DR. B. BROECKAERT
CENTRUM VOOR BIOMEDISCHE ETHIEK EN RECHT
FACULTEIT GENEESKUNDE K.U.LEUVEN
KAPUCIJNENVOER 35
3000 LEUVEN
Leuven, 11-5-2000
Aan Senator J. Dubié, Voorzitter Commissie voor de Justitie
Aan Senator T. Kelchtermans, Voorzitter Commissie voor de Sociale Aangelegenheden,
Aan de leden van de Verenigde Commissies voor de Justitie en voor de Sociale
Aangelegenheden,
Mevrouw, Mijnheer,
Als ethisch adviseur van de Werkgroep Ethiek van de Federatie Palliatieve Zorg Vlaanderen ben ik de auteur van de Standpuntbepaling van de Federatie Palliatieve Zorg Vlaanderen naar aanleiding van de op 20 december 1999 ingediende wetsvoorstellen betreffende euthanasie en palliatieve zorg (27 januari 2000; standpuntbepaling en synthese in bijlage). In deze standpuntbepaling stelt de Federatie Palliatieve Zorg Vlaanderen zeer duidelijk dat het niet voldoende is het aanbod van de palliatieve zorg drastisch te verbeteren om aan haar fundamentele kritiek tegemoet te komen. Wat de Federatie ook absoluut noodzakelijk lijkt (naast een grotere inbreng van de tweede arts, de inbreng van het verzorgend team en een uitgebreider controle achteraf) is dat wat betreft de procedurele voorwaarden voor euthanasie in enkele voorafgaandelijke voorwaarden zeer uitdrukkelijk naar palliatieve zorg wordt verwezen. Concreet pleit de federatie ervoor de behandelende arts de volgende, in nauw overleg met een eminent specialist in medisch recht opgestelde, voorafgaandelijke voorwaarden op te leggen (zie Standpuntbepaling, p. 6-8):
1° op basis van het medisch dossier van de patiënt de concrete mogelijkheden van palliatieve zorgverlening en de gevolgen daarvan grondig overleggen met de palliatieve ondersteuningsequipe van de eigen instelling of van het plaatselijk samenwerkingsverband inzake palliatieve zorg.
2° de patiënt volledig inlichten over alle aspecten van zijn gezondheidstoestand en over de verschillende bestaande mogelijkheden van palliatieve zorgverlening en de gevolgen daarvan. Hierbij wordt het palliatief advies van de palliatieve ondersteuningsequipe aan de patiënt bezorgd en wordt de patiënt uitdrukkelijk de mogelijkheid geboden om zelf de palliatieve ondersteuningsequipe te raadplegen in verband met de concrete mogelijkheden van palliatieve zorgverlening en de gevolgen daarvan.
Zonder de bredere achtergrond van dit voorstel, geschetst in de Standpuntbepaling van de Federatie Palliatieve Zorg Vlaanderen (in bijlage), te hernemen, wil ik in wat volgt vooreerst kort de argumenten geven en verduidelijken die het voorstel om de palliatieve ondersteuningsequipe te betrekken in de verkenning van de palliatieve mogelijkheden onderbouwen. In een tweede onderdeel ga ik in op een aantal bedenkingen die met betrekking tot het voorstel van de Federatie werden geformuleerd. Deze teksten schrijf ik geheel in eigen naam maar sluiten niettemin naadloos aan bij de standpuntbepaling van de Federatie naar aanleiding van de meerderheidsvoorstellen. Ik stuur u deze teksten toe omdat ik van oordeel ben dat ons voorstel nog steeds bijzonder actueel is. Het door de Federatie gedane voorstel komt tegemoet aan een aantal bezorgdheden die door talrijke getuigen tijdens de hoorzittingen naar voren werden gebracht en werd tevens door verschillende getuigen uitdrukkelijk ondersteund.
Argumenten
1. De grote meerderheid van de euthanasievragen zijn hulpvragen die een gebrek aan goede palliatieve zorg maskeren. Wanneer mensen geconfronteerd worden met goede palliatieve zorg verdwijnt hun euthanasieverzoek in bijna alle (maar inderdaad: niet in alle) gevallen. Op dit punt is er bij diegenen die dag in dag uit de zorg op zich nemen voor ongeneeslijk zieke patiënten een zeer brede consensus en dit over de verschillende ideologische grenzen (vrijzinnig/gelovig; voor euthanasie/tegen euthanasie) heen. Wil men nu (zoals bvb. in de toelichting bij het meerderheidsvoorstel betreffende de palliatieve zorg uitdrukkelijk wordt gesteld) vermijden dat mensen omwille van oneigenlijke redenen voor euthanasie kiezen, dan moet men, zo men het ernstig meent met deze bezorgdheid, erover waken dat in het euthanasiewetsvoorstel een mechanisme wordt ingebouwd dat als een soort filter kan fungeren die toelaat de vele pseudo-euthanasievragen als zodanig te onderkennen. Vandaar ons voorstel van een voorafgaandelijke palliatieve toetsing.
2. De palliatieve deskundigheid van de gemiddelde arts of afdeling is op dit ogenblik onvoldoende. Ook al worden nu, van vandaag op morgen, radicale maatregelen genomen om de impact van de palliatieve zorg sterk te verbeteren, dan nog duurt het nog jaren eer een goede palliatieve zorg voor de grote meerderheid van de terminale patiënten een realiteit is. Vandaar dat de kans zeer groot is dat patiënten om oneigenlijke redenen gebrekkige zorg om euthanasie verzoeken; dat vele euthanasieverzoeken worden ingewilligd die eigenlijk vragen om hulp waren. Vandaar ook dat het absoluut noodzakelijk is dat bij iedere aanvraag tot euthanasie vooraf uitvoerig wordt nagegaan of in dit concrete geval de palliatieve mogelijkheden voldoende zijn benut of overwogen. Deze palliatieve toetsing kan ervoor zorgen dat een groot gedeelte van de euthanasieverzoeken (de oneigenlijke verzoeken, de schijnvragen) verdwijnt en er dus duidelijk minder gevallen van euthanasie zijn.
3. Ook al zou (wat niet het geval is en ook niet binnen korte of middellange termijn het geval zal zijn) de palliatieve deskundigheid van elke arts behoorlijk zijn, dan nog zal hij of zij nooit een specialist zijn inzake palliatieve zorg. Vergeten we hier niet dat de gemiddelde huisarts bijvoorbeeld slechts twee à drie maal per jaar geconfronteerd wordt met een palliatieve patiënt veel te weinig om een gedegen expertise op te bouwen. Wanneer het evident is dat artsen tienduizenden keren per dag voor heel wat (in verhouding tot de nood van waaruit om euthanasie wordt verzocht) minder ernstige ziektebeelden overleg plegen met specialisten, dan zou het al helemaal evident moeten zijn dat, wanneer het iets zo delicaats, ingrijpends en onomkeerbaars als euthanasie betreft, gespecialiseerd advies wordt ingewonnen. Vandaar dat ook wanneer de palliatieve deskundigheid van de gemiddelde arts zou verbeteren, het nog steeds aangewezen blijft om de behandelende arts bij een euthanasie-verzoek dit is en blijft een bijzonder delicaat iets te verplichten gespecialiseerd palliatief advies in te winnen. Ook in de toekomst lijkt een voorafgaandelijke palliatieve consultatie ons een onmisbaar onderdeel van de euthanasie-procedure.
4. Informed consent, de geïnformeerde (!) instemming van de patiënt met het voorgestelde medische handelen, is volgens de medische deontologie, de medische ethiek en het medisch recht een cruciale voorwaarde om medisch handelen een legitiem karakter te verlenen. Euthanasie is daarenboven geen gewone medische handeling; gezien het delicate, onomkeerbare en ingrijpende karakter van euthanasie lijkt de vereiste deugdelijk geïnformeerd te zijn hier zo mogelijk nog belangrijker te zijn dan reeds bij gewone medische handelingen het geval is. Dit betekent dat, welke voorwaarden verder ook aan het euthanasieverzoek worden gesteld, euthanasie slechts kan wanneer vast is komen te staan dat er een informed request, een geïnformeerd (!) verzoek bij euthanasie staat per definitie het verzoek van de patiënt centraal is van de patiënt. Aan de kant van de arts, die geconfronteerd wordt met het verzoek van de patiënt en kan beslissen dit al dan niet te ondersteunen en in te willigen, zou men kunnen spreken van de absolute noodzaak van een informed consent (of dissent), van een geïnformeerd (!) ingaan (of niet ingaan) op het verzoek van de patiënt. Of nu een patiënt geen, slechte, goede of uitstekende palliatieve zorg ondervindt, van zodra hij of zij uitdrukkelijk om euthanasie vraagt en ook bij uitstekende palliatieve zorg kan dit, zij het uitzonderlijk, gebeuren is het zowel voor de patiënt als voor de behandelende arts van primordiaal belang dat, welke voorwaarden men verder en zeer terecht ook aan het verzoek verbindt, het om een geïnformeerde keuze of instemming gaat. Wat houdt een dergelijke keuze of instemming in? (a) Voor zowel patiënt als arts betekent dit ongetwijfeld dat zij een goed zicht dienen te hebben op de gezondheidstoestand van de patiënt en op de wijze waarop die gezondheidstoestand, naar men vanuit de huidige medische kennis kan aannemen, verder zal evolueren. (b) Een geïnformeerde keuze houdt evident ook in dat men goed beseft wat euthanasie voor alle betrokkenen inhoudt en betekent. (c) Tenslotte, en dit is het punt dat wij hier willen benadrukken, kan er van een geïnformeerd kiezen voor en instemmen met euthanasie slechts sprake zijn wanneer arts en patiënt zeer goed weten welke alternatieven (naast euthanasie) de geneeskunde de patiënt in kwestie nog kan bieden: er is de continuering van de behandeling die de patiënt op dat ogenblik krijgt (die klaarblijkelijk niet voldoet en dus voor de patiënt geen echt alternatief is); een verder doorgedreven of andere en effectievere pijn- en symptoombestrijding; één of andere vorm van gecontroleerde sedatie; een verhuis naar een gespecialiseerde eenheid; Wie deze alternatieven niet of onvoldoende kent, wie niet weet wat zij concreet inhouden, wat hun gevolgen zijn voor de patiënt, is, als patiënt, eenvoudigweg niet in staat vrij en echt te kiezen voor euthanasie of, als arts, eenvoudigweg niet in staat op een verantwoorde wijze om te gaan met het verzoek van de patiënt. Vandaar dat we van oordeel zijn dat een geïnformeerde en dus echte keuze voor euthanasie slechts mogelijk is wanneer de behandelende arts eerst gespecialiseerd palliatief advies heeft ingewonnen, hij dit advies heeft doorgegeven aan zijn patiënt en hij de patiënt de mogelijkheid heeft geboden zelf ook een palliatief deskundige te raadplegen.
5. De bij wet verplichte en voorziene (K.B.s van 15-7-97 en 13-10-98) palliatieve ondersteuningsequipes (verbonden aan netwerken; in ziekenhuizen en R.V.T.s:) zijn door hun continue beschikbaarheid, professionele deskundigheid, ervaring en taakomschrijving de aangewezen instanties om dit gespecialiseerde palliatieve advies te verstrekken en aldus zowel arts als patiënt in staat te stellen de vereiste geïnformeerde beslissing te nemen.
6. Door de arts die met een euthanasieverzoek wordt geconfronteerd verplicht in contact te brengen met de palliatieve ondersteuningsequipe overwint men de onwetendheid en de drempelvrees die er bij artsen nu nog vaak is met betrekking tot de palliatieve zorg. Aldus draagt men ook in zeer belangrijke mate bij tot de cruciale verdere integratie van de palliatieve zorg in de algemene gezondheidzorg.
Gegeven dus het feit dat heel wat euthanasieverzoeken (het overgrote deel) een gebrek aan goede palliatieve zorg maskeren; het gebrek aan palliatieve deskundigheid van heel wat artsen ze zijn zeker geen specialisten op dit terrein (en zullen dit ook in de toekomst niet zijn!); gegeven vooral ook de delicaatheid en onomkeerbaarheid van euthanasie en het belang van een geïnformeerde keuze, lijkt het ons absoluut noodzakelijk dat, wanneer een arts geconfronteerd wordt met een euthanasieverzoek, de eigenlijke euthanasie-procedure voorafgegaan wordt door wat men een palliatieve toetsing zou kunnen noemen. Vandaar dat wij ervoor pleiten in de euthanasie-procedure de inbreng van de palliatieve ondersteuningsequipe als voorafgaandelijke procedurele voorwaarde op te nemen. Omwille van het grote belang van deze voorafgaandelijke palliatieve toetsing zij lijkt ons de beste "filter" om te verhinderen dat oneigenlijke euthanasieverzoeken (die eigenlijk vragen om adequate zorg zijn) worden ingewilligd en omwille van de vermelde onwetendheid en drempelvrees bij artsen, lijkt het ons absoluut noodzakelijk deze voorafgaandelijke palliatieve toetsing als voorafgaandelijke verplichting niet minder verplicht dan de andere voorwaarden op te nemen in de in de wet omschreven procedurele voorwaarden. In de toelichting bij het euthanasiewetsvoorstel wat regels toevoegen over palliatieve zorg volstaat voor ons duidelijk niet. Evenmin volstaat het, hoe belangrijk ook, door middel van een apart wetsontwerp of hoofdstuk te streven naar meer en betere palliatieve zorg.
Wanneer we schrijven dat bij een euthanasieverzoek "de concrete mogelijkheden van palliatieve zorgverlening en de gevolgen daarvan" overlegd moeten worden met de palliatieve ondersteuningsequipe dan impliceert dit uiteraard niet dat wij van oordeel zijn dat pas op dat moment (en dus niet eerder) palliatieve zorg als mogelijkheid kan of moet worden aangeboden of dat wij menen dat het ongewenst is al eerder, nog voor er sprake is van een vraag om euthanasie, overleg te plegen met de palliatieve ondersteuningequipe. Het impliceert wel dat wij van oordeel zijn dat wanneer een arts geconfronteerd wordt met een euthanasievraag toch een bijzonder ingrijpend iets hij verplicht (opnieuw) met de equipe contact moet opnemen om op die manier zichzelf en zijn patiënt ervan te verzekeren dat alle alternatieven bij beiden bekend zijn en grondig werden overwogen een conditio sine qua non voor een geïnformeerde en dus echte keuze vooraleer de verdere euthanasie-procedure wordt ingezet en eventueel tot euthanasie wordt overgegaan.
Bedenkingen
In wat volgt wil ik ingaan op een aantal bedenkingen die ten aanzien van ons voorstel van een verplichte voorafgaandelijke palliatieve toetsing zijn geformuleerd. Ik geef telkens kort het argument of de suggestie, waarna een korte bespreking volgt.
1. Laat de palliatieve zorgequipe in de euthanasie-procedure fungeren als beoordelaar van het euthanasieverzoek. Dus geen voorafgaandelijke palliatieve toetsing (voorstel Federatie), maar een echte beoordeling van het euthanasieverzoek (in plaats van of naast de tweede arts, de ethicus, )
Het is evident dat de bij wet voorziene palliatieve ondersteuningequipe (wiens voornaamste taak het precies is in haar instelling of regio op het vlak van de palliatieve zorg ondersteuning te verlenen) de aangewezen instantie is om bij een euthanasieverzoek met de behandelende arts (en zo gewenst ook met de patiënt zelf) na te gaan wat palliatief nog mogelijk is voor de patiënt in kwestie. In ons voorstel beperkt de rol van de palliatieve ondersteuningequipe zich tot deze voorafgaandelijke palliatieve toetsing. De palliatieve ondersteuningsequipe wordt dus niet geacht te oordelen over het euthanasieverzoek zelf. We vinden het geen goed idee dat de palliatieve ondersteuningsequipe zou moeten optreden als (mede)-beoordelaar van het euthanasieverzoek, in de plaats van of naast de tweede arts, de ethicus,... Dit alles belet natuurlijk niet dat wij het een goede zaak zouden vinden wanneer bij diegene(n) die het euthanasieverzoek moet(en) beoordelen telkens ook iemand is die over een palliatieve deskundigheid beschikt. Wel zijn we er, op basis van de vermelde argumenten, van overtuigd dat de inbreng van een palliatief deskundige in deze fase van de euthanasieprocedure niets afdoet aan de noodzaak van een voorafgaandelijke verplichte consultatie van de palliatieve ondersteuningequipe. We baseren ons voor onze stellingname een ondersteunende palliatieve toetsing maar geen beoordeling van het euthanasieverzoek op de volgende zes argumenten:
1. Het door ons voorgestelde voorafgaandelijke overleg kan en zal in een aantal gevallen maar zeker niet in alle gevallen- de verdere euthanasieprocedure overbodig maken (omdat de patiënt afziet van zijn verzoek en/of de arts oordeelt dat de pijn of nood van de patiënt wel degelijk kan gelenigd worden, omdat patiënt en/of arts vinden dat de palliatieve mogelijkheden nog niet voldoende zijn benut en dat ze vinden dat eerst die weg of wegen nog verder verkend moet worden vooraleer eventueel opnieuw euthanasie overwogen kan worden, ). Vandaar dat het aangewezen is het contact met de palliatieve ondersteuningsequipe aan het begin van de procedure te plaatsen, als een soort voorafgaandelijke toetsing of filtering.
2. Het contact met de palliatieve ondersteuningsequipe is aangewezen om zowel patiënt als arts toe te laten geïnformeerd te beslissen, geïnformeerd uit te maken of ze de hele procedure wel in gang willen zetten, of ze de kaart van de euthanasie wel willen trekken. Het is dan ook evident dat aan het begin van de procedure de noodzakelijke informatie wordt verschaft, dat de palliatieve ondersteuningequipe in een eerste of voorafgaandelijke fase wordt gecontacteerd.
3. Het is psychologisch niet te verdedigen niet naar de patiënt toe, maar evenmin naar de behandelende arts pas nadat het euthanasieverzoek van de patiënt volledig is uitgekristalliseerd en pas nadat de arts de eveneens niet te onderschatten beslissing heeft genomen het verzoek van zijn patiënt te steunen en eventueel in te willigen in een verder stadium van de euthanasie-procedure dus met eventuele palliatieve alternatieven voor de dag te komen.
4. Doorgaand op het vorige argument: het is evident dat dergelijke laattijdig opduikende alternatieven voor iemand die zich intussen helemaal op euthanasie heeft ingesteld geen echte alternatieven meer zijn. Van een open laat staan positieve ingesteldheid tegenover deze alternatieven kan na de ontgoocheling van het afgewezen euthanasieverzoek nauwelijks sprake zijn. Niet alleen psychologisch, ook puur medisch is het niet onwaarschijnlijk dat deze alternatieven te laat worden voorgesteld om nog een echte optie te zijn. Het heeft dan ook zeer weinig zin de palliatieve ondersteuningsequipe in te schakelen als dit niet in een eerste of voorafgaandelijke fase gebeurt, wanneer de patiënt nog openstaat voor eventuele alternatieven.
5. De taak van de palliatieve ondersteuningequipe is palliatieve ondersteuning te bieden. Bij deze ondersteuningsequipe moet iedereen terechtkunnen die deze palliatieve ondersteuning behoeft. Wanneer de palliatieve ondersteuningsequipes en dus de door de overheid ingestelde palliatieve zorg-structuren zouden moeten fungeren als officiële (mede)-beoordelaars van euthanasieverzoeken, dan lijkt het niet onwaarschijnlijk dat deze ondersteuningsequipes door velen met een andere blik zouden worden bekeken. Een mogelijke verwarring van euthanasie en palliatieve zorg (palliatieve zorg = levensbeëindiging) valt zeker niet uit te sluiten, wat duidelijk geen goede zaak is voor de door de overheid beoogde verhoging van de impact van de palliatieve zorg.
6. De palliatieve ondersteuningsequipes zijn zeker geen vragende partij om deze beoordelende rol, die geenszins beantwoordt aan de taak die ze nu vervullen, op zich te nemen. Het lijkt ons uitgesloten dat ze zonder hun uitdrukkelijk akkoord met deze delicate opdracht kunnen worden belast.
2. De door u voorgestelde voorafgaandelijke palliatieve toetsing heeft slechts zin bij terminale patiënten (daar ligt uw expertise); niet alle euthanasievragen komen evenwel van terminale patiënten
Vooreerst: wat is een terminale patiënt? De geneeskunde is eenvoudigweg niet in staat te voorspellen hoe lang iemand nog zal leven (10 dagen, 20 dagen, 30 dagen?). Er zijn zelfs gevallen bekend van mensen die als terminaal werden bestempeld en waarvan men dacht dat het overlijden zeer snel zou volgen, die niet alleen tegen alle verwachtingen in bleven leven maar zelfs genazen van hun ziekte. Er is bovendien binnen de geneeskunde geen consensus over wat terminaal betekent. Sommigen zijn geneigd om deze term zeer eng op te vatten (de laatste 48 uur); anderen kiezen voor een veel ruimere invulling (binnen afzienbare tijd sterven aan de aandoening).
Vaak wordt gesteld dat palliatieve zorg zich tot terminale patiënten richt. Men zou dan ook kunnen argumenteren dat wanneer men weet welk soort patiënten in de palliatieve zorg wordt geholpen, men meteen ook een goede maatstaf heeft om te bepalen wat terminaal betekent. Welnu, palliatieve zorg richt zich tot die patiënten die binnen afzienbare tijd en onafwendbaar aan de gevolgen van hun ziekte zullen overlijden. Doorgaans komt dit neer op een levensverwachting van hooguit enkele maanden, maar er is geen enkele internationaal aanvaarde definitie van palliatieve zorg die dit op dit binnen afzienbare tijd een concrete maximum-termijn kleeft. De palliatieve ondersteuningsequipe acht zich bij een euthanasieverzoek dan ook bevoegd palliatief advies te verstrekken wanneer het een patiënt betreft die binnen afzienbare tijd en onafwendbaar aan de gevolgen van zijn ziekte zal overlijden. Het binnen afzienbare tijd slaat uiteraard op een veel ruimere periode dan de twintig (of minder) dagen waar prof. Vermeersch het tijdens de hoorzittingen over had. Waar het een patiënt betreft die niet binnen afzienbare tijd en onafwendbaar aan de gevolgen van zijn ziekte zal overlijden kan de geconsulteerde palliatieve ondersteuningequipe alleen maar vaststellen dat zij in dit geval weinig specifieke expertise te bieden heeft. Het door ons voorgestelde verplicht consulteren van de palliatieve ondersteuningequipe is in een dergelijk geval even zinloos of zinvol als het verplichten van de behandelende arts, zoals in het huidige meerderheidsvoorstel, om de patiënt volledig in te lichten over de verschillende bestaande mogelijkheden van palliatieve zorgverlening en de gevolgen daarvan.
3. Uit de cijfers van Deliens blijkt dat de levensverkorting bij euthanasie vaak zeer gering is (in 24 % van de gevallen minder dan een dag; in 80 % minder dan een week). Bij terminale patiënten is er dan ook geen tijd voor een lange procedure (en dus ook niet voor de door u gevraagde palliatieve toetsing)
Deze redenering klopt niet. Vooreerst zijn de cijfers waarop men zich hier baseert cijfers die betrekking hebben op een op dat moment en nog steeds illegale praktijk. Het is niet onwaarschijnlijk dat wanneer euthanasie door de wet niet langer als moord of doodslag wordt gezien, het tijdstip waarop euthanasie wordt toegediend naar voren verschuift, met een grotere levensverkorting als gevolg. Vandaar dat het veel interessanter is te kijken naar de Nederlandse cijfers dan naar de Vlaamse cijfers. In Nederland gaat het immers om cijfers die betrekking hebben op een situatie waarin euthanasie, wanneer de zorgvuldigheidsvereisten worden gerespecteerd, niet wordt bestraft. Deze cijfers zeggen allicht meer over de Vlaamse toekomst op dit vlak dan de Vlaamse cijfers van het heden. Uit de Nederlandse cijfers blijkt dat in 1995 in 38 % van de gevallen de geschatte levensverkorting meer dan een week bedroeg (in 1990: 39 %). In 7 % van de gevallen (1990: 13 %) was de levensverkorting zelfs meer dan een maand. In Nederland, waar euthanasie, als bepaalde voorwaarden vervuld zijn niet wordt vervolgd, leren de euthanasiecijfers (van der Maas c.s.) dus dat in niet slechts 20 % (Vlaanderen) maar in bijna 40 % (bijna het dubbele!) van de gevallen het leven met meer dan een week wordt verkort.
Nog om een andere, veel belangrijker reden is er meer tijd dan het hier besproken argument suggereert. De redenering in kwestie maakt immers de grote fout ervan uit te gaan dat het moment waarop euthanasie wordt uitgevoerd en het moment waarom de patiënt zijn arts om euthanasie verzoekt min of meer samenvallen. Het moment waarop een patiënt in algemene zin aan euthanasie begint te denken, het moment waarop hij met anderen over euthanasie begint te spreken, waarop hij bij zijn arts het onderwerp voor het eerst ter sprake brengt, het moment waarop hij heel concreet euthanasie begint te overwegen, het moment waarop hij met anderen en met zijn arts over zijn concrete vraag begint te spreken, het moment waarop hij voor zichzelf en met zijn arts tot een beslissing komt, het moment waarop een concreet tijdstip (zaterdag om 8 uur of wanneer ik het zeg of wanneer ik dreig te stikken) wordt afgesproken, het moment waarop euthanasie wordt uitgevoerd: tussen deze verschillende momenten ligt, zo leert de ervaring en zo blijkt uit de literatuur, vaak heel wat tijd. Het heeft natuurlijk weinig zin de euthanasieprocedure pas op te starten op het moment dat patiënt en arts klaar staan om de euthanasie uit te voeren. Uit het feit dat in heel wat gevallen euthanasie slechts een korte levensverkorting inhoudt, kan men in elk geval niet afleiden dat het hele euthanasie-proces (van het eerste vage verzoek tot de uitvoering) in deze gevallen eveneens zeer kort geweest is. Vandaar dat het geenszins bewezen is dat de euthanasie-procedure bij terminale patiënten zeer kort moet zijn.
Wie meent dat de toevoeging van de palliatieve toetsing als voorafgaandelijke voorwaarde zou leiden tot een verdere en ontoelaatbare bureaucratisering van de hele euthanasie-procedure dient te beseffen dat (1) als er iemand weet hoe belangrijk tijd is voor de ongeneeslijk zieke patiënt het de mensen van de palliatieve zorg en de palliatieve ondersteuningsequipe zijn; (2) als er iemand uitgerust is om op dit terrein snel en adequaat te kunnen werken het de mensen van de palliatieve ondersteuningsequipe zijn; (3) artsen dagelijks tienduizenden verslagen en adviezen opstellen en doorgeven aan en bespreken met collegas. Waarom zou iets dat in de geneeskunde en de zorg (of het nu gaat om een gebroken vinger of een harttransplantatie) de normaalste zaak ter wereld is, hier nu plots problematisch worden?; (4) ook al zou deze toevoeging de procedure verlengen (wat we dus betwisten), de euthanasie-procedure in elk geval altijd een zekere tijdsduur veronderstelt (het gaat nooit om een eenmalig, maar om een weloverwogen, herhaald en duurzaam verzoek).
Besluit
Vanuit de aangegeven argumenten pleitte de Federatie Palliatieve Zorg er in haar standpuntbepaling voor dat de aan het begin van deze brief geciteerde voorafgaandelijke voorwaarden als zodanig in de euthanasie-procedure zouden worden ingevoegd. De enige bekommernis hierbij was en is ervoor te zorgen dat steeds de palliatieve mogelijkheden benut of minstens grondig besproken zijn, zodat euthanasie slechts wordt toegepast wanneer het dat is wat de patiënt echt wil. Hoe belangrijk andere elementen in de discussie rond euthanasie ongetwijfeld ook zijn, de Federatie en ikzelf geloven zeer sterk dat het inbouwen van een voorafgaandelijke palliatieve toetsing cruciaal is wil men vermijden dat euthanasie verwordt tot een snelle gemakkelijkheidsoplossing die schaamteloos het eigen palliatieve onvermogen camoufleert.
Hartelijk dank voor het overwegen van deze suggesties,
Met de meeste hoogachting,
Dr. Bert Broeckaert