NIEUWSBRIEF UNIVERSITEITSGESCHIEDENIS

LETTRE D’INFORMATION SUR L’HISTOIRE DES UNIVERSITÉS


2000, nr. 1

Onderzoeksprojecten / Projets de recherche


Bert Theunissen
De natuurwetenschappen aan de Utrechtse universiteit 1800-1940:

Opvattingen over de maatschappelijke rol van de natuurwetenschappen

Kader van het project

In 1995 is door het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht een Commissie Geschiedschrijving ingesteld om het wetenschappelijk onderzoek naar de geschiedenis van de universiteit te structureren. De activiteiten van de commissie, voorgezeten door prof.dr. W.W. Mijnhardt, hebben medio 1999 geleid tot een door het CvB goedgekeurd en medegefinancierd project met een looptijd van tien jaar. De leiding van het project is in handen van de Commissie Geschiedschrijving en een binnenkort te benoemen bijzondere hoogleraar universiteitsgeschiedenis.

Voor de eerste planperiode (2000-2005) heeft de Commissie Geschiedschrijving een onderzoeksprogramma opgesteld dat zich concentreert op de negentiende en twintigste eeuw. Onder het overkoepelende thema 'De verhouding tussen universiteit en maatschappij' omvat het vooralsnog drie concrete deelprojecten, te weten 1. de economische wetenschappen in Utrecht, 2. de ontwikkeling van de Utrechtse natuurwetenschappen 1815-1940 en 3. de plaats van de humaniora aan de Utrechtse Universiteit.

Het deelproject over de natuurwetenschappen is per 1 januari 2000 van start gegaan en wordt uitgevoerd door dr. B. Theunissen, verbonden aan het Instituut voor Geschiedenis en Grondslagen van de Natuurwetenschappen van de faculteit Natuur- en Sterrenkunde van de Universiteit Utrecht. Het deelproject zal twee jaar in beslag nemen.

1800-1840

Het Organiek Besluit dat van 1815 tot 1876 het hoger onderwijs regelde, was een compromis tussen oud en nieuw, met het accent op het oude. Een aantal ideeën uit de Franse tijd werd overgenomen, maar de tradities van het universitaire leven ten tijde van de Republiek werden grotendeels in ere hersteld. Voor Utrecht was eerst en vooral van belang dat de degradatie van de universiteit tot école sécondaire, in de laatste jaren van Napoleons bewind, ongedaan werd gemaakt. Aan alle universiteiten herkregen verder zowel hoogleraren als studenten nagenoeg alle vrijheden die zij tijdens het ancien régime hadden genoten. Wel volgde de wetgever Franse inzichten door de wiskunde en de natuurwetenschappen uit de oude filosofische faculteit te lichten en in een afzonderlijke faculteit onder te brengen.

Van de utilitaire motieven die de Fransen tot hun sterke bevordering van de natuurwetenschappen hadden gebracht, was in het O.B. echter weinig terug te vinden. Het Franse streven het universitaire onderwijs meer op de beroepspraktijk af te stemmen en het studieverloop te reguleren, werd door de wetgever niet overgenomen. Het trefwoord voor universitair onderwijs werd Bildung, de persoonlijke en intellectuele vorming van de student tot een waardig lid van de geleerde stand. Beroepsvoorbereiding was daaraan ondergeschikt. De hoogleraar was dienovereenkomstig vooral opvoeder en onderwijzer. Onderzoek was geen officiële taak, al kon men zich daarmee, bijvoorbeeld bij benoemingen, wel onderscheiden.

Weerspiegelt het O.B. aldus duidelijk de behoefte aan restauratie, in de praktijk blijkt de Franse visie op de natuurwetenschappen wel degelijk zijn sporen te hebben nagelaten. Al sedert het midden van de achttiende eeuw was er aan de universiteiten steeds meer interesse gegroeid voor de toepassingsaspecten van de natuurwetenschappen, en deze belangstelling bleef in het eerste kwart van de negentiende eeuw groot. Zo besteedde de wiskundige Hennert in zijn colleges systematisch aandacht aan de toepassingen van zijn vak in de bouwkunde, de scheepvaart en de industrie. De fysicus Gerrit Moll toonde zich een aanhanger van het Engelse ideaal van 'useful knowledge' en deed onderzoek aan elektromagneten, met het doel die zo krachtig mogelijk te maken.

Ondertussen is er echter een tendens te bespeuren tot scheiding van 'zuivere' en 'toegepaste' wetenschap. Moll bijvoorbeeld wees de utilitaire gedachte als zodanig af: de hoogleraar moest weliswaar de praktijk dienen, maar de beste manier om dit te bereiken was via wetenschappelijk onderzoek. Zijn taak was niet het oplossen van allerlei praktische problemen maar het vinden van de algemene regelmatigheden die de grondslag leverden voor de praktijk.

In het onderwijs overheerste de gedachte dat algemene vorming en voorbereiding het primaat moesten hebben. De maatschappij mocht weliswaar verwachten dat de universiteit competente beroepsbeoefenaren afleverde, maar algemene Bildung moest voorop staan. Academici dienden een geestelijke aristocratie in de samenleving te vormen en als hoeders van de beschaving op te treden. Pas op de tweede plaats waren zij beroepsbeoefenaren. De hoogleraren zelf gaven aan deze maatschappelijke verantwoordelijkheid gestalte door hun rol in adviescommissies van de overheid, organisaties als de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen en de Maatschappij voor Nijverheid, allerlei charitatieve instellingen, gemeenteraden en kerkenraden.

Een nieuw element was, dat waar academische vorming eertijds vooral een humanistische invulling had gekregen, men nu ook de natuurwetenschappen een vormende waarde toekende.

1840-1876

In de jaren veertig verwierf Utrecht in Nederland de leidende positie op het gebied van de natuurwetenschappen. Met mannen als Mulder, Harting, Van Rees, Buys Ballot en Donders nam de Utrechtse universiteit het voortouw in het doorvoeren van vernieuwingen. Op de eerste plaats betrof dit de invoering van praktisch onderwijs in het laboratorium. Het argument hiervoor was van pedagogische aard: zelfwerkzaamheid is effectiever dan colleges en demonstratie-onderwijs. Hoewel dat niet de primaire bedoeling was van de inrichting van laboratoria, boden deze de hoogleraar en zijn promovendi ook de mogelijkheid zelf onderzoek te doen, en in de productie van de Utrechters vond dit onmiskenbaar zijn weerslag. Menigeen onder de Utrechtse natuurwetenschappers bouwde een internationale reputatie op als onderzoeker. Met name de chemicus Mulder, de meteoroloog Buys Ballot en de oogarts Donders zorgden er zo voor dat de Nederlandse natuurwetenschappen weer op de kaart kwamen te staan na de weinig florissante periode die op de Franse tijd was gevolgd. De tendens tot scheiding van kennisverwerving en toepassing zette zich voort. De interesse voor directe praktische toepassingen verdween niet, maar was duidelijk op zijn retour. 

Zoals in de voorafgaande periode bleef men echter op het standpunt staan dat onderwijs de hoofdtaak van de hoogleraar was. Steeds sterker werd de vormende waarde van natuurwetenschappelijk onderwijs benadrukt, zelfs ten koste van het onderwijs in de klassieken. Maar een onderzoekersopleiding stond men nog steeds niet voor. Academici bleven allereerst Gebildete die beschaafde normen en waarden verdedigden. Ondertussen werd de visie op de rol van de natuurwetenschappen positivistischer: de natuurwetenschapper beoordeelde op grond van zijn natuurwetenschappelijke kennis en wereldbeeld welke richting de maatschappij moest inslaan. De natuurwetenschappelijke aanpak werd ook geschikt geacht politieke, sociale en zelfs religieuze vraagstukken tot een oplossing te brengen. Door middel van populariseringsactiviteiten probeerde men het wantrouwen dat dit met name vanuit religieuze kring opriep te bezweren.

De Utrechtse vernieuwingsbeweging is wel gezien als een prelude op de bloeiperiode van de Nederlandse natuurwetenschappen rond 1900, maar het is juister haar te zien als een eindpunt. Het onderwijs werd vernieuwd, maar ten aanzien van het onderzoek en de maatschappelijke rol van de academicus bleef men trouw aan humanistische idealen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de grote bezwaren waarop de nieuwe Hoger-Onderwijswet van 1876 bij iemand als Mulder stuitte.

1876-1918

Eén van de bovengenoemde Utrechters volgde een eigen koers die wèl bij de wet van 1876 aansloot: Donders. Hij was in Nederland een van de eerste vertegenwoordigers van de zogenaamde natuurwetenschappelijke geneeskunde, die stelde dat alleen kennis van de chemie en fysica van het menselijk lichaam de geneeskunde werkelijk vooruit kon helpen. Donders deed onderzoek naar de fysiologie van het oog. De resultaten stelden hem in staat het vaststellen en corrigeren van oogafwijkingen een wetenschappelijke basis te geven. Hieraan ontleende hij een pleidooi voor een sterkere nadruk op onderzoek en specialisatie. Hoogleraren waren voor Donders tevens onderzoekers en niet alleen onderwijzers. Waar de overige Utrechters Bildung in het onderwijs bovenaan hadden gezet, pleitte Donders voor het opleiden van studenten tot onderzoeksspecialisten. Daarmee gaf hij ze ook een andere rol in de samenleving, namelijk die van producenten van natuurwetenschappelijke kennis, waarmee de maatschappij op kortere of langere termijn haar voordeel kon doen.

Donders illustreert een tendens die zich na hem alleen maar sterker zou manifesteren: praktische of technische vooruitgang, op welk maatschappelijk terrein dan ook, werd gezien als een functie van de wetenschappelijke kennisuitbreiding. Anders gezegd: techniek werd toegepaste wetenschap. Hiermee was ook een duidelijke taakverdeling gegeven tussen de academische onderzoeker en de technicus of ingenieur: de eerste verrichtte fundamenteel of zuiver wetenschappelijk onderzoek, de laatste paste de aldus verworven inzichten toe in de praktijk.

Vanuit de maatschappij gezien kreeg de universiteit door deze tweedeling gaandeweg het karakter van een ivoren toren. De gebruikelijke associaties bij dit beeld moeten echter voorzichtig worden gehanteerd. De onderzoekers in kwestie zagen zichzelf geenszins als kamergeleerden maar als dienaren van de maatschappelijke vooruitgang. Wetenschapsbeoefening als l'art pour l'art stonden zij niet voor.

De Hoger-Onderwijswet van 1876 weerspiegelt de verschuiving van Bildung naar onderzoeksgerichtheid. Academisch onderzoek werd nu geacht op te leiden tot zelfstandig onderzoek en tot een wetenschappelijk beroep. Het loopbaanperspectief voor de natuurwetenschapper was echter nog niet groots. Vooralsnog was het leraarschap aan de in 1863 opgerichte HBS voor velen het best bereikbare. Daarnaast vertrok menigeen naar Indië om daar bijvoorbeeld als chemicus in de suikerindustrie te werken of als onderzoeker aan de landbouwproefstations.

De grote bloei van de Nederlandse natuurwetenschap rond 1900 ging aan Utrecht grotendeels voorbij, al had men bijvoorbeeld in A.A.W. Hubrecht een internationaal gerespecteerd onderzoeker. De Nobelprijzen werden echter door Leidse en Amsterdamse onderzoekers in de wacht gesleept. Met als enige uitzondering Eijkman, die zijn in Indië verricht onderzoek aan beriberi in 1928 bekroond zag.

1918-1940

Na de Eerste Wereldoorlog telde Utrecht weer volop mee dankzij hoogleraren als Went, Kruyt en Ornstein. In deze periode vond de visie op techniek als toegepaste wetenschap haar hoogtepunt. De universitair onderzoeker was een professioneel onderzoeksspecialist die alleen zuivere wetenschap bedreef. Voor sommigen onder de hoogleraren golden de onderzoekstaken zelfs als belangrijker dan de onderwijstaken. Participeren in het onderzoek van de hoogleraar werd het belangrijkste deel van de academische opleiding, en de loopbaan van de student hing mede af van hoe hij zich op dit vlak onderscheidde.

Nadat in 1917 de weg voor HBS-ers naar de universiteit was geopend, groeiden de studentenaantallen sterk. In hun pogingen voor deze studenten emplooi te vinden komt de wetenschapsopvatting van de hoogleraren nog eens duidelijk tot uiting. Langzaam maar zeker kwam er belangstelling van industriële zijde voor academici, maar er kwamen uit die hoek ook klachten over de weinig praktische scholing die zij aan de universiteiten ontvingen. Hoogleraren als Went en Kruyt reageerden hierop, niet door hun studenten praktischer op te leiden, maar door met nog meer toewijding de ideologie van techniek als toegepaste wetenschap te verdedigen: academici waren dan wel in eerste instantie minder inzetbaar, maar op termijn zou hun theoretische achtergrond ze tot veel meer in staat stellen dan op de werkvloer opgeleide krachten. Een unieke oplossing voor het probleem werd door Ornstein gerealiseerd: hij was in Nederland de eerste die naast het zuiver onderzoek in zijn laboratorium ruimte vrijmaakte voor 'contractresearch', waarmee hij zowel de banden met de industrie aanhaalde als zijn studenten een gelegenheid verschafte praktische ervaring op te doen. In de discussie over de samenhang van wetenschap en techniek nam Kruyt het voortouw. Hij stond aan de basis van zowel TNO als ZWO, waarin de ideologie van techniek als toegepaste wetenschap institutioneel gestalte kreeg op een wereldwijd unieke manier. ZWO vertegenwoordigde hierbij het zuivere en fundamentele onderzoek, de zusterorganisatie TNO was er voor de toepassingen in de praktijk. Kruyts bemoeienissen in deze illustreren nog eens dat de exclusieve aandacht voor zuiver onderzoek allerminst betekende dat de academicus zich afsloot voor maatschappelijke belangen.

Kruyt en Went waren tenslotte belangrijke voortrekkers van de internationalisering van het wetenschappelijk onderzoek die na de Eerste Wereldoorlog begon en die zich in eerste instantie uitte in het oprichten van internationale wetenschappelijke organisaties. Beiden fungeerden zij als spilfiguren binnen die organisaties.

 (Bert Theunissen)

(Top of page)


Hans de Waardt
Geschiedenis van de academische psychiatrie in Nederland

De belangstelling voor de geschiedenis van de psychiatrie is groeiende. Over de ontwikkelingen in bijvoorbeeld Frankrijk, Duitsland en Groot Brittannië zijn recent belangrijke studies verschenen. De Nederlandse historiografie bleef daar tot voor kort wat bij achter. Maar daar is onlangs verandering in gekomen. NWO  ondersteunt nu het project 'De Gestoorde Psyche' waarbij onder leiding van mw. prof. dr. M. Gijswijt-Hofstra (UvA) en dr. H. Oosterhuis (Universiteit van Maastricht) diverse aspecten van de geschiedenis van de psychiatrie in Nederland worden belicht. En onlangs heeft de Divisie Psychiatrie van het Universitair Medisch Centrum Utrecht het mogelijk gemaakt om de geschiedenis in Nederland van de academische discipline psychiatrie te onderzoeken. Onder supervisie van de hoogleraar psychiatrie prof.dr. R.F. Kahn wordt dit onderzoek sinds 1 april jongstleden uitgevoerd. Het zal zich concentreren op drie aspecten: de institutionalisering van deze discipline als onderdeel van een professionaliseringsproces, de verdere uitbouw ervan binnen de Nederlandse universiteiten en de visie op de psychiatrie in academische kringen.

In de loop van de negentiende eeuw werd bij de universiteiten van Utrecht en Amsterdam herhaaldelijk gepoogd leerstoelen voor psychiatrie te realiseren. Dat lukte pas in 1893 toen in Utrecht Cornelis Winkler werd benoemd tot hoogleraar psychiatrie en neurologie. In 1896 aanvaardde hij overigens een benoeming bij de GUA. Vanaf 1896 bestond daar dus ook een leerstoel. Daarop volgden ook Leiden (1899) Groningen (1903) en de VUA (1907). Na de tweede wereldoorlog werden er nog leerstoelen gevestigd in Nijmegen, Rotterdam en Maastricht. Rond 1900 kreeg de psychiatrie dus als medische discipline in Nederland vaste voet aan de grond. In vergelijking met het buitenland gebeurde dit hier tamelijk laat, maar deze ontwikkeling maakte het wel mogelijk de inhoud van het vak preciezer te definiëren en de toelating van nieuwe psychiaters en neurologen te reguleren.

Al vrij snel zette zich een proces van verdere specialisering in. De neurologie werd na 1920 losgekoppeld van de psychiatrie. Bij verschillende juridische faculteiten werden leerstoelen voor forensische psychiatrie ingesteld en vanaf de jaren '30 constitueerde de kinderpsychiatrie zich als aparte discipline. Daarnaast werden na 1945 bij sociale faculteiten leerstoelen ingesteld voor klinische en/of medische psychologie. De psychotherapie die daarna werd onderwezen betekende een aanvulling op, maar ook een gedeeltelijke overlapping van het professionele object van de psychiatrie. Deze ontwikkeling zal eveneens worden onderzocht.

Tenslotte zal aandacht worden geschonken aan de visie op de discipline die de psychiaters hadden die verbonden waren aan medische faculteiten. De eerste generatie hoogleraren werd sterk beïnvloed door Duitse psychiaters die vooral geïnteresseerd waren in neurologische processen. Vanaf 1914 vond de psychoanalyse in Nederland steeds meer aanhang en in de loop van de volgende decennia voegden zich daar steeds meer modellen en technieken bij. Tegenwoordig wordt bij de medische faculteiten de biologische visie op de psychiatrie echter weer meer benadrukt. Dit wetenschapsdynamische aspect vormt het derde hoofdthema van dit onderzoek.

Bij de uitvoering ervan wordt nauw samen gewerkt met de onderzoekers die deel nemen aan zojuist genoemde project 'De Gestoorde Psyche'. 

 (Hans de Waardt)

(Top of page)


Seraphine Hillege
Elites in hedendaags Nederland

Nederland heeft een ander recruteringssysteem voor elites dan Engeland of Frankrijk of dan de Verenigde Staten van Amerika. In Engeland komen mensen via de 'public schools' en 'Oxbridge' terecht in de elites; in Frankrijk via de 'Grandes Ecoles'; in de V.S. met name via de topuniversiteiten Harvard en Princeton. Nederland kent niet een vergelijkbaar systeem voor de recrutering van elites. Toegangseisen verschillen niet van universiteit tot universiteit, hoogleraren worden ook niet anders gesalarieerd. Het Nederlandse systeem voor hoger onderwijs is op Duitsland georiënteerd. 

Een mogelijk equivalent voor elite-universiteiten zijn de studentengezelligheidsverenigingen. Tot op heden heb ik in kaart gebracht de bestuursleden van studentengezelligheidsverenigingen, zowel die van de studentencorpora als die van de katholieke (RKSV) en protestants-christelijke (SSR) verenigingen in de periode van 1920 tot 1960. Ik heb uitgezocht waar deze mensen op den duur - d.w.z. in de periode 1960-1980 - zijn terechtgekomen. 

Ik heb een aantal elitegroepen gedefinieerd en daarbij onderscheiden tussen een politieke elite, een financieel-economische elite en een ambtelijk-bestuurlijke elite. Onder de politieke elite versta ik ministers, staatssecretarissen en leden van de Staten-Generaal; onder de financieel-economische elite leden van de raden van bestuur en van de raden van commissarissen van de naar omzet gemeten tachtig grootste bedrijven en financieringsinstellingen in Nederland; onder de ambtelijk-bestuurlijke elite secretarissen-generaal, directeuren-generaal en directeuren van de departementen alsmede topambtenaren in de diplomatieke dienst. Niet iedere gegadigde voor een elitepositie blijkt op zo'n positie terecht te zijn gekomen.

Er is eerder onderzoek gedaan naar twintigste-eeuwse elites in Nederland. Zie bijvoorbeeld J.Th.J. van den Berg, De toegang tot het Binnenhof. De maatschappelijke herkomst van de Tweede Kamerleden (Weesp 1985) of W.P. Secker, Ministers in Beeld. De sociale en de functionele herkomst van de Nederlandse ministers (1848-1990) (Leiden 1991). Het bijzondere van mijn onderzoek is dat het niet uitgaat van een vast omschreven elitegroep en vervolgens uitzoekt waar deze mensen vandaan zijn gekomen; het gaat uit van een groep kanshebbers voor zo'n positie. Vervolgens bekijk ik wie van de kanshebbers wel of niet op zo'n positie is terechtgekomen. In samenwerking met prof. dr. Jaap Dronkers heb ik een aantal statistische analyses op de onderzoeksgegevens toegepast. Daaruit blijkt dat de (top)elite stabiel blijft, alle meritocratiseringstheses, democratiseringstheses en verburgerlijkingstheses ten spijt. In zekere zin gaat het om het 'ons kent ons'. Vriendschapsnetwerken en familieconnecties blijken belangrijker te zijn dan gedacht. Wat dat betreft zijn de Nederlandse studenten-gezelligheidsverenigingen een functioneel equivalent van de elite-universiteiten in omringende landen. Wat nu interessant is, en bij vervolgonderzoek moet blijken: zijn er wisselingen in de tijd, of blijft de Nederlandse elite continue stabiel? Waren de zestiger, en vooral zeventiger jaren aan de universiteit een uitzondering die de regel bevestigt? Het vergt heel wat empirisch onderzoek om daar achter te komen.

Dit promotieonderzoek wordt begeleid door prof. dr. W.Th.M. Frijhoff en prof. dr. J. Dronkers. De (werk)titel is 'Elites in hedendaags Nederland'. Het onderzoek wordt gefinancierd door donaties van familieleden en vrienden en uit een kredietfaciliteit bij ABN-AMRO Bank en de Postbank. Voor de precieze hypothesen, onderzoeksmethoden en voorlopige conclusies zie: S. Hillege en M. Fennema, 'Studentencorpora en elitevorming', in: Amsterdams Sociologisch Tijdschrift 19.1 (1992) 96-118; J. Dronkers en S. Hillege, 'De besturen van studentencorpora en de toegang tot de Nederlandse elites', in: Amsterdams Sociologisch Tijdschrift 21.4 (1992) 37-65; J. Dronkers en S. Hillege, 'Het lidmaatschap van besturen van drie verschillende studentenverenigingen(Corps, RK, SSR) tussen 1920 en 1960 en de toegang tot de Nederlandse elites tussen 1960 en 1980', in: Amsterdams Sociologisch Tijdschrift 21.4 (1995) 37-65; Jaap Dronkers and Seraphine M. M. Hillege, 'Board Membership of Traditional Male Fraternities and Acces to Dutch Elites: A Disappearing Avenue to Elite Positions?', in: European Sociological Review 14.2 (1998) 191-203.

(Seraphine Hillege)

(Top of page)