Startpagina - Algemeen - Actualiteit - Dossiers - Augustinus - Kan ik het allemaal wel op mijn eentje doen?
print deze pagina af voeg deze pagina toe aan je favorieten e-mail deze pagina Klik hier om in te loggen Guided Tour

Kan ik het allemaal wel op mijn eentje doen?

Augustinus’ persoonlijke zoektocht in zijn Confessiones: de ontdekking van de genade.


De oudste afbeelding van Augustinus

!Zie ook: Gaby Quicke (2007), Augustinus, een reisverhaal. Halewijn, 128 p. (ISBN: 978-90-8528-052-1)

Inhoud

I. Beginsituatie

Tijdens een zware examenperiode krijg je het gevoel dat het je allemaal te veel wordt. Je krijgt ruzie met een vriend en het lukt maar niet om het terug goed te maken. Soms kan je het gevoel hebben dat de anderen je niet begrijpen. Je bent ongelukkig en verdrietig en hebt het gevoel dat je jouw vroegere geluk niet meer kunt terugvinden. Soms ervaar je met andere woorden dat je de controle over je eigen leven verliest, dat je geen overzicht meer hebt over je leven, dat je het niet meer volledig in handen hebt. Een meer fundamentele vraag is of we het leven ooit wel volledig in handen hebben gehad, ooit wel volledig onder onze controle hadden.

Volkswagen ontslaat een deel van zijn arbeiders. De zoveelste massale ‘afslanking’ op een rij. Van vandaag op morgen staat een arbeider op straat, is voor zijn gezin alle zekerheid weggeslagen. Men is nooit 100 % zeker wat de toekomst gaat brengen. Blijkbaar heeft men het eigen leven niet helemaal in handen. Een plots ontslag, een ongeval, een onverwachte ziekte … zijn negatieve voorbeelden van het feit dat men het leven niet volledig zelf controleert.

Er zijn natuurlijk ook positieve illustraties van dat onverwachte, van dat oncontroleerbare van het leven en dat hoeft niet onmiddellijk het winnen van de lotto te zijn. Een eerste verliefdheid doet je volledig het noorden verliezen. Je kan een hobby ontdekken waarin je volledig opgaat. Je vindt een ideaal die je leven richting geeft. Een toevallige ontmoeting op vakantie wordt een levenslange vriend. Een toevallig gesprek met iemand of het per toeval lezen van een boek kunnen je beroepskeuze beïnvloeden.

Er zijn vele voorbeelden die tonen dat we ons leven niet altijd zelf van a tot z (kunnen) bepalen. Hierbij komt de vaststelling dat we vele elementen in ons leven hebben gekregen, hebben ontvangen. Zo hebben we bijvoorbeeld op de eerste plaats het leven zelf van onze ouders gekregen. Daarenboven zijn er momenten waarop we van anderen voor ons leven afhankelijk zijn: wie ziek, oud, ongelukkig is, heeft de steun, zorg, verzorging en hulp van anderen nodig. Wat ons leven bovendien betekenisvol maakt en diepgang geeft – vriendschap, liefde, geluk – heeft dikwijls ook het karakter van een gave, van een gift. Dikwijls zijn deze geschenken niet een kwestie van ‘voor wat, hoort wat’, iets wat je automatisch verdient als je er maar voor werkt. Nee, aan vriendschap, liefde, geluk moet je natuurlijk werken, maar fundamenteel hebben ze een gratuïteit: je krijgt ze steeds gratis, ‘onverdiend’, zonder bijbedoelingen. ‘Gratis’ is etymologisch verwant aan het Latijnse woord ‘gratia’, genade. Men kan dus eigenlijk zeggen dat het leven een ‘genadekarakter’ heeft. Genade staat voor het geschenk van het leven, voor alles wat ons in het leven gegeven wordt.

II. Hermeneutische knooppunten

De vraagstelling: autonomie of heteronomie


Postzegel uit Algerije: beeldje voorstellend de jonge Augustinus

Eén van de meest fundamentele menselijke vragen is: kan ik alles in mijn leven volledig op eigen kracht verwezenlijken? Deze vraag stond centraal vanaf het moment dat de mens over zijn eigen bestaan begon na te denken. Voor filosofen is het een kernvraag tot op vandaag. Filosofisch wordt deze vraag als volgt omschreven: is de mens autonoom of heteronoom? De termen ‘autonoom’ en ‘heteronoom’ komen uit het denken van de Griekse filosofen. Autonomie is afgeleid van autos (eigen) en nomos (wet): de mens is in staat om zichzelf de wet te stellen. Dit wil zeggen dat de mens volledig onafhankelijk en zelfstandig is, dat de mens niets of niemand anders nodig heeft. De mens bepaalt met andere woorden het leven louter uit zichzelf. Heteros nomos staat voor het tegendeel: de wet wordt door een ander bepaald, wordt door een ander gegeven aan de mens. De mens kan dus niet leven zonder de hulp van een ander. De mens is afhankelijk. Deze fundering vanwege en door een andere en de daarmee gepaard gaande gerichtheid op een andere wordt, vanuit het Latijn, benoemd als ‘alteriteit’ (alter: Latijn voor andere). Doorheen de geschiedenis van de mensheid hebben de verschillende godsdiensten zich ook gebogen over deze vraag. Godsdiensten denken immers fundamenteel na over de mens, meer specifiek over de verhouding tussen de mens en het goddelijke. Dat godsdiensten nadenken over die verhouding onthult dat zij principieel kiezen voor de heteronomie-gedachte, de alteriteitsoptie. De kern van het godsdienstige denken is immers juist dat het goddelijke precies die/dat andere is die/dat voor de mens de wet bepaalt. Het andere – een persoonlijke god of een hoogste beginsel – helpt de mens, is nodig voor de mens om ten volle te kunnen leven. Die hulp van ergens/iemand anders wordt door de godsdiensten en hun theologen aangeduid met de term ‘genade’. Augustinus van Hippo is één van de belangrijkste grondleggers van de christelijke invulling van dit concept ‘genade’. Hiervoor put hij uit de relationele godsopvatting van het christendom en de bijbelse traditie. Augustinus staat bekend onder de Latijnse titel ‘doctor gratiae’, ‘de leermeester van de genade’. Die leer (doctrine, uitgewerkte theorie, gestructureerd schema, stellingen) over de genade ontwikkelde hij vanuit zijn persoonlijke levenservaring. Dat is het onderwerp van dit hoofdstuk: samen met Augustinus, vanuit zijn persoonlijke zoektocht, komen tot een omschrijving van de christelijke betekenis van genade.

Hermeneutisch knooppunt 1: Wat zijn de mogelijkheden van de mens?

  1. Staat de mens alleen in de wereld, kan en mag de mens alles?
  2. Of is de mens begrensd in zijn mogelijkheden en handelingen en heeft de mens zelfs hulp nodig?
  3. Ligt de klemtoon in het leven op mezelf, de ander of op een evenwicht tussen mezelf en de ander? Heb ik genoeg aan mezelf, is de ander niet van tel? Moet ik alles richten op de ander en mezelf verwaarlozen? Moet ik een evenwicht betrachten in het zorgen voor de ander en voor mezelf?

(Cf. II. 1. De vraagstelling: autonomie of heteronomie)

Hermeneutisch knooppunt 2: Waaruit bestaat ons leven? Hoe beleven we ons leven?

  1. Is het een chronologische lijst van feiten en gebeurtenissen? Of is het eerder een verhaal van ontmoetingen, gezichten, gesprekken, relaties?
  2. Kunnen we zeggen dat er een verschil van beleving is van dezelfde gebeurtenissen op het moment dat we ze meemaken en als we er een aantal jaren later op terugblikken?
  3. Heb ik in mijn leven zelf alles in de hand en bepaal ik alles bewust wat met mij en rond mij gebeurt? Soms hebben we daarentegen het gevoel dat we niet altijd te kiezen hebben, dat een aantal dingen ons overkomen en zelfs overvallen. Kunnen we zeggen dat wat ons overkomt ons leven voor ons bepaalt?
  4. Kunnen we claimen dat we al het mooie in ons leven zelf bewerkstelligd of gemaakt hebben? Of zijn er momenten van geluk en schoonheid die niet volledig ons werk zijn maar die ons gegeven en geschonken zijn?
  5. Is er een verschil tussen weten en willen: tussen weten wat je moet doen en het ook daadwerkelijk doen?

(Cf. III. 3. Augustinus’ Confessiones: een persoonlijke interpretatie van zijn leven)

Is innerlijke rust in onze wereld, onze tijd mogelijk? De wereld  rondom verandert snel, verandert voortdurend. Kijken we maar naar modetrends, naar de evoluties in de informaticawereld. Een ander kenmerk van onze tijd is de veelheid van keuzes die mensen voortdurend maken – kunnen, mogen, moeten maken. Wat eten we vandaag, welke vakantie neem ik, … Welke studies doe ik, welk beroep kies ik, … Is het mogelijk om in die veelheid, snelheid en veranderlijkheid rust te vinden?

  1. Kan men zeggen dat men in die veranderende veelheid geen rust kan vinden daar rust te maken heeft met onveranderlijkheid, eenvoud?
    1. Of is rust veeleer het zich niet aangedaan, niet geraakt weten door die verandering en veelheid: zichzelf kunnen standhouden in die drukke wereld of op zijn minst op sommige momenten op een pauzetoets kunnen drukken?
  2. Voortdurend onstaan er nieuwe ‘onthaastingsprojecten’: plattelandsvakanties, yoga, met de fiets naar het werk, … Beantwoorden die projecten aan hun bedoeling? Of behoren deze ‘onthaastingsstrategieën’ ook al weer niet tot die snel veranderende wereld met zijn steeds uitbreidend keuzepakket?
  3. Kan het ook niet zijn dat rust eerder niet in die buitenwereld gevonden wordt, maar eerder te maken heeft met een innerlijke toestand van de mens: terugkeren en inkeren in zichzelf, daar een innerlijke rust vinden en vanuit die innerlijkheid versterkt en rustig terugkeren naar de buitenwereld?
  4. Is het mogelijk dat de mens zich inkeert, op zoek gaat naar zijn innerlijkheid? Zo ja, wat gebeurt er in die verinnerlijkingsbeweging? Is het nodig dat de mens dit doet? Waarom? Hoe kan de mens zich verinnerlijken, op zoek gaan naar de innerlijke kern? Kan de mens dit alleen of is hierbij hulp nodig? Wat is het gevolg hiervan: gebeurt er iets met de mens die zijn innerlijk ontdekt heeft? Verandert de verinnerlijkte mens zijn leven?

(Cf. III. 4. Augustinus’ denken over bekering)

Hermeneutisch knooppunt 3: Wat is de structuur van ons leven?

  1. Is ons leven een continuïteit, een flux? Loopt alles gewoon door waarbij ik bepaal hoe alles verloopt? Of heb ik geen invloed op wat rondom mij gebeurt maar heeft wat rondom mij gebeurt tegelijk ook geen invloed op mijn leven?
  2. Bestaan er daarentegen keerpunten in mijn leven: gebeurtenissen die een ommezwaai betekenden in mijn leven en die mijn leven veranderen? Kunnen gebeurtenissen ons leven veranderen? Heb ik dan mezelf veranderd of hebben de gebeurtenissen mij veranderd, of is het veeleer een combinatie van beide factoren? Kan ik mezelf wel veranderen en is verandering mogelijk? Welke rol spelen andere mensen hierin?
  3. Kan de mens altijd hetzelfde blijven? Of zijn er veeleer momenten dat de mens moet veranderen, dat de mens niet dezelfde mag blijven? Dit gaat dan over momenten waarop iemand vastzit in een negatieve situatie, zoals bijvoorbeeld een verslaving, verdriet, depressie. Kan de mens volledig zelf die verandering tot stand brengen? Of kunnen dit momenten zijn waarop de mens ervaart dat hij moet veranderen maar dat hij dit zelf niet kan, dat hij geholpen moet worden bij die verandering, zoals bijvoorbeeld een verslaafde die begeleiding nodig heeft om af te kicken?
  4. Verandering binnen het menselijk leven (bekering) situeert zich dus binnen het spanningsveld van autonomie en heteronomie: keuze en bepaaldheid, kunnen en niet-kunnen, vrijheid en onvrijheid, eigen initiatief en hulp van anderen.

(Cf. III. 4. Augustinus’ denken over bekering)

Hermeneutisch knooppunt 4: Wat is vriendschap, wat is liefde?

  1. Kan je al de redenen opsommen waarom iemand je vriend is, waarom je iemand liefhebt? Kan dat ‘mathematisch’ uitgedrukt en berekend worden? Of is er eerder iets on(be)noembaars? Iets dat je wel weet en voelt maar niet in woorden kunt uitdrukken? Wat is het belangrijkste: het uiterlijke of het innerlijk van je vriend, van je geliefde?
  2. Kun je in een vriendschaps- en liefdesrelatie alles bepalen en regelen? Of is er iets dat aan onze controle ontsnapt, dat ons overkomt buiten en ondanks onszelf?

(Cf. III. 5. Augustinus’ denken over vriendschap)

Wat is genade?

  1. Zie (I.) de beginsituatie voor de omschrijving van genade als een onverdiende gave.
  2. Zie (II. 1) de vraagstelling autonomie en heteronomie en zie uitdrukkelijk vanuit dit onderscheid al de voorgaande hermeneutische knooppunten als een spanningsveld tussen de wens van de mens om alles zelf te doen en de vaststelling dat er steeds een andere nodig is.
  3. Het woord ‘overgave’ betekent niet alleen dat een verliezer zich overgeeft aan de winnaar. Het kan ook staan voor ‘ijver, toewijding’, zoals bijvoorbeeld in de volgende zin: ‘de moeder zorgde vol overgave voor haar zieke kind’. Een ietwat oudere betekenis van het woord is het toegeven aan iets dat op een (positieve of zelfs negatieve) wijze groter en sterker is dan mezelf: een kunstenaar geeft zich over aan de kunst, een verslaafde geeft zich over aan zijn verslaving, verliefde mensen geven zich over aan de liefde, een zelfmoordterrorist geeft zich over aan de zaak waar hij voor strijdt, een ontwikkelingshelper geeft zich over aan zijn ideaal. In de positieve zin, zoals in liefde en vriendschap, betekent overgave het zich volledig toevertrouwen aan iets dat het eigen leven overstijgt en zo het eigen leven betekenis geeft. In deze zin was Augustinus’ bekering een overgave: hij gaf zich over aan iets dat krachtiger was dan hemzelf en dat zo zijn leven (een nieuwe) richting gaf. Het woord ‘overgave’ bestaat uit twee onderdelen. ‘Over’ heeft de betekenis: ‘dat wat me overstijgt, wat me te boven gaat, wat me voorafgaat, wat ik zelf niet bewerkstellig, wat ik ontvang’. Dit laatste is verweven met de betekenis van ‘gave’: datgene wat een ander aan me geeft, me schenkt. Het woord ‘vergeving’, bestaande uit twee gelijkaardige bestanddelen (‘over’=‘ver’/‘gave’=’geving’), is heel verwant met het woord ‘overgave’ qua betekenis en inhoud. Vergeving kan je zelf niet tot stand brengen, moet en kan je alleen maar ontvangen van iemand anders. Bij overgave en vergeving staat het gave-karakter trouwens voor iets dat je zowel gratis (onverdiend) als overvloedig krijgt. Het theologisch woord voor een gave in overvloed en in gratuïteit is ‘genade’.
    1. Ben ik steeds de sterktste, de grootste, volledig iedereen en alles de baas? Of zijn er elementen en momenten van overgave in ons leven die getuigen van iets groters, iets sterkers?
    2. Heb ik in mijn leven niets van een ander nodig, heb ik geen behoefte aan iets dat me gegeven wordt? Of zijn er ook momenten van gave en zelfs geschenken waarvoor we zelf niet gewerkt hebben?
    3. Kunnen we in het leven alles aan onszelf geven? Of zijn er momenten waarop gave noodzakelijk is zoals bijvoorbeeld in de betekenis van vergeving? Zijn we autarkisch, hebben we genoeg aan onszelf? Of zijn we daarentegen fundamenteel afhankelijk van de gaven van anderen, van iets dat ons overstijgt en voorafgaat?

(Cf. III. 6. Besluit: Genade als leessleutel)

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

III. Achtergrondinformatie

1. De situering: de tijd waarin Augustinus leefde

Woelig. Dit is de beste omschrijving voor de tijdsperiode en het leven van Augustinus. Op politiek gebied stond het eens almachtige West Romeinse Rijk op instorten. Het Romeinse leger was niet meer in staat om de barbaarse stammen buiten de grenzen van het rijk te houden. De barbaren trokken het rijk binnen om zich daar te vestigen, wat niet altijd geweldloos gebeurde. Triest hoogtepunt hiervan was de verovering van Rome door de goten in 410. Dit was voor de mensen van die tijd een schok, erger nog dan 9/11. Het ondenkbare was gebeurd. Het West Romeinse Rijk - met zijn centraal bestuur, efficiënte structuur en georganiseerde vrede - was op zijn einde. De val van Rome was hiervan de ultieme bevestiging. Dit bracht enorme immigratiegolven teweeg. Velen vluchtten naar het N.-Afrika van Augustinus. Dit was echter ook maar een kort uitstel. Zo werd Hippo, de bisschopsstad van Augustinus zelf, belegerd door de Vandalen op het moment dat hij in 430 op zijn sterfbed lag. Deze politieke instabiliteit werd nog verergerd door godsdienstige strubbelingen. Het christendom was toentertijd allesbehalve een evidentie. Ten eerste was het heidendom nog niet verdwenen. Ofschoon de tijd van de christenvervolgingen voorbij was, reageerden de heidenen op intellectueel gebied tegen de christenen. Ze verweten aan de christenen bijvoorbeeld dat de val van Rome de straf van de goden was voor het verlaten van de heidense staatsgodsdienst. Ten tweede was het christendom intern sterk verdeeld. Er waren verschillende stromingen en opvattingen binnen het christendom die sterk uiteenliepen – veelal over de (goddelijke en menselijke) aard van Christus – en dikwijls (ook letterlijk) met getrokken messen tegenover elkaar stonden. Het waren met andere woorden onzekere en onrustige tijden. Onrust was ook kenmerkend voor het leven van de jonge Augustinus. Augustinus vindt echter rust op een keermoment in zijn leven. Dat is precies het verhaal van zijn persoonlijke ervaring van genade.


Val van Rome

Historisch gezien leefde Augustinus op de overgang tussen de antieke en Middeleeuwse wereld. De Romeinse wereld stort in, maar de christelijke Middeleeuwen met een eenheidschristendom en een sterke kerkelijke structuur zijn nog niet aangebroken.  Rome was met andere woorden niet meer het centrum van de keizerlijke macht van het verleden en was ook nog niet het centrum van het latere machtige pauselijke gezag. Augustinus is in deze context zelf een overgangsfiguur: op intellectueel gebied sloeg hij de brug tussen de erfenis van vele eeuwen wijsbegeerte en cultuur van de antieke heidense Oudheid en de christelijke Middeleeuwen. Hij stelde namelijk die wijsbegeerte en cultuur ten dienste van het christendom, als hulpmiddel om de christelijke theologie uit te bouwen. Zodoende bewaarde hij de antieke cultuur en wijsbegeerte voor het nageslacht en legde hij de grondslag voor het theologisch denken van de Middeleeuwen tot op vandaag.


De begrafenis van Augustinus

Achtergrondliteratuur: zie VI. Bibliografie en beeldmateriaal

2. Het kader: het leven van Augustinus

Augustinus werd op 13 november 354 geboren te Thagaste (het huidige Soukh-Ahras, in Algerije), in Noord-Afrika, een provincie van het Romeinse Rijk. Zijn vader Patricius was niet onbemiddeld, maar ook niet rijk. Hij was een Romeinse staatsburger, maar hoorde niet tot de rijke elite. Patricius was een heiden, die zich slechts op zijn sterfbed liet dopen. Augustinus’ moeder, Monnica, was daarentegen een vrome katholieke vrouw. Zijn vader en moeder hadden Augustinus voorbestemd voor een carrière binnen het Romeinse Rijk. Augustinus studeerde daarom rhetoriek (welsprekendheid) en werd later leraar in die discipline. Hij was leraar in de rhetoriek in Thagaste, in Carthago (de hoofdstad van de Afrikaanse provincie), in Rome en in Milaan  (de hoofdstad van de keizerlijke hofhouding).


Augustinus als onderwijzer in de rethorica

Op zijn 18 jaar leest Augustinus het geschrift Hortensius van Cicero. Cicero schrijft dat alle mensen geluk zoeken en de filosofie de levenswijze is om waarheid te zoeken. Deze oproep tot het vinden van waarheid en geluk opent voor Augustinus een levenslange zoektocht.

Om waarheid en geluk te vinden neemt Augustinus in een eerste stap het geloof van zijn moeder onder de loep. Heel snel verwerpt hij dat. Zijn bezwaar tegen het christendom lag voornamelijk in de Schrift, in de Bijbel. De bijbelversie die Augustinus kende, vanuit het Grieks naar het Latijn vertaald, was dikwijls gebrekkig vertaald, veelal in een onbeholpen taal en stond vol inconsequenties. Lezen van de Schrift tipte volgens Augustinus niet aan de literaire stijl van Cicero. Bovendien had hij moeilijkheden met de inhoud van bepaalde delen van het Oude Testament, waarin hij bijvoorbeeld een gewelddadige God dacht te lezen. Daarom wees hij deze vorm van het christendom aanvankelijk af.

Vervolgens zocht hij zijn heil bij het manicheïsme. Het manicheïsme verworp het Oude Testament en gaf een heel strikte interpretatie van het Nieuwe Testament. Augustinus liet zich vooral aantrekken door de belofte dat het manicheïsme een volledig rationele verklaring kon geven van de wereld, zonder daarvoor geloof te moeten eisen. Ze zouden alles kunnen bewijzen en het was nergens nodig om iets onbewijsbaars aan te nemen, om te geloven. Als intellectueel vond Augustinus het geloof van zijn moeder toch wat te eenvoudig. Bovendien beweerde het manicheïsme een oplossing te hebben voor het probleem van het kwaad. Augustinus worstelde met dit probleem: hoe kan de aanwezigheid van het kwaad binnen de wereld verklaard worden? Volgens het manicheïsme bestaan er twee eigenstandige en even krachtige principes in de wereld: het goede en het kwade. Er is met andere woorden een dualisme: twee goden, een goede en een slechte god. Al het goede (gelijkgeschakeld met het geestelijke, het immateriële) komt van de goede god, al het slechte (het lichamelijke, het materiële) van de slechte god. Beide krachten vechten hun strijd uit in de wereld en bij uitstek in de mens. De mens bestaat immers uit lichaam (afkomstig van het kwade) en ziel (afkomstig van het goede). Gevolg van dit schema is dat de mens zelf geen verantwoordelijkheid draagt voor het kwade, het slechte. Al wat kwaad is, komt immers van de kwade god. Augustinus blijft ongeveer 9 tot 11 jaar lid van het manicheïsme.

Augustinus kwam echter tot de conclusie dat de aanhangers van het manicheïsme hun claim niet konden waarmaken: ook zij eisten dat men hun basisaannames geloofde daar die op zichzelf niet rationeel te gronden waren. Voor een korte periode verwijlt Augustinus bij het scepticisme: niets kan voor zeker aangenomen worden. Augustinus verlaat dit denkspoor heel snel vanwege de innerlijke tegenstrijdigheid. Het stellen dat alles onzeker is, is eigenlijk opnieuw het introduceren van een zekerheid (nl. van de onzekerheid van alles).


Augustinus luistert naar de preken van Ambrosius

Op dit moment in zijn intellectuele evolutie, bevindt Augustinus zich in Milaan. Langzaam aan vindt hij antwoorden op zijn vragen. Dikwijls gaat hij luisteren naar de preken van de bisschop van Milaan, Ambrosius.
In die preken hanteert Ambrosius de allegorische interpretatiemethode van het Oude Testament: de moeilijke en schijnbaar tegenstrijdige Schriftpassages moeten niet letterlijk gelezen worden, maar figuurlijk. De  ‘geestelijke’ betekenis van een tekst ligt verborgen onder de  ‘letterlijke’ tekstpassages.
Ook geeft Ambrosius een gedeeltelijke oplossing voor het probleem van het kwaad: de vrije wil van de mens is de oorzaak van het kwaad. In tegenstelling met het manicheïsme legt Ambrosius de verantwoordelijkheid voor het menselijk kwaad bij de mens zelf. Er is maar één God en die is goed. Het kwaad is de verantwoordelijkheid van de mens. Wat is dan de aard van dat kwaad? Als God alles wat is, geschapen heeft, is Hij dan toch ook niet de oorzaak van het kwaad? Voor dit dilemma vindt Augustinus een oplossing in de kring van neo-platonici (denkrichting die teruggrijpt naar de ideeën  van Plato) die in Milaan leven. Zij leggen hem uit dat de aard van het kwaad juist het ‘niet-zijn’ is. God is goed en alles wat God gemaakt heeft is goed. Alles wat is, is geschapen door de goede God en is bijgevolg goed. Zijn en goed-zijn vallen dus samen. Het kwade is echter juist de afwezigheid van het goede, bijgevolg de afwezigheid van zijn. Het kwaad is pure negativiteit, is het volledige ‘niets’ zonder zelf ook maar iets te zijn, heeft geen bestaansgrond in zichzelf. Het is enkel en alleen de afwezigheid van het goede.

Alle hindernissen zijn voor Augustinus nu weggenomen. Hij ziet intellectueel in dat de waarheid enkel binnen het Christendom kan gevonden worden. Hij laat zich vervolgens dopen door Ambrosius en verandert zijn levensstijl. Hij bekeert zich ten gronde.


Augustinus wordt gedoopt door Ambrosius

Augustinus keert terug naar Noord-Afrika en sticht een religieuze gemeenschap. Samen met vrienden legt hij zich toe op gebed en studie. Wanneer hij in de basiliek van de havenstad Hippo (het huidige Annaba in Algerije) deelneemt aan een liturgische viering, wordt hij daar door de bisschop Valerius gevraagd om hem bij te staan in zijn bisschopsambt. Augustinus wordt priester gewijd en enkele jaren later bisschop en volgt Valerius bij diens dood op.


Augustinus wordt tot bisschop gewijd

Augustinus blijft bisschop van Hippo tot aan zijn dood op 28 augustus 430. Als bisschop stelt hij zijn leven ten dienste van de Kerk. Hij zet zich in voor zijn eigen lokale kerkgemeenschap te Hippo: hij preekt, spreekt recht, zorgt voor de armen, … Hij vestigt rond zijn basiliek ook een religieuze gemeenschap: celibataire mannen die samenleven, zich wijdend aan studie, gebed en dienstverlening. Augustinus woont in die religieuze gemeenschap. Hij zet zich ook in voor de universele Kerk. Hij reist, schrijft brieven, neemt deel aan concilies en hamert vooral op de eenheid van de Kerk (door te reageren tegen afscheuringen en afwijkende interpretaties zoals het donatisme en pelagianisme). Bij dit alles is hij ook nog een onverdroten schrijver, die een heel groot corpus achterliet waarin hij schreef over allerhande essentiële filosofische en theologische vragen, die relevant zijn tot op de dag van vandaag.


Augustinus preekt voor zijn kerkgemeenschap


Augustinus geeft zijn religieuze gemeenschap een samenlevingsregel
 
Achtergrondliteratuur: zie VI. Bibliografie

3. Augustinus’ Confessiones: een persoonlijke interpretatie van zijn leven


Manuscriptillustratie: Augustinus aan zijn schrijftafel

In 397 schrijft Augustinus – twee jaar bisschop, zes jaar priester – een boek met de titel Confessiones. Het is doorheen de eeuwen bestudeerd door historici, theologen, filosofen, psychologen, kunstenaars, literatoren, die het omschrijven als een roman, een autobiografie, een zoektocht naar de waarheid, een geschrift met fundamentele vragen over de tijd, de ziel, de kosmos, de dood, het geheugen. Er is veel over geschreven, veel over gediscussieerd.

In de Confessiones beschrijft Augustinus zijn voorafgaandelijke leven tot ongeveer het moment dat hij dat geschrift opstelde. Het is evenwel niet een autobiografie in de strikte zin van het woord. Eerder is het een introspectie-oefening. Augustinus wil zich verdiepen in zichzelf, geestelijk naar binnen keren. Als speleoloog in de grot van zijn binnenste wil hij terugkijken op zijn eigen verleden, zijn verleden als de plaats waar hij God gevonden heeft. Men kan stellen dat het niet zozeer de biografie van de historische figuur Augustinus is maar de biografie van zijn hart. De Confessiones zijn geen gedetailleerd en exhaustief historisch overzicht. Nee, Augustinus herinnert zich precies die gebeurtenissen en momenten waarin en waaruit hij iets over zichzelf en God geleerd heeft. Feiten en gebeurtenissen die volgens Augustinus geen rol spelen in zijn bekering worden door hem niet vermeld. Kort gezegd presenteren de Confessiones een verkenning van het innerlijk van de menselijke geest, van de relatie tussen genade en vrije wil.

Augustinus’ bedoeling is het illustreren van de werkzaamheid van de genade in zijn eigen leven. Hij maakt zijn leven bekend om anderen de genade te leren kennen. Hij spit in zijn eigen zondige verleden, niet om zich in zijn zonden te wentelen maar om God te ontdekken, meer bepaald om te observeren hoe God hem omvormde van een zondaar tot een bekeerling. Augustinus wil zijn dieptepunt verhalen om te tonen dat het God was die hem uit dat dal heeft gehaald. Hierbij beschouwt hij zijn ervaring als symbool en beeld voor de toestand van de volledige mensheid. Hij wil de omwenteling in zijn eigen leven verklaren en duiden, voor zichzelf en voor anderen. Augustinus beschrijft dit als volgt:

Ik vraag u, mijn innerlijke geneesheer, mij duidelijk te maken wat het opbrengt als ik mijn belijdenissen (Confessiones) schrijf voor andere mensen. Want de belijdenissen van mijn vroegere slechtheid, die u hebt kwijtgescholden en hebt toegedekt om mij gelukkig te laten zijn in u, toen u door het geloof en door uw sacrament mijn ziel veranderd hebt – het lezen en horen van die belijdenissen wekt het hart op om niet in wanhoop te blijven slapen en te zeggen ‘Ik kan het niet!’, maar om wakker te worden in de liefde van uw barmhartigheid en in de zoetheid van uw genade, die kracht geeft aan iedere zwakke mens, wanneer die door deze genade zijn zwakheid gaat beseffen. Confessiones X, 3, 4.

Dit besef zit vervat in de dubbele betekenis die de titel in het Latijn heeft. Confessio (meervoud: confessiones) betekent zowel het bekennen van zonden als het lofprijzen van God. Beide aspecten zijn in Augustinus’ boek wezenlijk verbonden. Hij bekent zijn zonden, hij beschrijft zijn dieptepunt. Op het moment dat hij dit boek schrijft, beseft hij dat hij nooit zelf uit dat dal kon geraken. Het feit dat hij er uitgeraakt is, is alleen aan God te danken. Het besef van de eigen zondigheid is verbonden met het inzicht dat God de mens helpt. Het bekennen van de eigen zonden resulteert dus in de lofprijzing van de helpende God. In het Nederlands wordt Confessiones meestal vertaald als ‘belijdenissen’, waarmee vooral verwezen wordt naar het opbiechtend aspect, waardoor de lofprijzende betekenis wat verloren gaat.

De Confessiones zijn opgedeeld in dertien boeken. Boek I tot IX behandelt Augustinus’ verleden tot aan zijn doop in Milaan en de dood van zijn moeder Monnica. Boek X valt samen met het heden. Augustinus geeft hier aan hoe hij God verstaat en zich tot Hem verhoudt op het moment van het schrijven van de Confessiones. Boek XI tot XIII geeft een exegese van het scheppingsverhaal Gn. 1, 1-31.

Nu de achtergrond van Augustinus’ leven en het kader van de Confessiones geschetst is, gaan we op zoek naar de betekenis van genade voor Augustinus. Dit doen we door een lectuur van de Confessiones aan de hand van twee sporen: bekering en vriendschap.

Achtergrondliteratuur: zie VI. Bibliografie


Augustinus schrijft zijn Confessiones

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

4. Augustinus’ denken over bekering

Om duidelijk te maken wat Augustinus denkt over bekering, is het noodzakelijk dat er een aantal Latijnse termen geïntroduceerd worden. Een auteur en zijn ideeën kunnen immers pas volledig gevat worden als men kijkt naar de oorspronkelijke taal, om zo de nuances te kunnen zien die door vertalingen veelal verloren gaan. In een eerste beweging wordt deze Latijnse terminologie en Augustinus’ theorie voorgesteld. Dit zal soms abstract lijken. Daarom komt Augustinus in een tweede beweging zelf aan het woord: hoe omschrijft hij in de Confessiones zelf zijn bekeringservaring. Ten derde kijken we ter verheldering naar een aantal andere voorbeelden.


Augustinus’ doop door Ambrosius met op de achtergrond de bekeringsscène

4.1 Theorie

‘Bekeren’ (convertere) en ‘bekering’ (conversio) betekenen in het Latijn de handeling van een veranderingsproces in het algemeen, van zowel materiële als geestelijke zaken: bvb. de verandering in de stand van de hemellichamen, de wijzigingen in een gesprek. In Augustinus’ persoonlijke levenservaring staat bekering voor de terugkeer van de ziel naar God nadat die ziel God verlaten heeft.

Aversio betekent in het Latijn afwending. Dit betekent voor Augustinus een afwending van God, God verlaten, weggaan van God. Zich afwenden van God is voor Augustinus per definitie zondig. Die periode van zondige afwending noemt Augustinus perversio, het toegeven aan zondige verlangens. De link met het Nederlandse woord ‘perversie’ is gemakkelijk gelegd. In dat dieptepunt kwam Augustinus’ besef van zijn eigen zondigheid. Vanuit dat besef verlangde hij terug te keren naar God. Na die perversio kwam er voor Augustinus de terugkeer naar God: reversio. Conversio kunnen we best letterlijk vertalen met een omwending, een ommedraai, ommekeer: weggedraaid van de zonde, toegedraaid naar God. Om dit te illustreren gebruikt Augustinus in het vierde boek van de Confessiones de parabel van de ‘verloren zoon’ (Lc. 15, 11-32, zie lesimpuls 6, Confessiones I, 18, 28; II, 10, 18; III, 6, 11; IV, 16, 30; VIII, 3, 6-8; X, 31, 45). De jongste zoon bevond zich aanvankelijk in het huis van zijn vader. Die zoon besloot op een bepaald moment om zijn thuis te verlaten met zijn erfdeel en zijn geluk ergens anders te beproeven: aversio. Weg van zijn thuis, gaf die zoon zich over aan feestjes: perversio. Eenmaal de erfenis opgebruikt was, hij zich tevreden moest stellen met het eten van de varkens die hij moest hoeden om te overleven, besefte de zoon hoe goed het bij zijn vader was. Daarom besluit hij naar zijn vader terug te keren: reversio. De zoon stopt met zijn fuifleven en keert terug naar het huis dat hij verlaten heeft: conversio.

Bekering staat dus volgens Augustinus voor een dubbele beweging: een afwending van het lagere (het wereldse en het aardse) en een toewending naar het hogere (God). Augustinus beschrijft in de Confessiones hoe die bekeringsbeweging bestaat uit drie momenten, drie stadia, drie fasen.

  1. Exterior (uiterlijk): Augustinus stelt vast dat God niet te vinden is in de buitenwereld, in het uiterlijke, in alles wat zich buiten en rond de mens afspeelt. God is niet te vinden in het materiële, in het lichamelijke.
  2. Interior (innerlijk): Die vaststelling doet Augustinus in zichzelf keren. Binnen in zijn eigen wezen, in zijn denk- en gevoelswereld, gaat hij op zoek naar geluk en de waarheid. Aangezien God niet buiten te vinden is, moet Hij wel binnen te vinden zijn. Augustinus begint een innerlijke zoektocht naar God. Augustinus omschrijft dit heel kernachtig: ‘Jij was binnen en ik was buiten’ (Confessiones X, 27, 38). ‘God is innerlijker dan mijn meest innerlijke’ (Confessiones III, 6, 11).
  3. Superior (het hogere, de hoogste): Tijdens en via die innerlijke zoektocht ontdekt Augustinus het hogere, nl. dat God zich binnen in de mens vindt. Binnen zichzelf, in het binnenste van de mens, is God te vinden.

Augustinus merkt op dat dit hogere zich altijd al in het innerlijke van de mens bevonden heeft, terwijl de meeste mensen zich van dat hogere hebben afgewend en hun heil in het uiterlijke (en lagere) hebben gezocht. Daarom is bekering een verinnerlijkings- en terugkeerbeweging: het hogere bevindt zich altijd reeds in de mens en het is de mens zelf die dat hogere in het eigen innerlijke verlaten heeft. Die bekeringsbeweging wordt volgens Augustinus volledig bepaald door God. Het is de mens die God verlaten heeft, maar het is God die de mens doet terugkeren naar het innerlijke en God die de mens Hem daar laat ontdekken. Augustinus zal hierbij niet ontkennen dat bekering een persoonlijke keuze vergt. Niemand kan zich tegen zijn zin bekeren, bekeerd worden. Men moet zelf willens en wetens instemmen met de bekering. Toch blijft de essentie van die bekeringskeuze volgens Augustinus een kwestie van genade: het is God die de mens bekeert. Het is inderdaad die mens die op zoek gaat naar God en op een bepaald moment beslist om terug te keren tot God. Het is God echter die zich, voorafgaand aan dat menselijke zoeken en beslissen, laat zoeken en de mens helpt om terug te keren. De mens moet toezeggen, ja antwoorden, maar dit is slechts de tweede beweging. Het is God die, in de eerste beweging, de vraag gesteld heeft, de oproep tot terugkeer heeft gelanceerd.

Achtergrondliteratuur: Martijn Schrama, Augustinus: de binnenkant van zijn denken, Zoetermeer 2002.


Basreliëf: doop van Augustinus

4.2 Praktijk

Augustinus is passioneel op zoek naar waarheid en zoekt die waarheid op verschillende plaatsen. De preken van Ambrosius en het neo-platonisme dat Augustinus in Milaan leert kennen, overtuigen hem er van dat die waarheid enkel in het christendom kan te vinden zijn. Dit is een ‘intellectuele bekering’ (Confessiones VII): een bekering op het gebied van de kennis (‘bekering van het verstand, van de rede’). Ofschoon Augustinus intellectueel inziet dat enkel het christendom hem tot de waarheid kan brengen, voelt hij zichzelf niet in staat om de stap naar het christendom te zetten. Augustinus slaagt er niet in om afstand te doen van zijn carrière, zijn ambities, zijn ‘werelds’ leven. Intellectueel aanvaardt hij het christendom, maar hij kan het niet omzetten in de praktijk van zijn leven, hij kan zijn oude leven niet vaarwel zeggen. Hij kan zich met andere woorden niet echt bekeren. Augustinus worstelt hier mee. Hij beseft maar al te goed dat het intellectuele (het kennen en begrijpen) en existentiële (het leven) samen hangen. Eenmaal je de waarheid gevonden hebt, moet je je leven daar aan aanpassen. Deze worsteling vertelt Augustinus in het achtste boek van de Confessiones. In boek VIII beseft Augustinus dat hij er naar verlangt om zich te bekeren – om terug te keren tot God – maar tegelijk kan hij er zich niet toe overhalen om zijn oude – zondige – gewoonten op te geven. Dit is met andere woorden het verschil tussen weten en doen. Kwaad op zichzelf dat hij weet dat hij zich moet bekeren, maar het toch niet kan doen, trok hij zich terug in een tuin te Milaan:

‘Hoelang nog? Hoelang zal ik nog blijven zeggen: Morgen, morgen. Waarom niet nu? Waarom maak ik niet meteen een einde aan mijn schandelijk gedrag?’ Dat was wat ik zei en ik huilde bittere tranen in mijn hart. Toen hoorde ik ineens in een huis bij ons in de buurt iemand telkens opnieuw zingen: ‘Pak het maar en lees het maar, pak het maar en lees het maar.’ Ik kan niet zeggen of het een jongen of een meisje was, die dat zong. Meteen kwam er een totaal andere uitdrukking op mijn gezicht en begon ik mijn gedachten te pijnigen. Zongen kinderen dat misschien bij één of ander spel? Ik kon me niet herinneren dat ik het ooit ergens had gehoord. Ik bedwong mijn tranen en stond op. Ik kon er geen andere verklaring voor verzinnen dan dat het een opdracht was van godswege om het boek open te doen en het eerste het beste hoofdstuk waar mijn oog op zou vallen, te lezen. Ik had namelijk van Antonius gehoord dat hij zich juist door het volgende stukje uit het evangelie dat hij had horen voorlezen, zo aangesproken had gevoeld dat hij meende dat het voor hem was bedoeld: ‘Ga alles verkopen wat u bezit en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel. Kom dan terug om mij te volgen.’ Nadat hij die woorden had gehoord, had hij zich onmiddellijk tot u bekeerd. Ik rende dus gauw terug naar de plek waar Alypius zat, want daar had ik het boek met de brieven van de apostel Paulus laten liggen toen ik hem had achtergelaten. Ik greep het, sloeg het open en las zwijgend de eerste de beste tekst waar mijn oog op viel: ‘Laten wij ons onthouden van zwelgpartijen en drinkgelagen, van ontucht en losbandigheid en van twist en nijd. Bekleed u liever met de Heer Jezus Christus, en vertroetel uw lichaam niet zo, dat het nog meer gaat begeren [Rom. 13, 13-14].’ Ik had geen behoefte om verder te lezen en dat was ook niet nodig. Want met die laatste woorden leek het alsof het licht van de zekerheid mijn hart binnenstroomde: de hele duisternis van mijn twijfel trok op. Confessiones VIII, 12, 28-30.


‘Neem en lees.’ De bekering in de tuin van Milaan

De beroemde bekeringsscène in de tuin in Milaan verhaalt Augustinus’ morele bekering (‘bekering van het hart, van de wil’). Daarvoor zat hij vast in zijn oude leven, vastgeroest in zijn oude gewoontes. En Augustinus beseft dit. Het was een kwestie van weten maar nog niet (kunnen) willen. Nu, door de confrontatie met Rom. 13, 13-14, krijgt Augustinus een vastberadenheid: hij geeft zijn vroegere leven op en stelt zich kandidaat voor het doopsel. Augustinus bekeert zich. Augustinus benadrukt dat hij hiertoe eigenlijk zelf niet in staat was. Deze bekering is volgens hem het gevolg van die plotse ontmoeting met een Schriftpassage die juist over deze problematiek handelt. Deze plotse ontmoeting suggereert voor Augustinus genade.

Dit bekeringsmoment betekent niet dat het christendom voor Augustinus volledig uit de lucht kwam gevallen. Nee, in het leven van Augustinus waren er reeds verschillende ‘kleinere’ bekeringen aan voorafgegaan: richtingaanwijzers naar de deur van het christendom. Ten eerste was er zijn bekering tot filosofie: de zoektocht naar de waarheid. Vervolgens verkent hij het manicheïsme, niet om het christendom te verlaten, maar juist omdat zij pretendeerden een betere verklaring van het christendom te bieden. Daarna twijfelt hij een korte periode over het scepticisme. Juist dit scepticisme doet hem inzien dat Christus nodig is als fundament van de waarheid. Hierop volgt Augustinus’ ‘intellectuele bekering’, door Ambrosius’ predikatie en het Milanees Neo-platonisme. Dit ‘bekeringsproces’ stopt trouwens niet met het einde van de Confessiones. Na het schrijven van de Confessiones, door een grondige studie van de Bijbel en in het bijzonder de brief van Paulus aan de Romeinen, verdiept Augustinus zijn denken over de genade. Wat gebeurde in de tuin van Milaan, was dus niet onvoorbereid, lag in de lijn van een evolutie en continuïteit. Toch was het in een zekere zin ook een breekpunt: eindelijk kan hij de moed verzamelen om die deur van het christendom binnen te gaan. Voorheen stapte hij naar die deur toe, en daarna – eenmaal binnengegaan – blijft hij in dat huis van het christendom ook door stappen en verkennen. Dat is de continuïteit, het levenslang ‘bekeringsproces’. Wat in Milaan gebeurde was dat hij die deur van het christendom durfde openen en binnengaan. Dit is een radicale verandering. Dit was een ‘point of no return’. Nu volgen een aantal teksten over hoe Augustinus de innerlijke werking en het wezen van wat bekering is, concipieert.

En mijn zonde bestond daarin, dat ik het genot, de verheffing en de waarheid niet in God zocht, maar in zijn schepselen, in mijzelf en in anderen. Confessiones I, 20, 31.

Toelichting: Het verlaten van de Schepper en het zich toewenden naar de schepselen, meer nog het vervangen van de Schepper door de schepselen, is voor Augustinus de definitie van zonde. In Confessiones I, 13, 21 omschrijft Augustinus het verlaten van God in sterke bewoording als ontucht en overspel. “Ik had u niet lief en ik ging weg van u in ontucht, en terwijl ik ontucht bedreef, hoorde ik van alle kanten mij toeroepen: ‘Goed zo! Goed zo!’ Want de vriendschap met de wereld is ontucht tegenover u en dat ‘Goed zo! Goed zo!’ wordt gezegd om te bereiken dat men zich schaamt, als men niet zo iemand is.” Augustinus sluit hier aan bij een oud-testamentisch woordgebruik: het omschrijven van idolatrie (afgodendienst) als overspel: het weggaan van de ware god en het vereren van schepselen (houten of stenen afgodsbeelden van mensen en dieren).


Basreliëf: Augustinus leest Paulus in de tuin van Milaan

De erge dingen die ik in mijn jeugd heb gedaan, en de slechte invloed van mijn lichaam op mijn ziel, ik haal ze me bewust weer voor de geest. Niet omdat ik daar zoveel plezier aan beleef maar omdat ik u wil beminnen, mijn God. Het is uit liefde voor uw liefde, dat ik dat doe. Als ik mijn verfoeilijke gedrag opnieuw overdenk, dan proef ik de bittere nasmaak weer. U zult mij niet bitter smaken, denk ik, want uw zoetheid is echt. Het is een zoetheid vol geluk en zekerheid, één die mij samenraapte toen ik in stukken lag. Zolang ik mij afkeerde van u, de ene, en opging in het vele, was ik namelijk verscheurd. Confessiones II, 1, 1.

Toelichting: Augustinus haalt hier de reden aan voor het schrijven van zijn Confessiones: door het overpeinzen van zijn zondige verleden achterhalen hoe God daarin werkzaam was. Hij merkt ook op dat er een tegenstelling is tussen God en de buitenwereld: rust, onveranderlijkheid-onvergankelijkheid en eenheid versus onrust, veranderlijkheid-vergankelijkheid en veelheid. Buiten God is er geen innerlijke rust te vinden, loopt men enkel verloren in de veelheden en tegenstrijdigheden van de buitenwereld.

Ik roep u binnen, mijn God, mijn barmhartigheid, u die mij gemaakt hebt en mij niet vergeten bent, ook niet toen ik u vergeten was. Ik roep u binnen in mijn ziel, die er door u op wordt voorbereid om u te ontvangen, door het verlangen dat u haar ingeeft. Verlaat mij niet nu ik u binnenroep. Voordat ik u binnenriep, riep u mij al, en op allerlei manieren drong u steeds vaker bij mij aan, zodat ik het vanuit de verte zou horen en me zo omdraaien om u, die mij riep, binnen te roepen. Confessiones XIII, 1, 1.

Toelichting: Bekering betekent voor Augustinus: ‘inkering’. ‘Bekeren’ is grammaticaal een actief werkwoord in het Nederlands. Voor Augustinus is dat werkwoord inhoudelijk passief: de bekering wordt ons geschonken. Vanzelfsprekend moeten we hier ook aan meewerken. God neemt echter steeds het initiatief.

En met verbazing merkte ik dat mijn liefde reeds u gold, geen fantasiebeeld meer dat ik voor u versleet, en dat ik toch niet vast bleef staan om mijn God te genieten, maar dat ik, naar u toegetrokken door uw schoonheid, weldra weer door mijn eigen gewicht van u werd weggerukt en kreunend neerstortte op de dingen van hier; en dat gewicht was mijn vleselijke gewoonte. Wat mij echter bijbleef, was een herinnering aan u, en ik had er niet de geringste twijfel over dat er Iemand was met wie ik verbonden moest zijn; ik wist echter tevens, dat ik er nog niet naar was om met Hem verbonden te zijn, omdat het bederfelijk lichaam de ziel bezwaart en de aardse woning een belemmering is voor de geest die veel gedachten heeft; ik was er ook zeker van, dat uw onzichtbaarheden sinds de schepping van de wereld begrepen en gezien worden door middel van de dingen die geschapen zijn, en ook uw eeuwige macht en uw goddelijkheid. Toen ik namelijk naging, op welke grond ik de schoonheid van lichamen, hetzij in de hemel, hetzij op aarde beaamde, en wat mij ten dienste stond wanneer ik over veranderlijke dingen een zuiver oordeel velde en zei: ‘Dit dient zo te zijn en dat niet zo’ – toen ik dus naging op welke gronden ik oordeelde bij het uitspreken van een dergelijk oordeel, had ik boven mijn geest, die veranderlijk is, de onveranderlijke, ware, in eeuwigheid bestaande waarheid gevonden. En zo ging het toen trapsgewijs omhoog: van de lichamen naar de ziel, die door middel van het lichaam gewaarwordt, en vandaar naar dat innerlijk vermogen van de ziel, waaraan de zinnen van het lichaam de dingen van buiten komen melden, zover als ook de dieren kunnen komen, en vandaar weer verder naar het redelijk vermogen, waarvoor ter beoordeling gebracht wordt wat door de zinnen van het lichaam wordt opgenomen; en ook dit vermogen kwam in mij tot de bevinding van zijn veranderlijkheid en richtte zich opwaarts om zichzelf te begrijpen: het voerde mijn denken weg van de gewoonte en onttrok zich aan de elkaar tegensprekende zwermen van de fantasiebeelden en poogde aldus te ontdekken, door welk licht het besprenkeld werd, wanneer het zonder een zweem van twijfel riep dat het onveranderlijke als beter beschouwd dient te worden dan het veranderlijke; het poogde te ontdekken, hoe het dat onveranderlijke zelf kende, want zonder het op de een of andere manier te kennen kon het dat onveranderlijke nooit met zekerheid boven het veranderlijke stellen. En toen bereikte het datgene wat is, in een flits van bevend aanschouwen. Toen heb ik uw onzichtbaarheden begrepen en gezien door wat geschapen is. Ik was echter niet bij machte er mijn blik op gevestigd te houden: mijn onvermogen werd teruggestoten en ik kwam weer terecht bij de gewone dingen en ik droeg niets met mij mee dan een herinnering vol liefde en heimwee naar wat ik als het ware had geroken, maar nog niet vermocht te eten. Confessiones VII, 17, 23.

Toelichting
: Augustinus beschrijft meer precies (psychologisch) de innerlijke opgang naar God. De zintuigen leren hem dat God niet buiten te vinden is. Augustinus keert zich bijgevolg naar binnen, in zijn eigen denkvermogen. Voorwaarde hiervoor is dat hij afstand neemt van het denken in termen van de buitenwereld: het lichamelijk denken, de ‘vleselijke gewoonte’. Via dat denkvermogen komt hij tot de innerlijke capaciteit van de herinnering. In die herinnering zal hij God, die daar altijd reeds was, ontmoeten. Het is een inwaartse en opwaartse beweging: van de wereld/het lichaam naar de ziel, en vervolgens naar God. Die bekering is niet een kwestie van één moment, een kort ogenblik. Het is de ommekeer van een gans leven. Het is het begin van de toewijding van het ganse leven aan God.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

5. Augustinus’ denken over vriendschap

Net zoals Augustinus’ denken over bekering, wordt zijn opvatting over vriendschap in drie bewegingen uitgelegd: Augustinus’ theorie, zijn eigen beschrijvingen in de Confessiones en aan de hand van een ander voorbeeld, dat uit Augustinus zelf komt.

5.1 Theorie


Schrijvende Augustinus

Augustinus wordt beschouwd als de eerste christelijke schrijver die een theorie over christelijke vriendschap uitwerkte. Augustinus putte steeds uit een dubbele bron: antieke wijsbegeerte en de Bijbel. Voor hem was de kern het christelijk geloof, zoals dat neergeschreven is in de Bijbel. Om dat geloof te verhelderen en begrijpbaar uit te drukken mag de (heidense) wijsbegeerte als instrument gebruikt worden: de woordenschat, filosofische ideeën, concepten en denkschema’s.

In de klassieke filosofie wordt vriendschap beschouwd als een overeenkomst tussen twee mensen. Vriendschap was een belangrijk concept in de (heidense) antieke wijsbegeerte. In chronologische volgorde dachten en schreven de natuurfilosofen, Plato, Aristoteles, Cicero, Seneca en de neo-platonici over dit onderwerp. De natuurfilosofen dachten over vriendschap als een kosmisch aantrekkingsprincipe, dat verantwoordelijk was voor de orde in gans het universum. Plato benaderde vriendschap eerder metafysisch: vrienden delen een aantrekking tot het hoogste goed. Aristoteles stemt hiermee in. Echte vriendschap is volgens Aristoteles enkel gebaseerd op het goede. Cicero zag vriendschap als een politieke deugd: ‘overeenkomst over alle zaken – zowel menselijke als goddelijke zaken – gepaard met een goede wil en een goed gevoel.’ (Laelius de amicitia VI, 20). Voor Seneca en de neo-platonici zijn vrienden twee mensen die elkaar helpen op weg naar zedelijke volmaaktheid en waarheidsvinding.

Ook in de Bijbel is er sprake van vriendschap. De vriendschap van David en Jonathan is beroemd. Lc. 11, 5-8 en Joh. 15, 13-15 (zie lesimpuls 8) behandelen ook het onderwerp van de vriendschap. In het vroege christendom werd er echter niet veel geschreven over vriendschap, daar de christenen zich vooral als broeders en niet zozeer als vrienden beschouwden. Uitzonderingen die wel over vriendschap nadachten zijn Ambrosius en Paulinus van Nola, en die mensen zijn nu precies de kring waarin Augustinus verkeerde.

Vriendschap betekent volgens Augustinus een band, een verbond tussen twee mensen. Aanvankelijk, in zijn vroege geschriften vóór de Confessiones, blijft Augustinus dicht bij de klassieke filosofische definitie van vriendschap. Vrienschap is voor Augustinus, in de lijn van Cicero, een band, een verbinding, tussen twee mensen. De oorzaak van die vriendschapsband tussen twee mensen ligt in sympathie: elkaar aanvoelen. Vriendschap ligt in het feit dat twee mensen goed met elkaar overeenkomen, daar ze dezelfde interesses hebben, daar ze elkaar goed verstaan, daar ze het met elkaar kunnen vinden. Vriendschap is met andere woorden een inter-menselijke relatie waarin het goed ‘klikt’. Die vriendschapsrelatie blijft echter niet louter op het menselijk niveau. Kort na zijn bekering vestigt Augustinus zich met enkele goede vrienden op een landgoed met de naam Cassiciacum. Met die vrienden wil hij discussiëren en nadenken over God. Vrienden helpen elkaar dus om wijsheid en waarheid te vinden, om tot God te komen. Hier benadert Augustinus het vriendschapsconcept van Seneca en de neo-platonici. De intermenselijke vriendschapsrelatie krijgt dus een doel dat het intermenselijke overstijgt: een gezamenlijk zoeken naar God, waarbij het initiatief echter vanuit de mens zelf uitgaat.

De Confessiones waren een eikpunt in Augustinus’ leven: Augustinus had zich bekeerd en wilde de genade die zijn bekeringservaring had bewerkstelligd neerschrijven. Die reflectie over genade – de intuïtie dat alles aan God te danken is – zal er hem toe brengen om een diepere grond te geven aan zijn definitie van vriendschap. De vriendschapsband, de overeenkomst tussen twee mensen, is het resulaat van genade: een geschenk van God, bewerkstelligd door de H. Geest.  Confessiones IV, 4, 7 formuleert het als volgt: “Vrienschap is pas echt als u haar gebruikt, God, als bindmiddel tussen ons mensen, wij die ons aan u vastklampen met de liefde die in ons is uitgestort door de Heilige Geest die ons werd geschonken.” God ligt aan de basis van de vriendschap en God vestigt de vriendschapsband. God is zowel de oorzaak als de band van de vriendschap. Het perspectief van de oorspronkelijke definitie is dus omgekeerd. Het gaat niet meer om twee mensen die elkaar helpen om God te vinden. Het is God die er voor zorgt dat enerzijds twee mensen elkaar vinden in vriendschap en anderzijds dat die twee God kunnen vinden.

Achtergrondliteratuur: Tars van Bavel, Charisma: gemeenschap, Heverlee 2002.

5.2 Praktijk


Augustinus laat zich samen met Alypius dopen

Vrienden, zo blijkt uit de Confessiones, zijn altijd heel belangrijk geweest voor Augustinus. Op jonge leeftijd had hij met een aantal kameraden een perenboomgaard beroofd (Confessiones II, 9, 17). Hij bekent dat hij dit zonder zijn vrienden nooit had gedaan. Het verdriet omwille van de dood van een vriend kwelde hem zo dat hij Carthago moest verlaten omdat alles hem daar aan zijn overleden vriend herinnerde (Confessiones IV, 4, 7 – IV, 12, 19).  Na zijn doop verzamelde Augustinus vrienden rond zich en ze vormden in Cassiciacum een kleine gemeenschap (Confessiones VI, 14, 24). Ook later wonen er vele vrienden in zijn kloostergemeenschappen te Thagaste en Hippo. Vele van zijn vrienden worden collega-bisschoppen waarmee hij een uitgebreide briefwisseling voert en ze zelfs dikwijls gaat bezoeken. Eén van die bijzondere vrienden, waarover we in de Confessiones regelmatig horen, is Alypius. Alypius kwam uit Thagaste en was aanvankelijk een student van Augustinus. Hij volgde Augustinus naar het manicheïsme en werd later samen met Augustinus door Ambrosius gedoopt. Hij leefde samen met Augustinus in zijn kloostergemeenschap te Thagaste en Hippo. Later werd hij bisschop van Thagaste.

Nu volgen drie tekstfragmenten uit de Confessiones. De eerste twee, gesitueerd vóór Augustinus’ bekering, beschrijven zijn verdriet over de dood van een dierbare vriend, waarvan hij ons de naam echter niet geeft. Het derde fragment, van na zijn bekering, geeft zijn visie op menselijke relaties weer.

In die jaren, toen ik net begonnen was met lesgeven in mijn geboortestad, ontmoette ik een jongen die belangstelling had voor dezelfde dingen als ik en aan wie ik bijzonder gehecht was. Hij was even oud als ik en bevond zich net als ik in de bloei van zijn jeugd. We waren samen opgegroeid, samen naar school gegaan en we hadden samen gespeeld. Hij was destijds al een vriend van mij geweest, maar nog niet in de ware zin van het woord. Ook later was het nog geen echte vriendschap. Want vriendschap is pas echt als u haar gebruikt, God, als bindmiddel tussen ons mensen, wij die ons aan u vastklampen met de liefde die in ons is uitgestort door de Heilige Geest die ons werd geschonken. Maar toch was het een heerlijke vriendschap, die kon rijpen in de warmte van onze gezamelijke interesses. Ik wist hem zelfs af te brengen van het ware geloof, waarmee hij eerder overigens ook niet echt veel op had gehad. Die vriend was een mens die zich geestelijk op dezelfde dwaalweg bevond als ik, en mijn ziel kon niet meer zonder hem. Maar u die de mensen die van u wegvluchten op de hielen zit, u, God van vergelding en tegelijk bron van barmhartigheid, die ons op de wonderlijkste manieren naar uzelf toekeert, u hebt deze man uit dit leven weggenomen toen we nog maar nauwelijks een jaar bevriend waren. En dat terwijl die vriendschap voor mij het fijnste was van alles wat ik toen had. Confessiones IV, 4, 7.
Want hoe had het kunnen gebeuren dat dat verdriet me zo gemakkelijk en zo diep had aangegrepen? Toch alleen maar omdat ik mijn ziel had uitgestort op zand door een sterfelijke mens lief te hebben alsof hij onsterfelijk was? Waar ik de meeste steun aan had en wat me er het beste bovenop hielp, was de troost van andere vrienden. Samen met hen beminde ik dingen, maar dan wel andere dingen dan u zelf. Confessiones IV, 8, 13.

Toelichting: Augustinus geeft in zijn Confessiones aan dat hij aanvankelijk de verkeerde visie op vriendschap had: een vriendschap die niet in het teken van God stond, een louter intermenselijke verhouding van gezamelijke interesses. Meer nog, hij vergat niet enkel God maar hij stelde zijn vriend in de plaats van God: hij had zijn vriend lief zoals hij eigenlijk God had moeten liefhebben. Later, toen Augustinus de Confessiones schreef, besefte hij dat dit nog geen ‘echte’ vriendschap was: een vriendschap geschonken door God. In dit tekstfragment geeft Augustinus nogmaals aan dat hij qua geloof en liefde volledig van God was afgedwaald en dat het God is die de bekering van de mens bewerkstelligt. Augustinus waarschuwt dus voor het gevaar om menselijke relaties louter als menselijk te beschouwen en de overstijgende (heteronome) pool hiervan te vergeten. Een ervaring die dit overstijgende binnen vriendschap kan illustreren, is de volgende: Twee vrienden krijgen op een bepaald moment ruzie, er worden kwetsende woorden gesproken, de vriendschap zit in het slop. Beide partijen hebben eigenlijk spijt, willen het goedmaken, maar ondanks goede intenties wil dit maar niet lukken. Er is blijkbaar iets meer nodig. Dit laatste kan wijzen op het aspect van heteronomie binnen vriendschap. Augustinus zal hier wijzen op de genadevolle rol van God.

Om bepaalde taken in de samenleving goed te kunnen vervullen, is het natuurlijk nodig dat we door de mensen bemind en gevreesd worden. Maar dan staat de vijand van ons ware geluk meteen klaar om overal zijn valstrikken te zetten door te zeggen: ‘Goed zo! Goed zo!’ Want wij willen maar al te graag een compliment horen. En zo lopen we onbekommerd in de val. De leidraad in ons werkplezier is dan niet uw waarheid, maar de bedriegelijke bijval van de mensen. We willen graag bemind worden en gevreesd, maar dan niet meer omwille van u maar in plaats van u. En dat is niet goed: als anderen ons beminnen, laat dat dan omwille van u zijn. Laat het uw woord zijn dat in ons wordt gevreesd. Wie door anderen geprezen wil worden, terwijl hij door u terechtgewezen wordt, zal door geen mens worden verdedigd als u rechtspreekt over hem,en door geen mens worden gered als u hem veroordeelt. Confessiones X, 36, 59.

Toelichting: Augustinus gaf in de vorige tekstpassage aan dat hij zijn vriend stelde in de plaats van God. Hier stelt hij dat iedere mens graag gevreesd en bemind wordt als doel-op-zich, als einddoel. Dat is verkeerd. Dit resulteert in het centraal plaatsen van zichzelf: egocentrisme en egoïsme. Alleen het eigen ‘ik’ is nog van tel en al het andere is er aan ondergeschikt. Het uiteindelijke doel in elke menselijke relatie is volgens Augustinus God. Worden we bemind of gevreesd dan moet dat omwille van God gebeuren en niet in plaats van God. De kern – zowel oorzaak als doel – van alle menselijke relaties is met andere woorden God. Augustinus waarschuwt dus tegen egocentrisme in menselijke relaties.

5.3 Een ander voorbeeld: het verschil tussen lust en liefde

Vriendschap in het bijzonder en menselijke relaties in het algemeen staan voor Augustinus duidelijk in het teken van heteronomie en alteriteit. Dat heteronome aspect vindt ook zijn toepassing in het onderscheid dat Augustinus maakt tussen begeerte/(wel)lust en liefde.

Ergens in mijn jonge jaren sloeg de vlam in de pan en begon ik mij te buiten te gaan aan lage begeerten. Zo schaamde ik me er bijvoorbeeld niet voor om mezelf te verliezen in allerlei slechte contacten die het daglicht niet konden verdragen. Ik werd bleek en ik kwijnde weg voor uw ogen. Ik vond mezelf geweldig en ik hoopte dat ik dat in de ogen van de mensen ook was. Wat was daar voor mij zo fijn aan? Eigenlijk wilde ik alleen maar beminnen en bemind worden. Maar ondertussen bleef het niet bij gewone geestverwantschap op het helderverlichte pad van de vriendschap. Nee, uit de modderpoel van mijn lichamelijke begeerte en uit de bruisende bron van mijn mannelijkheid stegen dikke dampen op, die donkere wolken vormden rond mijn hart. Daardoor kon ik het verschil tussen zuivere liefde en troebele lust niet meer zien. Die twee buitelden wild over elkaar heen en sleurden mij mee, op die gevaarlijke leeftijd, door een afgrond van begeerte. Ze dompelden me onder in een maalstroom van slechtheid. Uw toorn op mij werd steeds groter, maar ik was me van geen kwaad bewust. … Ik liep verder van u weg en u liet mij begaan. Ik zwol aan, stortte me op de kust, en spatte uit elkaar. Het enige wat overbleef, was schuim. En dat allemaal door mijn losbandigheid. Maar u bleef zwijgen. U, in wie ik pas zo laat vreugde ben gaan vinden, u bleef maar zwijgen, destijds, en ik liep nog verder van u weg om steeds maar weer het onvruchtbare zaad van het onheil uit te strooien in hoogmoedige verachtelijkheid en rusteloze vermoeidheid. Confessiones II, 1, 1 – II, 2, 2.

Liefhebben en liefde vinden was mijn vreugde, vooral wanneer ik ook van het lichaam genoot van wie mij liefhad. Zo kwam het, dat ik de bronader van de vriendschap besmeurde met het vuil van de begeerlijkheid en haar stralend wit verduisterde met wat er opwolkte uit de onderwereld van de wellust. En toch, zo walgelijk en eerloos als ik was, ik haakte ernaar een fijnzinnig en beschaafd man te zijn, in een overmaat van onbenulligheid. En in de liefde waardoor ik gevangen wenste te worden, kwam ik ook terecht. Mijn God, mijn barmhartigheid, met hoeveel gal heeft u mij die heerlijkheid besprenkeld en hoe goed bent u daarin geweest. Want ik vond liefde en kwam in de boeien van een heimelijk liefdesgenot en verheugd raakte ik vast in rampzalige verstrikkingen, waarbij ik geranseld werd met de gloeiende ijzerroeden van jaloezie, achterdocht, angst, verbittering en ruzie. Confessiones III, 1, 1.

De leessleutel van heteronomie is volgens Augustinus ook geldig voor liefde. Liefde is de erkenning en beleving van alteriteit: de ander als ander erkennen, de andersheid eerbiedigen. Die andersheid van de partner verwijst volgens Augustinus naar de Andere, naar God. Begeerte/wellust is hieraan tegengesteld: de ander is slechts een instrument voor mijn bevrediging, is enkel een gebruiksobject. Lust is met andere woorden een uitdrukking van egoïsme en egocentrisme. Juist omdat de ander niet als andere erkend wordt, vervalt deze verkeerde beleving van liefde gemakkelijk in wat Augustinus noemt: “de gloeiende ijzerroeden van jaloezie, achterdocht, angst, verbittering en ruzie.” Let wel: Seksualiteit is voor Augustinus niet de wortel van de zonde. Zonde is het verlaten van God, de andersheid van God en de medemens niet meer erkennen en vastgeraken. Hiervan kan (verkeerd beleefde) seksualiteit een voorbeeld zijn. Voor Augustinus is seksualiteit hiervan het voorbeeld bij uitstek omdat ten eerste de verleiding tot de reductie van de ander tot een instrument hier heel groot is en ten tweede – zo spreekt hij uit eigen ervaring – is dit een gewoonte die niet gemakkelijk kan opgegeven worden.

6. Besluit: Genade als leessleutel

De Confessiones verhalen Augustinus’ omzwervingen en verzoekingen, de odyssea van zijn ziel naar God. Het is een verzameling van bespiegelingen over zijn zoektocht en bekering. Openhartig beschrijft hij zijn innerlijke strijd. Tegelijk bedoelt Augustinus een beschrijving te geven van de situatie van iedere mens. Zijn zwaar en emotioneel woordgebruik betreffende zijn zonden en zondigheid slaat niet op ‘criminelen’, moordenaars, overspeligen, dieven. Nee, met zondigheid geeft hij het gevoel aan van afgedwaald, verdwaald, vervreemd van zichzelf te zijn, hopeloos vast te zitten. Wie later op een dergelijke episode terugkijkt, kan zich de vraag stellen: hoe ben ik daar eigenlijk uitgeraakt, hoe heb ik toch nog een toekomst kunnen maken? Augustinus’ antwoord op deze vraag is: genade. Genade is het vinden van enerzijds het inzicht dat je je weg verloren hebt en anderzijds de weg terugvinden. Conversio is met andere woorden het resultaat van genade.
 

Ofschoon God volgens Augustinus steeds de eerste stap zet, ontkent Augustinus de menselijke werkzaamheid niet. Zo moet de mens bijvoorbeeld eerst beseffen dat hij er nood aan heeft genezen te worden. Om te kunnen terugkeren, moet de mens toegeven afgedwaald te zijn. God maakt de mens ontvankelijk voor zijn uitnodiging, maar doet dit niet tegen de zin van de mens. De mens moet zich willen laten ontvankelijk maken. Er is een evenwicht tussen goddelijke genade en menselijke vrijheid. Augustinus’ mensbeeld is bepaald door zijn genadeopvatting. Zonder genade kan de mens niet leven. Dat is met andere woorden heteronomie. Heteronomie vormt de basis en het fundament van het menselijk leven. Toch is het echter niet volledig een kwestie van ofwel heteronomie, ofwel autonomie – waarbij het ene het andere wederzijds uitsluit. Gods genade maakt voor Augustinus de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid niet ongedaan. Dat was één van de redenen waarom hij het manicheïsme de rug toekeerde, daar het manicheïsch dualisme de menselijke keuzevrijheid volledig ontkende (in de zin dat de mens zelf bijvoorbeeld niet verantwoordelijk zou zijn voor het persoonlijk begane kwaad daar al het kwaad toegeschreven wordt aan de kwade god). Augustinus kan en wil zo ver niet gaan. De mens heeft een eigen rol te spelen. Toch komt genade eerst. Gods genade is eigenlijk het kader waarbinnen de menselijke vrijheid zich afspeelt en ontplooit. Meer nog, Gods genade maakt de menselijke vrijheid mogelijk. In die zin kan gesteld worden dat de menselijke autonomie gebouwd is op de heteronomie vanwege God. Er is met andere woorden steeds een menselijke autonomie, maar nooit zonder de goddelijke heteronomie. Men kan in deze context gewagen van een theologische antropologie: het menselijke leven is een produkt van vrije keuzes die (be)geleid worden door Gods genade. Daarom zijn de Confessiones niet op de eerste plaats autobiografisch in de zin waarin wij over een autobiografie denken. Hij beschrijft zijn leven slechts in die mate dat het zijn theologisch argument illustreert.

Augustinus sluit de menselijke autonomie niet uit. Toch stelt hij vast dat weinig mensen die autonomie aankunnen, die autonomie bereiken. Vele mensen zitten immers vast in de buitenwereld, zijn ‘verslaafd’ aan hun werelds leven. Dat is op twee manieren verkeerd. Ze laten ten eerste hun leven bepalen door de wereld in plaats van door God, door schepselen in plaats van door de Schepper. En dat is volgens Augustinus een ‘perverse’ vorm van heteronomie, dat is zonde. De wereld wordt in de plaats van God gesteld (idolatrie). Ten tweede is het een ‘perverse’ vorm van autonomie, daar het de andersheid van God en de medemens niet erkent, het is egoïsme en egocentrisme. Het ‘ik’ wordt in de plaats van God gesteld (hoogmoed). Kortom, Augustinus zoekt naar een evenwicht tussen heteronomie en autonomie, gegeven dat het de goede vormen van heteronomie en autonomie behelst. Goede autonomie is gebouwd op heteronomie. Dit is één van Augustinus’ ontdekkingen in de Confessiones. Wie niet bij God is, is buiten zichzelf. Er is met andere woorden pas een zelf in relatie tot God. Door God ben ik ‘mezelf’. God komt met andere woorden eerst, komt vóór het eigen zelf in de ‘bestaansorde’. De ‘ontdekkingsorde’, de wijze waarop Augustinus en iedere mens dit te weten komt, is trouwens omgekeerd. De mens kan pas God vinden als de mens eerst zichzelf gevonden heeft: God bevindt zich immers in het innerlijk van de mens. Afdwaling van zichzelf is een afdwaling weg van God. Eerst moest Augustinus zichzelf terugvinden, om God te kunnen vinden. Eenmaal zichzelf en God gevonden, begrijpt Augustinus dat God eerst komt en dan pas de mens. Dat inzicht en de daarmee gepaard gaande verandering van het eigen leven – bekering – was volgens Augustinus nooit te bereiken op zijn eigen krachten. Het inzicht in de heteronome autonomie van het menselijk leven en de capaciteit om daar ook daadwerkelijk naar te leven is dus het resultaat van genade.

De relatie van het zelf tot God is getekend door genade. Dit is ook het geval voor de relaties tussen mensen onderling. Nadat Augustinus de heteronomie in zijn eigen leven ontdekt heeft, begrijpt hij ook dat die heteronomie de essentie is van de verhouding tussen mensen onderling. Die heteronomie speelt zich af op twee, wezenlijk met elkaar verweven, vlakken. Ten eerste is de andere mens, de vriend, wezenlijk anders: de ongrijpbare, onvatbare, onbemeesterbare andere. Die andersheid moet erkend worden om tot een volwaardige relatie te kunnen komen. Ten tweede staat die andersheid van de andere mens symbool voor de Andere met hoofdletter: God. Elke menselijke relatie is immers geen doel-op-zich, maar verwijst door naar God. Het is bovendien Gods genade die de grondslag is voor de verhouding tussen mensen onderling.

God is helpend en ondersteunend aanwezig in het leven van iedere mens en in de verhouding tussen de mensen. Dat is eenvoudig gezegd Augustinus’ genadeconcept, het christelijk denken over heteronomie en alteriteit. Augustinus’ persoonlijke ervaring en theoretische uitleg van zowel zijn bekering en vriendschap waren hiervan een perfecte illustratie en case-study. Meer nog: Augustinus’ concrete confrontatie met bekering en vriendschap waren de directe aanleiding en het model voor zijn denken over genade. Dat concept van genade doordringt vanaf het moment van zijn bekering, en zeker vanaf het moment van zijn reflectie daarover in de Confessiones, alle denkschema’s van Augustinus en is voorgoed aanwezig gesteld in de christelijke theologie.

Achtergrondliteratuur:
- over Augustinus’ opvatting over genade: zie VI. Bibliografie
- de genade in het algemeen:
André Louf (vert.), Inspelen op genade. Over God-zoeken, Tielt 1983.
Ambroos Remi Van De Walle, Weerbarstige woorden uit onze geloofstaal, Averbode 1994.
- meer uitgebreide en systematisch-theologische uitdieping over het concept genade:
Edward Schillebeeckx, Gerechtigheid en liefde, genade en bevrijding, Baarn 1982.
Dorothee Sölle (vert.), Denken over God. Inleiding in de theologie, Baarn 1990.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

IV. Lesimpulsen


Augustinus als kerkleraar, beeld uit het hoogaltaar van de St.-Pietersbasiliek te Rome

Per lesimpuls worden hieronder in V. Didactische suggesties voorgesteld.

1. Lesimpuls bij II De vraagstelling: autonomie of heteronomie

Wat denk je over volgende stellingen? Hoe hangen ze samen? Kan je bij deze stellingen zelf voorbeelden geven van het denken over heteronomie en autonomie? Sluiten heteronomie en autonomie elkaar trouwens altijd wederzijds uit, vormen ze steeds een tegenstelling?

  1. Autonomie: ‘We zijn jong, sterk en gezond. We kunnen de wereld zelf volledig te baas.’
    1. Heteronomie: ‘Maar wat als we ziek, bang, ongelukkig, oud, … zijn?’
  2. Heteronomie: ‘We hebben ons leven niet van onszelf gekregen. Op zijn minst hebben we het letterlijk van onze ouders gekregen. Meer nog, zonder de steun van ons gezin, familie, naasten zouden we niet kunnen opgroeien, niet kunnen leven.’
    1. Autonomie: ‘Het is juist onze opdracht om ons zelfstandig te ontplooien, om onze ‘kinderlijke afhankelijkheid’ te boven te komen, om uit te groeien tot onafhankelijke mensen.’
  3. Autonomie: ‘Ik ben baas in eigen buik (abortus). Ik beslis zelf over het einde van mijn leven (euthanasie).’
    1. Heteronomie: ‘Abortus en euthanasie beperken zich niet tot het eigen leven, steeds zijn er anderen betrokken partij.’
  4. Autonomie: ‘De wetenschap geeft de mens de mogelijkheden om de natuur te doorgronden en om zelfs aan de natuur de wetten op te leggen, om de natuur te dicteren wat te doen.’
    1. Heteronomie: ‘Zal het wel mogelijk zijn om de natuur volledig te doorgronden? Is er ook niet iets anders in het menselijk leven dan de louter wetenschappelijke natuur, dan het natuurwetmatige? Kan de wetenschap wel een antwoord geven op alle (menselijke) vragen?’

2. Lesimpuls bij III.1 De situering: de tijd waarin Augustinus leefde

De aflevering, Gescheiden wegen: Een dak voor migrantenvolkeren van de videoreeks Tweeduizend Jaar Christendom behandelt de turbulente tijdsperiode waarin Augustinus leefde. Die episode, in aansluiting met wat hier in III. 1 is uitgelegd, toont hoe het enerzijds een woelige tijd was op politiek en godsdienstig gebied en anderzijds eveneens een overgangsperiode was tussen de antieke Oudheid en de christelijke Middeleeuwen. (Voor meer informatie, zie hier: VI. Bibliografie)

3. Lesimpuls bij III.4 Augustinus’ denken over bekering: 4.1 Theorie

De titel van de film True Confessions (1981, Ulu Grosbard dir.) verwijst op de eerste plaats naar verschillende biechtstoelscènes in de film. De onderliggende thematiek van de film raakt echter ook aan wat Augustinus in zijn Confessiones beschrijft (en is ook in de flash back-vorm geconcipieerd). Ogenschijnlijk gaat de film over de oplossing van een moordzaak. Meer naar de diepte toe behandelt de film de relatie tussen twee broers: een jonge en ambitieuze priester Des Spellacy (Robert De Niro), met een belangrijke functie op het aartsbisdom en zijn broer Thomas Spellacy (Robert Duvall), de politie-inspecteur die de moord moet ophelderen. Des is een goede manager en maakt carrière binnen de kerkelijk hiërarchie, maar schijnt zijn contact met God verloren te hebben. Tot hij plots in een moordzaak wordt betrokken. Zijn carrière is voorbij, maar als oude man stelt hij vast dat hij juist door die gebeurtenis God gevonden heeft, rust gekregen heeft.

4. Lesimpuls bij III.4 Augustinus’ denken over bekering: 4.2 Praktijk

Veel te laat heb ik jou liefgekregen,
schoonheid,
wat ben je oud, wat ben je nieuw.
Veel te laat heb ik jou liefgekregen.
Binnen in mij was je, ik was buiten
en ik zocht jou als een ziende blinde buiten mij,
en uitgestort als water liep ik van jou weg
en liep verloren tussen zoveel schoonheid die niet jij is.
Toen heb jij geroepen en geschreeuwd,
door mijn doofheid ben jij heengebroken.
Oogverblindend ben jij opgedaagd om mijn blindheid op de vlucht te jagen.
Geuren deed jij en ik haalde adem,
nog snak ik naar adem en naar jou,
proeven deed ik jou
en sindsdien dorst ik, honger ik naar jou.
Mij, lichtgeraakte, heb jij doen ontbranden, en nu brand ik lichterlaaie naar jou toe, om vrede.
Confessiones X, 28, 38.
In dichtvorm gezet:  Huub Oosterhuis, Ik zal niet rusten, Hilversum 1979.

5. Lesimpuls bij III.4 Augustinus’ denken over bekering: 4.2 Praktijk

Hier volgen drie krantenartikels die kunnen aanzetten tot denken over de mogelijke betekenissen van de term ‘bekering’, wat de inhoud van dit begrip eigenlijk voor Augustinus is, wat het voor ons vandaag kan betekenen.

Artikel 1: Afghaan die zich bekeerde tot christendom riskeert doodstraf

In Afghanistan riskeert een man, die zich bekeerde tot het christendom, de doodstraf als hij weigert opnieuw moslim te worden overeenkomstig de islamitische wet en de charia. Dat hebben de Afghaanse juridische autoriteiten zondag verklaard. Indien Abdul Rahman wordt veroordeeld, zal hij de eerste Afghaan zijn die gestraft wordt om zich bekeerd te hebben tot een andere godsdienst sinds eind 2001 en de val van de Taliban, die de charia hebben ingevoerd en de principes ervan hebben verscherpt.



Rahman werd twee weken geleden gevangengenomen nadat verwanten de politie in kennis hadden gesteld van zijn bekering. ”Sinds vorige week staat de man voor een gewone rechtbank terecht”, zei de rechter van het opperste gerechtshof, die zich niet uitsprak wanneer het proces wordt beëindigd. Rahman riskeert de doodstraf indien hij niet opnieuw moslim wordt. De charia verbiedt iedere moslim over te stappen naar een andere godsdienst, zo voegde de rechter er nog aan toe. De grondwet van de islamitische republiek Afghanistan, goedgekeurd in januari 2004, bepaalt dat ”geen enkele wet tegenstrijdig mag zijn met de principes van de islam”. (belga) HLN 19/03/06

Artikel 2: In 2040 meer mensen in Britse moskeeën dan in kerken

In 2040 zullen de Britse moskeeën twee keer meer gelovigen tellen dan de kerken, zo blijkt uit een studie van Christian Research, een christelijke Britse vereniging. Volgens de studie zal het aantal Britten dat zich christelijk noemt terugvallen van 72 naar 35 procent terwijl het aantal Britten dat lid is van een parochie tegen 2040 zal verminderen van 9,4 naar 5 procent.

De gemiddelde leeftijd van gelovigen in de anglicaanse, katholieke en protestantse kerken zal 64 jaar bedragen. De daling van het aantal gelovigen zal op termijn leiden tot de sluiting van zo’n achttienduizend parochies, stellen de auteurs van de studie. 03/09/05   hbvl

Artikel 3: Trouwen met God

In de Belgische bisdommen leven momenteel 36 gewijde maagden: 13 in het bisdom Namen, 10 in het aartsbisdom Mechelen-Brussel, 5 in het bisdom Luik, telkens 3 in de bisdommen Antwerpen en Brugge en telkens 1 in de bisdommen Hasselt en Brussel. In het bisdom Brugge ontvangt Jes Hennion de wijding en bereidt zich nog een vrouw daarop voor. Vrouwen die toegewijd worden, zijn biddend aanwezig in de kerk en staan ten dienste van God, zijn kerk en de wereld. Het biddend aanwezig zijn bestaat uit het dagelijkse morgen- en avondgebed en de eucharistieviering. Zij kunnen daarnaast nog andere apostolische en pastorale taken opnemen.

Jes Hennion (32) ontvangt zaterdagavond in de Sint-Michielskerk in Kortrijk de maagdenwijding.  “WAAROM ik deze stap doe?” Jes Hennion lacht. “Tja, waarom worden mensen aangetrokken tot iets? Je voelt een innerlijke drang, een stem die je blijft roepen. Ik ben er zelfs kwaad op geworden, maar helpen doet dat niet. En uiteindelijk begeef je.”
 
De katholieke kerk blijft een wonderlijke instelling met wonderlijke rituelen. Neem nu de zogenaamde “maagdenwijding” of “toewijding”. Vrouwen leggen daarbij publiekelijk de gelofte van kuisheid af en beloven een celibatair, aan God toegewijd leven te leiden. Dat is de enige gelofte die ze afleggen. De geloftes van gehoorzaamheid en armoede worden niet gedaan.  “Eigenlijk keer ik met dit ritueel een beetje terug naar de wortels van de kerk”, zegt Hennion. “In de kerk van de eerste eeuwen ontvingen nogal wat gelovige vrouwen die alleen leefden deze wijding. Het kon toen zelfs voor mannen.” Maar met de opkomst en bloei van het kloosterleven verdween de maagdenwijding voor ’mensen in de wereld’. Pas sinds het Tweede Vaticaanse Concilie kunnen vrouwelijke niet-kloosterlingen opnieuw de wijding krijgen.  Niet dat het sindsdien storm loopt voor dat engagement, maar er zijn vandaag ook jonge vrouwen die zich daartoe geroepen voelen. Op dit moment zijn er in België 36 gewijde maagden.

“Het is niet alleen een terugkeer naar de roots van de kerk, het is ook een vorm van engagement die past bij deze ‘individualistische’ tijd. Als gewijde maagd blijf ik zelfstandig wonen en leven. Ik woon al jaren alleen op een appartement, als celibatair, en ik voel mij daar goed bij. Ik heb verpleegkunde gestudeerd en ben nu pastoraal werkster in een rusthuis. Dat werk blijf ik gewoon doen. Deze levensstijl past bij mij. Natuurlijk was intreden in een klooster ook een optie. Maar eerlijk gezegd: dat gemeenschapsleven was niet mijn weg.”

Toch is het delen van het geloof belangrijk voor Hennion. “Daarom ben ik ook actief in de Sint-Michielsbeweging die in 1993 opgericht is door de priesters Noël Bonte en Geert Goethals. Zij wilden het evangelie op een moderne manier naar de jongeren terugbrengen. En zij hebben ook mij bereikt.” De doelgroep van de Sint-Michielsbeweging zijn jongeren tussen 16 en 30 jaar. “Maar natuurlijk is iedereen die komt, welkom. Wij bereiken in het zuiden van West-Vlaanderen op regelmatige basis honderden jongeren en jonge gezinnen. In de eerste plaats vieren wij samen eucharistie, waarbij iedereen uitgenodigd wordt te zingen. Daarna komen we samen in het oude jezuïetenklooster van Kortrijk. We verdelen ons in verschillende leeftijdsgroepen en we praten samen, of we spelen tafelvoetbal. We willen jonge mensen vormen zodat ze zich als christen in de maatschappij van nu kunnen handhaven.” Het hart van die Sint-Michielsbeweging is de sociëteit van Sint-Michiel, die pas erkend is door de Brugse bisschop, Roger Vangheluwe, als nieuwe beweging. De sociëteit bestaat uit vijf mannen en vrouwen die ongehuwd willen blijven. “De leden van de sociëteit wonen zelfstandig, maar blijven elkaar ondersteunen, net zoals in het begin van de kerk”, zegt Bonte. “Wij komen dagelijks samen voor het gebed. We zetten ons speciaal in voor de jongeren en de armen.” De nieuwe bewegingen typeren de kerk van nu, aldus Bonte. “Paus Benedictus schreef enkele jaren geleden dat de kerk zich elke twee, drie eeuwen vernieuwt. Tweehonderd jaar geleden ontstonden veel congregaties en kloosterordes. Nu zijn het de nieuwe bewegingen.”

Hennion vindt de wijding belangrijk. “Natuurlijk zou ik evengoed niét voor een wijding kunnen kiezen, en toch een goede gelovige zijn, maar dat is niet hetzelfde. Ik vergelijk het met een verliefd paar. Die kunnen gewoon samenwonen, of voor de kerk in het huwelijk treden. Dat laatste vind ik mooier. Ik woon al samen met God, maar een verbintenis maakt het volmaakter. Qua ritueel heeft zo’n wijding trouwens veel weg van een huwelijk. Met een misviering, waarin ik van de bisschop niet alleen een brevierboek krijg, maar ook een ring die ik mijn hele leven moet dragen.”

“Of er mensen zijn die mij voor gek verklaren? Ik krijg eigenlijk vooral positieve reacties. Collega’s tonen veel respect en ook mijn ouders steunen mij. Zij hebben lang genoeg voelen aankomen dat dit de richting was die ik uit wilde. Natuurlijk bestaat de kans dat ik spijt krijg van mijn keuze. Maar het is de bedoeling dat ik volhoud. Het mag geen losse flodder blijven.” Zaterdag 04 februari 2006 © Violet Corbett Brock - VUM

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

6. Lesimpuls bij III.4 Augustinus’ denken over bekering: ‘de verloren zoon’

1. De parabel van de ‘verloren zoon’: Lc. 15, 11-32

[11] Vervolgens zei hij: ‘Iemand had twee zonen. [12] De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen onder hen. [13] Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte. [14] Toen hij alles had uitgegeven, werd dat land getroffen door een zware hongersnood, en begon hij gebrek te lijden. [15] Hij vroeg om werk bij een van de inwoners van dat land, die hem op het veld zijn varkens liet hoeden. [16] Hij had graag zijn maag willen vullen met de peulen die de varkens te eten kregen, maar niemand gaf ze hem. [17] Toen kwam hij tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. [18] Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, [19] ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.” [20] Hij vertrok meteen en ging op weg naar zijn vader. Zijn vader zag hem in de verte al aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af, viel hem om de hals en kuste hem. [21] “Vader,” zei zijn zoon tegen hem, “ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden.” [22] Maar de vader zei tegen zijn knechten: “Haal vlug het mooiste gewaad en trek het hem aan, doe hem een ring aan zijn vinger en geef hem sandalen. [23] Breng het gemeste kalf en slacht het. Laten we eten en feestvieren, [24] want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.” En ze begonnen feest te vieren. [25] De oudste zoon was op het veld. Toen hij naar huis ging en al dichtbij was, hoorde hij muziek en gedans. [26] Hij riep een van de knechten bij zich en vroeg wat dat te betekenen had. [27] De knecht zei tegen hem: “Uw broer is thuisgekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.” [28] Hij werd woedend en wilde niet naar binnen gaan, maar zijn vader kwam naar buiten en trachtte hem te bedaren. [29] Hij zei tegen zijn vader: “Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. [30] Maar nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.” [31] Zijn vader zei tegen hem: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou. [32] Maar we konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood en is weer tot leven gekomen. Hij was verloren en is teruggevonden.”’

2. Visualisering door Rembrandt: De ‘verloren zoon’


Rembrandt: de feestvierende ‘verloren zoon’.


Rembrandt: de terugkeer van de ‘verloren zoon’.

3. Andere getuigenissen

Men kan in deze context steeds ook de rubriek “De Verloren Zoon” uit de krant ‘De Standaard’ raadplegen voor andere getuigenissen, voor andere beschouwingen in het algemeen over onderwerpen uit de brede zingevingswereld en meer specifiek over bekering en genade. http://www.standaard.be/Archief/Dossiers/Index.aspx?dossierId=506

7. Lesimpuls bij III.4 Augustinus’ denken over bekering: De bekering van Paulus

1. De bekering van Paulus: Hnd. 9, 1-22

[1] Intussen bedreigde Saulus de leerlingen van de Heer nog steeds met de dood. Hij ging naar de hogepriester [2] met het verzoek hem aanbevelingsbrieven mee te geven voor de synagogen in Damascus, opdat hij de aanhangers van de Weg die hij daar zou aantreffen, mannen zowel als vrouwen, gevangen kon nemen en kon meevoeren naar Jeruzalem. [3] Toen hij onderweg was en Damascus naderde, werd hij plotseling omstraald door een licht uit de hemel. [4] Hij viel op de grond en hoorde een stem tegen hem zeggen: ‘Saul, Saul, waarom vervolg je mij?’ [5] Hij vroeg: ‘Wie bent u, Heer?’ Het antwoord was: ‘Ik ben Jezus, die jij vervolgt. [6] Maar sta nu op en ga de stad in, daar zal je gezegd worden wat je moet doen.’ [7] De mannen die met Saulus meereisden, stonden sprakeloos; ze hoorden de stem wel, maar zagen niemand. [8] Saulus kwam overeind, en hoewel hij zijn ogen open had, kon hij niets zien. Zijn metgezellen pakten hem bij de hand en brachten hem naar Damascus. [9] Drie dagen lang bleef hij blind en at en dronk hij niet. [10] In Damascus woonde een leerling die Ananias heette. In een visioen zei de Heer tegen hem: ‘Ananias!’ Hij antwoordde: ‘Ik luister, Heer.’ [11] Daarop zei de Heer: ‘Ga naar de Rechte Straat en vraag daar in het huis van Judas naar iemand uit Tarsus die Saulus heet. Hij is aan het bidden, [12] en hij heeft in een visioen gezien hoe een man die Ananias heet, binnenkomt en hem de handen oplegt om hem weer te laten zien.’ [13] Ananias antwoordde: ‘Heer, van veel kanten heb ik gehoord over deze man en over al het kwaad dat hij uw heiligen in Jeruzalem heeft aangedaan. [14] Bovendien heeft hij toestemming van de hogepriesters om hier iedereen die uw naam aanroept in de boeien te slaan.’ [15] Maar de Heer zei: ‘Ga, want hij is het instrument dat ik gekozen heb om mijn naam uit te dragen onder alle volken en heersers en onder al de Israëlieten. [16] Ik zal hem tonen hoezeer hij moet lijden omwille van mijn naam.’ [17] Ananias vertrok en ging naar het huis, waar hij Saulus de handen oplegde, terwijl hij zei: ‘Saul, broeder, ik ben gezonden door de Heer, door Jezus, die aan u verschenen is op de weg hierheen, om ervoor te zorgen dat u weer kunt zien en vervuld wordt van de heilige Geest.’ [18] Meteen was het alsof er schellen van Saulus’ ogen vielen; hij kon weer zien, stond op en liet zich dopen, [19] en nadat hij gegeten had, kwam hij weer op krachten. Hij bleef enkele dagen bij de leerlingen in Damascus [20] en ging onmiddellijk in de synagogen verkondigen dat Jezus de Zoon van God is. [21] Allen die hem hoorden waren stomverbaasd en vroegen: ‘Dat is toch de man die in Jeruzalem de volgelingen van die Jezus naar het leven stond, en hij is toch hierheen gekomen om hen gevangen te nemen en uit te leveren aan de hogepriesters?’ [22] Saulus’ optreden werd echter steeds krachtiger, en hij bracht de in Damascus wonende Joden in verwarring door aan te tonen dat Jezus de messias is.

2. Visualisering door Caravaggio: De bekering van Paulus


Carravagio: de bekering van Paulus – eerste versie.


Carravagio: de bekering van Paulus – tweede versie.

8. Lesimpuls bij III.5 Augustinus’ denken over vriendschap: 5.2 Praktijk

Eigenlijk kunnen de verschillende tekstfragmenten uit de Confessiones geciteerd in III. 5. 2 en 5. 3 (over vriendschap en liefde) beschouwd worden als lesimpuls, waarbij de bijhorende toelichtingen kunnen fungeren als didactische oriëntatie. Bijkomende lesimpulsen bij Augustinus’ denken over vriendschap zijn de volgende:

1. Twee evangelieteksten over vriendschap

Lc. 11, 5-8.
[5] Daarop zei Hij tegen hen: ‘Stel dat je midden in de nacht naar één van je vrienden gaat om te vragen: “Vriend, leen me drie broden [6] want een vriend van me is na een lange reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten.” [7] Zou die ander daarbinnen antwoorden: “Val me niet lastig. De deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen in bed. Ik kan niet opstaan om je ze te geven”? [8] Welnee, hij staat op en geeft je wat je nodig hebt; is het niet omdat je zijn vriend niet bent, dan toch vanwege je vrijpostigheid.’

Joh. 15, 13-15.
[13] De grootste liefde die iemand zijn vrienden kan betonen, bestaat hierin dat hij zijn leven voor hen geeft. [14] Mijn vrienden zijn jullie, maar dan moeten jullie ook doen wat Ik jullie opdraag. [15] Voor mij zijn jullie geen dienstknechten meer: een knecht heeft geen begrip van wat zijn meester doet. Vrienden noem Ik jullie, omdat Ik alles wat Ik van de Vader heb vernomen, aan jullie heb meegedeeld.

2. Twee songs over vriendschap

Afscheid van een vriend – Clouseau.
beluister snelle / trage verbinding

Afscheid van vriend.
Alles is voorgoed gedaan.
Als jij er klaar voor bent.
‘k Heb aan je zijde gestaan.
Mijn God, ik heb je graag gekend.

Ik blijf nu hier, jij gaat naar daar.
En daar is niet zo ver van hier.
We spreken af, ik weet niet waar.
En daar ontmoeten we elkaar.

Zonder jou tikt de klok even snel.
Maar de tijden veranderen wel.
Dus ik neem afscheid, jij moet nu gaan.
Weet dat je in m’n hart altijd blijft voortbestaan.

Slaap zacht, je hebt het verdiend.
Je vocht tot aan je laatste zucht.
En ga, ga nu m’n vriend.
En droom voor eeuwig opgelucht.

Net zoals vroeger kom je wel terecht.
Ik weet, je vindt een thuis heel gauw.
En ik herhaal wat jij me ooit hebt gezegd.
In m’n hart blijf ik je trouw.

Zonder jou…

En ik weet, ik zou dankbaar moeten zijn.
Maar precies daarom doet het zo’n pijn.

Zonder jou…

We zullen doorgaan – Ramses Shaffy.
beluister snelle / trage verbinding

We zullen doorgaan.
Met de stootkracht.
Van de milde kracht.
Om door te gaan.
In een sprakeloze nacht.
We zullen doorgaan.
We zullen doorgaan.
Tot we samen zijn.

We zullen doorgaan.
Met de wankelende zekerheid.
Om door te gaan.
In een mateloze tijd.
We zullen doorgaan.
We zullen doorgaan.
Tot we samen zijn.

We zullen doorgaan.
Met het zweet op ons gezicht.
Om alleen door te gaan.
In een loopgraaf zonder licht.
We zullen doorgaan.
We zullen doorgaan.
Tot we samen zijn.

We zullen doorgaan.
Telkens als we stil staan.
Om weer door te gaan.
Naakt in de orkaan.
We zullen doorgaan.
We zullen doorgaan.
Tot we samen zijn.

We zullen doorgaan.
Als niemand meer verwacht.
Dat we weer doorgaan.
In een sprakeloze nacht.
We zullen doorgaan.
We zullen doorgaan.
Tot we samen zijn.

9. Lesimpuls bij III. 6. Besluit: Genade als leessleutel

Hier volgen vijf cartoons die aanleiding geven tot discussie en vragen over het begrip genade: wat kan genade betekenen, wat betekende het voor Augustinus en wat kan het voor ons betekenen?

10. Lesimpuls bij het geheel van dit hoofdstuk: enkele passages uit de Confessiones als leesoefening

Om het verwerken van dit hoofdstuk te bevorderen, worden hier een aantal andere tekstfragmenten uit de Confessiones toegevoegd.

En toch wil dit nietige deeltje van uw schepping, deze mens, u prijzen. U zorgt ervoor dat hij daar vreugde in vindt, want u hebt ons zo gemaakt, dat wij naar u toe willen gaan, en ons hart kent geen rust, totdat het rust vindt in u.  Confessiones I, 1, 1.

Ik wil u binnenroepen omdat ik in u geloof, want u bent ons verkondigd. In mijn geloof roep ik u binnen, Heer, het geloof dat u mij hebt gegeven, dat u mij als levensadem hebt geschonken , […] . Confessiones I, 1, 1.

O Heer onze God, laat ons onder de bescherming van uw vleugels ons hopen. Bescherm ons en draag ons. U zal ons dragen. U zal de kleinen dragen en tot aan onze oude leeftijd zal u ons dragen. Want wanneer u onze sterkte bent, dan is het sterkte. Wanneer echter de sterkte onze eigen sterkte is, is het zwakheid. Bij u leeft altijd ons goed, en omdat wij ons daarvan hebben afgekeerd, zijn wij verkeerd geworden. Terugkeren willen wij nu Heer, om niet ten gronde te gaan, want bij u leeft ons goed zonder ooit te verminderen en dat goed bent u zelf. En wij zijn niet bevreesd dat er geen plaats meer zal zijn waarheen wij terug kunnen gaan, want wij zijn het die van die plaats vervallen zijn geraakt, en al zijn wij afwezig, er komt geen verval aan ons huis, uw eeuwigheid. Confessiones IV, XVI, 31.

De dialogen van Plato moedigden mij aan om terug te keren naar mijzelf, en onder uw leiding ging ik mijn binnenste binnen. Ik kon dat, omdat u mijn helper was geworden. Ik ging dus naar binnen en met een soort oog van mijn ziel zag ik boven dat oog van mijn ziel, boven mijn geest, een onveranderlijk licht. Het was geen gewoon licht zoals iedere sterveling dat kan zien. […] Nee, dat licht was hoger, want het had mij geschapen, en ik was lager, want ik was door dat licht geschapen. Confessiones VII, 10, 16.

[…] U bracht me naar mijzelf terug, Heer. U haalde mij achter mijn eigen rug vandaan, waar ik was gaan staan om niet naar mezelf te hoeven kijken, en u bracht me oog in oog met mezelf om me te laten zien hoe onooglijk ik was, hoe misvormd en vuil, vol vlekken en zweren. Ik zag het en huiver beving me, maar ik kon geen kant op om mezelf te ontvluchten. Ik deed mijn best om niet naar mezelf te kijken. Confessiones VIII, 7, 16.

Maar uw rechterhand heeft de diepte van mijn dood gepeild en het bedorven water op de bodem van mijn hart weggeschept. En dit was waar het allemaal om draaide: niet meer willen wat ikzelf wil, maar alleen willen wat u wilt. […] Wat een opluchting was het om opeens van de kleverige zoetigheid van die onbenulligheden af te zijn! En zo bang als ik eerst was geweest om ze op te moeten geven, zo blij was ik nu dat ik ze los kon laten. U gooide ze voor mij weg en in hun plaats kwam u zelf bij mij binnen, u, die aangenamer bent dan welk genot dan ook, […] Eindelijk was mijn geest vrij van die knagende zorgen van ambitie, van geld, van het steeds maar denken aan en het krabben van de jeuk van mijn begeerten. Confessiones IX, 1, 1.

Wat hebben wij mensen met allerlei vormen van kunst en handwerk op het gebied van kleding, schoeisel, vaatwerk en al dat soort producten, aan schilderingen en verschillende soorten beelden toch ontzagelijk veel mooie dingen gemaakt om naar te kijken! Daarmee schieten we wel voorbij aan het doel waarvoor we dat alles maken, want we vergeten de ware betekenis ervan en gaan alle perken te buiten. Vanbuiten lopen we weg met wat we maken, vanbinnen lopen we weg van u door wie we gemaakt zijn. Daarmee maken we datgene stuk wat u met ons voor ogen had. Maar ik, mijn God en mijn trots, ik zing ook hierom een loflied voor u, ik breng een dankoffer aan u die mij heiligt. Waarom? Omdat al die mooie dingen die via de ziel van de kunstenaar naar zijn handen gaan, afkomstig zijn van de schoonheid die alle zielen te boven gaat. Dat is de ware schoonheid waarnaar mijn ziel dag en nacht verlangt. Daardoor weten de makers en bewonderaars van al die dingen die zo mooi zijn voor het oog, wel of iets mooi is of niet, maar niet hoe ze ermee moeten omgaan. Het criterium om dat te kunnen bepalen, ligt bij u. Maar ze zien niet, en daarom gaan ze ook steeds maar verder. Zo komt het dat ze hun talent niet voor u bewaren, maar dat ze het vergooien aan hun overdadige genotzucht. Confessiones X, 34, 53.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

V. Didactische suggesties

1. Didadictische suggesties bij II De vraagstelling: autonomie of heteronomie

- Vooraleer de discussie over de stellingen te beginnen, is het goed om het spanningsveld tussen autonomie en heteronomie te concretiseren, bijvoorbeeld door de casus van leerlingen/studentenparticipatie binnen de school, binnen het onderwijs.

  1. De scholen en het onderwijs zijn er essentieel voor de leerlingen/studenten. In welke mate zijn de leerlingen/studenten autonoom? Ze hebben dikwijls een grote vrijheid om zelf een studierichting te kiezen en/of om zelf een lessenpakket samen te stellen. Die mate van autonomie van de leerlingen/studenten kan eventueel ook meer extreme proporties aannemen. Hebben de leerlingen/studenten zelf het recht om te bepalen of ze hun opdrachten maken, kunnen ze zelf bepalen of een vak interessant is of niet?
  2. Heeft het onderwijs een heteronoom aspect? Onderwijs dient immers om datgene te leren wat men nog niet weet of kan: leerlingen/studenten zijn in die zin afhankelijk van leerkrachten/docenten. Of staan het onderwijs en de scholen volledig in het teken van heteronomie: ouders en leerkrachten/docenten bepalen de studierichting zonder inspraak van de leerling/student, leerkrachten/docenten en directie houden geen rekening met de verzuchtingen en inzichten van de leerlingen/studenten?
  3. Of is het eerder een kwestie van evenwicht tussen autonomie en heteronomie, een dialoog tussen leerlingen/studenten en leerkrachten/docenten? Kunnen ze wederzijds inzichten uitwisselen?

- Vervolgens kunnen de verschillende stellingen bediscussieerd worden en kunnen de leerlingen uitgenodigd worden zelf voorbeelden aan te dragen, uit hun eigen ervaringenwereld en uit de actualiteit. Hiervoor kunnen ze beroep doen op kranten, tijdschriften, het web. Hierbij moeten ze steeds op zoek gaan naar het spanningsveld: bij een autonome stellingname moeten ze proberen de mogelijke heteronome tegenhanger te formuleren en vice versa. Hierbij moeten ze tevens steeds oog hebben voor een mogelijk evenwicht tussen autonomie en heternomie in de concrete casus.

2. Didadictische suggesties bij III.1 De situering: de tijd waarin Augustinus leefde

De volgende drie vragen hebben een dubbele bedoeling: (1) De gelijkenissen laten aanvoelen tussen de tijd van Augustinus en de hedendaagse tijd. (2) Komen tot het inzicht dat de tijdscontext waarin men leeft steeds ook invloed uitoefent op het eigen leven en de persoonlijke beslissingen. Dit is zowel het geval voor Augustinus als voor ieder van ons.

  1. Kan het tijdperk waarin Augustinus leefde vergeleken worden met onze tijd? Aan welke vergelijkbare elementen denk je? Kan er in onze tijd ook een woeligheid, onzekerheid, onrust ervaren worden? Hoe en wanneer wordt dit ervaren? Zijn er oplossingen mogelijk voor die onrust en onzekerheid?
  2. Kan er gesteld worden dat wij ook in een overgangsperiode leven? Waar komen we vandaan en waar gaan we naar toe?
  3. Kan een onzekere en woelige tijdsperiode invloed hebben op iemands leven, op iemands keuzes en beslissingen? Waarom? Hoe?

3. Didadictische suggesties bij III.4 Augustinus’ denken over bekering: 4.1 Theorie

Hoe kan de titel van de film True Confessions verklaard worden? Waar liggen de banden (1) met het levensverhaal van Augustinus (wat betreft de feiten en de gebeurtenissen), (2) met de Confessiones van Augustinus (als een speciale vorm van autobiografie waarin niet de feiten primeren maar waar de persoonlijke beleving het verhaal vertelt)? Welke van de twee broers kan vergeleken worden met Augustinus? Of hebben veeleer beide broers op hun eigen manier een soort bekeringservaring meegemaakt die vergelijkbaar is met Augustinus? Voor een discussie meer naar de diepte over deze film is het aan te raden om de hermeneutische knooppunten van de mogelijkheden van de mens, de beleving en de structuur van het menselijk leven, de innerlijke rust, vriendschap en liefde, bekering en genade als vragen naar deze film toe te formuleren.

4. Didadictische suggesties bij III.4 Augustinus’ denken over bekering: 4.2 Praktijk.

Laat de leerlingen eerst brainstormen over dit gedicht, zonder hen echter onmiddelijk de auteur en de bedoeling te onthullen. De passionele aard zal hen wel snel duidelijk zijn. Vervolgens kan je er hen op wijzen dat dit een fragment is uit Augustinus’ Confessiones. Probeer nu met de leerlingen te achterhalen wat Augustinus’ bedoeling is met deze tekst en tot wie het gericht is om tot de conclusie te komen dat het eigenlijk een gebed is en Augustinus zich tot God richt. Tenslotte kan deze tekst binnengebracht worden binnen de inhoud van bekering en genade: In passionele bewoording vertelt Augustinus dat hij God verkeerdelijk buiten zocht. Hij zocht in de wereld, hij zocht tussen de schepselen. God, de Schepper, bevindt zich echter niet buiten de mens maar in de mens. Hierover bleef Augustinus onwetend. Augustinus kwam maar tot dit besef doordat God Zelf hem binnenriep. Gods roepen maakt Augustinus’ inkeer mogelijk. God doet de eerste zet: genade. Dat ontdekken van God doet in Augustinus de liefde voor God ontbranden: een steeds groter verlangen naar God.

Deze tekstpassage uit de Confessiones kan vergeleken worden met de volgende tekst van de 17e eeuwse natuurkundige en filosoof Blaise Pascal:

Het genadejaar 1654, maandag 33 november –
vanaf ongeveer half elf ’s avonds tot ongeveer half één ’s nachts.
Vuur.
God van Abraham, God van Isaak, God van Jakob.
Niet de God van filosofen en geleerden.
Zekerheid. Zekerheid.
Gevoel.
Vreugde.
Vrede. Vrede.
God van Jezus Christus.

Blaise Pascal had deze tekst genoteerd op een stukje perkament dat hij in de zoom van zijn mantel had genaaid. Telkens hij van mantel veranderde, verstak hij ook dit stukje perkament. Hierover sprak Pascal met niemand zolang hij leefde. Pas na zijn dood heeft men deze tekst ontdekt.

5. Didadictische suggesties bij III.4 Augustinus’ denken over bekering: 4.2 Praktijk

- Wat leren artikel 1 en artikel 2 ons over het woord bekering? Het is opvallend dat er de laaste tijd heel wat westerlingen, die veelal christelijk opgevoegd waren, zich bekeren tot de Islam. Het omgekeerde, moslims die zich bekeren tot het christendom – met de uitzondering van Abdul Rahman van het eerste artikel –, gebeurt bijna nooit. Waarom bekeren westerlingen zich tot de Islam? Waarom lopen de christelijke kerken in het westen tezelfdertijd leeg? Wat hopen westerlingen in de Islam te vinden? Is het een zoektocht naar zekerheid binnen een tijd van onzekerheid? Is het een verinnerlijkingsbeweging? Wat moeten we in deze context denken van de tendens dat seculiere moslimjongeren zich ‘bekeren’ tot de traditionele beleving van hun religie, dat ze naar de ‘roots’ terugkeren? Kan hun terugkeer naar een nauwgezette naleving  van de religieuze voorschriften vergeleken worden met Augustinus’ verinnerlijkingsbeweging?
- De westerse kerken lopen leeg. Tegelijk hebben we het verhaal van de Vlaamse jonge vrouw Jes Hennion in artikel 3.  Ook dit kan een bekering genoemd worden. Is dit eenzelfde soort bekering als die van het vorige punt (bij artikel 1 en 2)? Merk je de gelijkenissen tussen het interview met Jes Hennion en de manier waarop Augustinus zijn bekering beschrijft en beleeft. Net zoals Augustinus spreekt Jes Hennion over bekering als ‘innerlijke drang, een stem die je blijft roepen’: God roept van binnenuit tot bekering. Vervolgens is er het verzet tegen die bekering. Augustinus komt er maar niet toe zich te bekeren, maar geeft uiteindelijk toe: eerst verzet, dan overgave. Jes Hennion vertelt op dezelfde wijze: “Ik ben er zelfs kwaad op geworden (op die stem), maar helpen doet dat niet. En uiteindelijk begeef je.” Augustinus gaf deze bekering concreet gestalte door zich te laten dopen en zich later tot priester te laten wijden. Jes Hennion opteert voor de maagdenwijding. Daar stopt het echter niet mee. Voor beiden is het de aanzet tot een volledig leven van toewijding. De bekering, de toewijding manifesteert zich in het volledige leven van de mens, in een levenslang engagement.
- Is de bekeringservaring – het gevoel van het fundamenteel veranderen van het eigen denken en leven – een universele ervaring? Kan je je iets voorstellen bij de introspectiebeweging, de verinnerlijking die Augustinus beschrijft?

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

6. Didadictische suggesties bij III.4 Augustinus’ denken over bekering: ‘de verloren zoon’

De verwerking van deze Schrifttekst kan langs twee sporen gebeuren:

  1. Vanuit de volgende dubbele vraagstelling: Wat is de band is tussen dit verhaal van ‘de verloren zoon’ en het leven van Augustinus, zowel met het feitelijke leven van Augustinus als de neerslag daarvan in de Confessiones? Wat is het belang van deze Schriftpassage voor het denken van Augustinus over bekering? (Zie III. 4. Augustinus’ denken over bekering: 4. 1 Theorie.)
  2. Vanuit Rembrandts schilderijen. Rembrandt schilderde zowel de ‘braspartijen’ (schilderij 1) als de ‘thuiskomst’ van de ‘verloren zoon’ (schilderij 2). Merk je het verschil tussen beide schilderijen? Versta je de emoties die Rembrandt in verf bracht? Enerzijds is er het oppervlakkige plezier, ietwat grof uitgebeeld. (Dit is trouwens een zelfportret van Rembrandt. Net als Augustinus beschouwde Rembrandt zichzelf als afgedwaald.) Anderzijds is er de intimiteit en tederheid van de opgeluchte zoon die zich toevertrouwt aan zijn bekommerde vader, geschilderd in warme kleuren.

7. Didadictische suggesties bij III.4 Augustinus’ denken over bekering: De bekering van Paulus

De bekering van Saulus tot Paulus is paradigmatisch voor Augustinus. Saulus vervolgde de christenen. Christus zegt zelfs tot Saulus dat hij Hem vervolgt. Een grotere zonde, een grotere afdwaling kan er volgens Augustinus niet bestaan dan het vervolgen van Christus zelf. Toch bekeert deze vervolger zich en wordt een ijverige verkondiger van het geloof. Dit gebeurt door een plotse bekering. Saulus wordt van zijn paard geslingerd, hoort Christus tot hem spreken en wordt verblind. Na een reflectieperiode krijgt Saulus het zicht terug: hij heeft zich bekeerd, hij is Paulus geworden. Zoals in de vorige didactische suggestie, kan de verwerking van deze Schrifttekst kan langs twee sporen gebeuren:

  1. Vanuit de volgende dubbele vraagstelling: Wat is de band is tussen het verhaal van de bekering van Saulus tot Paulus en het leven van Augustinus, zowel met het feitelijke leven van Augustinus als de neerslag daarvan in de Confessiones? Wat is het belang van deze Schriftpassage voor het denken van Augustinus over bekering? (Zie III. 4. Augustinus’ denken over bekering: 4. 1 Theorie.)
  2. Vanuit de twee schilderijen van Carravagio. De schilder Caravaggio kreeg de opdracht deze bekeringsscène te schilderen voor de kerk van Santa Maria del Popolo in Rome, een kerk van de augustijnen (religieuzen die leven volgens de voorschriften die Augustinus had opgesteld voor zijn eigen religieuze gemeenschap). De augustijnen weigerden echter de eerste versie (schilderij 1), waarna Caravaggio een tweede versie (schilderij 2), totaal verschillend van de eerste, schilderde. Herken je in deze schilderijen en de tekst van Paulus’ bekering de parallellen met Augustinus’ persoonlijk bekeringsverhaal en met zijn theorie van de bekering (afdwaling – bekering: afkering, ommekering, toekering – genade)? Merk je het verschil tussen de eerste versie (schilderij 1) en de tweede versie  (schilderij 2) van Caravaggio: misschien een verschil in genade-opvatting, of misschien een verschillende ‘momentopname’, ‘fase’ binnen de bekeringservaring?

8. Didadictische suggesties bij III.5 Augustinus’ denken over vriendschap: 5.2 Praktijk

- Augustinus’ denken is steeds door de Bijbel bepaald. Kan je de link leggen tussen Augustinus’ opvatting over vriendschap en Lc. 11, 5-8 en Joh. 15, 13-15?
- We zullen doorgaan, een lied van Ramses Shaffy, en Afscheid van een vriend, van Clouseau, bezingen de vriendschap. Als je naar die songs luistert en hun tekst leest, kan je dan zeggen of er aanknopingspunten zijn met Augustinus’ beschrijving van vriendschap: stijl, taal, inhoud? Wat betekent vriendschap voor Shaffy en Clouseau? Hoe gelijkt hun opvatting over vriendschap op die van Augustinus? Met welke woorden en beelden beschrijven ze vriendschap? Hoe gelijken ze hierbij op Augustinus?
- Passen de songs het best bij Augustinus’ vroege opvatting over vriendschap of bij zijn latere, nadat hij de genade op het spoor is gekomen?
- Vergelijk Afscheid van een vriend met wat Augustinus schrijft over de dood van zijn vriend (Confessiones IV, 4, 7 en IV, 8, 13 in III. 5: 5. 2). Vóór zijn bekering is Augustinus’ verdriet en rouw om zijn overleden vriend heel groot. Na zijn bekering komt Augustinus tot het inzicht dat er in vriendschap een overstijgend element is, dat vriendschap eigenlijk niet stopt bij de dood daar God oorsprong en doel van alle vriendschap is. In welke mate zijn deze twee elementen (enerzijds rouw, verdriet, pijn en anderzijds het vertrouwen dat de dood niet het einde is van de vriend en de vriendschap) aanwezig in het lied van Clouseau? Kun je Augustinus begrijpen wanneer die zegt dat echte vriendschap zo diep is dat de dood niet het einde van die vriendschap hoeft te zijn?
- Vergelijk We zullen doorgaan met het door Oosterhuis in gedicht gezette Confessiones X, 28, 38 (in lesimpuls 4). Beide teksten zijn in dezelfde passionele en gedreven stijl geschreven. Shaffy zingt tot een vriend, Augustinus bidt tot God. Waar liggen de gelijkenissen? Met de vergelijking tussen het lied van Shaffy en het gebed van Augustinus komt duidelijk naar voren dat God voor Augustinus een wezenlijke factor is binnen menselijke relaties.

9. Didadictische suggesties bij III.6 Besluit: Genade als leessleutel

- Vragen over genade naar aanleiding van de cartoons: Deze cartoons zijn afkomstig uit eerder conservatieve, strikt orthodoxe christelijke bladen en websites. Welke interpretatie van genade tonen deze cartoons? Hoe doen ze dat? Wat zou Augustinus van deze cartoons denken? Zou Augustinus ze volledig gelijk geven of zou hij tegen bepaalde elementen bezwaar maken? Wat denken wij van deze cartoons? Wat leren ze ons over genade? Welke van deze cartoons kunnen wij volgen en welke niet? In welke mate zijn wij het wel en niet eens met deze cartoons? In welke mate tonen deze cartoons een waarheid over genade – zowel voor Augustinus als voor ons vandaag – maar overdrijven ze onmiddellijk die waarheid, zijn ze onmiddellijk te extreem.
- Verdiepingsvragen over genade: Heeft het genade-concept van Augustinus enkel zin en betekenis in zijn tijd, in een strikt religieuze context? Of is het veeleer een universele ervaring, mogelijk in alle contexten en tijden? Kan dit ook iets betekenen voor onze tijd, onze West-Europese context waar religie geen dominante rol meer speelt? Is dit enkel een naïf bijgeloof, het kinderlijk geloof in een bewaarengel of een Sinterklaas die cadeautjes uitdeelt? Of zitten er toch herkenbare elementen in? Misschien kunnen we denken aan een muziekstuk waarvan de schoonheid de optelsom van de noten en het ritme overstijgt. Of aan een vergezicht, een bergpanorama dat meer is dan een geheel van biologische entiteiten en rotsmassa’s.

10. Didadictische suggesties bij enkele leesoefeningen: passages uit de Confessiones

De oefening bestaat er in om, afzonderlijk of in groep, deze fragmenten uit de Confessiones te kaderen binnen dit hoofdstuk. Best wordt hierbij het volgende vierstappenplan gevolgd:
Stap 1: Ontvankelijke leeshouding: Het eigen denken wordt opgeschort en men laat de tekst zelf spreken. De tekst komt op de eerste plaats.
Stap 2: Tekstueel begrip: Het tekstfragment wordt gekaderd in het grotere geheel van het specifieke geschrift van Augustinus en binnen zijn leven. Wat is de bedoeling van het geschrift en welke plaats neemt het in binnen Augustinus’ denken? Vervolgens wordt de innerlijke structuur en samenhang van het fragment gezocht. Wat is het belangrijkste woord, de dragende zin van het fragment? Hoe is de kerngedachte van de tekst kort samen te vatten? Vanuit die kern worden de verschillende onderdelen van de tekst gesitueerd en geduid.
Stap 3: Persoonlijk begrip: Hoe ervaar ik de tekst, wat trekt aan, stoot af, is (on)herkenbaar voor mij, … Vervolgens kan een groepsgesprek komen: luisteren en leren van andere interpretaties. Is het hierbij mogelijk om te komen tot een gemeenschappelijke interpretatie?
Stap 4: Evaluatie: Wat hebben we precies bijgeleerd doorheen de vorige drie fasen?

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

VI. Bibliografie, werkinstrumenten, internet, beeldmateriaal

Voor wie meer wil weten over een specifiek thema binnen Augustinus’ denken en schrijven, verwijs ik naar twee Augustinus-encyclopedieën. Aan de hand van verschillende lemmata worden diverse onderwerpen uit het denken en schrijven van Augustinus behandeld, telkenmale door een specialist ter zake, met oog zowel voor de vindplaatsen in de geschriften van Augustinus zelf als voor de studies die daar later over gemaakt zijn: het Augustinus-Lexikon (Mayer C. (ed.), Basel 1986-2006), een project dat nog gaande is (Engels, Frans, Duits) met een heel wetenschappelijke aanpak, en in het Engels Augustine through the Ages. An Encyclopedia (Fitzgerald A. D. (ed.), Grand Rapids/Cambridge 1999), dat wetenschappelijkheid en beknoptheid combineert. Om meer te weten over de thema’s die in dit hoofdstuk aan  bod kwamen, kunnen de volgende lemmata (respectievelijk) geraadpleegd worden: Confessiones, gratia/grace, amicitia/friendship, conversio/conversion.

De Confessiones is geen biografie in de strikte zin van het woord. De oudste, meer feitelijke, levensbeschrijving is geschreven door Possidius, een vriend van Augustinus zelf.  Deze vita (Latijn voor ‘het leven’) van de hand van Possidius is vertaald door Tars van Bavel naar aanleiding van het eeuwfeest van Augustinus’ bekering (Veel te laat heb ik jou liefgekregen, Heverlee 1986). Veruit de meest uitmuntende en volledige biografie is samengesteld door de onlangs overleden Serge Lancel (Saint Augustin, Paris 1999), dit werk is nog niet naar het Nederlands vertaald. Wel beschikbaar in het Nederlands zijn de Augustinus-biografieën gemaakt door Vera Paronetto - situering van Augustinus’ zoektocht binnen de historische context van zijn tijd - (Augustinus: de boodschap van een leven, Averbode 1991), Peter Brown - op een journalistieke wijze - (Augustinus van Hippo, Amsterdam 1992), Garry Willis - vanuit hedendaags filosofisch en psychologisch perspectief - (Augustinus, Amsterdam 2001). Bij deze opsomming mogen twee, ietwat oudere werken, niet vergeten worden: Frits van der Meer (Augustinus zielzorger: een studie over de praktijk van een kerkvader, Utrecht 1947) en Alexander Sizoo (Augustinus: leven en werk, Kampen 1957). Beide getuigen van een grondige kennis van Augustinus, Sizoo heeft onder andere vele werken van Augustinus naar het Nederlands vertaald, en weten op een fascinerende wijze verschillende elementen uit Augustinus’ leven en schrijven samen te brengen. Heel handig en snel te gebruiken is de brochure Augustinus bisschop van Hippo. Beknopt overzicht van zijn leven en werk door Hans van Reisen (Eindhoven 2002).

Gerard Wijdeveld zorgde voor de vertaling van de Confessiones naar het Nederlands: Aurelius Augustinus’ Belijdenissen (Utrecht 1963). Deze vertaling is reeds verschillende keren uitgegeven, de laatste keer in 2002 (Amsterdam). Een meer hedendaagse vertaling is betracht door Pedro Antionio Urbina (Belijdenissen: In Eigentijdse bewerking, Amsterdam 1998). Vermeldenswaardig zijn ook volgende twee bloemlezingen uit de Confessiones: Het leven van een zondaar: een keuze uit de Belijdenissen (Erens F., Natter B. (ed.), Amsterdam 2005) en Augustinus. Belijdenissen (Van Neer J., Sleddens W., Tigchelaar A. (verts.), Whitte C. (ed.), Leuven 2001).

Verschillende werkinstrumenten vergemakkelijken de studie van Augustinus. Om Augustinus te bestuderen of in groep te lezen, zijn volgende brochures door Hans van Reisen instructief: Met Augustinus aan de slag. Hulpboek voor de studie van Augustinus (Eindhoven 2002) en Bij Augustinus te gast. Handleiding voor het groepsgewijs lezen van Augustinus (Eindhoven 2003). Het volledige Latijnse oeuvre van Augustinus, voor wie zich daar wil in verdiepen, is te vinden op twee CD-roms, voorzien van alle hedendaagse technische hulpmiddelen: het Corpus Augustinianum Gissense (CAG, Würzburg) en de Cetedoc Library of Christian Latin Texts (CLCLT, Turnhout). Wie zich wil toeleggen op een meer gespecialiseerde studie van Augustinus, kan beroep doen op de uitgebreide catalogen en de bibliotheek van het Augustijns Historisch Instituut (AHI) te Heverlee (België) (www.augustijnen.be of via e-mail: bibliotheek.heverlee@augustijnen.be) en op het Augustinus Instituut (AI) te Eindhoven (Nederland) (www.augustijnsinstituut.nl of via e-mail: bibliotheek@augustijnsinstituut.nl). Augustinus is vanzelfsprekend ook toegankelijk op het internet: www.augustinus.de en www.augustinian.villanova.edu/tools.htm zijn slechts enkele van de vele sites waar vertalingen van een gedeelte van zijn geschriften te vinden zijn, alsook commentaren op zijn denken en leven, verzamelingen van interessante citaten, beeldmateriaal en links naar andere sites.

Beeldmateriaal is te vinden in een recente prestigieuze uitgave van het Mercatorfonds (Van Bavel T., Bruning B., Van Eeckhoudt L., Brussel 2007). Dit kunstfotoboek geeft een iconografisch overzicht van de voorstellingen van Augustinus doorheen de geschiedenis, waarbij de verschillende aspecten van Augustinus’ leven, denken en schrijven worden toegelicht door diverse specialisten uit het Augustinus-onderzoek. Voorts vestig ik de aandacht op een aantal fotoboeken die een voorstelling geven van het Noord-Afrika van de tijd van Augustinus aan de hand van landschappen, archeologische vondsten, antieke sites en monumenten: Sites et monuments antiques de l’Algérie (Blas de Robles J.-M., Sintes C., Aix-en-Provence 2003), Saint Augustin, une mémoire d’Algérie (Lafont-Couturier H., Ferdi S., Chauveau Ph., Paris 2003), L’Algérie antique. De Massinissa à Saint Augustin (Lancel S., Bouchenaki M., Daoud O., Paris 2003), La Tunisie antique. De Hannibal à Saint Augustin (Slim Di H., Fauqu N., Paris 2001). In de videoreeks Tweeduizend Jaar Christendom (RKK, te verkrijgen via Braambos) behandelt de derde aflevering, Gescheiden wegen: Een dak voor migrantenvolkeren, de tijd van de kerkvaders en Augustinus. Deze reeks is intussen ook op dvd te verkrijgen, met een aantal additionele faciliteiten (zoals de mogelijkheid om geografische kaarten of afbeeldingen te selecteren). De website www.braambos.be geeft per aflevering van deze reeks educatief ondersteuningsmateriaal: een samenvatting van de inhoud en een volledige synopsis, tips voor verwerking en thematische verdieping met impulsen, gespreksvragen en actualisering.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina


Gedichtendatabank