Interview met Noël Vercruysse
Op 19 juni 1999 ondertekenden 31 Europese ministers van Onderwijs in Bologna een beginselverklaring om een Europese ruimte voor hoger onderwijs creëren. Sindsdien volgde er om de twee jaar een opvolgingsconferentie en steeg het aantal landen dat de Bolognaverklaring ondertekende tot 46. De volgende opvolgingsconferentie heeft op 28 en 29 april plaats in Leuven en Louvain-la-Neuve. Een twintigtal landen uit de hele wereld (USA, India, China, Senegal, Kazakstan,…) sturen waarnemers naar de conferentie.
De top van 2009 wordt ongetwijfeld een sleutelmoment. De Bolognaverklaring is tien jaar oud. Dat is het gepaste ogenblik voor een uitgebreide evaluatie en dé gelegenheid om op het hoogste niveau de bakens uit te zetten voor wat vanaf 2010 in die Europese hogeronderwijsruimte moet gebeuren. Redenen genoeg voor Agora om een van de grote voortrekkers van Bologna in Vlaanderen aan het woord te laten. Wij gingen praten met Noël Vercruysse, hoofd van de afdeling Hoger onderwijs van het Departement Onderwijs en Vorming.
Welke doelstellingen, krachtlijnen en uitdagingen zaten er in de Bolognaverklaring voor Europa en voor Vlaanderen?
Voor Europa was dat zeker de internationale erkenning van het Europese hoger onderwijs in de wereld. De aanzet daartoe was de Sorbonneverklaring een jaar eerder. De 800ste verjaardag van de Sorbonne-universiteit in Parijs was voor Claude Allègre, de toenmalige Franse minister van Onderwijs, de aanleiding om het Franse hoger onderwijs te vergelijken met dat in de rest van Europa. Allègre vond dat Europa te weinig bewoog op het vlak van hoger onderwijs. Hij zag een te groot onderscheid in de structuren, de diploma’s, de benamingen,… Hij keek sterk in de richting van de Angelsaksische wereld en wou de hogeronderwijsruimte in Europa aantrekkelijker maken. Er moest meer eenheid komen, maar met ruimte voor voldoende diversiteit. Kwaliteitszorg en mobiliteit waren twee sleutelwoorden.
Het rapport van de Commissie Attali moest de basis worden voor een hervorming van het hoger onderwijs in Frankrijk. De ministers van Onderwijs van Frankrijk, Duitsland, Italië en Groot-Brittannië ondertekenden in 1998 de Sorbonneverklaring. Op het eerste gezicht was die tekst een van de vele verklaringen, maar ze heeft geschiedenis geschreven. Al snel wilden heel wat andere landen de principes van Sorbonne onderschrijven, ook Vlaanderen. We stonden te trappelen van ongeduld om kwaliteitszorg en vernieuwing in het hoger onderwijs te brengen. We wilden mee op de Europese kar springen en de internationale positie van en het vertrouwen in het Vlaamse hoger onderwijs versterken. Bologna kwam dan ook als geroepen.
Hebben de ondertekenaars in dezelfde mate de principes al uitgevoerd?
Nee, er wordt met verschillende snelheden gewerkt. Sommige landen aarzelen. Neem nu Spanje; er is daar weinig gebeurd. Men kondigt er wel een nieuwe wetgeving op het hoger onderwijs aan, maar als een regering iets niet afwerkt, gooit de volgende het weg. Ook in Griekenland gaat het traag. Landen waarvan je het niet direct verwacht, zijn dan weer heel actief. Georgië en Oekraïne bijvoorbeeld; ondanks hun moeilijke positie komen ze tussen in de discussies, organiseren ze seminaries,… Ze willen echt aanknopen met het hoger onderwijs in Europa. Wij in Vlaanderen hebben er van meet af aan in geloofd. De ministers van Onderwijs, de kabinetten, de administratie, de universiteiten en hogescholen,… iedereen heeft zijn schouders gezet onder een toekomstgericht project voor de vernieuwing van het hoger onderwijs in Vlaanderen. Gelukkig stonden onze Nederlandse collega’s ook mee op de eerste rij. We hebben dan ook snel beslist om naar een gezamenlijke accreditatie te gaan.
Zijn de principes van de Bolognaverklaring de voorbije tien jaar aangevuld of bijgestuurd?
Zeker. Er is niet zomaar om de twee jaar een opvolgingsconferentie georganiseerd. In de oorspronkelijke Bolognaverklaring is er sprake van twee cycli: de bachelor-masterstructuur. Een doctoraatsopleiding zat samen met de master in de tweede cyclus. Sinds de conferentie van Berlijn (2003) spreekt men van drie cycli. Het doctoraat is een afzonderlijke derde cyclus. Tegelijkertijd ontstaat hierdoor de indruk dat men de idee van de bacheloropleiding als een zelfstandige opleiding geleidelijk aan verlaten heeft. Aanvankelijk werd een bachelordiploma gezien als de bekroning van een afgeronde fase. Men had een bacheloropleiding achter de rug, trok het werkveld in en kwam later terug om een master te volgen. Sinds Berlijn wordt er meer gefocust op de doorstroming van een bachelor naar een master. Zeker een academische bachelor wordt daardoor minder en minder een finaliteit. Het wordt bijna evident om na een academische bachelor nog een master te volgen. Die automatische doorstroming zat niet in de oorspronkelijke Bolognaverklaring. Sommigen vrezen dan ook de banalisering van een academische bachelor, zoals dat vroeger met het kandidaatsdiploma gebeurd is.
Het Europese continent heeft zijn oude structuren niet helemaal afgelegd. Iedereen heeft geprobeerd om wat ze hadden, een plaats te geven in de nieuwe structuur. Daar moeten we toch over nadenken. In Berlijn heeft het doctoraat zijn plaats gekregen, in Praag (2001) kreeg de sociale dimensie van het Bolognaproces veel aandacht. Daar hechtte Vlaanderen toen heel veel belang aan. Maar wat die sociale dimensie betekent, is niet altijd even duidelijk. Hetzelfde geldt eigenlijk voor levenslang leren, ook een belangrijk topic in Praag. Soms lijkt het dat er te weinig vooruitgang geboekt wordt, maar dat is niet zo eenvoudig te meten.
Heeft Vlaanderen al die tijd zijn rol gespeeld of bleven wij meer op de achtergrond?
Vlaanderen en Nederland hebben een belangrijke rol gespeeld bij de wederzijdse erkenning van accreditatiebesluiten. Wij liggen aan de basis van de Dublin-descriptoren. Dat zijn algemene beschrijvingen voor het eindniveau van de drie cycli. Toen Vlaanderen en Nederland gezamenlijke accreditatiekaders voorbereidden, zagen we de behoefte aan een duidelijke en transparante afbakening van wat men van een bachelor- en een masteropleiding mag verwachten. Dat was in 2001. We hebben dan contact gezocht met andere landen en beslist om het probleem samen aan te pakken via het joint quality initiative, een informeel open werkverband. Bestaande beschrijvingen voor het eindniveau van een bachelor en een master werden naast elkaar gelegd. In 2004 werden in Dublin de gemeenschappelijke elementen vertaald in de Dublin-descriptoren. Eigenlijk een pluim die we op onze hoed mogen steken.
Heeft de Bolognaverklaring al geleid tot realisaties die onomkeerbaar zijn?
Absoluut, Bologna heeft al geschiedenis geschreven. De verklaring bestaat uit vijf bladzijden die in 46 landen voor onomkeerbare wijzigingen in het hoger onderwijs gezorgd hebben. De bamastructuur is een feit in continentaal Europa en vooral de kwaliteitszorg heeft in het Europese hoger onderwijs een enorme impuls gekregen. Die klok kun je niet meer terugdraaien.
De invoering van de Bolognaverklaring in Vlaanderen heeft ons het structuurdecreet, het flexibiliseringsdecreet en het nieuwe financieringsdecreet opgeleverd. Wat zal ’Bologna’ ons nog brengen?
Vlaanderen moet zijn regelgeving sterk vereenvoudigen en verbeteren. Ook wij hebben te veel geprobeerd om de bestaande structuur te vertalen in de nieuwe. Er is te weinig nagedacht over een nieuwe structuur. Onze eenjarige masteropleidingen passen eigenlijk niet in de Europese bamastructuur. Het is daardoor moeilijk om met een Vlaams masterdiploma aan een universiteit in het buitenland toegelaten te worden tot de derde cyclus, het doctoraat. We moeten naar 90 of 120 studiepunten voor een masteropleiding gaan. 90 studiepunten wordt als een minimum beschouwd. Dat betekent studieduurverlenging voor elke student in een masteropleiding en een grote meeruitgave voor de Vlaamse overheid.
We zullen ook meer moeten werken met learning outcomes. Dat is niet hetzelfde als competenties. Learning outcomes worden meestal gedefinieerd als een mix van kennis, vaardigheden, bekwaamheden, attitudes,… die een student bereikt als hij met succes een onderdeel van een opleiding hoger onderwijs afrondt. Learning outcomes kunnen beoordeeld en geëvalueerd worden. Het zijn een soort van eindtermen, meetbaar en toetsbaar.
De erkenning van diploma’s, internationalisering, levenslang leren, mapping, ranking, indicatoren, accountability … blijven ons bezighouden. Wat de accountability betreft, de instellingen voor hoger onderwijs vragen veel geld aan de overheid, maar leggen zelf te weinig verantwoording af over de besteding van dat geld. Ze moeten zelf indicatoren aangeven op basis waarvan de buitenwereld kan oordelen in welke mate zij hun maatschappelijke opdracht realiseren. De universiteiten en hogescholen moeten een publiek debat durven aangaan over hun eigen doen en laten. Elke universiteit, elke hogeschool moet een strategisch plan hebben dat aantoont hoe de instelling reageert op de uitdagingen van de maatschappij en de context waarbinnen men werkt. Als ze dat zelf niet doen, bestaat het gevaar dat een derde dat in hun plaats komt doen.
Is er een behoefte aan een Europese regelgeving voor onderwijs nu de Europese hogeronderwijsruimte vorm krijgt?
Ik denk dat elk land met zijn eigen regelgeving al genoeg heeft. Er moet een constante dialoog zijn onder de Bolognalanden tussen overheden, tussen universiteiten en hogescholen, tussen onderwijsmensen, vakbonden, studenten,… Liever dat dan Europese regels die opgelegd worden. Het is beter om vrijwillig overeenkomsten en pacten af te sluiten dan iets opgelegd te krijgen.
Welke boodschap hebt u nog voor onze personeelsleden en studenten met het oog op het Bolognaproces?
Meer dan een, als ik mag. Streef excellentie na in alles wat je doet, en streef internationalisering na. Probeer een bijdrage te leveren aan de oplossing van de complexe maatschappelijke vraagstukken waarmee wij geconfronteerd worden. Die maatschappelijke problemen zijn geen Europese problemen, het zijn wereldproblemen. Ze vereisen meer opleiding, onderzoek en kennis. Europa moet streven naar excellentie in alles wat het doet om een wereldspeler, een global partner te worden. Na 2010 moet de Europese hogeronderwijsruimte zodanig ingericht worden dat we aantrekkelijke global partners worden. We zijn daarmee bezig; de eerste instrumenten zijn klaar. Onze blik moet ruimer zijn dan Europa. We moeten samenwerken met universiteiten en hogescholen van over heel de wereld. En ten slotte: je kunt maar andere volken leren kennen en waarderen als je ze gezien hebt. En laat je vooral niet afschrikken: met elke opleiding kun je een steentje bijdragen aan een betere wereld.
(www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/bologna)
Maurice Vaes
Luc Damen
Met dank aan K.H.Kempen, gepubliceerd in Agora, januari 2009.
