Campuskrant Katholieke Universiteit Leuven
 
 
Een leven lang

Socioloog Luc Huyse

Wouter Verbeylen

Op 1 oktober nam Luc Huyse afscheid van onze universiteit en van het Belgische toneel. De huissocioloog van de Faculteit Rechtsgeleerdheid gaat twee jaar voor het verplichte afscheid op emeritaat, om zich toe te leggen op de nieuwe democratieën in Afrika. Dertig jaar lang was hij een vooraanstaand commentator van de sociale ongelijkheid in België. En in die dertig jaar is er veel veranderd. “Het gecrispeerde is verdwenen uit de Belgische politiek.”

“Ik denk dat bij wat ik gedaan heb het toeval enorm veel aan het werk is geweest. Voor hetzelfde geld had mijn leven er helemaal anders uit gezien. Ik kom uit een arbeidersgezin, en het was oorspronkelijk zeker niet de bedoeling dat ik verderstudeerde. Ik had wel een zekere culturele - of noem het sociologische - voorbestemdheid. Mijn vader was drukkersgast, en ik ben dus met boeken opgegroeid. Mijn moeder was inwonende dienstbode bij Franstalige burgerij in het Kortrijkse. En de combinatie van beide, die boeken en de confrontatie met een totaal andere wereld, heeft waarschijnlijk vensters opengezet.”
“In mijn eerste licentie Sociale wetenschappen ben ik bij Universitas terechtgekomen, wat een heel belangrijke ontwikkeling was voor mij. Puur toeval in feite: ik loop een bekende uit het Kortrijkse tegen het lijf, ik begin daar een gesprek mee, en het draait erop uit dat hij mij vraagt om bij Universitas te komen. Dat was voor jonge mensen een heel creatief milieu. We maakten een maandblad en debatteerden over universiteit, politiek en cultuur. Je had contact met oudere studenten, met afgestudeerden, met professoren als Dondeyne en Vergote. En op het einde van de eerste licentie kwam men mij vragen om voorzitter te worden van het studentenparlement. Drie jaar lang is de vertegenwoordiging - met vijftig waren we - van de studentengemeenschap rechtstreeks verkozen geweest. En daar ben ik een jaar voorzitter van geweest, toen Wilfried Martens ‘fractieleider’ was van wat je de ‘oppositie’ kan noemen. Het kan valse bescheidenheid lijken, maar ik weet niet waarom men mij is komen vragen, noch voor Universitas, noch voor het parlement - ik moet opgevallen zijn, ja, maar de directe reden ...”
“In ‘62 ben ik bij het Centrum voor Sociale Studies begonnen, en in die tijd ben ik gecoacht geweest door twee Nederlandse sociologen. Eén van die mentors heeft me voor een jaar naar Oxford gestuurd, en daar heb ik op zeer schokkende wijze gemerkt hoe zwak de opleiding sociologie hier nog was. Ik had werkelijk de indruk dat ik niets wist. Die Oxford-ervaring heeft mij er ook van overtuigd dat ik, meer nog dan ik toen deed, naar de Verenigde Staten en Groot-Brittannië moest kijken om aan sociologie te kunnen doen.”
“Na mijn terugkeer uit Oxford was ik voorzitter van Lovan, de Leuvense Organisatie van Assistenten en Navorsers. Die beide ervaringen, als voorzitter van het studentenparlement en van Lovan, hebben mij geholpen van dichtbij het leven van de universiteit te volgen, en ervaring op te doen. Maar daar is het wat het dragen van verantwoordelijkheid aan de universiteit betreft dan ook geëindigd. Ik ben nooit decaan geweest. Dat lag hier, als socioloog aan de rechtsfaculteit, ook niet voor de hand. Ik ben dan redelijk snel opgeslorpt door de drie poten van onze universitaire opdracht, onderwijs, onderzoek en maatschappelijke dienstverlening.”

Revolte met strik
In ‘68, tijdens de studentenrevolte, zat u als voorzitter van Lovan op de eerste rij. “De communautaire dimensie, het overleg met de Franstaligen, heb ik inderdaad als directe participant meegemaakt. Maar bij de tweede dimensie, de roep om inspraak van de studenten, was ik hoogstens een geïnteresseerd waarnemer. De revolte van ‘68 vind ik volkomen geslaagd. De studenten hebben haar zelf afgedwongen, en de deelname van studenten aan een aantal beleidsorganen heeft continu een meerwaarde gegeven.”
“Bij de tweede studentenrevolte, die van de laatste zes, zeven jaar, heb ik mijn twijfels. Die is niet door de studenten bevochten maar cadeau gedaan door de academische overheid, en bovendien heeft ze een aantal negatieve gevolgen. In de eerste plaats voor de docenten en hun medewerkers. De vele maatregelen die genomen werden om de universiteit studentvriendelijker te maken, zorgen voor overlast en ontmoediging. Niet alleen bij mij, hoor ik, het is een erg verspreid fenomeen, zowel bij oudere docenten als bij jongere. Het examenreglement voorziet voor de studenten bijvoorbeeld het recht om hun examen na de proclamatie in te kijken. Dat is eigenlijk niet doenbaar voor wie, zoals ik, per jaar om en bij de tweeduizend examens heeft.”
“Ik vraag me ook af of die aanzienlijke studentvriendelijkheid op langere termijn geen ongunstige effecten zal hebben voor de studenten zelf. We weten dat iedereen nu, veel meer dan vroeger, moet leren leven met veranderlijkheid, onzekerheid en verscheidenheid. Jongeren moeten gewapend worden om in zo’n wereld te overleven. Je moet als universiteit, als ouders, die uitdagingen, die moeilijkheden, die onzekerheden voor hen niet wegnemen of camoufleren. Integendeel. Maar je merkt dat ouders steeds vaker hun zoon of dochter mee komen inschrijven, een kot helpen zoeken, eten meegeven voor de hele week, een gsm cadeau doen om hen toch maar ten allen tijde te kunnen bereiken, soms mee naar de examens komen, zelfs de docent opbellen.”
“Die ontwikkelingen zijn voor een stuk de reden waarom ik me al eni ge tijd minder gemakkelijk voelde aan de universiteit - niet gefrustreerd of bitter, maar een tikje ongelukkig. Als ik moet kiezen tussen enerzijds wetenschappelijk onderzoek en maatschappelijke dienstverlening en anderzijds - ik druk h et nu heel cru uit - het pamperen van studenten, dan ga ik liever voluit voor de eerste twee opdrachten.”
Het lesgeven zelf was geen harde noot? “Ik heb zelf tijdens mijn studie, in de periode 56-60 dus, een dégoût opgedaan van bepaalde cursussen. Professoren kwamen hun teksten aflezen, eindeloos lang. Dus vertrok ik bij het lesgeven van de dwingende gedachte dat ik van elke les iets moest maken - zodat ik op het einde van de les doodmoe was. Ik lette heel sterk op het lichaamsgedrag van de studenten, op de signalen die vanuit zo’n aula werden gestuurd. Op de duur ontwikkel je daar een zesde zintuig voor - maar ik ben er evengoed van overtuigd dat honderden studenten mijn lessen toch nog saai vonden. Ik was trouwens even nerveus bij mijn laatste les als bij mijn eerste. Maar dankzij de studenten heb ik wel geleerd de dingen in min of meer eenvoudige termen uit te drukken. Ik ben mijn studenten er enorm dankbaar voor, dat ze mij daar in feite toe verplicht hebben. Dat heeft mij erg geholpen bij mijn maatschappelijke dienstverlening.”

Zwart/wit
U publiceerde over politieke verzuiling, over de verwaarlozing van justitie, over collaboratie, over dienstbetoon, enzoverder. Is er een grootste gemene deler tussen die thema’s? “Onlangs is er in Ons Erfdeel een zeer merkwaardig stuk van Marc Hooghe verschenen, waarin hij de krachtlijnen in mijn publicaties tracht te ontdekken. Daar heb je zelf niet altijd zo’n goed zicht op, je denkt altijd dat ook daarin vooral het toeval heeft gespeeld. Maar in zekere zin ook niet: Hooghe schrijft dat ik die vijfendertig jaar lang bezig geweest ben met problemen van ongelijkheid, uitsluiting, het in de buitenbaan lopen. Die thema’s vloeien natuurlijk voort uit de directe confrontatie met sociale ongelijkheid in mijn jeugd.”
“Maar andere thema’s hebben helemaal geen directe link met eigen ervaringen - je kan uit mijn milieu van herkomst niet zomaar mijn wetenschappelijke agenda afleiden. Ik heb bijvoorbeeld vaak over collaboratie en repressie geschreven, en men vraagt zich dan af: welke potjes houdt die nog gedekt. Wel, mijn familie heeft helemaal geen verleden op dat vlak. Ik kom niet uit een ‘zwart’ of een ‘wit’ gezin. Mijn ouders hebben tijdens de oorlog gedaan wat 98 procent van de bevolking heeft gedaan: de kop intrekken, soms letterlijk de kelder in, en w achten tot alles overgewaaid is. Dat thema is gewoon een bijzonder interessant venster op de Belgische politiek. Blijkbaar komt alleen in dergelijke crisisperiodes de ware gedaante van België naar buiten. En natuurlijk liggen collaboratie en repressie als onderzoeksgebied perfect op het snijvlak van recht en politiek, mijn twee liefdes.”

Renegaat
U bent ook politiek geëngageerd, in die mate zelfs dat u begin jaren ‘80 lid werd van de SP. Heeft dat nooit conflicten opgeleverd? “Ik heb nooit een mandaat opgenomen, en ik heb die dimensie steeds uit de lessen gehouden. Maar het zorgde wel voor problemen. Twintig, dertig jaar geleden beschouwde men iemand van de Leuvense universiteit bijna automatisch als een trouw lid van de CVP-familie. Mijn overstap zaaide verwarring. En achterdocht, want in die tijd bekeken sommigen je dan als een stoorzender, een renegaat. Een anekdote die dat illustreert: toen in de jaren ‘70 bleek dat ik helemaal niet CVP-gezind was, werd mijn werk plots niet meer besproken in De Standaard. Nu kan ik daar wel om lachen, want Vlaanderen is op dat vlak onherkenbaar veranderd. Trouwens, de toenmalige rector De Somer was op dat vlak zijn tijd ver vooruit. Hij apprecieerde die politieke veelkleurigheid in zijn universiteit en velen volgden hem daarin.”
Maar nu neemt u dus afscheid van de universiteit, en verdwijnt u meteen ook van het Belgische politieke toneel. Met een bevredigd gevoel? “Wel, dat gecrispeerde, die door de verzuiling veroorzaakte beslotenheid, dat is zeker uit de politiek. Maar twee zaken blijven mij zorgen baren. Eén: de overheid grijpt pas in bij zware incidenten, zoals op het vlak van justitie met de Dutroux-affaire. De dioxinecrisis heeft bewezen dat op dat vlak weinig veranderd is. En twee - waarin ik volledig gefaald heb in de communicatie van mijn visie terzake - men concentreert zich nog steeds op België als de plaats waar de politieke beslissingen vallen. Dat merk je aan de berichtgeving in de dagbladen, in de journaals. Terwijl de commandokamers in het buitenland liggen. Ik ben er niet in geslaagd met voldoende kracht op dat transnationale aspect van de politiek te wijzen.”
“Ik heb nu een consultingopdracht voor een internationale organisatie om een handboek te maken - niet academisch dus, maar zeer praktijkgericht - voor democratieën in transitie. Dat is mijn belangrijkste opdracht voor de komende twee jaar. In Afrika heb je veel jonge democratieën, veel landen in transitie. Veel landen ook met een uitermate pijnlijk verleden. Ik denk dat ik met mijn kennis van collaboratie en repressie in België misschien een beetje kan helpen in landen als Rwanda en Burundi. Ik weet dat het een heel lange tijd vraagt om te genezen van een oorlog, en daar wil ik die landen voor waarschuwen: ‘Hou er rekening mee dat het helingsproces generaties duurt.’”

 

Sluiten
Printen