De zee is leeg

Vandaag maakt de International Council for the Exploration of the Sea zijn rapport bekend over de toestand van commerciële vissoorten in het noordoosten van de Atlantische Oceaan. Daarin staat dat de meeste vissoorten nog altijd veel te zwaar bevist worden. De kabeljauwvoorraden, bijvoorbeeld, zijn op sommige plaatsen zo goed als uitgeroeid, en de ICES vraagt dan ook een totaal visverbod op de soort in 2007.

Maar zullen de Europese overheden naar die raad luisteren, als straks de visquota voor volgend jaar worden toegekend? Vaak primeert de economie, en daarover maken we ons ernstig zorgen.

Er is een overvloed aan wetenschappelijk bewijs dat de oceanen zwaar te lijden hebben onder de druk van overbevissing. Enkele feiten:

  • Alle roofvissen (tonijn, zwaardvis, grote haaien, volwassen kabeljauw) zijn met 90 procent afgenomen ten gevolge van het wegvissen over de laatste vijftig jaar. Het verdwijnen van die roofvissen geeft grotere overlevingskansen aan hun prooien, zoals haring, grondels en sprot. Die worden dus talrijker en eten meer zoöplankton (microscopisch kleine drijvende kreeftjes). Zoöplankton voedt zich op zijn beurt met fytoplankton (vrij zwevende eencellige algjes). Als dat minder ‘afgegraasd’ wordt, vergroot de kans dat het ecosysteem grondig gewijzigd wordt en grotere schommelingen meemaakt.
  • Ook vissen zoals pladijs, tong, schar, wijting en schelvis lijden onder overbevissing. Grote, oudere dieren worden gevangen en jonge dieren worden sneller geslachtsrijp. Maar oudere vissen zijn de ‘verzekering’ van een visstock. Jonge generaties zijn niet zo vruchtbaar, waardoor visstocks grote risico’s lopen op falen en misschien zelfs instorten.
  • De Belgische visserij neemt geleidelijk af (minder maar krachtiger boten, minder vangdagen) maar blijft wel bestaan in de zuidelijke Noordzee, het Kanaal en de Ierse Zee. Hoewel de Belgische visvangst maar een fractie vertegenwoordigt van de vangsten op wereld- en Europese schaal, is vooral de wijze waarop wordt gevist niet duurzaam. Zware boomkorren woelen de bodem om op zoek naar vooral platvis en vernietigen daarbij de natuurlijke biotopen, inclusief de riffen, die allang niet meer zo talrijk en uitgebreid zijn.
  • Tegelijk stijgt de temperatuur van het Noordzeewater, zodat koudwatersoorten (kabeljauw en garnaal) minder talrijk worden en warmwatersoorten meer opduiken (lipvis en steurgarnaal). De temperatuursverandering gaat relatief snel, en de natuur lijkt moeite te hebben om deze wijzigingen te verwerken. Overbevissing vermindert de kans dat mariene ecosystemen de gevolgen van de opwarming van het zeewater verwerken.

Tot zover enkele vaststellingen die al langer bekend zijn. Maar nieuwe technologieën, zoals genomica (de studie van de volledige erfelijke blauwdruk), hebben tot verontrustende nieuwe inzichten geleid:

  • Van de vele miljoenen vissen per soort die de oceaan bevolken, zorgt amper een fractie voor nakomelingen. Overbeviste populaties dreigen daardoor hun genetische diversiteit te verliezen. Daar bovenop hebben veranderingen in het ecosysteem (onder meer voedselaanbod) een negatieve invloed op de overleving van eerstejaars visbroedsel.
  • Mariene genetici hebben vastgesteld dat de genetische blauwdruk wordt aangetast. Vissers vangen de beste (de grootste en genetisch veelal de meest aangepaste) vissen weg, terwijl net die een garantie vormen op een stabiele toekomst. De Noordzeestocks van tong en kabeljauw ondervinden daar sinds de jaren 1960 de invloed van. Voor elk jaar dat de overbevissing doorgaat, is er vier tot vijf keer zoveel tijd nodig om de situatie te herstellen (in de gunstige veronderstelling dat het verzwakte ecosysteem al standhoudt).

Alleen een volgehouden gecoördineerde politieke aanpak kan tot een duurzaam beheer leiden van de vispopulaties in de oceanen. België moet internationaal zijn rol durven opnemen, vooral omdat de Belgen grote consumenten zijn van wildvangsten en aquacultuur (bijna 300 000 ton per jaar). Welke zijn de objectieve en reële oplossingen voor een duurzame Belgische visserij?

  • Wegwerken van verschil in opgegeven en effectieve vangst. Er wordt door de visserijvloot van de EG-lidstaten (en de zeehengelaars) vermoedelijk meer gevist uit de Noordzee dan officieel wordt meegedeeld.
  • Vervangen van de schadelijke boomkorren en warrelnetten door selectieve visserij.
  • De selectiviteit van de (garnaal-)visserij verhogen, om te vermijden dat samen met garnalen kleine vissen worden gevangen die anders blijven rondzwemmen als voedsel voor roofvissen, of die nog de tijd moeten krijgen om op te groeien en zich voort te planten.
  • Doorzetten en verder uitbouwen van het ecosysteembeheer, met aandacht voor de zwakke schakels. Vroeger gebeurde het visserijbeheer soort per soort, daarna op basis van soortgroepen (bijvoorbeeld platvissen), en nu gelukkig meer en meer rekening houdend met alle organismen in het systeem.
  • Strikt Europees quotabeheer, waarbij politieke overheden rekening houden met de waarnemingen van visserijexperten. België laat zich tijdens de jaarlijkse novemberbijeenkomst steevast leiden door een socio-economische visie (in de zin van ‘het gaat goed met de zee en we zorgen vooral voor de economie’). Maar veeleer vroeg dan laat zal dat tot een complete ondergang van de visserij leiden.
  • Afbakenen van beschermde gebieden in de hele Noordzee, met aandacht voor paaiplaatsen, kinderkamers, voedselgronden en delicate habitatten (riffen van wormen en schelpdieren). Daarbij moet ook aandacht gaan naar de verplaatsingen en migraties van soorten, want vooral vissen, zeevogels en zeezoogdieren maken gebruik van een uitgebreid leefgebied dat vaak duizenden vierkante kilometers bestrijkt. Het weren van de visserij uit dergelijke gebieden, zal uiteindelijk leiden tot een verhoogde en duurzame opbrengst. Maar dat realiseren vraagt een breed politiek draagvlak.
  • Terugdringen van niet duurzaam gevangen wilde vis. Spijtig genoeg is de lijst van niet duurzaam gevangen vissoorten uitgebreid. Het komt er doorgaans op neer dat ofwel destructieve vismethodes worden gebruikt (drijfnetten in de open oceaan), dat er op een stock wordt gevist als de veilige biologische ondergrens al overschreden is (tong en kabeljauw uit de Noordzee) of dat er te veel ‘onschuldige’ organismen samen met de gerichte vangst verloren gaan (gambagarnaal).

De Belg geeft veel om zijn strand maar zijn zee verwaarloost hij grondig. Onze boodschap blijft eenvoudig: de zee is leeggevist, de gevolgen laten zich op veel fronten voelen en doortastende beleidsmaatregelen zijn dringend nodig om de toestand te keren. Op Europees niveau moeten België en Vlaanderen dergelijke beleidsmaatregelen mee ondersteunen.

Filip Volckaert, Gregory Maes, Joachim Maes, Frans Ollevier, Jos Snoeks, Wim Van Neer, Katholieke Universiteit Leuven
Patrick Meire, Universiteit Antwerpen
Peter Bossier, Steven Degraer, Carlo Heip, Frank Maes, Tom Moens, Jan Vanaverbeke, Magda Vincx, Universiteit Gent
Christiane Lancelot, Université Libre de Bruxelles

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Laboratorium voor Aquatische ecologie van de K.U.Leuven (professor Filip Volckaert) op het telefoonnummer 016 32 39 66.