Hoe een euthanasiewet handhaven?
Herman Nys
Opinie De Standaard 31-05-2000
Een arts die ingaat op een verzoek van een patiënt om levensbeëindiging is geen
moordenaar. Dat zegt Herman Nys. Hij doceert medisch recht in Leuven en
Maastricht.
Straks begint de echte bespreking van de wetsvoorstellen over euthanasie. Dat debat
gaat over de wettelijke voorwaarden waaronder euthanasie kan, en over een
mechanisme om aan die voorwaarden de hand te houden. In de hoorzittingen in de
Senaat brachten de getuigen heel wat misbruiken ter sprake. Duidelijk werd daar
evenwel dat een louter strafrechtelijke benadering niet in staat is die misbruiken te
voorkomen, te vervolgen, laat staan te bestraffen. Daarom stel ik een ander
handhavingsmechanisme voor. Uitgangspunt ervoor is dat de arts die over euthanasie
beslist, vertrouwen moet krijgen, maar geen vrijbrief.
Het voorstel omvat twee fasen. De eerste informele fase gaat de uitvoering van
euthanasie vooraf. Ze omvat een verplichte consultatie en verplicht overleg met
collega's en andere bij de patiënt betrokken hulpverleners. De tweede formele fase
houdt een verplichte melding van de euthanasie in aan een forensische arts.
Vooraf moet de wetgever nog een derde stap zetten.
1. Het eerste wat moet gebeuren is dat levensbeëindiging op verzoek van een patiënt
apart moet vermeld worden in het strafwetboek. Levensbeëindiging op verzoek van de
patiënt is voor een arts geen moord of doodslag. Die arts is geen moordenaar. Dat
levensbeëindiging op verzoek van de patiënt een aparte kwalificatie krijgt, is
psychologisch van belang, wil men rekenen op de medewerking van de arts bij het
handhaven van de voorwaarden waaronder euthanasie is toegelaten.
2. De tweede noodzakelijke stap is de voorafgaande informele toetsing. Euthanasie
behoort niet tot het colloque singulier tussen arts en patiënt waarmee geen ander
zich te bemoeien heeft. Over dat principe bestaat geen discussie meer. Ook de
auteurs van de voorliggende wetsvoorstellen hebben dit begrepen. Anders is niet te
verklaren dat de arts in hun voorstellen voorafgaandelijk een collega moet raadplegen
over het ongeneeslijk karakter van de aandoening waaraan de patiënt lijdt. Voor
,,normaal medisch handelen'' zou dat radicaal worden afgewezen.
Maar men moet deze consultatieplicht ruimer invullen dan in het wetsvoorstel
beschreven. Om te waarborgen dat de besluitvorming tussen arts en patiënt
zorgvuldig gebeurt, moet de raadpleging door de arts van een collega niet alleen gaan
over het ongeneeslijk karakter van de aandoening, maar over alle voorwaarden.
Bovendien moet de arts meer dan één collega consulteren. Ik ben ertegen dat de arts
advies zou moeten vragen aan een ,,ethische'' persoon of instantie. Het koninklijk
besluit van 12 augustus 1994 over de ethische commissies in de ziekenhuizen zegt
al dat ieder personeelslid en iedere arts op elk moment kan vragen om een advies
,,bij beslissingen over individuele gevallen inzake ethiek''. De euthanasiebeslissingen
kunnen best ook onder dat kb vallen. Het staat ieder ziekenhuis vrij te bepalen hoe
dit verder ingevuld wordt.
Beter dan het verplicht advies van een ethicus is het een consultatieplicht op te
leggen bij palliatief-deskundigen. De Federatie Palliatieve Zorg Vlaanderen,
voorgezeten door professor Wim Distelmans, stelt dit ook voor. Ook een verplicht
overleg met het verplegend team -- tenzij de patiënt daar uitdrukkelijk tegen is -- is
belangrijk, zowel voor de zorgvuldigheid als voor de controleerbaarheid van de
besluitvorming. Dan zijn immers meerdere personen op de hoogte van het voornemen
van de arts om tot levensbeëindiging op verzoek over te gaan. Dit komt de
handhaving van de wettelijke voorwaarden ten goede.
Men kan opwerpen dat een arts deze informele handhaving gemakkelijk kan
omzeilen. Dat is niet te vermijden. Een voor honderd procent sluitend toezicht
bestaat alleen in een politiestaat. Men moet en mag aannemen dat in de overgrote
meerderheid van de gevallen artsen deze weinig dwingende procedure toch zullen
volgen.
De consultatieplicht mag niet te zwaar worden gemaakt. Hoe zwaarder de
consultatieplicht, hoe groter de kans dat artsen zich eraan onttrekken. Daarom moet
een arts minder zwaar worden bestraft als hij de consultatieplicht niet naleeft, dan als
hij de voorwaarden over het verzoek van de patiënt en diens medische conditie niet
respecteert.
3. De derde noodzakelijke stap voor een daadwerkelijke handhaving is de formele
controle achteraf. De voorstellen van de meerderheidspartijen hebben het over een
controle achteraf via een directe melding door de arts aan de procureur des Konings.
De juristen die als getuigen werden gehoord, hebben zich daar allen bijzonder
sceptisch over uitgelaten. Die scepsis is gerechtvaardigd. Een arts die de
zorgvuldigheidsvoorwaarden niet naleeft, zal ook de meldingsplicht niet naleven. Een
arts die de zorgvuldigheidsvoorwaarden wel naleeft, kan ook nog aan risicovermijding
doen; ook hij kan geneigd zijn iets niet aan te geven om zich geen gerechtelijk
onderzoek, hoe beperkt ook, op de hals te halen.
Het komt eropaan de meldingsplicht zo te organiseren dat de meldingsbereidheid
onder de artsen maximaal is. Levensbeëindiging op verzoek niet langer gelijkstellen
met moord, is de eerste stap daarvoor. De tweede stap is de inbouw in de informele
controle vooraf, van impulsen tot melding. Als meerdere personen op de hoogte zijn
van (het voornemen tot) de euthanasie, wordt het moeilijk zich aan de meldingsplicht
te onttrekken. Positief uitgedrukt: wie zorgvuldig en in overleg met anderen heeft
beslist in te gaan op een euthanasieverzoek, zal het niet moeilijk hebben dit te
melden.
Ik stel ten slotte voor dat de euthanasie niet rechtstreeks aan de procureur des
Konings moet worden gemeld, maar aan een forensisch arts. Zo'n arts is ook te
verkiezen boven een toetsingscommissie die door de artsen hoe dan ook als een
soort tribunaal zal worden beschouwd. De eerste ervaringen in Nederland met zo'n
commissie wijzen niet meteen op een denderend succes.