|
Kunnen homoseksuele beleving en christelijk gelovig leven samengaan? Dat is de achterliggende vraag van dit proefschrift. Homoseksualiteit blijft tot op vandaag binnen de katholieke kerk zoals in vrijwel alle godsdiensten een moeilijk te hanteren fenomeen. Het negatieve antwoord van het leergezag op de gestelde vraag wordt door gelovige homos allesbehalve als bemoedigend en moreel verhelderend ervaren, maar als kwetsend en uitsluitend. Daar tegenin is tijdens de laatste veertig jaar in het Westen een homobevrijdingstheologie op gang gekomen. Zij loopt parallel met een steeds grotere maatschappelijke zichtbaarheid van homos en het ontstaan van een eigen openbare homocultuur. Die theologie probeert ontvoogding, streven naar gelijkwaardigheid, opbouw van een zelfbeeld van de homo en spritualiteit samen te houden en pastoraal werkbaar te maken. Sommige theologen kiezen voor een vrij directe confrontatie met de officieel-kerkelijke leer, anderen leggen de nadruk op het ontwikkelen van een eigen visie. In dat alles krijgt de emancipatie de grootste aandacht. De bevrijdende God staat centraal. Nu blijkt dat het denken in verband met de maatschappelijke ontvoogding van homos en de bijhorende sociologische studies ons weinig zeggen over de homoseksualiteit en de homoseksuele mens zelf, noch over de morele vragen in dat verband, en bovendien te sterk in de sfeer van een nabootsing van de heterowereld blijven steken. De oorspronkelijke intuïtie van dit proefschrift is, dat een lichamelijk verankerde benadering van de homoseksuele mens en zijn seksualiteit ons meer kan leren over het eigene van de homoseksuele beleving dan het emancipatiedenken, en dat de emancipatie zelf binnen kerk en maatschappij haar profijt doet met die benadering. Benevens die laatste moet ook het eigene van het christelijk gelovige leven opgespoord worden, wil de achterliggende vraag van het onderzoek een antwoord krijgen. Het proefschrift telt drie delen. In het eerste deel worden homobevrijdingstheologische benaderingen op hun verdiensten en hun tekorten besproken. Ook het nieuwe accent van de lichamelijke verankering in het kerkelijke denken over (homo)seksualiteit wordt onderzocht. Beide pistes leiden naar de bevestiging dat een lichamelijke verankering en een morele vraagstelling in het spreken over homoseksualiteit wel degelijk onontbeerlijk zijn. Het tweede deel bestudeert ten gronde een voorbeeld van een lichamelijk verankerd en moreel denken over seksualiteit, namelijk bij de Franse moraaltheoloog Xavier Lacroix. Hij vertrekt vanuit de lichamelijk-seksuele gebaren van tederheid, die al de betekenis van zich geven in zich dragen. Hij interpreteert die dan verder in zijn beschouwing van de lichamelijke eenwording als een wederzijdse gave, en verder als het huwelijksverbond. Doch zijn analyses van het lichamelijk-seksuele verschil tussen man en vrouw brengen hem tot een negatieve beoordeling van de homoseksuele beleving en tot een radicale afwijzing van haar maatschappelijke inbedding. In het derde deel wordt enerzijds Lacroixs negatieve benadering van homos aan een kritiek onderworpen, maar anderzijds worden een aantal elementen van zijn methode toegepast op de homoseksuele beleving. Vanuit een beschrijving van de seksuele gebaren van de mannelijke homo, blijkt dat die de betekenis hebben van een contactiliteit (samen-voelen), dat op zich nog geen morele betekenis heeft. Dat samen-voelen moet echter doorgroeien naar een liefdevolle zelfgave, de uitdrukking van een morele ingesteldheid. Voor de gelovige wordt die laatste bevrucht door de openbaring: God schenkt zichzelf als liefde weg aan de mens in het leven van de Drie-eenheid, en roept de mens op die liefde verder te schenken en te beleven. Er is slechts sprake van homoseksuele liefde als het samen-voelen steeds meer van die goddelijke liefde wordt doordrongen. Op de vraag of homoseksuele beleving en christelijk gelovig leven kunnen samengaan, antwoordt het proefschrift dat de homoseksuele beleving een positieve mogelijkheid is om de uitstromende liefde van de drie-enige God, die de mens in het leven wenst en roept, verder gestalte te geven in liefdevolle seksuele relaties en aldus in de medewerking aan de opbouw van het Rijk Gods.
|