print deze pagina af voeg deze pagina toe aan je favorieten e-mail deze pagina Klik hier om in te loggen Guided Tour

Deelthema 2:

Vrije val: balanceren tussen mogelijkheden en beperkingen.

Lc7, 12: "Hij was juist in de nabijheid van de stadspoort gekomen, toen daar een dode werd uitgedragen, de enige zoon van zijn moeder, en deze was weduwe."

Mc4, 31-34: "'Waarmee zullen we het koninkrijk van God vergelijken, of met welke gelijkenis geven we het weer? Het is als een mosterdzaadje dat in de aarde gezaaid wordt. Het is het kleinste van alle zaden op aarde, maar als het gezaaid is, komt het op en wordt het groter dan alle andere struiken en het krijgt grote takken, zodat de vogels van de hemel in zijn schaduw kunnen nestelen."

De stap van wantrouwen naar vertrouwen, van ongeloof naar geloof, houdt een moment in van een 'vrije val in het niets'.
Aan dat ultieme moment van overgave waar genezing en bevrijding in schuilt, is dit deelthema 'vrije val' gewijd.


Inhoudstafel

Algemeen

Download de Word-versie

Download de Word-versie

Klaspraktijk

Inleiding

Impulsen

Leeromgeving

Download de Word-versie

Achtergrondinfo

Download de Word-versie

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Inleiding voor de leerkracht

We bieden hier enkele impulsen aan die op een open, symbolische manier uitnodigen om moeilijke gevoelens ter sprake te brengen. De bedoeling is dat dit drempelverlagend werkt voor kinderen die moeite hebben om deze gevoelens te uiten.
Maar er zit een gevaar aan deze werkwijze: het is niet goed als moeilijke gevoelens aangeraakt worden, maar dat er geen ruimte komt voor een reëel verwerkingsproces.
Voor een deel, kan men daar zelf in de klas ruimte voor bieden. Hierbij zijn vooral twee aandachtspunten van belang:

  • Laat elk kind de volle ruimte om op een eigen, vrije manier gevoelens en belevingen tot expressie te brengen. Forceer of manipuleer nooit. Bied meerdere soorten van expressiemogelijkheden aan: niet enkel verbaal, maar ook via beweging, dans, muziek, beeldende expressie, enz.
  • Zorg voor vele momenten waar kinderen verbondenheid, samenhorigheid kunnen beleven. Zorg dat de atmosfeer licht blijft: er mag veel humor zijn, maar geen cynisme of geen humor om moeilijke gevoelens weg te lachen. Wel humor die relativeert (helpt verbinding te maken, het isolement doorbreekt), die bevrijdend werkt en verbondenheid doet groeien. Lachen en huilen liggen dicht bij elkaar: het zijn twee elkaar aanvullende uitingsvormen van moeilijke gevoelens.

Maar het kan ook zijn dat kinderen met zulke moeilijke, traumatische ervaringen te maken hebben, dat deze niet op te vangen zijn in de klas. Daarom is het van belang dat men goed observeert en signalen kan herkennen die wijzen op ernstige problemen. Het is dan best om tijdig hulp in te roepen van professionele instanties.

In de in de kijker 'Voorbij het zwijgen: spreken over seksueel geweld op kinderen en jongeren' is er een lijst met signalen te vinden, die kunnen wijzen op traumatische ervaringen bij kinderen. Zo ook een uitgebreide lijst van instanties, literatuur en websites. Deze in de kijker is bedoeld voor het secundair onderwijs en biedt verschillende perspectieven ten aanzien van de problematiek: er is zowel ruimte voor het perspectief van het slachtoffer, als van de dader, alsook van de samenleving die met het probleem geconfronteerd wordt. Verschillende houdingen en manieren van aankijken tegen de problematiek worden naast elkaar gezet, maar met bijzondere aandacht voor verwerkingsmogelijkheden - zowel voor slachtoffer als voor de dader - vanuit christelijk perspectief.

Tot slot nog dit: als er concrete, reële problemen zijn waar een kind mee worstelt (verwaarlozing, mishandeling, seksueel misbruik, chantage,…) is het best dat deze op een duidelijke, zakelijke manier geuit en benoemd kunnen worden.
Als men er symbolisch/verhullend over blijft spreken, zal dat de psychische belasting alleen maar vergroten. Het is daarom belangrijk dat je als leerkracht snel ingrijpt als je merkt dat een kind echt acuut met iets worstelt. Het kan in zo'n geval ook aangewezen zijn om de klassikale benadering van het thema 'moeilijke gevoelens' stop te zetten.

De symbolische benaderingswijze is zinvol omdat kinderen daarin de ruimte krijgen om zich op een totale muzische en religieuze manier te uiten. Daar horen ook moeilijke ervaringen en gevoelens bij. Kinderen moeten wel kunnen rekenen op verbondenheid, erkenning, inleving en begrip.

Zie bij: info voor de leerkracht bij de impuls 'Benoemen van moeilijke gevoelens/situaties'.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Hermeneutische knooppunten

Op niveau van de kinderen

  • Kunnen kinderen 'draaglast' aan? Of is het nodig dat zij in alle vrijheid en zorgeloosheid kind kunnen zijn? Moeten we als volwassenen zoveel mogelijk de draaglast op ons nemen om hen te ontlasten? Of kunnen we ervan uitgaan dat kinderen een groot leer - en aanpassingsvermogen hebben. Welke draaglast kunnen ze wel aan, welke niet?
  • Door welke ervaringen worden kinderen in hun ontwikkeling afgeremd of gefnuikt? Kunnen we kinderen weerbaarder maken tegen vormen van geweld, chantage, uitsluiting enz?
  • Is het niet de bedoeling van opvoeding om kinderen inzichten, vaardigheden en attituden aan te leren waardoor ze zelf hun problemen leren aanpakken en oplossen? Is dit bij alle kwetsuren en vormen van gebrokenheid wel mogelijk?

Op niveau van de leerkrachten en directie

  • Als je als leerkracht te veel aandacht geeft aan de zorgvragen die op je af komen, kan je het dan nog wel uithouden? Op een bepaald moment moet je je afsluiten, je kan toch niet de last van de hele wereld op je schouders dragen?
  • In het basisonderwijs zijn vrouwen sterk vertegenwoordigd. Ze hebben als vrouw al zoveel zorgtaken op te nemen in de samenleving. Moeten ze nu ook nog eens moeder (en/of vader) zijn voor de kinderen van hun klas? En wie neemt er zorg op voor hen? Of moeten zij maar alles aankunnen en verdragen? Is dat nog wel een eerlijke verdeling van zorgtaken?
  • Als directie moet je er goed voor zorgen dat de draaglast niet groter wordt dan de draagkracht van de mensen. Als je dat niet bewaakt, geraken mensen over hun toeren of worden ze burn out. Kan je dat als directie altijd goed bewaken? Heb je daar voldoende vat op?

Op maatschappelijk niveau

  • Nemen ouders hun zorgtaken niet te licht op?
  • Vaders en moeders zijn pionnen op de arbeidsmarkt, waar flexibele inzetbaarheid, hoge werkdruk en prestatiedruk, lage loonkosten en een goedkopere sociale zekerheid, de hoekstenen lijken te vormen van een neoliberale economie. Kunnen ze in die arbeidscontext hun zorgtaken t.a.v. de kinderen nog wel opnemen?
  • De school moet een draaischijf zijn voor het vergroten van het draagvlak (uitbouwen van een maatschappelijk/sociaal draagweb) rond kinderen, want daardoor wordt de draaglast voor het gezin als kleine samenlevingscel, kleiner.
  • Scholen kunnen geen therapeutenwerk doen. Daar zijn andere instanties voor: scholen werken op de eerste plaats aan een brede vorming van kinderen. Maar psycho-sociale en gedragsproblemen, daarin heeft een school hoogstens een doorverwijzingfunctie.
  • Scholen vormen een belangrijke hefboom in de bestrijding van kansarmoede. Er wordt vanuit de overheid veel geïnvesteerd in sensibilisatie en ondersteuning; denk aan de maatregelen ivm GOK, zorgcoördinatie, de LOPs, … Maar de cijfers over de slaagkansen van kinderen uit de risicogroepen blijven onveranderd laag. Komt dat omdat we niet willen of omdat we niet kunnen?
  • Het ministerie van Onderwijs moet zorgen voor een nauwkeurige taakomschrijving van scholen op zorgvlak en moet zorgen voor de gepaste financiële en structurele omkadering. Dat is nu te weinig het geval: lagere scholen krijgen veel draaglast toegeschoven (kansarmoede, leerproblemen, kinderen met handicaps, inschrijvingsplicht,…), maar krijgen te weinig mogelijkheden om hun draagvlak te vergroten.

Klaspraktijk

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Impuls A: Benoemen van moeilijke gevoelens/situaties Bruikbaar in de eerste graadBruikbaar in de tweede graadBruikbaar in de derde graad

Meditatietekst Bruikbaar in de tweede graadBruikbaar in de derde graad

Soms is het net alsof je niks of niemand bent:
Niemand, die werkelijk ziet wie je bent en waar je mee zit
Altijd maar doen alsof niets aan de hand is, terwijl je stikt van binnen.
Soms is het alsof je dood bent terwijl je leeft
Je kan niks, je wil niks en je doet het altijd fout
Je kan jezelf niet meer verdragen
En de mensen rondom je: het is net alsof ze leven op een andere planeet …

Verwerking:

  • Gebeurt het wel eens dat je je zo voelt?
  • Of denk je dat andere mensen zich zo soms kunnen voelen?
  • Wat doe je dan?
  • Ga je in een hoekje zitten, zwijg je, of word je boos?
  • Probeer je het te vergeten?
  • Lukt het soms om erover te praten?
  • Wanneer wel, wanneer niet?

In kleuren en lijnen uitdrukken wat je voelt:

Maak rond deze meditatietekst een gelaagde collage.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Een gelaagde collage maken

Bedoeling

In kleuren en lijnen uitdrukken wat je voelt.

Werkwijze

Op grote witte bladeren (minstens A3) schilderen kinderen met verschillende diktes van penselen. Het is belangrijk dat er een ruim aanbod van kleuren is. De bedoeling is dat dit werkje telkens opnieuw bewerkt wordt. Het wordt een 'gelaagde collage' waar bij meerdere impulsen telkens een nieuwe laag toegevoegd wordt.

Kies één zin uit het verhaal, schrijf hem midden op een blad en maak er een nieuw verhaal bij of maak er een kunstwerk van met allerlei dingen die je zelf bedenkt, met zelfbedachte zinnen, kleuren, lijnen, pijlen, tekeningen, knipsels, foto's, …
Bedenk een naam voor dit kunstwerk.

Er kan verder gewerkt worden met de schildering van kleuren en lijnen bij de meditatietekst onder impuls A: hier kunnen kleine tekstfragmenten of tekeningen opgeplakt worden zodat de collage groeit. Bij elk van de volgende impulsen kan dit werkje aangevuld worden, zodat een collage in verschillende lagen ontstaat.
Wie wil, kan vertellen over het kunstwerk in groep of tegen de leerkracht. De leerkracht besteedt zorg aan kinderen die op het spoor komen van moeilijke gevoelens.

Info voor de leerkracht

Dit werkje kan een interessant symbool worden om uit te leggen hoe de gevoelswereld van mensen in elkaar zit.
Je kan een gesprek voeren met de kinderen in de volgende richting: het is mogelijk dat 'oude gevoelens', die niet verwerkt zijn invloed hebben op gevoelens die je nu hebt: zoals de kleuren en lijnen van de eerste schildering op jouw blad, sporen nalaten in de collage, zo ook kunnen oude gevoelens sporen nalaten in de ziel van mensen.

Ook al volgen er telkens nieuwe lagen van gevoelens, (zoals in jouw collage ook steeds nieuwe laagjes gekomen zijn) toch 'proef' je er ook steeds iets in van de oude gevoelens doorheen.
Last heb je daar meestal niet van, in tegendeel, oude gevoelens kunnen als het ware een innerlijke schat vormen die kleur geven aan wie je bent en hoe je de werkelijkheid beleeft. Maar soms kunnen oude gevoelens de oorzaak zijn van angst of onrust of pijn, die telkens opnieuw de kop op steekt, zonder dat er op het eerste zicht een oorzaak is. Als dat zo is, zal het soms nodig zijn om terug te keren naar die oude gevoelens en ze opnieuw leren verwerken. Dat is niet gemakkelijk, daar hebben mensen vaak hulp voor nodig van een therapeut.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Foto's van kinderen ( Download hier een Word-document met alle afbeeldingen) Bruikbaar in de eerste graadBruikbaar in de tweede graadBruikbaar in de derde graad

Vrije associatie bij de foto's.

  • Kijken naar het gelaat, de houding.
  • Wat denkt, voelt, beleeft dit kind?
  • Welke foto (of foto's) spreekt je het meeste aan?
  • Het kan zijn dat meerdere kinderen kiezen voor eenzelfde foto.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Wat is 'vrije associatie'?

Deze techniek wordt meermaals toegepast in deze in de kijker: de bedoeling is, dat kinderen op het spoor komen van eigen 'gevoelde betekenissen' door zich te identificeren met een kind op een foto, een vogeltje, een verhaalpersonage, enz. Onrechtstreeks kan een kind spreken over eigen spanningen en moeilijke gevoelens, zonder direct zelf in de kijker te staan. Dit biedt meerdere voordelen, mits het kind echt vrij gelaten wordt en er een goede sfeer van verbondenheid heerst. Enkele voordelen zijn:

  • Kinderen kunnen spanningen en moeilijke gevoelens herbeleven in een veilige sfeer.
  • Kinderen kunnen ook manieren vinden om uitdrukking te geven aan 'gevoelde betekenissen': wat sluimerend en vaag leeft, krijgt een tastbare vorm in woord en gebaar: het vinden van een vorm van authentieke expressie heeft een bevrijdende waarde.
  • Wanneer bovendien datgene wat men tot expressie brengt ook nog geaccepteerd en begrepen kan worden door anderen; of anders gezegd: wanneer een kind erkenning en respect ervaart bij anderen, dan heeft dit een helende werking.

Het is belangrijk dat zulke oefening in een positief aanvaardend klimaat kan verlopen.

Per twee gaan zitten: Om de beurt proberen om zelf eens de houding aan te nemen van het kind op de foto: met elkaar bespreken wat elk daarbij bedenkt, voelt,…
Aan elkaar een verhaal vertellen bij de foto. Vooraf afspreken dat het belangrijk is goed naar elkaars verhalen te luisteren.

Enkele keren doorschuiven, zodat elk kind de kans krijgt een verhaal aan verschillende partners te vertellen. Het verhaal mag telkens anders zijn: kinderen mogen volop hun verbeelding gebruiken.
In de klassikale uitwisseling komt eerst een rondje waar elk kind de kans krijgt om te zeggen welk verhaal van de partners het meest is blijven hangen en waarom.

Daarna mogen de kinderen vrij hun indrukken weergeven bij de oefening, maar steeds in ik-boodschappen: niet beoordelend over anderen.

Tip voor kleuterleid(st)ers

Kleuters gevoelens laten benoemen bij de foto's en hen daarbij vragen om zelf dat gevoel uit te drukken.
De foto's laten ordenen bij de gevoelens: blij, bang, boos, verdrietig. De kleuters vertellen waarom ze denken dat een kind op de foto dat gevoel heeft.
Laat hen vrij vertellen bij de foto's.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Boekje 'Kan wel zijn' Bruikbaar in de tweede graadBruikbaar in de derde graad

Dit boekje is een onderdeel van het lespakket kan wel zijn voor groep 5 en 6 (tweede, derde graad in België) van het basisonderwijs.

Het lespakket dat hoort bij dit boekje is te bestellen bij:
NIZW Uitgeverij
Postbus 19152
3501 DD Utrecht
Tel (030) 230 66 07
E-mail: Bestel@nizw.nl
Website: www.nizw.nl

Noot: indien u dit boekje met het bijhorende lessenpakket bestelt krijgt u 20 exemplaren. Het is dus duidelijk bedoeld om met een hele klasgroep rond het thema kindermishandeling te werken. Elk kind krijgt een individueel schriftje.

Het schriftje voor de leerling begint als volgt:
'Kan wel zijn…'

Je kunt dan wel
wat ouder zijn
en sterker bovendien,
maar dat wil toch niet zeggen
dat ik slaag van jou verdien?
Je kunt dan wel de buurman zijn,
de meester of de juf,
maar dat wil toch niet zeggen
dat je aan me zitten mag?
Je kunt dan wel mijn moeder zijn
en ik jouw eigen kind,
maar dat wil toch niet zeggen
dat ik alles prettig vind?
Arthur

Iemand mag je best aanraken,
als jij dat prettig vindt.
Bijvoorbeeld wanneer iemand je troost
omdat je bent gevallen.
Maar het kan ook gebeuren
dat je het niet prettig vindt als iemand aan je zit.
In dit boekje lees je over kinderen die zulke dingen meemaken.
Ze vinden dat heel vervelend. Je leest ook wat zij kunnen doen als dat gebeurt.

We werken hier twee verhalen uit de bundel uit als impulsen met didactisch suggesties.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Verhaal: Lisa's geheim

Lisa zit op bed met haar knuffel Gijs.
Aan hem vertelt Lisa al haar geheimen.
Nu praat Lisa ook tegen haar knuffelbeer, over gisteravond.
'Ik keek televisie en toen gebeurde het weer.
Mama werd heel boos.
Ze trok me aan mijn staart overeind.
Ruim je schooltas op, schreeuwde ze en ze begon te slaan.
Het deed pijn en ik rende naar mijn kamer.
Toen ben ik huilend in bed gekropen.
Waarom doet mama dat toch iedere keer?', fluistert Lisa tegen Gijs.
Ze aait de knuffel over zijn kop.
Jammer dat een knuffelbeer niks terugzegt.
Lisa zet Gijs op bed en kleedt zich aan.
Ze heeft overal pijn.
Ze gaat naar de woonkamer en eet een boterham.
'Je moet op school maar niet over gisteravond praten, zegt Lisa's moeder.
'Iedereen heeft wel eens ruzie. Dat is heel normaal.'

Op school is Lisa heel stil.
Tijdens het speelkwartier doet de klas tikkertje.
Lisa zou graag meedoen.
Maar als ze zich beweegt, doet dat ontzettend pijn.
Ze heeft overal blauwe plekken.
'Doe je niet mee?', vraagt de juf en geeft Lisa een klopje op haar schouder.
Dat klopje doet pijn en Lisa's gezicht vertrekt.
'Sorry', zegt de juf 'Ik wist niet dat je last had van je schouder. Hoe kom je aan die pijn'?'
Lisa twijfelt. Zal ze het vertellen? Eigenlijk mag dat niet van mama.
Wat zou er gebeuren als ze het wel vertelt?
Lisa wil er zo graag met de juf over praten.
Want Gijs is wel lief, maar een knuffel praat nooit terug.
De juf kan wél vertellen of het normaal is dat mama haar slaat.
Lisa zucht diep en vertelt haar geheim.
Ze vindt het fijn om er met de juf over te praten.
De juf gaat zoeken naar een oplossing.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Onze suggestie om met het verhaal te werken:

Vertel het verhaal tot en met: 'Dat is heel normaal'
Vertel dat het verhaal hier nog niet af is, maar dat je graag wil horen wat de kinderen denken/voelen bij dit verhaal.
Zouden ze iets aan Lisa willen zeggen of vragen.
Zouden ze haar kunnen raad geven?
Kunnen ze begrijpen hoe Lisa zich voelt?
Zou Lisa iets moeten doen met haar geheim?
Waarom wel, waarom niet?

Dan wordt het verhaal verder verteld.
De lln geven hun indrukken weer bij de afloop van het verhaal.
De leerkracht vertelt wat deze juf nu zoal kan doen om Lisa en haar mama te helpen.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Verhaal: Wordt Brenda mishandeld?

Hoe laat zal mama thuiskomen? denkt Brenda.
Toen ze uit school kwam, lag er een briefje op tafel.
De kat heeft eten gehad. En nu wil hij spelen.
Maar Brenda is chagrijnig en duwt Jip van zich af.
Ze heeft meteen spijt. 'Sorry Jip, jij kunt er ook niks aan doen.
Ik ben gewoon boos. Dit is al de derde keer deze week dat ik alleen thuis ben.
Ik wou dat mama er was', zucht Brenda.
Brenda kijkt op de klok. Het is kwart voor zes.
Ze krijgt honger. Zal ze een boterham gaan eten?
Of zal ze eerst het huis opruimen?
Overal in de woonkamer ligt wasgoed en er staat een hele grote afwas.
Met dat laatste gaat Brenda beginnen.
Na een paar minuten hoort Brenda haar moeder thuiskomen.
'Brenda waar ben je?', roept Brenda's moeder.
'Hier ben ik mama. In de keuken.' Zielig voor Brenda hè?
Gelukkig komt haar moeder thuis. Dat is tenminste gezellig, ... of niet?

Vanaf hier komt er een dubbel vervolg aan het verhaal 'gezellig' en 'niet gezellig'

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Gezellig...
Brenda's moeder komt de keuken in en geeft Brenda een zoen.
'Hoi Brenda. Wat lief van je om de afwas te doen.
Ik zie dat je nog niet gegeten hebt. Zullen we een pizza bestellen?'
'Ha lekker', zegt Brenda. 'Ik hoop dat oma snel uit het ziekenhuis komt.
Dan ben ik tenminste 's middags weer gewoon thuis en kan ik voor je koken',
zegt Brenda's moeder.
'En dan heb ik ook weer eens tijd om het huis op te ruimen.
Want het begint nu wel een zootje te worden hè?' Brenda lacht.
Ze is blij dat mama thuis is.
Het is inderdaad druk voor mama nu oma in het ziekenhuis ligt.
'Laat die afwas maar zitten', zegt Brenda's moeder.
'Die doe ik vanavond wel. We gaan nu eerst een lekkere pizza bestellen.'
Brenda loopt met haar moeder naar de woonkamer. 'Was het leuk op school?'
Brenda begint te vertellen over de gymles.

Niet gezellig...
Brenda loopt de woonkamer in en ziet haar moeder op de bank zitten.
'Had je niet kunnen opruimen?', snauwt Brenda's moeder.
Brenda ziet meteen dat haar moeder weer te veel gedronken heeft.
Ze geeft antwoord: 'Ik was net begonnen met de afwas en...'
'Ja, ja.' Brenda's moeder loopt naar de eettafel.
Daar ziet ze de tekening liggen, die Brenda die middag voor haar moeder heeft gemaakt.
'Wat is dat voor een domme tekening?', zegt Brenda's moeder.
En ze begint hard te lachen.
Brenda loopt met tranen in haar ogen naar de keuken.
Ze maakt de afwas af en eet snel een boterham.
Als Brenda terugkomt in de woonkamer ziet ze dat haar moeder op de bank in slaap is gevallen.
Brenda gaat naar haar slaapkamer. In bed begint ze zachtjes te huilen.

Onze suggesties om met het verhaal te werken:

Wat zou Brenda het liefste willen dat er zou gebeuren, denk je?
Wat kan ze zelf doen?
Waar kan ze zelf helemaal niks aan doen?
Met wie zou ze kunnen praten over deze dingen?
Als ze niet praat over deze dingen, wat zou er dan gebeuren met Brenda?
Hoe moet het dan verder met haar?
Wat zou er gebeuren als ze er wel over praat?
Waarom kan het moeilijk zijn voor Brenda om over het gedrag van haar mama te spreken?
Wat zou er kunnen fout lopen?
Wat zou jij Brenda aanraden om te doen?

Wat Brenda kan doen is praten met iemand:
Met wie kan ze praten:

  • Met de juf of meester
  • Met iemand die ze goed kent
  • Met de kindertelefoon

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Info voor de leerkracht

Het hoeft geen betoog dat deze verhalen heel herkenbaar zullen zijn voor kinderen waar zich thuis problemen voordoen.
Daarom vraagt de inbreng van zulke verhalen in de klas een goede omkadering:
Het eerste verhaal zou bijvoorbeeld goed passen binnen het thema 'knuffels'. (Zie ook in deelthema 1, impuls G: 'dragen en gedragen worden, afbeeldingen van het dragen van knuffels). Laat kinderen vrij vertellen waarom ze een knuffel hebben en of ze er wel eens iets tegen vertellen. Laat de kinderen hun knuffel of lievelingsvoorwerp meebrengen naar de klas. Maak een hoekje in de klas vrij waar deze knuffels een plekje krijgen en zet er een mandje bij, waar kinderen dingen mogen opschrijven die ze zoal vertellen aan hun knuffel. Nodig hen uit om deze dingen met jou als leerkracht te delen als ze dat graag willen. Benadruk dat er prettige en nare dingen op de briefjes mogen komen. Zorg wel dat je tijd en ruimte hebt om een gesprek te kunnen doen met de kinderen die erom vragen.

Voor het tweede verhaal kan deelthema 1 van deze IDK een goed kader bieden. Impuls A en impuls B zijn hiervoor geschikt. Er kan gezocht worden naar levensdraden voor Brenda. Er kan een collage gemaakt worden rond de naam van Brenda met draden die toelopen naar oplossingen voor haar probleem.

Beide verhalen ("Lisa's geheim" en "Wordt brenda mishandeld?") kunnen op eenvoudige manier aangepast worden om aanverwante problematieken van kindermisbruik te introduceren in de klas.
Bijvoorbeeld: door in het verhaal "Lisa's geheim" de moeder te vervangen door 'babysit' en in plaats van 'slaan' spreken over 'mij niet gerust laten', 'aan mij zitten', 'daar misselijk en bang van worden' en 'er niet van kunnen slapen'.
Men kan variaties bedenken die aansluiten bij het thema dat men wenst te bespreken. Men dient er hier wel rekening mee te houden dat seksueel misbruik een moeilijker thema is om in groep te bespreken dan wel fysieke of psychische mishandeling. Het vraagt om een andere setting. Werken in kleine groepjes is aangeraden. Zulk een verhaal brengt men slechts dan ter sprake als er een concrete aanleiding voor bestaat: kinderen die via de actualiteit (vb. het proces Dutroux) geconfronteerd worden met uitspraken over seksueel misbruik. Hierover kunnen zij vragen hebben. Om een concreet aanknopingspunt te vinden kan dan vertrokken worden van zulk een kort situatieverhaal dat de thematiek oproept. Men moet echter steeds in het achterhoofd houden dat voor sommige kinderen dit thema brandend actueel is. Daarom moet men voldoende ruimte vrijmaken om goed te kunnen observeren en begeleiden bij de verwerking van zo'n verhaal. We verwijzen hier nogmaals naar de signalenlijst in de IDK 'Voorbij het zwijgen'.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Wat te antwoorden als kinderen vragen stellen over Dutroux?

Kinderen in de basisscholen hebben de periode van de gevangenneming van Dutroux niet meegemaakt. Naar aanleiding van de grote mediabelangstelling rond het proces, kan het zijn dat ze vragen hebben over wat er in het verleden gebeurd is.

We willen hier benadrukken dat het geenszins de bedoeling is om kinderen nodeloze onrust en angsten te bezorgen door meer aandacht aan de persoon van Dutroux te besteden dan noodzakelijk is. Ten eerste hij verdient dit niet en ten tweede: er is weinig opbouwende pedagogie te koppelen aan de figuur van Dutroux.
Maar kinderen hebben het recht om vragen te stellen en om met hun onrust en angsten terecht te kunnen bij hun opvoeders.

Daarom enkele tips:
Als kinderen een vraag stellen, probeer dan zo nauwkeurig mogelijk te achterhalen, waar juist hun vraag zit.
Bijvoorbeeld als een kind vraagt: 'Wat heeft Dutroux met An en Eefje gedaan?'
Dan kan je als volwassene verder vragen:
'Vertel eens wat je daarover al gehoord hebt' en 'Wat wil je nog weten?'
Al snel zal het antwoord moeten komen dat we het niet precies weten, maar dat men ervan uitgaat dat de kinderen verhongerd zijn in hun cel en dat ze wellicht gedwongen zijn om dingen te doen die ze niet wilden doen.'
Belangrijk is om hier te vragen naar de houding en reactie van de kinderen:
'Wat bedenk je hierbij?' of 'Maak je je wel eens zorgen of heb je wel eens schrik van mannen zoals Dutroux?'

Het is dan belangrijk om de zaak in zijn juiste proporties voor te stellen aan de kinderen: ontvoering van kinderen door vreemden komt maar heel zelden voor. Het is natuurlijk aan te raden dat kinderen zich niet inlaten met volwassenen die ze niet kennen. Ook niet als ze erg vriendelijk zijn of om hulp vragen. Je kan bijvoorbeeld zeggen: de taak van kinderen is: hulp van andere volwassenen inroepen als iemand om hulp vraagt: nooit alleen initiatief nemen of meegaan met iemand.

Maar tegelijk is het goed om duidelijk te maken dat dit maar heel uitzonderlijk gebeurt. Als kinderen problemen hebben met volwassenen, gaat het zelden om vreemde mensen. Als er problemen zijn, doen die zich meestal voor in de kennissenkring van de kinderen. Dat gebeurt wel eens regelmatig, dat kinderen zich niet goed voelen bij wat bekende of vertrouwde volwassenen met hen doen. Voor deze kinderen is het vaak erg moeilijk om hierover te spreken, juist omdat ze deze volwassene goed kennen. Ze weten niet wat er zal gebeuren als ze er iets over zouden vertellen. Vaak verbiedt zo'n volwassene het kind ook, om er iets over te zeggen tegen anderen (zie bijvoorbeeld verhaal: Het geheim van Lisa)
Toch is het erg belangrijk dat deze kinderen spreken over wat volwassenen met hen doen, omdat er wél goede oplossingen voor het probleem bestaan. Een kind mag niet alleen blijven zitten in zulk een situatie. Het is belangrijk om duidelijk te maken aan kinderen dat dat in feite het ergste is, wat er kan gebeuren.

Het kan ook zinvol zijn om aan kinderen uit te leggen wat 'pedofilie' is:
Het is een heel normale zaak, dat mensen verliefd worden op elkaar. Soms gebeurt het dat een volwassen mens verliefdheid voelt voor een kind. Dat is niet de 'normale' gang van zaken: normaal worden volwassen mensen verliefd op andere volwassen mensen en natuurlijk kunnen kinderen ook wel eens verliefd worden op andere kinderen.
De verliefdheid op zich is echter niet het probleem: eigenlijk mogen en kunnen mensen verliefd worden op alles en iedereen: ze mogen de hele wereld omarmen en er gelukkig mee zijn, dat is geen probleem!
Er ontstaat wel een probleem als zulk een volwassene een kind probeert te overtuigen om zich te laten aanraken op zo'n manier, dat het voor het kind niet meer aangenaam en veilig aanvoelt. Of dat zulk een volwassene een kind dwingt om dingen te doen of te zeggen die het niet wil doen of zeggen.
Dan gaat zo'n volwassene te ver, omdat kinderen zich niet kunnen verdedigen tegenover het overwicht van de volwassene. Het is belangrijk dat kinderen hierover durven spreken met iemand waar ze vertrouwen in hebben. Enkel op die manier kan een oplossing gezocht worden voor het probleem.
Mensen die zulke dingen doen of willen doen, kunnen geholpen worden om op een andere manier met hun gevoelens om te gaan.

Kinderen kunnen ook vragen: wat is 'misbruik' of 'mishandeling'?
Het woordje 'misbruik' of 'mishandeling' kan uitgelegd worden aan kinderen: het wijst erop dat er iets gebeurt wat de persoon in kwestie niet graag heeft, maar dat die persoon niet voor zichzelf kan opkomen, omdat hij of zij niet sterk genoeg is of bang is, dat er nog ergere dingen gaan gebeuren. Slachtoffer zijn van 'misbruik', wil zeggen: geen verweer hebben tegen dingen die een ander met je doet of die een ander je oplegt om te doen: de ander 'misbruikt' de macht die hij of zij heeft over het slachtoffer. Dit gebeurt niet noodzakelijk met slechte bedoelingen van de dader: soms beseft de dader niet of maar gedeeltelijk, dat de ander in de knel komt te zitten door wat hij of zij doet.
Zulke situaties kunnen maar opgelost worden door erover te spreken. Zowel de dader als het slachtoffer kunnen dan geholpen worden. (Deze uitleg is bijvoorbeeld van toepassing naar aanleiding van het verhaal: Wordt Brenda mishandeld?)

Literatuurtip: Hedwig Stellamans-Wellens, Littekens op de ziel, Leuven, 2000

Citaat:

"Jana hoopt dat haar moeder nooit meer de deur uit gaat. Dan hoeft haar opa nooit meer te komen babysitten. Als de psychoterapeute de moeder polst, wordt ze razend: 'Zeg niet dat hij het bij haar ook heeft gedaan!'
Kinderen zijn voor ouders hun kostbaarste bezit. En toch komt kindermishandeling in alle mogelijke vormen meer voor dan men vermoedt – van subtiel tot ronduit wreed en mensonterend. Hoe komt het dat ouders, opvoeders en anderen die vaak met kinderen omgaan zo kunnen kwetsen en breken wat broos en weerloos is? … Hoe 'overleven' kinderen deze psychische pijn? Littekens op de ziek brengt een heel schrijnende problematiek op een bevattelijke en serene manier ter sprake. Zonder uit te zijn op sensatie, wil de auteur waarschuwen: alles wat kinderen tussen 0 en 3 jaar overkomt op emotioneel vlak, wordt opgeslagen in het emotionele geheugen en is bepalend voor de verdere ontwikkeling."

Filmtip: Secret Garden

De film 'Secret Garden' is een film die mag aangestipt worden als zeer bruikbaar om met kinderen naar te kijken als het gaat om 'moeilijke gevoelens'.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Impuls B: Dans: in kwetsbaarheid verbonden Bruikbaar in de tweede graadBruikbaar in de derde graad

De betekenissen van de dans (op het lied "Pastorale" (Rolf Lovland) van de film A Secret Garden)

De dans wil een rituele uitdrukking zijn van het leren omgaan met kwetsbaarheid. De dans begint vanuit de alledaagse verbondenheid waarin we met elkaar door het leven gaan. Mensen dragen elkaar. Deze verbondenheid kan zich maar verdiepen als we daarin elkaar ook dichter tegemoet treden en elkaar aspecten van onze binnenkant, onze kwetsbaarheid, kleinheid en beperkingen laten zien. Als mens zijn we nu eenmaal beperkt in mogelijkheden en dragen we onze bestaansangsten met ons mee. Als we het stoer en sterk doen als scherm laten vallen merken we hoe broos en breekbaar wij mensen zijn. Dan tonen we ons zoals we waarlijk zijn.

De dans toont in gebaren deze angst, de angst ook om onze kwetsbare binnenkant te laten zien. Maar in de dans raken we in die kwetsbaarheid niet verlamd. We zijn niet alleen met onze kwetsbaarheid. We herkennen onze kwetsbaarheid in anderen en de anderen in de onze. Met en in onze kwetsbaarheid proberen we verder te groeien en verder te gaan in het leven. Schouder aan schouder. Die elementen die we bij onszelf en bij anderen als kwetsbaarheid aantreffen, koesteren we in de dans en nemen deze mee naar onze buitenwereld waarbij we worden uitgenodigd om dat met die buitenwereld te delen. Om dan weer de verbondenheid met de groep op te zoeken en dit weer stapje voor stapje te verdiepen. Verbonden zijn met elkaar in kwetsbaarheid en met kwetsbare mensen in verbondenheid leven is wezenlijk voor het christelijk geloof. De theoloog Schillebeeckx noemt God een 'kwetsbare overmacht'. Hij drukt daarmee uit dat de mens en God in liefde zo kwetsbaar zijn, maar tegelijk alles overwinnen.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Dansbeschrijving ( Download als Word-document met schematische illustraties)

In cursief tussen de dansbeschrijving wordt de betekenis nogmaals aangegeven.

De dansers staan in een cirkel met het gezicht naar elkaar toe en geven elkaar de hand.
De linkerhand wordt gelegd in de rechterhand van de danser die volgt. Deze ontvangt en draagt de linkerhand van de voorganger en geeft de linkerhand door aan degene die na komt.

De handen hangen losjes naast het lichaam. De dans begint met de rechtervoet en verloopt ook in rechtse richting, in tegenwijzerzin. We zetten acht stappen voorwaarts. Daarna vier achterwaarts en weer vier voorwaarts. In verbondenheid met elkaar gaan we door het leven vooruit meestal maar soms moet men in het leven ook al eens een stap terugzetten. Maar ondanks dat proberen we weer vooruit te komen.

Dan draaien we het gezicht en het lichaam naar binnen en zetten vier kleine stappen voorwaarts naar elkaar toe terwijl we de armen op schouderhoogte recht voor ons houden. Ondertussen schudden en bibberen we zachtjes met onze handen. We laten onze bestaansangst en onze kwetsbaarheid zien aan elkaar.

Na de vier passen voorwaarts doen we twee schuifpassen zijwaarts naar rechts (rechts opzij, links erbij en nogmaals rechts opzij links erbij). In onze kwetsbaarheid proberen we toch vooruit te komen. Stapje voor stapje, schouder aan schouder weten we ons gesteund en gedragen door de anderen en dragen we de anderen mee.

Dan kruisen we onze armen en handen voor onze borst als een koestering en stappen zo vier stappen achterwaarts. We koesteren de opgedane ervaring van mekaar in kwetsbaarheid te ontmoeten en keren terug in onze eigen levenssituatie. Daar worden we uitgenodigd om de opgedane ervaring te delen.

In de dans gaat dat als volgt: in vier stappen draaien we over rechts in een boog naar buiten om weer terug te keren naar het beginpunt. Je loopt een klein rondje buiten de danscirkel van het dansbegin. Ondertussen strekken we de armen en handen wijd uit naar de buitenwereld toe. We geven uitdrukking aan onze bereidheid om onze ervaringen te delen.

Dan zoeken de dansers snel naar elkaars handen en dan begint de dans weer van voor af aan met de acht stappen voorwaarts de vier achterwaarts en weer vier vooruit en zo verder…

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Voorbereiding van de dansen

Het dansen is meditatief en religieus van aard. Het vraagt om een zorgvuldige aanpak. Dat men deze dans als leerkracht eerst uitgebreid thuis inoefent, lijkt vanzelfsprekend. Let daarbij goed op de moeilijkheden waar je zelf komt voor te staan, die kunnen straks helpen bij het aanleren van de dans. Overdenk in stappen hoe je deze dansbewegingen kan aanleren.

Zorg voor voldoende rust bij jezelf en wees overtuigd van wat je gaat doen. Ook al is het voor jou de eerste keer en ben je wat gespannen en onzeker over de goede afloop. Eigen twijfels en angst breng je ongewild op de dansers over. Als men het dansen niet gewoon is, breng je dit ongewone best ter sprake. Verwoord eventueel je eigen onzekerheid en de hoop dat het een prettig gebeuren wordt. Je kan deze dansen ook laten vooraf gaan door wat andere oefeningen met lichaamstaal ter voorbereiding of gewenning.

Doe stapsgewijze de bewegingen voor, eerst traag en zonder muziek, daarna op ritme en later met muziek. Verplaats je bij het voordoen van de bewegingen regelmatig in de kring zodat de dansers niet altijd in spiegelbeeld de danspassen moeten leren.

Zorg dat alle dansers de dansbewegingen kunnen uitvoeren vooraleer je deze dans als een ritueel start. Een kind dat de dans niet kent, kan niet goed deelnemen, vindt niet de concentratie en stoort ook de anderen in hun beweging. Zorg voor een veilig klimaat waarbij een misstap doen niet erg wordt gevonden maar als eigen aan het leven.

Zoek voor de dans een verzorgde sfeervolle ruimte of herschik het lokaal grondig zodat ook de wanden geen opeenstapeling van tafels en stoelen te zien geeft. Een goede muziekinstallatie met een heldere klankweergave is wenselijk. Stel het geluidsvolume evenwichtig in.

Geef vooral de doelen en de inhouden van de dans goed aan door ook een aantal symbolische houdingen en bewegingen toe te lichten. Overdenk op voorhand hoe en in welke mate je de religieuze werkelijkheid en/of de christelijke betekenissen ter sprake gaat brengen. Zorg voor evenwicht tussen je woorden over de dansbewegingen, de symbolische betekenissen, de mogelijke ervaringen... Overstelp zeker jonge kinderen niet met teveel uitleg. Verduister het lokaal of temper het licht. Plaats in het midden een mooie kaars, schaal met water of bloemen.

Laat het dansen in alle stilte verlopen anders verliest het haar meditatief karakter. Zorg voor de nodige sfeer, inleving en concentratie vooraleer je de dans aanzet. Vang onwennigheden en daarmee samenhangend storend gedrag (zoals gelach, gegrinnik, elkaar aanstoten enz.) begripvol op. Storingen geven aan dat men er nog niet helemaal klaar voor is. Geef daar positief aandacht aan. Met opmerkingen en reprimandes verpest men de sfeer. De kinderen sluiten zich dan af. De openheid op wat de dans mogelijk teweegbrengt verdwijnt dan.

Rond ook een dans zorgvuldig af. Tracht het einde steeds in overeenstemming met het slot van de muziek te brengen. Elkanders handen na de dans nog vasthouden en de stilte een tiental seconden of langer bewaren kan een hulp zijn om de belevingen beter in zich op te nemen. Men kan zich beter laten raken door het gebeuren dat nog nazindert. Samen gaan zitten en wat dichter bij elkaar schuifelen kan een vlotte overgang zijn naar een moment van uitwisseling van ervaringen.

Nagesprek
In de nabespreking gaat de aandacht naar de uitwisseling van de ervaringen. Allereerst over de belevingen die zijn opgekomen bij de dans. Welke denkbeelden, verbeeldingen, gevoelens, herinneringen, gewaarwordingen... zijn er opgekomen tijdens de dans. Specifieke aandacht gaat uit naar de ervaringen m.b.t. het thema. Bevraag ook de belevingen bij de danspassen, het aanleren ervan, het in stilte dansen. Vraag ook naar wat moeilijk was of niet goed lukte.

Dansen: Religieus bewegen en bewogen worden

Religieuze ervaringen zijn eeuwenlang in diverse culturen uitgedrukt in de dans. De ritmen van het eigen leven en de ritmen van de natuur waarin het menselijk leven zich afspeelt zijn in de dans uitgebeeld. Het komen en gaan zoals bij eb en vloed. Het cirkelend leven zoals de vormen en bewegingen van zon en maan. Het samen komen van mensen(groepen) als samenstromende rivieren... In reidansen en kringen, met opgeheven handen of neergebogen hoofden wordt de eigen geraaktheid door het leven al dansend weergegeven. In oorsprong door nabootsing van de natuur, later door de verbindingen met de menselijke geest. Dansen is in wezen religieus. Waarom toch werd de dans zo totaal uit de christelijke liturgie verbannen?

Ook in de bijbel komt de dans bij wezenlijke momenten opduiken. Bekend is de scène uit het exodusverhaal waarin Mirjam, de zuster van Aäron de bevrijding bij de doortocht door de Rietzee tot uitdrukking brengt. Ze neemt haar tamboerijn en gaat de andere vrouwen dansend, spelend en zingend vooraf. (Ex. 15,20-21)
Bekender nog de scène waarbij David en alle Israëlieten voor de ark, voor JHWH uit dansen (2Sam.6,5) 'Looft de Heer met beltrom en rondedans' zingt de psalmist (Ps150,4-6) Ook de profeet Maleachi kondigt aan 'op de dag van Jahweh zal de zon van gerechtigheid opgaan en met haar vleugels genezing brengen, die dag zult gij dansend naar buiten komen...' Maleachi 3,20

Bij het dansen komt meer dan het verstand alleen aan bod. Het lichaam, heel het wezen van de mens wordt betrokken in het gebeuren. En... men komt daarbij in beweging, men gaat vooruit of achteruit, men komt samen, haakt op elkaar in en gaat weer verder. Door de dans neemt men ook deel aan de religieuze werkelijkheid die op symbolische wijze uitgebeeld wordt in de dansbewegingen. Door ze uit te voeren wordt men er (mogelijk) deelgenoot van. Het is een ervaring die aangrijpt, die men aan den lijve beleeft. Men leert ongekende levenservaringen die in de dans symbolisch zijn verwerkt, verkennen en beleven. Al doende, al dansend, oefent men het leven. Deze ervaringen worden in lichaamstaal, woordeloos met elkaar uitgewisseld. Al is het aan te raden deze na de dans naar elkaar toe uit te spreken.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Impuls C: Verhalen vertellen Bruikbaar voor kleutersBruikbaar in de eerste graadBruikbaar in de tweede graadBruikbaar in de derde graad

Het hele kleine mannetje

Er was eens een heel klein mannetje.
Hij woonde in een huisje, met een tuintje, midden in een groot bos.
Het gekke was dat hij daar helemaal alleen woonde.
Hij had nog nooit een mannetje zoals hij gezien, nog nooit!

Hij had heel graag eens een mannetje zoals hij gezien.
Daarom ging hij elke nacht, om precies twaalf uur, op stap.
Dan deed hij zijn jasje aan, nam zijn lantaarntje en ging op weg.
En elke morgen kwam hij weer thuis. Nooit vond hij een kereltje zoals hij.

Tot op een nacht. De klok sloeg twaalf uur.
Het hele kleine mannetje deed zijn jasje aan, nam zijn lantaarntje en ging op weg.
Hij stapte steeds verder en verder, maar nergens zag hij een klein mannetje zoals hij.
"Zou ik dan toch helemaal alleen op de wereld zijn?" dacht hij. "Helemaal alleen?"
Terwijl hij zo piekerde, stapte hij verder. Hij tuurde in het donker.
"Hé, wat ligt daar? Een doos! Een blikken doos!"
Het hele kleine mannetje liep er gauw naartoe. De doos was leeg.
"Kijk, daar... een blikken pot! En daar! Een blikken emmer! Wat is dat allemaal?"
Het mannetje werd een beetje bang.

Het licht van zijn lantaarntje weerkaatste op al die blikken dingen.
Het hele kleine mannetje liep er vlug tussendoor.
"Kijk, weer een emmer! Hij is omgevallen. "Het kleine mannetje liep er naar toe.
"Er ligt iets in." Daar lag... een heel klein mannetje, met zijn ogen toe.

Naast dat mannetje stond een lantaarntje. Het brandde niet.
Het hele kleine mannetje uit het bos zette zijn brandende lantaarntje naast het uitgedoofde lantaarntje, heel dicht bij elkaar. Toen knielde het kleine mannetje naast het andere kleine mannetje. Hij legde zijn hand op het hart van het kleine mannetje. "Boem boem boem."
En toen ging hij naast het mannetje liggen en viel in slaap.

Zo sliepen ze de hele donkere nacht.
De volgende morgen werd het hele kleine mannetje door de zon wakker geprikt. Hij opende zijn oogjes en keek naast zich.
Het andere kleine mannetje was ook wakker geworden. Het lachte naar hem.
En toen keken ze tezamen naar de lantaarns.
"Ze branden" zei het andere hele kleine mannetje, "allebei!"
(Gerda Tersago)

Verwerking van het verhaal:

  • Het verhaal enkele keren hervertellen en dan tekenen, uitbeelden, herspelen met poppen of lego-mannetjes.
  • Vrije associatie bij het verhaal.
  • Stilstaan bij de gevoelens van het hele kleine mannetje.
  • Er kan verder gewerkt worden met de 'gelaagde collage'.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Expressieoefening met lakens of gekleurde doeken, (eventueel op muziek)

Er is bewegingsruimte nodig voor deze oefening. Geef elk kind een wit laken of een gekleurde doek en leg uit dat het dit mag gebruiken om uiting te geven aan de gevoelens die opgeroepen worden. Je kan als leerkracht een keer voor doen hoe je het laken/doek kan gebruiken om uit te drukken dat je blij (vb. rond draaien en het laken laten wapperen) of verdrietig (vb. laken over je hoofd trekken) bent.

  • soms voel je je heel klein…
  • soms voel je je heel alleen…
  • soms zie je dat niemand echt op je lijkt,
  • dat niemand erbij kan, bij wat jij denkt, voelt, meedraagt…
  • soms wil je je heel klein maken, wegstoppen, wegkruipen…
  • soms wil je alleen maar stilletjes in slaap vallen, ergens waar niemand je kan zien of horen…
  • soms droom je van een vriend, met wie je je geheim kan delen…

Deelmoment: kinderen spreken enkel in ik-boodschappen: ze drukken uit wat ze zelf ervaren hebben, er wordt niet beoordelend gesproken over anderen.

  • Hoe was het om deze oefening te doen?
  • Wanner voelde je je het minst goed?
  • Wat gaf je een goed gevoel?
  • Waarover zou je wat meer willen vertellen?

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Verhaal: Bomen met lage takken

Er was eens een vogel met slappe vleugels… Het was geen hoogvlieger. Hij ontbrak de moed en de kracht en voelde zich minderwaardig. Want de anderen slierden in hoge scheervluchten doorheen de azuurblauwe hemel. De vogel met slappe vleugels pikte in de grond, trippelde wat, vloog eens op, enkele meters en plofte terug op de grond… Zijn hart werd een spons die al het verdriet opzoog. Hij voelde zich verloren. De andere vogels vlogen ver tot in de takken van de hoogste bomen.

Hij trippelde verder… tot het hem ineens te machtig werd: Hij verzamelde al zijn krachten en vloog…maar zijn krachten begaven en gelukkig kon hij zich neerzetten op een boom die nog een tak had heel laag bij de grond…
"Om vogels met slappe vleugels te dragen, heeft God gelukkig bomen geschapen met lage takken…"

Verwerking van het verhaal:

  • Vrije associatie.
    • Wat bedenk je bij het verhaal?
    • Zijn er ook mensen met slappe/sterke vleugels?
    • Zijn er ook mensen met lage/hoge takken?
  • Er kan verder gewerkt worden met de 'gelaagde collage'.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Impuls D: Een beeld omzetten in lichaamstaal Bruikbaar in de derde graad

Het beeld:

"Een mens wordt geboren als een vogel met slechts één vleugel:
hij kan maar vliegen als hij ondersteund wordt door andere vogels,
die hem een vleugel aanbieden.
Elke mens moet als het ware een tweede vleugel ontvangen van andere mensen.
Wie op zijn levenspad niemand tegenkomt die een vleugel aanbiedt,
zal een leven lang niet in staat zijn om op eigen kracht te vliegen."

Bij dit beeld kan een bewegingsoefening in een zaal gedaan worden in stilte of op muziek:

De oefening wordt eerst stap voor stap uitgelegd, daarna uitgevoerd.

Stap 1: Je bent een vogel met slechts één vleugel: kinderen beelden een vogel uit met slechts één vleugel: ze worden geblinddoekt en beelden zich in dat één been en één arm verlamd zijn (of een arm wordt tegen het lichaam gebonden). Zo zich proberen voort te bewegen: al zittend, rollend, schuivend,…

Stap 2: Je gaat op zoek naar een andere vogel met slechts één vleugel: ze bewegen zich zo voort tot ze iemand voelen: beide kinderen proberen recht te geraken door tegen elkaar aan te leunen.

Stap 3: Je biedt elkaar een vleugel aan: met de ruggen tegen mekaar gaan staan de vrije arm achterwaarts in mekaar haken, zo enkele rondjes draaien en voorzichtig samen door de ruimte bewegen.

Stap 4: Je maakt elkaar vrij: ze doen bij mekaar de blinddoek af, daarna 'lossen' ze elkaar en 'vliegt' elk los en vrij door de ruimte.

In een uitwisseling vertellen de kinderen hoe ze de oefening beleefd hebben.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Impuls E: Bidden en mediteren Bruikbaar in de eerste graadBruikbaar in de tweede graadBruikbaar in de derde graad

Meditatietekst om voor te lezen, eventueel bij rustige muziek.

Beluister rustige muziek

Bang zijn, eenzaam zijn, verdriet hebben:
het hoort erbij
je mag erover spreken,
je mag erover vertellen aan de bomen,
aan de bloemen, aan de nacht, jouw knuffelbeer en wat nog meer,
maar ook mag je het vertellen aan mensen
je mag vertellen, zingen, roepen, dansen, boetseren over wat pikzwart is
in de wereld of in je hart
mensen kunnen jouw dragen,
ook als je je raar voelt, anders dan de anderen,
er is altijd een punt waar je kan voelen
dat je er gewoon bij hoort,
met je eigen verdriet, je eigen geheim
en je eigen pikzwarte nacht.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Samen bekijken van een afbeelding:

In een klein groepje, bijvoorbeeld tijdens hoekenwerk of een ander differentiatiemoment, waar ruimte is om een kleiner groepje kinderen te begeleiden.

Vrije associatie

  • Vertel wat je ziet op deze afbeelding.
  • Wat valt je op? Vertel er iets over.
  • Wat zou dit vogeltje te vertellen hebben, als het kon spreken?
  • Waar kijkt het naar?
  • Waarom ligt er een bol naast de vogel?
  • Zouden de vlinders iets bijzonders te vragen of te zeggen hebben?
  • Zou het vogeltje iets bijzonders te vragen hebben?
  • Zouden de vlinders hem kunnen begrijpen?

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Info voor de leerkracht: deze afbeelding is neutraal qua gevoelssfeer: kinderen kunnen er zowel rust als onrust in ontwaren. In combinatie met de meditatietekst, waarin de uitdrukking 'pikzwarte nacht' als beeld voor 'donkere gevoelens' gebruikt wordt, kan het zijn dat kinderen eerder geneigd zijn om er moeilijke gevoelens mee te associëren. Maar de bedoeling is, dat kinderen volledig vrij gelaten worden in wat ze erbij bedenken en fantaseren. Juist die vrijheid en spontaneïteit biedt de mogelijkheid om te ontdekken of kinderen dit beeld eerder positief of eerder negatief inkleuren. Praat daarom ook de onderlinge verschillen tussen kinderen niet weg: bevestig elk kind in wat het 'ziet' en aanvoelt. Kinderen kunnen zo ontdekken dat elk een eigen belevingswereld heeft. Ze kunnen zich hiervan bewust worden tijdens zulke oefening.

Bidden

Gelovige mensen voelen aan, dat ze hun leven in Gods' handen kunnen leggen. Ze ervaren een vorm van gedragenheid die door alles heen stand houdt. God is als de grond onder hun voeten, of als licht dat schijnt in het duister.

God is geen vervangvader of –moeder, ook geen vervangvriend of redder, maar God is degene die mogelijk maakt dat mensen vader en moeder en vriend en redder voor elkaar kunnen zijn. Hij houdt die mogelijkheid open tussen en in mensen, of eigenlijk in heel de schepping: Overal en ten allen tijden kunnen mensen 'terugkeren naar de Vader': dwz. contact maken met een onuitputtelijke bron van liefde die kiemen van hoop doet ontstaan. Hoop, die moed en kracht geeft, daar waar op het eerste zicht alleen nog verlamdheid en impasse heerst.

Het is niet vanzelfsprekend om in zulk een God te geloven. Het vraagt een 'act van vertrouwen': durven aanvaarden dat het leven, het bestaan als zodanig, en eigenlijk de ganse schepping, door Gods' liefde gedragen wordt, dat vraagt een sprong. Een sprong in het niets: 'vrije val', staat in de titel van dit deel thema.

Als je als gelovige een intuïtie ontwikkelt voor deze 'gedragenheid', dan ontstaat de drang om de nabijheid van deze God van liefde te voelen, zeker als je te kampen krijgt met intense grenservaringen (zowel in positieve als in negatieve zin). Omdat je daarin een vorm van rust en vrede kan vinden, die nergens anders te vinden is. Het heeft iets van één zijn met jezelf en je diepste bestaansgrond en die eenheid is gedragen door tederheid. Of ook: in een flits kunnen voelen dat alle verwarring, verdeeldheid, strijd, conflict, chaos die door het leven heen trekt, niet kan raken aan een onaantastbare kern die 'heel' is: 'heel' in de zin van: in liefde verbonden met alles en allen: een kern die rust in het geheel.

Jezus zegt: God is als een liefdevolle Vader. Je mag hem alles vragen: blijf hem vragen wat je nodig hebt, met aandrang, maar: laat je 'behoefte' ook omvormen door God. Of anders gezegd: leg je 'nood of behoefte' als zodanig in Gods handen en hij zal die omvormen en richten zodat daarin nieuwe betekenis en zin ontstaat. Dit is anders dan zeggen: ik heb een behoefte en ik hou die in mijn handen en God moet antwoord geven op mijn behoefte en wel op de manier zoals ik het wil. Dit is niet 'bidden': dit is: afdwingen. Zo 'werkt' God niet. Je moet je behoefte toevertrouwen aan God. Je legt het in zijn handen en laat het los. Je be-'rust'. Dan kan je achteraf ontdekken dat er iets mee gebeurd is. Je ontdekt dat het niet meer helemaal hetzelfde is met die behoefte als voordien: er is iets in veranderd. Dit aanvoelen en ontdekken maakt diep gelukkig en dankbaar: dat is bidden; dat is kracht vinden in God.

Mensen bidden tot God, op allerlei manieren met allerlei bewoordingen en soms ook in volmaakte stilte.

Met kinderen kan je deze verscheidenheid aan hoe mensen bidden tonen:

De klaagmuur in Jeruzalem en de rijke wereld van gebedsrituelen binnen de joodse godsdienst. Idem voor de islam. In de nieuwe handleidingen voor godsdienst, wordt hier aandacht aan besteed, voornamelijk op basis van de onderwerpen die horen bij de component 'verbondenheid met zichzelf':

  • Eerste graad: 'Ik voel mij vandaag zo…'
  • Tweede graad: 'Stilte en gebed'
  • Derde graad: 'Bewogen worden en in beweging komen'

Noot: Voor de derde graad zijn voorlopig nog geen handleidingen met een geschiktheidlabel uitgegeven.

Hier willen we de mogelijkheid aanstippen om met kinderen het 'onze vader' te verkennen als kerngebed van christenen, waarin het thema 'zorg' en 'dragen en gedragen worden' sterk door klinkt. Dit thema kan samen met de kinderen ontdekt worden in dit gebed.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Onze vader

Op God kan niemand beslag leggen; hij moet 'gedeeld' worden door alle mensen. Vader zeggent tegen God zeggen is tegelijk tegen alle mensen zeggen: jullie zijn mijn broeders en zusters, gedragen door een en dezelfde liefde.

 

Die in de hemel zijt
Geheiligd zij uw naam
Uw rijk kome
Uw wil geschiede

God valt niet samen met de wetmatigheden die het leven van alle dag tekenen. Hij is nabij, maar tegelijk ook elders, anders: de wet van de liefde werkt anders dan de wet van de zwaartekracht: je kan er geen greep op krijgen, je kan God niet beheersen of naar je hand zetten.

In God is alles verbonden tot een geheel: zijn diepste droom is 'heil',of: dat alles en iedereen zijn plekje vindt in het grote geheel: dat zijn naam moge 'helen' en dat zijn droom doorbreekt in de geschiedenis, in het leven van alle dag, dat hopen we.

Geloven is dus: jezelf uit handen geven.
Als je dat kan, dan mag je dingen vragen aan God:

 

Geef ons heden ons dagelijks brood

Bidden is: datgene vragen wat je echt nodig hebt om mens te zijn, om 'iemand' te zijn: maar 'dagelijks brood' wil zeggen: vragen waar het echt om gaat, ontdaan van alle franje en ontdaan van alle 'hebberigheid'.

 

En vergeef ons onze schulden,
Gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren
En leid ons niet in bekoring
Maar verlos ons van het kwade

 

God maakt het mogelijk dat je in je kracht kan gaan staan, gedreven door liefde. Hij kan je zo omvormen, dat je niet verteerd wordt door angst of schuld of jaloezie en wraakgevoelens en dat je plezier krijgt in het goede te doen.

Amen

 

Geloven is een oefening in loslaten, en zeggen: 'het zij zo', ik aanvaard, ik be- 'rust', ik maak ruimte om God zijn werk te laten doen in mijn leven.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Suggesties:

De basistekst van het 'onze vader' herwerken tot een verhaal/gebed dat uitdrukt wat leeft in de klas.

Analyseer het Onze Vader samen met de kinderen:
Wat zijn moeilijke, vreemde woorden: noteer deze op het bord.
Hoe kunnen we erachter komen wat deze woorden betekenen?

  • opzoeken in een woordenboek
  • inzien dat het om al wat verouderde taal gaat, dat we nu andere woorden gebruiken om hetzelfde uit te drukken: op zoek gaan naar eigentijdse woorden
  • inzien dat deze woorden verschillende begrepen kunnen worden door mensen: naargelang wie je bent, wat je doet, wat je hebt meegemaakt en hoe oud je bent, klinkt het 'onze vader' anders in de oren. Dat kunnen kinderen ontdekken door hen te laten vragen thuis of aan mensen in hun omgeving – vooral ook aan oudere mensen - of ze het onze vader kennen en of ze vinden dat dit een waardevol gebed is en waarom.

Verdeel de klas in groepjes.
Geef aan de groepjes de opdracht om een eigen klasverhaal of -gebed te bedenken naar aanleiding van het onze vader. Geef enkele kernwoorden op. Elk groepje mag zelf een keuze maken uit die kernwoorden om ze te verwerken in de eigen tekst.

Laat hen zelf de keuze of ze toewerken naar een gebed of een verhaal. Immers een gebed veronderstelt een gerichtheid naar God. Dit kan je nooit opleggen aan kinderen: ze krijgen er de kans toe, maar het moet niet. Zorg dat de groepjes zo gevormd zijn, dat elk kind zich gerespecteerd voelt in zijn eigen keuze op dit vlak.

Kernwoorden kunnen zijn (kinderen kunnen zelf ook nog zoeken naar analoge woorden):

Ons of onze of wij;
Anders, elders, niet zoals wij;
Verbonden, samen, deel van een geheel zijn, delen;
Dromen, geluk, hopen;
Zorg dragen, liefde, je kleine hand in een grote hand leggen,
je laten dragen, vertrouwen
Zoeken, vragen, opkomen voor je rechten, opkomen voor jezelf;
Fouten toegeven, schuld bekennen, vergeven
Gaan voor het goede, gedeelde pijn is halve pijn, gedeeld geluk is dubbel geluk;
Rust, stilte, vrede.

De verhalen/gebeden worden beluisterd en opnieuw naast de basistekst van het onze vader geplaatst. Kinderen kunnen hier vrij op reageren.

Nadien kunnen de resultaten gebundeld worden en een plaats krijgen in een stiltehoek of gebruikt worden binnen stilterituelen in de klas.

Voor oudere kinderen kan je hen ook de keuze laten om een anti-onze vader verhaal te schrijven: wat zou het tegenovergestelde zijn van de richting die het onze vader aanwijst? Waar kom je dan bij uit? Deze tegenstelling kan besproken worden.

Daarna: zien dat deze tegenstelling terug te vinden is in eigen groepen (pestgedrag, uitsluiting,…) maar ook in de samenleving en de wereld. Er zijn heel wat uit het leven gegrepen anti-onze vader verhalen te vertellen: het Dutroux-verhaal is er daar één van.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Impuls F: 'de genezing van de krekel', van Toon Tellegen Bruikbaar voor tweede graadbruikbaar voor derde graad

Noot: In het kader van een seminarie 'Catechetiek' van professor D. Pollefeyt werkten studenten van de faculteit Godgeleerdheid volgende opdracht uit: zij moesten een impuls zoeken op niveau van het basisonderwijs, waarbij gevraagd woerd om in de didactische verwerking van de impuls de principes van het 'hermeneutisch communicatief model' toe te passen. Impuls F is de uitwerking van zo'n impulsopdracht door Joke Ector.

Opdracht:

Ik heb gekozen voor 'het uitwerken van een proces van levensbeschouwelijke communicatie aan de hand van een verhaal of een kinderboek'. Vanuit mijn ervaring tijdens stagelessen heb ik gemerkt dat kinderen het beste publiek zijn om verhalen aan voor te lezen of te vertellen. Zij kunnen zich zeer gemakkelijk inleven in de verhalen en zich identificeren met de personages. Op die manier ontstaat het vermogen tot perspectiefwissel, zodat het eenvoudiger wordt om anderen en de wereld te begrijpen. Verhalen zijn bovendien interessante vertrekpunten waar creatieve uitwerkingen altijd mogelijk zijn. Belangrijk hierbij is evenwel dat de leerkracht open vragen stelt, zodat de kinderen worden uitgenodigd tot levensbeschouwelijke reflectie.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Lesimpuls:

De impuls voor mijn les is een boek van Toon Tellegen. Deze dichter is bekend bij groot en klein. Hij slaagt er steeds opnieuw in om ons te verrassen met zijn beroemde dierenverhalen die zich afspelen in een bos. In zijn boek 'De genezing van de krekel' geeft hij een ontroerend verslag van een zware depressie. Het verhaal is herkenbaar, schrijnend, humoristisch en met een happy end. Het boek is bestemd voor iedereen die al eens door een treurnis geteisterd wordt. Ik heb voor dit verhaal gekozen, omdat ook kinderen te maken krijgen met gevoelens van pijn, verdriet, eenzaamheid en het voor hen toch belangrijk is om hierover te kunnen spreken. Het verhaal wordt verteld vanuit de situatie van de krekel. Net omdat het om een dier gaat, worden de gevoelens besproken vanuit een eenvoudige, kinderlijke hoek. Het lijkt me dan ook zeer aannemelijk dat kinderen zich erg goed kunnen identificeren met de krekel en met de andere dieren. Het boek telt 117 pagina's, maar ik heb ervoor gekozen om slechts fragmenten van het verhaal aan bod te laten komen. Op die manier kan je meer doelgericht te werk gaan en bespaar je ook wat tijd, wetende dat de lesuren godsdienst toch tamelijk beperkt zijn. In de bijlage vind je de fragmenten terug. Het gaat om een tamelijk groot aantal, maar het is eventueel mogelijk om hieruit een nog beperktere selectie te maken. Om de christelijke invalshoek binnen te brengen, wordt het verhaal van Toon Tellegen geconfronteerd met enkele bijbelverhalen. Vooral het verhaal van Job biedt interessante hermeneutische knooppunten.

T. TELLEGEN, De genezing van de krekel, Antwerpen, 2000.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Situering in leerplan Godsdienst:

De didactische lessuggesties die hier uiteengezet zullen worden kaderen in het thema 'Verbondenheid in verdriet'. Het nieuwe leerplan godsdienst voor het lager onderwijs biedt dit onderwerp aan voor leerlingen van de tweede cyclus (derde en vierde leerjaar) . Mits enige herwerking van de lessuggesties kan de lesimpuls ook bruikbaar zijn bij kinderen uit de eerste cyclus. Het zou dan kunnen kaderen in het thema 'Ik voel mij vandaag zo…'.

"Kinderen hebben verdriet en zien het rondom zich. Verdriet is eigen aan het leven. (…) Belangrijk is dat kinderen verdriet bij zichzelf kunnen toelaten. (…) Pas wanneer ze ontdekken dat ze verdrietig mogen zijn, kunnen ze verdriet leren verwerken en het een plaats geven in hun leven. Nabijheid en luisterbereidheid zijn enorm belangrijk wanneer mensen verdriet hebben. Het spreekt vanzelf dat deze grondhoudingen noodzakelijk zijn in de klas, wanneer verdriet ter sprake komt. (…) Verhalen waarin kinderen zich herkennen, helpen om verdriet te bespreken en te verwerken. (…) In bijbelverhalen wordt verteld hoe verbondenheid mensen in contact brengt met de levenwekkende nabijheid van God. Deze nabijheid wordt zichtbaar in Jezus."

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Doelstellingen:

D1: De leerlingen kunnen verdriet dat ze rondom zich zien, onder woorden brengen.
D2: De leerlingen leren beseffen dat wenen, lusteloos zijn, niet spreken, … uitingsvormen van verdriet kunnen zijn.
D3: De leerlingen kunnen hun eigen verdriet uitdrukken in tekeningen, boetseerwerk, …
D4: De leerlingen kunnen vertellen wie en wat hen helpt als ze verdrietig zijn.
D5: De leerlingen kunnen uitleggen wat het betekent als mensen zeggen: "Dat ik er met iemand over kan praten, lucht al op".
D6: De leerlingen leren ontdekken in bijbelverhalen hoe mensen bij God kracht vinden om hun verdriet te dragen en te verwerken.

ERKENDE INSTANTIE ROOMS-KATHOLIEKE GODSDIENST MECHELEN, Leerplan rooms-katholieke godsdienst voor het lager onderwijs in Vlaanderen, Brussel, 2000.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Didactische suggesties (leerroute):

De leerkracht leest het gedicht 'Soms' van Andre Sollie voor en vraagt de leerlingen naar de inhoud ervan en meer specifiek naar het gevoel waarmee het personage zit.

Soms
Soms, dan heb ik flink de pest in.
Zit het me opeens tot hier.
Loop ik heel de dag te balen,
vind ik iedereen een klier.

Op mijn kamer: uren mokken,
de volumeknop op luid.
Dat er niemand vraagt: wat scheelt er,
maakt geen ene donder uit.

Want dan ga ik gillen, hoor je?
Gillen.
Als er iemand vraagt: waarom?
Blijf maar uit mijn buurt, want anders
moet ik janken, denk ik. Stom.

Andre Sollie

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Welke gevoelens bestaan er nog? Aan de hand van foto's (kind in speeltuin, in ziekenhuis, in oorlogsgebied, ….) sommen de leerlingen allerlei soorten gevoelens op: blij, bang, boos, verdrietig, opgelucht, onzeker, geschokt, woedend…

  • Wat zie je op de foto's
  • Hoe voelen de kinderen zich?
  • Waarom voelen ze zich zo?
  • Ken je nog andere gevoelens? Sluiten ze nauw aan bij diegene die we al opgesomd hebben?
  • Waaraan kan je zien hoe mensen zich voelen? Lichaamshouding, gezichtsuitdrukking …

De leerkracht leest een kort verhaal voor en op datzelfde ogenblik tekenen de leerlingen gezichtjes overeenkomstig met het gevoel dat (volgens hen) Kaatje heeft. Door zich in te leven in het personage lukt het de leerlingen om de verschillende gezichtsuitdrukkingen op papier te zetten. Wellicht kunnen ze hier eigen ervaringen aan vastkoppelen.

Kaatje verjaart en ze heeft enkele vriendinnetjes uitgenodigd op haar feestje. Als ze toekomen, geven ze haar allemaal veel cadeautjes. Mama heeft pannenkoeken gebakken en samen wordt er lekker gegeten. Hierna vraagt mama of Kaatje haar wil helpen met de afwas. Het is een erg grote afwas… Nadat alles is opgeruimd, mag Kaatje nog even buiten spelen, maar tijdens het spel valt ze. Mama verzorgt de bezeerde knie van Kaatje. Ondertussen is het al behoorlijk laat geworden en kruipt Kaatje in bed. Het was een vermoeiende dag. 's Nachts wordt Kaatje wakker. Ze heeft buikpijn; waarschijnlijk teveel pannenkoeken gegeten...

De leerkracht laat nu enkele muziekfragmenten horen.

  • Wat hoor je in de muziek?
  • Waaraan denk je dan?
  • Welk fragment straalt een somber gevoel uit? Welk een blij, angstaanjagend, opgewekt, hevig… gevoel?

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Hierop aansluitend toont de leerkracht enkele (abstracte) kleurrijke schilderijen, bijvoorbeeld de werken van Paul Klee.

  • Welk schilderij zou je bij welk muziekfragment plaatsen. Waarom?
  • Welk schilderij past bij een somber gevoel en welk bij een opgewekt gevoel? (ook andere gevoelens kunnen ter sprake komen)
  • Welk schilderij past het best bij het gevoel dat jij nu hebt? Leg eens uit.
  • Hoe zou jij 'somberheid' uitdrukken? Welke kleuren zou jij gebruiken? (Dit kan eventueel in de praktijk omgezet worden.)

De leerkracht leest enkele verhaalfragmenten voor uit 'De genezing van de krekel' van Toon Tellegen. Na het verhaal wordt er een kringgesprek gehouden over:

* het verhaal (gevoelens van de krekel):

  • Waarover gaat het verhaal?
  • Hoe voelt de krekel zich?
  • Waaraan merk je dat?
  • Waarom voelt de krekel zich zo?
  • Wat doet de krekel?
  • Wat doen zijn vrienden?

* gevoelens van de leerlingen:

  • Wat maakt jou verdrietig? Blij? Bang? …
    + Wat doe je dan?
    + Wat kan jou opkikkeren?
    + Wie helpt je? Wanneer en hoe kan iemand jou blij maken?
    + Bedank je de persoon die jou hielp? Hoe doe je dat?
    + Help jij soms anderen? Wat voel je dan?
    + Word je zelf somber als je met sombere mensen omgaat? Hoe komt dat, denk je? Kan dit voorkomen worden?

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Het verhaal van de krekel wordt teruggekoppeld aan de ervaringen van de leerlingen. De leerkracht maakt duidelijk dat vrienden belangrijk zijn wanneer je verdriet hebt.

  • Welk dier helpt de krekel het meest vooruit? Waarom vind je dat?
  • Wat zou jij doen als je een vriend van de krekel was? Hoe zou jij hem helpen? Waarom zou je het zo aanpakken?
  • Is het nodig om altijd 'actief' iemand te helpen? Hier wordt verwezen naar het deel waar de krekel stilzwijgend aan de lamp van de eekhoorn slingert (pag 76) en ook naar pagina 107:
    "Wil je dat ik wegga?", vraagt de eekhoorn. "Nee", zegt de krekel. De eekhoorn ging niet weg.

Via enkele bijbelverhalen brengt de leerkracht de christelijke invalshoek binnen. Volgende verhalen (best te zoeken in geschikte kinderbijbels) komen aan bod (voorlezen, kinderen zelf laten lezen ..):

Bij elk verhaal worden onderstaande vragen gesteld:

  • Waarover gaat het verhaal?
  • Hoe voelt het personage zich?
  • Waarom voelt hij/zij zich zo?
  • Welk personage (uit welk verhaal) sluit het best aan bij de krekel en zijn somber gevoel? Maw: In welk verhaal is nog somberheid terug te vinden? Waarom vind je dat?
  • Welk personage zou het meest in staat zijn om de krekel te helpen? Waarom?
  • In heel wat verhalen worden mensen geholpen door Jezus. Zou Hij ook in staat zijn om de krekel te helpen? Hoe zou Jezus dat aanpakken, denk je?

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Tot slot kan de leerkracht enkele fragmenten voorlezen uit het bijbelboek Job (Willibrordbijbel online, raadpleeg eventueel een kinderbijbel). [Deze welstellende man wordt door tegenslagen geteisterd en wordt hierdoor erg depressief. Vrienden zoeken de schuld van het kwaad bij Job zelf, maar Job beschuldigt God. Uiteindelijk zal het tij weer keren en wordt Job in ere hersteld.] Dit verhaal wordt gekoppeld aan het verhaal van de krekel en aan de ervaringen van de leerlingen. Dit gebeurt met behulp van volgende vragen:

  • Wie is Job en wat overkomt hem?
  • Hoe voelt Job zich?
  • Berust Job in zijn lijden of komt hij in opstand? Is het verkeerd om in opstand te komen? In welke situaties kom jij in opstand en wanneer berust je in je lot? Hoe zit het met de krekel? Welk gevoel geeft het als je machteloos je lijden moet ondergaan?
  • Wilde God iets bereiken met het straffen van Job? Wat dan? Was er een reden waarom de krekel somber werd?
  • Is het eenvoudiger om met leed waarvoor je zelf verantwoordelijk bent, om te gaan dan met leed waaraan je niks kan doen?
  • Kan Job een schuldige aanwijzen voor zijn leed? Is er iemand schuldig aan het lijden van de krekel? Is het volgens jou belangrijk om een zondenbok te zoeken? Waarom (niet)?
  • Wie lijdt er volgens jou het meest, Job of de krekel? Waarom vind je dat?
  • Hoe hard trekken de vrienden van Job zich het leed aan? Hoe zit het met de vrienden van de krekel? En hoe ga jij om met leed van een ander?
  • Wat heeft Job geleerd uit zijn lijden? En heeft de krekel iets geleerd?
  • Hoe is Job terug welstellend geworden? In het verhaal van de krekel wordt gezegd dat de krekel 'zomaar' genezen is. In het verhaal wordt niet echt een verklaring gegeven. Is hij zomaar genezen, denk je? Hebben zijn vrienden hierin een rol gespeeld of niet?

Terug naar overzicht
Terug naar overzicht

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Impuls G: De boom als symbool van groeikracht Bruikbaar voor kleutersBruikbaar in de eerste graadBruikbaar in de tweede graadBruikbaar in de derde graad

De gelijkenis van het mosterdzaadje Bruikbaar voor kleutersBruikbaar in de eerste graadBruikbaar in de tweede graadBruikbaar in de derde graad

Bijbelcitaat:

Ook zei Hij: 'Waarmee zullen we het koninkrijk van God vergelijken, of met welke gelijkenis geven we het weer? Het is als een mosterdzaadje dat in de aarde gezaaid wordt. Het is het kleinste van alle zaden op aarde, maar als het gezaaid is, komt het op en wordt het groter dan alle andere struiken en het krijgt grote takken, zodat de vogels van de hemel in zijn schaduw kunnen nestelen.'

Marcus 4, 31-34

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Verhaal: Het kleine zaadje

Jos komt thuis.
Hij zegt: 'Raad eens wat ik in mijn hand heb?
Ik zal het vertellen.
Ik heb een boom in mijn hand!
Vind je dit geen prachtig mooie boom?
Daar kunnen veel vogels in wonen.
Of geloof je me niet?
Dit is een zaadje,
het komt van een mosterdboom.
Als ik het in de grond stop,
krijgt het piepkleine sliertjes,
dat worden worteltjes.
Als er regen is geweest
en als de zon gaat schijnen gaat het groeien.
Het krijgt een piepklein blaadje.
Dat blaadje wordt een takje, dat takje krijgt zijtakjes.
De worteltjes worden wortels, dat takje wordt een stam,
De zijtakjes worden takken met overal blaadjes.
Daar kunnen vogels zich in verstoppen. Ze kunnen daar nestjes in maken
en ze gaan daar wonen en ze krijgen kinderen.
Die boom is begonnen als klein zaadje, maar klein kan veel.'

Eykman, K., Hoor eens even. Verhalen van Jezus, Antwerpen. 1999.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Uit het verborgene Bruikbaar in de tweede graadBruikbaar in de derde graad

Er was eens een wijze man, en een kind, dat erg nieuwsgierig was. Ze liepen samen door een groot bos. Telkens vroeg het kind aan de wijze: "Wat is dit? Wat is dat?" De wijze man zei dan vaak: "Kijk nog maar eens goed, beste kind." Op zekere dag stonden zij samen bij de een machtig grote boom. "Hé", zei het kind, "die grote boom heeft ook veel takken zonder bladeren." "Ja", zei de wijze, "kijk nog maar eens. Het kind keek en ontdekte: wortels, zomaar in de lucht. Ze keken een poos en ze zeiden niets. Dan sprak de wijze: "Pak eens een vrucht van de boom en breng die eens hier. En het kind bracht een vrucht van de boom. Toen zei de wijze: "Maak de vrucht eens open." Het kind deed het. "Kijk, ze is open." "Wat zie je nu?", vroeg de wijze man. "Heel kleine zaden", zei het kind, "heel veel zaadjes." "Splijt er eens een", zei de wijze man. Het kind spleet een zaadje en zei: "Het is gespleten." "Wat zie je nu?", vroeg de man. "Helemaal niets", zei het kind. "Weet je, beste kind", zei de wijze, "uit dat niets, ja, uit dat niets, rijst deze machtige boom op. "En het kind herhaalde: "Uit het niets, het ijle, rijst deze machtige boom op."

Info voor de leerkracht

Deze drie verhalen horen bij elkaar: Vertel ze, elk op een manier die aangepast is aan het genre van het verhaal. Bijvoorbeeld:

  • Het citaat uit de bijbel: in een kring met een bijbel en een kaars erbij.
  • Het verhaal van Karel Eykman: bij een grote boom in de buurt: daarna de boom bekijken en de boom vergelijken met de boom in het verhaal.
  • Bij de tekst 'Uit het verborgene' vertellen terwijl je het doet: een vrucht open laten snijden door een kind, het zaadje open maken en kijken naar de binnenkant van het zaadje. Bestaat de binnenkant uit 'niets'? Wat bedoelt de wijze man met: 'uit het niets rijst deze machtige boom'?

Duiding:
Geloven in groeikracht; daar gaat het om.
Zo kan het ook zijn dat mensen/kinderen het gevoel hebben dat hun leven 'leeg' is, ze zien er niets meer in. De wijze man zegt: wees geduldig met jezelf: uit 'niets' rijst een machtige boom: mensen kunnen hun kracht hervinden, in momenten die op het eerste zicht leeg en uitzichtloos lijken.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Verhaal: Een appelboom Bruikbaar in de tweede graadBruikbaar in de derde graad

Dit is een tuin met zes bomen erin. Ze staan netjes op een rijtje.
Dan komt boer Heermans aan gelopen. Hij komt kijken of er appels zijn gegroeid aan zijn bomen, dan kan hij zien dat het echte appelbomen zijn. De eerste boom heeft appels, een echte appelboom.
De tweede boom heeft appels en de derde boom ook. Allemaal echte appelbomen.
De vierde heeft appels, en de zesde boom heeft appels. Maar wat is dat nou?
Die vijfde boom heeft geen appels! Boer Heermans kijkt eens onder de blaadjes: geen appel te zien.
Boer Heermans denkt: 'Nou zeg, dat is toch gek. Een appelboom zonder appels, is dat nog wel een appelboom? Dat kan je beter een niksboom noemen. Ja toch?'
Hij gaat een bijl halen en hij gaat Jaap roepen. Jaap', zegt hij, 'hak die boom maar om, die nummer vijf.
Ik heb niks aan die boom.' Boer Heermans legt de bijl alvast tegen de wortels van de boom.
Dan komt Jos er aan. Jos zegt: 'Moet Jaap die boom omhakken? Laat hem dat niet doen.
Alsjeblieft, laat mij het nog een jaar proberen. Ik zal extra goed voor hem zorgen.
Ik zal gieteren als het droog is. Ik zal koeiepoep stoppen in de grond om hem heen. Daar groeit hij van.
Maar hak hem niet om, hij hoort er ook bij.' Boer Heermans kijkt Jos eens aan.
Dan zegt hij: 'Goed, vooruit dan, je mag het nog een jaar proberen.
Maar als er dan nog geen appels aan groeien, dan gaat hij om.'

Jas doet erg zijn best voor boom nummer vijf. In de zomer gietert hij.
In de herfst maakt hij de grond mooi zacht met zijn schop en hij doet koeiepoep in de grond eromheen.
Het onkruid in de buurt haalt hij weg. In de winter maakt hij een jasje van stro om de stam.
Dat is lekker warm.

In de lente krijgt hij veel kleine bloemen en wat later groene blaadjes.
En hij groeit net zo goed als de andere bomen. Er groeien kleine bolletjes aan de takken.
Dat worden appels.

Aan het eind van de zomer gaan Jaap, Jos en boer Heermans de appels plukken.
Ze hebben wel een mand vol. Elke boom geeft evenveel. Van elke boom zijn de appels even lekker. Van nummer één, nummer twee, nummer drie, nummer vier, nummer zes en ook nummer vijf!
Alle bomen horen nu bij elkaar. Ze zijn allemaal echt appelboom.
Boer Heermans, Jaap en Jos proeven elk een appel. Dat is lekker.

Eyckman, K., Hoor eens even. Verhalen van Jezus, Amsterdam 1982.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Vragen bij het verhaal:

  • Wat zou er aan de hand zijn met de boom in het verhaal?
  • Waarom zou hij geen appelen dragen zoals de anderen?
  • Waarom wil Jos niet dat de boom omgehakt wordt?
  • Wat zou er gebeuren als de boom het jaar daarna nog geen appelen zou dragen?
  • Wat zou jij ermee doen? Omhakken of niet? Waarom wel, waarom niet?
  • Denk je dat er mensen of kinderen zijn, die niet meer kunnen bloeien en geen vruchten kunnen dragen, net zoals die boom?
  • Waar zou dat aan kunnen liggen?

Verwerking:

De 'gelaagde collage' verder bewerken vanuit het verhaal.

Het verhaal, zoals het in de bijbel staat:

De onvruchtbare vijgenboom
'Iemand had in zijn wijngaard een vijgenboom staan. Hij kwam kijken of er vruchten aan zaten, maar vond er geen. Toen zei hij tegen de wijngaardenier: "Dit is nu al het derde jaar dat ik kom kijken of er aan deze vijgenboom vruchten zitten en er geen vind. Hak hem maar om. Waarom zou hij de grond nog verder in beslag nemen?'' De wijngaardenier antwoordde: "Mijnheer, laat hem dit jaar nog staan, zodat ik de grond eromheen kan omspitten en bemesten. Wie weet draagt hij dan volgend jaar vrucht. Zo niet, hak hem dan maar om.'' ' Lucas 13, 6-9

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Filosofisch gesprek:

Jezus zegt: God wil zorg dragen voor mensen zoals Jos dat doet in het verhaal met de appelboom:

  • Zou jij kunnen geloven in een God die zo wil zorg dragen voor mensen?
  • Zou je willen dat er zo'n God bestaat?
  • Wat zou je hem vertellen of schrijven als je daar de kans voor zou krijgen?

Er zijn mensen die in zulk een God geloven.
Anderen kunnen dat niet.

  • Waaraan zou dat liggen, denk je?
  • Zouden verdrietige mensen steun kunnen vinden bij God?
  • Kan je daaruit besluiten dat mensen niet voor elkaar hoeven te zorgen, vermits God wel zorgt voor mensen?
  • Zit het zo in elkaar denk je? Waarom wel, waarom niet?
  • Kan God dan op een andere, eigen manier zorgen voor mensen?
  • Of zorgt God er juist voor dat mensen kunnen voelen wanneer ze moeten zorgen voor iemand? Hoe zou God zoiets kunnen laten voelen aan mensen?

Boeiend is ook de argumenten voor en tegen die gevallen zijn tijdens het filosofisch gesprek terug in te zamelen. Ook de oplossingen die zijn gesuggereerd. De argumenten die weer werden afgewezen enz. Dan al deze aspecten te bekijken i.f.v. het thema zorgzaam samen leven.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Open stoel gesprek n.a.v. het verhaal van de appelboom

Wat is een open stoel gesprek?

Algemene omschrijving

Deze werkvorm is gericht op het kennismaken met of het verkennen van een figuur uit religieuze verhalen. Dit gebeurt door het personage (het kan ook een dier of een voorwerp zijn) in verbeelding op een open(lege)stoel aanwezig te stellen en er contact mee te maken. Dit kan door het iets te zeggen, te vragen of er een gesprek mee aan te gaan. Zo komt men dichter bij de betekenissen die een personage heeft voor kinderen. De nadruk kan hierbij liggen op het verkennen van het verhaalpersonage zelf, in de context van het verhaal of de geschiedenis. Ook kan men de persoonlijke geraaktheid, de eigen betrokkenheid op de verhaalfiguur exploreren en stilstaan bij de eigen religiositeit van de kinderen.

Aandachtspunten

Plaats van de leerkracht

Bij de voorstelling van de werkvorm en bij het introduceren van het religieus personage op de stoel sta je als leerkracht voor de groep. Nadien neem je plaats achter de groep. Zo kan je gemakkelijk de kinderen stimuleren en ook bijspringen. Je ondersteunt de blikrichting van de groep naar de figuur toe. Je kan zelf ook makkelijk vragen stellen. Je kan een groot deel van de kinderen bekijken op hun reacties. Je kan makkelijk van plaats veranderen als je de anderen wil zien.

Houding van de leerkracht

De houding is altijd ondersteunend en stimulerend. Ze bevestigt af en toe de vragen en de antwoorden. Vb. Ik ben ook benieuwd naar het antwoord op deze vraag appelboom. Dat antwoord van je, appelboom, daar wordt ik stil van. Als begeleid(st)er spreek je dan vanuit je zelf, in de ik-vorm. Uitspraken als: 'Dat vind ik een goede vraag’ kunnen niet omdat ze een beoordeling inhoudt. Trouwens elke vraag in dit spel is een goede vraag.

Inhoudelijke tussenkomsten dienen om het gesprek een nieuw elan te geven of om vergeten aspecten in het vizier te brengen. Er kunnen tussenkomsten zijn om het stilgevallen gesprek weer opgang te blazen. Of om elementen die tussen de plooien zijn gevallen weer op te vissen. Je kan ook een vraag stellen die bij jezelf leeft, zo neem je deel aan het gesprek. Je laat je openheid zien, je kwetsbaarheid ook. Dat werkt stimulerend voor het vertrouwen in de groep en in het spel. Let op dat je daardoor het gesprek niet naar je hand zet.

Corrigerende tussenkomsten dienen om de spelregels weer onder de aandacht te brengen. In geen geval mag de begeleid(st)er afbreuk doen aan de vragen of de antwoorden van de kinderen. Ze dienen van de eerste tot de laatste gerespecteerd te worden. Behalve in geval van ridiculisering van het gebeuren. Correcties moeten positief benaderd worden, met veel begrip en erkenning.

Open (lege) stoel met één voorgegeven figuur

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Verloop:

  • De leerkracht licht de doelstellingen en het verloop van de oefening toe. Ze geeft duidelijk aan hoe er gewerkt zal worden en illustreert dit met een voorbeeld.
  • De kinderen zitten liefst op stoelen die in een halve cirkel of U-vorm zijn geplaatst. Er moet ruimte zijn voor de begeleid(st)er tussen de stoelen en de muren van het lokaal, zodat de men zich achter de kinderen kan begeven.
  • De leerkracht zet zorgvuldig een lege stoel voor de groep neer. Zorg voor voldoende ruimte tussen de stoel en de kinderen. Ze vraagt de kinderen zich het vooraf bepaald religieus personage vb. Jos, boer Heermans, de wijngaardenier, de eigenaar…in hun verbeelding op de open stoel te laten plaatsnemen.
  • Bij jonge kinderen kan een verhalende inkleding helpen. De kinderen stellen hun vragen of geven hun bedenkingen weer die bij hen opkomen t.a.v. dit personage. Ze doen dat van op hun plaats of ze komen daarvoor één voor één voor de open stoel staan (op een door hen zelf gekozen afstand).
  • Daarna (onmiddellijk of pas na enige tijd) kunnen de (andere of dezelfde) kinderen antwoorden als religieus figuur dus als Jos, boer Heermans…. Daartoe stellen ze zich achter de open stoel op en geven van daaruit antwoord. Ze spreken dan als deze figuur. En antwoorden in de richting van de vraagsteller. Meerdere kinderen kunnen verschillende antwoorden geven op dezelfde vraag.

Wanneer op een bepaalde vraag geen antwoord komt kan men als leid(st)er op meerdere manieren reageren. Enkele voorbeelden:

    • Hebt u de vraag goed verstaan Jos? Zullen we ze nog even herhalen?
    • U wordt wel erg stil bij die vraag boer Heersman, moet u nog even nadenken.
    • Is deze vraag te moeilijk, te persoonlijk, te onverwacht... voor u?
    • Kunnen we ze straks dan even opnieuw stellen?
    • We begrijpen best dat je niet op al onze vragen kan antwoorden.
  • Als alle vragen zijn gesteld en de antwoorden gegeven dan wordt het religieus personage bedankt voor haar/zijn aanwezigheid. De persoon wordt uitgeleide gedaan. En de stoel wordt omzichtig 'ontrold' d.w.z dat de leerkracht aangeeft dat er niemand meer op deze stoel zit, dat die stoel weer een heel gewone stoel geworden is. De stoel wordt opzij gezet. Men neemt deze stoel best niet onmiddellijk weer in gebruik. Voor sommige kinderen kan de stoel nog met de aanwezigheid van die religieus figuur bekleed zijn. Als men met de appelboom/ vijgenboom een gesprek wil voeren, wat hier in dit verhaal ten zeerste aangewezen is dan tekent men best een cirkel op de vloer waar in verbeelding een appelboom/ vijgenboom komt staan. Want bomen op een stoel zien zitten is niet voor iedereen vanzelfsprekend.
  • Dan wordt er ruimte gemaakt voor de uitwisseling van belevingen en ervaringen. De leerkracht komt mee in de kring zitten die nu helemaal gesloten wordt. De kinderen worden (vrijblijvend en hartelijk) uitgenodigd te vertellen wat ze in dit contact met het religieus personage ervaren hebben en hoe ze dit hebben beleefd. De kinderen vertellen ook eigen herinneringen en levenservaringen die ze associeerden bij het spel. Bedenkingen of beoordelingen bij de kwaliteit van de uitspraken van de kinderen worden beslist afgewezen door de leid(st)er. Deze spreekt evenmin zelf een beoordeling uit.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Kunstwerk: Boomstonk met bijl Bruikbaar in de derde graad

Wat is er te zien? Welke betekenissen kan je erin herkennen?
Vertel eens wat je denkt dat er gebeurd is. Schrijf er een klein verhaal over.
Vertel het verhaal vanuit het standpunt van de bijl of vanuit het standpunt van de boomstronk
Wat betekent dit kunstwerk als je het verbindt met het verhaal van de vijgenboom/appelboom?

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Lied van Willem Vermandere Bruikbaar in de derde graad

D'r staat in mijn hof nen lelijken boom
al veel te lange zo nen aap van nen boom
hij moest uit mijn ogen met al zijn venijn
en 't moeste maar zulk gene lelijkaard zijn

D' happ' (= bijl) in mijn handen en 'k had goed gemikt
god laat het groeien maar 't is de mens die 't schik
ne zwaai in de lucht direct is 't voorbij
krijg ik daar zelf gene slag in mijn zij

Lijk Isaac gered in 't oud testament
Deur 'n engel van god juist op 't laatste moment
den hemelse macht smeet mijn happ' in de grond
en 't boompje bleef staan daar waar dat 't stond

Vanaf dien dag heb ik het goed gesoigneerd
haast blaadje per blaadje gevisenteerd
bij 't minste windje, sneeuwtje of vorst
klopte mijn herte van vrees in mijn borst

en iedere lente heb ik diep gezucht
als ik 't boomt je zag groeien scheefweg in de lucht
en 'k leefde gelukkig en ie was content
'k en heb mijn eigen kinders nooit zo verwend

en als ik ga dood gaan plant nevens mijn kruis
twee takken van 't boompje van achter mijn huis
dat 'k d' eeuwigheid lang kan slapen en dromen
diep aan de wortels van mijn bloedeigen bomen

Willem Vermandere

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Liedbespreking:

Hoe dacht de persoon aan het begin van het lied over de boom?
Veranderen zijn gevoelens ten opzichte van de boom?
Hij blijft het tot het einde toe een lelijke boom vinden.
Hoe zou jij omgaan met een lelijke boom? Welke argumenten voer je aan?
Welke tegenargumenten zijn er aan te brengen?

Organiseer een rechtbank waar de advocaten en de voor en tegenstanders met elkaar in gesprek gaan en waar een jury beslist na de argumenten van beide groepen gehoord te hebben.

Waarom wordt die boom waardevol voor de persoon in het lied?
Heeft die lelijke boom iets te maken met zijn eigen leven?
Zou hij zichzelf in de boom herkennen? Waaraan merk je dat?
Waarom wil hij begraven worden in de buurt van die boom?
Kan je dat begrijpen?
Zegt het lied iets over hoe je kan omgaan met moeilijke gevoelens?
De zanger spreekt van een 'hemelse macht' en een 'engel van god'
Wat bedoelt hij daarmee? Wat brengt dit teweeg? Wat zegt dit over God?
Wat zegt dit over zorgzaam omgaan met elkaar?

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Twee tekeningen als bomen Bruikbaar in de derde graad

Tekening 1. Vele mensen samen vormen samen een boom rondom Jezus met om het hoofd een aureool met kruis Jezus staat met open armen als aan een kruis. We zien vele gezichten die naar binnen kijken maar ook die naar buiten kijken We zien vooral veel handen, die zowel naar binnen als naar buiten reiken als takken en bladeren van een boom.

Tekening 2. Centraal bovenaan zien we een grijs kruis op een grote vlakte. Het is de schaduw van een man die met de armen wijd open staat. Onderaan zien we vele zwarte armen met handen naar boven. Het kijkt op een bos met vele bomen. Het lijken ook reikende handen. Handen die willen helpen of handen die om hulp roepen. Tussen de bomen zien we heel kleine kromgebogen mensen lopen met de handen aan het hoofd.

Bekijk de twee tekeningen goed en benoem wat er allemaal op te zien is.
Wat zouden deze tekeningen willen vertellen?
Welke elementen hebben de twee allemaal met elkaar gemeen?
Wat kan dat betekenen? Tot welke interpretatie zouden deze schilderijen kunnen aanleiding geven als ze naast elkaar zouden worden tentoongesteld. Welke verhalen zijn er bij te bedenken?
Wat vertellen ze over 'zorgzaam samenleven'?
Verzin slogans die erbij passen en schrijf ze als graffiti rondom de schilderijen.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Impuls H: Je eigen kracht voelen Bruikbaar in de tweede graadBruikbaar in de derde graad

  • Kijk naar deze foto. Wat zie je?
  • Wat vind je opvallend?
  • Hoe voelt die jongen zich?
  • Zou je in zijn plaats willen zijn?
  • Heb jij ook zo al eens een 'vrije val' gewaagd?
  • Hoe voelde dat toen?

Verhaal van de vleermuis: Vrije val

"Waarom moet ik eerst vallen?" vroeg de kleine vleermuis aan zijn moeder.
"Om te kunnen vliegen", zei de moeder zacht.
Ze hingen beiden aan een lange tak.
De kleine vleermuis werd bang en zijn klauwtjes grepen radeloos om het veilige hout.
"Wil je onder de sterren leven?"
"ja."
"En vrij zweven in de lucht? Wil je wentelen en buitelen, hoog boven de bomen en de wereld?"
"ja, ja... maar waarom moet ik dan vallen?"
"Zo zijn we geschapen," glimlachte de moeder. "Het kan niet anders."
De tak werd een grillige naakte arm in het bleke licht van de maan.
Het jonge vleermuisje keek onder zich: het rilde om die vreemde, duistere afgrond waaraan het zich moest toevertrouwen.

"Kan ik niet vliegen, van hieruit naar de sterren toe?"
"Nee, zei de moeder. Ik heb het je al gezegd. Kom, laat nu de tak maar los en val."
"Dan zal de harde grond me doden."
"Je hoeft het maar heel even te doen en rustig je vleugels uit te spreiden. Laat los, mijn zoon... en vlieg."
In een flits was de moeder verdwenen. Ze viel in de gapende duisternis onder de tak. Van heel ver hoorde de kleine vleermuis haar roepen. "Kom ..."

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Verwerking:

laat in groepjes vanaf hier het verhaal verder aanvullen.
De leerlingen presenteren hun verhaal, al vertellend of al dramatiserend.

Nadien wordt het verhaal verder verteld:

Toen dacht hij aan niets meer. Hij was alleen: de tak werd koud, alles was zo vreemd. Nog even klemde hij zich vast om het vertrouwde hout een laatste keer te voelen. Toen liet hij los met een gil van angst.
Hij suisde omlaag en meende te sterven. Hij viel steeds sneller en de donkere grond die hem zou doden, was dichtbij.
Maar dan opende hij zijn vlerken en keek omhoog. Hij wist zich licht en vrij.
De nacht tilde hem op en droeg hem tot ver over de bomen.
Hij wentelde en buitelde van vreugde.
Toen voelde hij voor het eerst de hemel.
De sterren straalden van blijdschap –
omdat hij leefde.
Hij vloog hoog boven de wereld.
Hij was... vrij.

De verschillende verhaaleinden worden met elkaar vergeleken.
Indien er thema's zijn die kinderen aaspreken kan hierover een filosofisch gesprek gevoerd worden, bijvoorbeeld over:
Bang zijn om iets alleen te doen. Waarom 'vallen' soms noodzakelijk is. Wat 'vrij zijn' betekent. Wat zorg dragen voor elkaar wel en niet betekent.

Aanzetten uit het verhaal: vind je dat moeder vleermuis goed voor haar kind zorgt? Waarom wel, waarom niet? Wat kon ze doen om beter voor de vleermuis te zorgen? Op welke manier zou ze slechter voor de vleermuis gezorgd hebben? Waarom?

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Achtergrondinfo

In deelthema 1 van deze IDK 'Met vallen en opstaan' wordt gewerkt met het verhaal van de arend die leert vliegen: daar ligt het accent op de zorg van de ouders. Hier, in het verhaal over de vleermuis, ligt het accent op het voelen van de eigen kracht om te vliegen. Het is de bedoeling om de kinderen uit te nodigen om in hun eigen kracht te gaan staan, om hun angst en onzekerheid te overwinnen. Wie zijn eigen, innerlijke kracht voelt, ontdekt vrijheid. Dit 'bevrijdingsproces' willen we thematiseren met dit verhaal.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Impuls I: Draagkracht van kinderen Bruikbaar voor kleutersBruikbaar in de eerste graadBruikbaar in de tweede graad

Bekijk de foto's (klik erop om ze te vergroten en eventueel af te drukken).

Wie wordt er gedragen? Hoe zou dat voelen om gedragen te worden? Kan je dat zien? Zouden de kinderen in de doeken zich daar warm en geborgen in voelen. Zitten ze daar veilig denk je?
Vind jij het prettig om gedragen te worden? Vertel er eens over.

Waar draagt grote zus haar zus of broer?
Hoe draagt grote zus haar broer of zus?
Hoe houden ze elkaar vast? Met hun armen? Of in een doek?
Wat doet grote zus met de armen die ze vrijheeft? Wat zou ze allemaal kunnen doen? Zou grote broer ook zijn zus of broer kunnen dragen?

Zou het kunnen dat de grote zus op de foto op haar broer of zus past? Zou ze dat prettig vinden? Waaraan kan je dat zien?
Waarom zouden ze blij zijn?

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Vertel eens wie er te zien is op die foto’s.
Wat doen de kinderen?
Het ene kind draagt. Het andere kind wordt gedragen.
En soms staat er nog een ander kind bij.
Zijn ze blij? Kan je dat zien?
Wie is er niet blij? Wat voelt die dan denk je?
Waarmee heeft het te maken dat ze blij of niet blij zijn?
Zijn ze aan het spelen? Waarom denk je dat?
Waaraan kan je dat zien denk je?

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Op één foto draagt grote zus samen met haar broertje wortels uit de grond met zich mee. Dat meisje draagt een schort. Zou dat om te spelen of om te werken zijn? Zouden die op het veld geweest zijn om groenten te halen. Neemt ze dan haar broertje of zusje mee?
Ze zorgt voor hem/haar. Zou ze dat prettig vinden?
Waaraan kan je dat zien? Waarom zouden ze blij zijn?

Zouden ze dat prettig vinden of lastig om hun broertje of zusje te dragen? Zouden ze het broertje of zusje de hele tijd moeten dragen denk je?
Zou jij het prettig vinden om je zusje of je broertje te dragen, zoals op de foto’s? Zullen we dat eens doen?

Terug naar overzicht
Terug naar overzicht

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Impuls J: Cartoon: De boom die gaf Bruikbaar in de tweede graadBruikbaar in de derde graad

Dit verhaal gaat over 'zorg' en 'verbondenheid'. In impuls G draagt de mens zorg voor de boom, opdat zijn groeikracht niet verloren gaat; hier is het de boom die zorg draagt voor de mens. Het is de boom die trouw blijft aan de liefde die groeit tussen hem en het kind en die 'geeft' zonder berekening: het belang en de 'groei' van het kind staan voor de boom centraal. Het verhaal bevat vele thema's die te denken geven, zoals: vriendschap, trouw, groei, verandering, zichzelf wegschenken, gelukkig zijn, oud worden, zorg dragen, de mens die de natuur nodig heeft en omgekeerd,…

Hierover kan gefilosofeerd worden met kinderen.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Extra: Suggestie voor de periode van de goede week

Koppeling van het thema 'balanceren tussen mogelijkheden en beperkingen' aan de symboliek van het kruis.

Kruis dragen

Een kruis dragen doen veel christenen vaak letterlijk. Ze dragen aan hun hals, aan een kettinkje of op hun kleding gestoken, een kruisje als bescherming, als mode, als belijdenis. Om dezelfde reden betekende men zich met het kruisteken (met de hand een symbolisch kruis op het lichaam tekenen) of ging men bij elkaar om een kruisteken vragen om zich tegen het kwaad te beschermen. Het kruis werd het teken bij uitstek van het christendom. Het verscheen op gewaden, huismuren, kerktorens, bergtoppen, graven, munten en kronen.

In oorsprong werd het kruis door de Romeinen gebruikt als marteltuig, als doodstraf. Zo werd met de gekruisigden die werden ten toongesteld tegelijk ook de spot gedreven, het was een schandpaal. Het werd een teken van verlatenheid, spot en dood.
Iemand kruisigen, aan het kruis hangen of nagelen werd dan uitdrukking van iemand beschuldigen, kleineren, brutaliseren, het zwijgen opleggen, veroordelen, doen lijden...

Een kruis betekende verder het lijden van de mens, een ongeluk, een tegenslag die men moest dragen. Het werd voor de christenen een teken van navolging van Jezus van Nazareth die ook zijn kruis moest dragen naar de plaats van terechtstelling. "Ieder moet zijn eigen kruis dragen", "ieder huisje heeft zijn kruisje" werden gangbare uitdrukkingen. Die uitdrukkingen verborgen vaak het langdurige verdriet, de onnoemelijke pijn, de immense verlatenheid, de machteloosheid, de scherpe verbittering die gepaard gingen met het menselijk lijden. Het dragen van het kruis is vaak een eenzame, langdurige en pijnlijke onderneming.

Dat dragen van het kruis werd ook wel ervaren als een loutering, als een doorworsteling, als een overwinning op het lijden, op het kwade, op ongerechtigheid. Het kruis werd een teken van opstand en opstanding. In navolging van de evangelische opstandingverhalen voert het kruis niet tot een blijvende dood, maar tot een overwinning op het lijden, het leven verrijst.
Het kruis werd dan teken voor de strijd tegen ongerechtigheid, tegen oorlog en geweld. Het werd een teken van protest en van solidariteit, zoals o.a. het wereldwijd bekende Rode Kruis.

Sommige christenen gingen zover dat ze meenden eerst zichzelf te moeten pijnigen om deelachtig te worden aan de opstanding en het heil (heelheid) dat ermee zou gepaard gaan. Zo werd het zich laten kruisigen op goede vrijdag in de Filippijnen tot een religieus ritueel fenomeen.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Kruisen schilderen

Doel

Eigen kruiservaringen in beeld brengen
Symbolisch beeldend verwerken van ervaringen opgedaan in bovenstaande oefeningen
Kruisen van anderen bekijken en interpreteren. Uitwisselen van schilderervaringen

Aandachtspunten

In de christelijke cultuur verschijnen er zeer diverse kruisvormen. Bij ons is het Latijns kruis het meest bekende maar daarnaast bestaat het Grieks kruis, Andreaskruis, Antoniuskruis, Koptisch kruis, Petrus kruis, Jeruzalem kruis enz. Van meet af aan werden deze kruisen ook met andere tekens en symbolen bekleed. Versieringen werden aangebracht en hele taferelen werden er rond geweven. Ook elementen uit andere culturen werden ingevoegd. Zelfs werd het kruis ingevoegd in beelden uit andere culturen vb. in de Germaanse levensboom, de Yggdrasil waar Christus de plaats inneemt van Odin (Wodan).
Een aantal oude beelden kunnen voor ons vandaag een inspiratie zijn of een hulp om zelf het eigen kruis uit te schilderen. Als men ziet hoe creatief en associatief men in het verleden met het kruis is omgegaan om daar doorheen het eigen leven, het eigen kruis, de eigen cultuur gestalte te geven, kan dit voor ons vandaag een stimulans zijn om zelf verbeeldend met het teken van het kruis om te gaan.

Verloop

Doelen en aandachtspunten worden toegelicht en het verloop wordt kort verteld.
Voorbeelden van kruisvormen en kruiscreaties uit het verleden worden ter beschikking gesteld of op diverse plaatsen goed zichtbaar uitgehangen.
Enkele grondelementen uit de lichaamsmeditatie van het kruis worden in herinnering gebracht. Verticaliteit, horizontaliteit....
Grote tekenbladen (A2-formaat) worden uitgedeeld en verf ter beschikking gesteld.

Vooraleer aan de slag te gaan is het goed om de opgedane ervaringen in voorgaande oefeningen nog even samen te brengen en te overwegen. Men kan de eigen notities even doornemen.
Als je je door bepaalde kruisvormen laat inspireren laat dan het gevoel de bovenhand krijgen op het verstand of op je (beperkte) schildervaardigheid. Laat bij kleurkeuze het spontaan associatieve het winnen van het logisch verband.
Neem rustig de tijd om het concept te laten groeien. Blijf dicht bij je gevoel. Uitdrukking geven aan wat er door je heen gaat, gaat voor op het artistieke, het esthetische.

Als leerkracht help je vooreerst de moeilijke starters op weg. Door hen even wat te laten vertellen wat ze allemaal al bedacht hebben. Zo brengen ze vaak zelf ordening in de eigen ideeën. Laat hen spontaan een bestaand kruisbeeld kiezen (uit de aangeboden series) waar ze zich het meest toe aangetrokken voelen. Suggereer dat dit misschien een beginvorm kan zijn waar ze andere elementen omheen of doorheen kunnen weven.

Als leerkracht vraag je regelmatig aan iedereen of het wel gaat of men niet even vast geraakt.
Wanneer je als leerkracht in alle openheid bij bepaalde kruisen in wording vertelt, wat jij er in ziet, dan vertelt mogelijk de schilder ook zijn verhaal. Ook tijdens het schilderen met elkaar in gesprek gaan, kan je best stimuleren. Als er maar voldoende ruimte en rust is om te schilderen.

Na de oefening

Na het schilderen kan men in kleine groepen aan elkaar vertellen wat men ziet in en voelt bij het werkstuk van een ander. Waarna deze haar/zijn verhaal doet.
Men kan ook de schilderwerken van de helft van de klas uitstallen. Diegenen wiens werk niet is uitgestald kiezen een schilderij uit dat hen treft, aanspreekt en gaan daarover met de schilder in gesprek. Dit kan zich enkele keren herhalen. Daarna worden de rollen omgekeerd.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Kruisbeelden zelf maken

De doelen, aandachtpunten en het verloop zijn dezelfde als in bovenstaande oefening.

Deze oefening kan individueel of in kleine groepen uitgevoerd worden.
Individueel heeft als voordeel dat men heel dicht bij de eigen ervaring blijft en zoveel mogelijk opgedane ervaringen in de andere oefeningen kan inwerken en symboliseren.
Het voordeel van groepen is dat men voortdurend de eigen ervaringen, inzichten en associaties met elkaar deelt en afweegt en dat maatschappelijke elementen vaak meer aan bod komen. Men kan het opleggen of naar keuze vrij laten.

Voor deze oefening moet er tijd en ruimte zijn om materialen te zoeken. Materialen uit de natuur zijn aangenaam om mee te werken: takken, wortels, mos, klimop, denappels, fruit, bloemen, stenen, aarde... Ook afval, glas, prikkeldraad, blikjes, krantenpapier, eierschalen zijn zeer bruikbaar. Ook is er veel en verscheiden gereedschap nodig: hamers, tangen, scharen, zagen, steekbeitels, nagels, lijmsoorten, touw, ijzerdraad.

Het grote voordeel van het schilderen op deze werkwijze is dat men veel inventiever wordt, beeldender, symbolischer. De werkstukken, de kruisen worden vaak echte kunstwerken. Als men enkele beperkingen inbouwt, kan men er ook een kruisoptocht mee houden.

Als voorbeelden en suggesties om de leerlingen wat op weg te helpen, kan met de foto's tonen van de tentoonstelling 'Jezus is boos' die enkele jaren geleden doorging in Utrecht. De catalogus is in boekvorm verschenen met kleurenfoto's van de kunstwerken.

Jezus is boos. Het beeld van Christus in de hedendaagse kunst, Zoetermeer, Boekencentrum 1995. ISBN 9023914767.

Kruisen van protest

In vele gemeenten en parochies bestaat de gewoonte om met Goede Vrijdag een stille optocht te houden waarbij kruisen worden meegedragen. Kruisen van protest tegen de onophoudelijke kruisiging van mensen overal ter wereld. Men kan zelf kruisen van protest ontwikkelen waarin op een expressieve manier de actuele kruisiging in beeld wordt gebracht. Deze kruisen kan men meedragen tijdens de Goede Vrijdagoptocht.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Lichaamsexpressie van kruis-emoties

Doel

Emoties bij kruismomenten in het eigen leven uitbeelden.
Stilstaan bij wat een expressie oproept bij zichzelf en bij anderen.
Kruis-emoties van anderen verkennen en ter sprake brengen.

Aandachtspunten

De groepjes werken zelfstandig op eigen ritme de opdrachten uit.
Bij kinderen is het van belang de opdrachten stapsgewijze toe te lichten en te laten uitvoeren.
Neem voldoende tijd om bij een emotie te komen, om een gepaste expressie te vinden en tot uitdrukking te brengen. De uitbeelder houdt deze uitdrukking ook enige tijd vast.

Verloop

  • Doelen en aandachtspunten worden toegelicht en het verloop wordt kort verteld.
  • In groepjes van vier-vijf personen neemt men elk afzonderlijk een lichaamshouding aan die uitdrukking is van een emotie die men heeft bij één van de kruismomenten in het eigen leven. De afzonderlijke leden van de groep halen zich één pijnsituatie voor de geest en worden zich bewust van de emotie die deze situatie oproept. Deze emotie geven ze gestalte door een lichaamshouding aan te nemen die daarbij past. Men verkent eventueel verschillende houdingen tot men de meest gepaste gevonden heeft. De leerlingen houden deze houding een twintigtal seconden vast. Ze gaan na (via introspectie) welke gevoelens deze oefening bij hen oproept. Ieder groepslid voert deze oefening individueel uit, zonder aandacht te besteden aan de andere groepsleden.
  • Wanneer iedereen klaar is met de persoonlijke verkenning wordt er een volgende stap gezet: de leerlingen worden in groepen ingedeeld en experimenteren samen met houdingen. Eén persoon neemt een houding aan die hij in de individuele oefening verkend heeft. De anderen observeren de houding en nemen deze zo nauwkeurig mogelijk over. De houding wordt een twintigtal minuten uitgevoerd en alle leerlingen gaan na welke gevoelens deze houding bij hen oproept. Na afloop van de oefening vertellen diegenen die de houding hebben geïmiteerd welke gevoelens en associaties zij gemaakt hebben tijdens het uitvoeren van deze oefening. Nadien kan de persoon die de houding bedacht had, vertellen wat zij/hij tot uitdrukking poogde te brengen.
  • Deze oefening wordt herhaald door nabootsing van de houding van een andere leerling uit de groep.
  • Wanneer iedere groep klaar is met de oefeningen, kunnen de verschillende groepen hun houdingen voorstellen aan de klasgroep. De groepen presenteren hun houdingen volgens een eigen gekozen principe, bijvoorbeeld in een volgorde met mogelijk een verhaallijn, van negatief ervaren houdingen tot positief beleefde houdingen, enz... .
    Na elke groepspresentatie vertellen de leerlingen die de houdingen imiteerden welke gevoelens en associaties zij gemaakt hebben tijdens het uitvoeren van de verschillende houdingen. De groepen die de houdingen voorstelden, kunnen verdere toelichtingen bij hun gekozen houdingen geven.

De kern van de oefening is niet dat leerlingen ‘de juiste emoties’ aan de verschillende houdingen koppelen. De oefening gaat enerzijds om het veruitwendigen van emoties en het inleven in en overnemen van expressies en anderzijds om bewustwording betreffende eigen impressies bij verschillende houdingen. Bovendien is het erg leerrijk om expressies te leren inschatten en om bewust te worden dat je eigen expressie door anderen niet altijd juist geïnterpreteerd wordt.

Na de oefening

De leerkracht geeft de leerlingen na afloop van de oefeningen tijd om neer te schrijven wat ze ervaren hebben bij het uitdrukken van gevoelens door middel van lichaamsexpressie, het demonstreren van de houdingen, het herkennen van emoties bij medeleerlingen, het spreken over emoties, enz… .

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Maatschappelijke kruisen

Doel

Bewust worden van kruisen in het maatschappelijke leven die mij raken
Expressie geven aan de kruis-situatie naar anderen toe
Eigen belevingen verkennen n.a.v. een kruissituatie en ter sprake brengen.

Aandachtspunten

De groepjes werken de opdrachten zelfstandig en op eigen ritme uit.
Bij kinderen is het van belang de opdrachten stapsgewijs toe te lichten en te laten uitvoeren.
Maak leerlingen erop attent dat ze voldoende tijd nemen om een emotie te kiezen, om een gepaste expressie voor de emotie te vinden en deze tot uitdrukking te brengen. Zorg er ook voor dat leerlingen de houding een twintigtal seconden demonstreren zodat de leerlingen uit de klas voldoende tijd hebben om de houding te observeren.

Verloop

Doel en aandachtpunten worden toegelicht en het verloop wordt kort verteld.
In groepjes krijgt men een stapel kranten en maatschappelijke tijdschriften aangereikt.
Elk groepslid gaat op zoek naar één of twee maatschappelijke kruissituaties waardoor men getroffen is, waar men zich emotioneel op betrokken voelt.
Met heel de groep gaat men één voor één elke situatie uitbeelden in een statisch beeld. Na de uitbeelding van de situatie volgt het uitbeelden van de emoties die men daarbij heeft.
Die emoties kunnen verschillend zijn. Na de uitbeelding worden de belevingen en associaties uitgewisseld. Men kan ook hier elkaars emoties verkennen door ze één na één van elkaar over te nemen zoals bij vorige oefening
Als alle situaties verkend zijn, kiest men per groep één situatie die men naar de grote groep toe gaat uitbeelden. (zie verder vorige oefening).

Na de oefening

De leerkracht geeft de leerlingen na afloop van de oefeningen tijd om neer te schrijven wat ze ervaren hebben bij het uitdrukken van gevoelens door middel van lichaamsexpressie, het demonstreren van de houdingen, het herkennen van emoties bij medeleerlingen, het spreken over emoties enzovoort…

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Lichaamsmeditatie van het kruis

Doel

Grondtonen van het kruis met het lichaam ervaren.
Het eigen lichaam als kruis ervaren.
Bewust worden van elementen van het kruis in het eigen leven.

Aandachtspunten

We verkennen een aantal lichaamshoudingen die bij het kruis te associëren zijn via uitbeelding en geleide fantasie. We trachten daarbij introspectief aanwezig te zijn bij de diverse gewaarwordingen, belevingen, denkbeelden en associaties die daarbij opkomen.
(Laat deze oefeningen liefst in een aangename, sfeervolle ruimte plaatsvinden)

Het is belangrijk dat iedereen probeert de gegeven impulsen op te volgen en te verkennen op eigen ritme en met mogelijkheid om op bepaalde momenten de oefeningen te stoppen wanneer men ergens niet "mee" is of ergens niet "in" kan komen. Het kan "genoeg" geweest zijn of het kan zijn dat een leerling door de intensiteit van de oefeningen even op adem moet komen.

Verloop

Geef de volgende impulsen aan:

  • Licht rustig de doelen toe en reik de aandachtspunten aan en vertel kort het verloop.

Eerst trachten we de kruisboom, de verticale stam te ervaren:

  • Rechtop staan, de voeten op de grond, lichaam rechtop.
  • We ervaren onze manier van staan; is dat stevig of eerder wankel, hoe voelen de voeten de grond? Misschien voelen ze zich zoals bomen in de grond geworteld, met een diepe penwortel, of breed vertakt, of in heel losse grond, of zonder veel wortels...
  • We ervaren de zwaarte van de stam, de zwaartekracht die ons naar beneden trekt, die ons door de knieën doet gaan. We worden ons bewust van de zwaarte (benen, armen, lijf) die we voelen en hoever dat we door de knieën gaan. We staan stil bij de beelden, de gedachten enz. die daarbij boven komen.
  • Langzaam weer recht komen, moeizaam, met veel kracht of soepel.

De handen op de buik, zonnevlecht, hara leggen en daar kracht verzamelen:

  • Helemaal groot rechtop gaan staan, de handen naar boven brengen, zo hoog mogelijk uitsteken, met de ogen de handen volgen, zich aangetrokken weten door de hoogte, zich uitgestrekt weten tussen boven en beneden, tussen hemel en aarde, bewust worden van wat er door je heengaat.
  • Armen laten zakken naast het lichaam en tot rust komen.

Vervolgens trachten we de dwarsboom, de horizontale balk te ervaren (rechtop staand):

  • Strek je armen vanuit je borst naar buiten. Strek ze zover uit alsof je de verste verte wil aanraken, de armen wijd uiteen...kijk naar beide reikende handen. Wat voel je, beleef je, wat wil je mogelijk aanraken, strek je handen uit... voel hoe je lichaam open komt of misschien kwetsbaar, verscheurd is…
  • Voel de kruisverbinding aan tussen de uitersten die je wil raken: de kruisverbinding loopt door het eigen lichaam. Hoe voelt dit aan? Wat roept dit op aan waarde, aan kracht?
  • Voel de zwaarte van je armen, hoe ze naar beneden trekken, hoeveel moeite je moet doen om ze horizontaal te houden.
  • Laat je armen zakken, voel je uitgeput, moedeloos, niet meer in staat tot...
  • Breng je armen weer bij je buik, je hara, je zonnevlecht en doe kracht op.
  • Ontspan je.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Na de oefening

Geef de leerlingen tijd om op te schrijven wat er aan belevingen, associaties, gewaarwordingen, herinneringen en bedenkingen door hen heen is gegaan.
Laat de leerlingen hun belevenissen met elkaar uitwisselen.

Kruisen in het persoonlijk leven

Doel

Bewust worden van je eigen kruisen.
Bewust worden van het gewicht van dit kruis in en op je leven en hoe je ermee omgaat.

Aandachtspunten

Idem bovenstaande oefening.
Stilstaan bij de kruisen in je leven is niet vanzelfsprekend. Vaak zijn kruisen in het leven onderdrukt geworden of ontkend. Deze oefening kan voor bepaalde mensen met enige beklemming gepaard gaan. Rustige vertrouwvolle en ondersteunende aanpak is van belang.

Verloop

  • Doel en aandachtpunten worden toegelicht en het verloop wordt kort verteld.
  • Iedereen gaat uitgestrekt in kruisvorm op de rug op de grond liggen.

Rustig ademen. We trachten de 'kruisen' in ons leven bij ons toe te laten komen.
We gaan ze ontmoeten. Wat gaat er dan door je heen? Onzekerheid, spanning, angst, weg willen... Registreer wat er aan belevingen en gewaarwordingen opkomt, probeer ze voor jezelf te benoemen. Probeer niet te piekeren. Laat je gedachten en voelstromen gewoon gaan. Kijk er naar. Word je bewust van wat zich aandient.

  • Word je bewust van welke kruisen zich aandienen, van welke je wegvlucht, welke je meesleept, welke je kwijt wil, welke het zwaarst weegt, welke je 't langst draagt, welke je koestert enz. Wat denk, voel, associeer je daarbij.
  • Leg beide armen kruiselings over de borst. Ze bedekken je kruis, je kruisen. Hoe ervaar je dat? Als bescherming, afscherming, verberging, koestering, beveiliging, verdediging...

Tracht dat even te uitdrukking te brengen in de wijze waarop je die armen en handen gekruist houdt. Krachtig als een schild, met gebalde vuisten, zacht tegen je lichaam drukkend, vasthoudend... Ontspan daarna even.

  • Plooi je armen op je eigen ritme en zeer bewust weer open in kruisvorm. Wat gaat er door je heen aan belevingen en associaties.
  • Adem zo rustig mogelijk en laat je gedachten los, de vrije loop, dwarrelend...
  • Leg je nu op je buik in kruisvorm, de armen uitgestrekt opzij, het hoofd naar keuze links of rechts gewend. Geef aandacht aan je belevingen en associaties.
  • Deze houding kan een houding zijn van overgave, van uit handen geven, van aanvaarding, van gelatenheid, van niet meer zijn. Wat voel jij? Tracht je over te geven aan je kruis(en); verbeeld je dat je het kruis in je leven bent, je leven is een kruis. Wat doet je dat?
  • Ontspan je weer en adem rustig.
  • Bij elke uitademing kom je langzaam, beetje voor beetje recht, bij inademing blijf je quasi onbeweeglijk. Ieder op eigen ritme tot zithouding. Vorm na deze oefening een praatkring zodat de leerlingen met elkaar ervaringen kunnen uitwisselen.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Na de oefening

Tijd nemen om belevingen en associaties te noteren.
Tijd nemen om uit te wisselen

Kruiswegen gemaakt door kinderen

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Leerkracht

Impulsen op niveau van leerkrachten

Verhaal: de rivier

Er was eens een rivier. Hoog in de bergen was ze ontsprongen. Dartel en lenig slingerde ze zich door de valleien. Ze werd steeds sterker en steeds breder. Toen bereikte ze de woestijn. De rivier wilde ook dwars door de woestijn vloeien, maar ze bemerkte dat haar water verdween, hoe snel ze ook door het zand trachtte te stromen. Ze was er echter van overtuigd dat het haar bestemming was om deze woestijn te doorkruisen, maar er was geen weg. Nu fluisterde de verborgen stem van de woestijn haar toe: "De wind kan de woestijn oversteken en jij kan dat ook!" Nog nooit had de rivier die stem gehoord. "Ik zal met zand vermengd en door de woestijn opgeslorpt worden", zei de rivier, "de wind kan vliegen maar ik niet." "Zoals je bent, kom je er niet doorheen", fluisterde de woestijn, "je zou verdwijnen of een moeras worden. Je moet willen dat de wind je over de woestijn draagt, naar je bestemming." "Dat kan de wind niet", spotte de rivier. Jawel", zei de woestijn, "Je moet willen dat de wind jou opneemt." Zo'n gek idee kon de rivier niet aannemen. Een rivier in de lucht! Ze zou haar persoonlijkheid verliezen en wie kon haar waarborgen dat ze ooit opnieuw zichzelf zou worden? De woestijn zei: "Ik beloof het je. De wind neemt je op, draagt je over de woestijn en laat je dan weer los. Je valt als regen naar beneden en dan wordt je water weer een rivier." "Hoe kan ik weten dat je niet liegt?" vroeg de rivier. "Het is zo!" zei de woestijn. "En als je het niet gelooft, staan er je erge dingen te wachten". "Waarom mag ik niet blijven, zoals ik nu ben?" sputterde de rivier. "Het kan niet,"! zei de woestijn, "maar wie je echt bent, gaat niet verloren. Aan de andere kant van de woestijn krijg je dezelfde naam, want wat je bent, blijft!"
Toen gaf de rivier zich over aan de verwelkomende armen van de wind. Teder en gemakkelijk droeg hij haar omhoog. Toen ze de toppen van de bergen, aan de andere kant van de woestijn, bereikten, liet de wind haar zachtjes vallen. En al haar druppels vloeiden samen, zochten elkaar en werden weer beekje... riviertje... Toen vroeg de rivier aan de woestijn: "Hoe wist jij dat het zo zou zijn?" En het zand van de woestijn fluisterde: "Wij wisten het, omdat wij het dag na dag zien gebeuren en omdat wij, het zand, ons helemaal uitstrekken van de woestijn tot aan de bergen." Daarom zeggen de mensen dat de manier waarop de levensstroom zijn reis voortzet, in het Zand staat geschreven.

uit: An Kesseler-Van Der Klauw, Ontdek het zelf. Verhalen en gedichten om te beluisteren, te lezen en misschien soms te zien, Averbode. 1978. pp 45-46. Uit: Shah, I., Derwisjen vertellen, Deventer.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Reflectie op de vraag:
Wat vertelt het verhaal over het spel van dragen en gedragen worden?
Het is heel wat om jezelf uit handen durven geven, je 'laten' te dragen als je weinig zelfwaarde gevoel hebt. Sommige mensen/kinderen zullen alles doen om zich niet uit handen te hoeven geven. Want zich laten dragen vraagt om een act van vertrouwen. Het is gemakkelijker om de controle bij jezelf te houden en gevoelens van onmacht te uiten in allerlei vormen van agressie of psychosomatische klachten. Stilstaan bij de moed die nodig is om je te laten dragen, helpt om begrip op te brengen voor mensen/kinderen die deze stap niet kunnen zetten uit gebrek aan geloof/vertrouwen in de wereld. Het gesprek tussen de rivier en het zand toont iets van het geduld en het volhardend vertrouwen dat je als buitenstaander moet aan de dag leggen om, iemand die vastloopt in zichzelf, te overtuigen om zich uit handen te durven geven.
De stap van wantrouwen naar vertrouwen, van ongeloof naar geloof, houdt een moment in van een 'vrije val in het niets'. Aan dat ultieme moment van overgave naar genezing waar bevrijding in schuilt, is dit deelthema 'vrije val' gewijd.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Reflectie bij 'De jongeling van Naïn' over hoe Jezus zorg draagt.

Lees het verhaal (zie ook Willibrordbijbel on line)
"Vervolgens begaf Jezus zich naar een stad die Naïn heette; zijn leerlingen en een grote groep mensen gingen met Hem mee. 12 Hij was juist in de nabijheid van de stadspoort gekomen, toen daar een dode werd uitgedragen, de enige zoon van zijn moeder, en deze was weduwe. Een groot aantal mensen uit de stad vergezelden haar. 13 Toen de Heer haar zag, voelde Hij medelijden met haar en sprak: "Schrei maar niet". 14 Daarop trad Hij op de lijkbaar toe en raakte die aan. De dragers bleven staan en Hij sprak: "Jongeman, Ik zeg je: sta op!" 15 De dode kwam overeind zitten en begon te spreken, en Jezus gaf hem aan zijn moeder terug. 16 Allen werden door ontzag bevangen en zij verheerlijkten God zeggende: "Een groot profeet is onder ons opgestaan", en: "God heeft genadig neergezien op zijn volk". 17 En dit verhaal over Hem deed de ronde door heel het joodse land en de wijde omtrek." Lc7, 11-17

Reflectie: Van dood naar leven

HET IS EEN GROTE VERANDERING ALS MENSEN DIE DOOD ZIJN TERUG LEVEND WORDEN. HET IS DE VERANDERING WAAROVER HET TELKENS IN DE BIJBEL GAAT. HET IS EEN GROOT WONDER. HEEL DE BIJBEL IS EEN PEDAGOGIE OM DEZE VERANDERING TE REALISEREN.

Acht werkwoorden in de bijbelse pedagogie van de verandering.

De perikoop van de opwekking van de jongeman uit Naïn is er een uitstekend voorbeeld van: het wonder van de verandering van dood naar leven.

Het staat in het evangelie van Lucas, hoofdstuk 7, verzen 11 tot en met 17. In deze perikoop is Jezus de hoofdpersoon en van Hem worden acht handelingen verteld - acht werkwoorden -die een hele pedagogie beschrijven om de verandering tot stand te brengen.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Het zijn heel gewone werkwoorden, maar als ze ingevuld worden met de profetische kracht kunnen ze wonderen tot stand brengen. Dit was zo in de tijd van Jezus en dit is nu nog zo.

  1. De eerste handeling van Jezus is dat Hij naar de stad gaat en in de nabijheid van de stadspoort aankomt. De stad is de plaats waar het leven van de mensen zich afspeelt. De mensen wonen daar samen, dicht opeen. Vele mensen komen naar de stad afgezakt om er een nieuw leven te beginnen. Maar zo gemakkelijk is het er niet, dikwijls komen zij van de regen in de drop. Er is veel nood en ellende in de stad. Jezus gaat naar de plaatsen waar de mensen de harde strijd moeten leveren om hun dagelijks bestaan. Leerlingen en een grote groep mensen gaan met Hem mee. Hoe belangrijk is het voor de stad als er een geëngageerde groep christenen woont. De aanwezigheid is het eerste punt in de pedagogie van de verandering en niet het minst belangrijke. Laten we naar de stad gaan.
  2. De tweede handeling van Jezus is: zien. Jezus kijkt toe en hij ziet de ellende en het lijden van de weduwe, die haar enige zoon naar het graf brengt, omringd door een groot aantal mensen uit de stad. De weduwe en de groep rondom haar staan voor de lijdende mens, de uitgestotene, de gebroken mens. Het is de mens die sterft omdat hij niet ten volle mens kan zijn. Het valt op dat het zo stil is in deze begrafenisstoet. Niemand vraagt iets, niemand roept om hulp. Ze zijn zo verwond dat ze niet eens meer weten wat ze zouden vragen. Het lijden en het onrecht, het verdriet en de pijn heeft hen monddood gemaakt. Het zou mogelijk zijn het hoofd af te wenden om niets te moeten zien. Een christen doet dat niet, hij ziet. Het is belangrijk dat we dit zien leren, dat we leren kijken naar de noden in onze maatschappij. De analyse ervan is toch een heel belangrijk element in de pedagogie van de verandering.
  3. Het derde werkwoord van Jezus is: medelijden voelen. Jezus is een hartstochtelijk man, gevoelig ook. Hier en op zovele plaatsen in het evangelie wordt Hij tot in het diepste van zijn gemoed geraakt, soms zal Hij bij zoveel rouw gaan wenen. Niets, laat Hem onverschillig. Er gebeurt dus iets in Jezus: ook Hij lijdt. Omwille van het lijden van de mensen, wordt Hij de Lijdende Dienaar bij uitstek. In dit medelijden zit de kern van de dynamiek waarmee Hij het lijden zal meedragen. Wil je een engagement op je nemen, zal dat gebeuren vanuit je eerbiedig medelijden. Door het medelijden zullen we het lijden dat we zien ook gaan kennen: de bitterheid van het lijden gaat zo door ons heen. Zonder deze ervaring zou de dynamiek van de pedagogie van de verandering niet op gang komen.
  4. Het vierde werkwoord van Jezus is: het spreken van een woord van troost. Die eenvoudige woorden: "Schrei maar niet". Iemand die zelf zo diep geraakt is dat hij mee geweend heeft, mag deze woorden uitspreken. Anders zouden ze heel goedkoop en zeer oppervlakkig klinken en het tegendeel van troost zijn. Echte troost is noodzakelijk voor een mens die lijdt. Ze heft zijn diepe eenzaamheid op. Eenzaamheid is de plaats waar we niet meer getroost kunnen worden, dan vereenzamen we en kwijnen weg. Vanuit het milde samenzijn geeft troost kracht en moed. Het gekwetste riet wordt niet gebroken en de kwijnende vlaspit wordt aangewakkerd. Zo is de troost een onmisbaar element in de pedagogie van de verandering.
  5. Dan komt de vijfde handeling van Jezus: Hij gaat tot bij de lijkbaar.
    Het gaat steeds maar crescendo. Je ziet het zo gebeuren. Twee groepen staan tegenover elkaar. De weduwe en de vele mensen die haar vergezellen enerzijds en Jezus met zijn leerlingen en een grote groep mensen anderzijds. Wat doet Jezus nu? Hij verlaat zijn groep en gaat naar de andere groep. Hij maakt zich blijkbaar geen zorgen over de reacties in zijn eigen groep. Hij weet dat zijn plaats nu is bij de mensen die het moeilijk hebben. Hij blijft er niet aan de rand staan, maar vindt zijn weg tot bij de lijkbaar: teken van de harde realiteit waardoor deze mensen geslagen zijn. Je eigen vertrouwde omgeving, je vrienden, je sympathisanten moet je loslaten en achterlaten. Je roeping ligt elders, bij de armen en de treurenden. Zonder deze concrete stappen naar hen toe, kan er nooit van verandering sprake zijn.
  6. Het zesde werkwoord van Jezus is: het aanraken van de lijkbaar. Jezus blijft niet afstandelijk, maar solidariseert zich. Zijn engagement is solidariteit en zijn solidariteit is engagement. Dit heeft zijn consequenties. Volgens de heersende wetten en voorschriften wordt Jezus onrein, door het aanraken van de lijkbaar en de dood. Wie zich engageert met de lijdende mens zal door sommigen als onrein, als niet meer behorend tot de gemeente, worden bestempeld. Het aanraken van het lijden brengt mee dat je bepaalde wetten en wetmatigheden moet doorbreken. Jezus is er voor de mensen. Solidariteit wekt krachten op die de mensen uit hun beslotenheid haalt en hun angst doorbreekt. Mensen die tot dan ieder voor zichzelf op zoek waren naar een uitkomst, worden bondgenoten in een gemeenschappelijke strijd. Solidariteit is de hoeksteen waarop een pedagogie van de verandering steunt.
  7. Het zevende werkwoord van Jezus is: het spreken van een woord van geloof. Hij sprak: "Jongeling, Ik zeg je, sta op!" Ons doen en laten moet spreken van ons geloof in bevrijding en verrijzenis. Het moet aan elke mens gezegd worden dat hij mag en kan opstaan. Wat er in het leven ook voorgevallen is, nieuw leven is mogelijk. Zonder geloof van de anderen is er voor de mens niets mogelijk, door het geloof van de anderen kan de mens in zichzelf gaan geloven. Er is geen krachtiger woord dan het woord van de bevestiging. "Ik geloof in jou, ik vertrouw op jou, ik bemin jou! Jouw roeping is een goed mens te zijn". Geloven is uitnodigen en een uitnodiging schept altijd vrijheid. Het uitspreken van het geloof is het kostbaarste in de pedagogie van de verandering.
  8. Als achtste en laatste handeling geeft Jezus de zoon aan de moeder terug. Jezus vraagt niet aan de tot leven gewekte man om met Hem mee te gaan. Jezus legt helemaal geen beslag op deze jongeman, Hij legt hem geen bepaalde gedragscode op, geeft hem zelfs geen goede raad. Hoewel Hij er alles voor gedaan heeft wat maar enigszins mogelijk was, laat Hij hem weer helemaal los. Hij geeft hem aan zijn moeder terug. In het eigen gezin zal deze man het nieuwe leven vruchten doen dragen. Uit zichzelf en spontaan zal hij in zijn omgeving de woordvoerder en de uitvoerder met de daad worden van genezing en bevrijding. Mensen die gevangen zijn in spiralen van geweld worden tot elkaar bevrijd. Bevrijding zet aan tot bevrijding. Zo blijft de pedagogie van de verandering altijd haar werk doen.
    Aanwezig zijn, de noden zien, door medelijden tot in het diepst van je ziel geraakt worden, troosten, stappen zetten naar de lijdende mensen toe, zich solidariseren, het uitspreken van het geloof en elke vorm van beslag leggen vermijden, zijn de acht werkwoorden van een pedagogie die wonderen tot stand kan brengen. Iedereen herkent daarin profetische handelingen, waardoor de verandering van dood naar leven gerealiseerd wordt. In deze pedagogie van de verandering wordt het duidelijk dat God genadig neerziet op zijn volk.

Johnny De Mot
Frans van Steenbergen
Artikel: Eiland in een zee van haat
Uit Knack, 7 januari 2004

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Artikel

Het is negen uur 's ochtends. Juffrouw Marina opent de ijzeren deuren van de kleuterschool. Drie kleuters lopen door een soort metalen sluis naar de ingang. Om de kleuterschool is sinds kort een hek met prikkeldraad gebouwd. Bij de ingang houdt een jonge vrouwelijke soldaat met geweer de wacht. De ramen van de kleuterschool zijn van ijzeren tralies voorzien. Enkele jaren geleden had Marina nog dertig kleuters in haar klas. Nu zijn dat er nog maar zes, De kans bestaat dat twee kindjes binnenkort zullen vertrekken. Marina emigreerde negen jaar geleden met haar man vanuit Rusland naar Israël. 'We konden in Israël als jonge emigranten geen redelijk betaalbare woning vinden. Er waren wachtlijsten voor de betere huurhuizen. En ik wilde het mijn kinderen niet aandoen om in de stad op de derde verdieping te gaan wonen. Toen zag ik die advertentie in de krant, waarin de overheid huizen in Hermesh aanbood. De prijzen waren laag en het was maar twintig minuten van Hadera, waar mijn man.werk had gevonden.' Het echtpaar ging in Hermesh een kijkje nemen en was meteen verkocht. 'Er waren scholen, een medisch centrum, een zwembad, vrijstaande huizen met tuin, frisse lucht en een prachtig uitzicht over de vallei.' Tegen de Palestijnen had Marina niets. 'Mijn man en ik hebben altijd gedacht dat het mogelijk was om als joden en Palestijnen in vrede samen te leven. Voor de intifada was het ook rustig hier en hadden we af en toe contact met onze Arabische buren. We deden onze boodschappen in Baka Al Garbya. Maar sinds die terreuraanval is er iets in mij geknapt, waardoor ik in iedere Palestijn een potentiële moordenaar zie. Als ik in de stad een zwangere Palestijnse vrouw tegenkom, denk ik onmiddellijk dat ze misschien een bom onder haar kleren verbergt. Ik vind het erg dat ik zo denk. Marina loopt nu constant met een pistool op zak. Ze heeft twee jonge kinderen, Waarom verhuist zij niet naar Israël? 'Als we nu vertrekken, verliezen we alles. Niemand koopt ons huis hier en we kunnen ons in Israël geen andere woning permitteren. Maar als de staat ons een vergoeding zou geven dan vertrek ik vandaag nog.'

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Info over nederzettingen zoals Hermesh
'Israël bouwt joodse nederzettingen in de buurt van conglomeraten van Palestijnse dorpen of steden om zijn grondgebied te beschermen. Deze strategie van bezetten en nederzettingen stichten past Israël al zo'n 35 jaar met succes toe', zegt Dror Etkes, woordvoerder van de Israëlische vredesbeweging Vrede Nu.
Maar het beveiligingssysteem heeft zich langzaam maar zeker tegen zijn schepper gekeerd. De nederzettingen eisen zowel financieel, politiek als militair een hoge tol van de staat en zijn bevolking. De buitengewone kosten van de overheid voor het instandhouden van joodse nederzettingen in de bezette gebieden bedragen 500 miljoen euro per jaar, zo berekende de krant Haaretz. Iedere joodse kolonist kost de staat minstens 2000 euro per jaar meer dan een landgenoot die aan de Israëlische kant van het beveiligingshek woont. En dan hebben het nog niet over de kosten voor de beveiliging, de bouw van hekken rond de nederzettingen. Of over de persoonlijke vergoedingen voor de settlers, zoals aantrekkelijke belastingvoordelen, aanvullende premies, huursubsidies, reiskostenvergoedingen en zeer aantrekkelijke hypotheekcondities. De joodse nederzettingen zijn een populair doelwit sinds het begin van de intifada. Van alle bij terreuracties om het leven gekomen Israëli's kwam veertig procent uit de bezette gebieden. Veel soldaten raakten gewond in een van de settlements. Kolonisten zoals Marina en Nava hebben door de intifada hun aanvankelijke enthousiasme voor het zwembad, het gezondheidscentrum en het prachtige uitzicht over de vallei grotendeels verloren. Als het aan hen lag, dan vertrokken ze naar Israël. In ruil voor vrede en een stukje financiële compensatie van de overheid. Volgens Dror Etkes denkt zelfs 68 procent van alle kolonisten in Gaza en de Westelijke Jordaanoever er zo over. Vrede Nu enquêteerde ruim 3200 kolonisten in 127 nederzettingen. 71 procent van hen vindt zelfs dat het vredesakkoord er op korte termijn moet komen. Dus eigenlijk staat niets de ontruiming van de bezette gebieden in de weg.'

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Reflectievragen:

  • Wat roept deze foto, de citaten uit dit artikel bij u op?
  • Zie je een verband met het thema 'met zorg dragen en gedragen worden?'
  • Wat betekent 'balanceren tussen mogelijkheden en beperkingen' voor de mensen uit het dorp Hermesh?
  • Zouden zulke situaties zich ook voordoen aan Palestijnse kant?
  • Hoe zouden zij aankijken tegen het thema zorg?
  • Wie 'draagt' er de school en de leerkrachten?
  • Stel dat je een netwerk moet uittekenen bij je eigen school en het schooltje waar in dit artikel over geschreven wordt. Waar zie je gelijkenissen? Waar verschillen?
  • Wat lijkt je een ideaal draagweb voor een school? Wie of wat hoort daar allemaal bij?
  • Probeer ook eens de aandacht te vestigen op het niet onmiddellijk waarneembare draagweb van waarden rond de school of juist de gaten in het web, door het ontbreken daarvan. Maak weer een vergelijking.
  • Wat leer je hieruit?
  • Wat kan deze oefening bijbrengen omtrent een goed zorgbeleid?

Nuttige links

Op deze pagina worden nuttige links verzameld, naast de vele links die al in deze IDK opgenomen zijn.
U kan altijd interessante links mailen naar ons.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina


Kritiek op folteren