NIEUWSBRIEF UNIVERSITEITSGESCHIEDENIS

LETTRE D’INFORMATION SUR L’HISTOIRE DES UNIVERSITÉS


1999, nr. 2

Bijdragen / Contributions


Humboldt International.  Der Export des deutschen Universitätsmodells
im 19. und 20. Jahrhundert

Pieter Dhondt


Sommigen onder u herinneren zich de titel van dit artikel misschien nog als de titel van het congres over de invloed van Wilhelm von Humboldt in het buitenland, aangekondigd in het vorige nummer van de Nieuwsbrief (Jaargang 5, 1999, nr. 1, pp. 48-51).  Het werd op een uitstekende wijze georganiseerd door het departement geschiedenis van de universiteit van Bern tussen 26 september en 1 oktober 1999 in Sigriswil, Zwitserland, met sprekers en geïnteresseerden uit Zwitserland, Duitsland, Oostenrijk, Rusland, Hongarije, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Canada, Japan, China, Nederland en België, waaronder mezelf.

In dit artikel wil ik de naar mijn mening twee belangrijkste bevindingen van dit congres weergeven.  Ten eerste werd al zeer snel duidelijk dat datgene wat wordt beschouwd als hèt Duitse universiteitsmodel niet mag worden gelijkgesteld aan het model van de door Humboldt opgerichte universiteit van Berlijn, noch aan het model ontworpen door de onderwijsfilosoof Wilhelm von Humboldt zelf.  Bovendien bestonden er, misschien tegen de verwachtingen in, ook tussen beide laatste modellen (dat van Wilhelm von Humboldt en dat van de Berlijnse universiteit) aanzienlijke verschillen.  Ten tweede werd onderzocht welke kenmerken van dit vage begrip 'Duitse universiteitsmodel' in het buitenland werden overgenomen, hoe deze overname verliep en wat de belangrijkste verschillen waren op dit vlak tussen de afzonderlijke landen.


Het Duitse, Humboldtse en Berlijnse universiteitsmodel

Zoals uit de titel van het congres blijkt, wordt het Duitse universiteitsmodel meestal onmiddellijk in verband gebracht met de naam Wilhelm von Humboldt.  Kernbegrippen van het zogenaamde Humboldtse universiteits­model als Einsamkeit und Freiheit, Einheit von Lehre und Forschung en Einheit der Wissenschaften werden echter zeker niet alleen door Wilhelm von Humboldt gepromoot en vonden zeker niet alleen aan de door hem opgerichte Berlijnse universiteit weerklank.

Het Duitse universiteitsmodel mag dan ook niet zonder meer worden gelijkgesteld aan het model van de Berlijnse universiteit.  De oprichting van deze Friedrich-Wilhelm-Universität zu Berlin in 1810 kan niet worden gezien als een radicale breuk, maar eerder als een, weliswaar belangrijk, stadium in de algemene hervormingsbeweging in het Duitse onderwijswezen tussen 1750 en 1850.  Geleidelijk werd de overgang gemaakt van het zogenaamde voorklassieke naar het klassieke Duitse universiteitsmodel, van de universiteit als onderwijsinstituut naar de universiteit als onderzoeksinstituut, van volledig door Kerk en Staat gecontroleerd en geleid onderzoek naar een grotere vrijheid voor docenten en later ook studenten.

De oprichting van de universiteit van Halle in 1694 vormde een eerste stap in deze ontwikkeling.  Zo was er toen bijvoorbeeld reeds sprake van de noodzaak van vrij wetenschappelijk onderzoek of van een systeem waarin de studenten zelf hun curriculum konden samenstellen.  Ook de rol van de universiteit van Göttingen kan moeilijk worden overschat.  Het vrijheidsideaal werd daar immers van bij de oprichting in 1737 opgenomen in de universitaire statuten.  Bovendien organiseerde deze universiteit al zeer snel het 'typisch Humboldtse' seminarieonderwijs waarin de nagestreefde combinatie van onderwijs en onderzoek kon worden gerealiseerd.

Niet alleen de rol van de Berlijnse universiteit, maar ook deze van Humboldt zelf in het hervormingsproces moet enigszins worden gerelativeerd.  Of met andere woorden, het klassieke Duitse universiteitsmodel is ook niet, of toch zeker niet helemaal, het model van Wilhelm von Humboldt.  Zo is Humboldts model minstens gedeeltelijk schatplichtig aan zijn intense contacten met filosofen als Friedrich Schiller, Johann Gottlieb Fichte of Friedrich Schelling.  Vele van hen ontmoette hij omstreeks 1794 tijdens zijn studietijd aan de universiteit van Jena.  Schillers heftige veroordeling van de zogenaamde Brotgelehrten (die onderzoek voornamelijk zagen als kostwinning) heeft Humboldt zeker beïnvloed in zijn pleidooi voor een nieuw type geleerde.  Deze ideale geleerde had als doelstelling het nastreven van wat Humboldt de reine Wissenschaft noemde: het bedrijven van de wetenschap om de wetenschap zelf.  Ook de ideeën van Friedrich Schleiermacher over de eenheid van kennis zijn bij Humboldt terug te vinden.  Humboldt beklemtoonde immers voortdurend de rol van de filosofische faculteit als centrale faculteit waar alle kennis zou worden samengebracht.

Daarnaast was Wilhelm von Humboldt gedurende de hele negentiende eeuw zowel in de Duitstalige gebieden zelf als in het buitenland enkel bekend als linguïst.  Filosofen, professoren en ambtenaren in het ministerie van onderwijs spraken en schreven uiteraard wel over de Duitse universiteiten en het Duitse onderwijswezen, maar ze verbonden hieraan nooit de naam Wilhelm von Humboldt.  Overigens was Wilhelms broer, de bioloog en fysicus Alexander von Humboldt, in het buitenland veel meer gekend.  Pas wanneer Eduard Spranger, professor aan de Berlijnse universiteit tussen 1909 en 1911, ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de universiteit in 1910 de onderwijsfilosofische geschriften van Humboldt opnieuw liet uitgeven en zijn ideeën opnieuw ging promoten, werd het Humboldtse universiteitsmodel een erkend begrip.

Het Duitse universiteitsmodel valt dus niet samen met het Berlijnse model, noch met het Humboldtse model.  De Berlijnse universiteit is tenslotte eveneens geen directe weerspiegeling van Humboldts ideeën.  In tegenstelling tot het Franse systeem waar bijna elke discipline in een aparte school, de zogenaamde école spéciale, werd ondergebracht, bleven in de Duitstalige gebieden alle wetenschappen verenigd in één universiteit.  Toch nam men ook in Berlijn geen afstand van de indeling in de vier klassieke faculteiten en kon Humboldts abstracte idee van de Einheit der Wissenschaften in de filosofische faculteit slechts gedeeltelijk worden gerealiseerd.  Daarnaast bleef de Berlijnse universiteit op allerlei vlakken volledig gedomineerd door de Pruisische staat.  Zeker in de benoeming van de professoren speelde de regering een doorslaggevende rol.  Vermits de overheid deze benoemingen op eender welk moment kon intrekken, was de door Humboldt nagestreefde Lehrfreiheit van het academisch personeel nog steeds engiszins beperkt.

Een heel aantal van de door Humboldt voorgestelde wijzigingen aan de Berlijnse universiteit werden pas veel later doorgevoerd.  Zo werden er pas vanaf omstreeks 1885 seminaries georganiseerd in geschiedenis, Duitse filologie of politieke wetenschappen.  Op dit vlak zou de universiteit van Straatsburg die in 1872, na de Duitse overwinning op Frankrijk, in het Duitse Rijk werd geïncorporeerd een veel belangrijkere rol spelen.  Daar bestonden reeds van bij de aanvang seminaries in alle vakgebieden.  Straatsburg fungeerde dan ook als voorbeeld voor talrijke universiteiten in het Duitse Rijk en daarbuiten.

Tenslotte slaagde Humboldt er niet in de bestaande benoemingspolitiek in het Duitse universiteitswezen te wijzigen.  Het probleem was dat familiebanden, betrekkingen met de lokale gemeenschap en religieuze overtuiging belangrijkere criteria waren dan intellectuele capaciteiten bij de aanstelling van professoren in deze zogenaamde familie-universiteiten.  Zowel in Berlijn als in de meeste andere Duitse universiteiten zou deze situatie pas geleidelijk veranderen vanaf de jaren zestig van de negentiende eeuw.  Invloedrijkere universiteiten dan die van Berlijn waren Heidelberg en Kiel waar reeds vanaf de jaren 1840 à 1850 benoemingen op een eerlijkere wijze verliepen.

Ondanks al deze relativeringen was de oprichting van de Friedrich-Wilhelm-Universität zu Berlin in 1810 toch een belangrijke stap in de overgang van de voorklassieke naar de klassieke Duitse universiteit.  De universiteit kreeg immers een zware opdracht mee.  Ze moest het bestaande tekort aan fysische krachten, gebleken na de Pruisissche nederlaag tegen het Napoleontische Frankrijk in 1807, compenseren door haar intellectuele capaciteiten.  Vooral het verlies van de protestantse universiteit Halle door gebiedsafstand aan Frankrijk in de vernederende vrede van Tilsit moest worden opgevangen.

Een betekenisvolle vernieuwing aan de Berlijnse universiteit was onder meer het ontstaan van het begrip Wissenschaftsstandort.  Het principe was dat leden van alle Berlijnse wetenschappelijke instituten (de Preusissche Akademie der Wissenschaften, talrijke musea en onderzoeksinstituten) via de universiteit met elkaar in contact traden en zo het concept Einheit der Wissenschaften meer inhoud gaven.  De universiteit had op die manier niet enkel meer als doelstelling het opleiden van de koninklijke en kerkelijke ambtenaren, maar werd een zelfstandig wetenschappelijk instituut ten dienste van de reine Wissenschaft.  Deze nieuwe opvatting van Berlijn als Wissenschaftsstandort betekende dan ook een belangrijke stap in de overgang van de universiteit als onderwijsinstituut naar de universiteit als onderzoeksinstituut.  Berlijn diende op dit vlak als voorbeeld voor steden als München en Frankfort a/Main, maar ook voor de opkomende metropolen Londen, Parijs en Madrid.  Toch dient ook hier te worden opgemerkt dat deze verbinding tussen universiteit en academie reeds voordien bestond in Göttingen.


De invloed van het Duitse universiteitsmodel in het buitenland

Het Duitse, Humboldtse en Berlijnse universiteitsmodel vallen dus niet (of ten minste niet volledig) met elkaar samen.  Hèt klassieke Duitse universiteitsmodel als zodanig bestond trouwens niet, althans niet voor de buitenlandse studenten en professoren die in de loop van de negentiende eeuw Duitse universiteiten bezochten.  Allen legden ze immers hun eigen accenten en beschouwden telkens andere kenmerken als dè typische elementen van het Duitse systeem.  Dat de Duitse invloed niet alleen uitging van Berlijn en/of Humboldt blijkt overigens ook hieruit: de echte navolging van de Duitse universiteiten in het buitenland is pas merkbaar vanaf de jaren 1870-1880, dus ruim een halve eeuw na de oprichting van de Berlijnse universiteit door Wilhelm von Humboldt.

Toch won de aantrekkingskracht van de universiteit van Berlijn aan kracht vanaf 1871.  In plaats van hoofdstad van, het weliswaar machtige, Pruisen, werd de stad nu immers de hoofdstad van het eengemaakte Duitse Keizerrijk.  Tussen 1870 en 1910 werd de stad verfraaid met tientallen nieuwe gebouwen (met als bekendste ongetwijfeld de Reichstag, de Berliner Dom en het Rote Rathaus), honderden monumenten en een schitterend uitgebouwd openbaar vervoers- en elektriciteitsnet.  Niet alleen de architecturale vernieuwingen breidden zich uit, ook de bevolking evolueerde, door natuurlijke aangroei en vooral door immigratie, van 550.000 inwoners in 1871 tot meer dan 2 miljoen in 1895.  Berlijn was in politiek, economisch, cultureel en wetenschappelijk opzicht hèt centrum en dè aantrekkingspool geworden van het Duitse Rijk.

Omstreeks het midden van de negentiende eeuw had de Duitse wetenschap een dergelijk hoogtepunt bereikt dat niemand de dominantie van de Duitse universiteiten nog kon ontkennen.  Zelfs in Frankrijk, Duitslands erfvijand, werden vanaf ongeveer 1840 ondanks massaal protest de Duitse filosofie en filologie bestudeerd aan de universiteiten en hogescholen.  Onder impuls van onder meer de filosoof Victor Cousin (directeur van de Parijse Ecole normale in 1834 en minister van onderwijs in 1840) werd in Frankrijk vanaf het midden van de negentiende eeuw naar Duits voorbeeld geleidelijk het seminarieonderwijs ingevoerd.

De overname van deze vorm van onderwijs was overigens één van de belangrijkste constanten in de invloed van het Duitse universiteitsmodel in het buitenland.  In alle tijdens het congres besproken landen (Rusland, Hongarije, Nederland, België, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Oostenrijk, de Verenigde Staten, Canada, Japan en China) werden in de loop van de negentiende eeuw in meer of mindere mate geleidelijk seminaries georganiseerd in het hoger onderwijs.  In Hongarije was er omstreeks de jaren 1880 zelfs sprake van een echte golf van oprichtingen van seminaries.  Zoals vermeld speelde niet de universiteit van Berlijn, maar wel deze van Straatsburg in de verspreiding van dit soort onderwijs een uitermate belangrijke rol.

Naast de seminaries was de zogenaamde Forschungsimperativ een tweede kenmerk van het Duitse universiteitsmodel dat door de meeste buitenlandse instituten werd overgenomen.  De universiteit mocht niet meer enkel een onderwijsinstituut zijn, maar moest evenzeer een onderzoeksinstituut worden waar studenten en professoren samen de wetenschap vooruithielpen.  Dit Humboldtse idee van Einheit von Lehre und Forschung werd in haar meest zuivere vorm gerealiseerd in de, naar Duits voorbeeld opgerichte, Amerikaanse graduate schools.  De studenten kregen een eerder theoretische, meer algemene opleiding in de zogenaamde colleges, waarna de besten onder hen aan de graduate schools in samenspraak met de professor eigen onderzoek konden opstarten in de talrijke laboratoria, bibliotheken of archieven.  Eén van de problemen hierbij was evenwel de kostprijs van dergelijke voorzieningen die zeker bij disciplines als chemie, fysica of biologie hoog kon oplopen.  Onder meer daarom ontstonden de onderzoeksuniversiteiten in Canada bijvoorbeeld pas vanaf het begin van de jaren 1920.  Ook de Belgische universiteiten kenden dit probleem en vele professoren richtten dan ook, meestal tevergeefs, smeekbeden aan de regering voor een verhoging van de financiële middelen.

Ten derde vond ook het streven naar Lehr- und Lernfreiheit, of respectievelijk de vrijheid van professoren en studenten, veel weerklank in het buitenland.  In de Duitse Bond zelf was Lernfreiheit bijna vanzelfsprekend en streden de professoren vooral voor het verkrijgen van Lehrfreiheit, zijnde de autonomie ten opzichte van de staat.  Deze werd voor het eerst wettelijk vastgelegd tijdens de revolutie van 1848/49 in de Paulskirchenverfassung in de volgende formulering: 'Die Wissenschaft und ihre Lehre ist frei'.  Hoewel deze grondwet nooit in voege is getreden, werd het betreffende artikel woordelijk overgenomen in de Pruisische grondwet van 1850.  Het ideaal van Wilhelm von Humboldt was op die manier eindelijk, ten minste theoretisch, bereikt.  De regering behield echter via haar benoemingspolitiek in de praktijk nog heel wat invloed in de Pruisissche, later Duitse, universiteiten.

Uiteraard was het verkrijgen van Lehrfreiheit ook in autocratische landen als Rusland, China en Japan een immens probleem.  Toch werd bijvoorbeeld onder de meer liberaal gezinde tsaar Aleksander II in 1863 een nieuw statuut uitgevaardigd voor alle universiteiten in het Russische rijk waarin zowel het onderzoek als de organisatie een duidelijk opener en democratischer gehalte kregen.  In de rest van Europa, de Verenigde Staten en Canada stond vooral de Lernfreiheit ter discussie.  Zo werden de parlementaire debatten in Nederland naar aanleiding van de wet op de hervorming van het hoger onderwijs van 1867 voor een groot gedeelte door dit thema gedomineerd.  Men vreesde vooral dat de studenten door deze grotere vrijheid ook de mogelijkheid kregen niets meer te moeten uitvoeren.  Toch werd in Nederland vanaf 1867, net als in België vanaf 1890, de vrijheid van de studenten bijvoorbeeld bij het samenstellen van hun studieprogramma gevoelig uitgebreid.

Concreet verliep de invloed van het Duitse universiteitsmodel vooral langs individuen die via persoonlijke contacten met Duitse studenten en/of professoren onder de indruk waren geraakt van de als superieur beschouwde Duitse wetenschap.  Zo kan men in China bijvoorbeeld niet voorbijgaan aan een figuur als Cai Yuanpei.  Yuanpei studeerde in 1907 filosofie aan de Friedrich-Wilhelm-Universität zu Berlin en onderzocht tegelijkertijd de organisatie van het Duitse onderwijswezen.  Een jaar later reisde hij naar de universiteit van Leipzig waar hij onder meer in contact kwam met Karl Lamprecht.  Naar het voorbeeld van beide universiteiten zou hij als rector van de universiteit van Peking tussen 1917 en 1922 talrijke hervormingen doorvoeren.  Hij promootte tolerantie en pluralisme in navolging van het Duitse vrijheidsideaal en hij streefde naar het beoefenen van de reine Wissenschaft in navolging van Humboldt zelf.

Ondanks al deze gemeenschappelijke kenmerken waren er vanzelfsprekend immense verschillen in de invloed van het Duitse universiteitsmodel in de afzonderlijke landen.  Zo is de situatie in het tsaristische Rusland van de negentiende eeuw zeer moeilijk te vergelijken met de situatie in de republikeinsgezinde Verenigde Staten van Amerika.  En hoewel ook in Frankrijk onmiskenbaar Duitse invloeden merkbaar waren, gebeurde de overname van de Humboldtse idealen hier uiteraard lang niet in dezelfde mate als in bijvoorbeeld het Duitstalige Oostenrijk.

Alle buitenlandse studenten en professoren die op het einde van de negentiende en in het begin van de twintigste eeuw Duitse universiteiten bezochten, pasten bovendien wat ze daar zagen en leerden steeds aan aan de specifieke noden van het eigen land.  Zo kwamen talrijke Britse geneeskundigen zeer enthousiast terug van hun bezoek aan het pathologische instituut van de geneeskundige Rudolf Virchow aan de universiteit van Berlijn.  De ervaringen die ze meebrachten naar Londen hadden echter niets te maken met het ideaal van de reine Wissenschaft, maar waren uitsluitend geconcentreerd op het uitstekende praktische onderricht aan dit Berlijnse instituut.  Eens te meer blijkt dat niet het universitaire concept van Wilhelm von Humboldt naar het buitenland werd uitgevoerd, maar wel datgene wat door de buitenlanders zelf werd gezien als de kracht van het Duitse universiteitsmodel.  Wel dient hierbij eerlijkheidshalve te worden opgemerkt dat de invloed van de Duitse universiteiten op het Britse onderwijswezen in het algemeen vrij beperkt was.

Sommigen gingen zeer ver in dit instrumentaliseren van de Duitse en/of Humboldtse universiteitsideeën.  De liberalere Japanse Meiji-regering (1868-1912) trachtte zeer doelbewust die elementen van het Duitse universiteitsmodel over te nemen die naar eigen zeggen nog ontbraken in het Japanse systeem.  De bedoeling was om op die manier zo snel mogelijk minstens hetzelfde niveau van wetenschappelijk onderzoek en technische ontwikkeling te bereiken als in Duitsland en de rest van Europa.  Via talrijke beursprogramma's moedigde de regering dan ook beambten, professoren en studenten aan universiteiten en hogescholen in het Westen te bezoeken om na te gaan waarin nu juist de kracht lag van deze instituten.  Een concrete vertaling kreeg deze politiek in 1886 met de oprichting naar Duits model van de keizerlijke universiteit in Tokio.

Ondanks deze talrijke voorbeelden van invloed van het Duitse universiteitsmodel in de hele wereld mag de aantrekkingskracht van Duitsland en de Duitse universiteiten toch niet worden overschat.  Zo waren bij de oprichting van de Johns Hopkins University in 1876 als eerste onderzoeksuniversiteit in de Verenigde Staten van Amerika bijvoorbeeld ongetwijfeld Duitse invloeden nawijsbaar.  Toch beschouwen sommigen de oprichting van deze universiteit eerder als de oorzaak dan als het resultaat van het feit dat zovele Amerikaanse studenten in Duitsland wilden studeren.[1]

Overigens namen vele buitenlandse universiteiten niet enkel ideeën over uit Duitsland, maar eveneens uit andere landen.  Zeker de Russische universiteiten werden gekenmerkt door een dergelijk eclectisch model.  Enerzijds bestond er, naar Duits voorbeeld, de indeling in de vier klassieke faculteiten en niet in aparte onderzoeksscholen zoals in Frankrijk, maar anderzijds kenden deze universiteiten wel een afzonderlijke natuurwetenschappelijke faculteit zodat van het Duitse ideaal van Einheit der Wissenschaften niet meer veel was te merken.  Tenslotte was er ook niet altijd sprake van een rechtstreekse beïnvloeding.  Zo organiseerden de Canadese universiteiten vanaf het einde van de negentiende eeuw weliswaar eveneens seminarieonderwijs, maar als voorbeeld fungeerden hier veeleer de Amerikaanse graduate schools en niet de klassieke Duitse universiteiten.

De titel van het congres is dus, zo is gebleken, op zijn minst verwarrend te noemen.  Zo waren het immers niet zozeer de ideeën van Wilhelm von Humboldt, toch zeker niet in de loop van de negentiende eeuw, die navolging vonden in het buitenland.  Van zoiets als Humboldt International kan dan ook geen sprake zijn.  Verder ging het helemaal niet om de doelbewuste Export van een vaststaand onderwijssysteem zoals dat bijvoorbeeld bestond aan de universiteit van Berlijn, maar eerder om de impliciete overname in een aantal landen van enkele kenmerken van een telkens opnieuw geïnterpreteerd en vaag begrip als het deutsche Universitätsmodell.  Toch werden bepaalde typische kenmerken van dit model zoals het seminarieonderwijs, het belang van onderzoek naast onderwijs en de strijd voor Lehr- und Lernfreiheit, in de loop van de negentiende en twintigste eeuw ingevoerd in talrijke universiteiten binnen en buiten Europa.  Deze invloed verliep voornamelijk via individuen wat meteen de aanzienlijke verschillen tussen de afzonderlijke landen mee helpt te verklaren.  Er was immers altijd sprake van een subjectieve overname en soms zelfs van een instrumentalisering van de ideeën van de Duitse universiteit in het algemeen, van de Berlijnse universiteit in het bijzonder en/of van Wilhelm von Humboldt.

Verdere literatuur: R.C. Schwinges, ed. Humboldt International. Der Export des deutschen Universitätsmodells im 19. und 20. Jahrhundert (Veröffentlichungen der Gesellschaft für Universitäts- und Wissenschaftsgeschichte 3) (in voorbereiding); M.G. Ash, ed. Mythos Humboldt. Vergangenheit und Zukunft der deutschen Universitäten (Wenen 1999).

(Pieter Dhondt, 27/8 Sciennes, Edinburgh EH9 1NH,
United Kingdom, tel.
+44 131 6621165
email pieter_dhondt@hotmail.com)

(Top of page)


Natuurwetenschappelijke instrumenten van het Universiteitsmuseum Utrecht

Jan C. Deiman


Het gebruik van wetenschappelijke instrumenten bij het onderwijs in de natuurkunde aan de Universiteit Utrecht

Bij de stichting in 1636 telde de Utrechtse universiteit vier faculteiten: die der Godgeleerdheid, de Rechtenfaculteit, de faculteit der Geneeskunde en de Philosophische faculteit. Het onderwijs in de natuurkunde was bij de laatste ondergebracht. Over dit onderwijs en de daarbij gebruikte leermiddelen is weinig tot niets bekend. De enige mij bekende verwijzing is te vinden op het zich in het universiteitsmuseum bevindende exemplaar van de ‘Series Lectionum’ van 1656, die luidt:

‘Iohannes de Bruyn, L.A.M. Physicae & Mathesos Professor, diebus Lunae & Martis Physicam; Jovis vero & Veneris Guilielmi Blaeu institutionem Astronomicam de Usu Globorum explicabit.’

Eerst met het aantreden van Joseph Serrurier (1668-1742), hoogleraar proefondervindelijke wijsbegeerte van 1706-1723, doet de experimentele natuurkunde zijn intree in Utrecht[2]. Serrurier schafte in 1706 ten behoeve van zijn onderwijs bij de Van Musschenbroeks in Leiden de nog bestaande grote luchtpomp met schuine cylinder met toebehoren aan. Van verdere aankopen is ons niets bekend. Zijn opvolger Petrus van Musschenbroek (1692-1761), de broer van de Leidse instrumentmaker Jan van Musschenbroek, zou de eerste hoogleraar zijn die systematisch instrumenten ten behoeve van zijn onderwijs in de natuurkunde en de sterrenkunde aankocht. Dit onderwijs vond plaats in het ‘Theatrum anatomicum et physicum’ dat in 1724 aan de Lange Nieuwstraat werd gebouwd, op de plaats waar zich nu de het expositiedeel van het museum bevindt. Onder Van Musschenbroeks opvolgers werd het instrumentenbezit geleidelijk uitgebreid, de inventarissen van het Kabinet zijn altijd bewaard gebleven zodat we van de groei vrij goed op de hoogte zijn. Voor een bescheiden, door de stad Utrecht gefinancierde instelling, als de universiteit was ging het uiteindelijk toch om grote bedragen. De in 1775 tot hoogleraar natuurkunde benoemde Johannus Th. Rossijn (1744-1817) moet zich hebben gerealiseerd dat hij een externe geldbron diende aan te boren als hij over een ruimer aankoopbudget wilde kunnen beschikken. Het in 1777 door Rossijn en 34 rijke burgers uit Utrecht en omgeving opgerichte ‘Gezelschap ter Beoeffening en Bevordering van de Proef-ondervindelijke Natuurkunde’ zou zich als die externe geldbron gaan ontwikkelen. De hoofddoelstelling van het Gezelschap was:

‘... de Bevordering van de Proef-ondervindelijke Natuurkunde in het algemeen, doch meer bijzonderlijk het onderzoeken van alle zulke stukken, tot gemelde Weetenschap behoorende, het beproeven van alle zulke voorkomende Nieuwigheden, en het doen van alle zulke Proeven als wegens den Aart van het Onderwerp, den Omslag en Kostbaarheid van den Toestel, of de onzekerheid van den Uitslag min geschikt zijn om door een bijzonder Persoon te worden behandeld.’[3]

De instrumenten die het Gezelschap kocht kon Rossijn ook bij zijn normale colleges gebruiken, ze werden ook in het Theatrum Physicum bewaard. De handgeschreven catalogus uit 1816 van het bezit van het Gezelschap omvat ruim tweehonderd nummers. Gerrit Moll (1785-1838) die Rossijn in 1815 opvolgde als hoogleraar Natuurkunde betaalde ongeveer de helft van zijn aankopen via het Natuurkundig Gezelschap (de naam en doelstellingen werden in 1815 aangepast). Bij Moll’s dood in 1838 telde de totale catalogus van het kabinet 1238 nummers. De latere hoogleraren, Van Rees, Buys Ballot en oom en neef Julius breidden de collectie verder uit tot 2297 instrumenten ‘op de catalogus’ in 1905. Het Natuurkundig Gezelschap boette geleidelijk aan belang in, en in 1889 werden de instrumenten aan de Universiteit overgedragen. Al die instrumenten dienden voornamelijk voor het geven van collegedemonstraties, er werd maar heel weinig experimenteel onderzoek mee verricht.

Met het aantreden van L.S. Ornstein (1880-1941) in 1915 verandert het karakter van het Utrechtse Natuurkundig Laboratorium, van een onderwijsinstelling met een klein onderzoeksrandje wordt het een onderzoeksbedrijf met een onderwijstaak.

Bij een aantal andere onderdelen van de Faculteit der Wis- en Natuurkunde, zoals de chemische laboratoria, het Farmaceutisch laboratorium, het Museum voor Natuurlijke Historie, het Botanisch laboratorium en het Mineralogisch Instituut gebruikte men wel instrumenten maar de aantallen waren er veel geringer ofwel het accent lag veel meer bij de collecties naturalia zelf. Een aparte geschiedenis van deze instellingen treft u hier dan ook niet aan.

Wel vermeldenswaard is de Utrechtse Sterrenwacht, waarvan de instrumenten voor een groot deel eenzelfde geschiedenis kennen als die uit het eigenlijke Natuurkundig laboratorium, veel van de hoogleraren waren naast hoogleraar Natuurkunde ook hoogleraar Astronomie[4]. Ook deze instrumenten zijn soms al eeuwenlang met veel zorg behoed en aan het nageslacht doorgegeven. Bij de verhuizing van de toenmalige vakgroep Sterrenkunde van het oude bolwerk Zonnenburg naar De Uithof in 1987/88 droeg de vakgroep het historische bezit aan het Museum over.


Het ontstaan van een museale collectie van natuurwetenschappelijke instrumenten

De collectie is als historische collectie tussen 1918 en 1928 ontstaan binnen de faculteit Natuurkunde, waar men over een goed gedocumenteerde verzameling van ca. 1000 oude instrumenten beschikte die dateerden uit de periode 1500 - 1850. In 1928 vonden Faculteit en Universiteit deze collectie van dusdanig belang dat er tot de oprichting van een ‘Stichting Utrechtsch Universiteitsmuseum’ werd overgegaan. Deze Stichting verwierf in de loop der jaren door aankoop en schenkingen tal van aanvullingen op de collectie. In 1936, ter gelegenheid van het derde Eeuwfeest van de Universiteit, schonk de Utrechtse burgerij het pand Trans 6 aan de Universiteit met het doel daar een Universiteitsmuseum in te richten. In het museum zouden de Collectie Nijland (geschiedenis Universiteit en Studentenleven) en de instrumentencollectie geplaatst dienen te worden, dit laatste werd uiteindelijk aan het begin van de jaren vijftig gerealiseerd.

Het doel waarmee de collectie werd aangelegd en uitgebreid was het op aanschouwelijke wijze te kunnen tonen van de historische ontwikkeling van de natuurkunde en de andere exacte wetenschappen. Vanaf ca. 1985 is deze vrij brede doelstelling verengd tot het verzamelen van het ‘academisch erfgoed’ van de Universiteit Utrecht[5].

De collectie bestaat uit momenteel uit ca. 3800 objecten (instrumenten) afkomstig uit de huidige faculteiten Natuur- en Sterrenkunde, Wiskunde, Scheikunde, Farmacie, Biologie en Aardwetenschappen. Daarnaast heeft het museum in de loop der jaren ca. 2300 instrumenten aangekocht of ten geschenke gekregen die naar de mening van de toenmalige directeuren en/of conservatoren in het profiel van de collectie pasten.

Het is goed hier nog eens het verschil tussen deze collectie en natuurhistorische collecties te benadrukken. Bij de instrumentencollectie zijn de voorwerpen op zich geen bronnen van natuurkundig, biologisch, scheikundig of farmaceutisch onderzoek. Het waren hulpmiddelen om onderzoek te kunnen verrichten. Het zijn voor de huidige beoefenaren van deze disciplines nu oude gebruiksvoorwerpen, met een vaak grote cultuurhistorische waarde. Voor wetenschaps- en cultuurhistorici zijn deze oude instrumenten overigens wél een mogelijke bron bij het onderzoek, naast archivalia en boeken.

Bij de natuurhistorische collecties zijn de voorwerpen juist wél een primaire bron van wetenschappelijk onderzoek. In deze collecties speelt de systematiek ook belangrijke rol.  Door het verdwijnen van diersoorten, vindplaatsen van gesteenten en mineralen kunnen de collecties ook in de toekomst nog van groot wetenschappelijk belang zijn.

Onderzoek aan de collectie:

Voor het onderzoek aan de instrumenten die afkomstig zijn uit de Universiteit staan de volgende bronnen ter beschikking:

In het Universiteitsmuseum bevinden zich de volgende (primaire) bronnen met betrekking tot het Natuurkundig Laboratorium en het instrumentarium:

Museum bibliotheek:

 

De collectie heeft op zich een functie als 3D-archief voor instrumentele wetenschapshistorici, techniekhistorici, cultuurhistorici, economisch historici. Er zijn tal van aspecten, het materiaalgebruik, vervaardigingstechnieken, constructiewijzen etc. die zich aan de hand van voorwerpen uit deze collectie laten onderzoeken. Dergelijk onderzoek wordt verricht door conservatoren in allerlei musea. De universiteiten van Oxford en Cambridge bieden ook al geruime tijd een postdoctorale opleiding (MPhil of DPhil) in deze richting aan. Het Imperial College van de Universiteit van Londen kent sinds 1987 een hoogleraar met als leeropdracht de geschiedenis van wetenschappelijke instrumenten.

De waarde van de Utrechtse collectie is groot, in vergelijking met allerlei andere collecties is in Utrecht de herkomst en de datering van veel instrumenten bekend. Ook zijn er hier veel instrumenten in hun samenhang te onderzoeken of zijn er complete ontwikkelingslijnen aanwezig. 

Naast het algemene onderzoek naar maker, datering, herkomst, functie van de instrumenten bestaat er in het Universiteitsmuseum een traditie van onderzoek aan en met oude instrumenten. Dit soort onderzoek, waarbij de instumenten ook werkelijk moeten kunnen functioneren, is slechts mogelijk bij instrumenten die nog nagenoeg compleet zijn en die niet zo kwetsbaar zijn geworden dat het risico van beschadiging onaanvaardbaar groot is. Van Cittert en zijn vrouw onderzochten zo de optische kwaliteiten van de microscopen, hetgeen resulteerde in hun ‘Descriptive Catalogue’ uit 1934[6]. Later wogen zij de aanwezige zeventiende- en achttiende-eeuwse muntgewichten[7]. Samen met Dr. J. van Zuylen zette de huidige conservator dit onderzoek in de jaren tachtig en negentig voort[8]. Tot aan Van Zuylen’s dood in 1995 onderzochten zij ook nog de telescopen en enkele andere optische stelsels uit de collectie.

Afgelopen jaar legden wij contact met medewerkers en studenten van de groep Wetenschapsgeschiedenis van de Carl von Ossietzky Universität in Oldenburg. Zij houden zich vooral bezig met ‘experimentele wetenschapsgeschiedenis’. Oude onderzoeksopstellingen worden nagebouwd en de experimenten die er in het verleden mee zijn gedaan worden onderzocht. Met deze werkende opstellingen richten zij ook tentoonstellingen in. Dit jaar komt één van de studenten naar Utrecht om de werking van een zg. naaldgalvanometer in een meetopstelling te onderzoeken.


Deelgebieden waaruit de collectie momenteel is opgebouwd

Aardwetenschappen (ca. 60 objecten)

Het gaat om een kleine groep instrumenten die specifiek door aard­wetenschappers (geologen) gebruikt zijn bij het onderzoek, zoals kristal­goniometers ed. Verder vallen hieronder de in een klein aantal inventaris­nummers ondergebrachte kristalmodellen (ca. 1000 stuks).

Astronomie (ca. 400 objecten)

Deze deelcollectie omvat de instrumenten en voorwerpen uit de Utrechtse Sterrenwacht, de globes en de zonnewijzers.

De Utrechtse Sterrenwacht heeft een lange geschiedenis die wat de instrumenten betreft teruggaat tot het professoraat van Petrus van Musschenbroek (1723-1740). Er zijn relatief veel instrumenten waarvan bekend is wie ze heeft aangeschaft en wat er mee is gedaan. De Utrechtse globecollectie is wat omvang betreft de derde in Nederland, na die van het Amsterdamse Scheepvaartmuseum en die van het museum Boerhaave te Leiden. Negen van de 21 Utrechtse globes zijn uniek in Nederland. 

De zonnewijzers zijn deels afkomstig uit de Universiteit, deels antiquarisch aangeschaft door de Van Citterts en deels afkomstig uit het legaat Destombes aan de Utrechtse Universiteit. Het is de grootste collectie in een Nederlands museum op dit gebied.

Biologie (ca. 30 objecten)

Evenals bij aardwetenschappen betreft het hier ook een kleine serie specifieke instrumenten, zoals het instrumentarium van Wendt voor het meten van de wortelgroei, groeimeters, broedstoven ed. Deze zijn grotendeels verworven bij de verhuizing van het Botanisch Laboratorium uit de Lange Nieuwstraat.

Elektrostatica (ca. 190 objecten)

Dit is vooral een collectie van voorwerpen die in de achttiende en negentiende eeuw zijn aangeschaft ten behoeve van collegedemonstraties op het gebied van de elektrostatica. Er zijn ruwweg drie soorten objecten: elektriseermachines, demonstratietoestellen en elektrostatische meetinstrumenten, deze laatste dateren ook uit de late negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw.

Elektrotechniek (ca.1240 objecten)

Dit zijn alle instrumenten en apparaten die iets met elektriciteit van doen hebben, voorzover het niet de statische elektriciteit betreft. In Utrecht experimenteerde men al zeer snel na de ontdekking van het verband tussen elektriciteit en magnetisme door de Deen Oersted in 1821 met deze verschijnselen. Van de gebruikte instrumenten is relatief veel bewaard gebleven. Zo zijn de ontwikkeling van de galvanometer, de elektromotor, de batterij, weerstanden, spoelen en dergelijke hier zeer volledig gedocu­menteerd.

Vanaf het begin van de twintigste eeuw ging men op steeds meer gebieden elektrische en ook elektronische (meet)instrumenten gebruiken.

Farmacie (ca. 50 objecten)

Ook hier heeft het museum nooit systematisch verzameld, er zijn in de loop der jaren enkel incidentele schenkingen en aankopen gedaan. De faculteit zelf heeft wel het nodige verzameld, bij de verhuizing van het oude laboratorium aan de Catharijnesingel naar de Uithof is een deel hiervan al aan het museum overgedragen.

Fotografie (ca. 400 objecten)

Vanaf de begintijd van de fotografie is er binnen de Universiteit belangstelling voor dit nieuwe medium geweest. Zo is de in Utrecht in 1840 aangeschafte Daguerrotypie-uit­rusting een van de oudste in Nederland. Verder zijn er een aantal voor Nederland unieke camera’s en toebehoren en ook donkere kamer materialen en toestellen.

Hiernaast is er in het museum een zeer omvangrijke foto-collectie aanwezig van ca. 50000 foto’s, negatieven etc. Hieronder bevindt zich veel waardevol negentiende-eeuws materiaal.

Gassen (ca. 120 objecten)

Tot deze deelcollectie behoort het eerste door de Universiteit aangeschafte natuurwetenschappelijke instrument, de luchtpomp met schuine cylinder van Van Musschenbroek. Later in de achttiende en negentiende eeuw schafte de universiteit tal van andere luchtpompen en toebehoren aan ten behoeve van het onderwijs.

Geluid (ca. 190 objecten)

Deze deelcollectie is in het derde kwart van de negentiende eeuw ontstaan. Natuurkundigen en zintuigfysiologen deden toen onderzoek aan de analyse en synthese van spraak. Er zijn stemvorken, orgelpijpen fluiten, sirenes, klankanalysatoren e.d. Veel is afkomstig van de beroemde Franse instrumentmakers König en Marloye.

De collectie geeft een representatief beeld van dit onderzoek.

Landmeetkunde (55 objecten)

Deze bescheiden en zeker niet representatieve collectie bestaat uit twee kernen. Ten eerste de al aan het begin van de jaren dertig verworven landmeetkundige instrumenten uit het bezit van de Utrechtse Fundatie van Renswoude en ten tweede de Landmeetkundige instrumenten uit de Utrechtse Sterrenwacht. De instrumenten van de Fundatie dateren uit de tweede helft van de achttiende eeuw en zijn deels ook in Utrecht gemaakt, waarmee het een zowel voor ons museum als ook landelijk gezien belangrijke verzameling is. De instrumenten uit de Sterrenwacht dateren uit de negentiende eeuw, ook zij vertegenwoordigen een grote cultuurhistorische waarde. Het theodoliet waar de precieze plaats van Mekka voor het eerst mee bepaald is hoort tot deze groep.

Maatsbepaling (ca. 340 objecten)

Tot deze deelcollectie behoren de volgende soorten objecten: lengte- en inhoudsmaten, meettoestellen voor lengte- en inhoudsmaten en balansen en gewichten. Een deel van de collectie is een bruikleen van de Dienst Rijks Verspreide Kunstvoorwerpen (IJkwezen). Tot de collectie behoren de uiterst waardevolle maten en gewichten die door Gerrit Moll in 1824 uit de nalatenschap van Jan Henri van Swinden zijn verworven, verder zeventiende- en achttiende-eeuwse balansen en muntgewichtdozen uit het bezit van de faculteit Natuurkunde en het Natuurkundig Gezelschap, een omvangrijke collectie waardevolle historische gewichten en een grote hoeveelheid balansen die afkomstig zijn uit diverse faculteiten.

Magnetisme (ca. 100 objecten)

Dit is een collectie die bestaat uit zeer waardevolle zeventiende- en achttiende-eeuwse zeilstenen, vroeg negentiende eeuwse staalmagneten en verder een aantal achttiende- en vroeg negentiende-eeuwse meetinstrumenten voor het aardmagnetische veld.

Mechanica (ca. 130 objecten)

Deze collectie is ontstaan met het invoeren van de Newton-mechanica aan de Utrechtse universiteit volgens de leermethode van ’s Gravesande, door Van Musschenbroek in 1723. Daarnaast zijn er de nodige mechanische modellen van pompen, kranen, stoommachines en een enkele sluis.

Meteorologie (ca. 100 objecten)

Onder deze deelcollectie vallen barometers, windmeters, hygrometers en speciaal voor meteorologische doeleinden vervaardigde thermometers. De meteorologie werd in Utrecht al beoefend door Van Musschenbroek in de achttiende eeuw en verschillende van zijn opvolgers hebben zich op dit gebied ook niet onbetuigd gelaten. De instrumenten stammen, met een enkele uitzondering, voornamelijk uit de periode van 1750 - 1850.

Er heeft altijd een nauwe band bestaan tussen de UU en het KNMI dat tot ca.1895 ook op het bolwerk Zonnenburg gevestigd was. De hoogleraar Wis- en Natuurkunde C.H.D. Buys Ballot (1817-1890) stichtte in 1848 samen met zijn assistent F.C.H. Krecke een meteorologisch instituut op Zonnenburg, in 1854 werd het een overheidsinstelling: het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI). De eerste instrumenten leenden zij van de het Natuurkundig laboratorium. Later kocht het KNMI zelf instrumenten. Vanaf 1984 heeft het Universiteitsmuseum samengewerkt met het KNMI bij het tot stand komen van een collectie binnen het KNMI zelf. Deze telt inmiddels zo’n 450 meteorologische en geofysische instrumenten, vooral uit de periode na 1850.

Microscopie (ca. 1040 objecten)

Onder deze deelcollectie vallen de microscopen, de microtomen, de microscopische preparaten en de hulpinstrumenten voor speciale toepassingen bij microscopen. Op het gebied van de microscopie neemt in Utrecht sinds het professoraat van Pieter Harting (1812-1885) een belangrijke plaats in Nederland in. Harting voerde als eerste in Nederland in Utrecht een practicum voor microscopie in waar studenten met microscopen konden werken. Dank zij ruime middelen door het Natuurkundig Gezelschap ter beschikking gesteld beschikte hij rond 1850 over een der best geoutilleerde laboratoria in Europa. Hij was zeer in de geschiedenis van het instrument geïnteresseerd en publiceerde daarover ook. Harting ontdekte in Utrecht de Van Leeuwenhoek microscoop en de Huygenslens ‘Admovere’.

De zeer bijzondere microscopen uit de collectie van Harting vormen de basis van de microscopencollectie. Vanaf de oprichting van de ‘Stichting Utrechtsch Universiteitsmuseum’ is er op dit gebied actief verder verzameld, in de jaren dertig en veertig zijn voor weinig geld vooral achttiende- en negentiende-eeuwse misroscopen verworven die nu vaak wel het duizendvoudige waard zijn. Hoewel met moeite is het de laatste twintig jaar ook redelijk gelukt belangrijke instrumenten uit de faculteiten los te krijgen. Verder is er een bruikleen van een dertigtal instrumenten van de Stichting voor Historische Microscopie, hiertoe behoren vooral veel Engelse microscopen die in de collectie verder grotendeels ontbreken. De collectie is hiermee zeer representatief voor de ontwikkeling van de microscoop.

Optica (ca 720 objecten)

Deze collectie is ontstaan vanaf het midden van de achttiende eeuw toen de optica een belangrijker plaats in de natuurkunde ging innemen. Uit de periode 1750 - 1850 zijn er veel instrumenten die we nu tot de ‘physique amusante’ rekenen: anamorfosen, opticaplaten en kasten, spiegels, wondertrommels e.d. Daarnaast zijn er de lenzen en prisma’s waarmee de theorie van het licht gedemonstreerd kon worden. Uit de negentiende eeuw zijn er voorbeelden van vrijwel alle toen ontwikkelde optische instrumenten. In de twintigste eeuw specialiseerde het Utrechtse Natuurkundig laboratorium onder Julius en Ornstein zich op het gebied van de spectroscopie (1900 - 1940). Instrumenten die toen werden aangeschaft zijn spectroscopen, (dubbel)monochromatoren, (micro)fotometers, optische standaarden en allerlei toebehoren. Hiertoe behoren ook de optische roosters waarvan het museum inmiddels een zeer waardevolle collectie bezit.

Uit andere laboratoria (scheikunde, farmacie, biologie, geneeskunde) van de universiteit stammen instrumenten waarin optische verschijnselen worden toegepast zoals refractometers, kolorimeters en polarimeters.

Scheikunde (ca. 310 objecten)

Het museum heeft nooit systematisch op dit gebied verzameld. Scheikundige laboratoria waren in het verre en minder verre verleden ook minder van allerlei fraaie instrumenten voorzien dan bijvoorbeeld een natuurkundig laboratorium. Het oudste laboratorium, dat van Barchusen uit het begin van de achttiende eeuw in het bolwerk Zonnenburg, was van stookplaatsen en ovens voorzien, de inventaris uit het begin van de negentiende eeuw meldt niet meer dan een tiental voorwerpen. Van de inventaris van Leeuwenberg, het laboratorium van G.J. Mulder, is ons ook weinig bekend. Enkele van zijn calorimeters bevinden zich in de collectie van het museum. Glaswerk uit die periode is er vrijwel niet, het brak gemakkelijk en werd weggegooid. Eerst toen men in de twintigste eeuw thermisch bestendiger glassoorten (Pyrex) ging gebruiken nam de levensduur ervan toe. Het chemische glaswerk dat zich in het museum bevindt, en dat vooral afkomstig is uit de faculteit Farmacie dateert dan ook vooral uit deze eeuw. Pas na 1945 gingen chemici veel meer instrumenten gebruiken. Deze zijn in Nederland verzameld door de Koninklijke Nederlandse Chemische Vereniging.

Tijdmeting (ca. 25 objecten)

Op dit gebied heeft het museum nooit actief verzameld, de deelcollectie bestaat uit een aantal horloges, stopwatches, pendules en wat speciale uurwerken die bij o.a. fysiologisch onderzoek werden toegepast.

Warmte (ca. 270 objecten)

Tot deze deelcollectie behoren thermometers en verder apparaten uit de achttiende en negentiende eeuw die op een of andere manier het verschijnsel warmte benutten of effecten van warmte demonstreren. In het bijzonder de achttiende-eeuwse thermometers in deze collectie zijn van groot belang. Zo zijn er van de nog 12 bekende door Prins vervaardigde thermometers vier in Utrecht aanwezig (Prins was de leerling/opvolger van D.G. Fahrenheit). Ook de negentiende eeuw is met tal van gesigneerde en veelal gedateerde exemplaren goed vertegenwoordigd. Daarnaast zijn er diverse standaardthermometers met ijkcertificaten aanwezig.

Wiskunde (ca. 250 objecten)

Deze deelcollectie bestaat uit wiskundige modellen, rekeninstrumenten  en tekeninstrumenten. De wiskundige modellen dateren uit de late achttiende eeuw, de negentiende en de vroege twintigste eeuw.

Tot de collectie rekeninstrumenten behoren napierstaafjes, proportionaal­passers, rekenlinialen en diverse mechanische rekenmachines.

Tekeninstrumenten zijn de diverse passers, pennen, linialen e.d. Ze zijn veelal niet als losse instrumenten aanwezig maar bevinden zich als onderdeel in een passerdoos of kist, waarin zich ook rekeninstrumenten en landmeetkundige instrumenten bevinden.

Computers zijn door het Universiteitsmuseum altijd zeer terughoudend verzameld. In Nederland bestaat op dit terrein ook nog geen beleid, al zijn er initiatieven om tot zoiets te komen.

Zeevaartkunde (ca. 60 objecten)

Er zijn in de collectie een aantal specifiek nautische instrumenten als kruisstaven, sextanten, enkele kompassen en scheepschronometers. Een aantal ervan werd in de negentiende eeuw op de Sterrenwacht gebruikt voor het onderwijs aan studenten die er astronomische waarnemingen mee moesten doen. De collectie is zeer waardevol, zo bezitten wij drie van de dertig in de gehele wereld geregistreerde kruisstaven. Ook in de collectie octanten en sextanten zitten een aantal unieke exemplaren.

(Jan C. Deiman)

Voetnoten

[1] L.R. Veysey, The Emergence of the American University (Chicago-Londen 1965) 129.

[2] C. de Pater, Petrus van Musschenbroek [1692-1761], een newtoniaans natuuronderzoeker, diss. Utrecht, 1979, p.13, 14.

[3] NG 200, Natuurkundig Gezelschap te Utrecht 1777-1977, uitgave NG, 1977, p.37, en Archief UM, Onveranderlijke Grondwetten van het Gezelschap etc.

[4] J.C. Deiman, Het Instrument in de Wetenschap, Themanummer van het tijdschrift GeWiNa, Vol.10, 1987: Het Instrumentarium van de Utrechtse Sterrenwacht.

[5] Academisch Erfgoed: Collectieplan Universiteitsmuseum Utrecht, 1991.

[6] Dr. P.H. van Cittert, Descriptive Catalogue of the Collection of Microscopes in charge of the Utrecht University Museum, with an introductory Historical Survey of the Resolving Power of the Microscope, Groningen, 1934

[7] Dr. J.G. van Cittert-Eymers en Dr. P.H. van Cittert, Muntgewichtsdoosjes in het bezit van het Physisch Laboratorium en het Universiteitsmuseum te Utrecht, in Jaarboek voor Munt en Penningkunde, vol. 37, 1950.

[8] J.C. Deiman, Microscope Optics  and J.J. Lister’s Influence on the Development of the Achromatic Objective, 1750-1850, Diss. Univ. London (Imperial College), 1992.

(Top of page)