![]() |
De rol van strips in het onderwijs
Hamlet of Kiekeboe?
Ludo Meyvis
Van Dale definieert ‘leesluiheid’ als ‘gebrek aan motivatie
tot lezen van moeilijkere teksten (dan bv. strips)’. Strips scoren niet
bijster hoog bij de minnaars der schone letteren of bij wie begaan is met taal.
Emeritus ILT-docent Jan Cumps en bibliothecaris en stripkenner Kurt Morissens
vonden het maar rare jongens, die deskundologen, en ze schreven een boek dat
de eigen waarde van de strip voor het onderwijs dik in de verf zet.
“Het is vast ooit erger geweest met de waardering van de strip, maar
er zijn toch nog altijd behoorlijk veel mensen die het een genre vinden dat
het niet haalt bij bijvoorbeeld de roman, zeker niet in het onderwijs. Met de
lectuur van een roman zou je veel meer bijdragen tot de vorming van een leerling
dan met de lectuur van een strip. Met ons boek hebben we willen aangeven dat
de strip op tal van manieren ingezet kan worden in het onderwijs.”
“Het is er ons niet om te doen de strip hoger te plaatsen dan de roman,
of de strip verplicht te laten figureren op iets als een leeslijst. We pleiten
voor een functioneel gebruik van de strip. Dat de strip daarnaast ook een amusements-
of artistieke waarde heeft of kan hebben, is mooi meegenomen. Het doet er weinig
toe wàt je in het onderwijs als leermiddel gebruikt: als het werkt, is
het goed, eender of het een roman is of een strip.”
Sporen
“We zijn zeker niet de eersten geweest die gewezen hebben op het belang
van de strip. Ook in academische kringen wordt er aandacht aan besteed, zij
het nog altijd vrij geïsoleerd. Het genre zelf is, we vermoeden ergens
rond 1968, gestegen op de waarderingsschaal. Voor die tijd was striplectuur
verderfelijk, minderwaardig, met een slordige taal. Zinnen zonder werkwoord.
Maar de laatste decennia neemt de waardering toe. Dat is terecht, als je kijkt
naar kunststukjes als Maus van Art Spiegelman, Persepolis van Marjane Satrapi,
of dichter bij ons de stripbewerking van De Avonden door Dick Matena, en binnenkort
Kaas van Elsschot, ook door Matena.”
“Maar er zijn ook meer bekende en iets toegankelijker strips die het genre
duidelijk meer respect opgeleverd hebben. Denk maar aan Kuifje, Blake en Mortimer,
of wat recenter misschien Largo Winch. Sommige strips vertonen een complexiteit
die wel érg ver verwijderd is van de mannekensblaadjes van weleer. Natuurlijk
drijven sommigen hun waardering ook wat te ver, zoals bijvoorbeeld in de verafgoding
van Hergé wel eens gebeurt — zie bijvoorbeeld Tintin and the Secret
of Literature van McCarthy, die stelt dat het werk van Hergé niet moet
onderdoen voor sommige werken uit de wereldliteratuur. Dat is er wat over, maar
dat strips een grote artisticiteit kunnen hebben, staat vast.”
“Ons boek lees je op verschillende sporen. Er staan bijvoorbeeld heel
wat getuigenissen in over wat sommige bekende figuren uit strips geleerd hebben.
Ook een aantal stripauteurs hebben aan het boek meegewerkt. Een ander spoor
leidt naar de didactiek. Je vindt in ons boek een hele waslijst aan suggesties
voor mogelijk gebruik van strips in het onderwijs. Het lijkt er trouwens op
dat ook de professionele didactici de strip ontdekt hebben. In de vorige editie
van Leren en Onderwijzen — Inleiding tot de algemene didactiek werd er
aan strips letterlijk géén aandacht besteed, terwijl er nu toch
al twaalf pagina’s aan gewijd worden.”
“We willen met ons boek bijdragen tot een veelzijdige kijk op strips,
vanuit een kritisch-waarderende houding. We zijn geen fanaten, verre van, maar
we zijn evenmin fanatiek tégen, een houding die je vroeger toch wel eens
tegenkwam in intellectuele en onderwijskringen. Strips zijn gewoon een genre
op zich, met eigen mogelijkheden en eigen beperkingen, met prachtige resultaten
en met pulp, met artistieke hoogstandjes en met plat vermaak. Verschilt dat
eigenlijk van films of romans?”
Jan Cumps & Kurt Morissens, ‘Laat ze strips lezen! — Informatie en suggesties voor school, thuis en bibliotheek’, Leuven, Acco, 192 p., 19,80 euro.