![]() |
FaBeR publiceert onderzoek naar seksueel gedrag tussen atlete en trainer
Seksueel misbruik in de sport is verre van uitzonderlijk
Wouter Verbeylen
Mag een trainer zijn atletes een lift geven? En een omhelzing na een goede prestatie? En een kus? En nadien samen onder de douche? De Faculteit Bewegings- en Revalidatiewetenschappen legde 36 trainersgedragingen voor aan 222 sportende meisjesstudenten met een mannelijke trainer. Er werd zowel gepeild naar hun mening over deze gedragingen als naar hun ervaring ermee. Het belangrijkste resultaat is dat zeven procent van hen ervaring heeft met expliciete seksuele avances en ernstige ongewenste intimiteiten, en dat bijna de helft ooit al in aanraking kwam met ‘minder ernstige’ ongewenste intimiteiten.
“De resultaten verrassen me eerlijk gezegd, ze bewijzen dat seksueel
misbruik in de sport geen uitzondering is”, zegt sportpsycholoog Yves
Vanden Auweele, die het onderzoek coördineerde. “Maar nu moeten we,
in plaats ons blind te staren op de cijfers, er vooral voor zorgen dat er binnen
de sportwereld iets wordt ondernomen. Taboes als seksuele intimidatie mag je
niet doodzwijgen ten voordele van een blind positivisme.”
De laatste tijd kwamen in Nederland een aantal gevallen van seksueel misbruik
in de sport aan het licht. De processen daarrond waren de rechtstreekse aanleiding
voor een uitgebreide sensibiliseringscampagne rond seksuele intimidatie en misbruik
in de sportwereld. De campagne Wat is jouw grens? trekt de aandacht met slogans
als ‘Is omkleden een privé-aangelegenheid’, ‘Mag een
coach mee douchen?’ en ‘Is een klap op je kont nog wel motivatie?’
“Maar specifiek cijfermateriaal over de omvang van de problematiek ontbreekt
nog in Nederland,” vertelt Yves Vanden Auweele. “Net als bij ons
trouwens, vandaar mijn idee voor dit onderzoek. Daarnaast heb ik in mijn praktijk
van sportpsycholoog gezien hoe slachtoffers onder dat misbruik gebukt kunnen
gaan. Het wordt hoog tijd dat we deze problematiek uit de taboesfeer halen.”
Gewenste intimiteiten
Voor het onderzoek werden in totaal een duizendtal sportstudenten aangeschreven
per mail, van wie er 445 vrijwillig en anoniem de voorgelegde vragenlijst invulden.
De helft daarvan waren meisjes met een mannelijke trainer, de hoogste risicogroep
voor ongewenst seksueel gedrag, en van deze studentes werden gegevens verder
geanalyseerd. Vanden Auweele: “In de vragenlijst zetten we 36 trainersgedragingen
op een rijtje, waarbij de studenten hun mening moesten geven over de ernst en
de toelaatbaarheid ervan. Daarnaast werd hen ook gevraagd naar hun eigen ervaring
met die gedragingen.”
De atletes blijken het grotendeels eens over wat aanvaardbaar is en wat niet.
Vooral over de extremen is er weinig discussie. Twee voorbeelden: het tonen
van de geslachtsdelen wordt bijna unaniem als volledig ontoelaatbaar beschouwd,
en een atlete een lift naar huis geven als volkomen toelaatbaar. In de zogenaamde
‘grijze zone’ zijn de meningen meer verdeeld. Vanden Auweele: “Daar
spelen de eigen tolerantiegrenzen en specifieke normen van hun sporttak meer
een rol.”
“Opvallend: een relatie tussen een trainer en een meerderjarige atlete
wordt als ‘niet ernstig en toelaatbaar’ gecatalogeerd, als ‘gewenste
intimiteiten’ in feite. Overigens geeft één meisje op vijf
aan effectief een relatie te hebben of gehad te hebben met haar trainer. Een
intieme relatie tussen een trainer en een minderjarige is dan weer ‘ernstig
en ontoelaatbaar’, maar scoort toch lang niet zo extreem als men zou verwachten.
Je zou je kunnen afvragen of de jongeren een andere, lossere mening hebben over
seksualiteit dan volwassenen, zeker als er intimiteit in het spel is. De moraal
verandert nu eenmaal. Los daarvan wil ik toch meteen opmerken dat zelfs áls
die seksualiteit — en zelfs bij meerderjarigen — zogenaamd gewenst
is, ze nog altijd plaatsvindt binnen de hiërarchische relatie tussen een
jonge sporter en een volwassen coach. Er blijft macht in het spel, en dan moet
je altijd beducht zijn voor goedgelovigheid en machtsmisbruik.”
“We hebben ook gekeken of de meningen bij een aantal subgroepen verschilden. Je zou bijvoorbeeld kunnen denken dat beoefenaars van individuele sporten meer fysiek contact tolereren dan beoefenaars van groepssporten, of dat competitiesporters minder snel bepaalde gedragingen aanstootgevend vinden wegens ‘inherent aan de sport’ dan recreatieve sporters. Maar voor geen enkele subgroep zijn de meningen echt afwijkend: over wat echt toelaatbaar is en wat echt niet, bestaat dus weinig discussie.”
Blind positivisme
Vooral de cijfers over de eigen ervaringen van de atletes verrassen in negatieve
zin. Vanden Auweele: “Ten minste zestien atletes, of meer dan zeven procent
van de ondervraagden, hadden ervaring met gedragingen die algemeen beoordeeld
werden als ‘seksueel misbruik’ of ‘expliciete seksuele avances’.
En bijna één op twee atletes had al minder zwaar geklasseerde,
maar nog steeds ontoelaatbare, intimiteiten moeten ondergaan, zoals flirten,
staren naar borsten en billen, onnodige aanrakingen en seksuele opmerkingen.
Dat zijn toch hoge cijfers.”
“Je kan je dan afvragen of de sportwereld hier slechter scoort dan andere
sectoren van de samenleving. Een Noors onderzoek geeft aan dat de sportsector
er inderdaad gevoeliger voor is dan bijvoorbeeld school of werkplek. Bij sport
zijn er dan ook veel factoren die een context voor misbruik in de hand kunnen
werken: de grote afhankelijkheid van de atleet van zijn trainer, het sportspecifieke
fysieke contact, het zich moeten omkleden en douchen, de hevige emoties die
bij sport komen kijken…”
Verder stelt het onderzoek ook tussen verschillende subgroepen verschillen vast
op het vlak van ervaring: atletes uit sporttakken met meer onthullende kledij,
individuele sporters en sporters die op een hoger niveau actief zijn, krijgen
vaker te maken met seksuele avances en ongewenste intimiteiten.
Vanden Auweele hoopt nu dat deze cijfers verantwoordelijken in de sportwereld
aan het denken zullen zetten. “Sommigen zullen wel vraagtekens bij dit
onderzoek willen plaatsen, maar de cijfers zijn wat ze zijn: seksueel misbruik
in de sport is geen uitzondering. We hebben onlangs het onderzoek overgedaan
bij een andere groep sportstudenten. en die nieuwe cijfers geven eenzelfde beeld.
Inmiddels is men aan een aantal andere Belgische universiteiten met een parallel
onderzoek begonnen — op die resultaten is het nog wachten.”
“De top van de sportwereld heeft de cijfers ook toegekregen, en ik hoop
nu dat het beleid het probleem erkent en de nodige maatregelen neemt, dat men
bijvoorbeeld ook het Nederlandse voorbeeld bekijkt en er de nuttige ideeën
van overneemt. De sportwereld moet zijn jonge atleten vertrouwen geven door
structuren en regels te voorzien die misbruiken voorkomen, en die ze, als ze
dan toch voorkomen, kunnen opvangen.”
“Sport wordt graag exclusief geassocieerd met een klimaat van positivisme,
met positieve emoties en bewondering voor prestaties. En dat al te rooskleurige
beeld strookt niet met deze cijfers, die een centrale figuur in het sportgebeuren
— want dat is de trainer toch — verdacht maken. Maar de sportwereld
moet zich openstellen voor die zelfkritiek. Ik merk dat de goodwill er is, dat
de terughoudendheid om deze problematiek uit de taboesfeer te halen een pak
kleiner is dan een decennium geleden.”
Het artikel met de volledige onderzoeksresultaten verschijnt in twee delen in het Tijdschrift voor Lichamelijke Opvoeding, nrs 209 (reeds verschenen) en 210. Alles over de Nederlandse voorlichtingscampagne vindt u op http://www.watisjouwgrens.nl
Op woensdag 22 maart organiseert FaBeR een studienamiddag ‘Ethiek in de jeugdsport: Waarheidsgetrouw engagement’ in Aula De Nayer, Tervuursevest 101. Info: Yves.VandenAuweele@faber.kuleuven.be, (t) 016 32 32 90 46
Studenten die willen praten over eigen ervaringen, kunnen altijd terecht bij vertrouwenspersoon Marleen Gheldof (zie het artikel hieronder).