Begeleiding van studenten eerste kandidatuur in
het kader van semesterexamens Een overzicht van beslissingen en mogelijke
suggesties
- De studiekeuzebegeleiding
- Introductieactiviteiten
- Begeleiding
- Een systeem van tussentijdse toetsen
- De omvang van de examens in januari
- De feedback op de januari-examens
- De begeleiding van niet-geslaagde studenten
In dit document worden ten behoeve van de programmadirecteurs
die verantwoordelijk zijn voor opleidingen van (onder andere) de eerste
kandidatuur verschillende documenten en nota's in verband met de begeleiding
van studenten eerste kandidatuur, geïntegreerd. In dit document komen
naast de genomen beslissingen ten aanzien van de begeleidingsmodaliteiten
van studenten eerste kandidatuur ook suggesties voor die kunnen helpen
bij het concretiseren van de begeleiding van deze studenten.
In chronologische volgorde, vertrekkend van het tijdstip
voorafgaand aan het begin van het academiejaar, tot het einde van het
academiejaar worden achtereenvolgens facetten van (1) studiekeuzebegeleiding,
(2) introductieactiviteiten, (3) begeleiding, (4) een systeem van tussentijdse
toetsen, (5) de omvang van de examens in januari, (6) de feedback op januari-examens
en (7) de begeleiding van niet-geslaagde studenten behandeld.
1. De studiekeuzebegeleiding
Een goede begeleiding start bij de begeleiding inzake
studiekeuze. Verschillende aspecten zijn hierbij van belang, zoals het
beschikbaar stellen van duidelijk gedefinieerde begintermen en het ontwikkelen
van zelftoetsen en kennismakingsmodules.
Initiatieven op centraal niveau
Op centraal niveau (onder andere op initiatief van de
Onderwijsraad en de Dienst Studie-advies) worden ten aanzien van deze
aspecten initiatieven ondernomen. Zo is er recent een werkgroep door de
Onderwijsraad opgericht die zich buigt over de problematiek van de begintermen.
Ook heeft de Dienst Studie-advies een keuzewerkboek ontwikkeld
("Kieskeurig") dat inmiddels in zeer grote oplage verspreid
wordt.
2. Introductieactiviteiten
Bijzondere inspanningen ten aanzien van initiële socialisatie
en kennismaking moeten de overgang van secundair naar universitair onderwijs
vergemakkelijken. De introductiedagen worden meestal georganiseerd door
de faculteiten in samenwerking met de faculteitskringen.
Suggesties
- Deze introductieactiviteiten bestaan best uit een geheel van initiatieven
uitgaande van zowel de faculteiten als de studentenkringen.
- Deze activiteiten worden georganiseerd op een duidelijk herkenbare
manier.
- Enige voorzichtigheid is geboden met het louter verstrekken van een
grote hoeveelheid informatie (vb. een loutere opsomming van de verschillende
diensten die er bestaan). De studenten kunnen gedurende deze introductiedagen
overdonderd worden met informatie die zij op dat moment nog niet in
een juiste context kunnen plaatsen. Het verspreid aanbieden van informatie
in de loop van het eerste semester zodat de studenten op het juiste
tijdstip op een gerichte manier informatie krijgen (vb. ten aanzien
van de examens, informatie over de werking van diverse diensten), zorgt
voor een gedoseerd informatie-aanbod. Belangrijke informatie kan best
ook schriftelijk bezorgd worden en deze informatie kan via een variëteit
aan communicatiekanalen worden verstrekt.
Initiatieven op centraal niveau
Er werd een interfacultair project opgestart om na te
gaan hoe aan deze initiatieven op de meest effectieve manier vorm kan
worden gegeven. In het kader hiervan werd door de Dienst Studieadvies
reeds contact opgenomen met de facultair verantwoordelijken voor de introductiedagen
en met de faculteitskringen om op deze manier "good practices"
te achterhalen en inhoud en vorm te geven aan de introductiedagen.
3. Begeleiding
Vanuit het perspectief van Begeleide Zelfstudie en het feit
dat in een aantal opleidingen de begeleiding van studenten eerste kandidatuur
gebeurt aan de hand van een duale structuur (voor de achtergrond zie Begeleiding
van studenten eerste kandidatuur aan de K.U.Leuven), is er geopteerd om
de begeleiding van deze studenten toe te vertrouwen aan didactische teams.
Genomen beslissing
| De begeleiding gebeurt
in de eerste kandidatuur door didactische teams.
Dit impliceert:
- Voor elk opleidingsonderdeel worden er didactische teams samengesteld;
- Tot het didactisch team behoren: het ZAP-lid dat de verantwoordelijkheid
draagt voor het opleidingsonderdeel, desgevallend bijgestaan
door één of meerdere leden van het AAP;
- Idealiter werken didactische teams intensief samen of smelten
zij samen. Dit laatste laat een meer rationele verdeling van
taken toe, verhoogt de kans dat het curriculum een coherent
en geïntegreerd geheel van activiteiten vormt dat recht doet
aan de principes van Begeleide Zelfstudie en laat toe dat aan
vakoverstijgende aspecten van de begeleiding voldoende aandacht
wordt besteed;
- De didactische teams zijn, al dan niet in samenwerking met
elkaar, verantwoordelijk voor de verschillende dimensies van
begeleiding die worden onderscheiden: leerprocesbegeleiding,
leertrajectbegeleiding en psychosociale begeleiding;
- De programmadirecteur coördineert de werkzaamheden van deze
didactische teams door ervoor te zorgen dat er aandacht besteed
wordt aan de verschillende dimensies van begeleiding, door de
samenwerking tussen de didactische teams te stimuleren en erover
te waken dat studenten eerste kandidatuur voldoende vakoverstijgende
begeleiding krijgen.
Daarnaast wordt er per faculteit een permanente
ombuds ingesteld.
- Binnen elke faculteit, departement of opleiding worden er
één of meerdere permanente ombudsen aangeduid;
- De programmadirecteur coördineert de werkzaamheden van deze
permanente ombuds(en).
|
Concrete uitwerking en suggesties
Verantwoordelijkheden didactische teams
Elk didactisch team is ervoor verantwoordelijk dat aandacht
wordt besteed aan alle begeleidingsdimensies.
Voorbeelden van leerprocesbegeleidende taken zijn:
het aanbieden van de leerstof, het ondersteunen van de ontwikkeling
van een vakspecifieke studiemethode, het aanzetten tot de inzichtelijke
verwerking van de leerstof, het geven van formatieve feedback en de
voorbereiding op het examen.
Deze begeleiding richt zich op de eerste plaats op de studenten die
men op het oog had bij het opzetten van de opleiding of het opleidingsonderdeel,
dit wil zeggen op studenten die tegemoet komen aan de begintermen van
de opleiding (cf. de zogenaamde norm-studenten). Omdat studenten, ongeacht
hun vooropleiding, zich voor de meeste universitaire opleidingen vrij
kunnen inschrijven, is er een grote heterogeniteit van instromende studenten.
Daarom voldoet een substantieel aantal eerstejaarsstudenten vaak niet
of niet zonder meer aan de begintermen van de opleiding van hun keuze.
Precies deze (zogenaamde niet-norm)studenten moeten, met het oog op
de optimalisatie van hun leerproces, een beroep kunnen doen op (al dan
niet individuele) bijkomende begeleiding.
De taken van de didactische teams ten aanzien van de
leerprocesbegeleiding zijn de volgende:
- Elk didactisch team bepaalt onder de eindverantwoordelijkheid van
de titularis hoe alle noodzakelijke leerprocesbegeleidende taken concreet
ingevuld en uitgevoerd worden (vb. het leerstofaanbod, de actieve
verwerking van de leerinhouden, de formatieve feedback,...). Hiertoe
beschikt het team over de nodige soepelheid (vb. het tijdstip en de
duur van de contactmomenten, de keuze van werk- en evaluatievormen,...).
- Op het niveau van de eerste kandidatuur verzorgt elk didactisch
team, opnieuw onder de eindverantwoordelijkheid van de titularis,
bovendien de begeleiding van studenten die behoefte hebben aan bijkomende
vakinhoudelijke ondersteuning. Voor studenten die niet tegemoet komen
aan de begintermen van de opleiding (= de niet-normstudenten) wordt
dus door het didactisch team in zoverre de tekorten redelijk
en remedieerbaar zijn voorzien in bijkomende (al dan niet individuele)
begeleiding.
- In een aantal gevallen kan het aangewezen zijn dat didactische teams
samenwerken omdat de begeleiding voor een aantal opleidingsonderdelen
identieke componenten bevat. Zodoende kan er aandacht besteed worden
aan vakoverschrijdende leerprocesbegeleiding.
- Psychosociale begeleiding
Omdat de overgang van het secundair naar het hoger
onderwijs niet alleen een verandering van leeromgeving maar ook van
sociale omgeving (nieuwe contacten, semi-zelfstandigheid,
) inhoudt,
gaat dit vaak gepaard met psychosociale problemen, zoals faalangst,
isolement, moeilijkheden met het bepalen van het leef- en studieritme,
aanpassingsproblemen allerhande,
Precies omdat dergelijke problemen
bij eerstejaarsstudenten in de regel sterk interfereren met (de nieuwe
uitdagingen op het niveau van) het leerproces, zal ook aan de begeleiding
van dergelijke psychosociale problemen de nodige aandacht besteed moeten
worden.
Ten aanzien van deze begeleiding geldt:
- Elk didactische team van de eerste kandidatuur vervult een eerstelijnszorgfunctie.
Dit omdat uit de praktijk blijkt dat psychosociale problemen meestal
aan de oppervlakte komen naar aanleiding van de bespreking van leerstofgebonden
problemen voor specifieke opleidingsonderdelen. Bij problemen waarvan
de oplossing bijzondere expertise vereist, verwijst het team de student
door naar gespecialiseerde centrale instanties (zoals het Psycho-therapeutisch
centrum, de Dienst Studie-advies, Sociale Dienst,
).
Een adequate begeleiding dient tenslotte ook aandacht
te besteden aan de studievoortgang van niet-geslaagde studenten of studenten
waarvan de studievoortgang reeds gedurende de loop van het academiejaar
in gevaar komt.
De studievoortgang van deze studenten wordt bevorderd door advies ten
aanzien van het vervolg van hun studieloopbaan (vb. de wenselijkheid
van een bisjaar en / of heroriëntering naar andere haalbare opleidingen).
Doel is immers dat ook niet-geslaagde studenten of studenten die hun
studie voortijdig staken kunnen leren uit hun mislukking,
d.i. uit hun niet-slagen of uit hun verkeerde studiekeuze. Ook voor
deze studenten dienen de nodige inspanningen geleverd te worden, zodat
zij meer inzicht verwerven in de eigen mogelijkheden en beperkingen
en ze geholpen worden bij het vinden van een zinvol alternatief (binnen
of buiten de universiteit).
De verantwoordelijkheid van de didactische teams ten
aanzien van de leertrajectbegeleiding:
- Voor wat de leertrajectbegeleiding betreft hebben de didactische
teams in eerste instantie een eerstelijnsfunctie. Bovendien wordt
in de mogelijkheid voorzien een overkoepelend didactisch team (samengesteld
uit alle didactische teams van de eerste kandidatuur) te vormen, waaraan
de specifieke zorg wordt toevertrouwd voor vakoverstijgende feedback
en hulp bij de interpretatie van de examenresultaten. Om de identificeerbaarheid
en transparantie te bevorderen kunnen één of meerdere leden van het
overkoepelend didactisch team die over de nodige competenties en kennis
beschikken aangeduid worden om deze taken (feedback, heroriëntering)
uit te voeren. Indien hiervoor bijkomende begeleiding aangewezen is,
kan doorverwezen worden naar een centrale dienst (Dienst Studie-advies).
Door deze verschillende vormen van begeleiding expliciet
onder de verantwoordelijkheid te plaatsen van de verschillende didactische
teams (of idealiter onder de verantwoordelijkheid van verschillende
didactische teams die samenwerken) wordt tegemoet gekomen aan het principe
van geïntegreerde begeleiding en wordt er een transparante structuur
gecreëerd. Het belangrijkste voordeel van een dergelijke geïntegreerde
begeleidingsstructuur is dat de verschillende vormen van begeleiding
integraal aansluiten bij en deel uitmaken van het reguliere onderwijsaanbod,
wat onder andere bevorderlijk is voor het optreden van transfer. Door
het samenbrengen van de verschillende vormen van begeleiding onder één
verantwoordelijkheid zullen de verschillende begeleidingsdimensies tevens
meer op elkaar afgestemd zijn.
Permanente ombuds: taken en bevoegdheden
Daarenboven wordt een permanente ombuds aangesteld (per
faculteit, departement of opleiding) waar studenten terechtkunnen met
allerlei problemen en / of klachten (studiegerelateerde, persoonlijke
of examengerelateerde problemen, conflicten met lesgevers,...).
- Deze persoon brengt het probleem in kaart en gaat na of het nodig
is te bemiddelen binnen de faculteit en / of een doorverwijzing naar
meer gespecialiseerde centrale diensten aangewezen is. Als eindverantwoordelijke
voor een billijke oplossing van dergelijke problemen behartigt de permanente
ombuds in alle onafhankelijkheid de belangen van de studenten.
- Deze persoon coördineert tevens de werking van de examenombudsen.
Idealiter zijn deze examenombudsen dezelfde voor de examens die georganiseerd
worden in januari, juni en september.
Initiatieven op centraal niveau
De nota van de Werkgroep studiebegeleiding van de Onderwijsraad,
die goedgekeurd werd op de Academische Raad van 11 december 2000 is bezorgd
aan de decanen. Aan elk van de decanen zal gevraagd worden aan te geven
hoe zij aan deze nieuwe begeleidingsstructuur denken vorm te geven en
hoe de begeleiding onder de vorm van didactische teams zal worden uitgewerkt
en geconcretiseerd.
4. Een systeem van tussentijdse
toetsen
Ter vervanging van de traditionele proefexamens wordt
bij de invoering van het semesterexamensysteem een systeem van tussentijdse
toetsen ingevoerd zodat studenten van de eerste kandidatuur voldoende
kansen krijgen om zich voor te bereiden op hun eerste universitaire examens.
Het oplossen van de toetsen is de verantwoordelijkheid
van de studenten. In overeenstemming met Begeleide Zelfstudie en met name
de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen studenten en docenten,
geldt dat tussentijdse toetsen een dienst zijn aan, maar geen verplichting
voor studenten.
Genomen beslissing
Vanaf het academiejaar 2002-2003 wordt voor elk opleidingsonderdeel
voor eerste kandidatuurstudenten een tussentijdse toets aangeboden. Deze
verplichting geldt zowel voor opleidingsonderdelen die in het eerste als
voor opleidingsonderdelen die in het tweede semester worden georganiseerd.
De organisatie van de studietoetsen wordt door de POC
gecoördineerd:
- de POC dient erop toe te zien dat er voor elk opleidingsonderdeel
tussentijdse toetsen georganiseerd worden;
- de tussentijdse toetsen worden ontwikkeld onder supervisie van de
programmadirecteur: op de POC of minstens met de programmadirecteur
worden de tussentijdse toetsen inhoudelijk besproken;
- de POC gaat na welke tussentijdse toetsen er allemaal worden georganiseerd
voor elk van de opleidingsonderdelen en of deze toetsen voldoende representatief
zijn voor de eigenlijke examens;
- de POC ziet erop toe dat er tussen de verschillende docenten afspraken
worden gemaakt over de organisatie en afname van de tussentijdse toetsen;
- de POC ziet toe op de feedback die achteraf gegeven wordt aan de studenten.
Voor het academiejaar 2001-2002 wordt voor elk opleidingsonderdeel
uit de eerste kandidatuur verwacht dat de titularissen in overleg met
de programmadirecteur tussentijdse studietoetsen opstellen en de concrete
modaliteiten bepalen voor de afname / het invullen van deze studietoetsen.
Concrete uitwerking en suggesties
Onder een tussentijdse toets wordt een geheel van vragen
verstaan die representatief zijn voor de leerstof van het betreffende
opleidingsonderdeel (zoals gepreciseerd in de geldende syllabus) en een
bespreking van verschillende mogelijke antwoorden van studenten (terugkoppeling).
Bedoeling is dat studenten op basis van de tussentijdse toets hun eigen
vordering in de leerstof kunnen vaststellen en aanwijzingen krijgen over
de adequaatheid van hun studie-aanpak. De vragen in tussentijdse toetsen
kunnen uiteenlopend van vorm zijn (essay-vragen, invulvragen, meerkeuzevragen,
..).
Verschillende soorten tussentijdse toetsen zijn mogelijk
en aangewezen
Er kunnen verschillende vormen van studietoetsen onderscheiden
worden, gaande van vragen aanreiken tijdens de contactmomenten die studenten
kunnen oplossen, over het via ICT beschikbaar stellen van vragen over
een bepaald hoofdstuk, tot het organiseren van tussentijdse toetsen die
representatief zijn voor het eigenlijke examen naar druk, inhoud, vorm
én omvang.
Minimaal houdt een tussentijdse toets in dat studenten
op het einde van een les een reeks vragen meekrijgen en dat mogelijke
antwoorden op deze vragen tijdens een volgende les worden becommentarieerd.
Ook kan aan studenten de mogelijkheid gegeven worden om vragen op te lossen
over één of meerdere hoofdstukken via het web. Hierbij worden studenten
geconfronteerd met mogelijke vragen die zullen worden gesteld op het eigenlijke
examen. Deze vragen zijn dan ook representatief naar inhoud en vorm voor
de vragen die gesteld zullen worden op het examen dat plaatsvindt in januari
of juni.
Maximaal zijn tussentijdse toetsen, toetsen die representatief zijn naar
druk, inhoud, vorm én omvang. Studenten worden dan niet alleen geconfronteerd
met de vorm waarin het examen zal plaatsvinden, maar moeten ook tegen
een bepaald moment een aanzienlijke hoeveelheid leerstof verwerkt hebben,
zodat ze worden geconfronteerd met een bepaalde studiedruk. Deze representatieve
tussentijdse toetsen zouden in het eerste semester het beste plaatsvinden
in de laatste twee weken van november en in het tweede semester rond de
paasvakantie (voor of na de paasvakantie afhankelijk van het tijdstip
van deze vakantie).
Studenten worden in de loop van de eerste kandidatuur het beste geconfronteerd
met een grote variëteit aan tussentijdse toetsen. Concrete afspraken tussen
de verschillende titularissen over de vorm waarin en het tijdstip waarop
de verschillende tussentijdse toetsen zullen worden afgenomen, zijn dan
ook cruciaal.
Belang van feedback
Voor alle vormen van tussentijdse toetsen is feedback
cruciaal. Feedback kan verschillende vormen aannemen, gaande van collectieve
nabesprekingen waar gebruik gemaakt wordt van een modelantwoord aan de
hand waarvan studenten dan zelf hun antwoord kunnen corrigeren, over bespreking
van de meest voorkomende fouten, tot geïndividualiseerde besprekingen
van de tussentijdse toetsen.
De terugkoppeling naar de studenten bestaat minimaal uit een sleutel om
de antwoorden te scoren en een bespreking (zowel inhoudelijk als naar
studie-aanpak) van veel gemaakte fouten.
Mogelijk kan ook gewerkt worden aan de hand van een trapsgewijze structuur:
in eerste instantie kan, nadat de beoordeling gegeven is, een globale
toelichting door de docent gegeven worden, in tweede instantie wordt voorzien
in geïndividualiseerde feedback.
Deze geïndividualiseerde feedback kan eventueel ook gebeuren nadat verschillende
(representatieve) tussentijdse toetsen zijn afgenomen zodat tijdens dit
feedbackmoment ook aandacht kan besteed worden aan vakoverschrijdende
aspecten.
Initiatieven op centraal niveau
De ontwikkeling van een gebruiksvriendelijk elektronisch
toetssysteem, zal de ontwikkeling en het implementeren van tussentijdse
toetsen sterk ten goede komen. In samenwerking met centrale diensten kunnen
bepaalde tussentijdse toetsen via het web worden aangeboden.
Ook bestaat de mogelijkheid om tussentijdse toetsen te bespreken met een
DUO-medewerker. Tijdens deze bespreking wordt voornamelijk aandacht besteed
aan de representativiteit van de vragen en de feedback (incl. adviezen
inzake studie-aanpak).
Implementatieprocedure
De voorbereiding en het aanbieden van de tussentijdse
toetsen houden de volgende stappen in:
- Stap 1: vraag van programmadirecteur aan alle betrokken titularissen
om een eerste versie van tussentijdse toetsen (incl. feedback en voorgestelde
modaliteiten) in te dienen. (opleidingsonderdelen eerste semester: maart-april;
opleidingsonderdelen tweede semester: juli-augustus)
- Stap 2: inhoudelijke bespreking van de toets op POC of minimaal tussen
programmadirecteur en titularis. Centraal aandachtspunt is de overeenstemming
van de toetsvragen met de specificaties in de syllabus. (opleidingsonderdelen
eerste semester: maart-april; opleidingsonderdelen tweede semester:
juli-augustus)
- Stap 3: mogelijkheid tot bespreking van (desgevallend inhoudelijk
gereviseerde) versie met DUO-medewerker. Tijdens deze bespreking wordt
voornamelijk aandacht besteed aan de representativiteit van de vragen
voor de behandelde leerstof en de doelen, de feedback (incl. adviezen
inzake studie-aanpak) en de relatie tussen de vragen en het eindexamen.
(opleidingsonderdelen eerste semester: mei-juni;
opleidingsonderdelen tweede semester: september-oktober)
- Stap 4: Finalisering van tussentijdse toets en concrete omschrijving
van de gebruiksmodaliteiten voor de studenten. (opleidingsonderdelen
eerste semester: juni-juli; opleidingsonderdelen tweede semester: oktober-november).
- Stap 5: Indien wordt geopteerd voor een plaatsing van de tussentijdse
toets op het web dan gelden nog volgende stappen:
- Stap 5a: Doorgeven van finale toets en van administratieve
gegevens (voor welke studenten,
) door programmadirecteur
aan centrale (ICTO) of facultaire ondersteuningsdienst (opleidingsonderdelen
eerste semester: juli-augustus; opleidingsonderdelen tweede semester:
november-december);
- Stap 5b: Plaatsen van tussentijdse toets op web (desgevallend
door of met hulp van ICTO-medewerkers of medewerkers van facultaire
ondersteuningsdienst) (opleidingsonderdelen eerste semester: juli-augustus;
opleidingsonderdelen tweede semester: november-december)
- Stap 5c: Controle door titularis (opleidingsonderdelen eerste
semester: september;
opleidingsonderdelen tweede semester: januari)
- Kenbaar maken van modaliteiten aan studenten en organiseren / openstellen
van tussentijdse toets (regeling specifiek voor elk opleidingsonderdeel).
5. De omvang van de examens in
januari
In haar advies aan de Academische Raad betreffende de
invoering van een semesterexamensysteem stelt de Onderwijsraad voor dat
in januari voor de studenten eerste kandidatuur examens worden georganiseerd
over een beperkt aantal opleidingsonderdelen. Deze maatregel is ingegeven
vanuit de zorg om de kansen te verkleinen dat een student reeds na het
eerste semester tot de conclusie komt dat zijn / haar kansen om te slagen
in juni verloren zijn en biedt de student de mogelijkheid om zich geleidelijk
aan te passen aan het universitaire systeem.
Genomen beslissing
| Voor de studenten eerste kandidatuur worden
in januari examens georganiseerd voor 1/3 van het aantal opleidingsonderdelen.
Hierbij moet ook rekening worden gehouden met het aantal studiepunten.
Deze 1/3 mag ook geïnterpreteerd worden als 40% van het aantal studiepunten. |
Suggestie
- De opleidingsonderdelen die in de eerste kandidatuur in januari worden
geëxamineerd vormen het best een representatieve steekproef van alle
opleidingsonderdelen die in de eerste kandidatuur gedoceerd worden.
6. De feedback op de januari-examens
Na de januari-examens moeten de resultaten meegedeeld
worden aan de studenten.
Genomen beslissing
| De resultaten behaald op de semesterexamens in januari
worden meegedeeld aan de studenten. |
Suggesties
- Ten laatste twee weken na de afsluiting van de semesterexamens in
januari krijgen alle studenten hun resultaat. Aansluitend wordt de mogelijkheid
voorzien voor (geïndividualiseerde) feedback. Om het voor alle docenten
mogelijk te maken om op een relatief korte termijn de resultaten beschikbaar
te stellen, kan hiermee eventueel bij de programmering van de examens
rekening worden gehouden (vb. examens met essayvragen die een lange
verbeteringstijd vragen vooraan in de examenperiode programmeren).
- De resultaten kunnen het beste op een geïndividualiseerde manier worden
overhandigd. Aan de permanente ombuds zou de verantwoordelijkheid kunnen
gegeven worden voor het uitreiken van de resultaten.
- Naast feedback op het behaalde studieresultaat voor een specifiek
opleidingsonderdeel (door het betrokken didactisch team), krijgt een
student ook vakoverschrijdende feedback over het geheel van zijn / haar
studieresultaten.
- De feedback bevat zowel informatieve als motiverings- en remediëringscomponenten.
Onder meer wordt aan studenten met minder goede resultaten gewezen op
de versoepelde voorwaarden met betrekking tot overdracht van punten
naar de tweede zittijd. Bijzondere aandacht moet ook gaan naar studenten
uit sociaal-zwakkere milieus die misschien voortijdig zouden afhaken.
Verwijzing naar tweede lijnszorg (Dienst Studie-advies) kan hier aangewezen
zijn.
7. De begeleiding van niet-geslaagde
studenten
Studenten die niet geslaagd zijn voor een vak dat exclusief
tijdens het eerste semester wordt gedoceerd, kunnen ook tijdens het tweede
semester een beroep doen op vakspecifieke begeleiding.
Suggesties
- Naast allerlei andere vormen van begeleiding kan deze begeleiding
ook elektronisch aangeboden worden.
- Ook zou voor deze studenten de mogelijkheid moeten bestaan om zich
via tussentijdse toetsen zelf te testen. Dit betekent dat de mogelijkheid
moet worden voorzien dat de tussentijdse toetsen van opleidingsonderdelen
uit het eerste semester ook consulteerbaar zijn tijdens het tweede semester.
|