K.U.Leuven
  Zoeken naar Zoeken naar personeel Zoeken naar studenten Zoeken in het organigram Zoekmatrix Zoeken op trefwoorden

Begeleiding van studenten eerste kandidatuur aan de K.U.Leuven

Nota van de Onderwijsraad aan de Academische Raad

  1. Inleiding
  2. Begeleiding van studenten in de eerste kandidatuur in het licht van Begeleide zelfstudie
  3. Nieuwe structuur
  4. Implementatie en aanbevelingen

 1. Inleiding

De vaste werkgroep 'studiebegeleiding eerste kandidatuur' heeft de opdracht gekregen van de Onderwijsraad om de begeleiding van eerstejaarsstudenten te herdenken in het licht van Begeleide Zelfstudie als nieuw richtinggevend concept van universitair onderwijs.

Een dergelijke hertekening van de begeleiding dringt zich op omdat de basisfilosofie van Begeleide Zelfstudie erin bestaat kennisoverdracht én studiebegeleiding geïntegreerd aan te bieden, daar waar de wijze waarop het onderwijs tot dusver georganiseerd werd de mogelijkheid openliet om tussen beide componenten van het onderwijsaanbod te differentiëren, c.q. ze van elkaar te dissociëren. Het spreekt vanzelf dat van zodra die mogelijkheid wordt uitgesloten en geopteerd wordt voor een uitdrukkelijke integratie, de bestaande begeleidingsvormen en –structuren aan een min of meer grondige herziening toe zijn.

De nota neemt zich voor een dergelijke herziening door te voeren en de contouren en modaliteiten van een alternatief begeleidingsmodel voor eerstejaarsstudenten te expliciteren.

De nota gaat daarbij uit 1) van een concretisering van de begeleiding van eerstejaarsstudenten in het licht van Begeleide Zelfstudie en 2) confronteert die bevindingen met een status quaestionis van het huidige aanbod aan studiebegeleiding op het niveau van de eerste kandidatuur. 3) Op grond van die confrontatie articuleert de nota een kader waarin de verworvenheden inzake begeleiding van eerstejaarsstudenten uit het verleden opgenomen worden in een nieuwe structuur die beantwoordt aan de basisfilosofie van Begeleide Zelfstudie.

Tot slot dient er nog op gewezen dat deze nota zich enkel tot taak stelt om, vertrekkende van een aantal principes, de algemene lijnen uit te zetten van de nieuwe begeleidingsstructuur en haar concrete implementatie. In een volgend stadium zal getracht worden om die structuur, en vooral de manier waarop ze geïmplementeerd kan worden, verder uit te werken.


2. Begeleiding van studenten in de eerste kandidatuur in het licht van Begeleide zelfstudie

Het uitgangspunt voor deze nota is drievoudig: 1) De vaste werkgroep is van oordeel dat de begeleiding van eerstejaarsstudenten een aparte zorg moet zijn en blijven van de academische gemeenschap. De redenen daarvoor komen verder in de nota ter sprake. In elk geval dient die zorg zich te vertalen in een structurele aanpak én dient ze ondersteund door de nodige personele en financiële middelen. 2) De algemene doelstellingen van het concept van Begeleide Zelfstudie vormen het normatieve kader voor het uittekenen van het nieuwe profiel van de begeleiding van eerstejaarsstudenten. 3) Dit nieuwe profiel dient echter ook de knowhow inzake studiebegeleiding die aan de K.U.Leuven gedurende een jarenlange traditie is verworven, te integreren.

In dit eerste luik gaat de nota dan ook achtereenvolgens in op: 1) een explicitatie van het begrip begeleiding in het licht van de Begeleide Zelfstudie; 2) een inventaris van de specifieke noden inzake begeleiding van eerstejaarsstudenten; en 3) een schets van de wijze waarop de studiebegeleiding van eerstejaarsstudenten tot dusver aan deze noden tegemoet kwam. In een volgend luik wordt dan het alternatief gepresenteerd; afgesloten wordt met een reeks aanbevelingen.

Begeleiding in het licht van Begeleide Zelfstudie

Middels de invoering van Begeleide Zelfstudie wil de K.U.Leuven bereiken dat studenten aan het eind van hun studie in staat zijn om zelfstandig en efficiënt het eigen leerproces te sturen. Deze vaardigheid komt bijvoorbeeld tot uiting in het vermogen om zelfstandig domeinspecifieke kennis te verwerven en/of nieuwe domeinspecifieke problemen op te lossen. Dit zelfstandig en efficiënt leren sturen van het eigen leerproces vereist evenwel een bijsturing van curricula enerzijds en het opnemen van specifieke begeleidingsfuncties door de verschillende betrokkenen (docenten, assistenten en studenten) anderzijds (cf. de nota ‘Begeleide Zelfstudie’). Die begeleidingsfuncties situeren zich op drie verschillende dimensies:

  1. Leerprocesbegeleiding
    Het concept Begeleide Zelfstudie omschrijft de onderwijskundige taak van docenten en assistenten onder meer als leerprocesbegeleiding. Voorbeelden van leerprocesbegeleidende taken zijn: het aanbieden van de leerstof, het ondersteunen van de ontwikkeling van een vakspecifieke studiemethode, het aanzetten tot de inzichtelijke verwerking van de leerstof, het geven van formatieve feedback en de voorbereiding op het examen. Een optimale begeleiding van het leerproces vereist dat al deze leerprocesbegeleidende taken een geïntegreerd en coherent geheel vormen dat alle studenten (met inbegrip van studenten met bijzondere noden) moet toelaten om stap voor stap die kennis en vaardigheden te verwerven die aan de basis liggen van het zelfstandig en efficiënt kunnen sturen van het eigen leerproces. Naarmate deze begeleiding sterker geïntegreerd is in het reguliere onderwijs zal ze effectiever zijn. Het nadrukkelijk karakter van de begeleiding zal geleidelijk aan afnemen naarmate de studenten beter in staat zijn om hun eigen leerproces te sturen.
  2. Psychosociale begeleiding
    Daarnaast moet er aandacht besteed worden aan begeleiding bij mogelijke psychosociale problemen die kunnen voorkomen (zoals onder meer bij faalangst, relationele problemen, problemen naar aanleiding van het werken aan de eindverhandeling,…). Hiertoe dient er voorzien te worden in voor studenten duidelijk identificeerbare aanspreekpunten.
  3. Leertrajectbegeleiding
    Verder is het belangrijk dat studenten begeleid worden bij het maken van studiekeuzes en het oplossen van leertrajectproblemen. Leertrajectbegeleiding start met de begeleiding van het studiekeuzeproces (waarbij ook informatieverstrekking naar abituriënten een belangrijke plaats inneemt) en eindigt met de heroriëntatie van voortijdig uitstromende studenten of met de begeleiding van recent afgestudeerden bij hun eerste stappen op de arbeidsmarkt. Tijdens hun verblijf aan de K.U.Leuven worden studenten, en inzonderheid studenten met bijzondere noden, begeleid bij de keuze voor een bepaalde studierichting, keuzevakken, eventuele aanvullende opleidingen en dergelijke meer.

Recente ontwikkelingen in het onderwijsveld zoals de vraag naar een toenemende flexibilisering in het hoger onderwijs en de mogelijke invoering van een creditsysteem (cf. de discussienota ‘Flexibilisering van het hoger onderwijs’ van de VL.I.R.-werkgroep ‘Onderwijs’ d.d. 28/5/1999 en het VLOR-advies over de overgang van het secundair naar het hoger onderwijs d.d. 16/3/1999) zullen in de toekomst nieuwe en verhoogde eisen stellen aan deze begeleidingsvorm.

Specifieke noden van deze begeleiding ten aanzien van studenten eerste kandidatuur

Gegeven de specifieke situatie van studenten uit de eerste kandidatuur moeten de verschillende dimensies van begeleiding een specifieke invulling krijgen.

  1. Leerprocesbegeleiding

    Uitgangspunt is dat het nadrukkelijke karakter van de begeleiding geleidelijk aan afneemt naarmate de studenten beter in staat zijn om de leerstof zelfstandig en efficiënt te verwerken. Omdat eerstejaarsstudenten geconfronteerd worden met een nieuwe leeromgeving, zal een uitgebouwde leerprocesbegeleiding voor deze doelgroep zeker aangewezen zijn.

    Deze begeleiding moet zich op de eerste plaats richten op de studenten die men op het oog had bij het opzetten van de opleiding of het opleidingsonderdeel, dit wil zeggen op studenten die tegemoet komen aan de begintermen van de opleiding (cf. de zogenaamde norm-studenten). Omdat studenten, ongeacht hun vooropleiding, zich voor de meeste universitaire opleidingen vrij kunnen inschrijven, is er een grote heterogeniteit van instromende studenten. Daarom voldoet een substantieel aantal eerstejaarsstudenten vaak niet of niet zonder meer aan de begintermen van de opleiding van hun keuze. Precies deze (zogenaamde niet-norm)studenten moeten, met het oog op de optimalisatie van hun leerproces, een beroep kunnen doen op (al dan niet individuele) bijkomende begeleiding.

  2. Psychosociale begeleiding

    Omdat de overgang van het secundair naar het hoger onderwijs niet alleen een verandering van leeromgeving maar ook van sociale omgeving (nieuwe contacten, semi-zelfstandigheid,…) inhoudt, gaat dit vaak gepaard met psychosociale problemen, zoals faalangst, isolement, moeilijkheden met het bepalen van het leef- en studieritme, aanpassingsproblemen allerhande,… Precies omdat dergelijke problemen bij eerstejaarsstudenten in de regel sterk interfereren met (de nieuwe uitdagingen op het niveau van) het leerproces, zal ook aan de begeleiding van dergelijke psychosociale problemen de nodige aandacht besteed moeten worden.

  3. Leertrajectbegeleiding

    De begeleiding van eerstejaarsstudenten mag zich echter niet beperken tot de optimalisatie van het leerproces en het ondersteunen van studenten bij allerlei psychosociale problemen. Een probleem dat zich in de eerste kandidatuur meer voordoet dan in de latere jaren zijn de lage slaagcijfers. Een adequate begeleiding dient dan ook aandacht te besteden aan de studievoortgang van niet-geslaagde studenten of studenten waarvan de studievoortgang reeds gedurende de loop van het academiejaar in gevaar komt.

    De studievoortgang van deze studenten wordt bevorderd door advies ten aanzien van het vervolg van hun studieloopbaan (vb. de wenselijkheid van een bisjaar en/of heroriëntering naar andere haalbare opleidingen). Doel is immers dat ook niet-geslaagde studenten of studenten die hun studie voortijdig staken kunnen leren uit hun ‘mislukking’, d.i. uit hun niet-slagen of uit hun verkeerde studiekeuze. Ook voor deze studenten dienen de nodige inspanningen geleverd te worden, zodat zij meer inzicht verwerven in de eigen mogelijkheden en beperkingen en ze geholpen worden bij het vinden van een zinvol alternatief (binnen of buiten de universiteit).

De kwaliteit van de begeleiding van de eerstejaarsstudent is dus sterk functie van de mate waarin docenten en assistenten hun rol als leerprocesbegeleider adequaat vervullen (i.c. het leerproces van hun studenten optimaliseren), aandacht besteden aan psychosociale problemen die kunnen optreden ten gevolge van veranderingen in de leer- en leefomgeving, en de (niet-geslaagde) studenten opvolgen en adviseren in functie van een verdere loopbaan.

Status quaestionis

Aan de hierboven geschetste noden van eerstejaarsstudenten wordt tot op heden via diverse vormen van begeleiding in meer of mindere mate tegemoet gekomen. De universiteit wordt overigens gekenmerkt door een grote heterogeniteit tussen de faculteiten en, meer specifiek, tussen de opleidingen voor wat betreft de invulling van elk van deze taken.

Thans worden eerstejaarsstudenten in een groot aantal opleidingen naast docenten en assistenten ook door monitoren begeleid. In een aantal faculteiten functioneert die monitoraatsbegeleiding zeer goed en is ze zo goed als onmisbaar geworden voor de begeleiding van eerstejaarsstudenten. Toch laat het tot dusver heersende onderwijsconcept met zijn twee parallelle begeleidingsstructuren (deze van docenten en assistenten naast die van de monitoren) toe dat beide begeleidingsvormen naast elkaar konden bestaan. Deze aanpak kan in de praktijk dus resulteren in een duale onderwijsstructuur die in een aantal situaties en vanuit het perspectief van Begeleide Zelfstudie de optimale begeleiding van eerstejaarsstudenten in de weg staat. Binnen deze duale structuur is het immers mogelijk dat:

  • docenten en assistenten enerzijds en monitoren anderzijds gescheiden leerprocesbegeleidingscircuits aanbieden waardoor de begeleidingsactiviteiten in beide circuits niet op elkaar afgestemd zijn, c.q. uit elkaar groeien en zich verzelfstandigen tot op zich staande vormen van begeleiding;
  • docenten een aantal leerprocesbegeleidende taken die inherent zijn aan hun takenpakket, doorschuiven naar het monitoraat (‘het monitoraat als pleister op een houten been’);
  • leerprocesbegeleidende activiteiten die, zeker binnen het kader van Begeleide Zelfstudie, deel uitmaken van het reguliere onderwijsaanbod helemaal niet of slechts facultatief georganiseerd worden;
  • in bepaalde opleidingen studenten geen beroep kunnen doen op bijkomende leerprocesbegeleiding, omdat het monitoraat er niet of nauwelijks bestaat;
  • voor studenten het niet altijd duidelijk is bij wie ze met een bepaalde vraag terechtkunnen (bij de docent, de assistent of de monitor);
  • in een aantal faculteiten de rol van vertrouwenspersoon waarbij de studenten met een brede waaier van problemen terechtkunnen, niet vervuld wordt, omdat het monitoraat er niet bestaat of er niet georiënteerd is op het vervullen van dat type opdracht;
  • de heroriëntering en advisering van (niet-geslaagde) studenten in een aantal gevallen naar het centraal niveau wordt doorgeschoven en onvoldoende en volledig los van de specifieke leeromgeving wordt aangeboden.

De belangrijkste pijnpunten die hieruit te destilleren zijn, hebben betrekking op:

  • het geïsoleerde karakter van de begeleiding: wil de begeleiding van studenten effectief zijn dan mag deze niet losstaan van het reguliere onderwijsaanbod;
  • de vrijblijvendheid van de begeleiding: zeker voor wat betreft de leerprocesbegeleiding is het aangewezen dat deze voor alle studenten voorhanden is en dus integraal deel uitmaakt van het gewone onderwijsaanbod;
  • het feit dat begeleiding niet altijd de drie dimensies omvat, waarbij vooral de psychosociale begeleiding en de leertrajectbegeleiding in de verdrukking dreigen te komen;
  • het onvoldoende transparant zijn van het systeem van begeleiding: gegeven de soms complexe structuren van begeleiding is het voor een eerstejaarsstudent niet altijd duidelijk bij wie men voor welke vorm van begeleiding terechtkan.

Om aan de vermelde pijnpunten tegemoet te komen wordt een nieuwe structuur voorgesteld waarvan het geïntegreerde karakter van de begeleiding het belangrijkste kenmerk én uitgangspunt is.


3. Nieuwe structuur

De centrale vraag die beantwoord moet worden luidt: "Hoe kunnen de begeleidingstaken uitgevoerd worden op een manier die de pijnpunten zoals hoger geschetst tenietdoet en die dus — als belangrijkste principe — recht doet aan een geïntegreerd model van begeleiding?"

Om tegemoet te komen aan het principe van een geïntegreerd begeleidingsmodel worden per opleidingsonderdeel didactische teams opgesteld. Deze didactisch teams zijn — al dan niet in samenwerking met elkaar — verantwoordelijk voor de verschillende dimensies van de begeleiding of toch voor de eerste aanzetten ervan, respectievelijk voor de doorverwijzing naar centrale diensten. De POC-voorzitter coördineert de werkzaamheden van de didactische teams en zorgt ervoor dat er aandacht besteed wordt aan de leerproces-, leertraject- en psychosociale begeleiding.

Daarnaast is er ook een belangrijke taak weggelegd voor een permanente ombuds.

Didactische teams

De verschillende begeleidingsdimensies (of gedeelten ervan) worden toevertrouwd aan didactische teams. In principe wordt er per opleidingsonderdeel een didactisch team gevormd. Tot het didactisch team behoren: het ZAP-lid dat de verantwoordelijkheid draagt voor het opleidingsonderdeel, desgevallend bijgestaan door één of meerdere leden van het AAP. Idealiter werken didactische teams intensief samen of smelten zij samen. Dit laatste laat een meer rationele verdeling van taken toe, verhoogt de kans dat het curriculum een coherent en geïntegreerd geheel van activiteiten vormt dat recht doet aan de principes van Begeleide Zelfstudie en laat toe dat aan vakoverstijgende aspecten van de begeleiding voldoende aandacht wordt besteed.

Elk didactisch team is ervoor verantwoordelijk dat aandacht wordt besteed aan alle begeleidingsdimensies.

Leerprocesbegeleiding

  • Elk didactisch team bepaalt onder de eindverantwoordelijkheid van de titularis hoe alle noodzakelijke leerprocesbegeleidende taken concreet ingevuld en uitgevoerd worden (vb. het leerstofaanbod, de actieve verwerking van de leerinhouden, de formatieve feedback,...). Hiertoe beschikt het team over de nodige soepelheid (vb. het tijdstip en de duur van de contactmomenten, de keuze van werk- en evaluatievormen,...).
  • Op het niveau van de eerste kandidatuur verzorgt elk didactisch team, opnieuw onder de eindverantwoordelijkheid van de titularis, bovendien de begeleiding van studenten die behoefte hebben aan bijkomende vakinhoudelijke ondersteuning. Voor studenten die niet tegemoet komen aan de begintermen van de opleiding (= de niet-normstudenten) wordt dus door het didactisch team — in zoverre de tekorten redelijk en remedieerbaar zijn — voorzien in bijkomende (al dan niet individuele) begeleiding.
  • In een aantal gevallen kan het aangewezen zijn dat didactische teams samenwerken omdat de begeleiding voor een aantal opleidingsonderdelen identieke componenten bevat. Zodoende kan er aandacht besteed worden aan vakoverschrijdende leerprocesbegeleiding.

Psychosociale begeleiding

  • Elk didactische team van de eerste kandidatuur vervult ook een eerstelijnszorgfunctie. Dit omdat uit de praktijk blijkt dat psychosociale problemen meestal aan de oppervlakte komen naar aanleiding van de bespreking van leerstofgebonden problemen voor specifieke opleidingsonderdelen. Bij problemen waarvan de oplossing bijzondere expertise vereist, verwijst het team de student door naar gespecialiseerde centrale instanties (zoals het Psycho-therapeutisch centrum, de Dienst voor Studie-advies, Sociale Dienst,…).

Leertrajectbegeleiding

  • Voor wat de leertrajectbegeleiding betreft hebben de didactische teams in eerste instantie een eerstelijnsfunctie. Bovendien wordt er in de mogelijkheid voorzien een overkoepelend didactisch team (samengesteld uit alle didactische teams van de eerste kandidatuur) te vormen waaraan onder andere aandacht aan vakoverstijgende feedback en hulp bij de interpretatie van de resultaten van de eindexamens op een vakoverstijgend niveau wordt toevertrouwd. Om de identificeerbaarheid en transparantheid te bevorderen kunnen één of meerdere personen (die deel uitmaken van het overkoepelend didactisch team) aangeduid worden die over de nodige competenties en kennis beschikken om deze taken (feedback, heroriëntering) uit te voeren. Indien hiervoor bijkomende begeleiding aangewezen is, kan doorverwezen worden naar een centrale dienst (Dienst voor Studie-advies).

Door deze verschillende vormen van begeleiding expliciet onder de verantwoordelijkheid te plaatsen van de verschillende didactische teams (of idealiter onder de verantwoordelijkheid van verschillende didactische teams die samenwerken) wordt tegemoet gekomen aan het principe van geïntegreerde begeleiding en wordt er een transparante structuur gecreëerd. Het belangrijkste voordeel van een dergelijke geïntegreerde begeleidingsstructuur is dat de verschillende vormen van begeleiding integraal aansluiten bij en deel uitmaken van het reguliere onderwijsaanbod, wat onder andere bevorderlijk is voor het optreden van transfer. Door het samenbrengen van de verschillende vormen van begeleiding onder één verantwoordelijkheid zullen de verschillende begeleidingsdimensies tevens meer op elkaar afgestemd zijn.

Permanente ombuds

Daarenboven bepleit de vaste werkgroep het instellen van een permanente ombuds (per faculteit, departement of opleiding) waar studenten terechtkunnen met allerlei problemen en/of klachten (studiegerelateerde, persoonlijke of examengerelateerde problemen, conflicten met lesgevers,...). Deze persoon brengt het probleem in kaart en gaat na of het nodig is te bemiddelen binnen de faculteit en/of een doorverwijzing naar meer gespecialiseerde centrale diensten aangewezen is. Als eindverantwoordelijke voor een billijke oplossing van dergelijke problemen behartigt de permanente ombuds in alle onafhankelijkheid de belangen van de studenten.

Verder coördineert deze persoon de werking van de examenombudsen.

POC

De POC-voorzitter stuurt, in overleg met de leden van de POC, het curriculum bij van de eerste kandidatuur in functie van de doelstellingen van Begeleide Zelfstudie; tevens coördineert de voorzitter de werkzaamheden van de verschillende didactische teams, van de samenwerking tussen verschillende didactische teams en van de permanente ombuds.

De POC-voorzitter kan desgevallend een aantal taken delegeren.


4. Implementatie en aanbevelingen

In dit laatste punt wordt in grote lijnen ingegaan op de implementatie en worden verschillende aanbevelingen geformuleerd. Ten slotte worden verschillende punten opgesomd die verder geconcretiseerd dienen te worden.

Implementatie

Het opzetten van de nieuwe structuur houdt in dat voor elk opleidingsonderdeel of — idealiter — voor verschillende opleidingsonderdelen samen een didactisch team wordt samengesteld.

In een eerste stap hiertoe krijgt de POC-voorzitter de taak om in samenwerking met de leden van de POC en op basis van een onderwijscapaciteitenplan én een inventarisatie van de te vervullen begeleidende taken, op het niveau van de eerste kandidatuur over te gaan tot de vorming van didactische teams. Hierbij worden de mogelijkheden tot samenwerking tussen verschillende didactische teams expliciet nagegaan.

Voor de samenstelling van de didactische teams dient men zowel een beroep te doen op ZAP-leden als AAP-leden. De eigen aard van het universitair onderwijs vereist dat elk lid van het didactisch team een onderwijstaak dient te combineren met een onderzoekstaak. De intensieve begeleiding waaraan eerstejaarsstudenten nood hebben, vereist dat de begeleidende taken uitgevoerd worden door personeelsleden voor wie de didactische taken een belangrijk onderdeel van hun opdracht vormen. Vermeden dient te worden dat er een versnippering plaatsvindt van deze didactische taken.

Eens de didactische teams zijn samengesteld is het belangrijk dat de academische overheid de werking ervan daadwerkelijk ondersteunt. Tegelijk dient diezelfde academische overheid de onderwijsinspanningen van de leden van de didactische teams ook billijk te honoreren. Alleen onder die voorwaarden is het redelijk te verwachten dat docenten en assistenten zich ten volle zullen blijven inzetten voor de bijzondere onderwijs- en begeleidingstaak van eerstejaarsstudenten. Zo is het onder meer belangrijk dat alle leden van de didactische teams de mogelijkheid krijgen zich professioneel te ontwikkelen via een aangepaste onderwijskundige vorming.

De POC-voorzitter coördineert de werkzaamheden van de didactische teams. Dit houdt in dat de POC-voorzitter:

  • erover waakt dat de eerstejaarsstudenten voldoende vakoverstijgende begeleiding krijgen (vb. feedback op proef- en eindexamens, ondersteuning inzake time-managementvaardigheden,...);
  • ervoor zorgt dat de eerstelijnszorgfunctie binnen de diverse didactische teams voldoende gestalte krijgt;
  • de samenwerking tussen de verschillende didactische teams stimuleert en desgevallend de werking van het overkoepelend didactisch team coördineert.

Daartoe is het noodzakelijk dat de POC-voorzitter over de nodige impact beschikt. Het is dan ook aangewezen dat de POC-voorzitter advies verleent bij de aanstelling en verlenging van de onderwijsopdrachten van docenten en assistenten uit de eerste kandidatuur.

Ten slotte dient er per faculteit een permanente ombuds te worden ingesteld. Afhankelijk van de noden van de opleiding(en) zullen per faculteit één of meerdere permanente ombudsen worden aangeduid. Het lijkt zinvol dat deze permanente ombudsen ZAP-leden zijn. De permanente ombuds coördineert de werking van de (tijdelijke) examenombudsen, die in de regel AAP-leden zijn. De permanente ombudsen beschikken over voldoende gesprekstechnische en diagnostische vaardigheden om hun eerstelijnszorgfunctie adequaat te vervullen.

Aanbevelingen

De volgende aanbevelingen kunnen dienaangaande geformuleerd worden:

  • De POC-voorzitter stelt in functie van de nieuwe begeleidingsstructuur op het niveau van de eerste kandidatuur een onderwijscapaciteitenplan op. Een eventueel bestaand capaciteitenplan wordt in het licht hiervan herzien en waar nodig gewijzigd.
  • Vanuit de beoordelingscommissies wordt aan de POC-voorzitter verplicht advies gevraagd inzake de aanstelling en verlenging van onderwijsopdrachten van docenten en assistenten in de eerste kandidatuur.
  • Er dient voorzien te worden in specifieke onderwijskundige vorming inzake het verlenen van onderwijs en begeleiding aan eerstejaarsstudenten (i.c. inzake Begeleide Zelfstudie op het niveau van de eerste kandidatuur) zodat alle leden van de didactische teams zich professioneel kunnen ontwikkelen en de nodige expertise kunnen opdoen. Ook voor de permanente ombudsen moeten vormingsessies voorhanden zijn teneinde hen de nodige affiniteit bij te brengen voor de specifieke problematiek van eerstejaarsstudenten.
  • De adequate begeleiding van eerstejaarsstudenten vraagt van docenten en assistenten bijzondere investeringen in hun onderwijsopdracht. Deze inspanningen dienen, zeker binnen het raamwerk van Begeleide Zelfstudie, billijk gehonoreerd te worden (inzonderheid bij promotiebeslissingen).
  • De academische overheid dient de vorming van didactische teams te stimuleren door middel van nieuwe mandaten en/of een verschuiving van personele middelen naar de eerste kandidatuur.
  • Het beschikbaar stellen van duidelijk gedefinieerde begintermen (bijvoorbeeld in de brochures voor abituriënten) kan het studiekeuzeproces van aspirant-studenten verbeteren en de behoefte aan bijkomende begeleiding doen afnemen. Dit studiekeuzeproces kan bijkomend geoptimaliseerd worden door het (ontwikkelen en) ter beschikking stellen van allerlei zelftoetsen en kennismakingsmodules waarin een representatief deel van de leerinhouden uit de eerste kandidatuur aan bod komt. Via dergelijke instrumenten kunnen aspirant-studenten zélf toetsen of ze aan de begintermen van een opleiding voldoen.
  • Samenwerking, communicatie en overleg met de centrale diensten (i.c. Dienst voor Studie-advies en Psycho-therapeutisch centrum) is noodzakelijk om een vlotte doorverwijzing mogelijk te maken en de eerstelijnsbegeleiding binnen de didactische teams adequaat af te stemmen op de werking van de centrale diensten.

Uitwerking

Om de implementatie van de nieuwe structuur mogelijk te maken, dienen volgende punten verder geconcretiseerd te worden:

  • Hoe kan de samenwerking tussen didactische teams gestimuleerd worden?
  • Hoe dient het onderwijscapaciteitenplan opgesteld te worden en hoe kan hierin een norm voor het bepalen van onder andere de samenstelling van didactische teams ingebed zitten?
  • Op welke wijze kunnen de didactische inspanningen op het niveau van de eerste kandidatuur gehonoreerd worden?
  • ZAP-lid van een didactisch team: Op welke wijze kan het onderwijsdossier hierbij gebruikt worden?
  • POC-voorzitter: Op welke wijze kunnen de taken van de POC-voorzitter gewaardeerd worden (bijvoorbeeld compensatie in termen van een aantal jaaruren)?
  • AAP: Kan dit eventueel opgenomen worden als een onderdeel van de doctoraatsopleiding?

 

 

 

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven | reacties op de inhoud: Toon Boon
Realisatie: Sigrid Van Huyck | Laatste wijziging: 27-09-2005
URL: http://www.kuleuven.ac.be/onderwijs