NIEUWSBRIEF UNIVERSITEITSGESCHIEDENIS

LETTRE D’INFORMATION SUR L’HISTOIRE DES UNIVERSITÉS


1999, nr. 2

Nieuwe publicaties / Publications récentes

 


Serge Lusignan, 'Vérité garde le roy'. La construction d'une identité universitaire en France (XIIIe-XVe siècle), Histoire ancienne et médiévale, 55 (Parijs, Publications de la Sorbonne, 1999). ISBN 2-85944-373-8.


In deze boeiende studie heeft de Canadese universiteitshistoricus Serge Lusignan van de Université de Montréal, vat willen krijgen op de zich wijzigende identiteit van de middeleeuwse academicus en daarmee samenhangend op het fenomeen 'academische vrijheid'. Om dit doel te bereiken heeft de auteur via verschillende invalshoeken en diverse bronnen de relatie van de universiteit, en inzonderheid die van Parijs, met de vorst en het Parlement van Parijs onderzocht. Anders geformuleerd: het boek handelt over de integratie van de Parijse universiteit en van haar leden in het Franse koninkrijk. Zowel het mythische discours over de translatio studii als de benaming fille de roi de France komen uitgebreid aan de orde.

Parijs is het centrum van kennis geworden na Griekenland en Rome en via Karel de Grote. Het heeft die status te danken aan de protectie van Franse koningen (rois sages). Als 'dochter van de koning' maakt het Parijse studium deel uit van de lignage van de koning, maar wel in een onafhankelijke positie. De universiteit is volgens kanselier Gerson tot het koninklijk geslacht toegetreden via civiele adoptie.

Interessant bij de ontwikkeling van de oudste universiteiten is dat ze stoelt op twee tradities: een traditioneel sociaal-feodale en een nieuwe juridische. Oude praktijken worden geïntegreerd als ze rekenen op koninklijke bescherming maar hun rechten funderen ze op juridische gronden die ze halen uit het Romeins recht en uitspraken van het Parlement.

De nieuwe sociale stand (corps social universitaire), echter, die van de doctores, heeft zijn bestaan niet te danken aan geboorte of gewoonte, maar aan de wetgevende macht van de koning. Verregaande privileges en sociale erkenning zijn de bindende elementen van deze groep; zij bepalen de identiteit. 

In de loop van de dertiende en veertiende eeuw hebben de universiteiten een reële politieke macht verworven, en vooral dan die van Parijs. Die verliezen ze in de loop van de vijftiende eeuw; Parijs blijft nog wel belangrijk als adviseur in theologische kwesties.  Ze verliezen hun macht onder meer omdat ze slecht de nieuwe politieke en sociale evoluties hebben ingeschat. Zeker Parijs heeft te lang vastgehouden aan de suprematie van de theologen zonder oog voor de groeiende laïcisering van de maatschappij. Zolang de politiek morele grondslagen had konden de theologen invloed uitoefenen. Wanneer echter pragmatische en juridische argumenten gaan overwegen worden de juristen die inmiddels de politieke en administratieve organen domineren, de grote overwinnaars. Een niet te onderschatten factor is ook de taal. Door halsstarrig vast te houden aan het Latijn, onder meer als een uiting van haar identiteit heeft de universiteit zich ver gehouden van de expansie die het Frans als cultuur- en wetenschapstaal heeft gekend. De translatio van cultuur en kennis van de universiteit naar het Franse hof is gebeurd in het Frans, niet in het Latijn. Nicolas d'Oresme had dit reeds in de veertiende eeuw gezien, maar hij had geen gehoor gevonden.  Volgens Lusignan is dat één van de redenen dat de universiteit in de loop van de vijftiende eeuw aan invloed en macht verloren is ten voordele van het hof.

Uit het bovenstaande mag blijken dat dit boek een originele bijdrage vormt voor onze kennis van de betekenis van de universiteit van Parijs in de late Middeleeuwen.

(Hilde de Ridder-Symoens)

(Top of page)


M.L. Accorsi & C. Zonta (eds.), La Matricola - Die Matrikel, 1573-1602, 1707-1727, Natio Germanica Bononiae I, CLUEB, Bologna, 1999. 237 pp., ill. ISBN 88-491-1255-6.


In 1887 was onder leiding van Theodor Mommsen te Berlijn een project gestart om de bronnen van de Germaanse Natie van de Universiteit van Bologna uit te geven, te beginnen met de Akten of Annali van de natie voor de jaren 1289-1562 (editie van E. Friedländer & C. Malagola, Acta nationis Germaniae Universitatis Bononiensis et archetypis tabularii Malvezziani, Berlijn 1887) en de daarbij aansluitende biografische index (G. Knod, Deutsche Studenten in Bologna, 1289-1562. Biographischer Index zu den Acta nationis Germanicae Universitatis Bononiensis, Berlin 1899).

Nu een eeuw later is een wetenschappelijk comité opgericht in de schoot van de Universiteit van Bologna en het Archivio di Stato en met steun van het Hermann und Elise Wentzel Stiftung der Akademie der Wissenschaften in Berlin, om de nog onuitgegeven bronnen te publiceren.

Drie delen zijn voorzien: 1. het Matricola dat hier wordt voorgesteld; 2. de Annali voor de jaren 1595-1619 en 1640-1674; 3. een bundel met bijdragen over de Germaanse natie.

Over de historiek van het matrikel van de Germaanse Natie van Bologna kan men meer lezen in de Inleiding van Gian Paolo Brizzi, de motor achter deze nieuwe reeks edities. Over de Natie geeft dezelfde auteur lezenswaardige informatie in de bijdrage 'Aspekte der Geschichte der natio Germanica von Bologna in der zweiten Hälfte des 16. Jahrhunderts' (blz. 39-47). Norbert Conrads geeft vervolgens 'Anmerkungen zur Matrikel der deutschen Nation von Bologna' (blz. 49-53). en de uitgeefster M. Luisa Accorsi bespreekt 'Das 'Libro degli immatricolati' der natio Germanica am Bologneser Studium' (blz. 73-81). Alle bijdragen zijn ook in het Italiaans in deze band gepubliceerd. 

Volgt dan een getrouwe weergave van de inschrijvingen van studenten - zowel juristen als artisten en medici - uit hoofdzakelijk het Duitse Rijk en de Noordelijke landen. Ook de inwoners uit de Lage Landen schreven zich in deze Natie in. Het matrikel begint in 1573 als de Germaanse studenten na een decennium afwezigheid terug naar Bologna zijn gekeerd op belofte dat hun privileges zouden gerespecteerd worden. Tot 1602 is de lijst goed bijgehouden. Jammer genoeg hebben de functionarissen hun taak niet verder ter harte genomen. Voor de jaren 1707-1727 zijn nog een 140 namen opgetekend. In totaal zijn 2776 personen geregistreerd. Uiteraard gaat het niet alleen om echte studenten (veri studentes), maar ook om andere suppositi en bovenal hoogwaardigheidsbekleders en hoge adel die Bologna aandoen en graag in het matrikel worden ingeschreven, als in een gastenboek. Het Matrikel bevat geen autografen; het is waarschijnlijk door de pedel of een ander lid van de Natie bijgehouden als een soort kasboek, om de lidgelden te registreren. 

De teksteditie is, voor zover ik heb kunnen nagaan, heel zorgvuldig gebeurd. Handig is dat de inschrijvingen van de Bolognese studenten aan andere Italiaanse universiteiten worden toegevoegd. Op deze wijze konden ook correcties en aanvullingen aangebracht worden bij de niet steeds feilloze registratie van de immatriculerende studenten. De indices van persoons- en plaatsnamen zijn goed bruikbaar. De tientallen Nederlanders die in het matrikel voorkomen zijn dan ook gemakkelijk te achterhalen.

(Hilde De Ridder-Symoens)

(Top of page)


Learning the Law. Teaching and the Transmission of Law in England, 1150-1900. Edited by Jonathan A. Bush and Alain Wijffels, The Hambledon Press, London and Rio Grande 1999. 417 pp. isbn 1 85285 184 8.


Het onderwijs in de rechten in Engeland ontsnapt grotendeels aan de universiteiten. Oxford en Cambridge hadden wel rechtsfaculteiten maar die leidden de ambtenaren en rechters niet op. Dat gebeurde in eigen instellingen, the Inns of Court, en op andere wijzen. In juli 1997 heeft de Thirteenth British Legal History Conference zich gebogen over de wijze waarop het recht in Engeland gedurende 750 jaar werd onderwezen en doorgegeven van generatie op generatie. De lijvige akten van dit congres geven dan ook een een goed beeld van de 'state of the art' over de meest diverse aspecten van de 'transmission of legal knowledge' zoals die in de loop der tijden heeft plaats gehad. Detailstudies wisselen af met grotere overzichten. De bijgevoegde inhoudstafel geeft de lezer een beeld van de variatie en rijkdom van deze bundel.

Het is wel jammer dat de uitgevers geen slotartikel hebben toegevoegd, of een uitgebreide inleiding, waarin de uiteenlopende bijdragen in een brede synthese zijn bijeengebracht. Ook een index heb ik gemist. Het betreft hier duidelijk een bundel van congreslezingen met 'voor ieder wat wils'.

Inhoudstafel:

(Hilde De Ridder-Symoens)

(Top of page)


Jan de Bruijn, Helpende handen. VU-plan 1937 en Vrouwen VU-hulp in de jaren 1932-1997. Historische Reeks VU 1 (Zoetermeer, Meinema, 1999) 159 p., geïll., isbn 90-211-3780-1.


Helpende handen
beschrijft de geschiedenis van 65 jaar Vrouwen-VU-hulp en haar voorloper VU-plan 1937. Deze organisatie van gereformeerde vrouwen werd in 1932 opgericht om geld in te zamelen voor de uitbreiding van de Vrije Universiteit, die toen nog geheel uit particuliere middelen moest worden gefinancierd. De vrouwen maakten bij hun spaaractie gebruik van het befaamd geworden VU-collectebusje (met de beeltenis van VU-oprichter Abraham Kuyper) dat jarenlang hét symbool zou zijn van de relatie tussen de universiteit en haar achterban. Vrouwen VU-hulp bereikte haar grootste omvang in het midden van de jaren zestig, toen ruim 115.000 vrouwen waren aangesloten. Daarna liep het ledenaantal terug als gevolg van ontwikkelingen in kerk en samenleving die ook de positie van de VU ingrijpend veranderden. Opkomst en neergang van Vrouwen VU-hulp worden beschreven tegen de achtergrond van verzuiling en ontzuiling. Tevens komt de vraag aan de orde wat de plaats en betekenis van deze organisatie waren in het streven naar vrouwenemancipatie. Het boek wordt afgesloten met een korte beschouwing over de huidige positie en de toekomst van Vrouwen VU-hulp.

Helpende handen vormt het eerste deel van de Historische Reeks VU. Deze reeks is opgezet in het kader van de activiteiten rondom het 125-jarig bestaan van de Vrije Universiteit in 2005. Met het oog op dit jubileum heeft het College van Bestuur besloten dat er meer aandacht moet komen voor het verleden van de VU. De Historische Commissie 2005 heeft de opdracht gekregen hiervoor zorg te dragen. De Historische Reeks VU is een initiatief van deze commissie. 

De reeks is bedoeld voor de publicatie van aspecten van de VU-geschiedenis en zal jaarlijks tenminste een deel opleveren. Samen zullen de delen bovendien bouwstenen bieden voor het historische gedenkboek dat in 2005 zal verschijnen. Deel twee, dat beoogd is voor het jaar 2000, zal gaan over de VU-studentencultuur. Verder staan er  delen op stapel over onderwerpen als de VU tijdens de Tweede Wereldoorlog en de internationale betrekkingen van de VU. 

(Marc Wingens)

(Top of page)


Annet Mooij, De polsslag van de stad. 350 jaar academische geneeskunde in Amsterdam (Arbeiderspers; Amsterdam/Antwerpen 1999) 499 p., geïll., isbn 90-295-3065-0, ƒ 


In de Gouden Eeuw, toen Amsterdam het centrum van de wereld was, waren de openbare ontledingen in het Anatomisch Theater aan de Waag een populair volksvermaak en kwamen bezoekers uit alle windstreken af op de wonderbaarlijke anatomische kabinetten van Frederik Ruysch. Maar de zeventiende eeuw was ook het tijdperk waarin de geleerde geneesheer het voorwerp was van bijtende spot en waarin de verhouding tussen medici onderling beheerst werd door ruzie, roddel en achterklap.

In de ruim driehonderd jaar die sindsdien verstreken, is er veel veranderd. Annet Mooij beschrijft in De polsslag van de stad hoe de stedelijke gasthuizen uitgroeiden van bewaarplaatsen voor arme Amsterdammers tot centra van superspecialistische medische zorg, hoe in het hoger onderwijs het ideaal van brede geleerdheid werd verdrongen door dat van wetenschap en specialisme, en hoe het medisch onderzoek zich verplaatste van de particuliere studeerkamer naar het universitaire laboratorium. Ondertussen valt er ook te lezen over het wel en wee van de medische beroepsgroep, over de omgangsvormen onder artsen, hun relatie met patiënten en hun vaak moeizame verhouding tot andere beroepsgroepen.

Dit alles speelt zich af tegen een Amsterdams decor. Maar wat daar gebeurde, is nauw verweven met de geschiedenis van Nederland en moeilijk los te zien van geneeskundige ontwikkelingen elders. Die komen dan ook veelvuldig aan bod. Zo ontstaat een even informatief als levendig beeld van ruim drie eeuwen academische geneeskunde.  

(Marc Wingens)

(Top of page)


Peter Baggen, Agnes Tellings, & Wouter van Haaften (Eds.), The University and the knowledge society (Concorde Publishing House; Bemmel-London-Paris, 1999) 144 p., isbn 90-76230-03-X, ƒ 35,- via Concorde Publishing House, P.O. Box 167, NL-6680 AD Bemmel.


The arrival of the knowledge society - a term referring to modern society's increasingly heavy dependence on information - turns out to be both a blessing and an evil for the university. On the one hand, the knowledge society needs what universities traditionally are best at: the production and dissemination of knowledge. On the other hand, the university is no longer the only or even the main producer of knowledge. Many competitors have entered the knowledge and research market, including vocational colleges, research institutes associated with high-tech companies, and even the Internet. This dependence makes the university's position in society precarious. Because institutions of higher learning are forced to make the knowledge they produce fit the demands of their clients in order to retain both students and funds, these institutions find themselves at the mercy of intangible market trends.

This ambiguous condition of the university in the knowledge society is the theme of this book. Authors from several European countries and the United States reflect upon today's predicament of the university from philosophical, sociological and historical perspectives.

Contents

(Overgenomen uit STUDIUM;
zie ook
Nieuwsbrief Universiteitsgeschiedenis, 4(1998)1, p. 35-38)

(Top of page)


Nieuw jaarboek
Jahrbuch für Universitätsgeschichte


Het Jahrbuch für Universitätsgeschichte (JbUG) wil publicatieruimte bieden voor bijdragen over de geschiedenis van universiteiten in de Duitse taalsfeer. Inhoudelijk zet de redactie zich af tegen de zogenaamde Jubiläumsliteratur. Ze wil kansen bieden aan een andere universiteitsgeschiedenis, die aan de hand van methodes uit de rechtsgeschiedenis, sociale geschiedenis, ideeën- en wetenschapsgeschiedenis, aan onderzoek doet over haar thema (zonder daarom perse een aparte historische discipline te willen zijn).

Zonder er echt het orgaan van te zijn, richt het Jahrbuch zich tot dezelfde doelgroep als de GUW, de door Rainer C. Schwinges (Bern) in 1997 opgerichte Gesellschaft für Universitäts- und Wissenschaftsgeschichte. Deze vereniging, waarover eerder al in deze Nieuwsbrief bericht werd (zie nummer 2(1996)2, 17 en 87-90, en nummer 3(1997)1, 54-56) groepeert Zwitserse, Duitse en Oostenrijkse universiteitshistorici.

Van de eerste twee delen, verschenen in 1998 en 1999, vindt men hieronder de inhoud. Deel 3, dat zal verschijnen in 2000, heeft als thema 'Het inpalmen van de ziekenhuizen door de universiteit'. Deel 4, dat zal verschijnen in 2001, zal gewijd zijn aan de universiteitsgeschiedenis in Oost-Europa. Meer bepaald zal dit nummer een kans bieden aan Oost-Europese auteurs (begrepen als auteurs afkomstig uit alle staten van de voormalige Sowjet-Unie en het Oostblok) om in het Duits of het Engels over hun onderzoek te publiceren. Ook de rubrieken Editionen, Miszellen en Rezensionen zullen aan dit thema gewijd zijn, met bijvoorbeeld bij de recensies een overzicht van de stand van het onderzoek in Polen, Hongarije en Tsjechië.

De reeks wordt uitgegeven door prof. Rüdiger vom Bruch (Humboldt-Universität Berlijn), terwijl de redactie berust bij Marie-Luise Bott. Andere leden van de redactie zijn Michael Borgolte (Berlijn), Notker Hammerstein (Frankfurt a. M.), Akira Hayashima (Japan), Walter Höflechner (Graz), Konrad H. Jarausch (USA/Potsdam), Dieter Langewiesche (Tübingen/Erfurt), Charles E. McClelland (USA), Rainer A. Müller (Eichstätt), Pierangelo Schiera (Trente/Berlijn) en Rainer C. Schwinges (Berlijn). 

Adres van de redactie: Prof. Dr. Rüdiger vom Bruch, Humboldt-Universität zu Berlin, Institut für Geschichtswissenschaften, Lehrstuhl für Wissenschaftsgeschichte, Unter den Linden 6, D-10099 Berlin, tel. +49 (0)30-20932870, fax +49(0)30-20932792, e-mail Ruediger=VomBruch@Geschichte.HU-Berlin.de, Marie-Luise Bott, zelfde adres, tel. +49 (0)30 2093 1801, e-mail  Marie-Luise=Bott@Geschichte.HU-Berlin.de

Technische gegevens: het Jahrbuch  wordt uitgegeven bij Franz Steiner Verlag, Stuttgart. Per jaar verschijnt een deel van ca. 256 p. Een jaarabonnement kost 78 DM. (issn 1435-1358).

Jahrbuch für Universitätsgeschichte, 1(1998)

Abhandlungen

Editionen

Miszellen

Rezensionen

 

Jahrbuch für Universitätsgeschichte, 2(1999)

Abhandlungen

Editionen

Miszellen

Rezensionen

(Top of page)


Faiths and Education: Historical and Comparative Perspectives, edited by John Coolahan, Richard Aldrich & Frank Simon, Paedagogica Historica, Supplementary Series V (Gent, C.S.H.P., 1999).

(Top of page)