Onderwijs- en examenreglement 2011-2012

zoals goedgekeurd op de Academische Raad van 29.03.2011

Zoek-, selectie- en weergavemogelijkheden via de linkerbalk

 

Inhoudstafel

Vooraf

TITEL I. BEGRIPSBEPALINGEN

TITEL II. ONDERWIJSREGLEMENT

TITEL III. EXAMENREGLEMENT

TITEL IV. WIJZIGINGS-, AFWIJKINGS- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Vooraf

Dit onderwijs- en examenreglement is ondergeschikt aan de decretale bepalingen in verband met het hoger onderwijs en hun uitvoeringsbepalingen. De belangrijkste teksten kunnen teruggevonden worden op http://admin.kuleuven.be/rd/decreten_reglementen_KULeuven.

De faculteit fungeert als contactpunt voor alle vragen van de student in verband met het volgen van een opleiding, opleidingsonderdelen en het verkrijgen van vrijstellingen en vermindering van studieomvang. De faculteit bepaalt in haar aanvullende reglementering wie de aan haar gedelegeerde beslissingen neemt. Waar in dit onderwijs- en examenreglement sprake is van "de faculteit", betekent dit voor de Kulak dat de subfaculteit daar de betrokken beslissing kan nemen.

Voor internationale studenten is het eerste contactpunt voor alle vragen de International Admissions and Mobility Unit van het International Office. De online aanvraaginstructies zijn te vinden op het internet: http://www.kuleuven.be/applicationform/?js=1.

Bepalingen in verband met de doctoraatsopleiding en het doctoraat zijn te vinden in het specifiek reglement https://admin.kuleuven.be/rd/intranet/regl_doctoraat.html. Enkel bij ontstentenis van specifieke bepalingen is het onderhavig reglement aanvullend van toepassing.

Voor interuniversitaire opleidingen geldt de regeling zoals afgesproken in de specifieke samenwerkingsovereenkomst tussen de instellingen.

Alle verwijzingen in dit reglement naar personen en functies slaan zowel op vrouwelijke als op mannelijke personen.

TITEL I. BEGRIPSBEPALINGEN

Voor de toepassing van het onderwijs- en examenreglement wordt, tenzij expliciet anders bepaald in de verdere reglementering, verstaan onder:

1° aansluitende opleidingen: opleidingen die volgens de toelatingsvoorwaarden in de programmagids rechtstreeks op elkaar kunnen aansluiten zonder bijzondere toelatingen;

1° bis academiejaar: een periode van één jaar die ten vroegste op 1 september en uiterlijk op 1 oktober begint en eindigt op de dag voor het begin van het volgende academiejaar;

2° actualiseringsprogramma: een programma dat kan worden opgelegd aan studenten die over een creditbewijs, een ander studiebewijs of een bewijs van bekwaamheid beschikken dat meer dan vijf kalenderjaren tevoren is verworven en dat de student wenst te valoriseren in de context van een nog niet afgeronde of een andere opleiding;

3° afstudeerrichting: een differentiatie in een opleidingsprogramma die ten minste 30 studiepunten verschilt van een andere differentiatie in de opleiding en die in tegenstelling tot andere differentiaties op het diploma vermeld wordt;

4° assessmentcommissie: de centrale commissies opgericht binnen de K.U.Leuven met het oog op het:
- evalueren of een student die niet beschikt over een diploma van het secundair onderwijs toch kan worden toegelaten tot een bacheloropleiding; of;
- evalueren van een verzoek tot erkenning van eerder verworven competenties conform de richtlijnen verstrekt door de validerende instantie van de Associatie K.U.Leuven;
- evalueren van een verzoek om toegelaten te worden tot een geïndividualiseerd studietraject;
- evalueren van de onderzoeken tot aanvragen voor een derde inschrijving (of tweede inschrijving voor niet-EER-studenten) voor eenzelfde opleidingsonderdeel
- evalueren van de onderzoeken tot aanvragen voor een hernieuwde toelating tot een opleiding bij onvoldoende cumulatieve studie-efficiëntie;
- evalueren of een student die beschikt over een buitenlands diploma, maar overeenkomstig de bijzondere bepaling in verband met internationale studenten onder art. 23 van dit reglement het bestaan ervan niet kan bewijzen, kan worden toegelaten tot de K.U.Leuven;

5° Associatie K.U.Leuven: samenwerkingsverband tussen de K.U.Leuven en hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. De samenstelling van het samenwerkingsverband en de beschrijving van de organen en de werkingsterreinen zijn te vinden op associatie.kuleuven.be;

6° bekwaamheidsonderzoek: het onderzoek van de competenties van een persoon, met het oog op het afleveren van een bewijs van bekwaamheid (zie 9° en 20°);

7° beraadslaging: de samenkomst van een examencommissie die de resultaten van de examens over de opleidingsonderdelen vastlegt, die vaststelt of de student geslaagd is voor het geheel van een opleiding en hiervoor het eindresultaat vastlegt. Een beraadslaging kan ook ad hoc worden gehouden wanneer er zich betwistingen voordoen ten aanzien van een examenresultaat of om een onregelmatigheid te beslechten;

8° beurstariefstudent: een student die studiefinanciering ontvangt van de Vlaamse Gemeenschap, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap; en;
a) voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 12 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap en beantwoordt aan de financiële criteria voor het verkrijgen van een studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of;
b) onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische Ruimte en beantwoordt aan de financiële criteria voor het verkrijgen van een studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of;
c) een DGOS-bursaal, een BTC-bursaal of een bursaal in de programma's van de ontwikkelingssamenwerking van de Vlaamse Interuniversitaire Raad is.

Een bijna-beurstariefstudent is een student die geen studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap ontvangt, maar die een begrensd inkomen heeft, namelijk maximaal een bepaald bedrag boven de inkomensgrens voor een toelage;

9° bewijs van bekwaamheid: het bewijs dat een student op grond van een eerder opgedane ervaring of een eerder gevolgde opleiding waarin geen evaluatie plaatsvond de competenties heeft verworven eigen aan het niveau van bachelor of master, of een welomschreven opleiding, opleidingsonderdeel of cluster van opleidingsonderdelen. Dit bewijs wordt afgeleverd door een validerende instantie en bestaat uit een papieren document of een registratie in een gegevensbank;

10° competentie: bekwaamheid om kennis, vaardigheden en attitudes in het handelen geïntegreerd aan te wenden voor maatschappelijke activiteiten. In het hoger onderwijs worden competenties domeinspecieke leerresultaten genoemd;

11° coördinator van een opleidingsonderdeel: de door de K.U.Leuven als eindverantwoordelijke aangeduide persoon in het geval er meer dan één titularis is voor een opleidingsonderdeel;

12° contracttype: contractvorm waarvoor de student kiest om het opleidingsaanbod geheel of gedeeltelijk te doorlopen via ofwel:
- een diplomacontract;
- een creditcontract;
- een examencontract (met het oog op het behalen van een diploma of een credit).
De keuze voor een contracttype is bij permanente vorming enkel van toepassing voor postgraduaten;

13° creditbewijs: de erkenning van het feit dat een student aan de K.U.Leuven of een andere instelling van hoger onderwijs op grond van een examen de competenties, verbonden aan een opleidingsonderdeel, heeft verworven. Deze erkenning wordt vastgelegd in een papieren document of een registratie in een gegevensbank. De verworven studiepunten, verbonden aan het betrokken opleidingsonderdeel, worden weergegeven als "credits";

14° creditcontract: een toetredingscontract, aangegaan tussen K.U.Leuven en de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van een creditbewijs voor één of meer opleidingsonderdelen;

15° differentiatie binnen opleidingen: onderscheid tussen opleidingen onder de vorm van:
a) aparte afstudeerrichtingen, vermeld op het diploma;
b) opties, major-minorcombinaties of andere duidelijke vormen van onderscheid, die eventueel op het diplomasupplement  worden vermeld;

16° diploma: het document dat op het einde van een bachelor- of masteropleiding aan een voor het geheel van de opleiding geslaagde student wordt afgeleverd en waarin de belangrijkste identificatiegegevens van de student en de opleiding worden opgenomen;

17° diplomacontract: een toetredingscontract, aangegaan tussen K.U.Leuven en de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van een diploma of een getuigschrift van een opleiding;

18° diplomasupplement: het overeenkomstig Europese standaarden opgestelde document waarin de niet in het diploma vermelde bijzondere karakteristieken van de opleiding en van de studieresultaten worden vermeld; dit document bevat in het bijzonder de creditbewijzen voor de geslaagde student;

19° Europese Economische Ruimte (EER): samenwerkingsverband tussen Europese landen (samenstelling zie : europa.eu.int/abc/index_en.htm);

20° EVC: een "eerder verworven competentie", zijnde het geheel van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes verworven door middel van leerprocessen die niet met een studiebewijs werden bekrachtigd;

21° EVK: een "eerder verworven kwalificatie", zijnde elk binnenlands of buitenlands studiebewijs dat aangeeft dat een formeel leertraject, al dan niet binnen het reguliere onderwijs, met goed gevolg werd doorlopen, met uitzondering van creditbewijzen die binnen eenzelfde opleiding worden gevaloriseerd;

22° examen: een beoordelingssituatie waarin wordt nagegaan of de student op grond van zijn studie (deel)competenties, verbonden aan een opleidingsonderdeel, heeft verworven. Een examen kan plaatsvinden op één bepaald moment, maar kan ook verlopen onder de vorm van een in de tijd gespreide reeks activiteiten zoals bij een stage of vormen van permanente evaluatie;

23° examencontract: een toetredingscontract, aangegaan tussen K.U.Leuven en de student die zich inschrijft alleen maar voor het deelnemen aan een examen met het oog op het behalen van:
a) een diploma of getuigschrift van een opleiding, of
b) een creditbewijs voor één of meer opleidingsonderdelen;

24° examenperiode: een periode op het einde van een semester of in augustus-september specifiek voorbehouden voor de organisatie van examens;

25° flexibel traject: een modeltraject dat de student volgt ofwel door in één academiejaar opleidingsonderdelen van meerdere opleidingsfasen te combineren, ofwel door af te wijken van het vooraf door de faculteit bepaalde vast pakket opleidingsonderdelen (bestaande uit een volledige opleidingsfase of een deel daarvan);

26° functiebeperking: een blijvende of langdurige functie-uitval die volgens de K.U.Leuven gehanteerde registratieprocedure erkend wordt. Dit wordt verbijzonderd in de bijzondere bepalingen studenten met functiebeperking;

+ Bijzondere bepaling in verband met studenten met een functiebeperking

27° geïndividualiseerd studietraject: een studieprogramma dat afwijkt in zake het aantal studiepunten dat een student moet of kan opnemen in één academiejaar en dat kan worden toegestaan aan een student op zijn gemotiveerd verzoek;

28° getuigschrift: document dat op het einde van een opleiding (postgraduaat, schakel- of voorbereidingsprogramma) aan de geslaagde student wordt afgeleverd en waarin de belangrijkste identificatiegegevens van de student en de opleiding worden opgenomen;

29° graad: aanduiding van bachelor of master of doctor verleend op het einde van een opleiding;

30° graad van verdienste: bijzondere vermelding die wordt gegeven op het einde van een bachelor- of masteropleiding;

31° hoofdinschrijving: wanneer een student voor meerdere opleidingen is ingeschreven, de opleiding die hij zelf heeft aangegeven als zijn hoofdopleiding, behalve in het geval van aansluitende opleidingen. In dat laatste geval is de opleiding die aan de aansluitende opleiding voorafgaat altijd de hoofdinschrijving;

32° individueel jaarprogramma (IJP): het geheel van opleidingsonderdelen dat een individuele student binnen één opleiding opneemt in één academiejaar, met inbegrip van de opleidingsonderdelen waarvoor hij in dat jaar een vrijstelling vraagt;

33° individueel studieprogramma (ISP): de som van de jaarprogramma’s die een individuele student opneemt met het oog op het verwerven van een diploma of getuigschrift of met het oog op het verwerven van één of meer creditbewijzen;

34° kwalificatie van de graad: het onderdeel van de opleidingsbenaming dat de specifieke oriëntatie van die opleiding aangeeft;

35° leerkrediet: door de Vlaamse Gemeenschap aan een student toegekend krediet, uitgedrukt in studiepunten, inzetbaar om één of meerdere opleidingen of opleidingsonderdelen te volgen. Zie hiervoor www.kuleuven.be/leerkrediet/;

36° leerresultaat: de bepaling van wat van de student verwacht wordt dat hij weet/kent, begrijpt en kan toepassen na voltooiing van een onderwijsgerelateerd leerproces. Leerresultaten worden gedefinieerd als competenties inzake kennis, vaardigheden en attitudes eigen aan een opleiding, opleidingsonderdeel of cluster van opleidingsonderdelen;

37° masterproef: werkstuk waarmee een een student aantoont de academische competenties te hebben verworven om op een zelfstandige wijze te kunnen bijdragen tot wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling en tot een passende rapportage ervan; met de masterproef wordt de masteropleiding voltooid;

38° materiële vergissing: elke samenstelling van een individueel studie- of jaarprogramma waarbij niet aan de wettelijke of reglementaire voorwaarden is voldaan, evenals elke materiële daad waardoor een verkeerd examencijfer als resultaat voor de student is doorgegeven;

39° modeltraject: een traject dat bestaat uit een voor een opleiding opgesteld opleidingsprogramma, waarbij met opname van plicht- en keuzemogelijkheden wordt verduidelijkt hoe een student binnen een vooropgestelde duur het aan de opleiding verbonden diploma of getuigschrift kan behalen. Een modeltraject kan doorlopen worden onder de vorm van een standaardtraject of een flexibel traject. Een modeltraject omvat elke trajectvariant waarvoor een student geen toelating behoeft te vragen (zolang hij de regels volgt die in het onderwijs- en examenreglement beschreven worden);

40° onderwijsleeractiviteit (OLA): verdere opdeling van een opleidingsonderdeel in termen van een specifiek samenhangend geheel van onderwijs- en leeractiviteiten, en met een aantal studiepunten hieraan verbonden; elk opleidingsonderdeel bevat ten minste één onderwijsleeractiviteit;

41° opleiding of programma: de structurerende eenheid van het onderwijsaanbod. Zij wordt bij succesvolle voltooiing bekroond met een diploma of getuigschrift;

42° opleidingsfase: coherent gedeelte van een opleiding, met het oog op de structurering van het studietraject en de bewaking van studievoortgang;

43° opleidingskenmerken: elementen voor de afbakening van het profiel van een opleiding, met name:
a) de kwalificatie van de graad en de eventuele specificatie van de graad;
b) de afstudeerrichting of een andere vorm van differentiatie;
c) de studieomvang;
d) de instelling waar de opleiding wordt georganiseerd;

44° opleidingsonderdeel (OPO): een afgebakend geheel van onderwijs-, leer- en examenactiviteiten dat gericht is op het verwerven van welomschreven competenties inzake kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes. Een opleidingsonderdeel omvat ten minste drie gehele studiepunten en leidt tot één afzonderlijk beoordelingscijfer. Het kan verder opgedeeld zijn in samenhangende delen van onderwijs- en leeractiviteiten waaraan een aantal studiepunten verbonden zijn;

45° permanente onderwijscommissie (POC): de commissie samengesteld met het oog op het ontwikkelen en bewaken van één of meer opleidingsprogramma's en bestaande uit leden van het academisch personeel en vertegenwoordigers van studenten, eventueel aangevuld met alumni;

46° permanente vorming: onderwijsprogramma's van (meestal) beperkte omvang ter specialisatie of ter actualisatie van de wetenschappelijke kennis of ter verbreding of verdieping van competenties;

47° postgraduaat getuigschrift: document dat bewijst dat iemand geslaagd is voor een postgraduaatopleiding;

48° postgraduaatopleiding: opleiding van permanente vorming, waarbij een consistent geheel van ten minste 20 studiepunten wordt aangeboden;

49° programmadirecteur: de voorzitter van een permanente onderwijscommissie;

50° programmajaar: het geheel aan eisen qua opleidingsonderdelen waaraan een student overeenkomstig een modeltraject of een geïndividualiseerd studietraject per geheel van 54 tot 66 studiepunten moest voldoen in de periode voorafgaand aan 2009-2010;

51° programma- of opleidingsgids: een volledig overzicht van de specifieke opleidingsinformatie aangevuld met het onderwijs- en examenreglement.  Deze gegevens worden gebundeld op www.kuleuven.be/onderwijs/aanbod/index.htm;

52° Raad van Europa: samenwerkingsverband tussen landen van binnen en buiten Europa. De samenstelling is te vinden op www.coe.int/T/NL/Com/About_COE/Member_states/default.asp;

53° schakelprogramma: een programma dat wordt opgelegd aan een student die zich wenst in te schrijven voor een masteropleiding op grond van een in het professioneel hoger onderwijs uitgereikt bachelordiploma. Het programma beoogt de in artikel 58, § 2, 2°, van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen bedoelde algemene wetenschappelijke competenties en wetenschappelijk-disciplinaire basiskennis bij te brengen;

54° schriftelijke mededeling : ondubbelzinnige mededeling van een verzoek(schrift), intentie of beslissing op een andere dan mondelinge wijze (per brief, per e-mail, per fax, ...);

55° specificatie van de graad: het onderdeel van een opleidingsbenaming dat bestaat uit een toevoeging "of arts" of "of science" of gelijkaardige toevoegingen bij decreet vastgelegd;

56° standaardtraject: een traject waarbij de student het modeltraject volgt, ofwel door alle opleidingsonderdelen van een opleidingsfase op te nemen in een academiejaar, ofwel binnen een academiejaar een vooraf door de faculteit bepaald vast pakket opleidingsonderdelen (bestaande uit een deel van een opleidingsfase);

57° studiebewijs: diploma of getuigschrift dat aangeeft dat een student bepaalde leerresultaten heeft behaald via een opleiding(sonderdeel) waarover een examen is afgelegd;

58° studie-efficiëntie: de verhouding tussen het aantal binnen de K.U.Leuven verworven en het aantal feitelijk opgenomen studiepunten in een academiejaar binnen eenzelfde opleiding van een bacheloropleiding, schakelprogramma of initiële masteropleiding, uitgedrukt als een percentage; de cumulatieve studie-efficiëntie is dezelfde verhouding, maar dan over alle voorgaande academiejaren binnen dezelfde opleiding tot en met de meest recente examenperiode; voor de berekening van studie-efficiëntie wordt geen rekening gehouden met vrijstellingen; studie-efficiëntie wordt slechts berekend op de resultaten behaald met ingang vanaf het academiejaar 2009-2010;

59° studiegeld: het bedrag te betalen door de student voor de deelname aan onderwijsleeractiviteiten en/of examens;

60° studieomvang: het aantal studiepunten toegekend aan een opleiding, een opleidingsonderdeel of aan onderwijsleeractiviteiten daarvan;

61° studiepunt: een binnen de Vlaamse Gemeenschap aanvaarde internationale eenheid die overeenstemt met ten minste 25 en ten hoogste 30 uren voorgeschreven onderwijs-, leer- en examenactiviteiten en waarmee de studieomvang van elke opleiding of elk opleidingsonderdeel wordt uitgedrukt. Er worden enkel gehele studiepunten toegekend;
- opgenomen studiepunten zijn de studiepunten waarvoor men zich inschrijft inclusief diegene waarvoor men vrijstelling verkrijgt;
- feitelijk opgenomen studiepunten zijn de studiepunten waarvoor men inschrijft exclusief diegene waarvoor men vrijstelling verkrijgt;
- verworven studiepunten zijn de studiepunten waarvoor men een creditbewijs verworven heeft;

62° studietijd: de totale tijdsinvestering die van een student verwacht mag worden met betrekking tot een afzonderlijk opleidingsonderdeel of met betrekking tot een studieprogramma als geheel. De berekening gebeurt op grond van de zogenaamde 'normstudent'. De normstudent is de student die precies beschikt over de voorkennis, begaafdheid, motivatie en het studiegedrag van de doelgroep waarop een opleiding zich richt.
De studietijd bestaat uit twee componenten. De eerste component is het aantal uren aanwezigheid dat in principe van elke student verwacht wordt (de zogenaamde 'contacturen') en het aantal uren evaluatie. De tweede component is de 'verwerkingstijd'. Dit is de tijd die die normstudent moet investeren in de voorbereiding van een college of practicum, het uitvoeren van opdrachten, de eventuele stage, de voorbereiding op het examen enz.
Deze verwachte (of begrote) studietijd is slechts een indicatie voor de reëel bestede studietijd, die immers afhankelijk is van kenmerken van de individuele student;

63° studietraject: een studietraject bepaalt voor een diplomacontract of een examencontract met het oog op het behalen van een diploma of getuigschrift de essentiële elementen voor het volgen van een opleidingsprogramma, waaronder alleszins de opleidingsonderdelen, de studieomvang, de examen- en beraadslagingsregels en de studievoortgangbewaking. Het studietraject neemt de vorm aan van een modeltraject of een geïndividualiseerd studietraject;

64° ECTS-fiche: beknopte beschrijving volgens de internationale ECTS-standaard van de belangrijkste elementen van een opleidingsonderdeel;

65° studievoortgangsdossier: het (elektronisch) document dat op elk moment van de studie een overzicht geeft van de stand van zaken met betrekking tot de studievoortgang van de individuele student;

66° titularis van een opleidingsonderdeel: het personeelslid dat door de K.U.Leuven officieel is aangesteld als de opdrachthouder voor een opleidingsonderdeel;

67° toetredingsovereenkomst: de overeenkomst tussen K.U.Leuven en de student waarin de rechten en plichten van beide partijen worden vastgelegd. De overeenkomst wordt gesloten door de inschrijving van de student in één van de volgende types: diplomacontract, creditcontract of examencontract; het onderwijs- en examenreglement van de K.U.Leuven maakt integraal deel uit van de toetredingsovereenkomst;

68° tolerantie: door de student gemaakte keuze om een tolereerbaar resultaat effectief te behouden;

69° tolerantiedossier: deel van het studievoortgangsdossier dat alle informatie bevat met betrekking tot mogelijke toleranties en het recht op toleranties; binnen vastgestelde termijnen moet de student in dit dossier zelf keuzes maken;

70° validerende instantie: synoniem voor een associatie met het oog op het uitreiken van een bewijs van bekwaamheid;

70° bis vervolgopleiding: de opleiding(en) die door een faculteit als meest logische aansluitende opleiding(en) worden beschouwd;

71° volgtijdelijkheid: de volgorde waarin men zich mag inschrijven voor opleidingsonderdelen in functie van het gevolgd hebben van, c.q. geslaagd zijn voor één of meerdere andere opleidingsonderdelen. Er worden drie mogelijke vormen van volgtijdelijkheid onderscheiden:
- strenge volgtijdelijkheid: de student moet in een vorig academiejaar het creditbewijs of ten minste een tolereerbaar en ingezet onvoldoende hebben behaald om een hierop aansluitend opleidingsonderdeel te mogen volgen;
- soepele volgtijdelijkheid: de student moet het opleidingsonderdeel vroeger hebben gevolgd, zonder noodzakelijkerwijs het creditbewijs te hebben behaald;
- gelijktijdigheid: de student moet het opleidingsonderdeel vroeger gevolgd hebben of gelijktijdig opnemen met een ander;

72° voorbereidingsprogramma: een programma dat kan worden opgelegd aan een student die in het bezit is van een academisch bachelor- of masterdiploma dat niet op rechtstreekse wijze toelating verleent tot de masteropleiding waarvoor hij zich wenst in te schrijven;

73° voortgangsvereiste: de vereiste dat een student een bepaald opleidingsonderdeel slechts mag opnemen wanneer hij nog maximum het door de faculteit bepaalde aantal studiepunten moet verwerven om het diploma te behalen;

74° vrijstelling: de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel of een deel ervan een examen af te leggen, op grond van een creditbewijs, een ander studiebewijs of een bewijs van bekwaamheid. Voor dit opleidingsonderdeel of deel ervan wordt geen examencijfer in rekening gebracht bij het beoordelen over het slagen voor een opleiding en evenmin voor het toekennen van een graad van verdienste, tenzij in die omstandigheden zoals bepaald in art.56, 2de lid van dit reglement.

+ Bijzondere bepaling in verband met internationale studenten

TITEL II. ONDERWIJSREGLEMENT

Afdeling 1. Inschrijving via toetredingsovereenkomsten

1.1. Diplomacontract, creditcontract en examencontract

Artikel 1. Keuzemogelijkheden

Bij de inschrijving schrijft een student in voor één of meer van de onderstaande types contracten:
1° een diplomacontract met het oog op het behalen van een diploma of getuigschrift;
2° een creditcontract met het oog op het behalen van een creditbewijs voor één of meer opleidingsonderdelen;
3° een examencontract met het oog op het behalen van een diploma of een creditbewijs voor één of meer opleidingsonderdelen.

Alleen voor deze studenten en uitwisselingsstudenten is dit reglement van toepassing. Ten behoeve van de praktische organisatie van de universiteit kunnen andere personen ook geregistreerd worden. Hun rechten worden ad hoc gedefinieerd.

Door de inschrijving wordt de keuze voor een type overeenkomst definitief. Zij kan enkel gewijzigd worden op de in art. 9 bepaalde tijdstippen en onder de daarin vermelde voorwaarden. De verdere invulling van de toetredingsovereenkomst vindt plaats zoals bepaald in dit onderwijsreglement.

Artikel 2. Diplomacontract

Bij een diplomacontract schrijft een student zich in op grond van de volgende elementen van het onderwijs- en examenreglement:
1° het diploma of het getuigschrift dat de student wil behalen en de doelstellingen van het opleidingsprogramma zoals bepaald in art. 34-35;
2° de studieomvang van de opleiding zoals bepaald in art. 36-41;
3° de toelatingsvereisten voor de inschrijving zoals bepaald in art. 26-33;
4° de opleidingsonderdelen die in het opleidingstraject moeten of kunnen worden opgenomen en de studieomvang en volgtijdelijkheid, c.q. voortgangsvereisten van deze opleidingsonderdelen;
5° de tijdsperiode waarop de inschrijving betrekking heeft (academiejaar, burgerlijk jaar, semester, ...) overeenkomstig art. 12;
6° de voorwaarden voor het behalen van een creditbewijs per opleidingsonderdeel zoals bepaald in art. 58;
7° in voorkomend geval de studieomvangvermindering voor het geheel van de opleiding of opleidingsonderdelen of delen ervan ten gevolge van vrijstellingen;
8° het aantal examens per opleidingsonderdeel zoals bepaald in het examenreglement;
9° de examen- en beraadslagingsregels zoals bepaald in het examenreglement;
10° de mogelijke maatregelen van studievoortgangbewaking zoals bepaald in art. 77-84;
11° de bindende voorwaarden inzake studievoortgangbewaking zoals bepaald in art. 79.

Een student schrijft zich ook in voor een diplomacontract als hij meent vrijstellingen te kunnen krijgen voor alle opleidingsonderdelen van een opleiding. De student richt een aanvraag tot het verkrijgen van vrijstellingen aan de faculteit en verwerft bij positieve beslissing het overeenstemmende diploma of getuigschrift. In het geval van een negatieve beslissing wordt bepaald welke opleidingsonderdelen de student nog moet volgen om het diploma of getuigschrift te kunnen behalen conform artikel 2.

Artikel 3. Creditcontract

Bij een creditcontract schrijft een student zich in op grond van de volgende elementen van het onderwijs- en examenreglement:
1° het opleidingsonderdeel of de opleidingsonderdelen waarvoor de student een creditbewijs wil behalen;
2° de studieomvang van het opleidingsonderdeel of de opleidingsonderdelen;
3° de toelatingsvereisten voor de inschrijving voor het opleidingsonderdeel of de opleidingsonderdelen zoals bepaald in art. 26-33;
4° de tijdsperiode waarop de inschrijving betrekking heeft (academiejaar, burgerlijk jaar, semester, ...) overeenkomstig art. 12;
5° de voorwaarden voor het behalen van een creditbewijs per opleidingsonderdeel zoals bepaald in art. 58;
6° in voorkomend geval de studieomvangvermindering van delen van opleidingsonderdelen ten gevolge van vrijstellingen;
7° het aantal examens per opleidingsonderdeel zoals bepaald in het examenreglement;
8° de examenregels zoals bepaald in het examenreglement;
9° de mogelijke maatregelen van studievoortgangbewaking zoals bepaald in art. 77-84;
10° de bindende voorwaarden inzake studievoortgangbewaking zoals bepaald in art.79.

Voor de beperkingen, zie art. 15.

+ Bijzondere bepaling in verband met internationale studenten

Artikel 4. Examencontract

Als een student zich met een examencontract inschrijft met het oog op het behalen van een diploma of getuigschrift zijn de regels vermeld in art. 2 van toepassing. De regels vermeld in art. 3 zijn van toepassing als een student zich inschrijft met een examencontract met het oog op het behalen van een creditbewijs voor één of meer opleidingsonderdelen.

De student heeft in deze formule enkel recht op het afleggen van examens en kan geen beroep doen op de ondersteunende diensten van de K.U.Leuven. Studenten met een examencontract krijgen geen statuut van student met de daaraan verbonden sociaalrechtelijke gevolgen (bv. kinderbijslag, studietoelagen, enz.). Informatie hierover kan men verkrijgen op www.kuleuven.be/sociale_dienst/.

Voor de beperkingen, zie art. 15.

+ Bijzondere bepaling in verband met internationale studenten

Artikel 5. Combinatiemogelijkheden van contracten

In eenzelfde academiejaar kan een student inschrijven voor:
- meerdere aparte diplomacontracten of examencontracten of creditcontracten voor verschillende opleidingen of opleidingsonderdelen;
- een combinatie van een diplomacontract, examencontract of creditcontract voor verschillende opleidingen of opleidingsonderdelen.

Combinatie van contracten voor een zelfde opleiding of voor een opleiding en de opleidingsonderdelen van die opleiding is bijgevolg uitgesloten, tenzij

a) als een student een opleidingsonderdeel niet kan volgen met een examencontract, dan kan hij hiervoor inschrijven onder de vorm van een creditcontract;
b) als een student ingeschreven is in een opleiding en in datzelfde academiejaar het diploma kan behalen, kan hij bovenop zijn diplomacontract ook opleidingsonderdelen uit dezelfde opleiding opnemen onder de vorm van een creditcontract.

De faculteit kan bepalen dat een combinatie van contracten voor een opleiding en (opleidingsonderdelen van) diens vervolgopleiding(en) ook  uitgesloten is, tenzij in de gevallen zoals bepaald in art. 71 van dit reglement.

In overeenstemming met artikel 162, 3de lid van het examenreglement blijft het mogelijk om in te schrijven voor een creditcontract of examencontract met het oog op het behalen van een creditbewijs, wanneer men voor een opleiding geslaagd is verklaard zonder een bepaald creditbewijs behaald te hebben.

Bij overstap van het ene contracttype naar een ander gelden de regels van het contracttype waarnaar men overstapt.

De faculteit kan op verzoek van de student afwijkingen op de bovenstaande combinatiemogelijkheden toestaan.

1.2. Modeltraject (standaardtraject en flexibel traject) en geïndividualiseerd studietraject

Artikel 6. Modeltrajecten en opleidingsfasen

Elke opleiding waarvoor met een diplomacontract of een examencontract met het oog op het behalen van een diploma kan ingeschreven worden, heeft een modeltraject. Een modeltraject is opgedeeld in opleidingsfasen.

Een opleidingsfase van een bachelor- of initiële masteropleiding omvat 54 à 66 studiepunten. Voor specifieke lerarenopleidingen, master-na-masters, schakelprogramma’s, voorbereidingsprogramma’s, programma’s met vermindering van studieomvang en postgraduaten wordt de omvang van een opleidingsfase door de faculteit bepaald.

Een student kan een modeltraject volgen via een standaardtraject of via een flexibel traject.

Artikel 7. Standaardtraject of flexibel traject

§1. Als een student een modeltraject volgt via een standaardtraject, kan hij dit voltijds doen of via een anders opgebouwd traject. Als de student een voltijds traject volgt, doet hij dit door een volledige opleidingsfase van 54 tot 66 studiepunten op te nemen.  Een student volgt een anders opgebouwd traject, ofwel door een volledige opleidingsfase van minder dan 54 of meer dan 66 studiepunten op te nemen, ofwel door een vooraf door de faculteit bepaald vast pakket opleidingsonderdelen  (bestaande uit een deel van een opleidingsfase) op te nemen.

Elke student die een modeltraject volgt dat afwijkt van het standaardtraject, volgt een flexibel traject. Op studenten die een modeltraject doorlopen via een flexibel traject, is het onderscheid voltijds of anders opgebouwd niet van toepassing.

§2. Een standaardtraject van een bachelor- of initiële masteropleiding kan steeds gevolgd worden als een voltijds traject of als een anders opgebouwd traject. Een student die een voltijds standaardtraject volgt, neemt in één academiejaar alle opleidingsonderdelen van één opleidingsfase (van 54 à 66 studiepunten) op. De faculteit voorziet ook minstens één mogelijkheid om het standaardtraject via een  anders opgebouwd standaardtraject te volgen, namelijk door in één academiejaar een door de faculteit vastgelegd pakket van 25 à 35 studiepunten op te nemen. Daarnaast kan elke opleiding nog bijkomende anders opgebouwde trajecten aanbieden.

Voor master-na-masteropleidingen, specifieke lerarenopleidingen, schakelprogramma’s, voorbereidingsprogramma’s, programma’s met vermindering van studieomvang en postgraduaten bepaalt de faculteit hoe een student het modeltraject via een standaardtraject kan doorlopen. De faculteit voorziet daarbij minstens één mogelijkheid om dit te doen, hetzij via een voltijds traject (waarbij de student in één academiejaar alle opleidingsonderdelen van één opleidingsfase (54 à 66 studiepunten) opneemt), hetzij via een anders opgebouwd traject. Elke opleiding kan meerdere anders opgebouwde trajecten aanbieden.

§3. De student die een opleiding volgt onder de vorm van een standaardtraject krijgt de garantie dat hij voor alle plichtopleidingsonderdelen van de opleiding een volgbare uurroosterregeling en een examenregeling met niet meer dan één examen per dag krijgt. Dit geldt voor alle opleidingen in het programma-aanbod. Als dit voor master-na-masteropleidingen, specifieke lerarenopleidingen, schakelprogramma’s, voorbereidingsprogramma’s, programma’s met studieduurverkorting en postgraduaten niet haalbaar is, wordt dit uitdrukkelijk vermeld in de programmagids of ECTS-fiche.

Artikel 8. Geïndividualiseerd studietraject

Een geïndividualiseerd studietraject biedt studenten de mogelijkheid om af te wijken in zake het aantal studiepunten dat een student moet of kan opnemen in één academiejaar (art. 69 en 70).

Een geïndividualiseerd studietraject kan op grond van een toelating door de assessmentcommissie uitzonderlijk worden toegekend aan studenten die zich kunnen beroepen op uitzonderlijke individuele omstandigheden.

Dit geldt onder meer voor studenten met een ernstige functiebeperking, om ernstige medische redenen, voor erkende topsporters of kunstenaars, studenten die ten minste 80 uur per maand werken. Voor deze categorieën studenten omvat het traject minder studiepunten dan volgens art. 69 en 70 wordt toegestaan.

Een geïndividualiseerd studietraject kan ook worden toegestaan aan hoogbegaafde studenten die voor het eerst in een welbepaalde bacheloropleiding of voor een schakelprogramma inschrijven. In afwijking van art. 69 en 70 van dit reglement kan hun traject meer dan 66 studiepunten per academiejaar omvatten.

Het geïndividualiseerd studietraject is te onderscheiden van de mogelijkheden tot examenspreiding zoals beschreven in artikel 122 van het examenreglement.

Tegen de niet-toekenning van een geïndividualiseerd studietraject kan beroep ingesteld worden zoals bepaald in het artikel 95 dat de beroepsmogelijkheden vastlegt.

+ Procedure
+ Bijzondere bepaling in verband met internationale studenten
+ Bijzondere bepaling in verband met studenten met een functiebeperking
1.3. Wijziging van studiecontract

Artikel 9. Wijzigingen op verzoek van de student

§1. Wijzigingen van het contracttype

Na afloop van het eerste semester kan een student vragen om het contracttype zoals bepaald in artikels 2-4 te wijzigen.

+ Procedure
+ Bijzondere bepaling in verband met internationale studenten
+ Bijzondere bepaling in verband met studenten met een functiebeperking

§2. Wijzigingen van de contractinhoud

Onverminderd de bepalingen over de samenstelling van het jaarprogramma zoals vastgelegd in art. 53 van dit reglement, kan een student slechts een wijziging van de inhoud van het contract vragen binnen strikte termijnen.

Een student die zich in de loop van het eerste semester uitschrijft voor een opleiding, kan zich in het tweede semester niet meer voor dezelfde opleiding herinschrijven.

+ Procedure
+ Bijzondere bepaling in verband met internationale studenten
+ Bijzondere bepaling in verband met studenten met een functiebeperking

§3. Wijziging van opleiding en heroriëntatie vanuit een andere instelling

Studenten die tijdens het academiejaar van instelling of van opleiding wensen te veranderen, kunnen dit enkel volgens de bepaalde procedure.

+ Procedure
+ Bijzondere bepaling in verband met internationale studenten

§4. Tegen beslissingen in verband met de wijziging van type of inhoud van een studiecontract of wijziging van opleiding kan beroep ingesteld worden zoals bepaald in het artikel 95 dat de beroepsmogelijkheden vastlegt.

Artikel 10. Wijzigingen van het programma-aanbod door de K.U.Leuven

Wijzigingen van het programma-aanbod door de K.U.Leuven hebben, behoudens overmacht, voor de bestaande toetredingsovereenkomsten ten vroegste uitwerking bij de aanvang van het academiejaar volgend op dat waarin de wijziging is goedgekeurd. Wijzigingen worden onmiddellijk en transparant kenbaar gemaakt. De K.U.Leuven zorgt voor passende overgangsbepalingen.

Afdeling 2. Inschrijvingsregels en studiegelden

2.1. Inschrijvingsregels

Artikel 11. Inschrijven is een overeenkomst tot stand brengen

Door de inschrijving aan de K.U.Leuven wordt een overeenkomst gesloten met rechten en plichten voor beide partijen. De rechten en plichten worden verder beschreven in art. 85-91.

Artikel 12. Duur van de overeenkomst

Behoudens specifieke andersluidende bepalingen voor een bepaalde opleiding of een specifiek contract, geldt een inschrijving van een student voor één academiejaar.

Artikel 13. Ogenblik van inschrijven

De student schrijft zich bij voorkeur in voor het begin van het academiejaar en uiterlijk tegen de data die zijn vastgelegd voor elk type contract.

Studenten die voor het begin van het academiejaar inschrijven, kunnen tijdig beschikken over alle faciliteiten, behoudens studenten met een examencontract (cf. art. 90§1, 2de lid). Voor de andere studenten worden deze mogelijkheden slechts ter beschikking gesteld vanaf het ogenblik dat zij formeel zijn ingeschreven.

+ Procedure

Artikel 14. Toelating voor inschrijving

Om te worden ingeschreven, moet men voldoen aan de algemene en bijzondere voorwaarden zoals beschreven in afdeling 3. Een specifieke toelating is vereist in een aantal gevallen.

Artikel 15. Bijzondere voorwaarden voor creditcontracten en examencontracten

De faculteit kan bepalen dat bepaalde opleidingsonderdelen niet kunnen worden gevolgd onder de vorm van een creditcontract of een examencontract met het oog op het verwervan van individuele creditbewijzen tenzij voldaan is:
- aan de beginvoorwaarden van de opleiding waartoe het opleidingsonderdeel behoort;
- aan de volgtijdelijkheidsvoorwaarden of voortgangsvereisten of begintermen die zijn opgenomen in de programmagids.

De faculteit bepaalt welke opleidingen of opleidingsonderdelen eventueel niet kunnen worden gevolgd onder de vorm van een examencontract omwille van de specifieke vormen van begeleiding of werk- en evaluatievormen die zij vereisen.

Een weigering tot verdere inschrijving voor een diplomacontract op basis van art. 79-80 van dit reglement, betekent ook automatisch dat voor alle opleidingsonderdelen uit die opleiding niet meer via een creditcontract kan ingeschreven worden.

2.2. Studiegeld

Artikel 16. Algemeen

§1. Het studiegeld omvat ook het examengeld en de aansluiting bij de collectieve ongevallenverzekering evenals de polis burgerlijke aansprakelijkheid voor studiegebonden activiteiten van de K.U.Leuven (beide polissen met uitsluiting van studenten met examencontract). Studenten kunnen vrij toetreden tot de collectieve polis burgerlijke aansprakelijkheid privé-leven. Informatie is te vinden op webpagina www.kuleuven.be/sociale_dienst.

+ Bijzondere bepaling in verband met internationale studenten

§2. Van elke student wordt bij inschrijving bij het begin van het academiejaar een vast bedrag gevraagd. In de loop van het academiejaar wordt op grond van het feitelijk aantal opgenomen studiepunten van een student of van de evoluties binnen zijn leerkrediet een herbepaling van het studiegeld uitgevoerd. Als dit aanleiding geeft tot een saldo:
- in het voordeel van de student, wordt dit ten spoedigste op het door hem opgegeven rekeningnummer teruggestort;
- in het voordeel van de K.U.Leuven, wordt de student aangemaand tot bijkomende betaling en behoudt hij zijn rechten in elk geval tot de in de aanmaning bepaalde vervaltermijn voor de betaling.

De bedragen voor studiegelden kunnen overeenkomstig de afspraken binnen de associatie of tussen de instellingen van hoger onderwijs - maar binnen de decretale regels - aangepast worden, zonder dat dit reglement als geheel moet aangepast worden.

+ Procedure
+ Bijzondere bepaling in verband met internationale studenten

§3. Deelvrijstellingen voor een opleidingsonderdeel geven geen aanleiding tot reductie van het studiegeld. De student moet zich voor opleidingsonderdelen met deelvrijstellingen nog inschrijven.

Artikel 17. Het studiegeld bij diploma- en creditcontracten

§1. Een student kan zich inschrijven voor één of meerdere opleidingen en/of voor één of meerdere opleidingsonderdelen in eenzelfde academiejaar. Voor de berekening van de studiegelden worden alle inschrijvingen van een student onder diploma- en/of creditcontract in eenzelfde academiejaar binnen de K.U.Leuven beschouwd als één inschrijving, behalve de in de procedure vermelde uitzonderingen.

+ Procedure

§2. Voor beurstariefstudenten gelden vaste studiegelden onafhankelijk van het aantal opgenomen studiepunten. De bepalingen voor beurstariefstudenten zijn niet van toepassing op de master-na-masteropleidingen en postgraduaatopleidingen.

Het studiegeld is voor niet-beurstariefstudenten en bijna-beurstariefstudenten samengesteld uit een vast gedeelte dat slechts eenmaal per academiejaar verschuldigd is en een variabel gedeelte per studiepunt. Als men inschrijft voor ten minste 54 en ten hoogste 66 studiepunten wordt een forfait aangerekend.

Bijzondere studiegelden kunnen worden geheven voor master-na-masteropleidingen en postgraduaatopleidingen. De lijst van de opleidingen die verhoogde studiegelden vragen, vindt men op het web: www.kuleuven.be/inschrijvingen/studiegelden/verhoogde.

+ Procedure
+ Bijzondere bepaling in verband met internationale studenten

§3. Voor een student met onvoldoende leerkrediet, een negatief leerkrediet of een leerkrediet gelijk aan nul en waaraan toelating wordt verleend tot inschrijving, wordt een bijzonder studiegeld geheven voor het deel van de inschrijving waarvoor hij onvoldoende leerkrediet heeft, conform de bepalingen in art. 82.

Artikel 18. Het studiegeld bij examencontracten

De student met een examencontract betaalt bovenop het normale studiegeld 50 euro (eenmalige som per academiejaar) voor het gebruik van Toledo en de hiervoor benodigde ICT-dienstverlening.

Artikel 19. Het studiegeld bij combinaties van examencontracten met een diploma- en/of creditcontract

Een student kan zich inschrijven voor één of meerdere opleidingen en/of voor één of meerdere opleidingsonderdelen in eenzelfde academiejaar. Een examencontract leidt steeds tot een aparte inschrijving. In het kader van de berekening van de studiegelden worden alle inschrijvingen van een student onder examencontract in eenzelfde academiejaar binnen de K.U.Leuven beschouwd als één inschrijving behalve de volgende inschrijvingen die steeds apart worden berekend:
- master-na-masteropleidingen;
- postgraduaatopleidingen en andere trajecten van permanente vorming die leiden tot een getuigschrift.

Het studiegeld is steeds samengesteld uit een vast gedeelte en een variabel gedeelte per studiepunt.

Artikel 20. Studiegelden voor postgraduaatopleidingen en andere trajecten van permanente vorming

Voor postgraduaatopleidingen wordt het studiegeld per opleiding bepaald. De informatie vindt men in de programmagids bij de informatie omtrent de betreffende opleiding.

Voor andere trajecten van permanente vorming die leiden tot een getuigschrift, wordt het studiegeld per traject bepaald. Men betaalt het studiegeld aan de faculteit. Voor deze trajecten wordt wel centraal een inschrijving genomen en betaalt men centraal het vast gedeelte.

Voor trajecten van permanente vorming die slechts leiden tot een attest van deelname, wordt het (eventuele) studiegeld rechtstreeks aan de organisatoren betaald. Men neemt geen centrale inschrijving.

Artikel 21. Aanrekening van extra-studiekosten

Specifieke en in omvang beperkte kosten voor gebruik van goederen en organisatie van specifieke evenementen kunnen worden doorgerekend aan de student voor zover zij rechtstreeks verband houden met de organisatie van de opleiding.  Indien dit het geval is wordt daarover in de specifieke aanvullende reglementering voor de opleiding voor aanvang van het academiejaar duidelijkheid verschaft. De aanrekening en inning van extra-studiekosten gebeurt door de faculteit.

Artikel 22. Wanbetaling, uitschrijven en veranderen van studierichting

Wie het studiegeld ook na aanmaning niet betaalt vóór de gestelde datum, wordt geschorst als student en kan dus niet deelnemen aan de examens. Een eventuele herinschrijving is slechts mogelijk na het betalen van de verschuldigde bedragen voor de reeds afgewerkte periode. Conform artikel 115 van het examenreglement worden geen studieattesten noch creditbewijzen afgeleverd.

Studenten die hun studies stopzetten, schrijven uit ten laatste voor het einde van de onderwijsperiode van het tweede semester. Voor studenten die hun studies stopzetten of veranderen van studierichting is er eventueel een terugbetaling of herberekening van studiegelden. De regels hierover vindt men in de procedure.

+ Procedure
+ Bijzondere bepaling in verband met internationale studenten

Afdeling 3. Toelatingsvoorwaarden

3.1. Bepalingen die gelden voor alle opleidingen en opleidingsonderdelen

Artikel 23. Algemeen

Voor toelating tot een opleiding of opleidingsonderdelen aan de K.U.Leuven geldt dat de student in elk geval moet voldoen aan de decretale voorwaarden met de hierna bepaalde aanvullingen. Aan deze voorwaarden moet voldaan zijn bij aanvang van het academiejaar. Uitzonderlijk kan een kandidaat-student die nog niet beschikt over een diploma van het secundair onderwijs van de directeur van de centrale Studentenadministratie tot de aanvang van de eerste examenperiode uitstel krijgen om aan de diplomavoorwaarden te voldoen. Als hij op dat ogenblik niet voldoet aan deze voorwaarden wordt hij uitgeschreven en hiervan op de hoogte gebracht.

De specifieke diplomavoorwaarden voor elke afzonderlijke opleiding (en de daarin opgenomen opleidingsonderdelen) staan vermeld in de programmagids.

Voor de toelating tot een opleiding of opleidingsonderdeel mag de student niet beschikken over een leerkrediet lager dan of gelijk met nul. Overeenkomstig art. 82 kunnen afwijkingen op de bepalingen in verband met het leerkrediet worden toegestaan.

+ Bijzondere bepaling in verband met internationale studenten

Artikel 24. Specifieke toelatingen

In een aantal gevallen is een specifieke toelating vereist, zoals omschreven in de procedure.

+ Procedure
+ Bijzondere bepaling in verband met internationale studenten
+ Bijzondere bepaling in verband met studenten met een functiebeperking

Artikel 25. Taalvoorwaarden

§1. Taalvoorwaarden voor Nederlandstalige opleidingen

Een kandidaat-student wordt tot een in het Nederlands georganiseerde opleiding toegelaten als hij aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoet:
a) bewijzen dat hij de examens van ten minste één studiejaar in het secundair of hoger onderwijs of een geheel van ten minste 54 studiepunten in het hoger onderwijs met succes in het Nederlands heeft afgelegd;
b) geslaagd zijn voor een examen Nederlands dat volgens de Nederlandse Taalunie een voldoende niveau biedt voor toelating tot het hoger onderwijs. Voor sommige opleidingen kan de instelling een hoger niveau eisen;
c) geslaagd zijn voor  de Interuniversitaire Taaltest Nederlands voor anderstaligengeorganiseerd door het Instituut voor Levende Talen (ILT) van de K.U.Leuven;
d) een certificaat voorleggen van een opleiding Nederlands die door de universiteit als gelijkwaardig beschouwd wordt met de voorgaande;
e) een certificaat voorleggen waaruit blijkt dat de kandidaat-student ten minste over het niveau B2 van het Europees referentiekader voor de talen beschikt .
Met het oog op de toelating tot een masteropleiding kunnen overeenkomstig de bewezen taalvaardigheid en het taalprofiel van de opleiding in overleg met de faculteit versoepelde voorwaarden worden toegepast en kunnen desgevallend andere wijzen dan vermeld onder a) tot d) worden aanvaard om de voldoende taalbeheersing aan te tonen.

§2. Taalvoorwaarden voor anderstalige opleidingen

Een kandidaat-student wordt toegelaten tot een opleiding die wordt georganiseerd in een andere taal dan het Nederlands als hij aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoet: a) bewijzen dat hij de examens van ten minste één studiejaar in het secundair of hoger onderwijs of een geheel van ten minste 54 studiepunten in het hoger onderwijs met succes in de taal van de opleiding heeft afgelegd; b) een certificaat voorleggen waaruit blijkt dat de kandidaat-student ten minste over het niveau C1 van het Europees referentiekader voor de talen beschikt voor de taal van de opleiding.

+ Procedure

Voor Engelstalige masteropleidingen wordt verondersteld dat studenten die een diploma van een academische bacheloropleiding in de Vlaamse Gemeenschap behaalden over het vereiste taalniveau beschikken, ten minste voor betreft de lees- en luistervaardigheid. Tenzij uitdrukkelijk anders wordt vermeld in de programmagids hoeven zij hun Engelse taalbeheersing niet verder te bewijzen.

Met het oog op de toelating tot een masteropleiding kan de opleiding strengere voorwaarden toepassen. Ook kunnen desgevallend andere wijzen dan vermeld onder a) en b)) worden aanvaard om de voldoende taalbeheersing aan te tonen.  In deze gevallen wordt dit uitdrukkelijk vermeld in de programmagids.

+ Bijzondere bepaling in verband met internationale studenten
3.2. Toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding

Artikel 26. Algemene diplomavoorwaarden voor een inschrijving in een bacheloropleiding

Tot een bacheloropleiding worden toegelaten de personen die beschikken over:
a) een Belgisch diploma van het secundair onderwijs;
b) een Belgisch diploma van het hoger onderwijs van het korte type;
c) een Belgisch diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie met uitzondering van het getuigschrift voor pedagogische bekwaamheid;
d) een diploma of getuigschrift dat bij of krachtens een wet, decreet, Europese richtlijn of een andere internationale overeenkomst als gelijkwaardig met de diploma's uit de hierboven vermelde categorieën wordt erkend.

+ Bijzondere bepaling in verband met internationale studenten

Artikel 27. Specifieke toelatingsvoorwaarden

Kandidaat-studenten die niet in het bezit zijn van de hierboven vermelde diploma's of getuigschriften kunnen tot een bacheloropleiding worden toegelaten op voorwaarde dat zij in de loop van het academiejaar van inschrijving de leeftijd van 21 jaar bereikt hebben of bereiken. Daarenboven moet minimaal twee jaar verlopen zijn tussen het einde van het schooljaar waarin zij voor het laatst secundair onderwijs volgden en de aanvang van het academiejaar waarvoor zij inschrijven. Van deze voorwaarden kan worden afgeweken als de kandidaat bewijst over een uitzonderlijke begaafdheid te beschikken.

Tegen beslissingen van de centrale assessmentcommissie over een toelating voor iemand zonder diploma kan beroep ingesteld worden zoals bepaald in het artikel 95 dat de beroepsmogelijkheden vastlegt.

Voor de inschrijving voor een opleiding tot arts of tandarts geldt als bijkomende toelatingsvoorwaarde het geslaagd zijn in een toelatingsexamen van de Vlaamse Gemeenschap.

+ Procedure
+ Bijzondere bepaling in verband met internationale studenten
+ Bijzondere bepaling in verband met studenten met een functiebeperking
3.3. Toelatingsvoorwaarden tot een initiële masteropleiding of een master-na-masteropleiding

Artikel 28. Algemene toelatingsvoorwaarde

Als algemene toelatingsvoorwaarde voor een initiële masteropleiding geldt het bezit van een academisch bachelordiploma of hiermee gelijkwaardig geacht getuigschrift over een deel van een tweede cyclus van een uitdovende of reeds uitgedoofde opleiding (licentie, burgerlijk ingenieur, arts ...).

Als algemene toelatingsvoorwaarde voor een master-na-masteropleiding geldt een masterdiploma of hiermee gelijkwaardig geacht diploma van een tweede cyclus van een uitdovende of reeds uitgedoofde opleiding (licentie, burgerlijk ingenieur, arts, ...). De toelating tot inschrijving kan bovendien afhankelijk worden gesteld van een geschiktheidsonderzoek.

In de programmagids wordt vermeld welke specifieke diploma’s, met inbegrip van diploma’s behaald aan andere instellingen, rechtstreeks toegang verlenen tot een initiële masteropleiding of een master-na-masteropleiding.

Met het oog op het vlot doorstromen tussen opleidingen kan de faculteit beslissen dat een student in voorkomend geval een aangepast masterprogramma volgt in plaats van een voorbereidingsprogramma zoals beschreven in art. 29. In dat aangepast programma kunnen, ter vervanging van vrijgestelde onderdelen van het masterprogramma of ter vervanging van een keuzepakket, andere opleidingsonderdelen worden opgenomen uit de bachelor- of masteropleiding die rechtstreeks toelating verleent tot die masteropleiding, en dit ten belope van maximaal dezelfde studieomvang. Waar dit van toepassing is, vermeldt de programmagids voor de studenten met een diploma van een andere opleiding of instelling welke wijzigingen kunnen plaatsvinden aan het masteropleidingsprogramma.

Deze toelatingsvoorwaarden verhinderen niet dat studenten kunnen inschrijven voor een aansluitende opleiding of onderdelen ervan zoals bepaald in art. 71 van dit reglement.

Artikel 29. Bijkomende toelatingsmogelijkheden op grond van een schakel- of voorbereidingsprogramma

Houders van een bachelordiploma uit het hoger professioneel onderwijs of een einddiploma van het oude type hoger onderwijs van één cyclus worden toegelaten tot een academische master na het succesvol voltooien van een schakelprogramma zoals beschreven onder art. 38.

Houders van een academisch bachelordiploma dat niet rechtstreeks toegang verleent tot een bepaalde masteropleiding of houders van een masterdiploma dat niet rechtstreeks toegang verleent tot een bepaalde master-na-masteropleiding, worden toegelaten tot die opleiding na het gevolgd hebben van een specifiek voorbereidingsprogramma zoals beschreven onder art. 39.

In de programmagids staat vermeld voor welke masteropleidingen schakelprogramma's en voorbereidingsprogramma's worden georganiseerd.

3.4. Specifieke voorwaarden voor de toelating tot andere opleidingen

Artikel 30. Bachelor- en masteropleidingen met verminderde studieomvang

Een student die reeds beschikt over het diploma van een bacheloropleiding (professioneel of academisch) of een einddiploma van het oude type hoger onderwijs van één cyclus kan worden toegelaten tot een andere bacheloropleiding met vermindering van studieomvang.

Een student die reeds beschikt over het diploma van een initiële masteropleiding of een diploma van de tweede cyclus van het oude type (licentiaat, burgerlijk ingenieur enz.) kan worden toegelaten tot een bacheloropleiding of een initiële masteropleiding met vermindering van studieomvang.

Een student die reeds beschikt over het diploma van een bachelor-na-bacheloropleiding of een gelijkaardig diploma kan worden toegelaten tot een bacheloropleiding of een initiële masteropleiding met vermindering van studieomvang.

Een student die reeds beschikt over het diploma van een master-na-masteropleiding of een diploma van een voortgezette academische opleiding van het oude type kan worden toegelaten tot een bacheloropleiding, een initiële masteropleiding of een master-na-masteropleiding met vermindering van studieomvang.

In de programmagids staat vermeld welke vooropleidingen toegang geven tot een opleiding met vermindering van studieomvang waarvoor rechtstreeks kan worden ingeschreven. Als een student recht meent te hebben op een programma met vermindering van studieomvang, zonder dat dit expliciet staat beschreven in de programmagids, richt hij een verzoek tot het volgen van dergelijk programma tot de faculteit.

Houders van andere diploma's die kunnen worden gelijkgesteld met de hierboven beschreven diploma's, richten in elk geval een verzoek tot de faculteit.

Artikel 31. Specifieke lerarenopleiding

De specifieke lerarenopleiding (SLO) kan aangevat worden na het behaald hebben van een diploma van academische bachelor of master (of een gelijkwaardig einddiploma).

Tot het volgen van een specifieke lerarenopleiding kan de student ook worden toegelaten:
- als hij conform de algemene bepalingen van dit reglement reeds wordt toegelaten om in te schrijven voor de masteropleiding naast de bacheloropleiding;
- op grond van een diploma van kandidaat;
- op grond van een professionele bachelor op voorwaarde dat hij ten minste tegelijkertijd is ingeschreven voor een schakelprogramma.
Als de student nog geen masterdiploma heeft behaald, moet hij gelijktijdig inschrijven in een masteropleiding.

Een student kan rechtstreeks inschrijven in een afstudeerrichting van een lerarenopleiding die inhoudelijk verwant is met zijn academische basisopleiding (bachelor- en masteropleiding samengenomen). Als inhoudelijk verwante opleidingen worden beschouwd:
- de academische basisopleidingen waarin ten minste 40 studiepunten zijn verworven of verworven zullen worden in het jaar van inschrijving in de discipline van de vakdidactiek(en) van de afstudeerrichting. Voor studenten die de SLO Talen volgen, geldt dat zij uiterlijk aan het einde van hun SLO-studie voor elk van hun beide talen 6studiepunten verworven moeten hebben op masterniveau en 54 studiepunten op bachelorniveau. Een bacheloropleiding Toegepaste Taalkunde geldt als equivalent met ene bacheloropleiding Taal- en Letterkunde, behalve voor Nederlands.  Voor de SLO Natuurwetenschappen geldt een voorkennis van minimum 40 studiepunten in één van de vier subdisciplines (biologie, fysica, chemie, geografie).

Voor de niet-aansluitende lerarenopleidingen kan de student een toelating vragen via een gemotiveerd schrijven aan de programmadirecteur van de lerarenopleiding waarin hij uiteenzet waarom hij denkt over voldoende voorkennis en competenties te beschikken om deze niet-aansluitende lerarenopleiding te kunnen volgen.

Artikel 32. Postgraduaatopleidingen en andere trajecten van permanente vorming

§1. Om tot een postgraduaatopleiding te worden toegelaten, moet een kandidaat-student in principe beschikken over een diploma van bachelor of master of een hiermee gelijkgesteld diploma. In afwijking hiervan kunnen door de faculteit studenten toegelaten worden die op grond van een toelatingsproef bewezen hebben te voldoen aan de beginvoorwaarden van de opleiding. Bijkomende toelatingsvereisten zijn te vinden in de programmagids of de specifieke informatie betreffende de opleiding.

Studenten die op bovenstaande gronden niet worden toegelaten en studenten die het getuigschrift niet wensen te behalen, mogen worden toegelaten tot deelname aan de opleiding, maar zij verwerven slechts een attest van deelname. Zij moeten bijgevolg niet centraal worden ingeschreven.

§2. De toelatingsvoorwaarden voor het volgen van andere trajecten van permanente vorming worden vrij bepaald door de organisatoren.

Artikel 33. Schakel- en voorbereidingsprogramma's

§1. Als de faculteit een schakelprogramma organiseert, wordt de student toegelaten die beschikt over het vereiste diploma van een professionele bacheloropleiding of nog ten hoogste 30 studiepunten moet afwerken om dit diploma te behalen.

Voorafgaand aan de inschrijving voor een schakelprogramma kan de faculteit een bekwaamheidsonderzoek opleggen met het doel na te gaan of de noodzakelijke algemene wetenschappelijke competenties en wetenschappelijk-disciplinaire basiskennis die samenhangen met de academische bacheloropleiding die rechtstreeks toegang verleent, aanwezig zijn. Op grond van dat bekwaamheidsonderzoek kan de studieomvang van het schakelprogramma worden gedifferentieerd en kan de minimale studieomvang van het schakelprogramma worden teruggebracht. Uitzonderlijk kan de faculteit de student vrijstellen van de verplichting tot het volgen van een schakelprogramma.

§2. Als de faculteit een voorbereidingsprogramma organiseert, wordt de student toegelaten die:
- voor zover het gaat om een voorbereidingsprogramma dat voorbereidt op een initiële masteropleiding, beschikt over het vereiste diploma van een academische bacheloropleiding of nog ten hoogste 30 studiepunten daarvan moet afwerken om dit diploma te behalen;
- voor zover het gaat om een voorbereidingsprogramma dat voorbereidt op een master-na-masteropleiding, beschikt over het vereiste diploma van een masteropleiding of nog ten hoogste 30 studiepunten daarvan moet afwerken om dit diploma te behalen.

Afdeling 4. Opbouw van de opleidingen

4.1. Opleidingen en programma's: aanbod en structuur

Artikel 34. Aanbod van de K.U.Leuven

De K.U.Leuven biedt bachelor-, initiële master- en master-na-masteropleidingen, voorbereidings- en schakelprogramma's, specifieke lerarenopleidingen, postgraduaatopleidingen en andere opleidingen van permanente vorming aan.

Artikel 35. Opleiding en opleidingsfase

Behalve voor trajecten van permanente vorming bestaat een opleiding uit een geordend geheel van opleidingsonderdelen. Een opleidingsonderdeel heeft een minimale studieomvang van 3 studiepunten.

Behalve voor trajecten van permanente vorming bestaat een opleiding uit één of meer opleidingsfasen, met een omvang zoals bepaald in art. 6.

Artikel 36. Bachelor- en masteropleidingen

Een academische bacheloropleiding heeft een studieomvang van ten minste 180 studiepunten.

Een initiële master- en een master-na-masteropleiding hebben een studieomvang van ten minste 60 studiepunten of een veelvoud daarvan.

Artikel 37. Opleidingsprogramma's met vermindering van studieomvang

In programma’s met vermindering van studieomvang wordt aan de student op grond van een eerder met succes afgelegde opleiding of op grond van eerder behaalde creditbewijzen of andere studiebewijzen vrijstelling verleend voor een pakketstudiepunten (art. 56).

Precieze informatie over deze vormen van vermindering van studieomvang en over de wijze waarop de studie in de tijd gespreid wordt, staat beschreven in de programmagids, althans wanneer het gaat om een frequent gevolgde opleiding.

Een student kan voor een tweede maal een bachelor- of masterdiploma dat hij reeds verwierf, behalen, op voorwaarde dat hij een programma opneemt dat ten minste 30 studiepunten verschilt van de eerste opleiding.

Artikel 38. Schakelprogramma's

Voor sommige initiële masteropleidingen wordt voor afgestudeerden van bepaalde bacheloropleidingen uit het hoger professioneel onderwijs een schakelprogramma georganiseerd. Dit schakelprogramma kan worden gevolgd voorafgaand aan of samen met de erbij aansluitende masteropleiding. In de programmagids staat vermeld voor welke opleidingen schakelprogramma's worden georganiseerd.

De studieomvang van een schakelprogramma bedraagt in de regel ten minste 45 en ten hoogste 90 studiepunten.

In de programmagids wordt voor frequent voorkomende overgangen bij de respectieve opleidingen de omvang en de samenstelling van de schakelprogramma's in functie van de vooropleiding in detail beschreven, samen met de informatie over de wijze waarop de studie in de tijd wordt gespreid.

De student die slaagt voor een schakelprogramma, ontvangt een getuigschrift.

Artikel 39. Voorbereidingsprogramma's

Voor studenten die beschikken over academische bachelor- of masterdiploma's die niet rechtstreeks toegang verlenen tot een initiële master- of master-na-masteropleiding, worden soms voorbereidingsprogramma's aangeboden. Een voorbereidingsprogramma kan worden gevolgd voorafgaand aan of samen met de erbij aansluitende masteropleiding.

De studieomvang van een voorbereidingsprogramma is afhankelijk van de vooropleiding van de student. In de programmagids wordt voor frequent voorkomende overgangen bij de respectieve opleidingen de omvang en de samenstelling van de voorbereidingsprogramma’s beschreven, samen met de informatie over de wijze waarop de studie in de tijd wordt gespreid.

De student die slaagt voor een voorbereidingsprogramma, ontvangt een getuigschrift.

Artikel 40. Specifieke lerarenopleidingen

Een specifieke lerarenopleiding (SLO) bestaat uit 30 studiepunten theorie en 30 studiepunten praktijk. De 30 studiepunten theorie zijn in sommige initiële masteropleidingen geïntegreerd.

In de programmagids wordt de samenstelling van het programma voor een specifieke lerarenopleiding en de wijze waarop de studie in de tijd wordt gespreid verder gedetailleerd.

Artikel 41. Postgraduaatopleidingen en andere trajecten van permanente vorming

Een postgraduaatopleiding bedraagt ten minste 20 studiepunten. De omvang en de samenstelling ervan wordt verder gepreciseerd in de programmagids. Na een positieve evaluatie wordt een postgraduaatgetuigschrift verleend.

De omvang van andere trajecten van permanente vorming is niet bepaald en hoeft ook niet in studiepunten te worden uitgedrukt. Afhankelijk van hun kenmerken leiden zij tot een getuigschrift of een attest van deelname. Meer informatie hierover is te vinden op  http://dpv.kuleuven.be/soorten.html. De detailgegevens met betrekking tot de omvang en samenstelling worden gepreciseerd in de programmagids en in mededelingen ad hoc.

Artikel 42. Beroepsmogelijkheid

Tegen beslissingen met betrekking tot het opleggen van en de omvang/inhoud van een voorbereidings- of schakelprogramma of een programma met vermindering van studieomvang kan beroep ingesteld worden zoals bepaald in het artikel 95 dat de beroepsmogelijkheden vastlegt.

4.2. Vermeldingen met betrekking tot een opleiding in de programmagids

Artikel 43. Vermeldingen per opleiding

Bij elke opleiding wordt in de programmagids ten minste aangegeven:
1° de graad waartoe de opleiding leidt, de kwalificatie van de graad en eventueel de specificatie ervan;
2° de inhoud en de doelstellingen van de opleiding, het opleidingsprogramma en de indeling in opleidingsonderdelen;
3° in voorkomend geval de afstudeerrichtingen of andere vormen van differentiatie;
4° de onderwijstaal gebruikt in de opleiding;
5° de studieomvang uitgedrukt in studiepunten;
6° de volgtijdelijkheid van de onderscheiden opleidingsonderdelen of de gestelde voortgangsvereisten;
7° de voorafgaande opleidingen die toegang geven tot de opleiding en de opleidingen die erop aansluiten;
8° de organisatie van de opleiding in de vorm van voltijds of anders opgebouwd onderwijs en in de vorm van contact- of afstandsonderwijs;
9° de organisatie van de opleiding in de vorm van modeltrajecten en/of geïndividualiseerde studietrajecten;
10° de begintermen en leerresultaten.

Artikel 44. Vermeldingen per opleidingsonderdeel

Bij elk opleidingsonderdeel wordt in de ECTS-fiche, conform de ECTS-regels, in de programmagids ten minste aangegeven:
1° het nummer en de titel van het opleidingsonderdeel;
2° de gebruikte onderwijstaal en de toelatingsvoorwaarden met betrekking tot de kennis van de onderwijstaal als het opleidingsonderdeel wordt aangeboden in een andere taal dan het Nederlands;
3° de studieomvang uitgedrukt in studiepunten en de omvang van de contactmomenten;
4° de programmering over de semesters;
5° de titularis of coördinator en andere onderwijsverstrekkers;
6° het statuut van het opleidingsonderdeel in de opleiding (plichtvak, keuzevak, ...);
7° de begintermen en leerresultaten van het opleidingsonderdeel;
8° eventuele volgtijdelijkheidsvoorwaarden c.q. voortgangsvereisten in relatie tot andere opleidingsonderdelen;
9° de inhoud van het opleidingsonderdeel;
10° leer-, onderwijs- en begeleidingsactiviteiten;
11° examens en het aantal examenkansen per opleidingsonderdeel; de vorm van de examens (eventueel gedifferentieerd per examenperiode);
12° het studiemateriaal;
13° de voorwaarden voor het behalen van een creditbewijs, als deze afhankelijk zijn van een oordeel geslaagd/niet-geslaagd;
14° of het opleidingsonderdeel in aanmerking komt voor een creditcontract of een examencontract;
15° de specifieke regels van toepassing voor een student met een examencontract.

4.3. Opleidingsmodel; semesterexamensysteem; studietijd en studiepunten

Artikel 45. Opleidingsmodel

Na elke examenperiode wordt beraadslaagd over de opleidingsonderdelen waarover de student examens aflegde en worden de resultaten ervan vastgelegd. Over de opleiding als geheel wordt pas beraadslaagd nadat de student over alle opleidingsonderdelen van de opleiding examens heeft afgelegd of vrijstellingen heeft verkregen.

Artikel 46. Structuur van het academiejaar

De K.U.Leuven organiseert haar opleidingen onder de vorm van een semesterexamensysteem. In elk semester worden de examens georganiseerd over de opleidingsonderdelen die in dat semester worden afgewerkt. Examens over opleidingsonderdelen die meer dan één semester beslaan, worden afgelegd aan het einde van het tweede semester. Soms wordt over nog niet afgewerkte opleidingsonderdelen een deelexamen ingericht na het eerste semester. Opleidingsonderdelen worden slechts over meer dan één semester gespreid wanneer dit onderwijskundig verantwoord is. Hoewel een masterproef of –stage in de regel een jaaropleidingsonderdeel is, kan de faculteit beslissen dat de beoordeling ervan plaatsvindt na het eerste semester voor bepaalde categorieën studenten.Dit is de regel bij afstuderende studenten die nog uitsluitend een resultaat moeten verwerven voor de masterproef of de –stage.

In een beperkt aantal opleidingen en/of opleidingsfasen worden de examens pas na beide semesters georganiseerd.

In de jaarindeling omvat het eerste semester van het academiejaar 13 weken onderwijs- en studieactiviteiten. Daarna komen twee weken kerstvakantie, gevolgd door een week studietijd en drie weken examens. Aansluitend volgt voor de studenten een week vakantie. Het tweede semester omvat eveneens 13 weken onderwijs- en studieactiviteiten, onderbroken door twee weken paasvakantie. Na de 13 weken volgen twee weken studietijd, drie weken examens en een week beraadslagingen. Na een zomeronderbreking van 6 (of 5) weken volgt de derde examenperiode, die bestaat uit drie (of vier) weken examens en een week beraadslagingen. Na een vrije week begint dan het daaropvolgende academiejaar.

Artikel 47. Studietijd en studiepunten

Een studiepunt geeft enkel een aanduiding van de omvang van een opleidingsonderdeel. Het geeft een student bij wijziging van opleiding of instelling niet zonder meer recht op een vrijstelling in de nieuwe context, zelfs al is de omvang van de studietijd identiek aan of groter dan de studietijd van een opleidingsonderdeel dat ogenschijnlijk gelijkaardig is. De relatie tussen studiepunten en vrijstellingen wordt verder bepaald in art. 62-63.

De K.U.Leuven onderneemt via de faculteiten een geregelde evaluatie van knelpunten met betrekking tot studietijd en studiepunten, om zonodig de inhoud van een opleidingsonderdeel in overeenstemming te brengen met de veronderstelde studietijd. Het is echter uitzonderlijk mogelijk dat op een bepaald moment de studiepunten per opleidingsonderdeel op grond van exactere berekeningen worden herverdeeld, met ingang vanaf een volgend academiejaar. Dit geeft geen aanleiding tot vermelding van de nieuwe studiepunten op het uiteindelijke diplomasupplement voor die studenten die het opleidingsonderdeel voor die wijziging volgden.

Binnen elk opleidingsonderdeel bepaalt de docent onder toezicht van de faculteit hoe de beschikbare studietijd verdeeld wordt over contacturen en verwerkingsactiviteiten.

4.4. Gedragscode met betrekking tot de taalregeling

Artikel 48. Algemene bepaling van onderwijs- en bestuurstaal

De onderwijstaal van de K.U.Leuven is het Nederlands. Om specifieke redenen kunnen, met inachtneming van de wettelijke en decretale voorschriften, andere talen gebruikt worden. Waar dit het geval is, wordt dit expliciet aangegeven. Opleidingsonderdelen die in het Nederlands worden georganiseerd, worden ook in het Nederlands geëvalueerd.

Als bestuurstaal hanteert de K.U.Leuven het Nederlands. Met het oog op een vlotte communicatie met studenten, academici, diensten of instellingen kan ook een internationale forumtaal gebruikt worden.

Artikel 49. Opleidingsonderdelen die in elk geval in een andere taal worden georganiseerd

De volgende opleidingsonderdelen worden in elk geval grotendeels of geheel georganiseerd in een andere taal dan het Nederlands:
- de opleidingsonderdelen die een vreemde levende taal tot onderwerp hebben;
- de opleidingsonderdelen die gedoceerd worden door anderstalige gastprofessoren;
- de opleidingsonderdelen die in onderlinge overeenstemming tussen de student en de faculteit die verantwoordelijk is voor een opleiding, in de context van een anderstalige universiteit in België of in het buitenland worden gevolgd.
Deze opleidingsonderdelen worden geëvalueerd in de taal waarin ze worden onderwezen.

Artikel 50. Andere opleidingsonderdelen die in een andere taal worden georganiseerd

Zich bewust van het belang om haar studenten voor te bereiden op het functioneren in een internationale context, biedt de K.U.Leuven in haar Nederlandstalige opleidingen de mogelijkheid aan om andere dan de in art. 49 vermelde opleidingsonderdelen ook in een andere taal dan het Nederlands te volgen. Deze mogelijkheid wordt bij de opbouw van het programma verantwoord op basis van de meerwaarde voor de student en de functionaliteit van het gebruik van een vreemde taal voor dat opleidingsonderdeel. De opleidingsonderdelen waarvan delen worden gedoceerd in een andere taal dan het Nederlands, staan als zodanig aangegeven in de programmagids en de ECTS-fiches van de opleiding.

Conform de decretale bepalingen wordt het aantal van deze mogelijkheden in een bacheloropleiding beperkt tot maximum 30 studiepunten. In een initiële masteropleiding wordt het aantal bepaald door de functionaliteit ervan in de opleiding, met een maximum van 50% van de opleiding, masterproef niet inbegrepen. In een master-na-masteropleiding staat het de faculteit vrij om het aantal anderstalige opleidingsonderdelen te bepalen.

De student heeft het recht om de examens over deze anderstalige opleidingsonderdelen in het Nederlands af te leggen, behalve in het geval van:
- master-na-masteropleidingen;
- de inschrijving van een anderstalige opleidingsvariant van een Nederlandstalige opleiding.
Als hij gebruik wenst te maken van deze mogelijkheid, meldt hij dit overeenkomstig de facultaire procedure van de opleiding waarin het opleidingsonderdeel zich situeert.

Artikel 51. Opleidingen volledig in een andere taal

Ten behoeve van het internationale studentenpubliek biedt de K.U.Leuven op het niveau van de bacheloropleidingen en de masteropleidingen een aantal opleidingen integraal in een andere taal aan. Voor bacheloropleidingen en initiële masteropleidingen wordt in afspraak met andere instellingen in de Vlaamse gemeenschap voorzien in een equivalente Nederlandstalige opleiding, waarop de regels onder art. 49-50 van toepassing zijn. Opleidingen die specifiek zijn uitgewerkt ten behoeve van buitenlandse studenten en die erkend zijn als International Course Programme in het kader van ontwikkelingssamenwerking door de Vlaamse Interuniversitaire Raad of als Erasmus Mundus Master worden als uitzondering volledig in een andere taal gedoceerd en geëxamineerd.

Voor anderstalige master-na-masteropleidingen en postgraduaatopleidingen wordt in principe geen Nederlandstalige taalvariant uitgebouwd. Deze opleidingen kunnen zowel door anderstalige studenten als door Nederlandstaligen gevolgd worden. Alle studenten, ook de Nederlandstaligen die deze opleidingen volgen, leggen het examen af in de taal van de opleiding of in de taal van het opleidingsonderdeel als de taal hiervan verschilt van die van de gehele opleiding.

Artikel 52. Kwaliteitsbewaking

De K.U.Leuven staat bij de aanstelling van haar personeel ervoor garant dat een voldoende kennis van de voor het onderwijs noodzakelijk internationale standaardtaal aanwezig is. Bij de interne kwaliteitsbewaking van opleidingen wordt dit aspect bewaakt.

Afdeling 5. Elementen voor de vaststelling van het studieprogramma van de individuele student

5.1. Samenstelling van het jaarprogramma voor de individuele student

Artikel 53. Algemene informatie

§1. Afhankelijk van zijn contracttype en zijn studietraject stelt de student zijn individueel jaarprogramma samen conform de algemene regels beschreven in dit onderwijs- en examenreglement en conform de specifieke regels die gelden voor de door hem gekozen opleiding en/of opleidingsonderdelen ervan, zoals beschreven in de programmagids. Hij  houdt hierbij rekening met de data zoals bepaald in de procedure. Wanneer de student nalatig blijft bij het vastleggen van zijn individueel jaarprogramma, kan de faculteit de samenstelling ervan op eigen initiatief vastleggen.

+ Procedure

§2. Vrijstellingen worden in elk geval gevraagd uiterlijk op de data vastgelegd in de procedure. Indien mogelijk worden zij aangevraagd bij de eerste inschrijving voor een opleiding.

+ Procedure

§3. Een student die wenst af te wijken van de algemene regelgeving rond de samenstelling van het individueel jaarprogramma dient een gemotiveerd voorstel in bij de faculteit uiterlijk op de vastgelegde data. De faculteit beslist over de gevraagde afwijkingen.

+ Procedure
+ Bijzondere bepaling in verband met studenten met een functiebeperking

Artikel 54. Beroepsmogelijkheid

Tegen beslissingen met betrekking tot de samenstelling van jaarprogramma’s kan beroep ingesteld worden zoals bepaald in het artikel 95 dat de beroepsmogelijkheden vastlegt.

Artikel 55. Het jaarprogramma van studenten met vrijstellingen

Voor frequent gevolgde overgangen tussen opleidingen bestaan aparte modelopleidingen met verminderde studieomvang (art. 37). Wanneer een student op grond van een reeds behaald diploma vermindering van studieomvang op grond van vrijstellingen krijgt voor een minder frequent voorkomende overgang, wordt de spreiding in de tijd bepaald door de faculteit.

5.2. Vrijstellingen met of zonder overname van examencijfers, creditbewijzen en bewijzen van bekwaamheid

Artikel 56. Vrijstelling met of zonder overname van examencijfers

Een vrijstelling is de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel of deel ervan examen af te leggen als men reeds een equivalent opleidingsonderdeel gevolgd heeft en ervoor een creditbewijs heeft behaald of met succes een studiebewijs heeft verkregen. De vrijstelling kan geheel of gedeeltelijk zijn. Dit gebeurt op basis van een equivalentiebeoordeling door de faculteit, eventueel na overleg met de betrokken docenten zoals bepaald in art. 62. Een vrijstelling kan niet meer worden toegekend nadat het individueel jaarprogramma voor een student definitief is goedgekeurd.

Bij een verleende vrijstelling wordt het behaalde examencijfer voor het equivalente opleidingsonderdeel niet meer opnieuw in rekening gebracht. In afwijking hiervan worden eerder behaalde examencijfers wel overgenomen en dus in rekening gebracht in de volgende gevallen:
a) creditbewijzen behaald in de context van een creditcontract voor identieke opleidingsonderdelen die voorkomen in een opleiding waarvoor men daarna met een diplomacontract inschrijft;
b) creditbewijzen voor identieke opleidingsonderdelen die gemeenschappelijk zijn voor meerdere opleidingen die gelijktijdig of consecutief worden gevolgd.

Wanneer de faculteit op grond van artikel 28, 4de lid van dit reglement in de masteropleiding met meerdere instroommogelijkheden verbredingsmodules inbouwt waardoor voor een bepaalde groep van studenten tekorten uit de vooropleiding worden weggewerkt, kan de student geen vrijstelling krijgen van opleidingsonderdelen uit de verbredingsmodule op grond van een ander gevolgd keuzevak in zijn oorspronkelijke opleiding.

In programma’s met vermindering van studieomvang (art. 37) wordt aan de student vrijstelling verleend voor een pakket studiepunten. Dit is ook mogelijk op ad hoc basis, als er geen dergelijk programma in de programmagids opgenomen werd

Artikel 57. Gronden voor een vrijstelling

De faculteit verleent vrijstelling op grond van:
a) een creditbewijs behaald in de eigen of een andere instelling;
b) een bewijs van bekwaamheid uitgereikt door een validerende instantie;
c) een EVK die niet via een creditbewijs maar via een ander studiebewijs werd bekrachtigd.

Voor een vrijstelling kunnen alleen worden erkend vormen van competenties, kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die ten minste aan de volgende voorwaarden voldoen:
- authentiek: ze geven het presteren van de kandidaat zelf weer;
- actueel: ze weerspiegelen het huidige competentieniveau van de kandidaat;
- relevant: ze zijn voldoende toereikend om relevante elementen van een opleiding te dekken.

De omvang van de vrijstelling voor een opleidingsonderdeel wordt in beginsel gelijkgesteld aan het aantal studiepunten van het opleidingsonderdeel waarvoor men vrijstelling verkrijgt tenzij de faculteit de omvang anders bepaalt. De omvang wordt uitgedrukt in gehele studiepunten. De omvang van deelvrijstellingen wordt bepaald door de faculteit.

Artikel 58. Verwerven en vastleggen van een creditbewijs

Onverminderd het bepaalde in art. 159§5, verwerft een student een creditbewijs voor elk opleidingsonderdeel waarvoor hij overeenkomstig artikel 146 van het examenreglement geslaagd is, nadat de (beperkte) examencommissie het resultaat ervan definitief heeft vastgelegd. Dit gebeurt na elke examenperiode.

De creditbewijzen worden geregistreerd in de databank van de K.U.Leuven. Creditbewijzen voor opleidingsonderdelen vervat in met succes afgeronde opleidingen worden vermeld op het diplomasupplement voor die opleiding. Creditbewijzen voor studenten die de K.U.Leuven verlaten zonder een bepaalde opleiding af te ronden of zonder dat bepaalde individuele creditbewijzen zijn gevaloriseerd in een opleiding, kunnen door de student aangevraagd worden volgens de procedure daartoe.

De examencommissie kan met toepassing van artikel 154 van het examenreglement beslissen dat de student op grond van een begane onregelmatigheid geen creditbewijs verwerft. Uitzonderlijk kan ook beslist worden tot het annuleren en terugvorderen van vroeger behaalde creditbewijzen.

+ Procedure

Artikel 59. Omvang van een creditbewijs

Als een student een vrijstelling heeft gekregen voor een deel van een opleidingsonderdeel, verkrijgt hij een creditbewijs voor het geheel als hij voor het examen van het resterende deel ten minste 10 op 20 heeft behaald, of geslaagd is verklaard volgens de criteria waaraan men moet voldoen bij niet-numerieke beoordeling.

Een creditbewijs kan niet worden afgeleverd voor een deel van een opleidingsonderdeel.

Artikel 60. Procedure voor het aanvragen van een vrijstelling op basis van een creditbewijs, of ander studiebewijs

Een student die meent aanspraak te kunnen maken op een vrijstelling voor een opleidingsonderdeel of een deel ervan op basis van een creditbewijs of ander studiebewijs volgt de ad hoc procedure.

+ Procedure

Artikel 61. Procedure voor het aanvragen van een vrijstelling op basis van eerder verworven competenties via een bewijs van bekwaamheid

Een student die meent aanspraak te kunnen maken op een vrijstelling voor een opleidingsonderdeel of een deel ervan op basis van een EVC volgt de ad hoc procedure.

+ Procedure

Artikel 62. Beoordeling van equivalentie van een credit- of studiebewijs of een bewijs van bekwaamheid

De faculteit beoordeelt de equivalentie van een credit- of studiebewijs of een bewijs van bekwaamheid volgens de volgende procedure.

+ Procedure

Artikel 63. Omvang en mededeling van een vrijstelling

De faculteit beslist, in voorkomend geval na kennisname van het advies van de titularis, of een gehele of gedeeltelijke vrijstelling wordt verleend evenals voor hoeveel studiepunten die wordt aangerekend en deelt een gemotiveerde beslissing mee aan de student.

De faculteit deelt de beslissing ook mee aan de facultaire studentenadministratie. Het aantal studiepunten waarvoor vrijstelling wordt verleend, wordt daarna opgenomen in het studentendossier dat onderdeel uitmaakt van het studiecontract.

Artikel 64. Bewaren van vrijstellingsbeslissingen

De faculteit houdt een lijst bij van de genomen vrijstellingsbeslissingen en van de bijbehorende adviezen.

Artikel 65. Beroepsmogelijkheid

Tegen beslissingen met betrekking tot de vaststelling van een bewijs van bekwaamheid of het verlenen van een (deel)vrijstelling kan beroep ingesteld worden zoals bepaald in het artikel 95 dat de beroepsmogelijkheden vastlegt.

Artikel 66. Geldigheidsduur van creditbewijzen, andere studiebewijzen en bewijzen van bekwaamheid

Alle creditbewijzen, andere studiebewijzen of bewijzen van bekwaamheid zijn in principe onbeperkt geldig.

Artikel 67. Actualiseringsprogramma’s

De faculteit kan in haar aanvullende reglementering bepalen dat, als een vrijstelling gevraagd wordt op basis van een vroeger behaald creditbewijs, ander studiebewijs of bewijs van bekwaamheid, een actualiseringsprogramma nodig is :
a) voor die studenten die een bewijs voorleggen dat meer dan vijf kalenderjaren oud is;
b) voor die studenten die een opleiding nog niet met succes hebben afgewerkt in het zesde kalenderjaar na het behalen van het bewijs. Deze termijn begint te lopen vanaf de eerste dag van de maand oktober die volgt op de maand waarin het bewijs werd behaald. Faculteiten bepalen voor welke bewijzen dit geldt en op welke manier het actualiseringsprogramma zal gerealiseerd en beoordeeld worden.

Als een actualiseringsprogramma wordt opgelegd aan een student wordt dit formeel gemotiveerd. Tegen het opleggen van een actualiseringsprogramma kan beroep ingesteld worden zoals bepaald in het artikel 95 dat de beroepsmogelijkheden vastlegt.

Een student die geslaagd is voor het examen over het actualiseringsprogramma voor een opleidingsonderdeel waarvoor hij op grond van een vroeger behaald creditbewijs of ander studiebewijs of een bewijs van bekwaamheid geen volledige vrijstelling kreeg, verkrijgt een creditbewijs voor het gehele opleidingsonderdeel.

5.3. Inschrijven voor opleidingsonderdelen en afleggen van examens in eenzelfde opleiding

Artikel 68. Algemeen principe

De studenten houden bij  het opnemen van opleidingsonderdelen en het afleggen van examens - ongeacht het contracttype - rekening met de vastgelegde volgtijdelijkheidsvoorwaarden en voortgangsvereisten. Studenten die een standaardtraject volgen kunnen gebruik maken van de specifieke voordelen volgens artikel 7 en 114 van dit reglement.

Artikel 69. Regels voor studenten die zich voor het eerst in een welbepaalde bacheloropleiding inschrijven

Studenten die zich voor het eerst in een welbepaalde bacheloropleiding inschrijven, moeten een voltijds of anders opgebouwd standaard modeltraject  volgen (art. 7), behalve als zij de toelating hebben voor een geïndividualiseerd traject (art. 8). Dit geldt voor elke inschrijving in een nieuwe bacheloropleiding, met uitzondering van bacheloropleidingen met vermindering van studieomvang die in de programmagids vermeld worden..

Studenten die nog meer dan 120 studiepunten verwijderd zijn van het behalen van hun bachelordiploma, moeten eerst alle studiepunten van de eerste opleidingsfase opnemen vooraleer zij andere opleidingsonderdelen mogen opnemen.

Artikel 70. Regels voor alle andere studenten

Studenten in een bachelor- of initiële masteropleiding of een schakelprogramma die een standaardtraject volgen, nemen in de loop van een academiejaar het aantal studiepunten op zoals bepaald in artikel 7 van dit reglement. Een student die voor een schakelprogramma is ingeschreven, kan nooit meer dan 66 studiepunten van dat schakelprogramma opnemen in een academiejaar.

Voor studenten in een bachelor- of initiële masteropleiding of een schakelprogramma die een flexibel traject volgen, situeert de omvang van een individueel jaarprogramma (exclusief de eventuele vrijstellingen) zich tussen 25 en 66 studiepunten per academiejaar. Van deze grenzen mag door de student afgeweken worden in de volgende gevallen:
1° een student kan in een bachelor- of initiële masteropleiding meer dan 66 studiepunten opnemen
    - bij een eerste inschrijving voor een initiële masteropleiding en/of
    - als zijn cumulatieve studie-efficiëntie over de voorafgaande academiejaren voor eenzelfde bachelor- of initiële masteropleiding ten minste 50% bedraagt.
2° een student kan voor minder dan 25 studiepunten opnemen in eenzelfde inschrijving voor een diplomacontract of examencontract met het oog op het verwerven van eendiploma of getuigschrift als
    - deze opleiding niet zijn hoofdinschrijving uitmaakt;
    - de omvang van het jaarprogramma dat nog moet worden afgewerkt met het oog op het behalen van een diploma of getuigschrift kleiner is dan 25 studiepunten;
    - hij voldoet aan de voorwaarden voor een geïndividualiseerd studietraject zoals bepaald in artikel 8 van dit reglement en zich inschrijft volgens de daarin bepaalde procedure.

Voor studenten in een voorbereidingsprogramma, master-na-masteropleiding, specifieke lerarenopleiding of postgraduaatopleiding gelden geen beperkingen op het aantal studiepunten dat zij per academiejaar in die opleiding opnemen.

Artikel 71. Regels voor studenten in aansluitende opleidingen

Studenten die nog minder dan 66 studiepunten van een opleiding moeten afwerken bij het begin van het academiejaar, mogen zich ook al inschrijven voor een aansluitende opleiding waarvan zij al opleidingsonderdelen kunnen opnemen, uitzonderlijk zelfs de volledige opleiding (voor schakel- of voorbereidingsprogramma’s, zie ook de bepalingen van art. 38-39). Zij moeten in elk geval eerst hun individueel studieprogramma voor de eerste opleiding volboeken vooraleer het individueel jaarprogramma van de aansluitende opleiding kan goedgekeurd worden.

Als volgtijdelijkheidsvoorwaarden en voortgangsvereisten zijn bepaald, kan een combinatie met een volledige aansluitende opleiding uitgesloten zijn.

Voor een inschrijving voor opleidingsonderdelen bij een andere Vlaamse instelling van hoger onderwijs, zie hierna onder art. 74.

5.4. Volgen van opleidingsonderdelen en afleggen van examens in een andere opleiding of aan andere instellingen

Artikel 72. Opleidingsprogramma als uitgangspunt

Elk opleidingsprogramma bepaalt, rekening houdend met de bestaande regelgeving en afspraken met andere instellingen van hoger onderwijs, in hoeverre de student als onderdeel van zijn diplomacontract of examencontract met het oog op het behalen van een diploma ook opleidingsonderdelen kan volgen in een andere opleiding of aan een andere binnen- of buitenlandse instelling voor hoger onderwijs.

Artikel 73. Keuze-opleidingsonderdelen aan een andere Vlaamse instelling van hoger onderwijs

In toepassing van de overeenkomsten gesloten tussen de Vlaamse universiteiten en tussen de instellingen van hoger onderwijs binnen de Associatie K.U.Leuven, kunnen studenten als een keuze-opleidingsonderdeel voor hun programma een opleidingsonderdeel volgen dat voorkomt aan een andere Vlaamse universiteit of een associatiepartner van de K.U.Leuven. Daartoe is vereist dat de student in de eigen universiteit ingeschreven is met een diplomacontract of examencontract met het oog op het verwerven van een diploma, dat het betrokken opleidingsonderdeel niet voorkomt als plichtvak binnen de opleiding aan de eigen universiteit en dat de toelating verkregen wordt van de faculteit van de eigen opleiding en van de verantwoordelijke voor het opleidingsonderdeel aan de andere betrokken instelling.

Voor het volgen van een keuze-opleidingsonderdeel waarvoor de vereiste toelating werd verkregen, is de betrokken student geen bijkomend studiegeld verschuldigd. De K.U.Leuven staat in voor de verzekering tegen ongevallen van de student. De andere Vlaamse instelling van hoger onderwijs verbindt zich ertoe de student toegang te verlenen tot het opleidingsonderdeel, de daarbij aansluitende examens en noodzakelijke infrastructuur. De andere Vlaamse instelling deelt aan de K.U.Leuven het resultaat mede van de examens over de prestatie van de student.

Artikel 74. Inschrijvingen voor opleidingsonderdelen in een aansluitende opleiding aan een andere Vlaamse instelling van hoger onderwijs

Studenten die nog minder dan 66 studiepunten van een opleiding moeten voltooien en hun studie onder de vorm van een diplomacontract of een examencontract met het oog op het verwerven van een diploma wensen voort te zetten in een aansluitende opleiding aan een andere instelling, kunnen steeds opleidingsonderdelen opnemen uit die andere instelling. Dat geldt ook voor studenten uit andere instellingen die wensen vooraf te nemen aan de K.U.Leuven.

Wie zo opleidingsonderdelen opneemt, wordt reeds als een volwaardig student beschouwd voor alle dienstverlening (computer- en bibliotheekgebruik enz.). Deze studenten betalen een studiegeld overeenkomstig het aantal studiepunten van de opgenomen opleidingsonderdelen.

Artikel 75. Andere algemene afspraken rond mobiliteit

In het kader van de studentenmobiliteit kan een faculteit nog andere algemene afspraken maken met andere instellingen van hoger onderwijs in het binnen- of buitenland. Deze afspraken maken dan deel uit van het facultair onderwijs- en examenreglement.

Artikel 76. Bijzondere procedure op individuele aanvraag

Voor zover de bovenstaande regeling in art. 73-75 daarin nog niet voorziet, kan een student op gemotiveerde wijze aan de faculteit voorstellen om opleidingsonderdelen van een opleiding te vervangen door andere die voorkomen in opleidingen van de K.U.Leuven of van andere binnen- of buitenlandse universiteiten of hogescholen. De faculteit onderzoekt dit volgens de geëigende procedure.

Bij een positieve beslissing kan de student de voorgestelde vervangende opleidingsonderdelen elders volgen en daar de examens afleggen. In dat geval zal de faculteit tevens aangeven op welke manier de examenresultaten voor de vervangende opleidingsonderdelen zullen worden verrekend in het kader van het behalen van een diploma. Behalve als de faculteit op gemotiveerde wijze anders beslist, wordt het aantal studiepunten van de andere instelling overgenomen in het Leuvens individueel jaarprogramma van de student.

+ Procedure
5.5. Maatregelen van studievoortgang

Artikel 77. Aantal inschrijvingskansen

Elke EER-student heeft recht op een tweede inschrijving voor dezelfde opleidingsonderdelen als waarvoor hij in een voorafgaand academiejaar was ingeschreven en waarvoor hij geen creditbewijs behaalde onverminderd art. 82.

+ Bijzondere bepaling in verband met internationale studenten

Artikel 78. Studieadvies ten aanzien van alle studenten

Alle studenten hebben recht op studieadvies van de facultaire en/of centrale studieadviesdiensten. Dit geldt niet voor de studenten die zijn ingeschreven onder de vorm van een examencontract.

 In het bijzonder krijgen studenten die nog meer dan 120 studiepunten verwijderd zijn van het behalen van hun bachelordiploma hierbij veel aandacht.

Artikel 79. Niet-bindend en bindend studieadvies

Studenten die nog meer dan 120 studiepunten verwijderd zijn van het behalen van hun bachelordiploma en die na de januari-examenperiode een cumulatieve studie-efficiëntie hebben die lager ligt dan 60 %, krijgen na het bekendmaken van de resultaten een niet-bindend studieadvies van hun facultaire studietrajectbegeleider. 

Studenten die nog meer dan 120 studiepunten verwijderd zijn van het behalen van hun bachelordiploma en die na de juni- of septemberzittijd een cumulatieve studie-efficiëntie hebben die lager ligt dan 50 %, krijgen door de examencommissie een bindend studieadvies opgelegd. Dit houdt in dat de student in het volgende academiejaar waarin hij zich inschrijft voor dezelfde opleiding, een cumulatieve studie-efficiëntie moet behalen van ten minste 50 %.

Artikel 80. Weigering van verdere inschrijving voor een opleiding op grond van een bindend studieadvies

De inschrijving voor een diplomacontract voor een bacheloropleiding wordt geweigerd als de EER-student, die nog meer dan 120 studiepunten verwijderd is van het behalen van het diploma op het moment dat hij het bindend studieadvies krijgt, in het daaropvolgend academiejaar niet ten minste 50% cumulatieve studie-efficiëntie heeft behaald.

Een weigering tot inschrijving geldt voor het eerstvolgende academiejaar en voor alle opleidingen of inschrijvingen onder de vorm van een creditcontract aan de instelling.

Artikel 81. Weigering van verdere inschrijving op grond van niet-slagen na voldoende examenkansen voor een bepaald opleidingsonderdeel

Aan een EER-student die gedurende twee academiejaren niet slaagt voor eenzelfde opleidingsonderdeel of een niet-EER student die niet slaagt voor een opleidingsonderdeel uit een bacheloropleiding, schakelprogramma of een initiële masteropleiding, onder welk contracttype ook, wordt een derde, respectievelijk tweede inschrijving via een diplomacontract of een creditcontract geweigerd wanneer hij:
- ofwel niet ten minste 50% cumulatieve studie-efficiëntie heeft behaald voor de individuele jaarprogramma’s, respectievelijk voor het individuele jaarprogramma;
- ofwel twee academiejaren na elkaar, respectievelijk één academiejaar niet geslaagd is onder de vorm van een inschrijving voor een creditcontract;
- ofwel twee successieve academiejaren niet is geslaagd in respectievelijk het eerste jaar met een diplomacontract of een examencontract met het oog op het verwerven van een diploma met een cumulatieve studie-efficiëntie van minder dan 50% en het tweede jaar met een inschrijving onder de vorm van een creditcontract.
Voor een voorbereidingsprogramma, master-na-masteropleiding, een specifieke lerarenopleiding en een postgraduaatopleiding kan een EER-student wel drie keer inschrijven voor een opleidingsonderdeel. Een niet-EER student kan binnen deze opleidingen twee keer inschrijven voor een opleidingsonderdeel.
Wanneer een student na twee successieve academiejaren niet is geslaagd voor een opleidingsonderdeel in respectievelijk het eerste jaar met een creditcontract, en het tweede jaar met een diplomacontract of een examencontract met het oog op het verwerven van een diploma gelden de normale regels in verband met de cumulatieve studie-efficiëntie berekend op het jaar van inschrijving in het diplomacontract of examencontract met het oog op het verwerven van een diploma.

Een weigering tot inschrijving geldt voor het eerstvolgende academiejaar voor het betrokken opleidingsonderdeel en voor elke opleiding waarin het opleidingsonderdeel is opgenomen. Deze weigering geldt ook voor opleidingen die tot hetzelfde diploma leiden evenals de vervolgopleidingen. Voor de opleidingsonderdelen in al deze opleidingen kan ook niet onder de vorm van creditcontract worden ingeschreven.

Een examen dat een student in de context van een diplomacontract of een examencontract met het oog op het behalen van een diploma of getuigschrift, of in de context van een creditcontract met betrekking tot een opleidingsonderdeel heeft afgelegd, telt als een gebruikte kans ook wanneer de student van contract verandert. Hij kan door contractverandering binnen het academiejaar of over academiejaren heen hierdoor niet meer examenkansen verwerven.

Artikel 82. Weigering op grond van een onvoldoende leerkrediet

Een student die beschikt over een onvoldoende leerkrediet om een opleiding aan te vangen of af te werken:
- wordt niet toegelaten tot inschrijving of herinschrijving voor een opleiding als zijn leerkrediet lager dan of gelijk aan nul is;
- wordt toegelaten tot inschrijving of herinschrijving voor een opleiding als zijn leerkrediet hoger dan nul is onverminderd het bepaalde in art. 80-81.

In afwijking hiervan wordt een EER-student en die een academisch bachelordiploma heeft behaald, zonder over een voldoende leerkrediet te beschikken voor het aanvangen van een aansluitende masteropleiding, toch toegelaten tot de masteropleiding. Hij betaalt voor het gedeelte waarvoor hij niet meer beschikt over een voldoende leerkrediet het decretaal bepaalde maximum-studiegeld. Weigeringen kunnen ook in latere jaren enkel plaatsvinden op grond van art. 81. Voor een niet-EER-student kan dit enkel na toelating door het unithoofd van de International Admissions and Mobility Unit van het International Office.

Artikel 83. Afwijkingen op de weigering

De directeur van de centrale Studentenadministratie kan de EER-student in afwijking van de artikels 80 tot en met 82 toch toelaten tot (her)inschrijving (cf. art. 95§1). Dit kan ook zeer uitzonderlijk wanneer het een vierde inschrijving voor eenzelfde opleidingsonderdeel betreft.
Het unithoofd van de International Admissions and Mobility Unit van het International Office kan de niet-EER-student in afwijking van de artikels 80 tot en met 82 toch toelaten tot (her)inschrijving (cf. art. 95§1). Dit kan ook zeer uitzonderlijk wanneer het een derde inschrijving voor eenzelfde opleidingsonderdeel betreft.

Wanneer de student een aanvraag tot herinschrijving indient vooraleer hij 5 jaar niet meer was ingeschreven, verloopt de beoordeling volgens dezelfde maatstaven als in het eerste lid beschreven. Na een onderbreking van inschrijving van ten minste 5 academiejaren, herwint een student automatisch het recht op inschrijving. Vanaf dan wordt hij opnieuw behandeld als een student die voor het eerst voor de betrokken opleiding is ingeschreven.

In deze gevallen zal de student bij toelating voor het gedeelte van de inschrijving waarvoor hij desgevallend niet meer beschikt over een leerkrediet, dubbel studiegeld moeten betalen. Dit is voor niet-beurstariefstudenten en bijna-beurstariefstudenten het dubbele van het variabele gedeelte.

+ Bijzondere bepaling in verband met internationale studenten
+ Bijzondere bepaling in verband met studenten met een functiebeperking

Artikel 84. Beroepsmogelijkheid

Tegen een maatregel van studievoortgangbewaking kan beroep ingesteld worden zoals bepaald in het artikel 95 dat de beroepsmogelijkheden vastlegt.

Afdeling 6. Rechten en plichten, rechtsbescherming en tuchtreglement

6.1. Rechten en plichten van de student

Artikel 85. Gelijke behandeling

De studenten van de K.U.Leuven hebben recht op een gelijke behandeling. Voor een ongelijke behandeling is een objectieve grondslag vereist en moet het verschil in behandeling in verhouding staan tot een rechtmatig na te streven doel.

De K.U.Leuven neemt algemene maatregelen om de gelijkheid van kansen te waarborgen en de toegankelijkheid van de universiteit in materiële en immateriële zin te garanderen voor studenten met een functiebeperking en voor erkende groepen binnen het diversiteitsbeleid.

Onderwijs- of examenfaciliteiten worden aangevraagd volgens de in het onderwijs- en examenreglement vastgelegde procedures.

Redelijke aanpassingen voor studenten met een functiebeperking worden enkel toegekend na het doorlopen van een voorafgaande erkennings-en adviesprocedure.

+ Bijzondere bepaling in verband met studenten met een functiebeperking

Artikel 86. Openbaarheid van bestuur

Overeenkomstig de bepalingen van het participatiedecreet krijgen de vertegenwoordigers van de studenten op hun verzoek inzage in de verslagen van de beleidsorganen.

In uitvoering van artikels 77 en 78 van het structuurdecreet wordt de openbaarheid van bestuur ten aanzien van elke individuele student als volgt verbijzonderd. Elke student kan inzage krijgen in de documenten die ten grondslag lagen aan beslissingen ten aanzien van hem genomen, zonder dat hij recht heeft op inzage in gegevens die betrekking hebben op andere studenten. Hij volgt hiervoor de specifieke procedure.

+ Procedure

Artikel 87. Onpartijdigheid

De K.U.Leuven behandelt elke student zonder vooringenomenheid. Leden van de universitaire gemeenschap, studenten inbegrepen, die een persoonlijk belang hebben bij een beslissing ten aanzien van een bepaalde student, kunnen niet deelnemen aan de advisering of de beslissing van het betrokken beleidsorgaan.

Artikel 88. Recht van verdediging

Alle studenten hebben recht op toegang tot een ombudsdienst zoals bepaald onder art. 92. Specifieke vormen van bescherming van het recht van verdediging zijn opgenomen in het examenreglement en het tuchtreglement.

Artikel 89. Motiveringsplicht

Eenzijdige beslissingen van de universiteit ten aanzien van individuele studenten of groepen van studenten die tot doel hebben rechtsgevolgen tot stand te brengen, worden door het bevoegde orgaan afdoende gemotiveerd. De beslissing vermeldt de juridische en de feitelijke gronden waarop zij gegrond is.

Artikel 90. Specifieke rechten en plichten

§1. De studenten hebben in het bijzonder ook recht op:
a) ondersteuning vanwege de studentenvoorzieningen van de universiteit:
- toegang tot universele sociale voorzieningen zoals de Sociale Dienst, Jobdienst, Medisch en Psychotherapeutisch Centrum, studentenrestaurants enz.;
- toegang tot de selectieve sociale voorzieningen zoals studiefinanciering van de Sociale Dienst, studentenhuisvesting enz. volgens de criteria bepaald door de diensten;
b) gebruik van de bibliotheek volgens het bibliotheekreglement: zie www.bib.kuleuven.be/pdf/bibliotheekreglement.pdf;
c) gebruik van de computerinfrastructuur volgens het specifieke reglement: zie www.kuleuven.be/studenten/ictgedragslijn.html;
d) onderwijsondersteuning via TOLEDO: zie toledo.kuleuven.be.

Studenten met een examencontract kunnen op deze mogelijkheden geen enkele aanspraak maken. Voor het gebruik van Toledo en de erbijhorende ICT-faciliteiten worden de rechten beschreven in art. 18.

+ Bijzondere bepaling in verband met studenten met een functiebeperking

§2. A) De studenten hebben de plicht de onroerende en roerende goederen van de universiteit te gebruiken 'als een goede huisvader' en zich te gedragen conform de binnen de universiteit geldende reglementen. Een student die hier strijdig mee handelt, kan onderworpen worden aan de sancties zoals bepaald in het tuchtreglement.

De studenten houden in het bijzonder rekening met alle op hen van toepassing zijnde reglementen, zoals vermeld op https://admin.kuleuven.be/rd/decreten_reglementen_KULeuven en aanvaarden door hun inschrijving deze reglementen. Dit geldt in het bijzonder voor:
- het specifiek reglement met betrekking tot het auteursrecht van verhandelingen https://admin.kuleuven.be/sab/jd/intranet/reglement_auteursrechten_studenten.html
- het specifiek reglement met betrekking tot de toelating tot buitenlandse verblijven

B) De officiële communicatie tussen de K.U.Leuven en de studenten verloopt via het studentenmailadres. De studenten worden geacht met regelmaat hun mails op het studentenmailadres te checken en kunnen zich niet op het niet-lezen ervan beroepen om aan verplichtingen/wijzigingen te ontkomen

§3. De studenten hebben geen recht op het maken van geluids- of beeldopnamen van de onderwijsactiviteiten, tenzij hieromtrent een specifieke afspraak is gemaakt met de titularis van het opleidingsonderdeel. Het opnamemateriaal kan enkel gebruikt worden voor didactische doeleinden ten behoeve van de student zelf of de studentengroep van het lopende academiejaar. Commercieel gebruik is in elk geval uitgesloten, evenals het opnemen van examens voor eender welk gebruik. Een student die het materiaal gebruikt zonder rekening te houden met deze afspraken wordt onderworpen aan de sancties zoals bepaald in het tuchtreglement. De studenten kunnen zich niet verzetten tegen het maken van opnamen van onderwijsactiviteiten die de docent gebruikt voor simultane uitzending en/of plaatsing op leerplatformen; zij kunnen wel vragen niet persoonlijk in beeld te worden gebracht.

+ Bijzondere bepaling in verband met studenten met een functiebeperking

§4. De studenten mogen in geen geval didactische teksten (cursusteksten, oefeningen, slides...) die hen tegen betaling of kosteloos in het kader van hun opleiding ter beschikking werden gesteld door de K.U.Leuven vermenigvuldigen en verspreiden voor commerciële doeleinden. Een student die het materiaal in deze zin gebruikt, wordt onderworpen aan sancties zoals bepaald in het tuchtreglement. De student stelt zich daarenboven ook bloot aan vervolging wegens inbreuken op de wetgeving inzake auteursrechten.

§5. Personen die frauduleus documenten van de K.U.Leuven namaken zullen gerechtelijk vervolgd worden. Als het gaat om studenten van de K.U.Leuven, zal bovendien het tuchtreglement worden toegepast.

Artikel 91. Bescherming van de persoonsgegevens

De studenten hebben recht op de bescherming van hun persoonsgegevens in overeenstemming met de beleidsregels van de K.U.Leuven. Elke student kan conform de wetgeving op de bescherming van de persoonsgegevens éénmaal per jaar inzage en eventueel correctie vragen van de persoonsgegevens die de universiteit over hem elektronisch bewaart.

+ Procedure
6.2. Rechtsbescherming en behandeling van klachten

Artikel 92. Ombudsdiensten in verband met de onderwijsverzorging

De faculteit wijst een lid van het academisch personeel of een ander personeelslid met relevante ervaring in onderwijsmateries aan als onderwijsombuds. Bij deze vertrouwenspersoon kunnen de studenten tijdens het academiejaar terecht met betrekking tot aspecten van onderwijsverzorging die, omwille van hun persoonsgebondenheid, niet afdoende kunnen worden behandeld door de reguliere facultaire instanties. De onderwijsombuds bemiddelt tussen de betrokken student(en), de docent(en) en de beleidsinstanties.

Artikel 93. Ombudsdiensten in verband met examens

In verband met examens fungeert een examenombuds die als vertrouwenspersoon bemiddelt tussen de examinator en de student. Het examenreglement beschrijft de opdracht, aanstelling en bevoegdheid van de examenombuds.

Artikel 94. Behandeling van formele klachten in verband met de onderwijsverzorging

Klachten met betrekking tot de onderwijsverzorging door een docent worden ingediend bij de faculteit van een opleiding. De faculteit doet een gemotiveerde uitspraak binnen de 30 kalenderdagen na de ontvangst van de klacht. De uitspraak bestaat uit een advies aan de decaan over de gegrondheid van de klacht en kan aanbevelingen omvatten met betrekking tot de herziening van onderwijsopdrachten en programma's.

Artikel 95. Afwijkende toelatingen, klachtenbehandeling en wijziging leerkrediet voor een individuele student

§1. Uitzonderlijke afwijkende toelatingen door de directeur van de centrale Studentenadministratie.

In het geval de student wenst gebruik te maken van de mogelijkheden geboden door de procedures bij art. 24 of door het art. 83 van het onderwijsreglement richt hij hiertoe een gemotiveerd verzoek per e-mail aan de directeur van de centrale Studentenadministratie. In afwijking hierop richt de niet-EER-student zijn verzoek aan het unithoofd van de International Admissions and Mobility Unit van het International Office.

Wanneer een afwijking van de procedures bij art. 24 of het art. 83 slechts kan verleend worden op grond van bijzondere individuele niet-studieresultaatgerelateerde omstandigheden, geeft de student in zijn verzoek zeer duidelijk aan welke bijzondere omstandigheden die niet met de studieresultaten op zich te maken hebben de grondslag vormen van zijn verzoek. Deze informatie wordt door de directeur van de centrale Studentenadministratie (of het unithoofd van de International Admissions and Mobility Unit van het International Office) vertrouwelijk bewaard. Bij de beslissing houdt de directeur van de centrale Studentenadministratie (of het unithoofd van de International Admissions and Mobility Unit van het International Office) rekening met het reeds afgelegde studieparcours en de kansen om de opleiding met succes af te ronden.

§2. Behandeling van klachten over beslissingen over een individuele student.

Voor betwistingen over het examenverloop, examenresultaten of beslissingen van een examencommissie: zie artikels 163-166 en 175,3de lid van het examenreglement.

Beroep is ook mogelijk tegen de volgende studievoortgangsbeslissingen:
a) het als niet gelijkwaardig beschouwen van een buitenlands diploma met het oog op de toelating van de studies;
b) het niet toekennen van bijzondere examenfaciliteiten in het geval van overmacht voor de student waardoor zich een verlies van leerkrediet zal voordoen. Overmacht moet begrepen worden als een onvoorzienbare gebeurtenis die niet is veroorzaakt door de student zelf.

Voor elk van de in artikels 8, 9, 27, 42, 54, 65, 67 en 84 en de in het vorig lid vermelde beroepsmogelijkheden geldt de volgende procedure.

Een student die oordeelt dat een genomen beslissing zijn rechten schendt, kan intern beroep aantekenen. Een formele klacht moet altijd binnen de in het volgende lid aangegeven termijn in een verzoekschrift gericht worden aan de vicerector Studentenbeleid. Het verzoekschrift wordt per e-mail ingediend. In zijn klacht neemt de student ten minste een feitelijke omschrijving op van de ingeroepen bezwaren. Als de vicerector Studentenbeleid betrokken partij is, wordt hij vervangen door de vicerector Onderwijsbeleid.

Het beroep bij de vicerector Studentenbeleid moet worden ingesteld binnen een vervaltermijn van vijf kalenderdagen die ingaat de dag na de schriftelijke mededeling van de beslissing. Als de termijn van vijf kalenderdagen eindigt op een zon- of feestdag, wordt de eerstvolgende kalenderdag nog meegeteld voor een rechtsgeldig beroep.

De vicerector Studentenbeleid hoort alle betrokken partijen en in elk geval:
- de titularis van het opleidingsonderdeel;
- de student.

De interne beroepsprocedure leidt – in het geval van een examenbetwisting in overleg met de voorzitter van de examencommissie  - tot:
a) de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid of ongegrondheid. Deze beslissing wordt aan de student per e-mail ter kennis gebracht binnen een termijn van vijftien kalenderdagen die ingaat op de dag na deze waarop het intern beroep is ingesteld. Hiervoor wordt het mailadres gebruikt dat door de student werd gehanteerd om zijn beroep in te dienen;
b) een nieuwe beslissing door de vicerector Studentenbeleid. De nieuwe beslissing moet genomen worden binnen een termijn van vijftien kalenderdagen, die ingaat op de dag na deze waarop het intern beroep is ingesteld en wordt ook binnen die termijn aan de student ter kennis gebracht. Hiervoor wordt het mailadres gebruikt dat door de student werd gehanteerd om zijn beroep in te stellen.

Na uitputting van deze interne beroepsmogelijkheid kan de student conform de bepalingen van het Decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student verder beroep instellen bij de Raad voor betwistingen inzake Studievoortgangsbeslissingen.

Bij betwistingen van studenten tegen de K.U.Leuven zijn buiten de Raad voor Studievoortgangsbeslissingen enkel de Leuvense rechtbanken bevoegd.

§3. Procedure voor aanvraag teruggave leerkrediet bij overmacht

Studenten die menen dat een definitieve vermindering van hun leerkrediet omwille van niet-deelname aan één of meer examens te wijten is aan een overmachtssituatie, dienen een dossier in bij de vicerector Studentenbeleid, waarin de overmachtssituatie en de eventuele correspondentie hierover met medewerkers of diensten van de universiteit gedocumenteerd worden. Nadat de vicerector heeft vastgesteld dat er intern geen mogelijkheden meer zijn om tegemoet te komen aan de situatie van de student, maakt zij het dossier over aan de Vlaamse regering, die bevoegd is voor teruggave van het leerkrediet in overmachtssituaties.

Het verzoekschrift wordt per e-mail ingediend. Deze procedure wordt uiterlijk ingesteld tot en met 31 oktober na afloop van het betrokken academiejaar. De student wordt van het verder verloop van de procedure op de hoogte gehouden via het mailadres dat door de student werd gehanteerd om zijn aanvraag in te dienen.

6.3. Tuchtreglement

Artikel 96.

Van de studenten die zich aan de K.U.Leuven inschrijven, wordt verlangd dat ze zich in hun gedragingen en sociale betrekkingen, zowel binnen als buiten de universitaire gemeenschap, door eerbied voor de menselijke persoon laten leiden; dat ze geen handelingen verrichten die onverenigbaar zijn met de hoge zending van de universiteit in het algemeen en met de beginselen die aan deze universiteit ten grondslag liggen in het bijzonder.

Artikel 97.

Met handhaving van de tucht aan de universiteit zijn belast: de Academische Raad, en namens deze, het Gemeenschappelijk Bureau, de vicerector Studentenbeleid en de daartoe overeenkomstig art. 100 ingestelde tuchtcommissie.

Artikel 98.

De sancties zijn:
a) de blaam;
b) de ontzegging van het recht om aanwezig te zijn bij officiële onderwijscontactmomenten;
c) de tijdelijke wegzending;
d) de weigering, bij wijze van tuchtmaatregel, van de toestemming om zich te laten inschrijven;
e) de definitieve uitsluiting of het consilium abeundi.
Elke sanctie wordt schriftelijk gemotiveerd en meegedeeld.

Artikel 99.

De student tegen wie een tuchtsanctie wordt overwogen heeft recht op:
a) de mededeling van de aard van de jegens hem overwogen maatregel en van de gronden waarop die is gebaseerd;
b) inzage in het volledige dossier;
c) een redelijke termijn om een mondeling en schriftelijk verweer voor te bereiden en naar voren te brengen.
Hij kan zich door een persoon naar keuze laten bijstaan.

Artikel 100.

De tuchtcommissie bestaat uit: de vicerector Studentenbeleid die het voorzitterschap bekleedt; de decaan van de faculteit (of zijn vertegenwoordiger) waartoe de student op grond van zijn meest omvangrijke inschrijving behoort en de praeses of kringcoördinator van de betrokken faculteitskring..
Deze commissie moet worden samengeroepen, als de betrokken student erom verzoekt.

Artikel 101.

De blaam wordt uitgesproken door de vicerector Studentenbeleid. De ontzegging van het recht om aanwezig te zijn bij officiële onderwijscontactmomenten en de tijdelijke wegzending worden door de vicerector Studentenbeleid uitgesproken, nadat hij, indien de betrokken student daar althans om heeft verzocht, het advies van de tuchtcommissie heeft ingewonnen. De sancties "weigering van de toestemming tot inschrijving" en de "definitieve uitsluiting" worden uitgesproken door de Academische Raad, na kennis genomen te hebben van het verslag van de vicerector Studentenbeleid, die - als de betrokken student erom heeft verzocht - de tuchtcommissie moet hebben gehoord.

Artikel 102.

De student kan binnen de vijf kalenderdagen volgend op de mededeling per e-mail van een sanctie schriftelijk en gemotiveerd beroep aantekenen:
a) bij het Gemeenschappelijk Bureau tegen een sanctie vermeld onder art. 98 a-c);
b) bij de Raad van Bestuur tegen een sanctie vermeld onder art. 98 d) en e).
De termijn begint te lopen de dag na de mededeling. Indien de termijn eindigt op een zon- of feestdag, wordt de eerstvolgende kalenderdag nog meegeteld voor de ontvankelijkheid van het beroep. De in art. 99 vermelde waarborgen gelden ook in deze beroepsprocedure. De interne beroepsprocedure leidt tot:
a) de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid of ongegrondheid. Deze beslissing wordt aan de student per e-mail ter kennis gebracht binnen een termijn van vijftien kalenderdagen die ingaat op de dag na deze waarop het beroep is ingesteld. Hiervoor wordt het mailadres gebruikt dat door de student werd gehanteerd om zijn beroep in te dienen;
b) een nieuwe beslissing door de bevoegde instantie. De nieuwe beslissing moet genomen worden binnen een termijn van vijftien kalenderdagen, die ingaat op de dag na deze waarop het beroep is ingesteld en wordt ook binnen die termijn aan de student ter kennis gebracht. Hiervoor wordt het mailadres gebruikt dat door de student werd gehanteerd om zijn beroep in te stellen.

6.4. Bewaartermijn van documenten

Artikel 103. Bewaartermijn van documenten

Documenten, andere dan examenkopijen, die betrekking hebben op beslissingen ten aanzien van een student, worden bewaard tot ten minste drie jaar nadat de student voor het laatst aan de instelling ingeschreven was voor de betrokken opleiding of opleidingsonderdeel.

TITEL III. EXAMENREGLEMENT

Afdeling 1. Algemeen examenreglement

Onderafdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 104. Doelstellingen

Dit reglement legt de regels vast die een vlot en correct verloop van de examens aan de K.U.Leuven moeten waarborgen. De taak van de examinator bestaat erin om na te gaan of een student de leerresultaten heeft behaald en bijgevolg over de competenties beschikt die vereist worden ten aanzien van een bepaald opleidingsonderdeel. De examencommissie heeft tot taak na te gaan of een student ten aanzien van de opleiding of opleidingsonderdelen de leerresultaten heeft behaald en bijgevolg over de competenties beschikt die noodzakelijk worden geacht om daarvoor te slagen.

Elk examen dient zo te worden georganiseerd dat de student ten volle de kans krijgt de voor het opleidingsonderdeel vereiste competenties te bewijzen. Dit vraagt van de examinator, en van alle ter zake bevoegde organen, een constante zorg om voor elk opleidingsonderdeel een optimaal georganiseerd examen te garanderen.

Artikel 105. Toepassingsgebied

Het algemeen examenreglement is van toepassing op alle examens aan de K.U.Leuven waarvoor in afdeling 2 geen specifieke bepalingen zijn opgenomen of waarvoor geen afwijkende bepalingen zijn vastgelegd overeenkomstig de procedure beschreven in artikel 106.

Artikel 106. Aanvullingen en afwijkingen

In die gevallen waar dit reglement dit vereist, moet elke faculteit dit algemene examenreglement aanvullen met bijzondere bepalingen en criteria. Daarbuiten kan zij het reglement aanvullen. Aanvullingen mogen niet strijdig zijn met de bepalingen van dit reglement. De aanvullingen treden pas in werking nadat via de vicerector Studentenbeleid bevestigd is dat zij juridisch conform de wetgeving en de reglementen zijn opgesteld.

Afwijkingen van dit algemene examenreglement kunnen alleen worden toegestaan door de Academische Raad - op gemotiveerd verzoek van een faculteit of van de Campusraad Kortrijk. De Academische Raad bepaalt de geldigheidsduur van de toegestane afwijkingen.

Facultaire aanvullingen en afwijkingen worden zorgvuldig aan de studenten van de betrokken faculteit bekendgemaakt. Zij worden in elk geval en dit uiterlijk 15 juli van het voorafgaande academiejaar opgenomen in het facultaire deel van de programmagids.

Onderafdeling 2. Organisatie van de examens

Artikel 107. Examenperiodes

Per academiejaar worden drie examenperiodes georganiseerd:
- de eerste examenperiode aan het einde van het eerste semester in de weken 17, 18 en 19 van het academiejaar;
- de tweede aan het einde van het tweede semester in de weken 38 tot en met 41 van het academiejaar; voor opleidingen (of delen ervan) die buiten het semesterexamensysteem blijven in de weken 38 tot en met 42 ervan;
- de derde na de zomervakantie in de weken 48 tot en met 51 van het academiejaar, tenzij de decaan beslist de examenperiode te openen bij het begin van week 47.
De faculteit kan de opening van een examenperiode vervroegen tot donderdag van de week voorafgaand aan de examenweken met mededeling hiervan aan de vicerector studentenbeleid.

Voor de eerste examenperiode vinden de beraadslagingen en mededelingen van de resultaten voor studenten die afstuderen plaats ten laatste tegen het einde van de tweede lesweek van het tweede semester, de andere beraadslagingen en mededelingen uiterlijk tegen het einde van de eerste lesweek van het tweede semester. In de tweede en derde examenperiode vinden de beraadslagingen en de mededeling van de resultaten plaats in de laatste week van de examenperiode.

In uitzonderlijke individuele gevallen kan de examencommissie een examenperiode openhouden, maar voor de laatste examenperiode niet later dan 30 september. Voor studenten in uitwisselingsprogramma's van wie de resultaten voor het afgelopen academiejaar nog niet bekend zijn, kan uitzonderlijk nog na 30 september een beslissing genomen worden.

Artikel 108. Deelexamens

De faculteit kan beslissen dat over opleidingsonderdelen die over twee semesters worden georganiseerd, aan het einde van elk semester een deelexamen wordt afgenomen. Het relatieve aandeel van elk deelexamen wordt vastgelegd overeenkomstig de procedure van artikel 110, eerste lid.

Artikel 109. Bijzondere examineertijdstippen voor volledige opleidingsonderdelen

De faculteit kan beslissen dat de studenten buiten de gewone examenperiodes geëxamineerd worden:
1° over andere onderwijsleeractiviteiten dan hoorcolleges;
2° over opleidingsonderdelen die gedoceerd worden door gasthoogleraren of door professoren die gedurende een examenperiode reglementair afwezig zijn;
3° indien zij deelnemen aan uitwisselingsprogramma's met andere universiteiten of hogescholen.

Artikel 110. Partiële en permanente evaluatie

De faculteit kan toestaan dat voor opleidingsonderdelen die uit verscheidene onderwijsleeractiviteiten bestaan, deze activiteiten afzonderlijk geëvalueerd worden of dat binnen eenzelfde opleidingsonderdeel of onderwijsleeractiviteit meerdere deelevaluaties plaatsvinden. De titularis of coördinator richt daartoe een voorstel aan de faculteit. De vastlegging en eventuele aanpassing van de examenvormen verloopt overeenkomstig artikel 134, 1ste lid van dit examenreglement.

De faculteit kan ook voor een volledig opleidingsonderdeel of onderwijsleeractiviteit een vorm van permanente evaluatie goedkeuren. Zij legt de voorwaarden ervan vast.

De door de faculteit vastgelegde voorwaarden worden duidelijk en op voorhand meegedeeld aan de studenten overeenkomstig art. 133 van dit examenreglement.

De faculteit waakt over een evenwichtige spreiding van de beoordelingsmomenten bedoeld in de artikelen 110 en 111.

+ Procedure

Artikel 111. Tussentijdse toetsen

De resultaten van tussentijdse toetsen die ter oriëntering van studenten worden georganiseerd voor opleidingsonderdelen uit een eerste fase van een bacheloropleiding worden niet verrekend in de eindresultaten

Artikel 112. Tijd en plaats

Buiten de periodes of tijdstippen vermeld in artikelen 107 tot en met 110 kan behoudens toepassing van artikel 122 of een overmachtssituatie geen examen op geldige wijze worden georganiseerd.

Alle examens worden, behalve bij overmacht vast te stellen door de voorzitter van de examencommissie of in het geval van specifieke werkvormen, afgenomen in een lokaal van de K.U.Leuven, casu quo Kulak.

Artikel 113. Bijwonen van een mondeling examen

De student die dit wenst kan een waarnemer het mondelinge examen laten bijwonen. De waarnemer kan geen student zijn die dat opleidingsonderdeel in dat academiejaar moet afleggen of een student die in datzelfde academiejaar door de betrokken examinator moet worden ondervraagd, evenmin als een bloed- of aanverwant tot in de vierde graad. De student verwittigt ten minste zeven kalenderdagen voor een examen de voorzitter van de examencommissie en de examenombudspersoon, die de betrokken examinator tijdig op de hoogte brengt. De waarnemer kan enkel schriftelijke notities nemen.

De examinator kan in overleg met de faculteit een lid van het academisch personeel vragen een examen bij te wonen.

Artikel 114. Examenregeling en registratie voor de examens

De examenregeling voor de eerste examenperiode en tweede examenperiode wordt voor elke individuele student vastgelegd uiterlijk 5 weken voor aanvang van de examenperiode. De examenregeling voor de derde examenperiode wordt voor elke individuele student vastgelegd uiterlijk 2 weken voor aanvang van de examenperiode. Dit gebeurt volgens de procedure vastgesteld voor het betreffende academiejaar en de betreffende opleiding.

Enkel studenten die een standaardtraject volgen, kunnen gegarandeerd tot een examenreeks komen waarin niet meer dan één plichtopleidingsonderdeel per dag wordt geëxamineerd.

Examinatoren en studenten houden zich strikt aan de vastgelegde examenregeling. Examens kunnen enkel om een zwaarwichtige reden verplaatst worden. De examenombudspersoon oordeelt daarover soeverein en treft in dat geval een nieuwe regeling. Hij beslist eveneens over de toewijzing van een examenmoment.

+ Procedure
+ Bijzondere bepaling in verband met studenten met een functiebeperking
Onderafdeling 3. Deelname aan de examens

Artikel 115. Voorwaarde om aan examens deel te nemen

Een student kan slechts deelnemen aan een examen als hij het verschuldigde studiegeld betaald heeft of daarover een regeling heeft getroffen via de sociale dienst van de universiteit. Als niet aan deze voorwaarde is voldaan, wordt de inschrijving geschorst. Zolang de schorsing niet herroepen wordt, worden de eventueel reeds behaalde resultaten als niet bestaande beschouwd en ontvangt de student geen creditbewijs voor de betrokken opleidingsonderdelen.

De toegang tot een examen kan onderworpen zijn aan voorwaarden zoals een aanwezigheidsplicht met betrekking tot praktische onderdelen, voldoende deelname aan groepsverplichtingen of het tijdig indienen van werkstukken. Elke faculteit vermeldt duidelijk in de programmagids voor welke opleidingsonderdelen dit het geval is en wat de weerslag van het niet naleven van deze voorwaarden op de examenbeoordeling is. De faculteit kan bepalen dat de student die niet voldoet aan de gestelde voorwaarden een nulscore of een "niet geslaagd" krijgt voor het betrokken opleidingsonderdeel of deel ervan (zie verder artikel 135).

Artikel 116. Beperkingen inzake deelname

Onverminderd artikels 159 en 160 mag een student per academiejaar over een zelfde opleidingsonderdeel of gedeelte van een opleidingsonderdeel tweemaal en niet meer dan tweemaal examen afleggen, welke ook de contracten zijn die hij eventueel samen of opeenvolgend heeft aangegaan. Een niet-hernomen of niet-afgelegd examen wordt beschouwd als een opgenomen examenkans, onverminderd artikel 119 van dit reglement. De programmagids vermeldt de opleidingsonderdelen waarover de student op grond van de aard van dat onderdeel slechts eenmaal per jaar kan worden geëxamineerd.

Artikel 117. Controle

De student moet op het examen zijn identiteit kunnen bewijzen. Een student die daarom verzoekt, ontvangt een bewijs van deelname aan het examen.

Artikel 118. Hernemen van examens uit de eerste examenperiode

Over opleidingsonderdelen waarover een examen wordt georganiseerd tijdens de eerste examenperiode kan ten vroegste in de derde examenperiode opnieuw een examen worden afgelegd. Hetzelfde geldt voor een evaluatie overeenkomstig artikel 110 van dit reglement.

De faculteit kan beslissen dat alle studenten in de eindfase van hun opleiding reeds in de tweede examenperiode opnieuw examen kunnen afleggen over welbepaalde opleidingsonderdelen waarover ze reeds in de eerste examenperiode werden geëxamineerd en waarvoor ze geen credit behaalden en die ze moeten of wensen te hernemen. De faculteit bepaalt de voorwaarden waaronder dit wordt toegestaan.

Artikel 119. Uitstellen van examens tot de tweede examenperiode

De faculteit staat aan een individuele student, na een gemotiveerd verzoek, toe om een examen van de eerste examenperiode uit te stellen tot de tweede examenperiode voor opleidingsonderdelen die hij verplicht moet opnemen wanneer zijn individueel jaarprogramma voor het eerste semester 36 studiepunten overschrijdt en wanneer dit het gevolg is van de programmering van de opleiding. Indien de onevenwichtige spreiding het gevolg is van individuele keuzes van de student, kan op dit artikel geen beroep gedaan worden. Bij de goedkeuring van het individuele studieprogramma beslist de faculteit wanneer er over welke opleidingsonderdelen examen moet worden afgelegd.

Artikel 120. Inhalen van examens uit de eerste examenperiode

Een student die om een zwaarwichtige reden niet deelneemt aan een examen van de eerste examenperiode, kan reeds tijdens de eerste examenperiode en uiterlijk voor 1 maart vragen hierover in de tweede examenperiode examen af te leggen. De faculteit beslist, na advies van de examenombudspersoon, en zij legt na overleg met de examinator de examenvorm vast.

+ Bijzondere bepaling in verband met studenten met een functiebeperking

Artikel 121. Stopzetten van de examens

Een student die voor een examenperiode is ingeschreven, en die in die examenperiode niet aan een examen deelneemt, deelt dat onmiddellijk aan de examenombudspersoon mee. De examenombudspersoon informeert zo spoedig mogelijk de betrokken examinatoren. Ten laatste twee dagen vóór de beraadslaging informeert de examenombudspersoon ook de dienst die met de administratieve verwerking is belast.

Onderafdeling 4. Afwijkende examenregelingen

Artikel 122. Bijzondere regelingen in individuele omstandigheden

Op grond van uitzonderlijke individuele omstandigheden kan aan studenten een spreiding van examens tussen de gewone examenperiodes toegestaan worden. De marges voor deze spreidingsmogelijkheden worden concreet vastgelegd door de directeur van de centrale Studentenadministratie en de student kan hiervan verder niet op eigen initiatief afwijken. De directeur van de centrale Studentenadministratie waakt er in overleg met de betrokken faculteiten ook over dat over de faculteiten heen een consistente regeling getroffen wordt. De spreiding kan onder meer voor studenten die:
- een ernstige functiebeperking hebben;
- een ernstige medische reden hebben;
- erkend zijn als topsporter of -kunstenaar;
- ten minste 80u per maand werken en ten minste 25 studiepunten in hun ISP opnemen;
- twee voltijdse opleidingen combineren (waarbij ze voor elk van de opleidingen nog ten minste 54 studiepunten effectief in hun ISP opnemen);

Het toestaan van examenspreiding impliceert echter niet automatisch de mogelijkheid voor afwijkingen van vastgestelde indiendata, uitdrukkelijk verplicht gestelde aanwezigheden of van de gebruikte werk- en examenvormen. Waar dit uitzonderlijk toch nodig blijkt, wordt met de betrokken faculteit een concrete regeling uitgewerkt. De onderwijsombudspersoon bemiddelt in geval van onenigheid en de decaan, te Kortrijk de campusrector, beslecht aanhoudende conflicten.

Voor examens die voor het eerst afgelegd worden na de tweede examenperiode verneemt de student het resultaat zo snel mogelijk na het examen zelf. De student aan wie de spreiding wordt toegestaan, beslist aansluitend zelf of hij deze examens herneemt vóór de beraadslaging van de derde examenperiode. Een student die omwille van de toegestane examenspreiding nog niet voor alle opleidingsonderdelen examen heeft afgelegd in de juni-examenperiode, kan reeds toleranties inzetten voor zijn andere opleidingsonderdelen voorzover hij voldoet aan de voorwaarden geformuleerd in art. 160.

+ Procedure
+ Bijzondere bepaling in verband met studenten met een functiebeperking
Afwijkingen van uitdrukkelijk verplicht gestelde aanwezigheden of van de gebruikte werk- en examenvormen, of verschuiven van de indiendata voor opdrachten of examenmomenten kunnen ook uitzonderlijk door de faculteit worden toegestaan aan studenten die lid zijn van een orgaan waarin hun participatie essentieel is en voor zover deze participatie invloed kan hebben. Op centraal niveau geldt dit voor participatie aan de Raad van Bestuur, Academische raad, Onderwijsraad, Raad voor Studentenvoorzieningen en Groepsbesturen. Voor het facultair niveau wordt de lijst bepaald binnen het aanvullend facultair reglement, maar omvat ze alleszins Faculteitsbestuur, Faculteitsraad en POC’s.
Onderafdeling 5. Examens over gemeenschappelijke opleidingsonderdelen bij combinaties van inschrijvingen

Artikel 123. Gevolgen ten aanzien van gemeenschappelijke opleidingsonderdelen

Als in een combinatie van inschrijvingen opleidingsonderdelen voorkomen die voor meerdere opleidingen of contracten in aanmerking komen, dan gelden volgende regels:

a) de opleidingsonderdelen zijn geprogrammeerd voor dezelfde examenperiode: de student legt slechts één maal een examen af. Het behaalde cijfer geldt als eerste examencijfer parallel voor de verschillende contracten;

b) de opleidingsonderdelen zijn geprogrammeerd voor verschillende examenperiodes van eenzelfde academiejaar: de student legt slechts één maal een examen af als het behaalde cijfer een creditbewijs opleverde of een tolereerbaar resultaat was (onverminderd art.149§2 waardoor een tolereerbaar resultaat niet kan worden overgenomen in een masteropleiding of specifieke lerarenopleiding). Het behaalde cijfer in de context van het ene contract wordt in de latere examenperiode overgenomen voor het andere contract, tenzij de student gebruik wenst te maken van zijn recht om overeenkomstig artikels 118, 159 en 160 van het examenreglement een tweede keer over hetzelfde opleidingsonderdeel een examen af te leggen voor een tolereerbaar resultaat. In dat laatste geval (zie art. 149, §1, b) blijft het cijfer van het eerste examen behouden als dit hoger is dan het later behaalde cijfer, zoals bepaald in art. 159 §7.

c) de inschrijving is van toepassing op examenperiodes van opeenvolgende academiejaren: als de student een creditbewijs behaalde in de context van het eerste contract, krijgt hij in overeenstemming met art. 56 van het onderwijsreglement automatisch een vrijstelling met overname van het examencijfer voor dat opleidingsonderdeel binnen het tweede contract, ongeacht of het om een plicht- dan wel een keuzeopleidingsonderdeel gaat.

Een tolereerbaar resultaat kan nooit overgezet worden naar een andere opleiding over academiejaren heen. De voorwaarden voor het kunnen behouden van tolereerbare onvoldoendes na een academiejaar, zoals beschreven in de artikels 160 en 161, worden bij een volgende inschrijving toegepast binnen elk contract afzonderlijk.

Onderafdeling 6. Examens over opleidingsonderdelen uit vervolgopleidingen

Artikel 124. Valorisatie van examens

Over studenten die zich inschrijven voor een volledige aansluitende opleiding, kan slechts worden beraadslaagd met betrekking tot het slagen en de graad van verdienste, nadat zij geslaagd zijn voor de voorafgaande opleiding.

Onderafdeling 7. Examens afgelegd in een andere opleiding of instelling

Artikel 125. Tijdstip en plaats van examens

Wanneer een student volgens de voorwaarden bepaald door de faculteit opleidingsonderdelen volgt in een andere opleiding of aan een andere binnen- of buitenlandse instelling van hoger onderwijs, wordt het examen over deze opleidingsonderdelen afgenomen op het tijdstip, de plaats en onder de voorwaarden bepaald door die opleiding of de betrokken instelling.

Artikel 126. Beraadslaging

Onder toezicht van de permanente onderwijscommissie wordt, indien nodig, het resultaat van een examen afgelegd aan een andere instelling van hoger onderwijs, omgezet in de puntenschaal vermeld in artikel 135, 2de lid van dit reglement. De student die een deel van de opleiding aan een andere instelling volgt, wordt voor zijn vertrek in kennis gesteld van de omzettingsregels.

Artikel 127. Vervanging door een equivalent opleidingsonderdeel

De faculteit kan studenten die geen creditbewijs behaalden voor een opleidingsonderdeel, omdat zij niet slaagden in het examen dat zij daarvoor aflegden aan een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs, toestemming verlenen om in een volgende examenperiode van hetzelfde academiejaar aan de K.U.Leuven examen af te leggen over een door de examencommissie bepaald equivalent opleidingsonderdeel.

Onderafdeling 8. Examenombudspersoon

Artikel 128. Opdracht, aanstelling en beschikbaarheid

De examenombudspersoon is een vertrouwenspersoon die bemiddelt tussen examinatoren en studenten. Hij moet deskundig zijn en zijn bemiddelingsrol in volle onafhankelijkheid kunnen vervullen.

Per groep van studenten wordt in elk academiejaar door de faculteit, op voorstel van of in overleg met de studentenvertegenwoordigers, ten laatste op 15 november een lid van het academisch personeel of een ander personeelslid met relevante ervaring in onderwijsmateries tot examenombudspersoon en een ander tot plaatsvervangend examenombudspersoon aangesteld, die deze functie uitoefenen ten aanzien van alle examens van dat academiejaar. De faculteit treft bij de aanstelling ook een regeling voor de administratieve ondersteuning van de examenombudspersoon.

De examenombudspersoon maakt aan de studenten duidelijk kenbaar waar en wanneer hij beschikbaar is en op welke tijdstippen de plaatsvervanger in de plaats treedt van de effectieve examenombudspersoon.

Artikel 129. Bevoegdheden en betwistingen

Waar nodig bemiddelt de examenombudspersoon over de datum, plaats, vormen en voorwaarden waarin een examen wordt afgelegd onverminderd de in andere artikels vastgelegde specifieke bevoegdheden.

Om zijn taak naar behoren te kunnen vervullen, heeft de examenombudspersoon, ook vóór de beraadslaging van de examencommissie, vanuit zijn bemiddelingsrol recht op inlichtingen betreffende elk examen. De examenombudspersoon is tot geheimhouding verplicht.

De examenombudspersoon is geen lid van de examencommissie, maar neemt met raadgevende stem aan de beraadslagingen deel. Hij neemt ook als waarnemer deel aan de besprekingen in de beperkte examencommissie.

De decaan waakt over de bevoegdheid en de onafhankelijkheid van de examenombudspersoon. Betwistingen omtrent de bevoegdheid van de examenombudspersoon of omtrent zijn onafhankelijkheid kunnen op elk moment door de examenombudspersoon en door elke examinator worden voorgelegd aan de vicerector Studentenbeleid.

Artikel 130. Onverenigbaarheid

De examenombudspersoon mag in geen geval de studenten voor wie hij optreedt als examenombudspersoon, zelf evalueren. Indien uitzonderlijk de examenombudspersoon toch voor een opleidingsonderdeel aan de evaluatie van een student heeft meegewerkt, treedt de plaatvervangend examenombudspersoon voor deze studenten in zijn plaats.

Artikel 131. Verslag

Na de derde examenperiode van elk academiejaar bezorgt de examenombudspersoon de decaan van de faculteit een verslag over de werkzaamheden. Deze verslagen worden bij het begin van het volgende academiejaar, uiterlijk op 15 november in de faculteit besproken.

Onderafdeling 9. Verloop van de examens

Artikel 132. Examinator

Elk examen of deel van een examen wordt afgenomen door de titularis(sen) van het opleidingsonderdeel of door degene(n) die de titularis voor het doceren van het betreffende college of het leiden van de betreffende werkzaamheden of oefeningen officieel vervangen heeft (hebben).

In geval van bloed- of aanverwantschap tot en met de vierde graad tussen een student en een examinator of in geval van overmacht in hoofde van de examinator, verzoekt de examinator de voorzitter van de examencommissie, in overleg met de decaan van de faculteit, een plaatsvervanger aan te wijzen.

Examens over andere onderwijsleeractiviteiten dan hoorcolleges kunnen afgenomen worden door examinatoren die geen titularis zijn, voor zover zij inhoudelijk mee instonden voor de organisatie van de onderwijsleeractiviteit. De titularis of de coördinator, als er meerdere titularissen zijn, blijft volledig verantwoordelijk voor de eindbeoordeling. Alleen de titularis of de coördinator, als er meerdere titularissen zijn, of zijn officiële plaatsvervanger kan lid zijn van een examencommissie in het geval is bepaald dat een examencommissie wordt samengesteld uit een vertegenwoordiger van elk opleidingsonderdeel. Met betrekking tot de masterproef of verhandeling kan enkel de coördinator (promotor) optreden als lid van de examencommissie.

Examens over opleidingsonderdelen die gedoceerd werden door gasthoogleraren, worden bij hun afwezigheid afgenomen door een andere examinator, aangewezen door de faculteit.

Een externe deskundige die deelneemt aan de beoordeling van een student voor een opleidingsonderdeel, kan nooit als eindverantwoordelijke voor een opleidingsonderdeel optreden.

Artikel 133. Informatie vóór de examens en inleveringstermijn van werkstukken

De programmagids geeft per opleidingsonderdeel gedetailleerde informatie over de inhoud en de doelstellingen ervan, de examenmaterie en de wijze van evalueren, inclusief de weging van eventuele onderdelen waarvoor een deelcijfer wordt toegekend en inclusief de gevolgen van het niet deelnemen aan een onderdeel van het examen zoals bepaald in artikel 135. Indien, uitzonderlijk, de examenmaterie of de evaluatiemethoden van de ene tot de andere examenperiode toch zouden verschillen, wordt dit schriftelijk aan de betrokken studenten meegedeeld voor de eerste (deel)examens plaatsvinden. De bepalingen vermeld in dit artikel gelden voor alle types deelactiviteiten.

Wanneer er voor het indienen van een werkstuk een bepaalde inleveringstermijn is vastgelegd en een student om gegronde redenen voorziet een bepaalde termijn niet te kunnen respecteren, neemt hij voor de aangegeven vervaldatum contact op met de titularis die een nieuwe inleveringstermijn kan bepalen. De faculteit kan in haar reglementering bepalen dat, indien de inleveringstermijn niet gerespecteerd wordt, het werkstuk als niet-ingeleverd wordt beschouwd en dat de student voor deze opdracht een nul krijgt of als "niet geslaagd" wordt beschouwd. Deze sanctie moet in dat geval in de programmagids worden vermeld. Als deze sanctie is voorzien, geldt ze ook wanneer een nieuw toegestane termijn niet wordt nageleefd. Toepassing van die sanctie wordt schriftelijk aan de student meegedeeld.

Artikel 134. Examenvorm en examenduur

De vorm van een examen wordt bepaald naargelang van de doelstellingen van het opleidingsonderdeel en de onderwijsmethode. De examenvorm wordt vastgelegd door de faculteit, op voorstel van de titularis of de coördinator, als er meerdere titularissen zijn. De laatst goedgekeurde examenvorm blijft gelden zolang niet anders wordt beslist. Noodzakelijke aanpassingen worden op dezelfde wijze door de faculteit goedgekeurd, in principe in het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar waarin de regeling wordt toegepast, en in noodgevallen uiterlijk voor 15 november van het academiejaar waarin de regeling wordt toegepast.

In het geval van een individuele verplaatsing van een examen overeenkomstig art. 114, 120 of 122 kan de vorm van het examen anders zijn dan standaard vastgelegd. Overeenkomstig art. 159 §6 kan ook een tweede examenkans onder een andere vorm plaatsvinden.

Bij een mondeling of deels mondeling examen beschikt de student over een schriftelijke voorbereidingstijd van ten minste twintig minuten.

Tenzij uitdrukkelijk anders is meegedeeld aan de studenten, gebeurt elk examen zonder het gebruik van enig hulpmiddel.

Om tijdelijke redenen van lichamelijke of psychische aard kunnen studenten, als zij daar uiterlijk drie weken vóór de opening van de examenperiode om verzoeken aan de Faculteit, toestemming krijgen om examens op een andere dan de vastgelegde wijze af te leggen of gebruik te maken van bijzondere technische hulpmiddelen. Dit kan eveneens voor studenten met een functiebeperking. In beide gevallen wordt overlegd met een door de faculteit aangeduide expert inzake onderwijs en diversiteit.

Een examen dat bestaat uit een beoordeling op één bepaald moment mag maximaal een halve dag (ca. 4 uur) in beslag nemen.

+ Bijzondere bepaling in verband met studenten met een functiebeperking

Artikel 135. Beoordeling

Voor elk opleidingsonderdeel binnen een opleiding vindt er een examen plaats. Voor elk opleidingsonderdeel wordt slechts één examencijfer voorgelegd op de beraadslaging.

Elk afgelegd examen of elk deelexamen, zoals bedoeld in artikel 108 wordt op twintig punten beoordeeld. Het resultaat wordt uitsluitend in gehele getallen uitgedrukt. Voor de masterproef wordt een cijfer met één decimaal gehanteerd, tenzij de faculteit beslist geen decimalen te hanteren. De faculteit kan beslissen dat voor een opleidingsonderdeel of een deel ervan een beoordeling plaatsvindt onder de vorm van een geslaagd/niet-geslaagd-beslissing. Een beoordeling onder de vorm van niet-geslaagd wordt in dit reglement gelijkgesteld met een tolereerbare onvoldoende (zie art. 149), tenzij de faculteit uitdrukkelijk anders beslist.

Eventuele deelcijfers worden door de titularis, of in het geval van meerdere titularissen, door de coördinator vóór de beraadslaging omgezet in één eindcijfer op twintig punten.

Het resultaat van een examen wordt bepaald conform de informatie die ter zake voor de examens aan de studenten werd meegedeeld, inclusief informatie over de weging van eventuele onderdelen waarvoor een deelcijfer wordt toegekend, zoals ook bepaald in artikel 133.

Als een student niet deelneemt aan een examen, wordt het examen beoordeeld als ‘niet-afgelegd’ (NA). In dit examenreglement wordt NA beschouwd als equivalent aan een niet-tolereerbare onvoldoende (zie artikel 149). Als een opleidingsonderdeel bestaat uit meerdere onderdelen :
- wordt voor het NA-gedeelte een 0-score ingebracht en is het eindresultaat het ongewogen gemiddelde van alle onderdelen als geen expliciete weging bepaald is of als niet is vastgelegd dat men, om te kunnen slagen voor het geheel, moet geslaagd zijn voor alle onderdelen;
- wordt voor het NA-gedeelte een 0-score ingebracht en is het eindresultaat het gewogen gemiddelde van alle onderdelen, als er een weging is bepaald.
- wordt voor het geheel opleidingsonderdeel NA ingevoerd, als is bepaald dat men moet geslaagd zijn voor alle onderdelen;
- wordt voor het geheel opleidingsonderdeel NA ingevoerd, als vooraf is bepaald dat deelname aan alle onderdelen verplicht is en een student een onderdeel niet-aflegde.

De examinator deelt bij het einde van het examen of deelexamen het resultaat niet mee aan de student, onverminderd de procedure bij artikel 110 in verband met de permanente en partiële evaluatie en artikel 122, laatste lid.

Artikel 136. Administratieve verwerking

De examinatoren delen zo spoedig mogelijk na het examen hun examenbeoordeling mee aan de bevoegde administratieve dienst.

Deze mededeling gebeurt voor elke examenperiode in de voorgeschreven vorm uiterlijk twee werkdagen voor de beraadslaging.

Onderafdeling 10. De examencommissies en hun bevoegdheid

Artikel 137. Samenstelling

Er wordt een examencommissie opgericht voor elke opleiding. Voor de Kulak wordt er bij delegatie van de Leuvense faculteit een examencommissie opgericht die bevoegd is voor de beslissingen van art. 138 en 139 die integraal samenhangen met het te Kortrijk gevolgde onderwijstraject van een student.

De faculteit bepaalt voor elke opleiding het aantal leden van de examencommissie, rekening houdend met het bepaalde in het 4de lid van dit artikel. Zij bepaalt ook hoe de leden worden aangewezen en of er plaatsvervangers kunnen optreden.

De faculteit bepaalt, voor de Kulak op voordracht van de subfaculteit, de samenstelling van de examencommissies.

De faculteit wijst uiterlijk op het einde van het voorgaande academiejaar voor elke commissie een lid van het zelfstandig academisch personeel aan als voorzitter. De faculteit wijst ook een secretaris aan. Deze personen kunnen ook niet-examinator zijn.

De examencommissie is representatief samengesteld. Zij bestaat uit ten minste zes leden, behalve in opleidingen waar alle examinatoren samengenomen, met inbegrip van de voorzitter en de secretaris van de commissie, dat aantal niet halen.

De examenombudspersoon is lid met raadgevende stem van de examencommissie voor de opleiding waarvoor hij is aangesteld.

Artikel 138. Bevoegdheden van de beperkte examencommissie

De voorzitter en de secretaris van de examencommissie vormen, met de examenombudspersoon als raadgevend lid, de beperkte examencommissie.

De beperkte examencommissie legt, conform de verdere bepalingen van dit artikel, na elke examenperiode de resultaten van de examens over de opleidingsonderdelen definitief vast, met uitzondering van de resultaten van de studenten die na die examenperiode kunnen afstuderen, en zij bereidt de beraadslaging door de examencommissie als geheel voor.

Als bij studenten met een creditcontract of een examencontract met het oog op het behalen van individuele creditbewijzen de opleidingsonderdelen in meer dan één opleiding voorkomen, worden de examenresultaten van die studenten definitief vastgelegd door de beperkte examencommissie die behoort tot de faculteit waar dat opleidingsonderdeel onder de bevoegdheid van een permanente onderwijscommissie is geprogrammeerd. 

Zij legt de resultaten vast van uitwisselingsstudenten waarvoor de resultaten laattijdig de instelling bereiken.

In de gevallen vermeld in het tweede en derde lid van art. 139 legt de beperkte examencommissie de resultaten niet definitief vast, maar beperkt ze zich tot de voorbereiding van beslissingen hierover door de examencommissie.

De beperkte commissie treedt op in de gevallen bepaald in artikel 144 met betrekking tot de hoorplicht en het hoorrecht van studenten en examinatoren. Zij corrigeert de materiële vergissingen die geen invloed hebben op slagen voor een opleidingsonderdeel of een opleiding, zoals bepaald in artikel 165, 2de lid.

Artikel 139. Bevoegdheden van de examencommissie

Na elke examenperiode beslist de examencommissie over de vastlegging van de resultaten van studenten die na die examenperiode kunnen afstuderen en in de gevallen vermeld in het 2de en 3de lid van dit artikel.

Na elke examenperiode beslecht de examencommissie mogelijke betwistingen. Zij neemt beslissingen in gevallen van onregelmatigheden conform artikel 145.

Als de examencommissie  beslist dat het door een examinator voorgesteld cijfer voor een individuele student of voor een groep studenten kennelijk onredelijk is, kan zij uitzonderlijk het voorstel van de examinator aanpassen; deze beslissing wordt zorgvuldig gemotiveerd. In het geval een examinator een NA voorstelt voor een opleidingsonderdeel omwille van het niet afleggen van een deelexamen, gaat de examencommissie na of deze beslissing conform de algemene reglementering van de faculteit is, zoals bepaald in artikel 135, dan wel moet vervangen worden door een cijfer voor het opleidingsonderdeel.

De resultaten vastgesteld door de beperkte examencommissie en in voorkomend geval door de examencommissie kunnen enkel nog worden gewijzigd in het nadeel van de student als een grove onregelmatigheid wordt vastgesteld. Zij kunnen daarnaast nog worden gewijzigd overeenkomstig de procedure en binnen de termijn vastgelegd in artikel 164 en 165 betreffende materiële vergissingen.

De vaststelling van de resultaten wordt veruitwendigd in een door de voorzitter en de secretaris ondertekende puntenlijst, waar nodig geacht aangevuld met de relevante opmerkingen.

Na elke examenperiode bepaalt de examencommissie of de studenten die, behalve voor de opleidingsonderdelen waarvoor zij vrijstelling verkregen, resultaten voorleggen over alle opleidingsonderdelen van de opleiding in hun diplomacontract of hun examencontract met het oog op het verwerven van een diploma, geslaagd zijn voor de opleiding. Voor de geslaagde studenten bepaalt de examencommissie bovendien de graad van verdienste.

Na elke examenperiode beslist de examencommissie over studenten voor wie overmacht of andere bijzondere individuele niet-studieresultaatgerelateerde omstandigheden in rekening kunnen worden gebracht. De examencommissie kan in dergelijk geval beslissen om een of meerdere niet tolereerbare onvoldoendes toch als tolereerbaar te beschouwen en ook als zodanig te verrekenen binnen het 10%-tolerantiekrediet zoals beschreven in artikel 149. Zij kan daarnaast of bovendien beslissen om af te wijken van het 10%-criterium. Zij kan ook beslissen voor een masteropleiding in het geval van individuele bijzondere omstandigheden toch toleranties voor te stellen. De beslissing van de examencommissie in dergelijke gevallen wordt zorgvuldig gemotiveerd.

De examencommissie heeft in de tweede en derde examenperiode de verplichting om een bindend studieadvies uit te spreken voor studenten die nog meer dan 120 studiepunten van hun bacheloropleiding moeten afwerken en geen 50% cumulatieve studie-efficiëntie behaalden binnen die welbepaalde bacheloropleiding. Zij kan desondanks op grond van overmacht of bijzondere individuele niet-studieresultaatgerelateerde omstandigheden ook beslissen om geen bindend studieadvies uit te brengen of de student één academiejaar bijkomend de kans bieden om te voldoen aan de bindende voorwaarde . De beslissing van de examencommissie om het voldoen aan de bindende voorwaarde te verlengen of om geen bindend studieadvies uit te brengen wordt zorgvuldig gemotiveerd.

De examencommissie heeft ook het recht om ten aanzien van individuele studenten adviezen te geven en/of om aan individuele studenten bijzondere maatregelen van studievoortgang op te leggen.

Onderafdeling 11. Beraadslaging

Artikel 140. Aantal beraadslagingen

De faculteit kan beslissen om, met het oog op de beheersbaarheid van de bijeenkomst van de examencommissie, per examenperiode meer dan één bijeenkomst van de examencommissie te organiseren.

Artikel 141. Aanwezigheid

De leden van de examencommissie nemen aan de beraadslaging deel. De examencommissie beslist geldig wanneer ten minste de helft van de leden (of in voorkomend geval hun plaatsvervanger) aanwezig is. Een lid dat wettig verhinderd is, deelt dit zo spoedig mogelijk aan de voorzitter van de examencommissie mee.

Als bepaalde studenten zich tijdens de beraadslaging ter beschikking van de examencommissie moeten houden, worden zij hiervan op initiatief van de voorzitter van de examencommissie op voorhand verwittigd.

Artikel 142. Geheimhouding

De leden van de examencommissie en alle personen die ter zitting aanwezig zijn, zijn tot geheimhouding over de beraadslaging en de stemmingen verplicht.

Artikel 143. Stemgerechtigden

Alle leden van de examencommissie hebben een beslissende stem.

Leden van de examencommissie nemen geen deel aan de beraadslaging over beslissingen ten aanzien van bloed- en aanverwanten tot en met de vierde graad.

Leden van de examencommissie waarover voorgesteld wordt dat een door hun toegekend cijfer aan een individuele student of een groep studenten kennelijk onredelijk is, nemen geen deel aan de beraadslaging over deze student of deze groep studenten.

De examenombudspersoon neemt aan de beraadslaging deel met raadgevende stem.

Artikel 144. Consultatie van niet-leden door de examencommissie

Elke examinator die geen lid is van de examencommissie kan op zijn verzoek steeds gehoord worden door de beperkte examencommissie en de examencommissie. Hetzelfde geldt voor elke student over wie door de examencommissie een beslissing zal genomen worden.

In geval van een onregelmatigheid moet de beperkte examencommissie, voor de examencommissie een beslissing kan nemen, de examinator van het opleidingsonderdeel waarbij de onregelmatigheid werd vastgesteld, horen. De beperkte examencommissie moet ook de betrokken student horen, in aanwezigheid van de examenombudspersoon.

Als de beperkte examencommissie oordeelt dat het door een examinator voorgesteld cijfer voor een individuele student of voor een groep studenten kennelijk onredelijk is, moet zij, voor de examencommissie een beslissing kan nemen, de examinator horen.

De examencommissie zelf kan steeds beslissen om een examinator die geen lid is  van de examencommissie, te horen over een door haar voorgestelde beslissing.

Artikel 145. De examencommissie als college en beslis- en stemregels

De examencommissie handelt als college. Een beslissing over een student wordt door de examencommissie bij gewone meerderheid (i.e. meer dan de helft van de aanwezige leden) vastgesteld. Deze gewone meerderheid wordt verondersteld ten aanzien van elke beslissing voorgesteld door de voorzitter.

Op voorstel van de voorzitter of als een lid van de commissie of de examenombudspersoon erom verzoekt, wordt er over een beslissing, zowel tijdens als op het einde van de opleiding, geheim gestemd. Bij de stemmingen worden ongeldige stemmen en onthoudingen niet meegerekend. Bij staking van stemmen geldt het voor de student meest gunstige voorstel als beslissing van de commissie.

Artikel 146. Criteria voor het slagen voor een opleidingsonderdeel

De student slaagt voor een opleidingsonderdeel als hij ten minste 10 punten op 20 of de beoordeling "geslaagd" behaalt.

In beide gevallen verwerft de student een creditbewijs, tenzij hij het studiegeld niet tijdig zou betaald hebben of er een onregelmatigheid is vastgesteld waarvoor de student een sanctie krijgt, of de student gebruik maakt van de mogelijkheid te komen tot een hoger resultaat zoals beschreven in art. 159§5.

Artikel 147. Weging

Voor het vaststellen van het behaald percentage over een gehele opleiding worden de punten behaald voor elk opleidingsonderdeel gewogen volgens het aantal studiepunten dat ermee verbonden is.

Het staat de faculteit na advies van de permanente onderwijscommissie vrij te bepalen of op de resultaten voor de onderscheiden opleidingsonderdelen of groepen van opleidingsonderdelen nog een bijkomende weging wordt toegepast. In voorkomend geval bepaalt de faculteit ook hoe deze weging gebeurt. Deze regeling wordt in de programmagids of schriftelijk bekendgemaakt voor het begin van het academiejaar. Zij kan, voor een student die de opleiding doorloopt in de minimaal vastgelegde nominale tijd, niet aangepast worden.

De opleidingsonderdelen die beoordeeld worden volgens het model geslaagd/niet-geslaagd, worden in de berekening van het percentage niet meegeteld.

Artikel 148. Afrondingsregels

§1. Voor de afronding binnen een opleidingsonderdeel is de titularis van het opleidingsonderdeel verantwoordelijk. Als het gaat over een opleidingsonderdeel met meerdere deelbeoordelingen (voor deelevaluaties zoals bedoeld in artikel 110, 1e lid), maakt hij de manier van afronden transparant kenbaar aan de studenten. Als er geen specifieke afrondingsregel is kenbaar gemaakt, gelden de gewone afrondingsregels voor decimalen, tenzij de titularis een bijzondere motivering voor een andere afronding formuleert. Afrondingen kunnen pas na verrekening van de deelresultaten plaatsvinden, en niet op de deelresultaten afzonderlijk.

§2. Voor de toepassing van de artikels 149 tot en met 151 en artikel 160:
- worden de samengetelde resultaten van de student afgerond naar het onderliggend percentage voor de decimalen 0,1-0,4 en naar boven voor de decimalen 0,5-0,9;
- wordt het aantal studiepunten dat overeenstemt met de toepassing van de 10% regel en de 50% studie-efficiëntieregel zoals bepaald in artikel 46, afgerond naar het onderliggende aantal studiepunten voor de decimalen 0,1-0,4 en naar boven voor de decimalen 0,5-0,9.

Artikel 149. Criteria voor het slagen voor een opleiding

§1. Een student slaagt voor een opleiding die geen masteropleiding of een specifieke lerarenopleiding is, als hij:

a) ofwel voor alle opleidingsonderdelen van de opleiding binnen het diplomacontract of het examencontract met het oog op het verwerven van een diploma is vrijgesteld of geslaagd (ten minste 10/20 of beoordeling "geslaagd");
b) ofwel voldoet aan de beide volgende voorwaarden:
- hij behaalt voor de opleiding als geheel ten minste 50% als gewogen percentage;
- hij behaalt geen niet tolereerbare onvoldoendes en maximaal 10% tolereerbare onvoldoendes. Tolereerbare onvoldoendes zijn beoordelingen van 8 of 9 op 20 of een beoordeling onder de vorm van niet-geslaagd, tenzij de faculteit een beoordeling niet-geslaagd als niet-tolereerbaar beschouwt. Alle andere onvoldoendes zijn niet tolereerbaar. De percentageberekening gebeurt op het geheel van de feitelijk opgenomen studiepunten van de opleiding, zonder hierbij rekening te houden met de studiepunten die de student opneemt bovenop het aantal studiepunten van het modeltraject voor de opleiding. Behaalde vrijstellingen worden bij deze berekening niet meegerekend. Voor de opbouw van de toleranties, zie ook artikel 159.

In afwijking van wat in b) hierboven wordt bepaald kan de faculteit, na advies van de permanente onderwijscommissie, beslissen dat :
- slechts een beperkt volume tolereerbare onvoldoendes, uitgedrukt in studiepunten, mag voorkomen in een bepaalde groep opleidingsonderdelen; en/of
- voor bepaalde opleidingsonderdelen een onvoldoende niet tolereerbaar is en dus steeds leidt tot het niet-slagen.

§2. Een student slaagt voor een masteropleiding of de specifieke lerarenopleiding als hij voor alle opleidingsonderdelen van de opleiding binnen het diplomacontract of het examencontract met het oog op het verwerven van een diploma is vrijgesteld of geslaagd (ten minste 10/20 of beoordeling “geslaagd”).

§3. In bijzondere individuele niet-studieresultaatgerelateerde omstandigheden of bij overmacht (cf. ook art. 139, 7de lid), kan de examencommissie een student waarvan zij oordeelt dat hij de vooropgestelde leerresultaten voor het geheel van de opleiding heeft behaald, toch geslaagd verklaren als hij niet voldoet aan de in §1 of §2 vooropgestelde voorwaarden.

Artikel 150. Criteria voor het behalen van een diploma of getuigschrift en een graad van verdienste

De student die geslaagd is voor een opleiding overeenkomstig de criteria vastgelegd in artikel 149, behaalt het diploma of getuigschrift van de opleiding.

Aan een student die het diploma van bachelor of master behaalt of dit van de specifieke lerarenopleiding, wordt de volgende graad van verdienste  toegekend :
- op voldoende wijze, als hij minder dan 68% als gewogen examenscore  behaalt;
- onderscheiding, op voorwaarde dat hij ten minste 68% als gewogen examenscore behaalt;
- grote onderscheiding, op voorwaarde dat hij ten minste 77% als gewogen examenscore behaalt;
- grootste onderscheiding, op voorwaarde dat hij ten minste 85% als gewogen examenscore behaalt;
- grootste onderscheiding en de gelukwensen van de examencommissie, op voorwaarde dat hij ten minste 90% als gewogen examenscore behaalt.
De berekening vindt plaats op het geheel van de opleiding.

Voor studenten die voldoen aan de hierboven bepaalde criteria, maar die in studiepunten uitgedrukt meer dan 5% tolereerbare onvoldoendes hebben, kan de faculteit beslissen dat om dezelfde graad van verdienste te behalen een hoger percentage moet worden behaald.

Aan een individuele student die niet voldoet aan de criteria voor het behalen van een bepaalde graad van verdienste kan deze graad van verdienste toch worden toegekend, indien de examencommissie:
- overmacht vaststelt; of;
- op gemotiveerde wijze daartoe beslist. Deze motivering wordt opgenomen in het beraadslagingsverslag.

Er wordt geen graad van verdienste toegekend aan studenten waarvan het feitelijk opgenomen studieprogramma minder dan 20 studiepunten bedraagt. Evenmin wordt een graad van verdienste toegekend voor een schakel- of voorbereidingsprogramma.

Artikel 151. Beraadslagingsverslag

Het beraadslagingsverslag wordt opgesteld en ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de examencommissie. Het bevat de presentielijst en vermeldt voor elke student de beslissing of de vaststelling zoals bepaald in artikel 146, 149 en 150 en eventueel de naleving van de procedurevoorschriften van de artikels 140 tot en met 145. Het verslag bevat de examencijfers of verwijst naar de examencijfers die als bijlage aan het verslag worden toegevoegd of in een beveiligd elektronisch bestand zijn opgenomen. Het beraadslagingsverslag bevat in voorkomend geval ook de gemotiveerde beslissingen genomen op grond van de artikelen 139, 144, 145, 149, 150, 154, 160, 164, 165, 166.

De voorzitter of de secretaris van de examencommissie verleent aan de student die zijn belang daartoe aantoont en voor zover het hem betreft, inzage in het beraadslagingsverslag tot uiterlijk één maand na ingang van het volgende academiejaar.

Onderafdeling 12. Onregelmatigheden

Artikel 152. Definities

Als onregelmatigheid wordt beschouwd elk gedrag van een student in het kader van een examen waardoor deze het vormen van een juist oordeel omtrent de kennis, het inzicht en/of de vaardigheden van hemzelf dan wel van andere studenten geheel of gedeeltelijk onmogelijk maakt of poogt te maken.

Plagiaat is een onregelmatigheid die bestaat uit elke overname zonder adequate bronvermelding van het werk (ideeën, teksten, structuren, beelden, plannen, ...) van anderen, op identieke wijze of onder licht gewijzigde vorm. Voor de toepassing van dit reglement wordt de overname van eigen werk zonder bronvermelding als onregelmatigheid beschouwd.

Artikel 153. Procedures

De examinator informeert zo spoedig mogelijk de voorzitter van de examencommissie over elke bij een evaluatie of examen begane onregelmatigheid die de uiteindelijke beslissing van de examencommissie kan beïnvloeden. Onverminderd art. 144 over de bijeenroeping van de beperkte examencommissie in geval van een onregelmatigheid, geldt voor een inbreuk die mogelijk als plagiaat kan worden beschouwd, dat de beperkte examencommissie onderzoekt of er plagiaat is gepleegd eventueel in overleg met de binnen de faculteit aangewezen expert.  Zij onderzoekt ook de ernst van de overtreding.

In afwachting van een uitspraak door de examencommissie mag de student de evaluatie- en examenreeks verder afwerken, met inbegrip van het examen in kwestie, zij het, wat dit laatste betreft, desgevallend na inbeslagname van de betwiste stukken en de reeds aangemaakte kopij.

De beperkte examencommissie kan, na overleg met de examinator, beslissen om de examencommissie vervroegd bijeen te roepen.

De beperkte examencommissie hoort de student vóór elke beslissing over een begane onregelmatigheid.

Artikel 154. Sancties

§1. Op grond van een bij een examen begane onregelmatigheid kan de examencommissie bij de beraadslaging of in een vervroegde bijeenkomst beslissen dat de student:
1°het examen op een ongeldige wijze aflegde en het opnieuw moet afleggen op een door de faculteit te bepalen tijdstip;
2°een aangepast cijfer krijgt op het examen of werkstuk;
3° een 0 krijgt op het examen of werkstuk van het opleidingsonderdeel of een onderdeel ervan;
4° geen cijfers krijgt voorenkele ofalle examens in de betrokken examenperiode;
5° afgewezen wordt: de student kan zich ten vroegste opnieuw inschrijven voor het volgende academiejaar.  De afgewezene verliest alle examencijfers behaald in de betrokken examenperiode. Dit kan slechts op grond van een zeer ernstige onregelmatigheid; over de ernst van de onregelmatigheid oordeelt de examencommissie. De examencommissie van de opleiding kan additioneel de student verplichten een ander onderwerp en promotor te nemen voor het eindwerk, de bachelorpaper of de masterproef.
6° het recht tot inschrijving voor een eerstvolgend academiejaar of de eerstvolgende twee academiejaren verliest. Deze sanctie geldt voor alle opleidingen aan de K.U. Leuven en kan enkel uitgesproken worden in combinatie met een afwijzing.
In geval van plagiaat kan de examencommissie de sancties koppelen aan een verplichte deelname aan een zelfstudiemodule of andere vormen van bijscholing met betrekking tot plagiaat.

De ernst van de overtreding en de strafmaat bij plagiaat worden beoordeeld aan de hand van de volgende elementen:
1) de omvang van het plagiaat;
2) de aard van het plagiaat (slecht refereren, afwezigheid van referenties, ...);
3) ervaring van de student (de mate waarin de student zich zou moeten bewust zijn van de ernst van wat hij doet, onder meer rekening houdend met het moment in de studieloopbaan);
4) de intentie om bedrog te plegen.

§2. Een beslissing tot afwijzing al of niet in combinatie met het verlies van het recht tot inschrijving wordt slechts definitief na bekrachtiging door de fraudecommissie. Deze bestaat uit de vicerector Onderwijsbeleid, drie vertegenwoordigers van faculteiten die als expert betrokken zijn bij deze materie en drie voorzitters van examencommissies (telkens één per groep), een juridisch adviseur en een medewerker van de dienst Onderwijsbeleid die als secretaris optreedt.

+ Procedure

§3. Bij een zeer ernstige onregelmatigheid kan de universiteit een genomen gunstige beslissing juridisch als onbestaande beschouwen en ongeacht het moment waarop de onregelmatigheid wordt vastgesteld, beslissen dat de behaalde resultaten nietig zijn en de eventueel afgeleverde creditbewijzen, getuigschriften en diploma's terugvorderen. Ook deze beslissing wordt pas definitief na bekrachtiging door de fraudecommissie.

§4. In alle gevallen waar de faculteit één van de bovengenoemde sancties neemt, wordt in het studievoortgangsdossier van de student de code FR vermeld;

Onderafdeling 13. Mededeling en bespreking van de examenresultaten

Artikel 155. Mededeling van de beslissingen van de examencommissie tijdens de opleiding

De faculteit bepaalt het tijdstip en de wijze waarop, na elke examenperiode, de examenresultaten voor alle opleidingsonderdelen aan de studenten schriftelijk worden meegedeeld. De mededeling verwijst ook naar de geschillenregeling, zoals beschreven in onderafdeling 15 van dit reglement.

Aan de studenten die ingeschreven zijn voor een diplomacontract of een examencontract met het oog op het behalen van een diploma of getuigschrift wordt een geactualiseerd overzicht meegedeeld van de stand van zaken van hun studievoortgangsdossier.

Daarin zijn in elk geval opgenomen:

a) voor bacheloropleidingen en initiële masteropleidingen evenals schakelprogramma’s de cumulatieve studie-efficiëntie, berekend over alle academiejaren heen binnen de opleiding, tot en met de voorbije examenperiode;
b) het resterende bruikbaar tolerantiekrediet van de student;
c) het resultaat per opleidingsonderdeel;
d) bij (eventuele) onvoldoendes de aanduiding of de student voor deze onvoldoende gebruik kan maken van zijn tolerantiepunten;
e) het resultaat van de opleidingsonderdelen waarvoor de student binnen de opleiding al een creditbewijs behaalde of waarvoor hij een tolerantie inzette, als het resultaat een tolereerbare onvoldoende was;
f) het aantal studiepunten waarvoor de student binnen de opleiding al het creditbewijs verworven heeft, al een gedeelte van zijn toleranties heeft gebruikt of een vrijstelling gekregen heeft alsook het aantal studiepunten dat een student nog moet opnemen binnen de opleiding;
g) het gewogen percentage dat de student voor de opleiding behaald heeft, berekend over alle academiejaren binnen de opleiding, tot en met de voorbije examenperiode;
h) (eventueel) de uitnodiging tot een adviesgesprek; 
i) (eventueel) de bindende voorwaarden die na de betrokken examenperiode aan de student worden opgelegd;
j) (eventueel) de mededeling dat de student geweigerd zal worden voor een volgende inschrijving voor de opleiding of voor opleidingsonderdelen ervan.

Studenten met een creditcontract en met een examencontract met het oog op het verwerven van creditbewijzen ontvangen enkel een mededeling van de resultaten op de opleidingsonderdelen waarover zij in de betrokken examenperiode examen aflegden en eventueel de mededeling dat zij geweigerd zullen worden voor een volgende inschrijving van één of meer opleidingsonderdelen.

Aan de studenten wordt de mogelijkheid geboden kennis te nemen van veralgemeende examenresultaten van de voor hen relevante studentgroep, ter situering van hun resultaten op de opleidingsonderdelen waarover zij in het betrokken academiejaar examen aflegden.

Artikel 156. Mededeling van de resultaten over het geheel van een opleiding

De faculteit bepaalt het tijdstip en de wijze waarop, na elke examenperiode, de beslissingen van de examencommissie over het geheel van de opleiding, zoals beschreven in artikel 149 en 150, aan de studenten schriftelijk worden meegedeeld. De mededeling verwijst ook naar de geschillenregeling, zoals beschreven in onderafdeling 15 van dit reglement.

Het resultaat over het geheel van een masteropleiding en een master-na-masteropleiding wordt ook in het openbaar meegedeeld tijdens een promotieplechtigheid na de tweede en eventueel ook na de derde examenperiode.

Op de diplomasupplementen worden de examencijfers omgezet in de volgende codetekens:
- voor die opleidingsonderdelen waarvoor de student een creditbewijs behaalde: de code C, aangevuld met het examencijfer of de letter P bij niet-numerieke beoordeling;
- voor de opleidingsonderdelen waarvoor de student een resultaat van minder dan 10 of niet-geslaagd behaalde: de code G.

Artikel 157. Bespreking van de resultaten en inzagerecht

De examinatoren delen vóór elke examenperiode aan de administratieve dienst van hun faculteit mee waar en wanneer zij tijdens de eerste vijf kalenderdagen na de bekendmaking van de resultaten ter beschikking zijn voor een collectieve en/of  een individuele nabespreking van het examen, onverminderd het inzagerecht zoals bepaald in het volgende lid. Die regeling voor de nabespreking wordt ten minste een week voor het einde van de examenperiode aan de studenten bekendgemaakt. Losstaand van de interne beroepsprocedure en met het oog op zelfremediëring door de student verleent de examinator, na de mededeling van de resultaten van een examenperiode, zoals bedoeld in artikels 155 en 156 van dit reglement, aan studenten die hierom verzoeken, inzage en eventueel afschrift van hun examenkopij, in voorkomend geval zoals deze door de examinator is geannoteerd.

Het verzoek tot inzage wordt ingediend na de betrokken examenperiode en uiterlijk een maand na aanvang van het volgende academiejaar. De student kan zich laten bijstaan door een persoon naar keuze, voor zover dat niet een student is die in datzelfde academiejaar over het opleidingsonderdeel zelf examen moet afleggen of een student die in datzelfde academiejaar door de betrokken examinator moet worden ondervraagd. De universiteit behoudt zich het recht voor een redelijke vergoeding te vragen voor een kopie van examendocumenten.

Ten aanzien van beraadslagingsverslagen geldt eenzelfde inzage- en kopieregeling, met dien verstande dat elke verwijzing naar andere studenten onherkenbaar wordt gemaakt.

Artikel 158. Bewaren van de examenkopijen

De examinatoren staan in voor het bewaren van de kopijen van alle schriftelijke examens tot ten minste drie maanden na de beraadslaging van de derde examenperiode.

Voor de examens waarvoor in de context van artikel 166 van dit reglement door de student een formele klacht is ingediend of waarvoor de voorzitter de examencommissie opnieuw bijeen riep, bewaart de faculteit de kopijen gedurende vijf jaar.

Onderafdeling 14. Hernemen van examens over opleidingsonderdelen en het behouden van tolereerbare onvoldoendes

Artikel 159. Hernemen van examens over opleidingsonderdelen

§1. Na de tweede examenperiode

De student die een bacheloropleiding, een schakelprogramma, een voorbereidingsprogramma of een postgraduaatopleiding volgt en die nog niet in de eindfase van zijn opleiding zit en bijgevolg het diploma of het getuigschrift nog niet kan behalen, beslist na de tweede examenperiode of hij examens waarop hij een tolereerbare of niet-tolereerbare onvoldoende haalde in de eerste of tweede examenperiode, herneemt in de derde examenperiode voor die opleidingsonderdelen waarvoor een examenkans wordt georganiseerd. Hij kan zich echter niet inschrijven voor een examen over een opleidingsonderdeel waarvoor hij na de tweede examenperiode definitief beslist heeft een tolereerbaar onvoldoende te behouden, zoals bepaald in de procedure bij art. 160§2.

De student die een masteropleiding of een specifieke lerarenopleiding volgt, beslist na de tweede examenperiode of hij de examens over deze opleidingsonderdelen herneemt in de derde examenperiode voor die opleidingsonderdelen waarvoor een examenkans wordt georganiseerd.

In het geval een student een onvoldoende herneemt in hetzelfde academiejaar, blijft het eerst behaalde resultaat behouden als het hoger is dan het resultaat dat de student behaalt in de volgende examenperiode. Indien de student inschrijft voor een creditcontract – zie ook art. 162, 3de lid – en hij behaalt in die context een lager examencijfer, dan geldt voor het creditcontract niet de overname van het eerder hoger cijfer uit het diplomacontract of examencontract met het oog op het behalen van een diploma.

+ Procedure

§2. Na de derde examenperiode

Na de derde examenperiode moet een student die een bacheloropleiding, een schakelprogramma, een voorbereidingsprogramma of een postgraduaatopleiding volgt en die nog niet in de eindfase van zijn opleiding zit en bijgevolg het diploma of getuigschrift nog niet kan behalen, zijn tolerantiedossier in orde brengen, zoals bepaald in de procedure bij art. 160§3.

Hij moet zich daarna als en zolang hij voldoet aan de voorwaarden omschreven in artikels 160van het examenreglement en onverminderd artikel 81van het onderwijs­reglementin het eerstvolgende academiejaar waarin hij zich opnieuw inschrijft voor de opleiding (c.q. in het eerstvolgende academiejaar waarin een opleidingsonderdeel opnieuw wordt aangeboden)  inschrijven voor en examen afleggen over die plichtopleidingsonderdelen waarvoor:

- hij zelf kiest een tolereerbare onvoldoende niet te behouden;
- hij een cijfer lager dan 8 op 20 heeft behaald;
- geen tolerantiemogelijkheid bestaat;
- hij in een bacheloropleiding of een schakelprogramma geen tolerantie kan verkrijgen omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde van cumulatieve studie-efficiëntie zoals beschreven in artikel 160§1, 2de lid;
- hij geen tolerantie meer kan verkrijgen omdat het totaal aantal behoudbare studiepunten reeds is bereikt.

Ook een student in een master- of lerarenopleiding is verplicht in het eerstvolgende academiejaar waarin hij zich inschrijft in elk geval opnieuw de plichtopleidingsonderdelen op te nemen waarvoor hij een onvoldoende heeft gehaald.

Het eerder behaalde resultaat voor het opleidingsonderdeel wordt als niet meer bestaand beschouwd en de resultaten van het lopende academiejaar komen in de plaats van de voorgaande.

+ Procedure

§3. In de eindfase van de opleiding

De student die in de eindfase van zijn opleiding zit en bijgevolg het diploma of getuigschrift kan behalen, maar die nog niet geslaagd is na de eerste of de tweede examenperiode, beslist na de tweede examenperiode en binnen de termijn beschreven in de procedure bij §1welke examens hij herneemt in de derde examenperiode onverminderd de bepaling van art. 160§6.

§4. Een faculteit kan bepalen dat voor een opleidingsonderdeel dat bestaat uit meerdere onderwijsleeractiviteiten, een examenresultaat voor een voldoende duidelijk omschreven onderwijsleeractiviteit waaraan ten minste één studiepunt is verbonden, wordt overgezet naar een volgende examenperiode in hetzelfde of een volgend academiejaar voor zover op het examen voor die onderwijsleeractiviteit ten minste 10 of een beoordeling “geslaagd” is behaald. Dit cijfer wordt dan verrekend in een nieuw eindcijfer voor dat opleidingsonderdeel.

§5. Hernemen van een behaald creditbewijs binnen een academiejaar.

Het resultaat van een creditbewijs is definitief. Enkel binnen het academiejaar kan de student beslissen om het examen te hernemen met het oog op het behalen van een beter examenresultaat. Hij deelt dit uiterlijk 15 kalenderdagen na de mededeling van het examenresultaat mee aan de faculteit volgens de in het facultair reglement bepaalde procedure.
Wanneer de student van deze mogelijkheid gebruik maakt, wordt het algemeen resultaat voor de opleiding (slagen/niet-slagen en eventuele graad van verdienste) voorlopig ongedaan gemaakt. Het wordt het definitieve resultaat in de volgende examenperiode als de student geen hogere score behaalt voor het opleidingsonderdeel of de opleidingsonderdelen waarvan hij aangaf het examen te willen herdoen. Voor de bepaling van het algemeen resultaat wordt dan rekening gehouden met de volgende cijfers:
a) de oorspronkelijke resultaten, wanneer de student naderhand een score behaalde lager dan 10 of niet-geslaagd;
b) de nieuwe creditbewijzen wanneer de nieuwe resultaten ten minste 10 of geslaagd zijn.

§6. Een tweede examenkans vindt niet noodzakelijk plaats onder dezelfde examenvorm.

§7. De leerstof en de examenmaterie is die van het academiejaar waarin de student zich opnieuw inschrijft voor een opleidingsonderdeel.

Artikel 160. Het behouden van tolereerbare onvoldoendes

§1. Het kunnen kiezen voor het behoud van een tolereerbaar examenresultaat binnen een bacheloropleiding, een schakelprogramma, een voorbereidingsprogramma of een postgraduaatopleiding kan enkel onder voorwaarde dat deze onvoldoendes, uitgedrukt in studiepunten, samen maximaal 10% bedragen van de studiepunten voor de gehele opleiding, na aftrek van de vrijstellingen.

Een student in een bacheloropleiding of een schakelprogramma kan enkel kiezen een tolereerbaar examenresultaat te behouden onder voorwaarde dat hij voor het deel van de opleiding waarvoor hij zich tot dan toe had ingeschreven in dit en in een vorig academiejaar, een cumulatieve studie-efficiëntie behaalde van ten minste 50%.

Onder bijzondere omstandigheden kan de faculteit een afwijking toestaan op deze regels.

§2. De student die nog niet in de eindfase van zijn opleiding zit en bijgevolg het diploma nog niet kan behalen, kan na de tweede examenperiode beslissen om een tolereerbare onvoldoende te behouden die hij in de eerste of tweede examenperiode behaalde. Hij kan deze beslissing ook al nemen na de eerste examenperiode, als in zijn individueel studieprogramma geen opleidingsonderdelen georganiseerd in het tweede semester zitten.

+ Procedure

§3. Na de derde examenperiode moet een student die nog niet in de eindfase van zijn opleiding zit en bijgevolg het diploma nog niet kan behalen, aangeven voor welke opleidingsonderdelen waarvoor hij een tolereerbare onvoldoende haalde, hij deze onvoldoende wil behouden.

+ Procedure

§4. Als een student binnen de vooropgestelde termijnen geen keuze maakt om tolereerbare onvoldoendes te behouden, wordt verondersteld dat hij de tolereerbaarheid niet inroept.

§5. De student die in de eindfase van zijn opleiding zit en bijgevolg het diploma kan behalen tijdens een volgende examenperiode, kan voorafgaand aan de betrokken examenperiode beslissen dat hij voor de reeds afgelegde opleidingsonderdelen van dat academiejaar geen tolereerbare onvoldoendes accepteert en voor de nog af te leggen opleidingsonderdelen van dat jaar geen tolereerbare onvoldoende zal accepteren als hij geslaagd zou kunnen verklaard worden.

De student die aangaf geen tolereerbare onvoldoendes binnen het academiejaar te zullen accepteren en die na de betrokken examenperiode niet geslaagd is, kan na die examenperiode niet beslissen om alsnog tolereerbare onvoldoendes te behouden.

De student die aangaf wel tolereerbare onvoldoendes binnen het academiejaar te zullen accepteren en die na de betrokken examenperiode niet geslaagd is, kan na die examenperiode beslissen welke van de tolereerbare onvoldoendes hij alsnog wenst te behouden.

+ Procedure

§6. De beslissing om een tolereerbare onvoldoende te behouden kan niet herroepen worden.

§7. Uitzonderlijk kan een student na gemotiveerde aanvraag en toelating van de faculteit, aan het einde van zijn opleiding een vroeger behaalde tolereerbare onvoldoende die hij tot dan toe behouden had, herdoen. Hij moet zich dan opnieuw inschrijven voor het opleidingsonderdeel en er examen over afleggen, op basis van de leerstof in dat academiejaar. Het resultaat behaald bij de herneming van het betreffende opleidingsonderdeel en examen komt in de plaats van het voorafgaand behaald tolereerbaar resultaat.

Artikel 161. Bijkomende voorwaarden voor het behoud van tolereerbare onvoldoendes door studenten die in een bacheloropleiding nog ten minste 120 studiepunten verwijderd zijn van het behalen van het diploma

Studenten die in hun bacheloropleiding nog ten minste 120 studiepunten verwijderd zijn van het behalen van hun diploma mogen maximaal voor 12 studiepunten aan tolereerbare onvoldoendes behouden.

Onder bijzondere omstandigheden kan de faculteit een afwijking toestaan op deze regels.

Artikel 162. Creditbewijzen

Creditbewijzen zijn definitief, onverminderd artikel 154, §3.

De student die een creditbewijs behaalde voor een opleidingsonderdeel, kan niet verzaken aan het behaalde resultaat. Hij kan dus over dit opleidingsonderdeel niet opnieuw examen afleggen.

De student die geslaagd is verklaard voor een opleiding maar toch geen creditbewijs behaalde voor één of meer opleidingsonderdelen, kan dit creditbewijs alsnog verwerven via een afzonderlijke inschrijving voor een creditcontract of een examencontract met het oog op het behalen van een creditbewijs, onverminderd de toepassing van artikel 81 van het onderwijsreglement.

Onderafdeling 15. Geschillenregeling

Artikel 163. Conflicten voor of tijdens een examen

Onregelmatigheden of conflicten tussen een student en een examinator die zich voordoen voor of tijdens het afleggen van een examen en die het correcte verloop van de evaluatie in het gedrang brengen, worden door een van beide partijen zo spoedig mogelijk aan de voorzitter van de examencommissie meegedeeld, eventueel via de examenombudspersoon. De voorzitter bemiddelt en neemt, zo nodig, eventueel na overleg met de beperkte examencommissie, voorlopige maatregelen om het correcte verloop van het examen te waarborgen. De examencommissie neemt de uiteindelijke beslissing. De beperkte commissie hoort in elk geval de examinator en de student. De student en de examinator kunnen ook door de examencommissie zelf gehoord worden, op hun verzoek.

Artikel 164. Materiële vergissingen vastgesteld voor een beraadslaging

Als een materiële vergissing wordt vastgesteld voor de beraadslaging, deelt de examinator het correcte examencijfer mee aan de bevoegde administratieve dienst. Als er reeds examenresultaten zijn meegedeeld aan de student, deelt de administratieve dienst aan de student een gecorrigeerd examenresultaat mee.

Artikel 165. Materiële vergissingen vastgesteld na een beraadslaging

Als een materiële vergissing wordt vastgesteld na een beraadslaging, wordt dit formeel gemeld bij de voorzitter van de examencommissie.

Een vergissing die geen invloed heeft op het slagen voor een opleidingsonderdeel of de opleiding evenmin als voor de behaalde graad van verdienste, wordt door de beperkte examencommissie rechtgezet. Als er reeds examenresultaten zijn meegedeeld aan de student, deelt de administratieve dienst aan de student een gecorrigeerd examenresultaat mee. De voorzitter en de secretaris rapporteren hierover bij een volgende vergadering van de examencommissie.

Als de vastgestelde vergissing wel invloed kan hebben op het slagen voor een opleidingsonderdeel of de opleiding, roept de voorzitter de examencommissie zo snel mogelijk opnieuw samen. De vastgestelde resultaten kunnen nog worden gewijzigd:
a) in het nadeel van de student binnen een termijn van 10 kalenderdagen na de mededeling van de resultaten; de termijn begint te lopen de dag na:
- de schriftelijke mededeling van de resultaten in uitvoering van artikel 155 van dit reglement;
- de schriftelijke mededeling van beslissingen genomen in uitvoering van dit artikel;
- de schriftelijke mededeling van de resultaten voor een gehele opleiding in uitvoering van artikel 156;
b) in het voordeel van de student.

Artikel 166. Intern beroep tegen een ongunstige examenbeslissing

Als examenbeslissing wordt beschouwd elke beslissing van een examencommissie waarbij:
a) een beoordeling voor een afzonderlijk opleidingsonderdeel definitief wordt vastgesteld;
b) een betwisting wordt beslecht;
c) over het globale resultaat en het al of niet toekennen van een graad van verdienste voor een gehele opleiding wordt beslist.

Een student die oordeelt dat een examenbeslissing zijn rechten schendt, kan intern beroep aantekenen. Hij kan zich informeel richten tot de voorzitter van de examencommissie. Een formele klacht moet evenwel altijd binnen de in het volgende lid aangegeven termijn in een verzoekschrift gericht worden aan de vicerector Studentenbeleid. Het verzoekschrift wordt per e-mail ingediend. In zijn klacht neemt de student ten minste een feitelijke omschrijving op van de ingeroepen bezwaren. Als de vicerector Studentenbeleid betrokken partij is, wordt hij vervangen door de vicerector Onderwijsbeleid.

Het beroep bij de vicerector Studentenbeleid moet worden ingesteld binnen een vervaltermijn van vijf kalenderdagen die ingaat de dag na:
- de schriftelijke mededeling van de resultaten in uitvoering van artikel 155 van dit reglement;
- de schriftelijke mededeling van beslissingen genomen buiten de examenperiode (zoals in artikel 165);
- de schriftelijke mededeling van de resultaten voor een gehele opleiding in uitvoering van artikel 156.

Een student die overweegt om een klacht in te dienen, maar die zijn beslissing terzake wenst uit te stellen tot na een gesprek met de examinator, moet eveneens binnen de vervaltermijn, aangegeven in het derde lid van dit artikel, beroep aantekenen. Als hij de eerstvolgende vijf kalenderdagen geen uitgebreidere motivering geeft van zijn examenklacht, wordt zijn beroep automatisch als onontvankelijk geklasseerd.

De vicerector Studentenbeleid hoort alle betrokken partijen en in elk geval de student.

De interne beroepsprocedure leidt tot:
a) de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid of ongegrondheid. Deze beslissing wordt aan de student per e-mail ter kennis gebracht binnen een termijn van vijftien kalenderdagen die ingaat op de dag na deze waarop het intern beroep is ingesteld;
b) een nieuwe beslissing van de vicerector Studentenbeleid. De vicerector werkt in overleg met de voorzitter van de examencommissie een oplossing uit. Indien niet tot een consensus kan gekomen worden, beslist de vicerector autonoom. De nieuwe beslissing moet genomen worden binnen een termijn van vijftien kalenderdagen, die ingaat op de dag na deze waarop het intern beroep is ingesteld en wordt ook binnen die termijn aan de student ter kennis gebracht. Hiervoor wordt het mailadres gebruikt dat door de student werd gehanteerd om zijn beroep in te dienen.

Na uitputting van deze interne beroepsmogelijkheid of na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vicerector studentenbeleid een nieuwe beslissing kon nemen, kan de student conform de bepalingen van het Decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student verder beroep instellen bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen.

Bij betwistingen van studenten tegen de K.U.Leuven zijn buiten de Raad voor Studievoortgangsbeslissingen enkel de Leuvense rechtbanken bevoegd.

Afdeling 2. Bijzonder examenreglement

Onderafdeling 1. Bijzondere bepalingen in verband met de masterproef

Artikel 167. Facultair reglement, promotor

Elke faculteit stelt een bijzonder reglement vast voor de totstandkoming en beoordeling van de masterproeven.

De promotor van een masterproef is een lid van het ZAP van de K.U.Leuven of van het AAP-BAP voorzover dit houder is van een diploma van doctor.

Artikel 168. Beoordeling

De masterproef wordt overeenkomstig het facultair reglement beoordeeld door een evaluatiecommissie die bestaat uit ten minste drie leden. Onverminderd de toepassing van artikel 135, tweede lid, derde zin, van het examenreglement brengt de commissie één cijfer uit, het weze collegiaal, het weze na het bijeenbrengen van de eventueel gewogen individuele cijfers van de bij het facultair reglement aangewezen leden. In voorkomend geval wordt de examencommissie in kennis gesteld van de deelcijfers.

De leden van de evaluatiecommissie die geen lid zijn van de examencommissie worden, overeenkomstig het facultair reglement, door de examencommissie geconsulteerd wanneer de student of een lid van de evaluatiecommissie daarom verzoeken.

Artikel 169. Verdediging

Indien het facultair reglement niet voorziet in de verdediging van de masterproef, bepaalt het hoe de student vóór de beraadslaging kennis kan nemen van de opmerkingen van de evaluatiecommissie en hoe de student die dit wenst, voor de beraadslaging door de voorzitter van de examencommissie of een door hem aangewezen persoon gehoord zal worden.

Onderafdeling 2. Bijzondere bepalingen in verband met de academische en specifieke lerarenopleidingen

Artikel 170. Toepassingsgebied

Het algemeen examenreglement is van toepassing op de uitdovende opleidingen van de initiële academische lerarenopleiding en op de specifieke lerarenopleiding (SLO), met uitzondering van het bepaalde in de hierna volgende artikels 171-172.

Artikel 171. De examencommissies

Over de studenten van de Specifieke Lerarenopleiding (SLO) Lichamelijke opvoeding en de SLO Gezondheidswetenschappen wordt beraadslaagd door de examencommissie SLO Biomedische Groep. Over de studenten van de SLO Wiskunde, SLO Natuurwetenschappen, en SLO Technologie wordt beraadslaagd door de examencommissie SLO Wetenschap en Technologie. Over de studenten van de SLO Economie, SLO Gedragswetenschappen en SLO Maatschappijwetenschappen & filosofie wordt beraadslaagd door de examencommissie SLO Gedrags- en maatschappijwetenschappen. Over de studenten van de SLO Talen en de SLO Geschiedenis, kunst & muziek wordt beraadslaagd door de examencommissie SLO Geesteswetenschappen. Over de studenten van de SLO Godsdienst wordt beraadslaagd door de examencommissie SLO Godsdienst; deze beslissing wordt geacteerd door de examencommissie SLO Geesteswetenschappen.

Artikel 172. Beraadslaging

De beraadslaging waarin beslist wordt dat de student slaagt voor de opleiding, kan pas plaatsvinden, nadat hij geslaagd is verklaard voor de voorafgaande initiële masteropleiding.

Over de studenten van de uitdovende academische initiële lerarenopleiding die hun opleiding beëindigen, werd in principe slechts beraadslaagd tot uiterlijk tijdens academiejaar 2008-2009. Deze termijn wordt verlengd met één, twee of drie academiejaren, als het gaat om een initiële academische lerarenopleiding die aansluit bij een initiële masteropleiding met een studieomvang van respectievelijk 120, 180 of 240 studiepunten.

Onderafdeling 3. Bijzondere bepalingen in verband met master-na-masteropleidingen en interuniversitaire opleidingen

Artikel 173. Master-na-masteropleidingen

In afwijking van artikel 107 bepaalt elke faculteit de tijdstippen waarop binnen een zelfde academiejaar de examens voor master-na-masteropleidingen worden afgenomen.

Artikel 174. Interuniversitaire opleidingen

Elke overeenkomst voor de organisatie van een interuniversitaire opleiding of een opleiding gezamenlijk georganiseerd door een universiteit en een hogeschool bepaalt welk examenreglement van toepassing is. Die bepaling wordt in de programmagids vermeld.

Onderafdeling 4. Bijzondere bepalingen in verband met postgraduaatopleidingen en met andere trajecten van permanente vorming

Artikel 175.

Voor postgraduaatopleidingen en voor andere trajecten van permanente vorming die leiden tot het behalen van een getuigschrift, stelt de faculteit een aanvullend specifiek examenreglement op omtrent de wijze en momenten van evalueren, wie kan beoordelen, de resultaatberekening en de wijze van meedelen en bespreken van resultaten.

Dit onderwijsreglement wordt duidelijk kenbaar gemaakt aan de studenten die inschrijven voor het vormingsprogramma.

Uiterlijk vijf kalenderdagen na de schriftelijke mededeling van elk resultaat van een postgraduaatopleiding kan beroep worden aangetekend tegen de beslissing bij de vicerector Studentenbeleid.

TITEL IV. WIJZIGINGS-, AFWIJKINGS- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Afdeling 1. Wijziging van en afwijkingen op het onderwijs- en examenreglement

Artikel 176.

Wijzigingen van het onderwijs- en examenreglement zijn slechts mogelijk bij beslissing van de Academische Raad, na raadpleging van de faculteiten en de Onderwijsraad. De wijzigingen moeten goedgekeurd zijn voor de aanvang van de inschrijvingsperiode van het volgend academiejaar. Zij gaan in bij het begin van het volgend academiejaar.

Afwijkingen op het onderwijs- en examenreglement zijn slechts mogelijk bij beslissing van de Academische raad op voorstel van een faculteit. Zij worden door de faculteit opgenomen in haar aanvullende reglementering.

Afdeling 2. Overgangsbepalingen

Artikel 177. Overstap voor studenten die gestart zijn met een opleiding vóór het academiejaar 2005-2006 naar het systeem in uitvoering van de bepalingen van dit onderwijs- en examenreglement

Studenten die gestart zijn met een opleiding vóór het academiejaar 2005-2006, worden van rechtswege geacht een diplomacontract of examencontract met het oog op het behalen van een diploma of getuigschrift te hebben getekend, behoudens in het geval zij uitdrukkelijk kiezen voor een ander contract. Het huidige onderwijs- en examenreglement is op hen van toepassing.

Zij worden geacht een creditbewijs te hebben behaald voor alle opleidingsonderdelen waarvoor zij binnen het vroegere systeem examens hebben afgelegd, voor zover zij voor dat opleidingsonderdeel geslaagd zijn verklaard.

Artikel 178. Overstap van inschrijving voor afzonderlijke vakken naar het systeem in uitvoering van het flexibiliseringsdecreet

Studenten die ingeschreven waren voor afzonderlijke opleidingsonderdelen vóór het academiejaar 2004-2005, worden niet automatisch overgeheveld naar een creditcontract vanaf 2005-2006.

Zij worden niet geacht een creditbewijs te hebben behaald voor opleidingsonderdelen waarover zij in het verleden met succes examen aflegden via een inschrijving voor een afzonderlijk vak. Op grond van de behaalde attesten voor de opleidingsonderdelen waarop ze slaagden, kunnen zij desgevallend wel vrijstellingen aanvragen.

Artikel 179. Overstap van oude opleidingen naar het bachelor-mastersysteem

Studenten die omwille van studievertraging binnen de universiteit moeten overstappen van een oude opleiding naar een bachelor- of masteropleiding die haar vervangt, krijgen als zij geslaagd waren voor een opleidingsonderdeel een creditbewijs, dan wel vrijstelling op basis van een equivalentiebepaling. De faculteit beslist welk van de twee valorisatiemethoden geldt.

Artikel 180. Overstap naar het opleidingsmodel met ingang vanaf 2009-2010

Op alle studenten die een opleiding niet afgerond hebben in het academiejaar 2008-2009, worden vanaf 2009-2010 de regels van dit reglement toegepast.

De bepalingen van artikel 149 en van onderafdeling 14 van het examenreglement gelden uitsluitend voor het overblijvende deel van hun opleiding (voorafnames inbegrepen) en zonder rekening te houden met eventueel vroeger behaalde onvoldoendes voor studenten die:
- in een vorig academiejaar slaagden voor een programmajaar;
- in een vorig academiejaar slaagden voor het eerste jaardeel van een niet in programmajaren ingedeelde opleiding, waarover door de faculteit beslist werd tot een beraadslaging na elk jaardeel.
Het geslaagd zijn voor een bepaald programmajaar en voor de opleidingsonderdelen daarbinnen blijft verworven tot het tijdstip waarop eventueel een actualiseringsprogramma te dien aanzien wordt opgelegd. In dat geval bepaalt de facultaire reglementering de weging voor het verleden.

De bepalingen van artikel 149 en van onderafdeling 14 van dit examenreglement worden toegepast op het overblijvende deel van de opleiding, met inbegrip van de opleidingsonderdelen die volgens het examenreglement 2008-2009 moeten hernomen worden, voor studenten die:
- in een vorig academiejaar nog niet slaagden voor een programmajaar (ook van toepassing op voorafnames);
- in een vorig academiejaar nog niet slaagden voor een niet in programmajaren ingedeelde opleiding van ≤ 66 studiepunten;
- in een vorig academiejaar nog niet slaagden voor het geheel van een niet in programmajaren ingedeelde opleiding, waarover door de faculteit beslist was tot een beraadslaging na het geheel;
- in een vorig academiejaar niet slaagden voor het tweede deel van een niet in programmajaren ingedeelde opleiding, waarover door de faculteit beslist was tot een beraadslaging na elk deel;
- in een vorig academiejaar waren ingeschreven in het eerste jaardeel van een niet in programmajaren ingedeelde opleiding, waarover door de faculteit beslist was dat er pas beraadslaagd wordt na de volledige opleiding.

De bepalingen van artikel 149 en van onderafdeling 14 van dit examenreglement worden eveneens toegepast op het overblijvende deel van de opleiding (voorafnames inbegrepen) voor studenten met een deeltijds of een geïndividualiseerd studietraject die nog niet slaagden voor een programmajaar. Zij moeten de opleidingsonderdelen waarvoor zij een onvoldoende haalden, hernemen.

In het bijzonder impliceert dit:
a) behaalde creditbewijzen waarvoor nog geen beraadslaging plaatsvond in het jaarsysteem worden opgenomen in het pakket van opleidingsonderdelen die beoordeeld worden in het kader van het opleidingsmodel. Het totale pakket aan te behalen studiepunten/behaalde creditbewijzen wordt als basis genomen voor de bepaling van het tolerantiekrediet van 10%;
b) cumulatieve studie-efficiëntie wordt voor deze studenten berekend op basis van inschrijvingen en resultaten te tellen vanaf 2009-2010.

Bindende voorwaarden die aan een student werden opgelegd vóór 2009-2010, behouden hun geldingskracht, volgens de bepalingen van afdeling 5.5 van het onderwijsreglement. Ten aanzien van de gevolgen van bindende voorwaarden worden de resultaten van een vorig academiejaar in dezelfde opleiding verrekend samen met de resultaten behaald vanaf 2009-2010.

Vooraf behaalde percentages over programmajaren, een eerste jaardeel van een niet in programmajaren ingedeelde opleiding of dergelijke opleiding in haar geheel, waarvoor de student slaagde, worden verrekend met de resultaten van het resterende deel voor het bepalen van de graad van verdienste.

Daartoe worden de reeds behaalde percentages voor deze programmajaren, het eerste jaardeel of de opleiding als geheel van een niet in programmajaren ingedeelde opleiding  verrekend en omgezet volgens de regels van artikel 150 en volgens de beslissing van de faculteit gewogen of ongewogen verrekend met de resultaten over het resterende nog te volgen gedeelte van de opleiding.

Als de faculteit beslist heeft dat als beperkende voorwaarde voor de toekenning van een graad van verdienste de student in studiepunten uitgedrukt niet meer dan 5% tolereerbare onvoldoendes mag hebben, dan heeft deze bepaling voor deze studenten enkel betrekking op het overblijvende deel van hun opleiding.

Artikel 181. Overstap naar de nultolerantie voor masteropleidingen en specifieke lerarenopleidingen met ingang vanaf 2010-2011

De studenten die in 2009-2010 reeds waren ingeschreven in een masteropleiding of een specifieke lerarenopleiding, kunnen in het eerstvolgende academiejaar waarin ze zich inschrijven de tolereerbare onvoldoendes behouden waarvoor dit volgens het examenreglement van 2009-2010 mogelijk is. Ook tussen de masteropleiding en de specifieke lerarenopleiding geldt deze mogelijkheid.

Zij mogen zich voor deze opleidingsonderdelen echter ook opnieuw inschrijven. De leerstof en de examenmaterie is die van het academiejaar waarin de student zich opnieuw inschrijft voor het opleidingsonderdeel.

De regel dat studenten moeten slagen voor alle opleidingsonderdelen om te kunnen slagen voor de masteropleiding of specifieke lerarenopleiding, geldt alleen voor de opleidingsonderdelen die de student opneemt of nog moet opnemen met ingang van 2010-2011.