NIEUWSBRIEF UNIVERSITEITSGESCHIEDENIS
LETTRE DINFORMATION SUR LHISTOIRE DES UNIVERSITÉS
1999, nr. 2
Onderzoeksprojecten / Projets de recherche
Martine
Zoeteman
Leidse
studenten 1575-1812
Onder leiding van professor dr. W. Otterspeer wordt er door drie AIO's onderzoek gedaan naar facetten uit de vroegmoderne geschiedenis van de Leidse universiteit, te weten het onderwijs, met name wat betreft de artesfaculteit, de financiën en het bestuur en tenslotte het studentenleven. Het is de bedoeling dat dit project in het jaar 2000 afgerond wordt.
Mijn onderzoek richt zich op Leidse student in zijn universiteitsmilieu. In het eerste deel van mijn proefschrift probeer ik een antwoord te geven op de vraag hoeveel personen tussen 1575 en 1812 gestudeerd hebben in Leiden. Het gehele album studiosorum is gedigitaliseerd voor het desbetreffende tijdvak, er is dus geen gebruik gemaakt van een steekproef. Om de 'echte' studenten over te houden, werden uit het computerbestand de herinschrijvingen en 'randfiguren' (zoals personeel, leerlingen van de Latijnse School en in de stad wonende afgestudeerden) gehaald. Na een overzicht van de omvang van de studentenpopulatie, zal dieper worden ingegaan op de geografische herkomst van de studenten. Hierbij wordt ook aandacht geschonken aan studierichting, leeftijd en gratis inschrijving.
De sociale afkomst is minder eenvoudig te extraheren uit het Leidse album. Daarom is gekozen de sociale herkomst ook aan de hand van het beroep van de vaders van studenten te onderzoeken. Hiervoor is prosopografisch onderzoek gedaan naar een selectie studenten uit Leiden, Den Haag en Dordrecht die in negen peiljaren (1600, 1625, 1650, 1675 enzovoorts tot 1800) in Leiden studeerden.
In het tweede deel wordt gepoogd het dagelijks leven van een student te reconstrueren. Dit wordt vanaf het begin beschreven, namelijk het vertrek vanuit het ouderlijk huis, al dan niet in gezelschap van familie of gouverneur. Onderwerpen die aan bod komen, zijn het contact met het thuisfront, de reis naar Leiden, het onderkomen in de stad in één van de colleges of bij particulieren. De studie wordt opgepakt, met beschrijvingen van onder andere lesmethoden, studieprogramma's en omgang met professoren. De vrije tijd die overbleef kon op verschillende manieren gevuld worden. Onder invloed van drank liep dit wel eens uit de hand, waarna de stadswacht vaak hardhandig optrad en studenten gevangen nam. Om verblijf, studie en vermaak te kunnen bekostigen, was geld nodig. In een uitgebreid overzicht zullen alle inkomsten en uitgaven aan bod komen. Ook de beurzen ten behoeve van arme studenten worden besproken. De studenten waren als groep onder andere herkenbaar aan hun kleding. Zij verenigden zich vaak naar herkomst, in de al snel verboden nationes en later in de ontgroensenaten. Ook is er aandacht voor de omgang met vrouwen en burgers, die niet altijd even soepel verliep. Het hoofdstuk over het dagelijks leven eindigt met de religieusheid van studenten, ziekte en dood.
Na een inleiding over het beëindigen van een universitaire studie, al dan niet met een bul, komt in het derde deel dat de carrière na afloop van de studie betreft de steekproef weer aan bod. Het promotiepercentage wordt onder meer bekeken aan de hand van de selectie van Leidse, Haagse en Dordtse studenten. Vervolgens zal gepoogd worden de vraag te beantwoorden wat de latere beroepen en (bestuurs)functies van de student waren. Welke kwamen vaak voor en was daar een reden voor? Wat was het niveau van de betrekking? Was het een beroep dat hoger in aanzien stond dan dat van de vader?
De belangrijkste bron voor mijn eerste hoofdstuk over de Leidse studentenpopulatie is het album studiosorum. Voor het bepalen van de plaats van de studenten in de stedelijke samenleving is gebruik gemaakt van diverse bronnen, zoals statuten van 1575 en de herziene en aangevulde versie hiervan uit 1631, die tot 1811 van kracht bleven; de verordeningen van het universiteitsbestuur in senaats- en curatorenakta, en van het stadsbestuur in de keuren. De (civiele) akta van de academische vierschaar tonen hoe gereageerd werd op ongewenste zaken. Deze officiële bronnen en spectatoriale geschriften, die weergeven hoe een student zich zou moeten gedragen, worden getoetst in een kader van egodocumenten. Wat schreven tijdgenoten in hun dagboeken, reisverslagen en brieven over het studentenleven? Voor de carrière na afloop van de studie is ook deels gebruik gemaakt van bovenstaande bronnen, aangevuld met gegevens uit de selectie Leidse, Haagse en Dordtse studenten.
(Martine Zoeteman)
Nieuwe projecten van de
Utrechtse
Commissie Geschiedschrijving
In 1995 werd door het Utrechtse College van Bestuur een Commissie Geschiedschrijving ingesteld om het onderzoek naar de geschiedenis van de Universiteit Utrecht beter te structureren. De beperkte financiering en personele middelen van de commissie maakten de realisatie van een grootschalig onderzoekprogramma echter onmogelijk.
Onlangs heeft echter het College van Bestuur besloten in samenwerking met het Onderzoekinstituut voor Geschiedenis en Cultuur van de letterenfaculteit (OGC) een onderzoekprogramma op te zetten rond de geschiedenis van de eigen universiteit. Daarin zal de geschiedenis van de Universiteit Utrecht uiteraard een centrale plaats innemen, al zal eveneens een bredere benadering nagestreefd worden. Belangrijk is dat onder auspiciën van het Provinciaal Utrechts Genootschap een bijzonder hoogleraar zal worden aangesteld. De onderzoekprogrammering zal tevens zodanig zijn dat bouwstenen worden geleverd voor een nieuwe universiteitsgeschiedenis, die in 2011 het licht zou kunnen zien. Daarnaast dient het onderzoek als basis voor alle gelegenheidsboeken van de universiteit.
De activiteiten van de commissie vallen in drie complementaire stromen uiteen:
Het coördineren en initiëren van structureel onderzoek op het gebied van de geschiedenis van de Utrechtse universiteit. Naast de genoemde gelegenheidsbundels genereert dit onderzoek ook zelfstandige publicaties op het gebied van de universitaire geschiedenis.
Publieksgerichte activiteiten op het gebied van de universiteitsgeschiedenis. Hierbij valt te denken aan studiedagen, tentoonstellingen en publicaties over de Utrechtse universiteit voor een breder en minder gespecialiseerd publiek. Bij deze activiteiten kan samenwerking plaatsvinden met de Universiteitsbibliotheek, het Universiteitsmuseum en andere instellingen binnen of buiten de universiteit.
Projecten gericht op de ontsluiting van cultureel erfgoed betreffende de Universiteit Utrecht en het beschikbaar maken van andere informatie betreffende de universiteit.
De commissie wil bij dit alles parochialisme vermijden. Vandaar dat het onderzoek ook bij voorkeur comparatief (nationaal en internationaal) dient te zijn en aan zal moeten sluiten bij vraagstellingen die worden gehanteerd in de tegenwoordig erkende subdiscipline 'universiteitsgeschiedenis'.
Hoewel in principe de gehele geschiedenis van de Utrechtse universiteit onderwerp kan zijn van wetenschappelijk onderzoek, heeft de commissie voor het onderzoek van de komende jaren een aantal prioriteiten gesteld. In de eerste plaats geeft zij aan het onderzoek naar de negentiende en de twintigste eeuw enige voorrang boven de wat oudere geschiedenis. Dat moet niet opgevat worden als een utilitaristisch hodiecentrisme, maar als uiting van het besef dat de moderne universiteit in deze periode is vormgegeven. Wij weten bovendien over deze periode, met name ook van de na-oorlogse geschiedenis, nog te weinig. Vandaar dit zwaartepunt.
De tweede prioriteit is een thematische. De commissie heeft als principieel uitgangspunt genomen dat universiteit en wetenschap zich niet in een ivoren toren afspelen, maar in een maatschappelijke context. Die context zal ook steeds in het onderzoek naar de geschiedenis van de Universiteit Utrecht zichtbaar moeten zijn. Het is die wisselwerking tussen wetenschap, universiteit (als instelling) en samenleving die ook centraal stond in de eerste publicatie van de commissie geschiedschrijving in april 1999. In de bundel Beroep op de wetenschap. Utrechtse geleerden tussen universiteit en samenleving 1850-1940 is een eerste poging gedaan deze thematiek vorm te geven.
Inmiddels is een begin gemaakt met het entameren van een aantal onderzoeksprojecten. Naast het uiteindelijke doel om te komen tot een 'nieuwe Kernkamp' bij het lustrum van 2011, in wat voor vorm dan ook, heeft de commissie ook doelen op de korte termijn. Het gaat daarbij om projecten die hetzij op zichzelf staan, hetzij materiaal kunnen leveren voor een dergelijke nieuwe geschiedenis van de Utrechtse universiteit. Volgende projecten zijn deels reeds in uitvoering of worden op korte termijn gestart:
een overzichtswerk van de geschiedenis van de Universiteit Utrecht, vanaf de stichting tot de dag van vandaag. Een dergelijk boek bestaat niet, terwijl er vraag naar is. Het voorhanden zijn van zo’n overzicht is nuttig en noodzakelijk. Hoewel de commissie er huiverig voor is zich al te zeer te richten naar lustra en gelegenheidsboeken, zou het mooi zijn wanneer bij het lustrum van 2001 een dergelijk boek op de markt is. De planning is dat het boek in het najaar van 2001 gereed is. De uitvoerder is drs. H. Jamin.
in samenwerking met de Universiteitsbibliotheek wordt gewerkt aan het vervaardigen van een on-line beschikbare bibliografie van de geschiedenis van de Universiteit Utrecht, aan te vullen met verwijzingen naar bronnen, vindplaatsen en dergelijke.
in januari 2000 zal een project starten dat de geschiedenis van de natuurwetenschappen in Utrecht onderzoekt in de negentiende en de twintigste eeuw. Met name het toegenomen gewicht van de beta-studies en de plaats daarvan aan de universiteiten en in de samenleving vraagt om een nadere analyse.
in een later stadium, 2002, zal een pendant van dit onderzoek van start gaan, namelijk een onderzoek naar de plaats en waardering van de humaniora. Waren in de negentiende eeuw de humaniora nog het vertrekpunt, in de loop van de twintigste eeuw lijken de humaniora een sluitpost te zijn geworden.
opvallend is dat in de negentiende eeuw de staathuishoudkunde in Utrecht een standaardvak is op het curriculum van de juridische faculteit. Aan het eind van de twintigste eeuw worden verwoede pogingen gedaan economie weer een volwaardige discipline te laten zijn in Utrecht. De vraag is, wat er is gebeurd met de staathuishoudkunde. Wat hield het in en waarom is het vak verdwenen? Dit project start in 2000.
Dit zijn de eerste projecten die door de commissie geschiedschrijving zijn uitgewerkt en ondersteund. Daarnaast bestaan er tal van initiatieven in de universiteit die bijvoorbeeld de geschiedenis van een bepaald vakgebied of van een bepaalde faculteit als onderzoeksobject hebben. De commissie wil deze projecten bundelen en coördineren, maar daarnaast ook nieuwe projecten formuleren, bijvoorbeeld met betrekking tot de studenten aan de Utrechtse universiteit.
Om contact te houden met diverse geledingen binnen en buiten de universiteit bestaat naast de commissie een adviesraad, met vertegenwoordigers uit de archiefwereld, het universiteitsmuseum, het college van bestuur en andere commissies geschiedschrijving. De commissie zelf bestaat uit Prof.dr. W.W. Mijnhardt (letteren, voorzitter), prof.dr. W.J. van den Akker (letteren, directeur OGC), mevr.dr. M van de Vrugt (rechtsgeleerdheid), dr. B. Theunissen (geschiedenis van de natuurwetenschappen) en dr. L.J. Dorsman (letteren, secretaris). Voor nadere informatie kunt u terecht bij laatstgenoemde +31(0)30 2536441/+31(0)30 6054904; leen.dorsman@let.uu.nl).
(Leen Dorsman)
Hervé
Jamin
Geschiedenis
van de Universiteit Utrecht
Binnen twee jaar wenst het College van Besturen van de Universiteit Utrecht over een korte geschiedenis (ca. 200 blz.) van de eigen instelling te kunnen beschikken. De Commissie Geschiedschrijving is verantwoordelijk voor de totstandkoming van de publicatie, die door mijn aanstelling bij het Onderzoekinstituut voor Geschiedenis en Cultuur van de Letterenfaculteit mogelijk wordt gemaakt.
Zoals vaker gebeurt bij dit soort opdrachten moeten verschillende belangen gediend worden. De bedoeling is dat het boek een breed publiek bereikt en zal het daarom rijk geïllustreerd worden. Daarnaast zal de Commissie Geschiedschrijving echter garant staan voor het op een wetenschappelijk verantwoorde wijze opstellen van de tekst.
Het project verkeert nog in een verkenningsfase. Duidelijk is dat voor de geschiedenis van de Universiteit Utrecht tot 1945 hoofdzakelijk gebruik zal worden gemaakt van de bestaande literatuur. Voor de latere periode zal ik archiefonderzoek verrichten. De tweede helft van de twintigste eeuw zal bovendien verhoudingsgewijs veel meer aandacht krijgen dan de vroege geschiedenis. Voorlopig wordt het boek ingedeeld in drie delen die respectievelijk de geschiedenis tot 1815, de periode 1815-1945 en de laatste 55 jaar behandelen.
De invalshoek die ik wens te gebruiken voor het schrijven van dit overzicht betreft de functie van de instelling. In hoeverre de Universiteit Utrecht in verschillende perioden wel of niet aan de behoeften heeft voldaan van curatoren, onderwijzend en/of wetenschappelijk personeel, (potentiële) studenten en de samenleving als geheel zal voor zover mogelijk beantwoord worden. De ontwikkeling van de faculteiten, het onderwijs en het onderzoek zal tegen deze achtergrond in kaart worden gebracht. In die zin past het boek bij het programma van de Commissie Geschiedschrijving, die de relatie tussen universiteit en samenleving verder wil laten onderzoeken. Hopelijk gaat dit boek bijdragen aan de problematisering van het begrip ‘vermaatschappelijking’.
De inzichten over de wisselende relatie tussen de functies van de instelling door de eeuwen heen zal bovendien aanleiding zijn om de ontwikkeling van de Universiteit Utrecht te plaatsen binnen de geschiedenis van de universiteiten in Nederland en de wereld. Zodoende zal ik een poging wagen het typische en a-typische van de instelling naar voren te brengen. Alles bij elkaar ‘toch’ een ambitieus project gezien de relatief korte duur van de aanstelling.
Dienstadres: Onderzoekinstituut voor Geschiedenis en Cultuur, Kromme Nieuwe Gracht 66, NL-3512 HL Utrecht, tel. +31(0)30 2536495, fax: +31(0)30 2536391, e-mail: Herve.C.Jamin@let.uu.nl
(Hervé Jamin)
In opdracht van het College van Bestuur van de Universiteit Maastricht wordt op dit moment gewerkt aan een biografie van Sjeng Tans. Het is opvallend hoezeer deze universiteit de herinnering aan Tans koestert. Er bestaat een Tans-penning, een Tans-wisselleerstoel, een Tans-lezing, een Tanslaan, een Tans-gebouw en in januari 2001 verschijnt dan nog een Tans-biografie van de hand van Annemieke Klijn. Dat de Universiteit Maastricht, een paar jaar geleden nog Rijksuniversiteit Limburg geheten, in 1974 officieus en 1976 officieel van start kon gaan, is dan ook voor een groot deel te danken aan de inzet en het politieke inzicht van Tans, die van 1970 tot 1974 voorzitter was van de Commissie ter Voorbereiding van de Achtste Medische Faculteit.[1]
Het levensverhaal van Tans is opmerkelijk. Afkomstig uit een Maastrichts middenstandsmilieu sloot hij zich direct bij de in 1946 opgerichte Partij van de Arbeid aan, die zich als doorbraakpartij presenteerde in de hoop alle progressieve krachten ongeacht levens- of geloofsovertuiging te bundelen. Door deze politieke keuze kwam Tans als leraar Nederlands op een katholieke school onder zo’n druk te staan, dat hij zich gedwongen zag tot een politieke carrière. Hij slaagde erin om als regionaal politicus vanuit de – Limburgse – periferie tot het centrum van de landelijke politiek door te dringen. In de jaren zestig werd hij de belangrijkste PvdA-woordvoerder op het gebied van het voortgezet en hoger onderwijs; ook werd hij voorzitter van de onderwijscommissie van de Tweede Kamer. Tans was de man van het ‘gelijke kansen’ ideaal en bepleitte met niet aflatende ijver voor onderwijsvernieuwing en onderwijsexperimenten. In 1965 werd hij, de katholieke doorbraak-socialist uit Limburg, partijvoorzitter. Tans trad Nieuw Links opvallend open tegemoet; deze overwegend jonge socialisten wilden de partij van binnenuit radicaliseren. De doorbraak-figuren in de PvdA-top werden aan de kant gezet; ook Tans moest het veld ruimen. Dank zij zijn goede contacten met de onderwijsspecialisten in de KVP, die op onderwijsgebied vaak op ongeveer dezelfde lijn zaten als de PvdA, kreeg hij van de toenmalige KVP-minister Veringa de kans om zich voor de oprichting van een universiteit in Maastricht in te spannen. Tans’ benoeming als voorzitter van deze voorbereidingscommissie zegt veel over de ontzuilingsmentaliteit in katholiek Nederland. Tans ervoer die benoeming dan ook als een rehabilitatie. Alle draadjes in zijn leven kwamen op dat moment als het ware bijeen: de katholieke doorbraakman, de nationale regionalist, de politicus, de idealistische volksverheffer en de onderwijsspecialist. Dit verklaart misschien de bezetenheid, waarmee Tans aan de slag ging. Hoewel de oprichting van de universiteit meermalen aan een zijden draadje hing, slaagde de commissie – mede dankzij Tans’ behendige politieke spel – erin om de zaak tijdens het kabinet-Den Uyl van de grond te krijgen. Om het bestaansrecht van deze nieuwe universiteit te legitimeren deed de commissie een belangrijke strategische keuze, waarvan de reikwijdte toen niet was te voorzien, voor de basisfilosofie en het probleem gestuurd onderwijs, waarin veel elementen uit het onderwijskundige gedachtegoed van de jaren zestig terug te vinden zijn.
(Annemieke Klijn)
[1] De geschiedenis van de oprichting van de Medische Faculteit Maastricht is geschreven door: Knegtmans, P.J. De Medische Faculteit Maastricht. Een nieuwe universiteit in een herstructureringsgebied 1969-1984. Assen/Maastricht, 1992.