CWIS

Studium generale
K.U.Leuven

index
english







NIEUWSBRIEF UNIVERSITEITSGESCHIEDENIS

LETTRE D’INFORMATION SUR L’HISTOIRE DES UNIVERSITÉS


(2001, nr. 2)

Onderzoeksprojecten / Projets de recherches

 
Toon Quaghebeur, De Leuvense theologen en hun rol in Kerk en Staat, polemiek en politiek van 1617 tot 1730
Matthijs van Otegem, A bibliography of the works of Descartes (1637-1704)
Pieter Dhondt, De invloed van Franse en Duitse universiteitsmodellen op de ontwikkeling van het Belgisch universitair onderwijs in de negentiende eeuw, vergeleken met de Nederlandse situatie
Geschiedenis van de K.U.Leuven sinds 1968


Toon Quaghebeur

De Leuvense theologen en hun rol in Kerk en Staat, 

polemiek en politiek van 1617 tot 1730

Deze studie wil een bijdrage zijn tot de Leuvense universiteitsgeschiedenis en onderzoekt het drievoudig functioneren van de Leuvense theologische Faculteit binnen Universiteit, Kerk en politiek. De 17de-eeuwse Faculteit was geen gesloten en op zichzelf draaiend wereldje. Nagaan welke invloeden de Faculteit van theologie onderging en hoe zij op haar beurt invloed uitoefende, is de eerste bedoeling van deze studie. We gaan op zoek naar de plaats van de Leuvense theologische Faculteit in de brede context van de hele Universiteit, van de Rooms Katholieke Kerk en van het sociaal-politieke geheel van de Spaanse en Oostenrijkse Nederlanden.

Een zo veelzijdige realiteit als een eeuw  geschiedenis  van een theologische Faculteit heeft  op de eerste plaats haar institutionele, sociale, wetenschapshistorische en economische aspecten. Een tweede luik betreft de relaties tussen de Faculteit en het episcopaat. We belichten de intense interactie tussen de Leuvense Faculteit en de bisschoppen en onderzoeken de houding van de Leuvense professoren ten aanzien van de katholieke hervorming die in de besluiten van het concilie van Trente een hoogtepunt had gekend. Dat Rome op het domein van kerkbestuur zeker geen toonbeeld van consistent beleid was ten overstaan van de Leuvense theologische Faculteit, de jezuïeten en het episcopaat verdient zeker bijzondere aandacht. De 17de-eeuwse theologen zijn vooral interessant omdat zij naast theologische, ook een niet geringe politieke activiteit hebben ontplooid. Dit vormt het derde domein van ons onderzoek. De impact van de Leuvense Faculteit op de houding van de  clerici ten aanzien van het wereldlijk gezag in Brussel, Parijs, Den Haag of Londen zal ook aan bod komen. 

We willen vooral oog hebben voor de manier waarop de diverse overheden zich bemoeien met, of door één der partijen betrokken worden in het theologische of politieke debat dat op een bepaald moment binnen de Leuvense theologische Faculteit wordt gevoerd. In het spanningsveld tussen Universiteit, wereldlijke overheid en Kerk proberen de diverse interne machtsgeledingen een evenwicht te vinden. Faculteit en Universiteit, paus, (inter-)nuntius en bisschoppen, koning of keizer, gouverneur en collaterale raden houden elkaar in het gareel. Heel wat personen behoren tot meerdere kampen. Het machtsspel rond de benoemingen binnen de Faculteit theologie vormt een mooi voorbeeld van de wisselende invloeden en allianties op de verschillende niveau's. Met deze studie willen we een antwoord bieden op de vraag naar de eigen koers van de Leuvense Faculteit theologie in het machts- en rechtsvacuum dat zo kenmerkend was voor het toenmalig oorlogvoerend christelijk Europa.

Het onderzoek neemt het jaar 1617 als begindatum. Na de crisis van de 16de eeuw onderwierpen de aartshertogen in 1606-1617 de hele Universiteit aan een grondige visitatie. De neerslag hiervan werd in 1617 uitgevaardigd en bleef als een nieuwe 'grondwet' het hele universitaire leven bepalen tot onder Jozef II. De einddatum 1730 betekende op een dubbele manier een breuk in de geschiedenis van de Faculteit van theologie. In dat jaar vond de definitieve liquidatie van de jansenistische oppositie binnen de Universiteit plaats; rond dat jaar overleden bovendien nagenoeg alle leden van de Faculteit die in de controverse een rol hadden gespeeld.

(Toon Quaghebeur)

 (top of page)


Matthijs van Otegem

A bibliography of the works of Descartes (1637-1704)

The philosophy of Descartes has been very influential in the development of the universities in the Dutch Republic in the seventeenth century. Utrecht University was the first place where his philosophy was taught... and contested by the professors of theology. Not only in Utrecht but also in Leiden the Cartesian system aroused the tempers. Descartes' ideas have played an interesting role in the substitution of an Aristotelian system of education for a modern curriculum. Since March 1998 I have been working as a Ph.D. student on an analytical bibliography of the works of Descartes, printed between 1637 and 1704. In this note I will provide a short summary of the results of my research and their significance for the study of the history of the Dutch universities in the early modern period.

In 1637 Descartes published his first book: Discours de la methode with the essays the Dioptrique, the Meteores, and Geometrie. He distributed 200 (!) presentation copies among scholars all over Europe and after this publication his name was established.[1] Whereas Maire in Leiden printed the Discours, soon the Amsterdam Elzevier house would become Descartes' home office. Elzevier published nearly all first editions of Descartes' works during his life, among which: Epistola ad Voetium (1643), Principia and Specimina (both 1644) and the Passions de l'Ame (1649).[2] During the second half of the seventeenth century the Elzevier printing house would issue a continuous stream of editions of the works of Descartes. In 1650 Elzevier compiled the Meditationes, Principia, Specimina and Passiones in one set and sold them under the general title Opera Philosophica. This strategy appeared to be very successful and was continued by the Amsterdam Company of Blaeu after the Elzevier house was dissolved in 1680. From the Discours in 1637 until the second edition of the Opuscula posthuma 148 editions were published of Descartes' works. 

For the study of university history three aspects of my bibliography may be interesting. Firstly, this is the first bibliography of Descartes that lists all editions in whatever language they were published. Therefore it provides a panoramic view of the spread of the works of Descartes over early modern Europe. Based on the number of editions, the Dutch Universities were clearly the earliest centres where Descartes' ideas were studied. Elzevier's Latin editions in quarto were meant for an academic readership, but not every student would have been able to afford these books. Considering the luxury style of the Opera Philosophica editions, Elzevier's customers had to be of considerable wealth. These books were sold all over Europe and hardly any Latin editions were printed outside the Netherlands.[3] Surprisingly enough, the first edition of the collected works in the seventeenth century was not published in Latin or French, but in Dutch! The economic prosperity in the Dutch Golden Age had generated a rich class of burgers, without academic education but interested in the new developments in Dutch intellectual life. Also in France many editions were published in the vernacular, not meant to be used at the universities but for the intellectual upper class.[4] The same applies to England, where translations were published of the Discours, Passions and the Meditationes

On account of the listings of printed editions it can be concluded that the early introduction of Descartes' philosophy at the Dutch (and a few northern German) universities is an exceptional case. It would take until the end of the seventeenth century until Cartesianism obtained a foothold at the universities abroad. Furthermore, it can be concluded that the universities in the southern Netherlands rather match the French situation rather than the Dutch. The strong position of the Catholic Church in Belgium prevented Cartesian philosophy from breaking through.[5]

Secondly, by reconstructing the printing history of the works of Descartes it becomes clear that many a Dutch scholar was involved in the process already before the text had come about. A good example is the publication of the Discours de la Methode. Descartes had never published a book before and was not experienced in matters of printing. He was determined to approach the Leiden Elzeviers, but since he lived in Utrecht at the time he had to move if he wanted to supervise the printing and to correct the proofs himself. The reasons for this choice have long been unclear.[6] It is unlikely that Descartes without any introduction would have approached them himself: he needed someone to introduce him to the Elzeviers. Probably it was Golius, the Leiden professor of mathematics, who helped Descartes to establish contact with them. Since in 1625 the Elzeviers had bought the printing office from Golius' predecessor, Erpenius, Golius had been an intermediary between them and the Leiden University.[7]  In other words, it was rather Golius who chose the publisher for the Discours than Descartes. This is the solution to the seeming contrast that Gaukroger mentions in his Intellectual biography.[8] Descartes did not deliberately choose a publishing house closely related to Copernicanism, but he chose a company of good quality to which the Copernicanist professor Golius introduced him. Despite Golius's mediation however, Descartes could not agree with the Elzeviers on the printing and eventually had the Discours printed by Jean Maire, who had been a publisher in Leiden since 1603.[9] 

The final point in the bibliography that may be of interest to those interested in the history of universities is the index of owner entries in the copies of the works of Descartes I examined. The entries allow studying the reception of Descartes' ideas in another way than could be done until now. The Principia was often used as a schoolbook and the contemporary annotations in some of the copies offer a glimpse into the educational practises at the time. One of the finest examples is the copy of the Leiden professor of philosophy Wolfgang Senguerd (1646-1724).[10] His copy of the Opera philosophica (Amsterdam: Elzevier, 1664) is interleaved with blanks and especially the Principia contains many annotations in his handwriting. However, most of the owner entries in Dutch libraries are of professors in the 'second Golden Age': Herman Bavinck (1854-1921) at the Vrije Universiteit in Amsterdam, Gerardus Bolland (1854-1922) in Leiden, and Gerard Heymans (1857-1930) in Groningen. Of each owner a short biographical sketch is provided in the bibliography.

It can be concluded that the publication of the works of Descartes in the seventeenth century can hardly be studied separately from the development of academic life in that period. I hope that my bibliography will stimulate other scholars to further investigations in this fascinating field.

(Matthijs van Otegem, Dept. of Philosophy, Utrecht University,

Otegem@phil.uu.nl)

 


[1] The presentation copies do not differ from the others, so they are difficult to recognise. Until now I succeeded to recover 4 copies: P.C. Hooft's in Amsterdam, Cardinal Barbarini's in Rome, and the copies of Marin Mersenne and Sir Kenelm Digby in Paris. In total I examined 25 copies, but it should be added that the book is certainly not rare.

[2] The Meditationes were printed in Paris in 1641, but Elzevier already published a second edition in 1642. 

[3] A few exceptions can be noted though: in 1664 a set of the Opera Philosophica was published in London albeit without this general title. In Germany only at the very end of the seventeenth century the works of Descartes were published (Frankfurt a/M. 1692-1697).

[4] Many of them used Descartes' philosophy as a guidebook to cure them from the discomforts of every day life. See for instance the following fragment of a letter of 23 August 1673 of Mme. de Sévigné to the Countess de Bussy Rabutin: 'je vous conseille de vous faire instruire de la philosophie de Descartes: Mlles de Bussy l'apprendront plus vite qu'aucun jeu. Pour moi, je la trouve délicieuse, non-seulement parce qu'elle détrompe d'un million d'erreurs où est tout le monde, mais encore parce qu'elle apprend à raisonner juste. Sans elle nous serions morts d'ennui dans cette province' (Madame de Sévigné, Lettres. G. Gailly ed. (3 vols.; Paris 1953-1957).

[5] See for instance the introduction of the Louvain professor of medicine, Vopiscus Fortunatus Plempius, to his Fundamenta medicinæ (1665). Plempius maintained that Cartesian philosophy did not stand firm and that it contravened the principles of the Church. Therefore the Louvain faculty of theology had condemned several of Descartes' principles. See also the review of Plempius' book in the Journal des Sçavans, I, p. 242-243.

[6] Baillet suggested that at first Descartes tried to find a French publisher, but decided on Elzevier as a second choice (A. Baillet, La vie de Monsieur Des Cartes (2 vols.; Paris 1691); I, p. 274-275). However in this case the opinion of Descartes' biographer should not be followed: only as late as in 1636 Descartes mentions this possibility. 

[7] In 1630 he had helped the Elzeviers with the engagement of a type cutter who could make Arabic printing types, and a year later he mediated in a dispute between the publishers and the University (P.C. Molhuysen and P.J. Blok, Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. (10 vols.; Leiden,1911-37); II, p. 147 and 161).

[8] 'The fact that Descartes should have first thought of a publishing house so closely associated with Galileo and Copernicanism contrasts strongly with his caution in other respects, for he not only had left cosmological theory out but wanted to publish the works anonymously. This surely indicates a significant degree of indecision in Descartes' mind, which is hardly surprising' (S. Gaukroger, Descartes; an intellectual biography (Oxford 1995); p. 321).

[9] J.A. Gruys and C. de Wolf, Thesaurus 1473-1800, Nederlandse boekdrukkers en boekverkopers; met plaatsen en jaren van werkzaamheid (Nieuwkoop 1989); p. 118.

[10] Wolfgang Senguerdius (also Senkward) was appointed professor of philosophy at Leiden University in 1665. He published many philosophical disputations, mostly at the Leiden Elzevier office. Furthermore he made a catalogue of the Leiden University library, of which he had succeeded Spanheim as a supervisor in 1701. The copy of the Opera is preserved in the Leiden University library. In Utrecht a copy of Le Monde (Paris 1664) is kept of Arnoldus Senguerdius (1610-1668), father of the former, and professor of philosophy at Utrecht University between 1636 and 1648.

(top of page)


Pieter Dhondt

De invloed van Franse en Duitse universiteitsmodellen op de ontwikkeling van het

Belgisch universitair onderwijs in de negentiende eeuw, vergeleken met de Nederlandse situatie

In de Sorbonne- en Bolognaverklaringen van respectievelijk 1998 en 1999 wordt gezocht naar een gemeenschappelijk Europees 'model' voor de structuur van het hoger en universitair onderwijs. Om de discussies hierover zuiver te laten verlopen, is er nood aan inzicht in de achtergrond van de universiteiten. Terwijl de ontwikkeling van het universitair onderwijs gedurende de voorbije twee eeuwen in landen als Duitsland, Nederland of Groot-Brittannië reeds grondig werd bestudeerd, ontbreekt een dergelijk onderzoek voor België.

Het universitaire landschap in het negentiende-eeuwse Europa werd beheerst door de rivaliteit tussen Frankrijk en de Duitstalige gebieden. In Frankrijk overheersten de eerder utilitaristisch geïnspireerde vakscholen, ingericht per specialisme. In de Duitstalige gebieden werd geleidelijk het zogenaamde Humboldtmodel toonaangevend. Deze Humboldtse universiteit werd, in tegenstelling tot haar Franse tegenhanger, gekenmerkt door het principe van de Einheit der Wissenschaft en het anti-utilitaristische ideaal van de zuivere en belangeloze wetenschap. Om dit te bereiken diende zowel de individuele student als de universiteit in haar geheel zich te kunnen ontwikkelen in Einsamkeit und Freiheit of, met andere woorden, in volledige autonomie ten opzichte van kerk en staat.

De universiteiten van de Zuidelijke Nederlanden en het latere België stonden letterlijk tussen deze twee universiteitsmodellen in en ondergingen de invloed van beide. In het begin van de negentiende eeuw trachtte de Franse overheid op een radicale manier het Franse model te introduceren. Vanaf de tweede helft van de eeuw namen de Belgische universiteiten op een veel implicietere manier elementen over van de leidende Duitse universiteiten. Deze beide universiteitsmodellen kunnen evenwel niet worden beschouwd als eenduidig  vaststaande entiteiten waarvan de Belgische universiteiten, al dan niet onder dwang, een aantal kenmerken overnamen. Het bovenstaande beeld is dus onvoldoende genuanceerd. Men kan zich immers de vraag stellen of de Belgische universiteiten in de loop van de negentiende eeuw geen eigen dynamiek ontwikkelden. Hoe ver ging de invloed van het Franse en Duitse model concreet? Ondergingen de universiteiten uit de Zuidelijke Nederlanden en het latere België deze invloed gewoon of was er sprake van een meer actief proces waarin ze hun eigen systeem creëerden, zijnde een mengvorm tussen het Franse en het Duitse model? Hoe verschilde deze ontwikkeling van de situatie in de Noordelijke Nederlanden en het latere Nederland en hoe verliepen de relaties op dit vlak tussen de universiteiten uit België en Nederland onderling?

Het thema van dit project sluit zeer nauw aan bij een groeiende internationale tendens binnen het vakgebied van de universiteitsgeschiedenis. Hierin wordt, mede onder invloed van de huidige zoektocht naar een Europees 'universiteitsmodel', steeds meer aandacht geschonken aan de contacten tussen universiteiten in Europa. Zeker de invloed van het Duitse universiteitsmodel op het einde van de negentiende eeuw is een actueel onderzoeksthema. Zo vond in september 1999 nog een congres hierover plaats met als titel Humboldt International. Der Export des deutschen Universitätsmodells im 19. und 20. Jahrhundert.

Belgische historici hebben zich nog in mindere mate aangesloten bij deze nieuwe richting, waarbij niet meer uitsluitend de geschiedenis van de eigen universiteit centraal staat. Hoewel dit een te veralgemenend beeld is, blijft het onderzoek nog erg geconcentreerd per universiteit met telkens één of meerdere specialisten. Universiteitsoverschrijdend onderzoek is wel al verricht over de ontwikkeling van bepaalde wetenschappelijke disciplines (bijvoorbeeld geneeskunde) of over de internationale contacten tussen universiteiten in de Nieuwe Tijd. Een diepgravende studie over de ontwikkeling van het Belgisch universitair onderwijs in de negentiende eeuw en meer specifiek over de Franse en Duitse invloed hierop ontbreekt echter.

Het onderzoek wordt chronologisch ingedeeld in vier perioden: 1. de introductie van het Franse universiteitsmodel in de Nederlanden tijdens de heerschappij van Napoleon, 2. de centralistische anti-Franse onderwijspolitiek van Willem I, 3. het universitaire landschap na de Belgische onafhankelijkheid: anti-Frans èn anti-Nederlands?, 4. de toenemende Duitse invloed vanaf de Duitse eenmaking tot en met de hervorming van het hoger onderwijs omstreeks 1890. Elke periode wordt op twee manieren benaderd, ten eerste de feitelijke ontwikkeling van de organisatie van het universitair onderwijs en ten tweede de ontwikkeling van de ideologische debatten die er rond werden gevoerd. Hierbij komen telkens twee aspecten aan bod. Enerzijds wordt op basis van eigen onderzoek ingegaan op de ontwikkeling van het betreffende thema in 'België', anderzijds, wordt, voornamelijk met behulp van bestaand onderzoek, een vergelijking gemaakt met de situatie op dat vlak in Nederland. Want hoewel in Nederland onderzoek naar de invloed van buitenlandse modellen op het universitaire systeem wel reeds bestaat, zijn ook daar de relaties tussen de universiteiten uit de beide Nederlanden onderling meestal buiten beschouwing gelaten. Aangezien beide landen gedurende vijftien jaren toch een eenheid hebben gevormd, is het zinvol om de universitaire ontwikkelingen voor, tijdens en na deze periode met elkaar te vergelijken.

Vooraf dient duidelijk omschreven te worden wat onder universitair onderwijs wordt verstaan. Zeker op het einde van de achttiende en in het begin van de negentiende eeuw was de scheiding tussen de verschillende onderwijsniveaus (lager, middelbaar en hoger, al dan niet universitair, onderwijs) erg onduidelijk. In de Franse tijd bestonden er in de Zuidelijke Nederlanden weliswaar afzonderlijke instellingen voor middelbaar en hoger onderwijs, maar het onderscheid tussen de beide niveaus was helemaal niet zo strikt onder andere door de vele personele banden tussen de verschillende scholen. Zo gaven veel leraren aan het lyceum van Brussel eveneens les aan de faculteit letteren of de faculteit wetenschappen, die vanaf 1808 werden geïncorporeerd in de Keizerlijke Universiteit. Gedurende de hele negentiende eeuw definieerde de universiteit zichzelf hoofdzakelijk door het onderscheid zowel met het middelbaar als met andere instellingen voor hoger onderwijs te beklemtonen. Hoewel het onderzoek zich toespitst op het universitair onderwijs in de strikte zin van het woord, kunnen deze 'concurrerende' instellingen, zoals de hogescholen, daarom zeker niet volledig buiten beschouwing worden gelaten.

De eerste benadering betreft, zoals vermeld, het onderzoek naar de feitelijke ontwikkeling van het universitair onderwijs in de Zuidelijke Nederlanden, later België. Concreet wordt hier nagegaan welke disciplines de meeste aandacht kregen, hoe ze werden onderwezen, of en hoe er seminaries werden georganiseerd, op welke manier een student zijn curriculum samenstelde, hoe de examens werden afgenomen, welke positie de universiteit innam tegenover de staat en dergelijke meer. De bedoeling is vooral na te gaan in hoeverre deze ontwikkeling werd beïnvloed door Franse, Nederlandse en/of Duitse voorbeelden. Viel bijvoorbeeld de Franse vakschool met duidelijk van elkaar gescheiden specialismen volledig weg als model na 1815? Waren er noemenswaardige verschillen in de overname van door Frankrijk geïnspireerde principes (bijvoorbeeld de regulering door de overheid) tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden? Is het vermoeden dat de typisch Belgische vrije universiteiten gemakkelijker elementen uit andere universiteitsmodellen overnamen terecht? En zo ja, hoe is dit dan te verklaren? Vermits het, binnen het tijdsbestek van een doctoraatsonderzoek, onmogelijk is om de ontwikkeling van het volledige aanbod van universitair onderwijs te onderzoeken, worden enkele vakgebieden geselecteerd en  meer in detail bestudeerd.

De belangrijkste bronnen om een beeld te krijgen van deze feitelijke organisatie van het universitair onderwijs zijn uiteraard de statuten van de verschillende universiteiten en faculteiten, maar ook de uitgevaardigde wetten en besluiten met betrekking tot het hoger onderwijs. Het ministerie van binnenlandse zaken/onderwijs speelde zeker met betrekking tot deze feitelijke ontwikkeling een doorslaggevende rol. Deze juridische en administratieve bronnen kunnen dan in tweede instantie worden aangevuld met meer gepersonaliseerde documenten zoals brieven, artikelen, monografieën, collegeverslagen en zo meer van hoogleraren en studenten. Veel aanpassingen in het universitair onderwijs werden immers doorgevoerd onder druk van hoogleraren die als student één of meerdere jaren aan een buitenlandse universiteit hadden gestudeerd of onder druk van buitenlandse hoogleraren die in België of Nederland hebben gedoceerd.

De tweede benadering, die uiteraard zeer nauw met de eerste verbonden is, betreft het onderzoek naar de ontwikkeling van de ideologische debatten. De kernvraag is nu niet meer wàt er feitelijk veranderde in de universiteiten, maar op welke manier over deze veranderingen werd gediscussieerd. Zo stonden Belgische en Nederlandse universiteiten bijvoorbeeld na de Belgische onafhankelijkheid eerder vijandig tegenover elkaar, maar of dit beeld ook opgaat voor de tweede helft van de negentiende eeuw is eigenlijk niet geweten. Een andere vraag is hoe het invoeren werd gelegitimeerd van de Duitse seminaries, die in beide landen gebeurde vanaf de jaren 1880? Werden ze zonder meer gekopieerd naar het eigen systeem, werden ze zeer expliciet beschreven als een Duits ideaal dat absoluut moest worden overgenomen of werden ze gezien als een eerder toevallig Duits principe dat evenwel bijzonder goed paste in het zich ontwikkelende eigen nationale onderwijssysteem? Het vermoeden bestaat dat de feitelijke invloed van het Duitse universiteitsmodel in België veel beperkter was dan in Nederland. De Belgische universiteiten stonden immers, veel meer dan hun Nederlandse tegenhangers, onder blijvende Franse druk. Als een soort reactie hiertegen gingen ze zich echter op ideologisch vlak veel nauwer verbinden met de klassieke Duitse universiteit, die dikwijls zeer expliciet als ideaal naar voor werd geschoven. In Nederland trachtte men daarentegen vermoedelijk eerder een eigen universiteitssysteem op te bouwen, onafhankelijk van Franse, Duitse of andere voorbeelden. Nederlandse universiteiten kenden reeds in de Nieuwe Tijd enigszins eigen tradities en de Franse Revolutie betekende daar veel minder een breuk met het verleden dan in België.

Terwijl alle universitaire disciplines feitelijk werden beïnvloed door Franse en/of Duitse idealen en principes, werden de ideologische debatten voornamelijk gevoerd door hoogleraren uit de humane wetenschappen. Zij waren, zeker in vergelijking met hun collega's uit de exacte wetenschappen, veel gevoeliger voor de opkomende nationale retoriek.

De bronnenbasis voor deze tweede benadering is zeer divers en wordt gevormd door wetenschappelijke artikelen en monografieën van de betrokken hoogleraren, hun briefwisseling, de verslagen van de discussies in de academische senaat of de betrokken faculteitsraden en de minuten van de relevante parlementaire debatten.

In zijn proefschrift Universiteit tussen vorming en opleiding. De modernisering van de Nederlandse universiteiten in de negentiende eeuw (1992) relativeert Joseph Wachelder zeer sterk de visie dat Nederland een Duits model zou hebben overgenomen en verklaart hij de hervormingen in de Nederlandse universiteiten veeleer aan de hand van een model van modernisering. Of dit beeld ook opgaat voor de Belgische universiteiten zal uit dit  onderzoek moeten blijken. In elk geval 'maakten negentiende-eeuwse Belgische rapporten over het hoger onderwijs constant verwijzingen naar Duitsland', aldus de Franse historicus Jacob.[1] Een vraag blijft dus hoe groot de kloof was tussen deze ideologische debatten en de feitelijke ontwikkeling van het universitair onderwijs.

Pieter Dhondt, Aspirant FWO, Katholieke Universiteit Leuven, Afdeling Geschiedenis van de Nieuwste Tijd, Blijde Inkomststraat 21/5, 3000 Leuven; +32 (0)16 32.49.69; Pieter.Dhondt@arts.kuleuven.ac.be Promotor: Prof. dr. J. Tollebeek, copromotor: Prof. dr. H. Symoens.

 


[1] M. Jacob, 'Etude comparative des systèmes universitaires et place des études classiques au 19e siècle en Allemagne, en Belgique et en France', in: M. Bollack, H. Wissmann en T. Lindken, Philologie und Hermeneutik im 19. Jahrhundert II (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht 1983) 114.

(top of page)


Geschiedenis van de K.U.Leuven sinds 1968

Hoewel de huidige K.U.Leuven dit jaar de 575ste verjaardag van haar oprichting viert, is ze eigenlijk een nieuwe universiteit die nog maar drie decennia bestaat. Toch is die jubileumviering ook terecht omdat de K.U.Leuven zich tegelijk ook beschouwt als de voortzetting van de eeuwenoude middeleeuwse universiteit (1425-1798), van de Rijksuniversiteit Leuven (1816-1835), en van de – eerst franstalige, later tweetalige – Université Catholique de Louvain / Katholieke Universiteit Leuven (1835-1968).

De geschiedschrijving van de Leuvense universiteit kwam in een nieuwe fase toen in 1975 bij de 550ste verjaardag van de stichting de geschiedenis vanaf haar ontstaan werd behandeld in een collectief werk onder redactie van de Vlaamse historici Jan Albert van Houtte, Emiel Lamberts en Marcel Nauwelaerts, en hun franstalige collega's Roger Aubert, Albert d'Haenens en Jacques Paquet. Het werd zowel in het Nederlands als in het Frans gepubliceerd.[1] Tien jaar later, in 1986, verscheen een nieuwe aangevulde editie onder leiding van Lamberts en Jan Roegiers, waarin ook de zelfstandige Vlaamse K.U.Leuven tot 1985 werd beschreven. Een rijk geïllustreerde folio-uitgave van dit boek verscheen in 1988; later kwam hiervan ook een Engelse editie uit.[2] Aan de intussen naar Louvain-la-Neuve verhuisde U.C.L., redigeerde D'Haenens in 1992 een eigen franstalige heruitgave.[3] Aan die universiteit kwam zopas ter gelegenheid van het 575-jarig jubileum een geheel nieuw collectief werk van de pers, dat onder redactie van Gabriel Ringlet meer de klemtoon op de eigen ontwikkelingen van de zelfstandige U.C.L. sinds de splitsing legde.[4]

Ook voor de academische overheid van de K.U.Leuven was de viering van het jubeljaar 2000 een goede aanleiding om te besluiten een nieuwe geschiedenis van de onafhankelijke K.U.Leuven sinds de splitsing te laten schrijven, die de ambtstermijn van de rectoren Piet de Somer (1968-1986), Roger Dillemans (1986-1996) en André Oosterlinck (sinds 1996) dient te bestrijken. Zij gaf daartoe opdracht aan de historici Lieve Gevers (Afdeling Kerkgeschiedenis, Godgeleerdheid), Jo Tollebeek en Louis Vos (beiden Departement Geschiedenis, Letteren). Zij zorgde ook voor de aanstelling van Liesbet Nys als wetenschappelijk medewerker bij het project. De onderzoekers kunnen rekenen op een begeleidingscommissie, die als klankbord zal fungeren. De verschijning van het boek is gepland tegen het einde van 2004.

Het eindproduct wordt een gezamenlijk door de drie auteurs geconcipieerd en geschreven boek, dat vooral de geschiedenis van de nu al drie decennia zelfstandige Vlaamse universiteit zal behandelen, maar zal beginnen in de jaren vijftig om op die manier beter de veranderingsprocessen in universitair beleid en leven te kunnen aangeven. De invalshoek vormt het spanningsveld van een nieuwe universiteit met een oude traditie, tegen de achtergrond van de zich transformerende sociale en culturele werkelijkheid aan het einde van de twintigste eeuw. Het zal geen inventariserende kroniek of een encyclopedie van de academische geschiedenis worden, maar een interpretatie van de ontwikkelingen op diverse terreinen, gesteund zowel op de analyse van het 'beleid' als op 'universiteitsbreed' gekozen voorbeelden uit 'de praktijk'. Daarbij zal aandacht worden besteed aan de doelstellingen en functies van de universiteit (het genereren van kennis, de overdracht van kennis en dienstverlening aan de samenleving), de middelen die daartoe worden ingezet (organisatie, infrastructuur en financiering), als aan hen die het academisch leven gestalte geven (docenten en stafleden, studenten, administratief en technisch personeel). De rol van traditie en ritueel en van het academische zelfbeeld zal daarbij niet vergeten worden.

Contactpersoon: mw. Liesbet Nys, wetenschappelijk medewerker 'Project Geschiedenis van de K.U. Leuven', Departement Geschiedenis, Blijde Inkomststraat 21/05, B – 3000 Leuven. + 32(0)16 32 49 72; e-mail: liesbet.nys@arts.kuleuven.ac.be

(Lieve Gevers, Jo Tollebeek, Louis Vos)


[1] R. Aubert e.a. (red.), De Universiteit te Leuven. 1425-1975, Leuven, 1976.

[2] E. Lamberts en J. Roegiers, De Universiteit te Leuven. 1425-1985, Leuven, 1986 (paperback); E. Lamberts en J. Roegiers, De Universiteit te Leuven 1425-1985, Leuven, 1988 (folio, gebonden); E. Lamberts en J. Roegiers, Leuven University. 1425-1985, Leuven, 1990. 

[3] A. d'Haenens (red.), L'Université catholique de Louvain. Vie et mémoire d'une institution, Louvain-la-Neuve / Brussel, 1992.

[4] G. Ringlet (red.), Une aventure universitaire, Louvain-la-Neuve / Brussel, 2000.

 

(top of page)


K.U.Leuven - CWIS Copyright © 2001 Katholieke Universiteit Leuven
Reacties op de inhoud: Marc Nelissen

Realisatie:
Els Scheers
Laatste wijziging: 15 januari 2002
URL: http://www.kuleuven.ac.be/archief/studgen/nbr/2001_2/Onderzoek.htm