U bent hier: Lucon Historiek

Historiek

Gebaseerd op: Goossens, M. (2007) Honderd jaar Vliebergh-Sencie nascholing. In M. D’hoker, D. De Bock & D. Janssens (red.), Leraar zijn in Vlaanderen (p 119-153). Antwerpen: Garant.

 

De nascholing van leraren aan de KU Leuven startte in 1907 en kreeg als eerste naam Nederlandse vakantieleergangen, later omgedoopt tot Vlieberghleergangen en nog later tot Vliebergh-Sencieleergangen. Uiteindelijk zouden alle nascholingsactiviteiten uitgaan van het Vliebergh-Senciecentrum, afgekort VSC. In 2009 werd er gestart met een intern proces van herstructurering en herprofilering dat in 2011 zijn beslag kreeg.  Deze vernieuwing van de organisatie weerspiegelt zich ook in de nieuwe naam Leuvens Universitair Centrum voor Onderwijsgerichte Nascholing of LUCON.

 

De oprichting van de Nederlandse vakantieleergangen mag niet los gezien worden van de Vlaams-katholieke bewustwording op het einde van de 19e eeuw. Hoewel Emiel Vliebergh het boegbeeld en het trekpaard was in de beginfase, was het Frans Van Cauwelaert die de eerste stuwende kracht ervan was. Van Cauwelaert zette zich immers vanuit het universitair milieu en vanuit de politiek in voor meer Vlaams bewustzijn. Hij was in Vlaanderen overbekend om zijn “gevatheid en toverkracht van zijn redenaarstalent” (L.Wils).

Eind september 1906 werden naar de directeurs van de bisschoppelijke colleges bisschoppelijke instructions gestuurd, die het Nederlands als vaktaal mogelijk maakten of zelfs stimuleerden. Het middelbaar onderwijs (vandaag: het ASO) was in Vlaanderen tot ver in de 19e eeuw volledig Franstalig. De bisschoppelijke brief stond dus een beperkt gebruik van het Nederlands toe, maar de leraren zelf hadden hun vakken nooit in het Nederlands geleerd.

In die geest werden de Nederlandse vakantieleergangen in 1907 in Leuven opgericht om de leraren van het middelbaar onderwijs via nascholing te helpen om zowel de vakinhoud als de –taal in het Nederlands te verbeteren. De stichters waren F. Van Cauwelaert, E. Vliebergh, A. de Cock, L. Scharpé en J. Kleyntjens. Voorzitter Vliebergh verduidelijkte de doelstellingen: leraren vertrouwd maken met het gebruik van het Nederlands in de diverse wetenschappen, het actualiseren van het wetenschappelijk onderricht met de hulp van de universiteit, alsook het bevorderen van de onderlinge contacten tussen de leraren in Vlaanderen. Aanvankelijk werden alleen mannelijke leraren uitgenodigd. Vrouwelijke leraren moesten nog wachten tot 1909 vooraleer voor hen afzonderlijke analoge lessen zouden worden gegeven.

Tijdens de leergangen werden tevens culturele activiteiten voorzien: een gezellige liederenavond verzorgd door de Vlaamse Kunstkamer, alsook een avond met gezongen en gesproken gedeelten uit Onze Lieve Vrouwe kruisklachten op basis van handschriften uit de 15e eeuw. Elke avond genoten de deelnemers van een praatuurtje en op vrijdagavond van een gezellig samenzijn. Een gelijkaardig stramien zou decennialang aangehouden blijven.

 

De laatste week van augustus was de traditionele Vlieberghweek, die gedurende de eerste 50 jaar uitgroeide tot een jaarlijks ontmoetingsforum van leraren uit heel Vlaanderen, slechts onderbroken door de Eerste en Tweede Wereldoorlog.

Het streven naar een adequate invulling hield een evolutie in, gaande van aanvankelijk losse onderwerpen met gelegenheidssprekers (vaak uit Nederland) naar meer gestructureerde en vakgerichte thema’s. De week begon met een ‘algemene dag’; de volgende dagen werden besteed aan de activiteiten per afdeling. Zo werden de leergangen gegroepeerd in Algemene lessen (over school, opvoedkunde, zedenleer, godsdienst, kunst …), Middelbaar onderwijs (oude talen, geschiedenis, Nederlands, natuurkunde …), Lager onderwijs (rekenen, psychologie). En naast de vakinhouden kreeg ook de vakdidactiek meer aandacht. Die verruiming ging in de beschouwde periode gepaard met een naamswijziging: de Nederlandse vakantieleergangen werden Vlieberghleergangen.

De Vlieberghleergangen werden in het interbellum in hoge mate gestuwd door Jozef Sencie, die al bij het heropstarten na de Eerste Wereldoorlog tot het inrichtend comité behoorde. In 1925 volgde hij Emiel Vliebergh op als voorzitter na diens overlijden. Na zijn overlijden in 1941 kregen de leergangen de naam van de eerste twee voorzitters: Vliebergh-Sencieleergangen. Vliebergh en Sencie, het ging om eenzelfde leiding, hetzelfde doel, dezelfde gedrevenheid. Een universiteitsprofessor had volgens Sencie een bredere taak dan onderzoek te verrichten in een labo, op het terrein of in de bibliotheek. Hij moest ook de wetenschap ‘vertalen’ en uitstralen naar de samenleving, omdat daardoor de Leuvense universiteit een fundamentele zending vervulde: sociaal en Vlaams.

Ondertussen was, door de geleidelijke groei van de Nederlandstalige afdeling aan de universiteit Leuven, de oorspronkelijke flamingante doelstelling op de achtergrond geraakt. De aandacht verschoof volledig naar de inhoudelijke en didactische nascholing van leraren.

 

De schoolstrijd van de jaren vijftig eindigde in 1958 met het Schoolpact, dat een betere subsidiëring van de vrije scholen bracht, maar tevens strengere eisen stelde inzake lerarendiploma’s en school- en afdelingsnormen. De groeiende interesse voor universitaire nascholing, zowel op het didactische als op het inhoudelijke vlak, was er een rechtstreeks gevolg van. Dit leidde tot een boomperiode van de Vliebergh-Sencieleergangen.

De vakoverschrijdende algemene lessen speelden in op de actualiteit en op het nieuwe leraren-profiel. Anderzijds zorgden de diverse afdelingen voor een steeds ruimer aanbod, dat meer en meer een gestructureerde uitdieping werd van een thema.

De afdelingen met van jaar tot jaar steeds beter gevulde programma’s waren in deze periode: Bijbel en catechese, Moderne talen, Klassieke Talen, Geschiedenis, Aardrijkskunde, Biologie, Natuurkunde, Wiskunde en Scheikunde. Ook Pedagogische wetenschappen en het Normaalonderwijs waren vertegenwoordigd. De nascholingsactiviteiten werden over heel Vlaanderen bekendgemaakt en met zorg werden de inschrijvingen en de financies bijgehouden. Zo groeiden de Vliebergh-Sencieleergangen uit tot een vast begrip.

 

Vanaf de jaren zeventig met de invoering van het VSO begon een periode van loutering voor de Vliebergh-Sencieleergangen. De nieuwe pedagogische inzichten en vooral de formulering van doelstellingen zouden van de leraren veel inspanning vergen, terwijl de complexiteit van de comprehensieve structuur en van de administratieve rompslomp al veel extra tijd opslorpte. Geleidelijk aan ging het lerarenkorps dat als erg belastend ervaren, terwijl de economische crisis, de beperkte financiële middelen, de competitie op de arbeidsmarkt, de toenemende secularisatie en de groeiende discrepantie tussen de waardepatronen van de maatschappij en die van het VSO grote weerstanden tegen die onderwijsvernieuwing opriepen. Een diepgaande bezinning kwam op gang. De noodzaak aan meer en grondiger nascholing was hiervan een rechtstreeks gevolg. Binnen de school werd een nauwe samenwerking tussen de leraren vereist met tevens accenten op vakoverschrijdende en meer maatschappijgerichte inhouden. Ook de overheid wenste een intensere begeleiding. Een veelvuldige nascholing werd op de school of per regio uitgebouwd, wat evenwel de nascholing over nieuwe wetenschappelijke inzichten in verdrukking bracht. Dat hebben de meer vakinhoudelijk georiënteerde Vliebergh-Sencieleergangen ervaren. De activiteiten van het Vliebergh-Senciecentrum stonden na een tijd wat verloren tussen die van de vele nascholingscentra die als paddenstoelen uit de grond waren geschoten sinds het Ministerie voor nascholing belangrijke kredieten vrijmaakte.

De nood aan continue vorming (inservice training) begon zich meer en meer af te tekenen. Tot dan toe bestond nascholing vooral uit ‘eenmalige’ informatie, gericht op de autonoom functionerende leraar in zijn klas, terwijl de nieuwe leersituatie ook samenwerking, vakoverschrijdend en schoolgericht is. De beroepsvervolmaking diende dus bijgestuurd te worden: structureel ingebouwd in de onderwijsvoorziening met mogelijkheden voor de hele school, gericht zowel op de noden van het lerarenteam als op de pluriforme noden van de individuele leraar.

 

Komt de universiteit bij de nascholing in het secundair onderwijs nog te pas? Een grondig gewetensonderzoek binnen het VSC leidde in 1974 tot een voorstel ‘tot oprichting van een didactisch centrum KU Leuven’, dat niet langer uitsluitend gebaseerd zou zijn op vrijwilligers-idealisten, maar erkend als een meetellende leeropdracht en ondergebracht in een volwaardig onderdeel van de universiteit. Behalve de in 1978 opgerichte Interfacultaire Commissie voor de Aggregatie, ICA genoemd die zonder veel slagkracht moest werken, bleef het voorstel van 1974 dode letter. ICA moest de band leggen tussen aggregatie (initiële opleiding) en nascholing (in-service training). Mede dankzij de bezielende inzet van enkele leden kon de universitaire lerarenopleiding en de daarmee samengaande in-service training (concreet het VSC) enigszins uit de vergetelheid worden gehaald.

In de periode vanaf de jaren zeventig heeft het VSC de decennialange traditie voortgezet om nascholing op hoog niveau aan te bieden aan onderwijsverantwoordelijken en aan leraren van het secundair en het hoger onderwijs. Het accent lag praktisch uitsluitend op de vakgerichte nascholing. Vanaf 1976 werd de traditie van een Vlieberghweek op het einde van augustus doorbroken, doordat meer en meer afdelingen activiteiten wensten te organiseren tijdens het schooljaar.

De decreten en besluiten van de Vlaamse Executieve van 1989 hebben een organiek kader geschapen dat de noodzaak aan nascholing en de financiering ervan erkent. De universitaire nascholing zoals die georganiseerd werd door VSC, gebaseerd op de inzet van vrijwilligers-idealisten binnen de universiteit, viel buiten deze decretaal gesubsidieerde projecten.

 

Sinds 1993 maakt VSC deel uit van het Academisch Vormingscentrum voor Leraren (AVL) van de KU Leuven. AVL omvat vooreerst de initiële academische lerarenopleiding. VSC had als taak de nascholing van universitair gevormde leraren van alle disciplines binnen de KU Leuven te verzorgen.. Aan het einde van de vorige eeuw koos de Vlaamse overheid ervoor om aan alle scholen een budget voor nascholing toe te kennen zodat ze zelf de nascholing konden kopen die aan hun lokale ontwikkelingsbehoefte beantwoordde (enveloppefinanciering). Als gevolg daarvan ontwikkelde er zich tijdens het eerste decennium van de 21e eeuw in Vlaanderen een heuse nascholingsmarkt.

Omwille van deze ontwikkelingen, maar ook vanuit vernieuwde inzichten uit onderwijskundig onderzoek over professionalisering van schoolteams en de behoefte om de universitaire nascholing duidelijker te positioneren in het Vlaamse onderwijslandschap, gaf Geert Kelchtermans, hoogleraar Pedagogische Wetenschappen, bij zijn aantreden als nieuwe voorzitter  in 2009 de impuls tot een proces van herstructurering en herprofilering. Dit mondde uiteindelijk in 2011 uit in vernieuwde doelstellingen, een hervormde organisatiestructuur én een nieuwe naam,  Leuvens Universitair Centrum voor Onderwijsgerichte Nascholing of LUCON.