Standpunt van de Commissie voor Medische Ethiek
van de Faculteit Geneeskunde, K.U. Leuven,
inzake het debat over euthanasie
De moderne Westerse mens koestert de illusie dat alles maakbaar is en aanvaardt steeds moeilijker met onmacht en grenzen geconfronteerd te worden. Dit geldt niet enkel voor de zwaar zieke en zijn familie, maar evenzeer voor de gezonde mens, die zich wil indekken tegen toekomstige onmacht. Ook de arts weet soms geen raad meer met zijn gevoelens van onmacht. De nieuwste ontwikkelingen in de geneeskunde bieden hem zoveel technologische mogelijkheden dat hij soms moeilijk kan aanvaarden dat de ziekte het laatste woord heeft. Het ontbreken van een religieus en/of spiritueel zingevend perspectief dat de dood overstijgt, zoals dit nu dikwijls het geval is in onze geseculariseerde samenleving, maakt deze onmacht voor arts en patiënt nog moeilijker om te aanvaarden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het debat omtrent een wettelijke regeling voor euthanasie (opzettelijke levensbeëindiging op verzoek van de patiënt) aan de orde van de dag is.
De ervaring die opgedaan is in o.a. de kankerafdelingen van onze Universitaire Ziekenhuizen leert dat de vraag naar euthanasie bijna altijd verdwijnt, én dit wars van ideologische principes, wanneer de patiënt in een openhartig gesprek concrete informatie krijgt over de opvang die hem kan worden geboden. De niet-curatieve geneeskunde biedt immers vele mogelijkheden. Nooit voorheen was er een zulke brede waaier van therapeutische opties om het comfort van de terminale patiënt te bevorderen. Het betreft hier niet enkel pijnstilling, maar ook middelen tegen braken, hikken, slikstoornissen, enz.
De therapeutische verbetenheid, waarvoor zoveel patiënten beducht zijn, wordt steeds duidelijker onderkend en vermeden. Geformaliseerde codes zijn uitgewerkt en worden gebruikt met betrekking tot het niet starten of het afbouwen van zinloos geworden therapieën ; aldus vermijdt de arts onevenredige medische handelingen te stellen. In de intensieve zorg-afdelingen worden medische interventies stopgezet, wanneer blijkt dat de zieke geëvolueerd is naar een onomkeerbare toestand van belangrijk orgaanfalen. Dit stopzetten van zinloos geworden levensverlengende therapieën mag uiteraard niet gelijk gesteld worden aan actieve levensverkorting, zoals sommigen ten onrechte beweren.
De palliatieve zorg beoogt een zo maximaal mogelijk somatisch, psychisch, relationeel en spiritueel comfort aan de zieken te geven, door te beantwoorden aan hun specifieke noden, behoeften en verlangens. Hulpverleners en familie zijn dus niet meer onmachtig in hun inspanning om de zieke waardig te laten sterven, d.w.z. hem de kans te bieden tot het einde te mogen ervaren dat voor hemzelf en anderen zijn eindigend leven nog waardevol is.
Het debat over euthanasie gaat grotendeels voorbij aan deze verworvenheden van de hedendaagse geneeskunde. We hebben ons dan ook de vraag gesteld wat binnen een Faculteit Geneeskunde kan en moet gedaan worden om tegemoet te komen aan de maatschappelijke bezorgdheid inzake de medische omgang met het eindigende leven.
De Faculteit Geneeskunde heeft een belangrijke rol bij het opleiden van haar studenten, toekomstige huisartsen of specialisten, in de opvang van de specifieke behoeften van stervenden, niet enkel door formeel onderricht maar ook door concrete aanwezigheid (onderzoek, dienstverlening e.d.) in de verschillende vormen van terminale en palliatieve zorg. Studenten geneeskunde moeten dus niet alleen opgeleid worden in pijn- en symptoomcontrole ; het komt de arts tevens toe om samen met het verzorgend team de lijdende mens in zijn vertwijfeling te helpen. Ook deze attitude moet men aanleren aan de studenten. Nabijheid bij de extreem hulpeloze is immers een belangrijk symbool van een zorgzame samenleving, waarin iemand nog durft geloven in de deugdzaamheid en de zorg van de ander. De student moet hierbij ook vertrouwd gemaakt worden met de problematiek van zingeving aan een tijdelijke aanwezigheid in een wereld die de mens overstijgt (de religieuze en/of levensbeschouwelijke dimensie in het leven).
De Faculteit Geneeskunde heeft sinds 15 jaar een diepgaande bezinning omtrent medische handelingen bij het levenseinde binnen haar Commissie voor Medische Ethiek aangemoedigd. De uitgebrachte adviezen leiden tot een radicale afwijzing van elke vorm van therapeutische verbetenheid. Via het beperken van therapieën, het adequaat bestrijden van pijn en andere symptomen en het hanteren van de mogelijkheid van gecontroleerde sedatie wordt menswaardig sterven mogelijk. Voor de Commissie blijft het onderscheid tussen « doden » en « laten sterven » wel essentieel : in het eerste geval veroorzaakt de arts op actieve wijze de dood; in het tweede geval aanvaardt hij zijn onmacht m.b.t. het ziekteverloop en laat hij het eindigend leven uitdoven, terwijl hij maximale inspanningen doet om de symptomen te controleren en het comfort van de patiënt te bevorderen. De Commissie aanvaardt dat er zeer uitzonderlijk echte medische dilemmas voorkomen, die om een geëigende aanpak vragen en in alle openheid - ruimer dan onder medici - moeten kunnen worden besproken.
De Commissie voor Medische Ethiek wenst alle verdere inspanningen te ondersteunen die maken dat de « goede dood » iets anders te betekenen heeft dan het « opzettelijk levensverkortend handelen ». Ze heeft dan ook ernstige bezwaren tegen ieder wetsvoorstel dat euthanasie uit het strafwetboek zou halen en ze wordt hierbij gesteund door de Academische Fractie van de Faculteit Geneeskunde, K.U. Leuven.