K.U.Leuven
  Zoeken naar Zoeken naar personeel Zoeken naar studenten Zoeken in het organigram Zoekmatrix Zoeken op trefwoorden

Begeleiding van studenten eerste kandidatuur in het kader van semesterexamens Een overzicht van beslissingen en mogelijke suggesties


  1. De studiekeuzebegeleiding
  2. Introductieactiviteiten
  3. Begeleiding
  4. Een systeem van tussentijdse toetsen
  5. De omvang van de examens in januari
  6. De feedback op de januari-examens
  7. De begeleiding van niet-geslaagde studenten

In dit document worden ten behoeve van de programmadirecteurs die verantwoordelijk zijn voor opleidingen van (onder andere) de eerste kandidatuur verschillende documenten en nota's in verband met de begeleiding van studenten eerste kandidatuur, geïntegreerd. In dit document komen naast de genomen beslissingen ten aanzien van de begeleidingsmodaliteiten van studenten eerste kandidatuur ook suggesties voor die kunnen helpen bij het concretiseren van de begeleiding van deze studenten.

In chronologische volgorde, vertrekkend van het tijdstip voorafgaand aan het begin van het academiejaar, tot het einde van het academiejaar worden achtereenvolgens facetten van (1) studiekeuzebegeleiding, (2) introductieactiviteiten, (3) begeleiding, (4) een systeem van tussentijdse toetsen, (5) de omvang van de examens in januari, (6) de feedback op januari-examens en (7) de begeleiding van niet-geslaagde studenten behandeld.


1. De studiekeuzebegeleiding

Een goede begeleiding start bij de begeleiding inzake studiekeuze. Verschillende aspecten zijn hierbij van belang, zoals het beschikbaar stellen van duidelijk gedefinieerde begintermen en het ontwikkelen van zelftoetsen en kennismakingsmodules.

Initiatieven op centraal niveau

Op centraal niveau (onder andere op initiatief van de Onderwijsraad en de Dienst Studie-advies) worden ten aanzien van deze aspecten initiatieven ondernomen. Zo is er recent een werkgroep door de Onderwijsraad opgericht die zich buigt over de problematiek van de begintermen.

Ook heeft de Dienst Studie-advies een keuzewerkboek ontwikkeld ("Kieskeurig") dat inmiddels in zeer grote oplage verspreid wordt.


2. Introductieactiviteiten

Bijzondere inspanningen ten aanzien van initiële socialisatie en kennismaking moeten de overgang van secundair naar universitair onderwijs vergemakkelijken. De introductiedagen worden meestal georganiseerd door de faculteiten in samenwerking met de faculteitskringen.

Suggesties

  • Deze introductieactiviteiten bestaan best uit een geheel van initiatieven uitgaande van zowel de faculteiten als de studentenkringen.
  • Deze activiteiten worden georganiseerd op een duidelijk herkenbare manier.
  • Enige voorzichtigheid is geboden met het louter verstrekken van een grote hoeveelheid informatie (vb. een loutere opsomming van de verschillende diensten die er bestaan). De studenten kunnen gedurende deze introductiedagen overdonderd worden met informatie die zij op dat moment nog niet in een juiste context kunnen plaatsen. Het verspreid aanbieden van informatie in de loop van het eerste semester zodat de studenten op het juiste tijdstip op een gerichte manier informatie krijgen (vb. ten aanzien van de examens, informatie over de werking van diverse diensten), zorgt voor een gedoseerd informatie-aanbod. Belangrijke informatie kan best ook schriftelijk bezorgd worden en deze informatie kan via een variëteit aan communicatiekanalen worden verstrekt.

Initiatieven op centraal niveau

Er werd een interfacultair project opgestart om na te gaan hoe aan deze initiatieven op de meest effectieve manier vorm kan worden gegeven. In het kader hiervan werd door de Dienst Studieadvies reeds contact opgenomen met de facultair verantwoordelijken voor de introductiedagen en met de faculteitskringen om op deze manier "good practices" te achterhalen en inhoud en vorm te geven aan de introductiedagen.


3. Begeleiding

Vanuit het perspectief van Begeleide Zelfstudie en het feit dat in een aantal opleidingen de begeleiding van studenten eerste kandidatuur gebeurt aan de hand van een duale structuur (voor de achtergrond zie Begeleiding van studenten eerste kandidatuur aan de K.U.Leuven), is er geopteerd om de begeleiding van deze studenten toe te vertrouwen aan didactische teams.

Genomen beslissing

De begeleiding gebeurt in de eerste kandidatuur door didactische teams.

Dit impliceert:

  • Voor elk opleidingsonderdeel worden er didactische teams samengesteld;
  • Tot het didactisch team behoren: het ZAP-lid dat de verantwoordelijkheid draagt voor het opleidingsonderdeel, desgevallend bijgestaan door één of meerdere leden van het AAP;
  • Idealiter werken didactische teams intensief samen of smelten zij samen. Dit laatste laat een meer rationele verdeling van taken toe, verhoogt de kans dat het curriculum een coherent en geïntegreerd geheel van activiteiten vormt dat recht doet aan de principes van Begeleide Zelfstudie en laat toe dat aan vakoverstijgende aspecten van de begeleiding voldoende aandacht wordt besteed;
  • De didactische teams zijn, al dan niet in samenwerking met elkaar, verantwoordelijk voor de verschillende dimensies van begeleiding die worden onderscheiden: leerprocesbegeleiding, leertrajectbegeleiding en psychosociale begeleiding;
  • De programmadirecteur coördineert de werkzaamheden van deze didactische teams door ervoor te zorgen dat er aandacht besteed wordt aan de verschillende dimensies van begeleiding, door de samenwerking tussen de didactische teams te stimuleren en erover te waken dat studenten eerste kandidatuur voldoende vakoverstijgende begeleiding krijgen.

Daarnaast wordt er per faculteit een permanente ombuds ingesteld.

  • Binnen elke faculteit, departement of opleiding worden er één of meerdere permanente ombudsen aangeduid;
  • De programmadirecteur coördineert de werkzaamheden van deze permanente ombuds(en).

Concrete uitwerking en suggesties

Verantwoordelijkheden didactische teams

Elk didactisch team is ervoor verantwoordelijk dat aandacht wordt besteed aan alle begeleidingsdimensies.

  • Leerprocesbegeleiding

Voorbeelden van leerprocesbegeleidende taken zijn: het aanbieden van de leerstof, het ondersteunen van de ontwikkeling van een vakspecifieke studiemethode, het aanzetten tot de inzichtelijke verwerking van de leerstof, het geven van formatieve feedback en de voorbereiding op het examen.
Deze begeleiding richt zich op de eerste plaats op de studenten die men op het oog had bij het opzetten van de opleiding of het opleidingsonderdeel, dit wil zeggen op studenten die tegemoet komen aan de begintermen van de opleiding (cf. de zogenaamde norm-studenten). Omdat studenten, ongeacht hun vooropleiding, zich voor de meeste universitaire opleidingen vrij kunnen inschrijven, is er een grote heterogeniteit van instromende studenten. Daarom voldoet een substantieel aantal eerstejaarsstudenten vaak niet of niet zonder meer aan de begintermen van de opleiding van hun keuze. Precies deze (zogenaamde niet-norm)studenten moeten, met het oog op de optimalisatie van hun leerproces, een beroep kunnen doen op (al dan niet individuele) bijkomende begeleiding.

De taken van de didactische teams ten aanzien van de leerprocesbegeleiding zijn de volgende:

  • Elk didactisch team bepaalt onder de eindverantwoordelijkheid van de titularis hoe alle noodzakelijke leerprocesbegeleidende taken concreet ingevuld en uitgevoerd worden (vb. het leerstofaanbod, de actieve verwerking van de leerinhouden, de formatieve feedback,...). Hiertoe beschikt het team over de nodige soepelheid (vb. het tijdstip en de duur van de contactmomenten, de keuze van werk- en evaluatievormen,...).
  • Op het niveau van de eerste kandidatuur verzorgt elk didactisch team, opnieuw onder de eindverantwoordelijkheid van de titularis, bovendien de begeleiding van studenten die behoefte hebben aan bijkomende vakinhoudelijke ondersteuning. Voor studenten die niet tegemoet komen aan de begintermen van de opleiding (= de niet-normstudenten) wordt dus door het didactisch team — in zoverre de tekorten redelijk en remedieerbaar zijn — voorzien in bijkomende (al dan niet individuele) begeleiding.
  • In een aantal gevallen kan het aangewezen zijn dat didactische teams samenwerken omdat de begeleiding voor een aantal opleidingsonderdelen identieke componenten bevat. Zodoende kan er aandacht besteed worden aan vakoverschrijdende leerprocesbegeleiding.
  • Psychosociale begeleiding

Omdat de overgang van het secundair naar het hoger onderwijs niet alleen een verandering van leeromgeving maar ook van sociale omgeving (nieuwe contacten, semi-zelfstandigheid,…) inhoudt, gaat dit vaak gepaard met psychosociale problemen, zoals faalangst, isolement, moeilijkheden met het bepalen van het leef- en studieritme, aanpassingsproblemen allerhande,… Precies omdat dergelijke problemen bij eerstejaarsstudenten in de regel sterk interfereren met (de nieuwe uitdagingen op het niveau van) het leerproces, zal ook aan de begeleiding van dergelijke psychosociale problemen de nodige aandacht besteed moeten worden.

Ten aanzien van deze begeleiding geldt:

  • Elk didactische team van de eerste kandidatuur vervult een eerstelijnszorgfunctie. Dit omdat uit de praktijk blijkt dat psychosociale problemen meestal aan de oppervlakte komen naar aanleiding van de bespreking van leerstofgebonden problemen voor specifieke opleidingsonderdelen. Bij problemen waarvan de oplossing bijzondere expertise vereist, verwijst het team de student door naar gespecialiseerde centrale instanties (zoals het Psycho-therapeutisch centrum, de Dienst Studie-advies, Sociale Dienst,…).
  • Leertrajectbegeleiding

Een adequate begeleiding dient tenslotte ook aandacht te besteden aan de studievoortgang van niet-geslaagde studenten of studenten waarvan de studievoortgang reeds gedurende de loop van het academiejaar in gevaar komt.
De studievoortgang van deze studenten wordt bevorderd door advies ten aanzien van het vervolg van hun studieloopbaan (vb. de wenselijkheid van een bisjaar en / of heroriëntering naar andere haalbare opleidingen). Doel is immers dat ook niet-geslaagde studenten of studenten die hun studie voortijdig staken kunnen leren uit hun ‘mislukking’, d.i. uit hun niet-slagen of uit hun verkeerde studiekeuze. Ook voor deze studenten dienen de nodige inspanningen geleverd te worden, zodat zij meer inzicht verwerven in de eigen mogelijkheden en beperkingen en ze geholpen worden bij het vinden van een zinvol alternatief (binnen of buiten de universiteit).

De verantwoordelijkheid van de didactische teams ten aanzien van de leertrajectbegeleiding:

  • Voor wat de leertrajectbegeleiding betreft hebben de didactische teams in eerste instantie een eerstelijnsfunctie. Bovendien wordt in de mogelijkheid voorzien een overkoepelend didactisch team (samengesteld uit alle didactische teams van de eerste kandidatuur) te vormen, waaraan de specifieke zorg wordt toevertrouwd voor vakoverstijgende feedback en hulp bij de interpretatie van de examenresultaten. Om de identificeerbaarheid en transparantie te bevorderen kunnen één of meerdere leden van het overkoepelend didactisch team die over de nodige competenties en kennis beschikken aangeduid worden om deze taken (feedback, heroriëntering) uit te voeren. Indien hiervoor bijkomende begeleiding aangewezen is, kan doorverwezen worden naar een centrale dienst (Dienst Studie-advies).

Door deze verschillende vormen van begeleiding expliciet onder de verantwoordelijkheid te plaatsen van de verschillende didactische teams (of idealiter onder de verantwoordelijkheid van verschillende didactische teams die samenwerken) wordt tegemoet gekomen aan het principe van geïntegreerde begeleiding en wordt er een transparante structuur gecreëerd. Het belangrijkste voordeel van een dergelijke geïntegreerde begeleidingsstructuur is dat de verschillende vormen van begeleiding integraal aansluiten bij en deel uitmaken van het reguliere onderwijsaanbod, wat onder andere bevorderlijk is voor het optreden van transfer. Door het samenbrengen van de verschillende vormen van begeleiding onder één verantwoordelijkheid zullen de verschillende begeleidingsdimensies tevens meer op elkaar afgestemd zijn.

Permanente ombuds: taken en bevoegdheden

Daarenboven wordt een permanente ombuds aangesteld (per faculteit, departement of opleiding) waar studenten terechtkunnen met allerlei problemen en / of klachten (studiegerelateerde, persoonlijke of examengerelateerde problemen, conflicten met lesgevers,...).

  • Deze persoon brengt het probleem in kaart en gaat na of het nodig is te bemiddelen binnen de faculteit en / of een doorverwijzing naar meer gespecialiseerde centrale diensten aangewezen is. Als eindverantwoordelijke voor een billijke oplossing van dergelijke problemen behartigt de permanente ombuds in alle onafhankelijkheid de belangen van de studenten.
  • Deze persoon coördineert tevens de werking van de examenombudsen. Idealiter zijn deze examenombudsen dezelfde voor de examens die georganiseerd worden in januari, juni en september.

Initiatieven op centraal niveau

De nota van de Werkgroep studiebegeleiding van de Onderwijsraad, die goedgekeurd werd op de Academische Raad van 11 december 2000 is bezorgd aan de decanen. Aan elk van de decanen zal gevraagd worden aan te geven hoe zij aan deze nieuwe begeleidingsstructuur denken vorm te geven en hoe de begeleiding onder de vorm van didactische teams zal worden uitgewerkt en geconcretiseerd.


4. Een systeem van tussentijdse toetsen

Ter vervanging van de traditionele proefexamens wordt bij de invoering van het semesterexamensysteem een systeem van tussentijdse toetsen ingevoerd zodat studenten van de eerste kandidatuur voldoende kansen krijgen om zich voor te bereiden op hun eerste universitaire examens.

Het oplossen van de toetsen is de verantwoordelijkheid van de studenten. In overeenstemming met Begeleide Zelfstudie en met name de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen studenten en docenten, geldt dat tussentijdse toetsen een dienst zijn aan, maar geen verplichting voor studenten.

Genomen beslissing

Vanaf het academiejaar 2002-2003 wordt voor elk opleidingsonderdeel voor eerste kandidatuurstudenten een tussentijdse toets aangeboden. Deze verplichting geldt zowel voor opleidingsonderdelen die in het eerste als voor opleidingsonderdelen die in het tweede semester worden georganiseerd.

De organisatie van de studietoetsen wordt door de POC gecoördineerd:

  • de POC dient erop toe te zien dat er voor elk opleidingsonderdeel tussentijdse toetsen georganiseerd worden;
  • de tussentijdse toetsen worden ontwikkeld onder supervisie van de programmadirecteur: op de POC of minstens met de programmadirecteur worden de tussentijdse toetsen inhoudelijk besproken;
  • de POC gaat na welke tussentijdse toetsen er allemaal worden georganiseerd voor elk van de opleidingsonderdelen en of deze toetsen voldoende representatief zijn voor de eigenlijke examens;
  • de POC ziet erop toe dat er tussen de verschillende docenten afspraken worden gemaakt over de organisatie en afname van de tussentijdse toetsen;
  • de POC ziet toe op de feedback die achteraf gegeven wordt aan de studenten.

Voor het academiejaar 2001-2002 wordt voor elk opleidingsonderdeel uit de eerste kandidatuur verwacht dat de titularissen in overleg met de programmadirecteur tussentijdse studietoetsen opstellen en de concrete modaliteiten bepalen voor de afname / het invullen van deze studietoetsen.

Concrete uitwerking en suggesties

Onder een tussentijdse toets wordt een geheel van vragen verstaan die representatief zijn voor de leerstof van het betreffende opleidingsonderdeel (zoals gepreciseerd in de geldende syllabus) en een bespreking van verschillende mogelijke antwoorden van studenten (terugkoppeling). Bedoeling is dat studenten op basis van de tussentijdse toets hun eigen vordering in de leerstof kunnen vaststellen en aanwijzingen krijgen over de adequaatheid van hun studie-aanpak. De vragen in tussentijdse toetsen kunnen uiteenlopend van vorm zijn (essay-vragen, invulvragen, meerkeuzevragen, ..).

Verschillende soorten tussentijdse toetsen zijn mogelijk en aangewezen

Er kunnen verschillende vormen van studietoetsen onderscheiden worden, gaande van vragen aanreiken tijdens de contactmomenten die studenten kunnen oplossen, over het via ICT beschikbaar stellen van vragen over een bepaald hoofdstuk, tot het organiseren van tussentijdse toetsen die representatief zijn voor het eigenlijke examen naar druk, inhoud, vorm én omvang.

Minimaal houdt een tussentijdse toets in dat studenten op het einde van een les een reeks vragen meekrijgen en dat mogelijke antwoorden op deze vragen tijdens een volgende les worden becommentarieerd. Ook kan aan studenten de mogelijkheid gegeven worden om vragen op te lossen over één of meerdere hoofdstukken via het web. Hierbij worden studenten geconfronteerd met mogelijke vragen die zullen worden gesteld op het eigenlijke examen. Deze vragen zijn dan ook representatief naar inhoud en vorm voor de vragen die gesteld zullen worden op het examen dat plaatsvindt in januari of juni.
Maximaal zijn tussentijdse toetsen, toetsen die representatief zijn naar druk, inhoud, vorm én omvang. Studenten worden dan niet alleen geconfronteerd met de vorm waarin het examen zal plaatsvinden, maar moeten ook tegen een bepaald moment een aanzienlijke hoeveelheid leerstof verwerkt hebben, zodat ze worden geconfronteerd met een bepaalde studiedruk. Deze representatieve tussentijdse toetsen zouden in het eerste semester het beste plaatsvinden in de laatste twee weken van november en in het tweede semester rond de paasvakantie (voor of na de paasvakantie afhankelijk van het tijdstip van deze vakantie).
Studenten worden in de loop van de eerste kandidatuur het beste geconfronteerd met een grote variëteit aan tussentijdse toetsen. Concrete afspraken tussen de verschillende titularissen over de vorm waarin en het tijdstip waarop de verschillende tussentijdse toetsen zullen worden afgenomen, zijn dan ook cruciaal.

Belang van feedback

Voor alle vormen van tussentijdse toetsen is feedback cruciaal. Feedback kan verschillende vormen aannemen, gaande van collectieve nabesprekingen waar gebruik gemaakt wordt van een modelantwoord aan de hand waarvan studenten dan zelf hun antwoord kunnen corrigeren, over bespreking van de meest voorkomende fouten, tot geïndividualiseerde besprekingen van de tussentijdse toetsen.
De terugkoppeling naar de studenten bestaat minimaal uit een sleutel om de antwoorden te scoren en een bespreking (zowel inhoudelijk als naar studie-aanpak) van veel gemaakte fouten.
Mogelijk kan ook gewerkt worden aan de hand van een trapsgewijze structuur: in eerste instantie kan, nadat de beoordeling gegeven is, een globale toelichting door de docent gegeven worden, in tweede instantie wordt voorzien in geïndividualiseerde feedback.
Deze geïndividualiseerde feedback kan eventueel ook gebeuren nadat verschillende (representatieve) tussentijdse toetsen zijn afgenomen zodat tijdens dit feedbackmoment ook aandacht kan besteed worden aan vakoverschrijdende aspecten.

Initiatieven op centraal niveau

De ontwikkeling van een gebruiksvriendelijk elektronisch toetssysteem, zal de ontwikkeling en het implementeren van tussentijdse toetsen sterk ten goede komen. In samenwerking met centrale diensten kunnen bepaalde tussentijdse toetsen via het web worden aangeboden.
Ook bestaat de mogelijkheid om tussentijdse toetsen te bespreken met een DUO-medewerker. Tijdens deze bespreking wordt voornamelijk aandacht besteed aan de representativiteit van de vragen en de feedback (incl. adviezen inzake studie-aanpak).

Implementatieprocedure

De voorbereiding en het aanbieden van de tussentijdse toetsen houden de volgende stappen in:

  • Stap 1: vraag van programmadirecteur aan alle betrokken titularissen om een eerste versie van tussentijdse toetsen (incl. feedback en voorgestelde modaliteiten) in te dienen. (opleidingsonderdelen eerste semester: maart-april; opleidingsonderdelen tweede semester: juli-augustus)
  • Stap 2: inhoudelijke bespreking van de toets op POC of minimaal tussen programmadirecteur en titularis. Centraal aandachtspunt is de overeenstemming van de toetsvragen met de specificaties in de syllabus. (opleidingsonderdelen eerste semester: maart-april; opleidingsonderdelen tweede semester: juli-augustus)
  • Stap 3: mogelijkheid tot bespreking van (desgevallend inhoudelijk gereviseerde) versie met DUO-medewerker. Tijdens deze bespreking wordt voornamelijk aandacht besteed aan de representativiteit van de vragen voor de behandelde leerstof en de doelen, de feedback (incl. adviezen inzake studie-aanpak) en de relatie tussen de vragen en het eindexamen. (opleidingsonderdelen eerste semester: mei-juni;
    opleidingsonderdelen tweede semester: september-oktober)
  • Stap 4: Finalisering van tussentijdse toets en concrete omschrijving van de gebruiksmodaliteiten voor de studenten. (opleidingsonderdelen eerste semester: juni-juli; opleidingsonderdelen tweede semester: oktober-november).
  • Stap 5: Indien wordt geopteerd voor een plaatsing van de tussentijdse toets op het web dan gelden nog volgende stappen:
    • Stap 5a: Doorgeven van finale toets en van administratieve gegevens (voor welke studenten, …) door programmadirecteur aan centrale (ICTO) of facultaire ondersteuningsdienst (opleidingsonderdelen eerste semester: juli-augustus; opleidingsonderdelen tweede semester: november-december);
    • Stap 5b: Plaatsen van tussentijdse toets op web (desgevallend door of met hulp van ICTO-medewerkers of medewerkers van facultaire ondersteuningsdienst) (opleidingsonderdelen eerste semester: juli-augustus; opleidingsonderdelen tweede semester: november-december)
    • Stap 5c: Controle door titularis (opleidingsonderdelen eerste semester: september;
      opleidingsonderdelen tweede semester: januari)
  • Kenbaar maken van modaliteiten aan studenten en organiseren / openstellen van tussentijdse toets (regeling specifiek voor elk opleidingsonderdeel).

5. De omvang van de examens in januari

In haar advies aan de Academische Raad betreffende de invoering van een semesterexamensysteem stelt de Onderwijsraad voor dat in januari voor de studenten eerste kandidatuur examens worden georganiseerd over een beperkt aantal opleidingsonderdelen. Deze maatregel is ingegeven vanuit de zorg om de kansen te verkleinen dat een student reeds na het eerste semester tot de conclusie komt dat zijn / haar kansen om te slagen in juni verloren zijn en biedt de student de mogelijkheid om zich geleidelijk aan te passen aan het universitaire systeem.

Genomen beslissing

Voor de studenten eerste kandidatuur worden in januari examens georganiseerd voor 1/3 van het aantal opleidingsonderdelen. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met het aantal studiepunten. Deze 1/3 mag ook geïnterpreteerd worden als 40% van het aantal studiepunten.

Suggestie

  • De opleidingsonderdelen die in de eerste kandidatuur in januari worden geëxamineerd vormen het best een representatieve steekproef van alle opleidingsonderdelen die in de eerste kandidatuur gedoceerd worden.

6. De feedback op de januari-examens

Na de januari-examens moeten de resultaten meegedeeld worden aan de studenten.

Genomen beslissing

De resultaten behaald op de semesterexamens in januari worden meegedeeld aan de studenten.

Suggesties

  • Ten laatste twee weken na de afsluiting van de semesterexamens in januari krijgen alle studenten hun resultaat. Aansluitend wordt de mogelijkheid voorzien voor (geïndividualiseerde) feedback. Om het voor alle docenten mogelijk te maken om op een relatief korte termijn de resultaten beschikbaar te stellen, kan hiermee eventueel bij de programmering van de examens rekening worden gehouden (vb. examens met essayvragen die een lange verbeteringstijd vragen vooraan in de examenperiode programmeren).
  • De resultaten kunnen het beste op een geïndividualiseerde manier worden overhandigd. Aan de permanente ombuds zou de verantwoordelijkheid kunnen gegeven worden voor het uitreiken van de resultaten.
  • Naast feedback op het behaalde studieresultaat voor een specifiek opleidingsonderdeel (door het betrokken didactisch team), krijgt een student ook vakoverschrijdende feedback over het geheel van zijn / haar studieresultaten.
  • De feedback bevat zowel informatieve als motiverings- en remediëringscomponenten. Onder meer wordt aan studenten met minder goede resultaten gewezen op de versoepelde voorwaarden met betrekking tot overdracht van punten naar de tweede zittijd. Bijzondere aandacht moet ook gaan naar studenten uit sociaal-zwakkere milieus die misschien voortijdig zouden afhaken. Verwijzing naar tweede lijnszorg (Dienst Studie-advies) kan hier aangewezen zijn.

7. De begeleiding van niet-geslaagde studenten

Studenten die niet geslaagd zijn voor een vak dat exclusief tijdens het eerste semester wordt gedoceerd, kunnen ook tijdens het tweede semester een beroep doen op vakspecifieke begeleiding.

Suggesties

  • Naast allerlei andere vormen van begeleiding kan deze begeleiding ook elektronisch aangeboden worden.
  • Ook zou voor deze studenten de mogelijkheid moeten bestaan om zich via tussentijdse toetsen zelf te testen. Dit betekent dat de mogelijkheid moet worden voorzien dat de tussentijdse toetsen van opleidingsonderdelen uit het eerste semester ook consulteerbaar zijn tijdens het tweede semester.

 

 

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven | reacties op de inhoud: Toon Boon
Realisatie: Sigrid Van Huyck | Laatste wijziging: 27-09-2005
URL: http://www.kuleuven.ac.be/onderwijs