Campuskrant Katholieke Universiteit Leuven
 
 
Jef Vermassen wint VRG-prijs
Assisen tussen ethiek en sensatie

Ludo Meyvis

Bij het ter perse gaan van Campuskrant is in Aarlen het Dutroux-proces al een paar dagen onderweg. De ogen van de media zijn honderdvoudig aanwezig. Maar ook die van de juristen. Meester Jef Vermassen, allicht ’s lands bekendste strafpleiter, heeft bedenkingen bij de mediatisering van het proces. Tussen twee interviews door spraken wij met hem, uiteraard naar aanleiding van het proces, maar ook omdat hij op 12 maart de jongste VRG-Alumniprijs uitgereikt krijgt. Daarmee schaart hij zich in het selecte rijtje winnaars, met onder meer procureur-generaal Christine Dekkers, minister Robert Vandeputte, ambassadeur Johan Swinnen en advocaat Jean-Pierre De Bandt.
“Ik ben assisenpleiter geworden omdat ik blijkbaar de neiging heb om zwakkeren te verdedigen.” Zowat de helft van zijn loopbaan heeft hij besteed aan andere dan strafzaken. Echtscheidingen bijvoorbeeld. “Het is intussen alweer àcht jaar geleden dat ik nog een beschuldigde voor de jury heb verdedigd. Toeval of niet, maar op de dag dat ik de VRG-Alumniprijs ontvang, start mijn eerste moordzaak na al die tijd.”

“Ach ja, de media,” zucht hij een beetje vermoeid. “De laatste dagen word ik ongeveer elk uur gevraagd om een interview te geven. Met de zaak-Dutroux is dat ook niet verwonderlijk. Assisenzaken, en zeker als die zo speciaal zijn, spreken nu eenmaal tot de verbeelding.” Maar een gesprek met Campuskrant kon nog wel, temeer omdat hij net vernomen heeft dat hij op 12 maart de VRG-Alumniprijs krijgt.

Echtscheidingen
“Toen ik hoorde dat ik die prijs kreeg, gaf me dat even een dubbel gevoel. Als men je begint te vieren, betekent dat dat je stilaan oud wordt. Maar anderzijds waardeer ik het toch wel heel erg. Ik ben me altijd verbonden blijven voelen met Leuven, vanaf mijn eerste dag in 1966. Ik heb dus de woelige jaren meegemaakt: toen ik in 1971 afstudeerde bij rechten – ik was preses van het allerlaatste doctoraat – was de universiteit grondig veranderd.”
“Leuven verdient zijn wereldfaam. Ik heb er ervaren wat een degelijke vorming inhoudt, de basis van mijn latere professionele bestaan. Ik heb graag rechten gestudeerd, en aansluitend notariaat, maar anderzijds vond ik het spijtig dat er in die tijd nauwelijks maatschappelijke vakken gedoceerd werden. Dus deed ik er criminologie bij. Aanvankelijk ambieerde ik een academische loopbaan, maar toen ik daarnaast ook kennismaakte met de balie, besefte ik dat ik moest kiezen. Het werd de advocatuur, maar ik heb mijn contacten met Leuven gaaf gehouden. Ik ben een tijdlang praktijklector geweest. De combinatie van theorie en praktijk blijkt heel vruchtbaar, ook voor de studenten. Goed onderwijs eist dat je theorie en praktijk met elkaar verbindt.”
“Waarom ik assisenpleiter geworden ben? Voor een deel omdat ik blijkbaar de neiging heb om zwakkeren te verdedigen. Voor het geld hoef je het niet op de eerste plaats te doen, want veruit de meeste beschuldigden die voor een assisenhof verschijnen, zijn vrij onbemiddeld. Een assisenzaak pleit je voor een groot stuk om principiële redenen. Anderzijds bezorgt het je wel een grote naambekendheid – tenminste, als je zaken wint... En daardoor haal je ook andere zaken binnen, die dan wel meer opbrengen. Maar het kan zich ook tegen je keren. Nog heel recent weigerde iemand mijn diensten toen hij vernam dat ik indertijd Freddy Horion verdedigd heb – een zaak van vijfentwintig jaar geleden...”
“Sommige van mijn medewerkers besteden veruit het grootste deel van hun tijd aan andere dan strafzaken, en zelf heb ik minstens de helft van mijn loopbaan gevuld met echtscheidingszaken. Trouwens, het is intussen alweer àcht jaar geleden dat ik nog een beschuldigde voor de jury heb verdedigd. Toeval of niet, maar op de dag dat ik de VRG-Alumniprijs ontvang, start mijn eerste moordzaak na al die tijd.”

Dutroux
“De Dutroux-zaak brengt de assisenprocedure nu weer heel erg in de aandacht. Ik zou bij al die heisa toch willen aantekenen dat het gaat om een hóógst uitzonderlijk proces. De omvang van het dossier, de extreme tragiek van de feiten en de nooitgeziene weerklank in de internationale media maken het tot iets dat erg verschilt van een doorsnee assisenzaak.”
“Er zit natuurlijk veel grond voor proceduregevechten in het dossier, maar sommige advocaten hebben al laten uitschijnen dat ze er geen procedurespelletje van willen maken. Dat zou trouwens ook onverstandig zijn. De jury apprecieert zoiets niet. Meestal keert zich dat tegen je eigen cliënt. Anderzijds mag je ook niet de fout maken om élke procedure-vraag af te wijzen als muggenzifterij: de procedure dient wel degelijk voor het vrijwaren van de kwaliteit van de rechtspraak – alleen mag je daar geen misbruik van maken.”
“Assisenzaken, en bij uitstek de Dutroux-zaak, zijn voer voor de media. Dat roept vragen op. Per slot van rekening ben je bezig met een zekere mate van entertainment te creëren dat gebaseerd is op het lijden en de dood van gevangengenomen en misbruikte kinderen. Schroom en respect moeten de basis blijven van de manier waarop je dit brengt. De mediatisering van andermans leed kan vlug perverteren. Daarom vind ik het goed dat de Vereniging van Vlaamse Balies sinds augustus vorig jaar een zwijgplicht heeft opgelegd aan de advocaten die bij een zaak betrokken zijn. Alleen vind ik dat die plicht er ook zou moeten zijn voor het openbaar ministerie, anders krijg je een vertekende en oneerlijke situatie. Ik kreeg onlangs een telefoontje van een cliënt die op de vooravond van zijn proces de procureur op tv het rekwisitoor in zijn zaak hoorde doen. Dat is hoogst ongepast, natuurlijk. Ik wil wel nog mijn mening geven in de media als een zo objectief mogelijk waarnemer, om de balans met de sensatiezoekers toch een beetje in evenwicht te brengen.”
“Als assisenpleiter moet je, net als in elke rechtszaak, natuurlijk proberen het beste resultaat voor je cliënt te behalen. Maar je moet dat wel doen binnen ethische grenzen. Je bent daartoe trouwens verplicht door je beroepseed. De eerste vraag die ik me stel als iemand me vraagt om zijn zaak te behartigen, is altijd: klikt het met die persoon? Een belangrijk aspect daarbij is of hij bereid is om zijn verantwoordelijkheid voor de begane feiten op zich te nemen. De meeste assisenzaken die ik heb gepleit, hadden te maken met partnerdoding. In dat soort zaken bekent de meerderheid. Flagrante ontkenners vormen slechts een heel kleine minderheid. Beide partijen dragen in dergelijke zaken doorgaans een deel van de schuld. Met het pleiten van roofmoorden hou ik me niet bezig. Daar kan ik emotioneel niet bij – en dat blijft een belangrijke factor in de relatie tussen advocaat en cliënt.”

Sluiten
Printen