Het semesterexamensysteem aan de K.U.Leuven (beslissing
Academische Raad van 9 oktober 2000) Beschrijving en richtlijnen voor
uitwerking
- Situering
- De vernieuwde jaarindeling
- Toepassingsgebied
en timing van invoering
- Algemene principes voor
de samenstelling van de programmas
- Examens
- Bijzondere maatregelen
voor laatstejaarsstudenten
- Begeleiding van eerstejaarsstudenten
- Tijdschema van de voorbereidingsactiviteiten.
1. Situering
1.1. Mede gebaseerd op een omstandig advies van
de Onderwijsraad en na uitvoerige discussie besliste de Academische Raad
van 9 oktober tot de algemene en gelijktijdige invoering van een semesterexamensysteem
(SES) in alle opleidingen en alle studiejaren (1ste en 2de
cyclus, VAO's, lerarenopleiding) vanaf 2001-2002. Daartoe wordt ook een
vernieuwde jaarindeling gehanteerd.
1.2. De beslissing is gebaseerd op een veelheid
van overwegingen. Een semesterexamensysteem, indien adequaat geïmplementeerd,
spreidt de studiedruk beter en leidt tot diepere verwerking. Een positief
effect op de slaagcijfers is hiervan een verhoopt effect. De Onderwijsraad
verwees zowel naar pro's en cons van het systeem (cf. Advies Onderwijsraad
1997), maar in het kader van Begeleide Zelfstudie als onderwijsconcept
van de K.U.Leuven is de optie om "evaluatie" in te bouwen tijdens
en/of onmiddellijk aansluitend bij de andere onderwijs- en studieactiviteiten
m.b.t. een opleidingsonderdeel vrij dwingend. Ten slotte is er het belangrijke
onderwijspolitieke argument van de bewegingen in het Europese onderwijsveld
in de richting van een echt semestersysteem (en vervolgens een creditsysteem)
en van grotere flexibilisering, en zijn er de te verwachten ontwikkelingen
in het kader van de Bologna-verklaring (uitwerking Bachelor-Masterstructuur).
Het geheel van deze bewegingen zal ongetwijfeld eveneens de internationale
uitwisseling van studenten bevorderen.
1.3. Duidelijk is evenwel dat het welslagen van
deze operatie afhankelijk is van de invulling van een aantal randvoorwaarden
die duidelijk maken dat een louter administratieve ingreep niet aangewezen
is. Meer bepaald moet de operatie zinvol en beheersbaar worden ingepast
in het kader van Begeleide Zelfstudie als totaalconcept. De operatie biedt
immers nadrukkelijk verdere kansen voor onderwijsinnovatie. Verder moeten
de opleidingen bij het uitwerken van het systeem reeds rekening houden
met een latere evolutie naar een volwaardig semestersysteem. Een dergelijk
systeem gaat onder meer gepaard met de opheffing van het jaarsysteem waardoor
studenten in principe hun studie bij het begin van elk semester kunnen
aanvatten en met het toekennen na elk semester (definitief verworven)
credits voor de met succes afgeronde opleidingsonderdelen. Ten
slotte moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van bepaalde
doelgroepen van studenten.
1.4. Om de opleidingen te ondersteunen in de hervorming
van hun programma's op basis van deze krachtlijnen werd een geheel van
richtlijnen en oriëntaties uitgewerkt. Ze worden hierna systematisch uiteengezet.
Achtereenvolgens komen aan bod, na (1) de bovenstaande situering: (2)
de jaarindeling; (3) toepassingsgebied van het SES en timing van invoering;
(4) algemene principes voor de programmahervorming; (5) examens; (6) bijzondere
maatregelen voor laatstejaarsstudenten; (7) begeleiding van eerstejaarsstudenten;
en (8) tijdsschema van de voorbereidingsactiviteiten.
2. De vernieuwde jaarindeling
Een schematisch overzicht van de vernieuwde jaarindeling
vindt u in het bijgevoegde document jaarschema.
2.1. Eerste semester
Het eerste semester omvat 13 weken onderwijs- en studieactiviteiten
die afgerond worden voor de kerstvakantie. De twee weken kerstvakantie
worden gevolgd door 2 weken blok en 2 weken examens. Aansluitend volgt
een week vakantie.
2.2. Tweede semester
Het tweede semester omvat eveneens 13 weken onderwijs-
en studieactiviteiten, onderbroken door 2 weken paasvakantie. Na de 13
weken volgen 2 weken blok, 3 weken examens en 1 week deliberaties.
2.3. Zomeronderbreking, tweede zittijd, en overgangsweek
Na een zomeronderbreking van 6 weken volgt de tweede
zittijd, die bestaat uit 3 weken examens en 1 week deliberaties. Voor
opleidingen die kunnen motiveren dat 4 weken nodig zijn om alle examens
te kunnen programmeren is er een zomeronderbreking van 5 weken, gevolgd
door 4 weken examens.
Tussen het einde van de deliberaties en het begin van het nieuwe eerste
semester blijft één vrije week over.
2.4. Vakantieperiodes
Over het hele jaar gezien zijn er dus de volgende vakantieperiodes:
twee weken rond Kerstmis, één week na de examens van het eerste semester,
twee weken rond Pasen, en elf weken in de zomer voor wie in de eerste
zittijd slaagt (zes of vijf weken voor wie niet slaagde).
3. Toepassingsgebied
en timing van invoering
Als principe wordt gesteld dat het SES wordt ingevoerd,
met ingang van het academiejaar 2001-2002, in alle opleidingen en alle
studiejaren (1ste cyclus, 2de cyclus, VAO's en lerarenopleiding),
binnen de vernieuwde jaarindeling.
3.1. In elk geval wordt het SES ingevoerd vanaf
2001-2002 in alle studiejaren van de eerste cyclus.
3.2. Voor de 2de cyclus (of delen ervan),
voor de VAOs en de lerarenopleiding kan men bij de Academische Raad
een gemotiveerde aanvraag indienen tot uitstel van invoering met één jaar
(zij moeten het SES in elk geval invoeren vanaf 2002-2003). Men moet dan
wel aangeven hoe men in 2001-2002, binnen de nieuwe jaarindeling, een
zinvolle invulling zal geven aan de eerste 4 weken na de kerstvakantie.
3.3. Voor bepaalde jaren van de 2de
cyclus en de VAOs kan als uitzondering een permanente afwijking
van het SES aan de Academische Raad gevraagd worden.
4. Algemene principes voor
de samenstelling van de programmas
4.1. Twee volwaardige semesters
a) Principe
De faculteiten moeten de transformatie van hun opleidingen
van een jaarexamensysteem naar een semesterexamensysteem uitvoeren in
het perspectief van een latere invoering van een semestersysteem en op
basis van een gelijkmatige verdeling van de studieomvang tussen de semesters.
b) Implicaties
- Het totale opleidingsprogramma wordt het best zo gestructureerd en
gepresenteerd dat (later) flexibiliteit in start- en eindmoment van
studeren en afstuderen en flexibiliteit in de samenstelling van een
studieprogramma mogelijk is (wordt). Een bezinning over de structuur
van het opleidingsprogramma, die verder gaat dan een louter administratieve
herschikking, dringt zich dus op. De herprogrammering moet op verstandige
wijze gebeuren, d.w.z. dat opleidingsonderdelen coherent geordend moeten
zijn. Een aantal alternatieven en kenmerken van coherent geordende curricula
zijn beschreven in resp. Kadertje 7 en Kadertje 15 van de brochure Curriculumontwikkeling
aan de K.U.Leuven (deze brochure kan worden aangevraagd bij DUO
of kan via het net worden geconsulteerd op http://www.kuleuven.ac.be/duo/curriculum).
- Opleidingsonderdelen worden in principe zo geprogrammeerd dat ze integraal
afgerond worden binnen één semester. Uitzonderlijk en slechts wanneer
dit strikt onderwijskundig verantwoord is, kan een opleidingsonderdeel
gespreid worden over meer dan één semester.
- Elk semester moet volwaardig zijn. Het eerste semester in het bijzonder
moet bestaan uit een substantieel aantal opleidingsonderdelen, geoperationaliseerd
als ongeveer 1/2 van het jaarpakket. Hierbij wordt best niet uitsluitend
gekeken naar het aantal opleidingsonderdelen op zich, maar ook en nadrukkelijk
naar de studieomvang (studiepunten). Anders geformuleerd, in het eerste
semester worden opleidingsonderdelen geprogrammeerd ter waarde van ongeveer
30 studiepunten.
Voor enkele basisbegrippen en uitgangspunten t.a.v. het toekennen van
studiepunten en het inschatten van de studieomvang zie Bijlage 1 van
de brochure Handleiding Studietijdmetingen (deze brochure
kan worden aangevraagd bij DUO of kan via het net worden geconsulteerd
op http://www.kuleuven.ac.be/duo/studietijdmeting).
- Het totaal aantal opleidingsonderdelen per studiejaar is als streefdoel
niet hoger dan 10. Onder opleidingsonderdeel wordt hierbij
verstaan het geheel van onderwijsactiviteiten, soms bestaande uit meerdere
componenten (bv. hoorcolleges en practicum), die op de deliberatie aanleiding
geven tot één eindquotering.
4.2. Begeleide Zelfstudie en studieomvang
a) Principe
De transformatie naar een SES moet aangegrepen worden
als een unieke gelegenheid om zich te bezinnen over en vorm te geven aan
de (verdere) implementatie van Begeleide Zelfstudie als globaal onderwijsconcept
van de K.U.Leuven, binnen de grenzen van de decretaal vastgelegde maximale
studieomvang van een jaarprogramma tussen 1500 en 1800 uren.
b) Implicaties
- Een goed begrip van het concept Begeleide Zelfstudie vormt het vertrekpunt
voor de analyse van vragen rond aantal contacturen, onderwijs- en evaluatievormen.
In dat perspectief moet een verantwoorde keuze worden gemaakt met betrekking
tot: (1) de dosering van contacturen en uren zelfstandig werken, (2)
de vormen van begeleiding (voor eerstejaars, zie in het bijzonder punt
7 infra), (3) in de tijd geconcentreerde versus gespreide onderwijsactiviteiten
(in modules van een aantal weken of gespreid over een heel semester),
(4) permanente versus eindevaluatie, enz.
Een aantal richtlijnen en suggesties voor de implementatie van begeleide
zelfstudie binnen vernieuwde curricula kunnen gevonden worden in Kadertje
6 (Begeleide Zelfstudie en de doelstellingen van het universitair onderwijs),
Kadertje 8 (Begeleide Zelfstudie en onderwijsmethoden), en Kadertje
13 (Bouwstenen voor een leerscenario) van de brochure Curriculumontwikkeling
aan de K.U.Leuven (deze brochure kan worden aangevraagd bij DUO
of kan via het net worden geconsulteerd op http://www.kuleuven.ac.be/duo/curriculum).
- De conceptualisering en implementatie van "13 weken onderwijs,
gevolgd door blok en examens" mag dus niet beperkt blijven tot
het administratief comprimeren van het nu "geprogrammeerde"
aantal contacturen (in een 14-15 weken systeem) binnen een semester
van 13 weken (dus niet: "ik gaf x uren in 14 weken, ik zal nu ook
x uren geven in 13 weken").
- In het perspectief van bovenstaande moet het begrip "studiepunten"
als uitdrukking van de normatieve studieomvang een centraal aandachtspunt
zijn. Zowel voor een semester als geheel als voor elk opleidingsonderdeel
daarbinnen is het aantal studiepunten die ervoor in het curriculum worden
aangemeten het richtsnoer voor beslissingen i.v.m. gevraagde onderwijs-
en studie-inspanningen. De decretale limiet van 750 uren tot maximaal
900 uren per semester (13 weken + blok + examens) moet gerespecteerd
worden. Net zo min als het totaal aantal contacturen per
opleidingsonderdelen mag stijgen, mag ook het totaal aantal contacturen
per week niet hoger liggen dan het huidig aantal per week.
Verdere informatie kan worden aangetroffen in de brochure Handleiding
Studietijdmetingen (deze brochure kan worden aangevraagd bij DUO
of kan via het net worden geconsulteerd op http://www.kuleuven.ac.be/duo/studietijdmeting).
5. Examens
5.1. Aantal examens na het eerste semester
a) Principe
Onder 4.1 werd uitgegaan van het principe van twee volwaardige
semesters en van de gedachte dat opleidingsonderdelen (tenzij onderwijskundig
verantwoord) integraal worden afgerond binnen één semester. Hieruit werden
naar examens toe de onderstaande implicaties afgeleid.
b) Implicaties
- De examenprogrammatie moet toelaten dat examen wordt afgelegd over
1/3 tot 1/2 van het totaal aantal opleidingsonderdelen van het studiejaar
(maar zie verder met betrekking tot de eerste kandidatuur). Gelieve
in dit verband ook rekening te houden (cf. supra) met studiepunten als
criterium.
- In principe worden er examens ingericht over alle afgewerkte opleidingsonderdelen.
- Voor een opleidingsonderdeel dat over meer dan één semester loopt
kan uitzonderlijk een examen worden georganiseerd over een deel van
het opleidingsonderdeel.
- Het totaal aantal examens, over de twee semesters samengenomen, mag
in principe niet hoger liggen dan het huidige aantal.
- Essentieel dient gewaakt te worden over normconstantie. Normen in
januari mogen niet hoger of lager zijn dan de normen nu gehanteerd (in
juni) in een jaarexamensysteem.
- De beslissing over welke opleidingsonderdelen examen worden georganiseerd
is niet afhankelijk van de individuele keuze van de titularis. Beslissingen
ter zake worden door de POC genomen bij de programmatie van het gehele
opleidingspakket.
5.2. Modaliteiten van deelname, mededeling van resultaten
en herkansingen
a) Principes
- De deelname aan de examens na het eerste semester is verplicht. Zij
maken integraal deel uit van de eerste zittijd. Wie niet deelneemt in
januari kan het examen niet meer afleggen tijdens de examenperiode van
juni, behoudens in gevallen van erkende overmacht.
- De resultaten behaald op de januari-examens worden aan de studenten
individueel meegedeeld.
- Examens, afgelegd in januari, kunnen, in geval van een onvoldoende,
niet worden overgedaan tijdens de examenreeks na het tweede semester.
Gelegenheid tot herkansen krijgt men slechts in de augustus-september
zittijd.
b) Implicaties
- Bovenstaande principes zijn aanleiding tot een grondige herwerking
van het examenreglement. Deze taak wordt centraal ter harte genomen.
Het nieuwe examenreglement wordt later meegedeeld, na onderzoek en advies
door de bevoegde diensten en raden.
- Principe 2 impliceert dat de studenten duidelijk geïnformeerd worden
over de deliberatieprincipes. (cf. advies van de Onderwijsraad in verband
met de transparantie van de deliberaties, 1998) en het genuanceerd gebruik
ervan. Concreet betekent dit dat de studenten (en de docenten) voor
aanvang van de examenperiodes de kwantitatieve principes kennen, die
als uitgangsbasis dienen voor de voorstellen van beslissing op de deliberaties.
Deze principes moeten dus worden meegedeeld via een bericht ad valvas
of via een facultaire studiegids.
- De 3 principes impliceren dat studenten (in het bijzonder eerstejaars,
cf. infra) goed gecoached worden inzake de voorbereiding van de examens
en inzake hun perceptie van examenuitslagen. Ten slotte, feedback en
duiding van de behaalde resultaten na het eerste semester is een must.
6. Bijzondere maatregelen
voor laatstejaarsstudenten
6.1 Bijzondere en aangepaste maatregelen en modaliteiten
voor de opleidingen waar in het laatste jaar (of desgevallend het voorlaatste
jaar) een belangrijke plaats weggelegd is voor de verhandeling en/of stage
dienen te worden uitgewerkt. Hierbij kan gedacht worden aan de uitwerking
van een gestructureerd plan van begeleiding met een duidelijke tijdsstructuur
die aangepast kan worden in functie van de indeling van het academiejaar,
duidelijke afspraken over de omvang van de verhandeling,... Ook door opleidingen
met stages zullen eigen modaliteiten moeten worden uitgewerkt.
6.2 Binnen een faculteit wordt inzake deze modaliteiten
best uniformiteit nagestreefd tussen de verschillende opleidingen.
7. Begeleiding van eerstejaarsstudenten
De specifieke situatie van de eerstejaarsstudenten verdient
bijzondere aandacht, omwille van het feit dat het gaat om een niet-geselecteerde
groep van studenten met een heterogene achtergrond die in een nieuwe studie-
en leefomgeving terecht komen en die geconfronteerd worden met andere
verwachtingen onder andere inzake zelfstandig studeren.
Gegeven deze specifieke situatie zijn de volgende begeleidingsmodaliteiten
voor deze groep aangewezen:
- Bijzondere inspanningen zijn nodig om de overgang naar het universitair
onderwijs en het universitair leven te vergemakkelijken. Er worden daartoe
introductiedagen georganiseerd. Deze introductiedagen bestaan uit een
geheel van initiatieven uitgaande van zowel de faculteiten als de studentenkringen.
Deze activiteiten moeten uitdrukkelijk en op een duidelijk herkenbare,
onderling afgestemde manier georganiseerd worden. Op korte termijn is
overleg gepland om de organisatie van deze dagen verder geïntegreerd
vorm te geven.
- Deze studenten moeten kunnen rekenen op een degelijk onderbouwde begeleiding.
Deze begeleiding kan het best opgenomen worden door "een didactisch
team". In de maand november wordt hierover een voorstel dat door
de Onderwijsraad werd uitgewerkt, ter goedkeuring voorgelegd aan de
Academische Raad. Aansluitend zullen de faculteiten zo snel mogelijk
geïnformeerd worden, zodat zij de erin vervatte ideeën mee kunnen opnemen
in hun begeleidingsontwerp.
- Studenten moeten de mogelijkheid krijgen zich adequaat voor te bereiden
op de examens (zowel die van januari als die van juni). Omdat het -
gezien de beperkte periode van 13 weken - niet aangewezen noch mogelijk
is om gedurende één week (klassieke) proefexamens te organiseren, wordt
een systeem van tussentijdse toetsen opgestart. Voor het academiejaar
2001-2002 wordt voor elk vak uit de eerste kandidaturen verwacht dat
de titularissen in overleg met de POC-voorzitter tussentijdse toetsen
opstellen en de concrete modaliteiten bepalen voor de afname / het invullen
van deze toetsen. Belangrijk hierbij is dat deze studietoetsen representatief
zijn voor de definitieve examens en dat studenten feedback krijgen op
de door hen geleverde antwoorden. Voordeel van een systeem van tussentijdse
toetsen is dat er desgevallend meerdere studietoetsen voor een opleidingsonderdeel
kunnen worden aangeboden en dat ook voor de opleidingsonderdelen uit
het tweede semester toetsing en feedback wordt mogelijk gemaakt. De
organisatie van de studietoetsen wordt door de POC gecoördineerd. Ook
de controle op de feedback die achteraf wordt gegeven, is een belangrijke
taak voor de POC. Voor het ontwikkelen en aanbieden van deze tussentijdse
toetsen kan beroep worden gedaan op de onderwijsondersteunende diensten.
In samenwerking met de centrale diensten kunnen deze toetsen via het
web worden aangeboden. Vanaf 2002-2003 geldt de verplichting dat tussentijdse
toetsen (incl. de bijhorende feedback) voor elk vak uit de eerste kandidatuur
worden aangeboden. Er wordt momenteel in opdracht van het Gebu een algemeen
systeem ontworpen om de ontwikkeling en het uitwerken van deze tussentijdse
toetsen te faciliteren en op te volgen.
- Wat de omvang van het aantal examens betreft, lijkt het aangewezen
dat in januari voor studenten eerste kandidatuur examens worden georganiseerd
over 1/3 van het aantal opleidingsonderdelen. Ook hier geldt dat moet
rekening worden gehouden met het aantal studiepunten waarvoor de opleidingsonderdelen
staan. Het 1/3 is ingegeven door de zorg om de kansen te verkleinen
dat een student reeds na het eerste semester tot de conclusie komt dat
zijn/haar kansen om in juni te slagen verloren zijn.
- Feedback na de examens van het eerste semester moet zeer zorgvuldig
gebeuren, zowel op het niveau van de afzonderlijke opleidingsonderdelen
als op het niveau van het globale resultaat over alle examens heen.
De didactische teams (cf. supra) zullen in dit verband een
centrale rol spelen. De feedback waarover sprake moet zowel informatieve
als motiverings- en remediëringscomponenten bevatten. Onder meer moet
men de studenten met mindere resultaten wijzen op de versoepelde voorwaarden
met betrekking tot overdracht van punten naar de tweede zittijd (automatisch
recht op overdracht van elk examenpunt vanaf 12; bovendien ook overdracht
vanaf 10, indien men in het totaal 50% haalde of op minstens de helft
van de examens een 10 of meer haalde).
Bijzondere aandacht moet in dit verband gaan naar studenten uit sociaal-zwakkere
milieus die misschien voortijdig zouden afhaken. Verwijzing naar tweede
lijnszorg (dienst voor Studieadvies) kan hier aangewezen zijn.
- BELANGRIJKE EINDNOOT: het Gebu besliste om centraal voor initiatieven
in het kader van begeleiding van eerstejaars recurrent 20 miljoen op
de begroting in te schrijven, vermeerderd met 20 miljoen als matching
in te brengen door de faculteiten. Deze 20 miljoen zijn supplementair
aan eventueel toegekende middelen in het kader van de gewone OOI-projecten
(waarin eerstejaarsbegeleiding eveneens een prioritair thema is). Momenteel
wordt de procedure uitgewerkt waarbinnen deze middelen kunnen worden
aangevraagd. Zodra de procedure vastligt worden de faculteiten hierover
geïnformeerd.
8. Tijdschema van de voorbereidingsactiviteiten.
8.1. De faculteiten organiseren intern de voorbereiding
van de invoering van het SES via hun POCs en desgevallend via ad
hoc werkgroepen.
8.2. De gedetailleerde en gemotiveerde voorstellen
van de faculteiten, conform alle hierboven omschreven richtlijnen (punten
3 tot en met 7), worden zo snel mogelijk maar ten laatste tegen 1 maart
2001 overgemaakt aan de Dienst Onderwijscoördinatie op het rectoraat (electronisch
en als hard copy).
8.3. Gemotiveerde aanvragen tot één jaar uitstel
van invoering (zie punt 3.2) of tot "permanent" uitstel (zie
punt 3.3) moeten vroeger, nl. ten laatste tegen 1 februari 2001 worden
overgemaakt. Immers, indien wordt geoordeeld dat het uitstel niet kan
worden toegestaan, moet de faculteit in kwestie nog de tijd hebben om
alsnog een voorstel tot invoering in te dienen tegen dezelfde limietdatum
als de gewone invoeringsvoorstellen (nl. 1 maart 2001).
8.4. Aanvragen tot uitstel moeten aangeven welke
invulling in 2001-2002 zal worden gegeven aan de vier weken na de kerstvakantie.
8.5. De voorstellen zullen eerst worden onderzocht
(tegenover de richtlijnen vervat in dit document). Vervolgens worden zij
besproken op 2 bijzondere vergaderingen van de Academische Raad in april
2001.
8.6. Indien nodig, zullen de faculteiten verzocht
worden hun plannen bij te sturen (of verder te expliciteren).
8.7. Finale beslissingen worden genomen op de
Academische Raad van mei 2001. {text}
|