NIEUWSBRIEF UNIVERSITEITSGESCHIEDENIS

LETTRE D’INFORMATION SUR L’HISTOIRE DES UNIVERSITÉS


2000, nr. 1

Nieuwe publicaties / Publications récentes


Une aventure universitaire, sous la dir. de G. Ringlet avec la collab. de B. Deprez, V. Engel, N. Englebert, P. Tyteca, L. van Ypersele (Éditions Racines), isbn 2-87386-215-7

Sous ce titre paraîtra le 18 septembre prochain un livre avec lequel l’Université catholique de Louvain entend célébrer non seulement les cinq cent septante-cinq années de son existence mais aussi et surtout son entrée dans le troisième millénaire.  Cette dernière perspective a induit un livre qui rompt avec la tradition des livres d’histoire de l’institution qui se sont succédés depuis 1970.  L’ouverture aux projets et missions actuels et futurs de l’Université sont au cœur du débat.  La structure même du livre s’articule autour des trois missions fondamentales d’une université contemporaine : l’enseignement, la recherche et le service à la société.  Les témoins du passé sont là pour répondre aux interrogations et réflexions d’aujourd’hui face aux défis de demain.  Une place a été laissée à la fiction puisque six nouvelles inédites, fondées sur des faits historiques, complètent des textes, articles et encarts écrits par plus de cent auteurs, chercheurs, enseignants et autorités de l’UCL.  L’ouvrage est animé de plus de 400 illustrations et photographies couleur.  Une souscription est possible jusqu’au 18 septembre.

Sommaire du livre

Pour plus de renseignements, contacter le Service des relations extérieures de l'U.C.L., +32 (0)10 47 89 35 ou encore aller voir le site http://www.ucl.ac.be/575/livre.

(Brigitte Van Tiggelen)

(Top of page)


C.S.M. Rademaker ss.cc, Leven en werk van Gerardus Joannes Vossius (1577-1649). (Hilversum, Verloren, 1999). 384 p., geïll., isbn 90-6550-058-8

Rademaker publiceerde met dit boek zijn derde biografie van Gerardus Vossius; eerdere biografieën verschenen in 1967 (zijn dissertatie) en 1981 (een Engelstalige bewerking hiervan).

Vossius is één van de meest vermaarde humanistische geleerden uit de eerste helft van de zeventiende eeuw. Hij was een van de laatste 'polyhistores' of universele geleerden die kennis vooral in het verleden zochten, in de traktaten uit de Oudheid. Zijn voorliefde betrof de kerkgeschiedenis. Vossius was rector van de Latijnse school van Dordrecht toen hij werd benoemd tot regent van het Leidse Statencollege, een seminarie voor toekomstige predikanten. Vanwege vermeende remonstrantse sympathieën werd hij in 1619 ontslagen, maar enkele jaren later benoemd tot hoogleraar Eloquentia (welsprekendheid) en Chronologia (tijdrekening). In 1630 maakte Vossius de overstap naar Amsterdam, waar hij hoogleraar werd in de Historia ecclesiastica (kerkgeschiedenis). Tegenwoordig geniet Vossius vooral nog bekendheid als medestichter van het Amsterdamse Athenaeum Illustre, de voorganger van de Universiteit van Amsterdam.

Zoals de titel al suggereert, is het boek een traditionele geleerdenbiografie, sterk beschrijvend en feitelijk van aard en geschreven in een ietwat oubollige, maar heldere stijl. De biografie is chronologisch opgebouwd en bestaat uit drie delen die zijn genoemd naar de steden waar Vossius achtereenvolgens heeft gewoond en gewerkt: Dordrecht, Leiden en Amsterdam. Binnen de delen komen steeds Vossius' privé- en werkomstandigheden aan de orde, zijn wetenschappelijke prestaties en zijn (internationale) kring van geleerde vrienden.

Het boek verkrijgt een meerwaarde door de toevoeging van enkele bijlagen: lijsten van Vossius' publicaties en handschriften, waaronder zijn correspondentie én de alba amicorum waarin hij geschreven heeft.

 (Marc Wingens)

(Top of page)


H. Schippers, Student in Eindhoven; de geschiedenis van het Eindhovense studentenleven 1957-2000 (TUE en Walburg Pers, Eindhoven, 1999) 176 pp., ill., isbn 90-386-1411-X

Universiteitsgeschiedenis waarin studenten centraal staan, is schaars in Nederland. Als algemene geschiedenis is De Vrankrijkers Vier eeuwen Nederlandsch studentenleven (Voorburg 1939) nog altijd uniek, hoewel het erop lijkt dat hierin verandering gaat komen gezien de activiteiten van Pieter Caljé (recentelijk bijvoorbeeld, toegespitst op Groningen: 'Continuïteit en discontinuïteit in de studentencultuur van de twintigste eeuw', K. van Berkel en F.R.H. Smit, Een universiteit in de twintigste eeuw. Opstellen over de Rijksuniversiteit Groningen 1914-1999 (Groningen 1999) 11-67). De geschiedschrijving van het 'studentenleven' of, met een moderne term, de studentencultuur binnen het kader van één universiteit is evenmin vaak geprobeerd, hoewel er diverse geschiedenissen zijn van afzonderlijke studentenverenigingen met als voorlopig hoogtepunt: E.W.A. Henssen ed., Het Corps als koninkrijk. 150 jaar Delftsch Studenten Corps (Hilversum 1998). Buiten het hier te bespreken boek over Eindhovense studenten is het enige mij bekende voorbeeld Honderd jaar studentenleven aan de VU (Amsterdam 1980). Het boek, dat buiten de Vrije Universiteit volstrekt onbekend is, biedt een verrassend goede sociale en culturele geschiedenis van een specifieke studentenpopulatie. 

Student in Eindhoven; de geschiedenis van het Eindhovense studentenleven 1957-2000, heeft veel overeenkomsten met het boek over de VU-studenten maar is veel minder geslaagd. De literatuurlijst is uitermate summier; Honderd jaar studentenleven aan de VU is er niet in te vinden. Toch biedt het boek een aardig beeld van de Eindhovense studentencultuur in de tweede helft van de 20ste eeuw - en daarmee van de Nederlandse studentencultuur in deze periode in het algemeen, want veel van de plaatselijke ontwikkelingen vallen ook elders waar te nemen. De auteur, medewerker van de Faculteit Technologie Management, heeft zeker wat betreft de ontwikkelingen van de laatste 20 jaar pioniersarbeid verricht. Ook biedt het boek de eerste zelfstandige studie over de studentencultuur van een van universiteiten die na de Tweede Wereldoorlog werden opgericht. 

Onder 'studentencultuur' moet in het kader van dit boek echter voornamelijk het georganiseerde studentenleven in verenigingsverband worden verstaan. Het is opvallend dat bij de oprichting van de (toen nog) Technische Hogeschool twee opvattingen over de organisatie van de studentencultuur met elkaar streden. Aan de ene kant was er de aanvankelijk overheersende opvatting van de voorstanders van de (qua oorsprong vooroorlogse) 'civitas'-gedachte die uitgingen van één 'organische' universitaire gemeenschap. Vanuit de civitasgedachte, die in de naoorlogse jaren heel populair was in de Nederlandse universitaire wereld, diende men te breken met het 'verzuilde' systeem van studentenverenigingen voor verschillende gezindten; alle studenten moesten opgaan in één vereniging. Aangezien de nieuwe hogeschool in Eindhoven een onbelast verleden had en nog geen verenigingen kende, zou het civitas-ideaal hier zeker verwezenlijkt worden. Niets bleek echter minder waar: nog tijdens de oprichtingsvergadering van het voor alle studenten bedoelde Eindhovens Studenten Corps (dat de zegen van het bisdom Den Bosch had) kondigden enkele reformatorische studenten de oprichting aan van een SSR-afdeling. Binnen de kortste keren kende Eindhoven dan ook hetzelfde systeem van verenigingen als elders. En net als de traditionele verenigingen elders kregen deze vanaf de tweede helft van de jaren zestig te kampen met een afnemende populariteit als gevolg van de maatschappelijke veranderingen. Aangezien de meeste Eindhovense verenigingen op dat moment nog nauwelijks de kans hadden gekregen om te wortelen (en bovendien voortdurend in afscheidingsperikelen verwikkeld waren), was het voor hun veel moeilijker om deze crisis te boven te komen dan voor 'zuster'-verenigingen elders in Nederland. De Eindhovense student blijkt zich anno 2000 dan ook slechts in zeer beperkte mate te organiseren in gezelligheidsverenigingen; veel belangrijker zijn de sport- en studieverenigingen, die veelal ook de 'gezelligheids'-functie op zich hebben genomen.   

(Marc Wingens)

(Top of page)


Les noms de rue de Louvain-la-Neuve.  Une ville nouvelle en Wallonie : modernité et enracinement, sous la dir. de Luc Courtois. Publications de la Fondation wallonne Pierre-Marie et Jean-François Humblet, Série Etudes et documents, 3 (Louvain-la-Neuve, 1999).

Louvain-la-Neuve constitue une expérience unique en matière d’urbanisme et d’architecture, cela est chose admise.  Mais du point de vue de la toponymie aussi, l’aventure s’est déroulée à l’échelle de vie d’homme.  Pour nommer les lieux et les bâtiments, il a fallu décider et décider souvent vite, en quelque sorte créer ou prolonger les traditions louvanistes.  Dans un ouvrage récent, édité sous la direction de Luc Courtois avec la collaboration d’Isabelle Lejeune, Jean-Marie Pierret et Jean Pirotte, cette volonté d’enracinement apparaît clairement puisqu’il s’agit pour chaque toponyme d’en signaler l’origine, d’en motiver le choix et de fournir enfin à ceux qui ne les maîtriseraient pas les données historiques ou folkloriques qui permettent de bien saisir cette volonté d’enracinement.

L’histoire de l’Université est bien entendu présente ainsi que l’histoire des sciences, qui fournissent toutes deux bien des noms de rues, de places et d’impasses( !) .  Vingt-neuf collaborateurs ont rédigé les quelques 500 notices du dictionnaire qui forme le cœur de l’ouvrage.  Cette partie est précédée d’une introduction qui situe le projet, d’un rappel historique du transfert de l’U.C.L  vers Louvain-la-Neuve et d’une étude sur les lieux de mémoire et l’inscription  des rêves pour l’avenir.  Le tout est accompagné d’une bibliographie complète.  Il faut en outre préciser que cet ouvrage a été publié avec l’aide de la Communauté Européenne dans le cadre d’un programme qui incluait une autre ville universitaire, celle d’Uppsala en Suède. ).

Pour tout renseignement contacter  Luc Courtois par mail:  courtois@cont.ucl.ac.be.

(Brigitte van Tiggelen)

(Top of page)


Chimie nouvelle, 68 (décembre 1999)

À l’occasion de l’année internationale de la chimie, le professeur R. Fuks, secrétaire général de la Société Royale de Chimie (de Belgique), a réuni un groupe de travail autour d’un projet de numéro spécial du bulletin de la Société, Chimie nouvelle.  Un comité d’édition s’est formé autour des professeurs H. Deelstra, A. Lepoivre et des docteurs B. Mahieu et B. Van Tiggelen.  La volonté de bilinguisme ne s’est pas seulement manifestée dans le choix et la répartition du comité de rédaction : les articles ont été reçus dans leur langue originale et traduits selon qu’ils devaient être publiés en français ou en néerlandais.  Ces derniers paraîtront successivement dans Chemieflash, le bulletin de la KVCV.

Il a été décidé de privilégier les périodes plus récentes de l’histoire de la chimie, périodes qui s’avèrent être les moins documentées jusqu’à présent.  C’était en réalité un véritable défi, car l’histoire de la chimie est une discipline encore peu pratiquée dans notre pays, bien qu’elle suscite indéniablement curiosité et intérêt. Plus encore, un trait particulier de la mentalité belge explique qu’une minorité seulement des travaux et recherches soit consacrée à des sujets « belges ».

Les contributions appartiennent à plusieurs veines : souvenirs personnels, étude académique, recherches ciblées.  Plutôt qu'un produit fini, l'ensemble illustre bien l'état de la discipline en Belgique : une grande diversité de sujets qui gagneraient à êtres approfondis et bien des terrains à défricher.  Loin des célébrations creuses, le travail collectif réalisé pour sortir de l’ombre ces aspects peu connus de l’histoire de la chimie en Belgique est donc résolument tourné vers l’avenir : il augure favorablement de l'émergence d'un groupe de travail sur l'histoire de la chimie dans notre pays, à l'instar de ce qui existe déjà dans les sociétés chimiques chez nos voisins.

L’histoire de la chimie croise parfois par celle des laboratoires universitaires qui ont accueilli les hommes et leurs recherches.  Dans ce recueil, on peut ainsi épingler une série de trois articles qui traitent plus particulièrement de l’Université de Gand.  La personnalité brillante et haute en couleur du professeur A. Rutgers est présentée par A. Vervaet, A. Comhaire et E. Messens.  Ce Hollandais, que la flamandisation de l'Université de Gand attira définitivement en Belgique, fit des contributions cosmologiques qui le mettent en désaccord avec un autre Belge célèbre, Georges Lemaître.

Dirk Tavernier analyse les derniers travaux du professeur F. Swarts dont l’influence sur l’orientation de la chimie belge est encore assez méconnue ; alors même que la flamandisation de Gand semblait l’éloigner définitivement de ses laboratoires et élèves.  Au travers de ses élèves qui essaimèrent à l'Université de l'état à Liège entre autres, Swarts promut le démarrage rapide de la spectroscopie Raman en Belgique.

Enfin l’histoire de la chimie organique à Gand est retracé de façon très vivante par le professeur A. Lepoivre.  L’auteur met en évidence les difficultés liées à la réorganisation matérielle d'un laboratoire privé de tradition après le départ des professeurs francophones.  La recherche reprit néanmoins petit à petit, centrée sur le houblon, et peu à peu les conceptions quantiques, jusque-là ignorées des cours de chimie organique, firent leur chemin.

Sommaire

Pour tout renseignement ou pour se procurer ce numéro spécial (200 francs, hors frais de port), contacter B. Van Tiggelen, UCL, SC/PHYS/FYMA, Chemin du cyclotron, 2, 1348 Louvain-la-Neuve, vantiggelen@fyma.ucl.ac.be

(Brigitte Van Tiggelen)

(Top of page)


History of Universities, XV, 1997-1999

Articles

Research Notes

Essay Review

Book Reviews

(Top of page)


Jahrbuch für Universitätsgeschichte, 3, 2000

Zwischen Wissens- und Verwaltungsökonomie. Zur Geschichte des Berliner Charité-Krankenhauses in 19. Jahrhundert. Gastherausgeber Eric J. Engstrom & Volker Hess

Abhandlungen

Editionen

Miszellen

Rezensionen

 (Het volgende nummer van het Jahrbuch
heeft als thema 'Universitätsgeschichte in Osteuropa',
met als gast-editor Marie-Luise Bott)

(Top of page)


Paedagogica historica. International journal of the history of education, XXXV 1999, 1

Topic: Left Education; Editor: Marvin Gettleman

Debate

On the Use and Abuse of Great Educators: The Case of Comenius in the Low Countries

Johan C. Sturm & Leendert F. Groenendijk (Vrije Universiteit, Amsterdam, The Netherlands)

Book Reviews


Annali di storia delle università italiane, 3 (Bologna, 1999)

Il punto 

Andrea Zannini, Stipendi e status sociale dei docenti universitari. Una prospetti-va storica di lungo periodo.

Studi 

Studenti, Università, città nella storia padovana

Fonti

Rassegne: 

Recensioni, Schede, Notiziario, Attività e progetti, Tesi

(zie voor deze - zeer uitgebreide! - rubrieken, en voor abstracts van de artikels http://www.unibo.it/cisui/Brizzi/Annali3/present3.html)

(Top of page)