsraad. Deze zelfstudieprojecten concretiseerden de ideeën in verband met
zelfstudie zoals naar voren gebracht in het zogenaamde plan Dillemans. De
zelfstudieprojecten beoogden enerzijds de flexibilisering van het onderwijs door de
invoering van vormen van zelfinstructie en anderzijds de versterking van de
zelfwerkzaamheid van de student door het zelf doen te beklemtonen. De
werkzaamheden binnen de werkgroep en de besprekingen hiervan op de Onderwijsraad hebben
tot een meer nadrukkelijke profilering van de begeleidingscomponent geleid. Om deze
duidelijke heroriëntatie en correctie op vroegere zelfstudie-initiatieven te benadrukken
werd de naam van de werkgroep door de Onderwijsraad veranderd in Begeleide
Zelfstudie.
Dit rapport bevat de neerslag van de reflecties binnen de werkgroep en de Onderwijsraad
inzake begeleide zelfstudie zonder evenwel de breedte, diepte en het detail
van het overleg te kunnen reflecteren. De Onderwijsraad benadrukt dat begeleide zelfstudie
verwijst naar een totaalconcept van universitair onderwijs (zie verder).
Dit rapport is als volgt opgebouwd. Een eerste luik beschrijft een aantal factoren die
aanleiding geven tot het herdenken van het concept universitair onderwijs. Zowel buiten
als binnen de universiteit doet zich een aantal evoluties voor. Deze roepen vragen op over
de grondslagen van het universitair onderwijs zoals het thans aan de K.U.Leuven gestalte
krijgt. In een tweede luik is, onder de noemer begeleide zelfstudie, het
antwoord van de K.U.Leuven op deze evoluties opgenomen. Dit antwoord speelt in op deze
evoluties zonder ze evenwel als determinerend te beschouwen. Het derde luik van deze tekst
biedt een overzicht van implicaties van begeleide zelfstudie en dit voor het concrete
onderwijsgeven, de onderwijsbetrokken besluitvorming en de omkadering. Een vierde en
laatste luik bevat een implementatieplan. Dit plan preciseert enkele maatregelen die tot
de uitbouw van begeleide zelfstudie als concept voor het universitair onderwijs aan de
K.U.Leuven kunnen bijdragen. Een verdere precisering is noodzakelijkerwijze
opleidingsspecifiek en dus de taak van de respectieve P.O.C.s.
(terug naar inhoud)
2. De nood aan een vernieuwd en expliciet
onderwijsconcept
Dit eindrapport pleit voor een expliciete herdefiniëring van het onderwijsconcept van
de K.U.Leuven. Een dergelijke herdefiniëring is noodzakelijk als antwoord op een aantal
externe en interne evoluties. Het onderscheid tussen externe en interne factoren is
relatief. Immers, in veel gevallen heeft de universiteit bijgedragen tot een aantal
evoluties die zich nu vanuit de samenleving als nieuwe uitdagingen voor de universiteit
aandienen. Een analyse van deze externe en interne factoren maakt het bewuster formuleren
van een antwoord op deze uitdagingen mogelijk. Dit antwoord, begeleide
zelfstudie, zal er op een bepaalde wijze rekening mee houden, dit wil zeggen zonder
zich naadloos in deze evoluties in te voegen.
2.1. Externe factoren
Onder de vele maatschappelijke tendenzen die het universitaire gebeuren beïnvloeden,
komen er drie kort aan bod : (1) het rationele utilitaire middel-doeldenken van de
geëconomiseerde maatschappij; (2) de toenemende impact van technologische ontwikkelingen
en van de informatiemaatschappij op het (niet alleen universitaire) onderwijsgebeuren, en
(3) de toenemende internationalisering van die maatschappij (en haar economisch leven).
Voor elk van de factoren geldt dat ze mede door de universiteit tot ontwikkeling zijn
gebracht en thans uitdagingen voor de universiteit vormen. De relatief autonome positie
van de universiteit biedt het kader om op deze maatschappelijke uitdagingen een antwoord
te geven in de vorm van begeleide zelfstudie als concept van universitair onderwijs.
2.1.1. Economische
rationaliteit
De hoe langer hoe meer naar economisch model gestructureerde maatschappij hanteert op
alle niveaus een discours van functionaliteit en efficiëntie. Termen zoals kwaliteit,
relevantie, aangepastheid, flexibiliteit, verantwoordelijkheid, excellentie, competitie en
rendement duiken in dit discours als centrale betekenaars op. Samen vormen ze wat men
onder "economisch verantwoord(bar)e rationaliteit" verstaat. Dergelijke
rationaliteit wordt hoe langer hoe meer de norm waarmee men ook het (niet alleen
universitaire) onderwijs meet. Het (o.m. universitaire) onderwijs moet nuttig en
efficiënt zijn. Het moet op een efficiënte wijze maatschappelijk relevante opleidingen
en mensen (willen) verstrekken en kwaliteit in termen van excellente kennis
bieden.
2.1.2.
Technologisering en informatisering
Technologisering en informatisering krijgen in toenemende mate op alsmaar meer
maatschappelijke sectoren vat, ook op die van het onderwijs. Hierdoor openen zich
weliswaar allerlei nieuwe vormen van informatieverstrekking en wetenschappelijke
communicatie (open- en afstandsonderwijs, multimedia, telematica). De evolutie in de
richting van cultuur van het beeld, alsook de geleidelijke vervanging van directe door
gemedieerde communicatie zijn indirecte gevolgen van deze technologisering en
informatisering. De nieuwe technologische hulpmiddelen dragen niet steeds bij tot een
optimalisering van het onderwijs. Nieuwe technologieën vereenvoudigen weliswaar het
aanbieden van informatie aanzienlijk. Via computerprogrammas kunnen instructie en
feedback met betrekking tot basisonderdelen van (relatief eenvoudige) leerprocessen ook
worden geïndividualiseerd. De optimale integratie van informatie- en
communicatietechnologie in het gewone onderwijs vereist evenwel een grondige voorbereiding
en een aangepaste deskundigheid. Uiteraard blijft het inzetten van niet-technologische
middelen hierbij uiterst belangrijk.
2.1.3.
Internationalisering
Het economische en maatschappelijke leven wordt alsmaar internationaler. Ook de
universiteit wordt internationaler. Niet alleen oefenen steeds meer (universitair)
opgeleide mensen hun beroep in een ander dan hun geboorteland uit, ook de opleidingen zelf
worden internationaler. Steeds meer jonge buitenlandse onderzoekers verblijven aan onze
instellingen, steeds meer jonge onderzoekers van bij ons verblijven gedurende een kortere
of langere periode aan een buitenlandse instelling. Doctoraatsopleidingen verlopen in het
Engels, voor een internationaal publiek. Het aantal internationale samenwerkingscontracten
en -verbanden stijgt voortdurend. Ook op tweede-cyclusniveau worden hoe langer hoe meer
opleidingsonderdelen van onze programmas door buitenlandse vervangen, en omgekeerd
(Erasmus/Socrates). Deze internationalisering kan de blik van de deelnemers verbreden.
Maar in een aantal gevallen bemoeilijkt ze ook het verloop van het onderwijs aan de eigen
instelling. De toenemende druk om internationale uitwisselingen te realiseren vergroot de
druk tot harmonisering van de organisatie van het universitaire leven en van het wettelijk
kader in de diverse (Europese) landen.
Het onderwijsconcept Begeleide Zelfstudie biedt een bedachtzaam antwoord op de
economische rationaliteit, op technologisering en informatisering, op de toenemende druk
tot internationale uitwisselingen en egalisering van de diverse universitaire systemen. De
Onderwijsraad wil met het concept evenmin misprijzend aan deze maatschappelijke
ontwikkelingen voorbijgaan als ze slaafs volgen, maar wil er vanuit de relatief autonome
positie van de universiteit relatief verantwoord rekening mee houden.
Naast eerder externe maatschappelijke tendenzen die het universitaire onderwijsconcept
beïnvloeden, zijn er ook binnen de universiteit en de onderwijskunde zelf verschuivingen
die tot een herziening van het onderwijsconcept nopen. Drie interne factoren worden kort
besproken : (1) de vernieuwde visie op de concepten kennis en
wetenschap, en de koppeling onderwijs-onderzoek, (2) de evolutie naar een
constructivistische visie op leren en instructie en (3) moeilijkheden waarmee het
universitair onderwijs thans kampt. Ook voor deze factoren geldt dat het concept begeleide
zelfstudie op deze factoren inspeelt zonder ze evenwel als determinerend te beschouwen.
Vroeger trachtte de universiteit haar vormingsopdracht te realiseren door universeel
geldende kennis omtrent de werkelijkheid door te geven. Door de snelle ontwikkelingen in
de wetenschappen zelf, maar ook door ontwikkelingen in de wetenschapsfilosofie, heeft het
begrip kennis evenwel zijn absoluut, universeel en onveranderlijk statuut
verloren, om een relatief karakter te krijgen. Men wijst er dan op dat er geen
absolute grens tussen wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke
kennis kan worden aangegeven. Eerder lijkt het volgen van een wetenschappelijke procedure
te bepalen of door onderzoek verkregen resultaten al dan niet wetenschappelijk
zijn (cf. bijv. opiniepeilingen). Binnen deze procedure is communicatie tussen
onderzoekers beslissend. Wetenschappelijke objectiviteit is niet langer een individuele
(ik versus object van onderzoek) maar een sociale aangelegenheid.
Wetenschappelijke geldigheidsaanspraken staan binnen de gemeenschap van
onderzoekers voortdurend ter discussie, en deze discussie beslist of ze (voorlopig) worden
aanvaard dan wel afgewezen. Het wetenschappelijk feit heeft zijn
absoluutheidskarakter (voor eens gegeven en voor altijd vaststaand) verloren. Verder
kenmerkt het wetenschappelijk bedrijf zich vandaag (1) door een exponentiële groei van de
feitenkennis, de zgn. kennisexplosie, gekoppeld aan publicatiedrift en
(2) door een steeds groter wordende specialisatie, waardoor onderzoekers en
onderzoeksdomeinen van elkaar vervreemden, mede doordat ieder zijn eigen methode, zijn
eigen jargon, zijn eigen doelstelling creëert.
Tenslotte, door de toenemende marktgebondenheid en specialisatie van het onderzoek komt de
koppeling onderzoek-onderwijs meer en anders dan vroeger onder druk te staan. Onderzoek
gefinancierd vanuit de markt (het percentage van dit aandeel in het totale
onderzoek stijgt voortdurend) wordt veelal niet onmiddellijk of niet in eerste instantie
opgezet vanuit een interesse in fundamenteel onderzoek. Het zoekt naar specifieke
(technisch toepasbare en economisch winstgevende) antwoorden op specifieke vragen. Te hoog
gespecialiseerd toponderzoek is zeer dikwijls zo specifiek dat de algemeen vormende waarde
ervan voor studenten in opleiding quasi onbestaande is omdat ze zelf nauwelijks aan de
totstandkoming ervan kunnen deelnemen. Bovendien stelt zich de vraag of het alternatief,
met name de resultaten van dergelijk toponderzoek in een onderwijsgebeuren aan studenten
in een zuivere presentatie verduidelijken wel zinvol is. De kloof tussen onderzoeker en
student kan immers zodanig groot worden dat de student niet eens meer begrijpt waar het
over gaat.
In de onderwijskundige reflectie op het leerproces valt een belangrijke verschuiving te
noteren. Het behaviourisme beperkte zich ertoe de student zodanig te trainen
dat hij na verloop van tijd de juiste (empirisch observeerbare) gedragingen als reactie op
de juiste prikkels vertoonde. Het had alleen oog voor fysische activiteit, veronderstelde
daarbij mentale en cognitieve passiviteit, en schonk geen aandacht aan leer- en
informatieprocessen. Dat doet de sociaal-constructivistische aanpak wel. Leren wordt
omschreven als een proces met volgende kenmerken : actief (de student leert), constructief
(de student construeert betekenis), cumulatief (de student bouwt verder op wat hij/zij
reeds weet), doelgericht (de student richt zijn activiteiten op leerdoelen), en
gecontextualiseerd (de student leert binnen en in interactie met een sociaal-culturele
context). Centraal staat de stelling dat de activiteiten van de studenten en de
leerprocessen die ze hierdoor in gang zetten het leerresultaat bepalen. Deze processen
kunnen wel door gepaste maatregelen actief worden beïnvloed : ondersteunen,
vergemakkelijken, bevorderen, optimaliseren. Uitgangspunt is dat de student niet een leeg
vat is, maar een gestructureerde en structurerende persoon die een actieve rol speelt in
het gestalte geven aan zijn leerproces, in interactie met een aangepaste en stimulerende
leeromgeving. De bedoeling is dat de lerende binnen een welbepaalde discipline steeds meer
de zelf-regulerende organisator van het eigen leerproces wordt. Aanvankelijk wordt evenwel
de regulering nog gedeeld : de (professionele en aan het individu aangepaste)
instructie ondersteunt de cognitieve, metacognitieve, affectieve en motivationele
leerfuncties, om een leerproces te bekomen dat gericht is op het bereiken van de
leerdoelen.
Zowel interne evaluatiecommissies als externe visitatiecommissies hebben in het recente
verleden verschillende opleidingen onder de loupe genomen. Deze evaluatie-activiteiten
hebben, naast een aantal positieve kenmerken, een aantal problemen nog duidelijker aan het
licht gebracht.
De problemen verwijzen in eerste instantie naar het niet vervullen van de (impliciete
of expliciete) doelen van tal van opleidingen. Naar aanleiding van het schrijven van
verhandelingen, stellen veel promotoren vast dat studenten moeilijkheden ervaren om
oorspronkelijke teksten te lezen, informatie kritisch en beargumenteerd te interpreteren
of onderzoek op een methodisch verantwoorde manier aan te pakken. In aansluiting hierbij
stellen visitatiecommissies herhaaldelijk een tendens naar encyclopedisch onderwijs alsook
een overbeklemtoning van de waarde van ex-cathedra onderwijs vast. Er gaat volgens hen
onvoldoende aandacht uit naar het verwerven van (cognitieve) vaardigheden en het
begeleiden van studenten. De klemtoon ligt op het geven van informatie door docenten
eerder dan op het construeren van kennis door studenten. Vele betrokkenen betreuren het
blok-gedrag van studenten maar zijn er zich ook van bewust dat dit gedrag in
overeenstemming is met de thans nagestreefde doelen en met de gehanteerde onderwijs- en
examenvormen.
Studenten wijzen op een grote belasting. Ze geven ook aan vaak de relevantie van
informatie of opdrachten niet te vatten. Hierdoor daalt de motivatie en zoekt men zijn
toevlucht tot meer oppervlakkige studeeractiviteiten.
Docenten wijzen op de beperkte begeleidingsmogelijkheden mede gelet op de grote
studentenaantallen en op de afwezigheid van overeenstemming inzake onderwijsdoelen. Dit
laatste kan leiden tot het hinderen van onderwijsvernieuwingen. Verder wijzen docenten op
de moeilijkheden om de drie-dubbele opdracht (onderwijs, dienstverlening, onderzoek) waar
te maken en op de nog steeds bestaande onderwaardering van onderwijsinspanningen.
Het onderwijsconcept Begeleide Zelfstudie vormt een genuanceerd antwoord op de
vernieuwde inzichten inzake kennis en wetenschap, leren en instructie en bestaande
problemen in het huidige universitaire antwoord. Dit antwoord komt zowel aan de vormings-
als de opleidingsopdracht van de universiteit tegemoet (zie verder).
(terug naar inhoud)
Het bovenstaande maakt duidelijk dat het universitair onderwijs behoefte heeft aan een totaalconcept
dat het ontwerpen, het ontwikkelen en het organiseren van universitair onderwijs kan
richten. Deze paragraaf verduidelijkt met verwijzing naar de interne en externe factoren
het totaalconcept begeleide zelfstudie uitgaande van de volgende definitie.
Begeleide zelfstudie, als concept van universitair onderwijs, beoogt aan
studenten een aangepaste omgeving aan te reiken waarin ze leren zowel zelfstandig
betekenis te verlenen aan onderzoeksbevindingen als actief deel te nemen aan verdere
kennisontwikkeling om vervolgens op kwalitatief hoogstaande wijze professioneel en
maatschappelijk actief te kunnen zijn.
Het concept Begeleide zelfstudie
- Begeleide zelfstudie is een totaalconcept. Het verwijst dus naar meer dan naar
een set van werkvormen of aanpakken die als meer of minder adequaat zouden worden
omschreven. Veeleer gaat het om een omvattend antwoord waarin klemtonen worden gelegd ten
aanzien van (a) de doelen van het universitair onderwijs, (b) de rol van de studenten en
van de docenten in het onderwijsleerproces, (c) de relatie tussen onderzoek en onderwijs,
(d) de organisatorische structuren waarbinnen het onderwijsleerproces vorm krijgt, en (e)
de maatschappelijke rol van de universiteit..
- Begeleide zelfstudie bepleit het innemen van een relatief autonome maatschappelijke
positie. De universiteit stelt zich in haar onderwijs zowel autonoom als dienstbaar
op. In volle bewustzijn van de maatschappelijke context definieert ze autonoom haar
vormingsopdracht op grond van een expliciete koppeling van onderzoeken aan onderwijzen.
Begeleide zelfstudie en de oriëntatie van universitair onderwijs
- Begeleide zelfstudie erkent de relativiteit van kennis en richt zich meer op onderzoeken
en bediscussiëren dan op het cumuleren van "objectieve" feiten. Deze aandacht
voor het onderzoeksproces is de best mogelijke opleiding die men toekomstige onderzoekers
en universitair opgeleiden kan geven, en tegelijk de beste garantie om de koppeling
onderwijzen-onderzoeken veilig te stellen : onderwijs wordt dan nl. (voor wat
begeleide zelfstudie betreft) introductie in onderzoeksprocessen. Onderwijzen vereist inhoudelijke
en methodische introductie in het desbetreffende wetenschapsparadigma (zie
2.2.1).
- Begeleide zelfstudie erkent het belang om binnen de onderscheiden opleidingen
domeinspecifieke of discipline-gebonden kennis/vaardigheden na te streven. Het louter
reproduceren van deze kennis en vaardigheden kan evenwel niet het kerndoel van
universitair onderwijs vormen. Dit geldt wel voor de volgende doelen die voor alle
opleidingen gelden en die begeleide zelfstudie als totaalconcept wil realiseren.
- Studenten hebben een kritisch wetenschappelijke houding verworven. Dit houdt in dat ze
onderzoeksbevindingen binnen hun domein op hun waarde voor het domein kunnen inschatten,
dat ze inzicht hebben in de onderzoeksprocessen die aan deze bevindingen ten grondslag
liggen en dat ze deze bevindingen kunnen relateren aan elkaar en aan de precieze context
waarbinnen ze werden verworven, dat ze zicht hebben op de relatieve waarde van de
bevindingen. Studenten zijn op een dusdanige wijze ingeleid in een wetenschappelijke
discipline dat ze er zowel weet van hebben als afstand van kunnen nemen.
- Studenten zijn in staat om zelfstandig betekenis toe te kennen aan nieuwe informatie.
Studenten hebben zich geoefend in betekenisvolle en zelfstandige kennisconstructie.
- Studenten zijn in staat om een eigen bijdrage te leveren tot het
kennisontwikkelingsproces. Deze bijdrage kan verschillende vormen aannemen : bevragen
van paradigma, uitbreiden van het toepassingsveld, verdiepen van de inzichten. Essentieel
is dat studenten, natuurlijk op hun niveau, in staat zijn voor zichzelf onderzoeksvragen
te formuleren, onderzoekswegen te omschrijven, informatie te verzamelen, op haar
relevantie voor het beantwoorden van de vragen te beoordelen, en bijeengebrachte gegevens
kritisch te kunnen interpreteren.
- Begeleide zelfstudie is er op gericht studenten na het afstuderen een reële bijdrage te
laten leveren tot het maatschappelijk functioneren (zie 2.1.1). Een expliciete
gerichtheid op kennisconstructie, waarbij confrontatie met onderzoeksbevindingen en
deelname aan het onderzoeksproces onmisbare componenten zijn, heeft een dusdanige vormende
waarde dat de student bij het afstuderen ook zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid
kan opnemen. De universitair afgestudeerde is door deze vorming in staat zichzelf in te
werken in nieuwe domeinen en zich in het eigen domein bij te scholen. Begeleide zelfstudie
beoogt niet alleen dat afgestudeerden een aantal vaardigheden ontwikkelen maar ook dat
afgestudeerden in staat zijn de functionaliteit ervan te evalueren en desgevallend bij te
sturen. Afgestudeerden hebben zich toegelegd op een domeinspecifieke discipline, en zijn
vaardig in het zelfstandig construeren van (betekenisvolle en toepasbare) kennis.
- Begeleide zelfstudie is er op gericht studenten in staat te stellen op basis van hun
kritisch inzicht in onderliggende processen tot een onderbouwd oordeel te komen en
op die manier beredeneerde maatschappelijke standpunten in te nemen. Een dergelijk oordeel
vereist de bekwaamheid tot integratie van inzichten in functie van een reëel probleem.
Begeleide zelfstudie bepleit daarom een grondige en voortdurende reflectie op de
maatschappelijke relevantie van de verworven kennis als een essentieel onderdeel van alle
vakken.
Begeleide zelfstudie en de vormgeving van universitair onderwijs
- Begeleide zelfstudie bepleit nadrukkelijk de koppeling tussen onderzoek en onderwijs
en beklemtoont dat deelname aan het onderzoeksproces een opleiding tot een universitaire
maakt. In universitair onderwijs wordt de koppeling tussen onderzoek en onderwijs
gerealiseerd door studenten zowel te confronteren met de resultaten van
onderzoeksprocessen (waar ze vervolgens door een eigen constructieve activiteit betekenis
aan verlenen) als hen de mogelijkheid te bieden via het uitvoeren van onderzoek inzicht te
verwerven in het onderzoeksproces zelf. Kennis nemen van onderzoeksresultaten en inzicht
verwerven in de achterliggende onderzoeksprocessen biedt de studenten de mogelijkheid
onderzoeksresultaten kritisch te beoordelen en een eigen bijdrage te leveren tot
kennisontwikkeling.
- Begeleide zelfstudie herdefinieert de rollen van studenten en docenten. Ze stelt
studenten verantwoordelijk voor het eigen leerproces. Docenten zijn verantwoordelijk voor
het passend ondersteunen van het leerproces van de studenten. Ze treden niet in de plaats
van de studenten op die terreinen waarop studenten zelfstandig relevante activiteiten
kunnen uitvoeren.
- Begeleide zelfstudie stelt het leren van de student centraal. Leren is een actief
proces waarbij de studenten, in interactie met verschillende elementen in de omgeving
(docenten, studiemateriaal, bibliotheek, medestudenten, computerprogrammas, ...),
kennis construeren (zie 2.2.2). De omgevingselementen kunnen dit kennisconstructieproces
ondersteunen en richten door op passende wijze te interveniëren. Begeleide zelfstudie
pleit tegen het gebruik van middelen of werkwijzen die studenten verhinderen
betekenisvolle kennis te construeren of die docenten verhinderen (rechtstreeks of
gemedieerd) passende ondersteuning te bieden. De voorkeur gaat naar werkvormen en
benaderingen die studenten passend ondersteunen en hen de mogelijkheid bieden ten volle de
verantwoordelijkheid voor het eigen leren op te nemen. Tegelijkertijd streeft begeleide
zelfstudie naar de uitbouw van een context met voldoende basiscomfort en het aanwenden van
de beschikbare onderwijsmiddelen zodat docenten ten volle de verantwoordelijkheid voor het
ondersteunen van studenten kunnen opnemen.
- Begeleide zelfstudie beklemtoont de nood aan aangepaste begeleiding. Begeleide
zelfstudie is geen pleidooi voor het uitbouwen van een omgeving voor autodidacten. Een
essentieel kenmerk van onderwijs en opleiding is dat het leerproces wordt ondersteund om
doelen te bereiken. Deze doelen resulteren uit het gezamenlijk en permanente overleg
tussen alle betrokkenen. Universitair onderwijs biedt via gerichte begeleiding een
aangepaste leeromgeving. Uiteindelijk is het de bedoeling van deze begeleiding zichzelf
overbodig te maken, de student in staat te stellen voldoende vaardigheden te ontwikkelen
om geheel zelfstandig betekenis te verlenen aan nieuwe informatie, een eigen
maatschappelijke positie in te nemen en een zelfstandige bijdrage tot kennisontwikkeling
te leveren. Met het oog op het groeien van de onafhankelijkheid houdt aangepaste
begeleiding een geleidelijke afbouw van de ondersteuning in.
Begeleide zelfstudie en onderwijsbetrokken besluitvorming
- Begeleide zelfstudie bepleit geen extreme of eenzijdige onderwijsbetrokken keuzen maar
wijst op de relativiteit der dingen door het belang van als ... dan
...-redeneringen te beklemtonen. De werkvormen, de onderwijsleermiddelen, de
opbouw van curricula, de organisatorische omkadering, de examenvormen, de aard van de
opdrachten, ... zijn middelen om hetzij studenten in staat te stellen (vooraf omschreven)
doelen te bereiken, hetzij docenten de mogelijkheid te bieden studenten passend te
ondersteunen. Met andere woorden, eerder dan een pasklaar alomgeldend en trendgevoelig
antwoord (bijv. hoorcolleges, infor-matie- en communicatietechnologie, probleem-gestuurd)
te formuleren, bepleit Begeleide Zelfstudie t.a.v. onderwijsbetrokken
beslissingen systematische en systemische besluitvorming (zie 2.1.2).
(terug naar inhoud)
Begeleide zelfstudie beoogt het onderwijs aan de K.U.Leuven te herdefiniëren en te
heroriënteren. De doelstelling heeft belangrijke implicaties voor het concrete
onderwijsgeven, voor de besluitvorming inzake onderwijs en voor de omkadering.
Begeleide zelfstudie wijzigt het concrete onderwijsgeven als een gevolg van een
vernieuwing van de doelen en van een herziening van de fundamenten van het
onderwijsleerproces. Achtereenvolgens wordt puntsgewijze ingegaan op de studenten, de
begeleiding door docenten en ondersteuningsmateriaal, de werkvormen, de evaluatie en
praktische organisatie.
- Begeleide zelfstudie start van het uitgangspunt dat studenten zelf verantwoordelijkheid
opnemen voor het eigen leerproces. Het is belangrijk studenten hiertoe de mogelijkheid te
bieden en er hen geregeld aan te herinneren. Tevens kan het aangewezen zijn studenten
kansen te bieden om deze verantwoordelijkheid verder te ontwikkelen.
- Begeleide zelfstudie vereist een actieve en daadwerkelijke inbreng van studenten. De
kans hierop stijgt naarmate meer met de voorkennis van studenten rekening wordt gehouden
door te starten van hun probleemervaring en naarmate wordt vermeden de motivatie af te
bouwen in plaats van ze aan te wakkeren.
- Studenten zullen hun studeergedrag aan de vernieuwde aanpak en de hieraan verbonden
vereisten aanpassen. Van studenten zal onder meer een grotere spreiding van de
studeeractiviteiten worden verwacht evenals een meer intensief gebruik van bibliotheken en
elektronische informatiebronnen. Noodzakelijke voorwaarde is dat men studenten tijdig in
het functioneel gebruik van informatiebronnen en in het passend verwerken en kritisch
interpreteren van informatie introduceert.
- Begeleide zelfstudie gaat er van uit dat docenten verantwoordelijk zijn voor het
begeleiden van het leerproces (van groepen) van studenten. Ze bieden hiertoe rechtstreeks
of eventueel met behulp van speciaal hiertoe ontwikkeld of geselecteerd materiaal
ondersteuning.
- De ondersteuning betreft vooreerst het (al dan niet en meer of minder expliciet) naar
voren brengen van de leerdoelen, het aanreiken van informatie, het verwijzen naar
geschikte informatiebronnen, het (gedeeltelijk) overnemen van de cognitieve activiteiten
die de student dient uit te voeren om de vooropgestelde leerdoelen te realiseren, evenals
het aansporen tot het uitvoeren van deze activiteiten. De precieze aard en mate van de aan
te bieden ondersteuning in functie van het realiseren van welbepaalde inhoudelijke
leerdoelen is afhankelijk van het vermogen van studenten om zelfstandig de vooropgestelde
leerdoelen te realiseren. Dit wordt bepaald door hun voorkennis, motivatie en (meta-)
cognitieve vaardigheden.
- Bij begeleide zelfstudie is er sprake van geleidelijke afbouw en heroriëntering van
ondersteuning. Studenten in de eerste kandidatuur ontvangen meer geregeld en meer
intensief begeleiding dan licentiestudenten. Dit houdt in dat studenten in de kandidaturen
steeds feedback krijgen op ingeleverde stukken en helder, schriftelijk en/of mondeling
worden geïnformeerd over verwachtingen en vereisten. Het houdt ook in dat
licentiestudenten sterk worden betrokken bij het bepalen van de doelen en het uitstippelen
van de leerweg. De geleidelijke afbouw kan worden gerealiseerd door studenten kansen te
bieden hun leervaardigheden en hun kennis gericht te ontwikkelen.
- Begeleide zelfstudie zonder begeleiding is een contradictio in terminis. Een meer
intensieve begeleiding van (individuele en groepen) studenten is een onmiddellijk gevolg
van de adoptie van begeleide zelfstudie als concept van universitair onderwijs. De
volgende maatregelen kunnen er binnen de huidige regelgeving voor zorgen dat deze meer
intensieve begeleiding ook daadwerkelijk wordt toegeleverd : (a) het passend inzetten
van ICT; (b) het aanwenden van de volledige onderwijscapaciteit; (c) het afbouwen van
niet-doelgerichte (componenten van) opleidingsonderdelen; (d) het inschakelen van
ouderejaarsstudenten en externe krachten (bijv. externe lectoren, praktijkassistenten);
(e) het prioritair versterken van begeleiding in de eerste cyclus, (f) het samenstellen
van leergroepen bestaande uit elkaar ondersteunende studenten, en (g) het
uitbouwen van het monitoraat in de richting van het ontwikkelen van leervaardigheden en
begeleiden van het leerproces eerder dan het bieden van examenvoorbereiding.
- Schriftelijk en digitaal materiaal vormt een goede basis voor het leveren van de
basisondersteuning. Vereiste is evenwel dat docenten goed, d.w.z. aangepast aan de
vooropgestelde functie, materiaal leren ontwikkelen.
- Een aantal werkvormen dragen niet bij tot de realisatie van begeleide
zelfstudie en zijn derhalve te vermijden, bijvoorbeeld voorlezen van een cursustekst (al
dan niet ter beschikking van de student); opdrachten geven zonder begeleiding; papers
laten schrijven zonder voorzieningen voor feedback. Dergelijke werkvormen leveren meer
schade op dan dat ze baat bijbrengen. Eerder dan ze omwille van administratieve of andere
redenen in stand te houden kunnen opleidingsonderdelen die deze werkvormen
hanteren beter worden geschrapt. Aldus komt bij studenten en docenten meer tijd en energie
vrij voor zelfstudie en begeleiding.
- Begeleide zelfstudie maakt intensief gebruik van opdrachten of taken. Men moet vermijden
dat de opdrachten strikt vakgebonden, gesloten, weinig realiteitsgericht, sterk
voorgestructureerd en gefragmenteerd zijn. Dergelijke taken zijn wellicht nuttig voor het
inoefenen van zeer specifieke probleemoplossingstechnieken maar niet voor het onder de
knie krijgen van minder technische, meer heuristische probleemoplossingsmethoden. Taken
met een groot realiteitsgehalte, die meerdere oplossingen toelaten en vereisen dat het
probleem vanuit verschillende (desgevallend vakoverschrijdende) invalshoeken wordt
belicht, verdienen de voorkeur.
- Informatie- en communicatietechnologie kan een bijdrage leveren tot het realiseren van
begeleide zelfstudie. Voorwaarde is wel dat men het niet zozeer inzet om het
informatie-aanbod te vergroten en te diversifiëren maar wel om de noodzakelijk geachte
interactie tussen studenten onderling en tussen studenten en docenten mogelijk te maken en
hierdoor de diepteverwerking van informatie en ervaringen te bevorderen.
- Begeleide zelfstudie leidt tot een revisie van de doelen van universitair onderwijs. De
wijze van evalueren dient met deze nieuwe doelen overeen te stemmen.
- Overwogen kan worden de thans bestaande koppeling van de functies onderwijzen en
evalueren op te splitsen om alzo nog duidelijker de primair ondersteunende rol van de
docent en de gelijkgestemdheid van docent en student (beide gericht op kennisontwikkeling)
te benadrukken. De (eventueel tussentijdse) toetsen afgenomen door de docent verkrijgen
hierdoor een meer formatief karakter en houden aanwijzingen in voor het bijstellen van de
begeleiding en/of de studie-activiteiten.
- In begeleide zelfstudie wordt een opleiding, eerder dan een combinatie van losstaande
opleidingsonderdelen aangeboden. Dit versterkt de rol van de examencommissie als
collectieve jury.
- De tijdsintensieve begeleiding van studenten doet vragen rijzen bij de wijze waarop
onder-wijs-, dienstverlenings- en onderzoeksopdrachten in onderling evenwicht kunnen
worden uitgevoerd. Gezocht kan worden naar manieren om het academiejaar of de loopbaan
anders in te delen. Een andere indeling van het academiejaar zal op een precieze afweging
van verschillende factoren moeten berusten, zoals : vermijden van piekbelasting,
zinvolle groepering van vakken, onderzoeks-, resp. onderwijsvrij houden van onderdelen van
het academiejaar. Studenten zullen tot deze anders verdeelde inspanning bereid zijn mits
men de functionaliteit van de gevraagde inspanningen voldoende verheldert en valoriseert.
Noodzakelijke voorwaarde is wel dat de van de studenten gevraagde inspanningen, de geboden
ondersteuning en de punten waarop studenten worden beoordeeld steeds met elkaar in
overeenstemming zijn. Voor wat de opbouw van de loopbaan van docenten betreft, stelt de
werkgroep voor perioden van intensieve onderzoeksarbeid af te wisselen met perioden van
intensieve onderwijsaandacht.
- Begeleide zelfstudie vereist flexibiliteit in de organisatie zowel qua uurrooster,
groepsindeling, lokalenverdeling, opdrachtentoewijzing.
- Besluitvorming is doelgestuurd. De vraag welke inhouden en opleidingsonderdelen in een
opleiding aan de orde moeten komen is ondergeschikt aan de vraag welke doelen studenten
dienen te realiseren en welke tussenstappen men hierin onderscheidt.
- De P.O.C.s hebben als centrale taak het onderwijsconcept Begeleide Zelfstudie
verder te concretiseren.
- De P.O.C. is het centraal onderwijsoverlegorgaan voor elke opleiding. De P.O.C. zorgt
voor het onderwijskundig referentiekader, het uitbouwen van het curriculum, het
onderscheiden van de verschillende opleidingsonderdelen, het omschrijven van de syllabi en
het bewaken van de kwaliteit van het onderwijs. Het lijkt aangewezen dat de P.O.C.
vertegenwoordigd is in het faculteitsbureau en over eigen middelen beschikt om
onderwijsgerichte initiatieven te realiseren.
- Beslissingen over onderwijs dienen het gevolg te zijn van een systematisch
besluitvormingsproces. Samenwerkingsverbanden kunnen hiertoe bijdragen. De P.O.C. is
verantwoordelijk voor de inhoudelijke, onderwijskundige en organisatorische uitbouw van de
opleiding als geheel, vakgroepen kunnen worden verantwoordelijk gemaakt voor het verder
ontwikkelen en implementeren van de opleidingsonderdelen binnen de contouren zoals
omschreven door de P.O.C.
- Voor de afzonderlijke opleidingsonderdelen stelt de werkgroep voor af te stappen van de
strikte vak-docent koppeling en over te gaan tot het oprichten van vakgroepen
als eenheden voor onderzoek en onderwijs. Een vakgroep is een groep van personen (Z.A.P.,
A.A.P. en B.A.P.) die verantwoordelijk is voor het onderzoek en onderwijs in een bepaalde
wetenschappelijke discipline. Continuïteit en visie worden op die manier mee gewaarborgd.
Zo kunnen afspraken worden gemaakt over tijdsverdeling tussen onderzoek en onderwijs, over
wie verantwoordelijk is voor begeleiding van studenten, over onnodige overlapping, enz. De
vakgroepen kunnen ook alsdusdanig in de advies- en beslissingsorganen worden
vertegenwoordigd.
- Begeleide zelfstudie vereist dat nieuwe aanpakken worden uitgeprobeerd. Innoverende
initiatieven moet men alsdusdanig erkennen, waarderen en niet voortijdig aan de hand van
niet-aangepaste criteria evalueren. Er is nood aan besluitvorming die openheid laat voor
beredeneerd uitproberen.
- Aanpassing van de samenstelling en de functies van het personeelsbestand.
- Aanpassing van de infrastructuur aan de grotere nood aan een beperkt aantal goed
uitgeruste auditoria en aangename kleinere seminarielokalen.
- Een degelijke administratieve en infrastructurele omkadering, geïnformeerd over en
aangepast aan begeleide zelfstudie, dient te worden behouden.
- In belangrijke mate is het interne financieringssysteem thans gebaseerd op het aantal
studenten. Dit leidt tot een actieve recruteringspolitiek maar ook geregeld tot de
onmogelijkheid om voldoende ondersteuning te bieden aan de gerecruteerde studenten. Als
aansporing is het daarom belangrijk dat niet alleen het aantal studenten maar ook de aan
individuele studenten verstrekte begeleiding de basis vormt voor de financiering.
(terug naar inhoud)
Een gericht plan is noodzakelijk om begeleide zelfstudie aan de
K.U.Leuven te kunnen realiseren. De te nemen maatregelen behoren tot vier
implementatiedomeinen : besluitvorming; vorming; begeleiding en studiewerk. De
voorstellen zouden de indruk kunnen wekken veel beslissingsmacht en initiatiefrecht toe te
kennen aan meer centraal gelokaliseerde instanties van de universiteit. De maatregelen
zijn desalniettemin geformuleerd vanuit de volle erkenning van twee basisprincipes van
onderwijsvernieuwingen, met name het belang van een gevoel van eigendom over de
vernieuwing bij alle betrokkenen en de noodzaak om binnen de faculteiten, departementen,
afdelingen, en bij alle geledingen een proces op gang te laten komen dat (steeds opnieuw)
de betekenis en de consequenties van begeleide zelfstudie voor het eigen functioneren
definieert.
5.1. Besluitvorming
De volgende maatregelen lijken noodzakelijk :
- een publieke verklaring vanwege de Academische Overheid over de gerichte invoering en
uitbouw van begeleide zelfstudie als onderwijsconcept aan de K.U.Leuven;
- een rapportering in het jaarverslag over de stappen die door centrale raden en diensten
werden gezet inzake de uitbouw van begeleide zelfstudie;
- de opdracht aan de Onderwijsraad vanwege de Academische Raad om de realisatie van
begeleide zelfstudie op te volgen;
- revisie door de P.O.C. van onderwijskundige referentiekaders en syllabi vanuit het
perspectief van begeleide zelfstudie;
- een duidelijke functie-omschrijving voor het monitoraat waarin de klemtoon ligt op de
studiebegeleiding;
- een jaarlijkse rapportering door de respectieve vertegenwoordigers van de faculteiten
aan de Onderwijsraad over de initiatieven om begeleide zelfstudie binnen de eigen
faculteit uit te bouwen.
- revisie van onderwijskundige vorming in functie van de uitbouw,
concretisering en implementatie van begeleide zelfstudie;
- uitbouw van vorming voor A.A.P., B.A.P. en monitoraat;
- organisatie van sessies voor het ATP-personeel over het belang en de
(onderwijskundige, administratieve en organisatorische) implicaties van begeleide
zelfstudie;
- vormingsinitiatieven voor de studentenvertegenwoordigers op raden en
commissies over begeleide zelfstudie;
- informatiebrochure voor docenten en studenten over begeleide zelfstudie
en met name over de centrale rol van studenten hierin;
- toelichting door Onderwijsraadvertegenwoordiging op P.O.C.s over
basisprincipes en implicaties van begeleide zelfstudie.
- ontwikkeling op centraal en facultair niveau van expertise inzake
systematische curriculumontwikkeling en onderwijskundig ontwerpen;
- ontwikkeling van (geautomatiseerde) begeleidingsinstrumenten voor de
realisatie van begeleide zelfstudie op uitvoeringsniveau. Een verdere uitbouw van en
ondersteuning via OOI-projecten lijkt in dit verband noodzakelijk.
- studie naar de rolopvatting van studenten en docenten en de wijze waarop
deze kunnen worden gewijzigd;
- opdracht tot studie over concrete bijdrage van ICT tot realisatie van
begeleide zelfstudie met jaarlijkse aanpassing;
- studie van effecten van invoering begeleide zelfstudie op studietijd,
gebruik bibliotheken, aantal hoorcolleges, soort examenvragen, werking van P.O.C.s,
aanpassingen syllabi, vragen in het kader van interne onderwijsevaluaties, welbevinden van
studenten en docenten;
- grondige financiële kosten-baten analyse van de invoering van
begeleide zelfstudie.
(terug naar inhoud)
Barzun, J. (1993). The American university : How it runs, where it is going.
Chicago : University of Chicago Press.
Becher, T. (1989). Academic tribes and territories : Intellectual inquiry and
the cultures of disciplines. Buckingham/Bristol : Oxford University Press.
Bloom, A. (1987). The closing of the American mind. New York : Simon &
Schuster.
Brzezinski, J., & Nowak, L. (Eds) (1997). The idea of the university.
Amsterdam-Atlanta : Rodopi.
Cabal, A.B. (1993). The university as an institution today. Unesco Press.
Collins, A., Brown, S.J., & Newman, S.A. (1989). Cognitive apprenticeship :
Teaching the craft of reading, writing, and mathematics. In L.B. Resnick (Ed.), Knowing,
learning and instruction. Essays in honor of Robert Glaser (pp. 453-494). Hillsdale,
NJ : Lawrence Erlbaum.
Dahlöf, U., Harris, J., Shattock, M., Starpoli, A., & Veld, R. (1991). Dimensions
of evaluation in higher education. London : Jessica Kingsley Publishers.
Delhoofen, P. (1996). De student centraal. Handboek zelfgestuurd onderwijs.
Groningen : Wolters-Noordhoff.
Dillemans, R., Lowyck, J., Van der Perre, G., Claeys, C., & Elen, J. (1998). New
technologies for learning : Contribution of ICT to innovation in education.
Leuven : Leuven University Press.
Eindrapport : Telematica voor open en afstandsonderwijs en wetenschappelijke
communicatie (1993).
Elen, J., & Staessens, K. (Red.) (1997). Onderwijskundige begeleiding in het
hoger onderwijs. Uitdagingen en perspectieven. Leuven/Apeldoorn : Garant.
Ferry, L., Person, J.P., & Renaut, A. (Eds) (1979). Philosophies de
luniversité : Lidéalisme allemand et la question de luniversité.
Paris : Payot.
Habermas, J. (1990). De idee van de universiteit-leerprocessen (B. van den Brink, R.
Gabriëls, & A. Middelhoek, vert.). Tmesis, 38, 166-186.
Hattie, J., & Marsh, H.W. (1996). The relationship between research and teaching.
Greensboro, NC : University of North Carolina.
Janssen, P.J., & De Neve, H. (1988). Studeren en doceren aan het hoger
onderwijs. Vakmanschap als leeropdracht. Leuven : Acco.
Jaspers, K. (1923). Die Idee der Universität. Berlin.
Kuhn, T.S. (1987). De structuur van wetenschappelijke revoluties. (B. Willink,
vert.). Amsterdam/Boom : Meppel.
McKeough, A., Lupart, J., & Marini, A. (Eds) (1995). Teaching for transfer.
Fostering generalization in learning. Mahwah, NJ : Lawrence Erlbaum.
Pelikan, J. (1992). The idea of a university : A reexamination. Yale
University Press.
Prichard, K.W., & McLaren Sawyer, R. (1994). Handbook of college teaching.
Theory and applications. Westport : Greenwood Press.
Readings, B. (1996). The university in ruins. Harvard University Press.
Reboul, O. (1989). La philosophie de léducation. Presses Universitaires
de France.
Shuell, T.J. (1988). The role of the student in learning from instruction. Contemporary
Educational Psychology, 13, 276-295.
Shuell, T.J. (1990). Phases of meaningful learning. Review of Educational Research,
60, 531-547.
Smeyers, P. (1992). Opvoeding en onderwijs. Over initiatie en de mogelijkheid van
kritiek. Pedagogisch Tijdschrift, 17, 270-288.
Ten Dam, G., Van Hout, H., Terlouw, C., & Willems, J. (Eds) (1997). Onderwijskunde
hoger onderwijs. Handboek voor docenten. Assen : Van Gorcum.
Van der Drift, K., & Vos, P. (1987). Anatomie van een leeromgeving : Een
onderwijseconomische analyse van universitair onderwijs. Lisse : Swets &
Zeitlinger.
Vandenberghe, R. (1992). Rationalization of curricula at the K.U.Leuven. A case
study. Leuven : Center for Educational Policy and Innovation.
Vermunt, J. (1992). Leerstijlen en sturen van leerprocessen in het hoger onderwijs.
Naar procesgerichte instructie in zelfstandig denken. Lisse : Swets &
Zeitlinger.
(terug naar inhoud) |
|