![]() |
“Niet pessimistisch over de toekomst van ons rechtssysteem”
VRG-Alumniprijs voor procureur-generaal André Van
Oudenhove
Ludo Meyvis
Op 10 maart ontvangt André Van Oudenhove de VRG-Alumniprijs. De procureur-generaal
van het Brusselse Hof van Beroep en deken van het college van procureurs-generaal
komt daarmee in het illustere rijtje van Robert Vandeputte, Jef Vermassen en
andere befaamde alumni van de Rechtsfaculteit. “Ik was verrast en vereerd.”
We zoeken de procureur-generaal op in zijn rustige woning in Groot-Bijgaarden.
Hij heeft sinds enkele maanden het emeritaat bereikt — of dacht u dat
alleen professoren met emeritaat gingen? Na zijn studies bracht hij enkele jaren
door aan de balie, maar in 1966 trad hij toe tot de staande magistratuur, het
Openbaar Ministerie. Hij werd in 1988 procureur-generaal bij het Brusselse Hof
van Beroep, het ambt dat hij tot oktober vorig jaar bekleedde. Samen met zijn
vier collega’s van de andere Hoven van Beroep heeft hij daardoor bijna
twintig jaar vorm gegeven aan het vervolgingsbeleid in ons land.
“Tja, er is heel wat gebeurd natuurlijk, in al die jaren. Maar ik wil
even heel duidelijk stellen dat een procureur zeker niet alleen verantwoordelijk
is voor de vervolging. De kerntaak van het Openbaar Ministerie is de zorg voor
het algemeen belang. Het is dus een verkeerde perceptie om een procureur alleen
te zien als iemand die strenge straffen eist. Dat beeld bestaat nochtans.”
“Nog niet zo lang geleden bleek uit een onderzoek dat procureurs ver onderaan
de waarderingsladder staan — nog lager dan belastingsambtenaren…
Men houdt niet van ons werk, omdat het verkeerd geïnterpreteerd wordt,
en ook omdat er te weinig over geweten is. Le ministère public, ce mal
connu, ce méconnu… Als een zaak voor de rechter komt, zal de procureur
inderdaad wel vaak een straf vorderen – al gebeurt het dat hij ter zitting
de vrijspraak vordert. Men vergeet echter dat het diezelfde procureur is die
in veel gevallen beslist om een zaak niét voor de rechtbank te brengen,
omdat dit niet goed zou zijn voor het algemeen belang.”
“Een eenvoudig voorbeeld. Er is een ruzie tussen echtgenoten, er vallen
klappen, en er is een klacht. Dat is strafbaar, en dus zou er een zaak aanhangig
gemaakt moeten worden. Maar als uit de gesprekken blijkt dat er intussen weer
toenadering gekomen is tussen de partners, zou het erg contraproductief zijn
om de rechtszaak en de veroordeling na te streven. In dergelijke gevallen wordt
een zaak dan anders benaderd dan door loutere vervolging. En dat gebeurt dus
véél vaker dan men denkt. Die filtering moet ook wel: momenteel
krijgt het parket van Brussel alleen al jaarlijks zowat driehonderdduizend mogelijke
rechtszaken onder ogen. Als die allemaal voor de rechtbank zouden komen, zou
dat niet meteen in het algemeen belang zijn…”.
Dutroux
“Je moet natuurlijk leren wat dat precies is, het algemeen belang. Ik
heb ervaren dat het de essentie van ons werk is. Het is ook daarom dat ik mijn
werk altijd met volle enthousiasme gedaan heb, ook al gaat het er soms stormachtig
aan toe. Ik heb de grote opmars van de politieke en publieke belangstelling
voor het gerecht meegemaakt. Bij het begin van mijn loopbaan ging die belangstelling
eigenlijk alleen uit naar assisenzaken. Het gerecht werkte erg geïsoleerd,
en we stonden ver van de samenleving. Er werd nauwelijks aandacht aan het gerecht
geschonken, niet door de media en niet door de politiek.”
“Dat is veranderd in het begin van de jaren 80, en het onderzoek naar
de Bende van Nijvel bracht een en ander in een stroomversnelling. Ik heb alle
parlementaire onderzoekscommissies sinds het einde van de jaren 80 meegemaakt,
van nogal sereen, zoals de Bendecommissie, tot behoorlijk agressief, zoals de
Dutroux-commissie. Dat was een van de pijnlijkste periodes uit mijn beroepsleven.
Het valt niet mee om voor het oog van de camera’s te moeten aanhoren hoe
men ten onrechte brandhout van je maakt, én van je medewerkers, zonder
dat je je naar behoren kunt verdedigen. Nu, ik ontken niet dat die commissie
ook goed werk geleverd heeft. De openheid van het gerecht is er veel groter
door geworden, en dat is prima — al mag het ook niet te ver gaan. De magistratuur
is uit de ivoren toren neergedaald en deed ook haar gewetensonderzoek. De communicatie
wordt beter verzorgd, en het overleg met de collega’s en de buitenwereld
is aanzienlijk toegenomen.”
“Nog een rechtstreeks gevolg was dat het college van procureurs-generaal
nauwer is gaan samenwerken. Vroeger was het overleg meer informeel, maar door
de nieuwe werking is er veel meer stroomlijning gekomen. De wet heeft nu ook
aan elke procureur-generaal een bepaald takenpakket toebedeeld. Zo houdt de
procureur-generaal van Brussel zich onder meer bezig met de strafrechtelijke
aspecten van milieu- en financieel recht. De zaken zelf blijven natuurlijk onder
de bevoegdheid van het rechtsgebied waar ze altijd al thuishoorden, maar het
beleid wordt door het college uitgewerkt in zijn maandelijkse vergaderingen,
en geïmplementeerd door een van de vijf procureurs-generaal, voor het hele
land. Dat gebeurt natuurlijk in overleg met de minister. Ongeveer vier keer
per jaar vergaderen de procureurs-generaal trouwens samen met de minister. Ook
dat overleg zelf is een zeer goede vernieuwing.”
Achterstand
“Ik heb bijna veertig jaar doorgebracht in de magistratuur. Ik begrijp
sommige uitingen van kritiek op de werking van het gerecht daarom heel goed.
Maar je moet eerlijk blijven in je kritiek. Wat de veelbesproken gerechtelijke
achterstand betreft, bijvoorbeeld, wijs ik erop dat die in strafzaken zeer relatief
is. In het Hof van Beroep te Brussel kunnen de meeste zaken binnen een termijn
van enkele maanden worden vastgesteld. Dat vind ik heel redelijk. In burgerlijke
zaken is de situatie natuurlijk heel anders, en daar tref je inderdaad een achterstand
van soms vele jaren aan. Maar daar moet je dan weer aan toevoegen dat het vaak
de partijen zelf zijn die de zaak laten aanslepen door voortdurend niet-essentiële
procedurele stappen in te bouwen, met vertraging als gevolg. Dat hoort niet.
Er moet nagedacht worden om dit in de toekomst te vermijden.”
“Dat ik die kritiek begrijp, betekent echter niet dat ik ons systeem niet
zou waarderen. Integendeel: we mogen trots zijn op onze gerechtelijke structuren!
Ons Openbaar Ministerie, bijvoorbeeld, is heel evenwichtig geconcipieerd, en
het werkt veel onafhankelijker dan in onze buurlanden. Terwijl de minister van
justitie zich in Frankrijk wel eens wil bemoeien met de gang van zaken in concrete
dossiers, heb ik in mijn hele ambtsperiode nooit ook maar één
poging tot beïnvloeding ondervonden – terwijl ik toch betrokken was
in een reeks politiek beladen gerechtelijke dossiers. Onze structuren mogen
er zijn, en ik ben heel optimistisch voor de toekomst van ons gerecht, op voorwaarde
dat wij onze eigen structuren echt gaan verdedigen en eerbiedigen.”
Populair
“Ik was erg blij met de VRG-Alumniprijs, vooral dan de motivering, die
sprak over de serene aanpak waarmee ik het recht gediend heb. Ik vond dat een
mooie verwoording van wat ik inderdaad altijd nagestreefd heb. Ik beschouw de
prijs ook als een blijk van erkentelijkheid tegenover de instelling van het
openbaar ministerie, een herwaardering. Populair zal mijn ambt wel nooit worden.
Dat begrijp ik wel, maar misschien juist daarom doet zo’n prijs echt wel
deugd.”
“Het is geen eenvoudig beroep, met een heel zware verantwoordelijkheid,
maar je groeit er natuurlijk wel in. Ik heb nooit echte ontmoediging ervaren.
Je hebt natuurlijk wel een sterke ruggengraat nodig, en je moet gedreven worden
door een paar heel fundamentele principes, ten eerste dat het een ambt is waarin
je het algemeen belang dient, en ten tweede dat het deel uitmaakt van een systeem
waarin iedereen recht op recht heeft. Als je daarvan doordrongen bent, heb je
als magistraat een prachtberoep. Ik aarzel dan ook niet om te zeggen dat mijn
beroep heeft bijgedragen tot mijn geluk. Het Openbaar Ministerie is voor mij
het meest boeiende aspect van ons rechtssysteem.”
“En nu ben ik op rust. Maar ik val niet in een zwart gat. Ik blijf bijvoorbeeld
nog zetelen in de Raad van Beheer van de K.U.Leuven. Ererector Oosterlinck vroeg
me drie jaar geleden om lid te worden. Ik ben daarop ingegaan, omdat ik vind
dat een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie eerst en vooral maatschappelijke
verantwoordelijkheid heeft en dus contact moet houden met de samenleving. Ik
leer heel veel in de Raad van Beheer, en het is boeiend om van binnenuit mee
te maken hoe een grote organisatie als de K.U.Leuven geleid wordt, en daar misschien
af en toe ook iets toe te kunnen bijdragen.”
“Daarnaast heb ik nog meer dan genoeg andere activiteiten om me bezig
te houden. Ik hou nog wat contact met mijn vroegere werkomgeving, en ik hou
me op de hoogte van de ontwikkeling van ons recht. Verder sport ik heel veel,
en uiteraard is er mijn familie, mijn echtgenote en onze drie dochters, schoonzoons
en kleinkinderen. Je beroep mag dan belangrijk zijn voor een gelukkig leven,
maar een warme familiale omgeving is nóg belangrijker.”
Het programma van de VRG-Alumnidag ‘Recht in beweging’ op 10 maart vindt u op http://www.law.kuleuven.be/alumni/