![]() |
Studium generale |
|
|
NIEUWSBRIEF UNIVERSITEITSGESCHIEDENIS LETTRE DINFORMATION SUR LHISTOIRE DES UNIVERSITÉS (2001, nr. 2) Bijdragen / Contributions
Finanzierung von Universität und Wissenschaft in Vergangenheit und Gegenwart Sigriswil/Bern, 19-23 september 2001 Bruno Boute & Anuschka De Coster Financiering van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek laat niemand onberoerd. Alle participanten aan het academische spel, van de beginnende onderzoeksassistent tot de éminence grise op het toppunt van zijn carrière, worden met de regelmaat van de klok gedwongen om 'de samenleving', (i.e. wetenschappelijke of gemengde commissies, industriëlen en sponsors, …) te overtuigen van hun eigen kwaliteiten of die van op stapel staande onderzoeksprojecten en -centra om de nodige fondsen te genereren. In het kielzog van de Sorbonne- en Bolognaverklaringen wacht het Europa van het hoger onderwijs met ingehouden adem af of de politici ook het prijskaartje van de inmiddels beruchte Ba-Mastructuur zullen willen betalen. Beide, overbekende, voorbeelden uit de directe leefwereld van eenieder die met wetenschappelijk onderzoek of onderwijs bezig is, illustreren (eens te meer) hoe financiering ingrijpt in het complexe sociale en intellectuele wereldje binnen de muren van Akadèmè. Met een zweem van jaloezie zien we om naar de erudieten uit vroeger tijden die achter de zware deuren van colleges, anatomische theaters en rariteitenkabinetten rustig hun ding konden doen zonder zich in allerlei bochten te moeten wringen om het manna van Big Science binnen te rijven. Tenzij die paradijselijke voorstelling van zaken meer te maken heeft met de wensdromen van hedendaagse academici dan met een concrete historische realiteit. Vandaar dat dit initiatief van het Historisches Institut van de Universiteit Bern om de financiering van wetenschap en wetenschappelijke instellingen door de eeuwen heen onder de loep te nemen, alleen maar kan toegejuicht worden. Van 19 tot 23 september werd een indrukwekkend programma afgewerkt, gaande van de financiering van de universiteiten in het oude Europa tot de structuren van het Zwitserse Nationalfonds (cf. programma Nieuwsbrief Universiteitsgeschiedenis, 7, 2001/1, p. 61-63). De eerste sessie was gewijd aan de financiering van universiteiten in het Ancien Régime. De brede, Europese context werd daarbij niet uit het oog verloren met een algemeen, weinig spectaculaire status questionis op het thema in Frankrijk en een vademecum voor de financiering van de vroegmoderne universiteiten in de Keltische periferie van Europa. Verder deed een lezing over de gang van zaken aan Italiaanse universiteiten het nodige stof opwaaien onder het publiek. Meer bepaald de exclusieve aandacht voor de universiteiten van Bologna (en Padua) om de overgang van financiering door studenten naar financiering door de stedelijke overheid in kaart te brengen (het 'klassieke model' voor de Italiaanse universiteiten dus), werd op de korrel genomen. De nadruk lag echter duidelijk op de universiteiten in het Rijk, waarbij eerst de grote lijnen werden uitgezet, om die dan vervolgens uit te werken in een aantal case-studies, voor Wenen, Praag en de Jezuïetenuniversiteiten. Het floreren van de instellingen van deze orde – mede dank zij hun efficiënte, 'staatsneutrale' financiering - schijnt in het Rijk in een bijzonder schril contrast gestaan te hebben met het sombere beeld dat opgehangen werd voor de 'klassieke' universiteiten, een gegeven dat de aanleiding vormde voor een geanimeerd gesprek over de rol van de Jezuïetenorde in de Nieuwe Tijd - en bijna verzandde in een nieuwe 'Konfessionsstreit'. Het congres over 'I Gesuiti e l'università in Europa' (Parma, 12-15 december 2001) komt duidelijk niet in een vacuüm terecht. Gaandeweg kwam het onderscheid tussen corporatief vermogen (geïncorporeerde kapittels, kloostergoederen, privileges, renten, land, …), en overheidssubsidies als vormen van financiering centraal te staan. Toelages van diverse overheden zouden heel geleidelijk de oude, corporatieve kern van de materiële basis van de academische gilden verdringen als belangrijkste bron van inkomsten voor de universiteiten. Daarbij stellen we ons de vraag, of dit onderscheid wel zo eenvoudig ligt als men ons in Bern wilde doen geloven, en of het in die formulering niet dreigt te (ver)leiden tot bijzonder ongenuanceerde uitspraken over de afhankelijkheidsrelatie tussen academici en de diverse overheden. Datzelfde corporatieve vermogen was allerminst vanzelfsprekend voor de buitenwereld, of het nu om fiscale vrijheden, incorporaties van kloosters, pensioenen op kerkgoederen, onderwijsmonopolies of beneficiale prerogatieven gaat. Elke dag opnieuw moesten academische claims – en in zeker opzicht komt dat corporatieve vermogen daarop neer – gerealiseerd worden ten opzichte van concurrerende groepen met dito aanspraken. In deze struggle for life bleken bepaalde segmenten van de machtselites, met in het centrum van het politieke spel de dynastie, bijna natuurlijke bondgenoten – voor zover hun steun zelfs niet incontournable was. Voor de Zuidelijke Nederlanden kan de makelaardij van de aartshertogen aan de Romeinse curie voor 'hun' universiteiten van Leuven, Douai en Dôle hier als exemplarisch gelden. De grens tussen staatsfinanciering en corporatief vermogen wordt hier, naar ons gevoelen, wel erg dun. Die tendens van omschakeling van eigen, corporatief vermogen naar staatsfinanciering zette zich, zo bleek 's anderendaags, verder door in de negentiende en twintigste eeuw. Naast de Europese periferie in het Noorden en het Oosten stonden opnieuw de Duitse, en nu ook de Angelsaksische wereld in het centrum van de belangstelling, met voorop het verhaal van de integratie van de Oxbridge universiteiten in het (zelf natuurlijk eveneens evoluerende) lokale, en na de Tweede Wereldoorlog in toenemende mate gecentraliseerde, financieringssysteem voor hoger onderwijs en onderzoek. Bijzonder interessant is de recente financiële geschiedenis van de universiteiten in de Verenigde Staten, waar de laatste jaren een omgekeerde tendens zich doorzette – tenminste, voor de happy few onder de private instellingen wier dotatie (voor een goed deel verworven uit particulier bezit) hen in het gewijzigde economische klimaat van de jaren '80 en '90 in staat stelde om volgens het aloude Republikeinse ideaal van hun eigen renten te leven. Dit heeft diezelfde instellingen natuurlijk niet belet om fondsen te blijven werven bij de federale overheid en de respectieve staten. Met als gevolg dat vandaag in de States enkele private instellingen met elkaar concurreren om de standaard te zetten voor de financiering en bestaffing van onderzoek en hoger onderwijs (met hun dito output), en daarbij steevast de lat te hoog leggen voor de meeste andere private en publieke instellingen (academic Darwinism). Naast de haalbaarheid van 'het Amerikaanse financieringssysteem' (dat van die enkele succesvolle private instellingen dus) in het Oude Continent werd dus meteen ook de wenselijkheid ervan in vraag gesteld. Parallellen zijn o.i. overigens vandaag de dag ook elders voorhanden, met de aanzwellende stroom van 'soft money' voor tijdelijke projecten ten opzichte van de (relatief) stagnerende en eerder stabiele instroom van 'hard money' voor instellingen (bijv. leerstoelen en assistentschappen), een onderscheid dat in de slotdiscussie aan bod zou komen. Zichzelf als dynamisch profilerende onderzoeksgroepen kunnen via dit financieringssysteem hun succes bestendigen door het wegkapen van projectgelden, die op hun beurt weer voor de nodige erkenning zorgen om hun niche op de kapitaalmarkt van Big Science minstens te handhaven of te verstevigen. Het verwerven van het nodige startkapitaal aan erkenning is daarbij de belangrijkste horde die genomen moet worden, zowel voor de jonge postdoctorale onderzoeker als voor een net opgerichte onderzoeksgroep. In die context is de cycle of recognition een wetenschapssociologische vertaling van het Bijbelse 'them what has, gets' (citaat Carl I. Hammer) dat het wetenschappelijke bedrijf kenmerkt. Meteen is de link gelegd met de derde sectie, over Ausseruniversitäre Wissenschafts- und Forschungsfinanzierung, en in het bijzonder met de laatste lezing van deze sessie. Deze uiteenzetting over het Zwitserse Nationalfonds behandelde het spanningsveld tussen wetenschap en wetenschapspolitiek, waarbij de op gang gebrachte dynamiek van de (alom in voegen zijnde) mainstream oriented evaluatie door Peer Review in wetenschappelijke commissies kritisch werd beschouwd. Dit probleem werd ook op de studiedag Historische thematiek in mei 2000 aan de K.U.Leuven druk besproken. Niet alleen beginnende onderzoekers moeten door de flessenhals van het vigerende selectiesysteem. Ook onderzoeksthemata met een vernieuwend en interdisciplinair karakter, termen die nochtans vast deel uitmaken van het academisch discours in het algemeen en van het literaire genre van het projectproza in het bijzonder, komen in de praktijk moeilijk aan de bak. Ging het in deze lezing om een buitenuniversitaire bron van financiering voor wetenschappelijk onderzoek, ongeacht de instelling, de andere bijdragen in deze sessie behandelden de bezoldiging van niet-universitaire instellingen. Daarbij is het verschil in financieringsvormen tussen universiteiten en academies (Frankrijk en Duitsland) in de Nieuwe Tijd duidelijk eerder gradueel dan essentieel - net zoals de werelden van académiciens en de leden van de universitaire corporaties zelf, sociaal en intellectueel, niet volledig gescheiden kunnen worden. Wat de vraag naar de herkomst van de financiering betreft, bleken de verschillen niet zozeer institutioneel, maar geografisch bepaald te zijn. In het zeventiende-eeuwse Frankrijk waren ook aan de universiteiten rechtstreekse overheidstoelagen voor de bezoldiging van academisch personeel ingeburgerd. Voor de Duitse Akademien hamerde Leibniz dan weer op het belang van zelffinanciering (eventueel via het beproefde model van de incorporatie van kloostergoederen als dotatie bij de oprichting) om de onafhankelijkheid van geleerden van vorstelijk mecenaat te garanderen. Dit principe van private financiering, zonder tussenkomst van de overheid, werd doorgezet in de Gesellschaften die in de loop van de 19de en 20ste eeuw in Duitsland en vogue waren. Deze bestonden grotendeels bij de gratie van private schenkers uit industriële hoek. Ook aan het toenemende belang van industriële financiering werd voor het naoorlogse Duitsland een lezing gewijd. Het Historisches Institut in Bern, het Max und Elsa Beer-Brawant-Fonds en de Gesellschaft für Universitäts- und Wissenschaftsgeschichte kunnen tevreden terugblikken op drie goed gevulde dagen waarin een ongelooflijk rijk en veelzijdig thema werd bespeeld. Wel kan men zich afvragen of het programma, met alle interessante perspectieven die een dergelijke lange termijnvisie met zich meebrengt, in tijd en ruimte niet wat te ambitieus was. En het daarom – zoals elk geslaagd colloquium – niet schreeuwt om een grondiger uitspitten van een aantal aspecten. Eerst en vooral blijft de kritiek overeind dat het congres, met meer dan de helft van de lezingen, zoniet teveel op de Duitstalige landen en hun historische antecedenten gericht was, dan toch minstens niet ontsnapte aan een sterke gerichtheid op (bepaalde delen van) Europa. Betreurenswaard is onder meer het ontbreken van één of meerdere lezingen over de vraag waar de universiteiten op het Iberisch schiereiland, en hun dochterinstellingen in de ontzaglijke koloniale wereld, hun mosterd haalden. Ook inzicht in de situatie in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden had één van de conclusies in de slotdiscussie, dat universiteiten en wetenschappelijke instellingen in het Ancien Régime niet konden floreren onder vorsten en staten die aan 'grote politiek' deden, sterk kunnen nuanceren. Een actieve dynastieke politiek in onderwijsaangelegenheden zou juist wel eens een onderdeel kunnen gevormd hebben van diezelfde grand politics (vgl. Frijhoff, 1986). En tenslotte heeft de status van grootmacht de Republiek niet belet om instellingen met een internationale uitstraling te herbergen. Om kort te gaan, een geografische uitbreiding van het thema, en een grotere aandacht voor nieuwe vergelijkende studies en diepteonderzoek, hadden misschien andere resultaten opgeleverd, zeker voor het Ancien Régime. Ten tweede viel het ons op, dat het thema 'financiering' niet echt werd doorgetrokken naar de sociale samenstelling van academische populaties, hun dito autonomie en de daarmee samenhangende socio-culturele en -politieke context waarin in het verleden kennis werd opgebouwd en doorgegeven – al werd hier en daar wel een voorzichtige aanzet gegeven. Vooral de lezingen over het Ancien Régime waren in dat opzicht enigszins teleurstellend, hoewel ook de historici van de hedendaagse tijd zich te vaak nauwgezet hielden aan het bloss zeigen hoe wetenschap en onderwijs tot op vandaag gefinancierd werden. Lessen in boekhouding dus, met enige overdrijving. Aansluiting bij een historische sociologie van wetenschappen (kennis) en wetenschappers (in de ruime zin van het woord), van in de twaalfde eeuw tot nu, werd daarbij naar ons gevoelen wat te weinig gezocht - waardoor we een beetje op onze honger bleven zitten. Wordt dus hopelijk vervolgd. (Bruno
Boute, Aspirant van het Fonds voor Wetenschappelijk (Anuschka
De Coster, Aspirant van het Fonds voor Wetenschappelijk Preparing the emergence of a University History Museum at the Aristotle University of Thessaloniki, Greece Matoula Scaltsa - Konstantinos Arvanitis - Kleoniki Nikonanou The Aristotle University of Thessaloniki was established in 1925. It was the second university founded in Greece after the University of Athens. It started to operate in 1926 having five faculties all housed in the building known today as the 'old building of the Faculty of Philosophy'. Since then, it has been expanded in terms of space, disciplines taught, personnel and students. Today, the Aristotle University of Thessaloniki (AUTH) with ten faculties, forty four Departments and a number of other foundations, seventy thousand under-and postgraduate students and four thousand academic staff and researchers has become the largest educational institution of the country. In the summer of 2000, the Property Development and Management Company S.A. of AUTH (over which the Rector Professor Michalis Ag. Papadopoulos presided) and the AUTH's Senate decided to examine the possibility of establishing a museum that would present the history of the institution. The main purposes of establishing a museum of the history of the AUTH was to present:
Accordingly, the Company assigned Matoula Scaltsa, professor of Art History and Museology at the AUTH, to organise a research team. The team would have to explore the potential form(s) that a university history museum could take and submit a proposal according to the research's outcomes. The proposed forms of the museum could vary according to the museum mission, its potential collections, and the financial cost of its organisation and operation. The team consisted of university professors (one museologist and art historian, two historians, one architect specialised in museums and exhibitions), and three young researchers (one archaeologist-museologist, one museum educator and one architect). The synthesis of the team was designed to ensure that the, prior to the museum's establishment, research would deal with the various issues related to the new museum: the historians would propose ways of documenting the university history; the museologists and the museum educator would prepare the ground for the new museum mainly by examining the nature of potential collections in relation to the museum's future needs (i.e. mission statement, collection policy, collection management, educational aims and programmes, etc.); and the architects would use the information from the rest of the team in order to house in the best possible way the museum and its functions. The team began its work in November 2000 and set up from the beginning the aims of the project. The main aim was to identify material evidence inside or outside the campus, which could represent parts of the university history in a museum display. It was considered that the character and availability of this material would, also, suggest the character and the focus of the future museum. The second aim concerned the building of the new museum. The team would have to come up with architectural solutions that would result from - and respond to - the proposed potential forms of the museum. Both accommodation of the museum in an existing building and the construction of a new one were to be examined. According to the above aims the team described two main directions that the project should follow. The first direction was to document material evidence, which could produce historical information about the university. The second was to record known historical information and then try to 'materialise' it for the needs of the museum. Regarding the first direction, the nature of the project required a constructive co-operation with the university's departments and services. The history of the university is in fact the history of its various departments and institutions. Consequently, both historical information and its evidence needed to be looked up, first of all, in these departments. Therefore, the team tried in the first place to establish an ongoing communication channel with them. To achieve that, members of the research team had meetings with Deans of Faculties and Heads of Departments. The goal of these preliminary meetings were threefold: firstly, to brief them about the project and the research conducted by the team, so that they would inform in turn the personnel of their department; secondly, to see how they perceived the concept of a museum of the history of AUTH and note any possible recommendations or concerns they would have; and thirdly, to ask them to define the categories of any material evidence their department had about its history. The identification of the material was thought necessary for the efficiency of the research to follow. To secure the continuation and practicality of the communication with the departments, the team asked from their Heads to appoint a member of staff as the co-operator with the research team. Based on the information given in these meetings, the team produced two types of documentation forms, one for material evidence and another for university events and activities. The forms covered the various categories of material that could be traced in the university and could be potentially part of the university history museum's collections.[1] These forms were sent to the departments and other university's institutions in order to be filled in as fully as possible. The aim of their distribution and completion was to have a picture of the type of the material owned by each department; material that could describe its history, in terms of events, people, departmental progress and research. Simultaneously, the team started a second round of visits to the departments to meet the persons in charge, and agree with them the way that the information collection would follow. In these meetings the team had the opportunity to visit departmental storehouses and document there material useful for the university history museum.[2] In addition, the departments, through their representative, were asked to provide the team with a document that would outline a short history of the department and, also, describe the character of both the department and the discipline(s) it served. The purpose of this action was to have the voices and the opinions of the people who work at the university and they could be, perhaps, the most suitable to picture the life of the university. With this part of the research, the team came across a concern related to the type of the museum. If the museum was going to display the university's history and, consequently, to start building its collections, then the potential collection objects could increase drastically. Each machine, chair or (even) a university pen could gain a place in the future museum. Even if they are not related to important events of the university history, or to great professors; even if they are not just old, which can give them historical value, they still are aspects of the institution's life. They gain, apart from their functional value, another symbolic one, almost fetishist: the pen is not only a tool to write, but, because it is produced by the university, it becomes also part of its historical route and symbolises the university itself. The dilemma, then, is how can one exclude them from the collections, when lack of space or resources requires? Is the museum going to collect everything? Every chair, photo, tool, furniture or just one representative of each? Although answering these questions was what the future museum would have to do, the research team had to decide and let also the departments know what it was looking for; quality or quantity? The answer was, both. The departments were asked to record not only what kind of material evidence they had, but, also, how much. The justification of this solution was that the team did not want to shrink the choices that the museum staff would have after the establishment of the museum. In addition, the quantity of objects of a specific category could say something about the importance of this category for the particular department, suggest a potential exhibition theme, or, even, allow the consideration of a museum loan in the future. The second direction of the research involved seeking historical information. Its form was mainly bibliographic. The team gathered any reference related to the history of the university in general or of the faculties and departments in particular.[3] In addition, it was considered necessary to include, also, the history of Thessaloniki and Greece during the period of the university's operation (1925-2000). Furthermore, important world events of the time in question were considered. This information was inserted both chronologically and thematically in three electronic documentation forms made for this purpose:
The aim of this study was to combine and compare the bibliographic information in order to have an overall picture of the social, political, economic and historical framework of the university's life; and to identify the role that the university had inside this framework in relation, also, to major events of the Greek and world history. This identification would then be followed by the search for relevant evidence that could be used in a museum display. Apart from this bibliographic search, the team started to interview people of the university that had been related to specific historical moments, or had a long presence in the institution. This endeavour was focused primarily in retired professors or other former university personnel, in order to record and consequently save their historical memory. The hope was that these interviews would provide the team with historical information that had not yet been written; and to record the personal memories of these people, which could give the future museum an aura of the university's past. The two above described directions of the research (search for material evidence and search for bibliographic information) were opposite. The first had as starting point material evidence and sought for the historical information behind the material. The second had as basis a historic fact, event or person and tried to find the material evidence that carried the particular information. Schematically, this research would be as follows: Documentation of material evidence ® production of historical information Recording of historical information ® search for material evidence In this way, the team tried to secure that it would cover the university history from different points of view: from the point of the information that objects carried and the objects that a historical information could reveal. Consequently, the team would take under consideration the variety of the existing or, potential material when making their proposals. Furthermore, the team came in touch with the other 'museums' or, rather specialised collections, of the university in order to discuss ways of co-operation. At the same time, it tried to find ways of potential use, or incorporation of part of existing university collections in the new museum. Currently, the university has seventeen such 'museums' and collections,[4] which can be described generally as scientific (in the way that they consist of objects relevant to various disciplines and subjects and their mainly use is for academic research and teaching). The endeavour of the team was to find out how collections like these could be seen in relation to the university history and consequently contribute to the new museum. In addition, the research was directed to the finding of other university history museums in Greece and Europe.[5] The team contacted most of these museums in order to find out if they displayed the history of the university, or they presented the various scientific collections of the university, as most university museums do. Where the first was the case, the team continued its contact, in order to establish a continuous link with these museums. It, also, visited some of them to have first hand information about their museological organisation. During all this period, the team has managed to establish an ongoing communication with the university departments, which is regarded vital not only for the completion of the project, but, also, for the successful presence of the future museum. This communication has, also, meant that every time a department decides to dispose of any material not in use any more, the research team is called to check the material's potential place in the future museum. Moreover, information about material evidence and the documentation of the university's historical moments is being collected and, almost all the departments have responded to the call. The first results of this procedure reveal the existence of material that could display the university history both diachronically and thematically. However, the number of the material varies from department to department and this variety depends mainly on the age of each department. The oldest the department, the most different categories of material can be traced. On the other hand, although the most recently established departments have a short history, their history seems to be better documented than their older counterparts. The full results of this research and the following proposal to the university authorities are to come. However, the quality and quantity of the material already documented suggests that the future university history museum will be able to exhibit the university's history in different ways and play an important role in the life of both the university and the city. The team is due to submit its proposal by the end of 2001, having sourced and gathered to present a lot of oral, visual and material evidence. (Matoula Scaltsa, Professor of Art History and Museology, Aristotle University of Thessaloniki Konstantinos Arvanitis, Archaeologist-Museologist, PhD student, University of Leicester Kleoniki Nikonanou, Museum Educator, PhD student, Aristotle University of Thessaloniki)
[1] The categories were: machines-equipment-tools (not in use); tapes and videotapes for educational purposes; other educational material; photographs of academic and administrative staff; academic archives; records and files of past professors; furniture (not in use); art works; departmental prospectus; university readers; PhD theses; work of academics; university journals; other publications; theatrical-musical-dancing-etc groups; students' activities; honorary graduations; celebrations; degree congregations; conferences-symposiums-seminars; exhibitions; field trips; and excavations. [2] This documentation included filling in the forms, taking photographs and shooting video of the objects or the place. Where needed, a short interview with the person in charge about the history and importance of the objects was conducted and recorded. [3] Books and articles referring to the university history, publications on the occasion of anniversary celebrations of departments, journals and periodicals published by the university and photographic archives were included in the bibliographic research. [4] Museum of Geology and Palaeontology, 2 Zoological Museums, 2 Botanical Museums (Herbariums), Collection of Fishes, Museum of Experimental Equipment of Physics, Museum of Pathological Anatomy, Museum of Crime, Museum of Medicine, Collection of embalmed animals, Folklore collection, Museum of Archaeological Casts, Museum of Equipment of Psychology, Museum of architectural models, Theological Museum and Collection of constructions for children. [5] In Greece, there is one university history museum in Athens, which presents the history of the University of Athens. In Europe, most university history museums are found in the Netherlands. Zestig jaar universitaire gezondheidszorg aan de Universiteit van Amsterdam Rogier Overman De geschiedenis van het Bureau Studentenartsen/Huisartsen Oude Turfmarkt kent een bijzonder gegeven: als pionier op het gebied van de studentengezondheidszorg werd de voorloper van het huidige Bureau Studentenartsen – de Stichting Universitaire Gezondheidszorg (UGZ) – in 1938 de eerste in Nederland opgerichte universitaire gezondheidsdienst ten behoeve van studenten. Zij diende als voorbeeld voor soortgelijke gezondheidsdiensten, die na de Tweede Wereldoorlog aan talloze universiteiten en hogescholen in het land werden opgericht.[1] Thans, anno 2001, zijn deze vrijwel allen weer opgedoekt[2], terwijl de Amsterdamse universitaire gezondheidsdienst floreert als nooit tevoren: jaarlijks staan er circa 15.000 patiënten ingeschreven bij het Bureau Studentenartsen/Huisartsen Oude Turfmarkt, waar acht parttime werkende artsen circa 35.000 arts-patiëntcontacten registreren. Studentenproblemen Dit opmerkelijke gegeven kan verklaard worden uit de bijzondere geschiedenis die de Amsterdamse studentenartsen in ruim zestig jaar hebben doorgemaakt. Eén van de belangrijkste kenmerken daarvan vormt de constante vraag van studenten van de UvA naar de dienstverlening van de Amsterdamse studentenartsen. Want wie dacht dat problemen rond de studie en relaties, geslachtsziekten en abortus, seksuele faalangst, doctoraalneuroses of ontgroeningsleed typische studentenkwalen zijn van deze tijd heeft het mis. Reeds in 1938 kwamen studenten van de UvA met een gevarieerd aanbod aan lichamelijke en geestelijke klachten naar het wekelijks spreekuur van de UGZ: voor de onschuldigste huidaandoening tot de meest gecompliceerde psychische problemen, seksuele voorlichting of aandoeningen aan het 'urogenitaal apparaat' en voor problemen rond alcoholisme, 'neurotische toestanden' en 'aangerichte schade door ruw optreden van het Corps.' Voor de Amsterdamse hoogleraar prof. dr. Gerard Carel Heringa (1890-1972) – die zich vanaf midden jaren twintig actief bezighield met het welzijn van studenten in Nederland en destijds initiatiefnemer was van de oprichting van de Amsterdamse UGZ – stond het dan ook vast dat 'studenten in de voor de gezondheid onbevredigende omstandigheden leven. Onttrokken aan gezinszorg, ten deele ook door psychische gesteldheid weinig geneigd die zorg te aanvaarden, weet een deel der studenten (…) niet het juiste midden te vinden tusschen ascetisme en overdaad.' Daar kwam nog bij dat studenten een verminderde weerstand hadden als gevolg van gebrekkige hygiëne, slechte voeding en verwaarloosde huisvesting; een leefsituatie die voor een verhoogde besmettingskans zorgde op de uiterst besmettelijke ziekte tuberculose. Aangezien deze ziekte eind jaren dertig talloze slachtoffers eiste onder de Nederlandse bevolking, vormde zij een reële bedreiging voor de studenten van de UvA en werd het tuberculoseonderzoek één van de belangrijkste activiteiten van de UGZ. Daarbij werden jaarlijks tussen de zes en zevenduizend studenten röntgenologisch op tuberculose onderzocht en preventief gevaccineerd. Dat gebeurde overigens zonder steriele naalden of spuiten, omdat het vaccineren met een voor iedere student aparte spuit 'massa-entingen praktisch onmogelijk zou maken.' Mensa Academica Voor hen die tuberculose onder de leden hadden restte niets anders dan enkele maanden kuren in het Nederlands Studenten Sanatorium (NSS) te Laren. Omdat de kosten van deze behandeling het studentenbudget te boven gingen, bood de UGZ de studenten een sanatoriumverzekering aan. Een soortgelijke verzekering tegen de hoge kosten van tandheelkundige ingrepen werd eveneens wenselijk geacht: 'Is in het algemeen de tandheelkundige verzorging van ons volk in bedroevend achterlijke staat, erg is het te zien, hoevelen onder onzer aanstaande doktoren, juristen, leeraren en bedrijfsleiders reeds in hun studententijd rondloopen met een schromelijk verwaarloosden mond,' zo meende de sociaal bewogen Heringa. Omdat studenten hun geld bovendien liever uitgaven aan andere zaken dan een gezonde voeding, was het met hun voedselvoorziening eveneens treurig gesteld. Toen dit werd versterkt door de dreigende voedseltekorten na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, nam Heringa het opnieuw voor de studenten op: in 1940 werd op zijn initiatief en onder auspiciën van de UGZ de Mensa Academica opgericht, die de voedselvoorziening voor studenten van de UvA tijdens de oorlog ging verzorgen. Tweede Wereldoorlog De Tweede Wereldoorlog vormde een reële bedreiging voor de Amsterdamse UGZ. Nadat eerder al op last van de bezetter alle joodse hoogleraren en docenten waren geschorst of ontslagen, werd in april 1941 een numerus clausus ingevoerd voor alle joodse studenten. In oktober 1941 volgde een verordening betreffende de joodse deelname aan verenigingen van personen en stichtingen zonder economisch doel. Het gevolg was dat veel joodse deelnemers van de UGZ hun lidmaatschap opzegden en sindsdien buiten het bereik van de medische hulpverlening vielen. Ook de onder auspiciën van de UGZ opgezette Mensa kreeg het zwaar te verduren: als gevolg van razzia's onder studenten werd de Mensa in februari 1943 gesloten. Nadat de Duisters de loyaliteitsverklaring hadden doorgevoerd werden vanaf maart 1943 tenslotte alle overige activiteiten van de UGZ eveneens opgeschort. Ook UGZ-voorzitter Heringa verdween van het toneel, omdat hij als één van de leiders betrokken was bij het landelijke artsenverzet Medisch Contact. In die hoedanigheid trachtte hij op 5 december 1941 enkele duizenden door artsen ondertekende protestbrieven aan Rijkscommissaris Seyss-Inquart te overhandigen uit protest tegen de instelling van de Artsenkamer. In latere oorlogsjaren werd hij gevangen genomen en naar kamp Amersfoort overgebracht. Op persoonlijk bevel van Seyss-Inquart werd hij uit zijn hoogleraarfunctie ontslagen en naar Assen verbannen. Desondanks vertoonde hij zich daarna 'op straffe van groot levensgevaar' nog regelmatig in Amsterdam, waar hij zich ontpopte als initiator van het landelijke Hooglerarenverzet, dat sluiting van het officiële onderwijs nastreefde en het clandestiene onderwijs ging coördineren. Hoewel hij door deze activiteiten als een belangrijk verzetsman kan worden beschouwd, heeft de Duitse bezetter Heringa nooit als zodanig kunnen ontmaskeren – ook niet tijdens zijn gevangenschap in het concentratiekamp Amersfoort, het strafkamp in Haren en de beruchte gevangenis in Scheveningen.[3] Direct na de Tweede Wereldoorlog werden de activiteiten van de Amsterdamse UGZ met hernieuwde energie hervat. Omdat veel studenten met psychische problemen bleken te kampen door het ervaren oorlogsleed, werd er een psychiatrisch spreekuur ingesteld dat later uitgroeide tot het huidige Bureau Studentenpsychologen. Bovendien werd er vanaf 1945 een dagelijks medisch spreekuur gehouden door de eerste universiteitsarts aan de UvA: C. Bellaar Spruyt. Daarmee voldeed de UGZ nagenoeg geheel aan de eisen die de landelijke overheid in 1956 stelde aan de inmiddels talrijke opgerichte universitaire gezondheidsdiensten in Nederland Seksuele voorlichting Hoewel de seksuele revolutie pas in de jaren zestig tot volle wasdom kwam, gaf de UGZ in de jaren vijftig reeds de eerste aanzet tot het houden van voorlichtingsavonden op het gebied van seksualiteit: in de pauze konden studenten schriftelijk en anoniem vragen stellen, die door de aanwezige dominee werden beoordeeld en al dan niet in besloten kring werden besproken. Een en ander kreeg een vervolg in de jaren zestig toen studenten werden geconfronteerd met de psychische druk van het seksueel presteren als gevolg van het gestimuleerde seksueel enthousiasme door de seksuele revolutie: in samenwerking met de in 1945 opgerichte Algemene Studenten Vereniging Amsterdam (ASVA) organiseerde de studentenartsen een 'Sexuele Marathon', waarbij de student-discussieleiders op het hart werd gedrukt hun eigen 'vakautoriteit' en het 'feitelijk biologisch gebeuren' buiten beschouwing te laten, zodat alleen emotioneel-erotische problemen besproken zouden worden. De studentenartsen – die sinds 1961 als zodanig werden omschreven – kwamen de gevolgen van de seksuele revolutie overigens ook duidelijk tegen op hun spreekuur: een explosief gestegen vraag naar anticonceptiemiddelen, een toename van geslachtsziekten of aandoeningen 'onder de gordel' en een verhoogde vraag om verwijzingen naar abortusklinieken. Hoogoplopende conflicten Nog in de jaren 'zestig kwam de landelijke overheid met nieuwe richtlijnen voor de universitaire gezondheidsdiensten in Nederland: universiteits- en studentenartsen moesten samenwerken met de plaatselijke huisartsen, vooral op het gebied van de curatieve (=huisartsgeneeskundige) hulpverlening. In Amsterdam verliep deze samenwerking allerminst vlekkeloos en kwam het zelfs tot hoog oplopende conflicten tussen het College van Bestuur van de UvA namens de studentenartsen en de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) namens de plaatselijke huisartsen. Het gevolg was dat het CvB de curatieve hulpverlening in de jaren zeventig wenste af te stoten, overigens tegen de wil van de overheid én de studentenartsen. Nadat de scheiding tussen preventieve en curatieve zorg in de praktijk niet bleek te werken, werd in 1981 een 24-uurs, continue medische dienstverlening ingesteld waarbij de studentenartsen zowel preventieve als curatieve zorg verleenden. Omdat zij volgens de Verenigde Amsterdamse Ziekenfondsen (VAZ) en later de Ziekenfondsen Amsterdam en Omstreken (het ZAO) een categorale beperking hanteerden, werden de studentenartsen echter niet toegelaten als huisarts-medewerker bij de ziekenfondsen. Omdat dit juist nodig was om inkomsten te kunnen genereren uit de geneeskundige hulp aan ziekenfondspatiënten, werd de huisartsenpraktijk Oude Turfmarkt opgericht die zowel aan studenten als niet-studenten medische hulp kon bieden. Op dat moment bevonden de studentenartsen zich in de voor Nederland unieke situatie dat zij als zelfstandig gevestigde huisartsen in loondienst werkzaam waren met de UvA als werkgever. Omdat zowel het ZAO als de Ziekenfondsraad deze constructie echter als een bedreiging zagen voor de onafhankelijkheid van de beroepsgroep, werd het gebruikersrecht van de panden van de UvA en de beroepsonafhankelijkheid vervolgens formeel vastgelegd in een professioneel statuut. Daardoor werden de studentenartsen alsnog erkend en voldeden zij aan alle wettelijke regels voor het uitoefenen van een huisartsenpraktijk. Wetenschappelijk onderzoek In de jaren tachtig en begin jaren negentig hebben de studentenartsen een aanzienlijke hoeveelheid wetenschappelijk onderzoek verricht op basis van hun spreekuurregistraties: onder meer op het gebied van psychische en psychosomatische klachten onder UvA-studenten, seksueel en fysiek geweld, anticonceptie en kinderwens, het arbeidsklimaat van studenten, subjectief ervaren gezondheid en studiebeleving en naar de symptomen van HIV-geïnfecteerden en met AIDS besmette patiënten. De meeste van deze onderwerpen werden behandeld in een stroom van wetenschappelijke publicaties in onder meer de vaktijdschriften Huisarts en Wetenschap en het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG). Bovendien werden zij in de jaren negentig aangemerkt als Gele Koorts Vaccinatiecentrum. Succesvolle verzelfstandiging Eveneens begin jaren negentig werd de landelijke, wettelijk geregelde ziektekostenverzekering voor studenten ingevoerd, waarmee de bestaansreden van de universitaire gezondheidsdiensten in Nederland – een goedkope, medische dienstverlening ten behoeve van studenten – kwam te vervallen en de meeste van hen werden opgedoekt. Voor het CvB van de UvA was dit een gegronde reden om de subsidieverlening aan de Amsterdamse studentenartsen grotendeels te staken en het Bureau Studentenartsen/Huisartsen Oude Turfmarkt te laten verzelfstandigen. Dat betekende dat op den duur alle subsidies kwamen te vervallen en het Bureau Studentenartsen een bedrijfsmatige aanpak van de praktijkvoering moesten gaan bewerkstelligen. Het gevolg was dat ook HBO-studenten tot de doelgroep van de studentenartsen gingen behoren en dat de dienstverlening primair op de huisartsgeneeskundige hulp werd gericht. Het resultaat daarvan is dat het Bureau Studentenartsen/ Huisartsen Oude Turfmarkt thans een succesvol verzelfstandigde en druk bezochte studentvoorziening van de UvA is.
Bovenstaand artikel is gebaseerd op: Rogier Overman, Studenten op Spreekuur, 232 blz., geïllustreerd. isbn 90-9014694-6, boekhandelprijs hfl 35,00; met kortingsbon hfl 25,00 (exclusief hfl 7,50 als bijdrage in de verzendkosten). Voor België: 22,70 Euro (inclusief verzendkosten). Bestellen via: 020-6261561 of rogieroverman@hotmail.com Het boek handelt over zestig jaar zorg voor studenten door het Bureau Studentenartsen/Huisartsen Oude Turfmarkt van de Universiteit van Amsterdam en beschrijft de turbulente geschiedenis van de universitaire gezondheidszorg aan de Universiteit van Amsterdam. (Rogier Overman)
[1] De UGZ aan de Rijksuniversiteit van Utrecht werd in 1940 opgericht; na de Tweede Wereldoorlog volgden universitaire gezondheidsdiensten aan universiteiten en hogescholen in onder meer Delft, Eindhoven, Enschede, Groningen, Leiden, Nijmegen, Rotterdam, Tilburg, Wageningen en aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. [2] Alleen aan de Technische Universiteit in Delft bestaat nog een vergelijkbare gezondheidsdienst voor studenten. Daarnaast is er thans nog één studentenarts werkzaam aan de Landbouwuniversiteit te Wageningen. In België zijn studentenartsen nog werkzaam aan onder meer universiteiten in Antwerpen, Brussel, Gent en Leuven. [3] Een gedetailleerd overzicht van de ontwikkelingen van de UvA tijdens de Tweede Wereldoorlog geeft: P.J. Knegtmans, Een kwetsbaar centrum van de geest. De Universiteit van Amsterdam tussen 1935 en 1950 (Amsterdam 1998).
|
||
|
|
||
![]() |
Copyright © 2001 Katholieke Universiteit
Leuven Reacties op de inhoud: Marc Nelissen Realisatie: Els Scheers Laatste wijziging: 15 januari 2002 URL: http://www.kuleuven.ac.be/archief/studgen/nbr/2001_2/Bijdragen.htm |
|