Statuten buitenlandse studenten en onderzoekers

Buitenlandse personen die aan de KU Leuven wensen te studeren of voor lange of korte duur in het kader van het onderwijs of het onderzoek aan de universiteit wensen te verblijven, zijn onderworpen aan de bepalingen van de Vreemdelingenwet (wet van 15 december 1980). Deze wet bepaalt de voorwaarden waaronder deze buitenlandse personen een recht krijgen op verblijf en de procedure die daarbij moet worden gevolgd. Personen die daaraan niet beantwoorden, worden niet toegelaten tot het land of kunnen met een verwijderingsmaatregel uit het land worden gezet.

1. Categorieën

Op grond van de verschillen in verblijfsstatuut en de eerste wetswijzigingen van 1998 en de nieuwe van 2003 worden de buitenlandse personen die aan de KU Leuven verblijven gegroepeerd in verschillende categorieën.

De inlichtingenfiche geeft volgende items overzichtelijk weer:
  • Reglementair kader
  • Definitie
  • Statuut aan de KU Leuven en registratieverplichting
  • Het verblijfsstatuut ten aanzien van de Dienst Vreemdelingenzaken die de verblijfsvergunningen uitreikt
  • Het statuut ten aanzien van de Migratiedienst die de eventuele arbeidskaarten toekent. Hiermee wordt bedoeld: het sociaal-juridisch statuut van betrokkenen t.a.v. het ministerie voor Tewerkstelling en Arbeid
  • Statuut van de financiering (beurs of wedde) i.f.v. het soort onderzoek: fiscale en sociale verplichtingen
  • Verplichte verzekeringen
  • De instantie aan de KU Leuven voor de dossieropvolging
  • De aanvraagprocedure met link naar de aanvraagformulieren
  • Het reglement dat van toepassing is

De fiche per categorie wordt altijd opgemaakt enerzijds voor EER-burgers en anderzijds voor niet-EER-burgers. Het onderscheid is noodzakelijk omdat de EU-burgers - en daarmee gelijkgesteld de onderdanen van Noorwegen, Ijsland en Liechtenstein een veel soepeler verblijfsrecht hebben. Zij moeten geen machtiging tot voorlopig verblijf aanvragen vanuit het buitenland en kunnen zonder veel formaliteiten naar België komen en hier verblijven. Zij moeten ook niet in het bezit zijn van een arbeidskaart als ze hier als postdoctorale onderzoeker of gastprofessor zijn aangesteld.

2. Verblijfstatuut

Europese Economische Ruimte =

- EU (België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Groot-Brittannië, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Zweden Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovakije, Slovenië,Tsjechië )
- Nieuwe lidstaten (Roemenie en Bulgarije )
- Ijsland, Liechtenstein, Noorwegen.

Het onderscheid EER-burger versus niet-EER-burger is cruciaal. EER-burgers zijn burgers die de nationaliteit en het paspoort hebben van een land dat behoort tot de Europese Economische Ruimte. Binnen de EER is er vrij verkeer van o.m. studenten en onderzoekers. Dit betekent dat de burgers vrij kunnen reizen in de verschillende lidstaten en het recht op verblijf slechts aan minimale voorwaarden is onderworpen. Voor Zwitserland geldt eveneens een soepel verblijfstatuut als student en voor Monaco gelden dezelfde regels als voor Frankrijk.

Binnen de EER ondertekenden een aantal lidstaten het verdrag van Schengen. Het belangrijkste gevolg ten aanzien van het verblijfsrecht is dat een niet-EER-burger die naar België wenst te komen voor een verblijf van maximum drie maanden niet meer een specifiek visum voor België aanvraagt, maar een Schengenvisum. Dergelijk visum verleent automatisch het recht op toegang tot de andere Schengenlanden tenzij in het visum hiervoor voorbehoud is gemaakt. Dit Schengenvisum is aan strengere voorwaarden onderworpen dan het vroegere toeristenvisum. Een aantal landen zijn voor kort verblijf vrijgesteld van dit Schengevisum (visum type C).

Burgers die niet tot de EER behoren hebben geen recht op vrij verkeer. Om naar België te komen voor een periode langer dan drie maand hebben zij een machtiging tot voorlopig verblijf nodig. Deze machtiging is een visum van het type D dat de Dienst Vreemdelingenzaken via de diplomatieke posten in het buitenland uitreikt aan personen die naar België wensen te komen om te studeren, te werken of onderzoekswerk te verrichten.

3. Migratiestatuut

Met de publicatie van het koninklijk besluit van 16 februari 1998 en de ministeriële besluiten van 11 februari en 2 maart 1998 in het Staatsblad van 17 maart 1998 is een punt gezet achter het tijdperk van de "vrijstelling van arbeidskaart" die werd verleend aan de "vrije onderzoekers" van buiten de EER die aan de Belgische universiteiten verbleven. Van 17 maart 1998 af gold de nieuwe regeling van de toekenning van een arbeidskaart B aan de postdoctorale onderzoekers en gastprofessoren niet-EER. Eén en ander heeft een belangrijke herschikking van het contingent buitenlandse onderzoekers aan de universiteiten en wetenschappelijke instellingen tot gevolg gehad.
Het K.B. van 6 februari 2003 (B.S. 27.02.2003) wijzigt opnieuw de reglementering. Op bepaalde punten werd de regeling versoepeld, in het bijzonder voor postdoctorale onderzoekers in internationale mobiliteit die vrijgesteld worden van het bezit van een arbeidskaart onder strikte voorwaarden.

4. Beurzenstatuut

Aan de problematiek van het verblijfsrecht is de problematiek van de beurzen gekoppeld. Buitenlandse studenten en postdoctorale onderzoekers kunnen - eveneens onder strenge voorwaarden - een beurs verkrijgen die, al naar gelang het geval, fiscaal en/of van sociale zekerheid is vrijgesteld.
Onder strikte voorwaarden kunnen onderzoeksbeurzen die fiscaal zijn vrijgesteld, worden toegekend aan doctorandi en postdoctorandi. Als essentiële voorwaarde geldt dat beurzen enkel toegestaan worden voor fundamenteel, ongebonden wetenschappelijk onderzoek. Dit houdt in dat het onderzoek autonoom wordt uitgeoefend buiten elk dienstverband of beroepsactiviteiten als zelfstandige. Naast de afwezigheid van het ondergeschikt verband is de belangeloosheid van het uitgevoerde onderzoek essentieel in de zin dat de financieringsinstantie géén rechtstreeks voordeel uit het geleverde onderzoek haalt en dat de beurzen evenmin een tegenprestatie vormen voor een beroepsactiviteit, uitgeoefend hetzij als werknemer, hetzij als zelfstandige.

Ook in deze wetgeving zijn er ingrijpende wijzigingen te signaleren, waarvan de belangrijkste de onderwerping aan de sociale zekerheid betreffen van de doctoraatsbursalen in uitvoering van artikel 3bis in het uitvoeringsbesluit van 28 november 1969 betreffende de sociale zekerheid. In 2003 (B.S. 26 maart 2003) verscheen ook in dit dossier een belangrijke wetswijziging: alle niet-EER-postdoc- en niet-EER-doctoraatsbursalen zijn sinds 1 juli 2003 aan gereduceerde RSZ-bijdragen onderworpen voor zover zij tijdelijk verblijven in België en voor zover er geen sociale zekerheidsverdragen zijn afgesloten met het land van herkomst.

Een strenger toezicht van de overheid noopte de KU Leuven in 1999 tot een doorlichting van het beurzensysteem. Eén en ander heeft geleid tot de beslissingen van het College van Bestuur waarbij de regels van toekenning van beurzen en modaliteiten van onderwerpen aan de fiscus of de RSZ duidelijk werden aangegeven. Deze oefening werd in 2003 overgedaan. Elke beurs wordt getoetst aan de fiscale regels en er wordt nagegaan of de beurs vrijgesteld is van RSZ of onderworpen. Deze toetsing gebeurt door de Commissie Toelatingsbeleid die alle aanvragen checkt.