![]() |
Wouter Verbeylen
Saskia de Coster (28) een opkomend literair talent noemen
is haast een understatement. HUMO riep haar uit tot één van de
tien beste schrijvers onder de 35, en De Volkskrant maakte een vorstelijke buiging
voor haar laatste boek. Op anderhalf jaar tijd publiceerde ze al twee romans,
en dat is snel, beseft ze: “Ik zie mezelf nu geen tien jaar aan één
boek werken. Mijn geest moet nog ouder en trager worden.”
Naar eigen zeggen schrijft Saskia de Coster al meer dan 25 jaar. “Ik
wilde al schrijven vanaf mijn twee jaar. Ik probeerde het toen ook al volop,
desnoods met suikerklontjes. Maar écht schrijven, dat begon pas rond
mijn elfde. Op school moesten we toen van de juf een dagboekje bijhouden van
wat we meemaakten. Ik ben boekjes bij hopen beginnen volschrijven, natuurlijk
vol verdraaiingen van de werkelijkheid, en ik was gelanceerd. Vreemd genoeg
is dat schrijven volledig stilgevallen toen ik ging studeren.”
“Mijn keuze voor Germaanse talen was eerder willekeurig. Iedereen van
mijn klas ging voor ingenieur studeren, en ik twijfelde zelf nog een tijd aan
burgerlijk ingenieur-architect. Maar uiteindelijk is het toch Germaanse geworden
– het had ook Romaanse kunnen zijn.”
“Het zal natuurlijk voor een stuk generatiegebonden geweest zijn, maar
de manier waarop door enkele proffen met literatuur werd omgesprongen, vond
ik absolúút niet inspirerend. Wat heb je eraan lijstjes negentiende-eeuwse
schrijvers uit het hoofd te leren om ze de volgende dag weer te vergeten? In
de licenties kwam er verandering in: we kregen een paar proffen die zowaar met
teksten bezig waren of de historische inbedding van literatuur aantoonden op
een inzichtvolle manier. Er is een groot verschil tussen teksten interpreteren
en telefoonboeken uit het hoofd leren. Pas na Germaanse ben ik echt opnieuw
beginnen schrijven.”
Claus’ bakkerin
Saskia de Coster volgde nog een specialisatieopleiding in de literatuurwetenschap.
Toen ze voor professor Georges Wildemeersch van de UIA een paper schreef, bood
die haar een baan aan in ‘zijn’ Clauscentrum. “Ik heb die
job aangenomen. Achteraf gezien niet zo’n goed idee...”
“Het Clauscentrum beschikt over een ongelooflijk rijk archief, maar ik
botste met Wildemeersch, een incompetent persoon die graag druk doet om niets
en werkelijk al vijf jaar zelf niets gepubliceerd heeft. De bedoeling was dat
ik dan wel én een doctoraat voorbereidde, én het begin van een
biografie van Hugo Claus op poten zette. Dat viel niet te combineren: aan dat
doctoraat heb ik ongeveer een maand gewerkt zonder ook maar de minste feedback,
en voor die biografie mocht ik bijvoorbeeld naar Kortrijk reizen om er een op
sterven na dode bakkerin te interviewen, die Claus ooit een brood verkocht had
(zucht).”
“Op het Centrum was elk woord uit de mond van Hugo Claus goud, en daar
had ik serieus wat moeite mee. Mijn mening over de Meester? Natuurlijk heeft
hij prachtige dingen geschreven, maar daarnaast heeft hij ook veel broodschrijverij
gemaakt. Eerlijk: de meeste schrijvers zijn op hun vijftigste uitgeblust, en
bij Claus was dat misschien ook wel zo.”
“Maar eigenlijk wist ik al onmiddellijk dat ik nooit lang in het werkende
leven zou meedraaien: ik wilde echt schrijven. Ondertussen was mijn debuutroman
Vrije Val wel verschenen, en dat was belangrijk voor mij. Ik had iets concreets
in handen, ik kon verder. En dus ben ik weggegaan uit het Clauscentrum, dat
overigens helemaal leeggelopen is.’
“Ik ben nu voltijds schrijver. Ik heb een beurs van het Vlaams Fonds voor
de Letteren en verder heb ik het kunstenaarsstatuut.”
Verhelst-kloon
Vrije Val, het debuut van Saskia de Coster, kreeg bijna unaniem lovende recensies
in de pers, maar het werd tegelijk beschreven als ‘bevreemdend’,
‘stilistisch overdadig’ en ‘moeilijk’. Het vertelt het
weinig rechtlijnige verhaal van een reuzin en een graatmagere jongen op een
schip.
“Het boek werd geen seller. Maar recensies krijgen voor een debuut is
al heel wat. Met de kritiek heb ik geen enkel probleem. Ik maak boeken, en als
ze af zijn, zijn ze als een lichaamsdeel dat afsterft. Ze zijn dan niet meer
van mij, maar van het publieke domein. Ik leer ook van terechte kritiek. Die
stilistische overdaad bij Vrije Val was er echt wel, daar houd ik dan rekening
mee bij een volgend boek.”
“Het nadeel aan die recensies is dan weer dat je als debutant meteen een
etiket opgekleefd krijgt. In mijn geval werd ik uitgeroepen tot een tweede Peter
Verhelst. Ja, mijn stijl heeft verwantschap met de zijne. Maar wil dat dan zeggen
dat ik voortborduur op zijn werk? Alsof Vlaamse of Nederlandse schrijvers enkel
hun eigen schrijvers als inspiratiebron hebben. Dan zou ik dus eigenlijk zoals
Virginie Loveling moeten schrijven. Welnu: schrijvers lezen hoofdzakelijk buitenlandse
schrijvers omdat er wereldwijd logischerwijs meer talent is dan in Vlaanderen
alleen. Mijn eigen voorbeelden? Vladimir Nabokov, en Virginia Woolf. En Peter
Verhelst natuurlijk (lacht).”
Gruwelijk
Het tweede boek van Saskia de Coster, Jeuk, verscheen begin dit jaar, en is,
zoals ze zelf zegt, stilistisch een stuk minder zwaar op de hand. Het verhaal:
na een rattenplaag overleven kroonprins Carl en diens mismaakte bastaardbroer
Boris in een wereld waar nauwelijks eten is, en waar hun omgeving aan een vreemde
ziekte ten prooi lijkt te vallen. Het boek heeft de schijn van een sprookje,
maar vergis u niet: het is een bijzonder meeslepend verhaal met een gruwelijke
afloop.
“Wie denkt dat Jeuk een sprookje is, omdat het toevallig over koningskinderen
gaat, ziet het helemaal verkeerd. (fel) Het is ook helemaal geen vrijblijvende
stijloefening, zoals iemand schreef. Misschien heeft het geen expliciete moraal.
Maar de samenhang tussen lichaam en geest, de samenwerking tussen biologie en
psychologie zo je wil, dat vind ik wel razend interessant en dat thema heb ik
ook verwerkt in het boek.”
“In Jeuk is de knappe kroonprins Carl een heel zwak personage, en zijn
afzichtelijke broer Boris is een gewiekste manipulator, die uiteindelijk aan
het langste eind trekt. Boris laat zich determineren door zijn uiterlijk en
speelt, zoals het cliche dat wil, de slechterik. Of is het zijn uiterlijk dat
zijn geest manipuleert? Onlangs nog verscheen er weer een onderzoek dat mensen
zich aangetrokken voelen tot symmetrische gezichten, die niet toevallig meestal
de beste genen hebben. Iets biologisch in ons stuurt ons zonder dat we het zelf
beseffen.”
Er zijn nu op nog geen twee jaar tijd twee romans verschenen. Schrijft Saskia
de Coster zo gemakkelijk? “Nee, helemààl niet. Het gebeurt
zelden dat alles gesmeerd loopt, en dat ik ettelijke bladzijden aan één
stuk schrijf die ik goed genoeg vind. Veeleer schrijf ik duizend bladzijden,
en houd ik er honderd over. Ik ben behoorlijk streng voor mezelf. Mijn romans
zijn ook niet echt dikke boeken, hè. Ik zie mezelf momenteel geen tien
jaar aan één boek werken. Mijn geest is daar gewoon te ongeduldig
voor en moet nog ouder en trager worden.”
“Mijn twee eerste boeken zijn nogal ernstig — alhoewel ik er bij
Jeuk toch wat humor heb doorgedraaid. Nu probeer ik iets helemaal anders: mijn
volgende boek wordt een heel optimistisch, blijmoedig werk met enig literair
niveau.”
Circusaap
Saskia de Coster treedt steeds vaker voor het voetlicht: ze leest geregeld voor
uit eigen werk, en deze zomer showde ze op de catwalk van het literaire festival
Zuiderzinnen zelfs kleren met collega-schrijvers als Tom Lanoye.
“Alles wat erbij komt kijken, kan voor mij. Hoever je daarin gaat, dat
moet elke schrijver maar voor zich uitmaken. Er zijn er die onder een pseudoniem
schrijven en de media schuwen. Ik heb er in ieder geval geen problemen mee om
mijn boeken te verkopen. Wie ben ik om de elitaire intellectueel uit te hangen?
Mijn stelling is: hoe meer lezers je boeken bereiken, hoe beter — geen
schroom daarover. Dat betekent helemaal niet dat ik inhoudelijk concessies doe.”
“Zolang je maar beseft dat het je uiteindelijk om de literatuur te doen
is, dat je gelezen wordt. Er zijn schrijvers die erop kicken om als circusaap
opgevoerd te worden, terwijl ze literair niets voorstellen. Of de oude garde
die als ‘monument’ op het podium gehesen wordt…”
“Ik zeg niet snel ‘nee’. Hugo Claus die reclame maakt voor
Franse kazen: waarom niet? Dat mogen ze mij eigenlijk ook komen vragen. Zolang
het maar geen lopende Brie-kaas is, want daar kan ik niet achter staan. (lacht)”
“Maar promotie: waarom niet? Iedereen is daar vrij in: elke dag komen
er honderdduizend Vlamingen op tv, al is het omdat ze mariabeeldjes verzamelen.”
De romans ‘Vrije Val’ (2002) en ‘Jeuk’ (2004) van Saskia
de Coster zijn uitgegeven bij Bert Bakker/Standaard Uitgeverij