Campuskrant Katholieke Universiteit Leuven
 
 


Vice-rector Maex en Gelijkekansenadviseur Van Huffel stellen plannen voor

“Bewustwording belangrijker dan quota”

Wouter Verbeylen

Tijdens zijn eerste openingstoespraak als rector maakte Marc Vervenne het meteen duidelijk: gelijkheid van kansen en diversiteit zijn geen loze woorden voor de nieuwe beleidsploeg. De man/vrouwverhouding moet — vooral binnen het ZAP — meer in evenwicht raken, en er moet meer aandacht komen voor allochtonen en voor personen met functiebeperkingen. Wat dat nu concreet inhoudt, vroegen we aan de tandem Karen Maex en Sabine Van Huffel, respectievelijk vice-rector bevoegd voor diversiteit en rectoraal adviseur Gelijke Kansen en Diversiteit. “De nieuwe bestuursploeg staat voor een beleid dat de mens centraal stelt. Dat beleid is voor ons geslaagd als de universitaire gemeenschap diversiteit als een verrijking gaat beschouwen.”

Professor Karen Maex kent haar rectoraal adviseur Sabine Van Huffel al jaren — beiden zijn verbonden aan de ingenieursfaculteit. Nu aan de titel van rectoraal adviseur voor gelijke kansen de bevoegdheid ‘diversiteit’ werd toegevoegd, moeten beide dames de komende jaren het beleid uittekenen voor drie doelgroepen: gender, personen met functiebeperkingen en allochtonen.
“Maar we willen het toch ook breder zien dan die drie groepen”, zegt Karen Maex meteen. “De cultuur van de organisatie moet veranderen, we willen af van de oude bedrijfscultuur. Het moet bij iedereen doordringen dat diversiteit een rijkdom is, zodat er overal, bij elke commissie, automatisch rekening mee wordt gehouden. Ons uiteindelijke doel is een inclusief beleid, dat het werken met doelgroepen overbodig heeft gemaakt.”
Sabine Van Huffel: “We merken bijvoorbeeld nog vaak dat mannen de gender-initiatieven als een drukkingsmiddel tégen hen zien, en dus gaan ze die soms tegenwerken. Zij moeten beseffen dat zo’n diversiteitsbeleid voor iederéén een meerwaarde kan zijn: flexibiliteit voor persoonlijke noden is niet alleen voor vrouwen interessant, ook mannen kunnen daar, voor mantelzorg, voor deeltijds werken, enzovoort, hun voordeel uit halen. En de universitaire gemeenschap als geheel vaart er wel bij. Nu wordt een vrouwelijk ZAP-lid dat vier vijfde gaat werken nog vaak scheef bekeken. Men denkt: ‘Die haakt af.’ Maar als je als vrouw deeltijds gaat werken, bijvoorbeeld voor ouderschapsverlof, dan voel je je veel beter in je vel, en werk je bijgevolg veel efficiënter.”
“Het voordeel van de uitbreiding van mijn bevoegdheid van gender naar de drie doelgroepen heeft alleen maar voordelen. De studenten bijvoorbeeld waren zes jaar lang nauwelijks betrokken bij de gender-problematiek omdat dat voor hen geen heet hangijzer was. Nu willen ze wél heel actief meewerken: acties rond personen met functiebeperkingen en allochtonen liggen bij hen ook heel gevoelig.”
Maex: “Er zal nu zeker niet minder aandacht naar de genderproblematiek gaan, zoals sommigen vrezen, omdat er twee doelgroepen zijn bijgekomen. Integendeel, ik ben ervan overtuigd dat de wisselwerking tussen de verschillende problematieken net een versterkend effect zal hebben op het geheel, het zal de samenhorigheid versterken.”

De juiste deuren
Zolang er maar specifieke acties voor de verschillende doelgroepen opgezet worden. Sabine Van Huffel: “Jong academisch personeel moet bijvoorbeeld gestimuleerd worden om deel te nemen aan bevorderings- en benoemingsprocedures. Samen met Sein (Universiteit Hasselt) hebben we een coaching-programma specifiek voor vrouwen uitgewerkt — vier sessies met concrete en handige tips — dat al uitgetest is en succesvol gebleken. Daarom herhalen we dit programma maar tegelijk werken we samen met de personeelsdienst ook aan een coachingprogramma dat zowel voor vrouwen als voor mannen openstaat: ook mannen vinden vaak hun weg niet. We willen bijvoorbeeld een netwerk van mentoren verder uitbouwen: dat zijn ervaren ZAP-leden die jongere collega’s wegwijs maken, die hen behoeden voor misstappen uit onwetendheid, die hen leren netwerken, enzoverder. Dat soort acties bewijst ook hoever je al kan geraken met enthousiasme alleen: die mentoren kosten niets, zij doen dat op vrijwillige basis.”
Maex: “Bovendien kunnen we, omdat ik zowel voor diversiteit als voor personeelsbeleid bevoegd ben, dat soort maatregelen nu veel gemakkelijker op elkaar afstemmen.”
“We moeten er wel rekening mee houden dat we binnen ons doelgroepenbeleid niet overal even ver staan. Op vlak van gender hebben we al een hele weg afgelegd, maar voor personen met functiebeperkingen is dat minder het geval. Vooral de implementatie van concrete voorstellen liet vaak te wensen over. Er bestond bijvoorbeeld een coördinatiegroep rond toegankelijkheid van gebouwen die er in ’99 mee is opgehouden omdat ze te weinig steun hadden. Nu ze merken dat het universiteitsbestuur volledig achter hen staat, springen ze weer mee op de kar.”
Van Huffel: “Over allochtonen zijn we het meest onwetend, dat moeten we durven toegeven. Maar tegelijkertijd merken we daar net een heel grote nieuwsgierigheid: we willen allemaal de ervaringen en problemen van allochtone studenten leren kennen, we hebben de experts in huis die het beleid wetenschappelijk kunnen ondersteunen.”
“We willen vooral aan de juiste deuren aankloppen, mensen bij het beleid — de adviesraden, de werkgroepen, de stuurgroep — betrekken die constructief en enthousiast bezig zijn, ongeacht waar ze op de ladder staan binnen de hiërarchie van de universiteit, ongeacht of ze student, ATP-lid of professor zijn.”
Waarop mogen we het diversiteitsbeleid van de huidige bestuursploeg afrekenen? Meer vrouwelijke professoren, meer allochtonen? Maex: “Ik hou niet van het vooropstellen van quota, dat is in het verleden altijd nefast gebleken. Voor gender geloof ik bijvoorbeeld in de werkwijze die we nu hanteren: zoek waar de competente vrouwen zitten en betrek hen bij het beleid, bij de samenstelling van raden. Dat heeft meteen effect, dat verandert meteen de sfeer. En in het algemeen moeten we het besef kweken dat diversiteit geen probleem is, maar een verrijking. Zoals ik al zei: het bewustzijn veranderen is volgens mij veel belangrijker dan quota vastleggen. Opvolgen, dat moeten we uiteraard wel doen!”