Invoering van de bachelor-masterstructuur: kader
Conceptuele voorbereiding
In de zomer van 2001 werden twee beleidsnota’s uitgewerkt die de bakens uitzetten voor de Leuvense vertaling van de Bolognaverklaring en het decreet hoger onderwijs. Zij bevatten, in relatief algemene termen, de criteria waaraan opleidingsvoorstellen moeten voldoen om door de universiteit te worden aanvaard.
De kern van dit conceptueel kader kan worden weergegeven als volgt:
- Alle voorstellen moeten de essentiële doelstellingen van de Bolognaverklaring realiseren: een goed evenwicht tussen een wetenschappelijke en een beroepsoriëntatie en tussen een regionale inbedding en een internationale verankering, vanuit een perspectief op levenslang leren, en gericht op flexibiliteit, zowel in de opbouw van studietrajecten als in de overgang tussen opleidingen (met inbegrip van overgangen tussen hogeschool en universiteit).
- Alle voorstellen moeten getuigen van een onderwijsvisie waaruit blijkt dat aan Begeleide zelfstudie reëel vorm wordt gegeven. In de opleiding moeten studenten begeleid kennis nemen van, inzicht verwerven in en zelfstandig een bijdrage leren leveren tot kennisontwikkeling, en op basis daarvan – onderzoeksgesteund – leren bijdragen tot de oplossing van wetenschappelijke en maatschappelijke problemen.
- Alle voorstellen van curricula moeten aansluiten bij geëxpliciteerde begintermen en in hun structuur en vormgeving duidelijk gericht zijn op het realiseren van goed omschreven doelstellingen.
- Bacheloropleidingen moeten expliciet gericht zijn op het bijbrengen van een aantal fundamentele academische vaardigheden. Zij zijn in de eerste plaats doorstroomopleidingen, maar moeten terzelfdertijd bij de student een voldoende dosis maatschappelijke inzetbaarheid (employability) tot stand brengen. Ze kunnen relatief disciplinegebonden zijn, maar geven de afgestudeerde bachelor bij voorkeur de mogelijkheid om, rechtstreeks of onrechtstreeks, flexibel te kunnen instappen in meerdere masteropleidingen.
- Masteropleidingen zijn steeds wetenschappelijk verdiepend en specialiserend en bereiden voor op een wetenschappelijke of maatschappelijke loopbaan. In de masteropleiding neemt de masterproef een centrale plaats in en moeten specifieke elementen van internationalisering herkenbaar aanwezig zijn. De toelatingsvoorwaarden tot masteropleidingen moeten gebaseerd zijn op een evenwicht tussen zorg om kwaliteit en flexibiliteit.
- Voortgezette opleidingen die slechts een bachelorgraad vooronderstellen, kunnen best worden omgevormd tot initiële masteropleidingen. Master na masteropleidingen vormen een verder verdiepende en specialiserende bovenbouw op initiële masteropleidingen, met een grotendeels eigen (niet ontleend) onderwijsaanbod. Deze opleidingen zijn bij uitstek internationaal georiënteerd en daarom, waar mogelijk, anderstalig.
- De invoering van de bachelor-masterstructuur moet aangegrepen worden om het totale onderwijsaanbod te rationaliseren en te optimaliseren. Wat overbodig is, verdwijnt. Waar overlapping bestaat, wordt gefuseerd. Als nieuwe noden zich aandienen, kunnen nieuwe opleidingen of nieuwe combinaties van opleidingen worden voorgesteld.
- Bij de evaluatie van voorstellen fungeert onderwijscapaciteit als één van de sleutelcriteria. Voldoende volume en deskundigheid moet de op papier voorgestelde opleiding ook waar maken. Het verwachte rendement moet in verhouding staan tot de inzet van middelen.
- Voor elke opleiding en voor het opleidingsaanbod van de K.U.Leuven als geheel zijn een transparante en flexibelestructuur essentiële voorwaarden voor heldere communicatie met potentiële studenten en voor de ontwikkeling van samenwerking met andere instellingen, zowel binnen de Associatie K.U.Leuven als erbuiten, zowel regionaal als internationaal.
- De opgesomde principes vormen het raamwerk waarbinnen faculteiten en opleidingen hun voorbereidingswerk uitvoeren, maar binnen de contouren van dit raamwerk, geven zij creatief en autonoom een eigen invulling. De universiteit respecteert daarbij de eigenheid en de dynamiek van elke faculteit.
De eerste fase
In een eerste fase (academiejaar 2001-2002) brachten de faculteiten algemene voorstellen aan voor omvormingen van bestaande opleidingen (en voor nieuwe opleidingen). Om de creativiteit in deze fase te bevorderen, werd beklemtoond dat niet alleen de bestaande Permanente Onderwijscommissies (POC’s) voorstellen konden indienen. Ook ad hocgroepen, zowel binnen als tussen faculteiten, konden voorstellen uitwerken. Alle voorstellen werden ingediend tegen 31 mei 2002 aan de hand van een standaardformulier (fase 1-documenten), waarvan de belangrijkste rubrieken peilden naar een aantal essentiële criteria uit het conceptueel kader. In totaal werden ongeveer 250 voorstellen ingediend.
Gedurende de zomermaanden werd over elk van deze voorstellen een gesprek georganiseerd tussen de indieners (en hun decaan) en de Vaste Werkgroep Curriculumhervorming (VWCH), die bestond uit ZAP-leden, AAP-leden, ATP-experten, medewerkers van de Dienst Universitair Onderwijs en studenten. Na een grondige analyse werd door de VWCH een advies voorbereid voor de Academische Raad, die besliste welke voorstellen onmiddellijk (al dan niet met expliciete aandachtspunten) mochten worden uitgewerkt, van welke opleidingen een nieuw voorstel werd verwacht en welke voorstellen niet in aanmerking kwamen voor verdere uitwerking.
Het grote voordeel van deze eerste verkennende fase bestond erin dat via overleg tussen de academische overheid en de opleidingen in alle vrijheid consensus werd bereikt over de verder te volgen weg. Bovendien werd via deze eerste fase het risico voorkomen dat al te veel energie verkwist werd aan de gedetailleerde uitwerking van opleidingsplannen – die zeker in hun oorspronkelijke vorm – geen kans maakten.
De eerste fase was in haar geheel afgerond in januari 2003, op een zeer beperkt aantal dossiers na (overwegend van interuniversitaire opleidingen).
De tweede fase
Zodra een dossier goedgekeurd was in de eerste fase, kon de verantwoordelijke POC starten met de concrete en gedetailleerde uitwerking van de curriculumvoorstellen (vanaf oktober 2002 of later) aan de hand van standaardformulieren (fase 2-documenten). Elk fase 2-document bevatte een volledige beschrijving van het curriculum, bestaande uit een onderwijskundig referentiekader en concrete informatie over het curriculum (met inbegrip van de syllabi van alle opleidingsonderdelen).
Het onderwijskundig referentiekader omvat de motivering voor het feitelijke curriculum. Wat zijn de doelstellingen van de opleiding? Wat is de onderwijsvisie? Hoe vertalen de doelstellingen en de onderwijsvisie zich in de structuur en de inhoud van het concrete programma en in de onderwijsaanpak? Wat zijn de toelatingsvoorwaarden en welke doorstroommogelijkheden zijn er? Het antwoord op al deze vragen levert terzelfdertijd het materiaal dat de opleiding later, in het kader van de decretaal opgelegde accreditaties, zal moeten aanleveren.
De concrete informatie over het curriculum zelf, werd zo aangeleverd dat ze nadien relatief naadloos kon worden ingevoerd in Campus Management, het universitaire onderwijsinformatiesysteem dat ondermeer gebruikt wordt voor de aanmaak van het elektronisch programmaboek.
Voor het samenstellen van de dossiers konden de POC’s gebruik maken van een eerste versie van de Beknopte brochure curriculumhervorming, aangevuld met een technische handleiding. Bovendien kon tot eind 2004 beroep gedaan worden op het bama-ondersteuningsteam, een centraal aangestuurde groep medewerkers die de opleidingen vooral administratief, maar ook inhoudelijk ondersteunde bij de fase 2-operatie. Vanaf 2005 staan de ondersteuningsdiensten Campus Management in voor de administratieve verwerking van de voorstellen.
De opleidingen die in 2004-2005 startten (alle bacheloropleidingen en een aantal master na masteropleidingen), dienden hun fase 2-documenten in tegen 15 maart of 30 april 2003, afhankelijk van het moment van goedkeuring in de eerste fase. De master na masteropleidingen die in 2005-2006 startten, dienden hun documenten in tegen 15 maart 2004. De Vaste Werkgroep Curriculumhervorming bereidde over de gedetailleerde opleidingsvoorstellen, vaak na bijkomend overleg en herwerking, een advies voor, gebaseerd op een aantal publiek bekend gemaakte criteria. De Academische Raad deed op 10 juni 2003 een definitieve uitspraak over de overgrote meerderheid van de dossiers van 2004-2005. Over een beperkt aantal dossiers vielen de beslissingen pas in september tot november 2003. De dossiers van 2005-2006 werden definitief goedgekeurd in oktober 2004.
De werkwijze in fase 2 heeft als voordeel dat alle belangrijke beslissingen genomen zijn ongeveer één academiejaar voor de eigenlijke start van de omgevormde opleidingen. Er rest dan nog voldoende tijd voor de finalisering van de voorbereidingen.
De tweede fase is voorlopig nog niet afgerond voor de initiële masteropleidingen en de master na masteropleidingen die na 2005-2006 van start gaan. De enigszins aangepaste procedures voor deze opleidingen worden, ten behoeve van de verantwoordelijke POC’s en andere betrokkenen, verduidelijkt onder interne richtlijnen en procedures voor curriculumontwikkeling: omvormingen in het kader van de bachelor-masterstructuur, met inbegrip van schakel- en voorbereidingsprogramma’s op deze website. Bijkomende informatie over de Vaste Werkgroep Curriculumhervorming, over ondersteuning bij het voorbereiden van currriculumvoorstellen, enz. is eveneens beschikbaar.
