

Zijn lamp scheen boven mijn hoofd
Zijn licht wees mij de weg door het duister.
(Job 29, 2-3)
Het volk dat ronddwaalt in het donker ziet een helder licht
Over hen die wonen in een land vol duisternis gaat een stralend licht op.
(Jesaja 9,1)
Feesten van een cultuur geven de waarden weer die een samenleving belangrijk acht. Een jaarlijkse herhaling wijst erop dat ze deze onder een voortdurende aandacht wil plaatsen. Lichtfeesten zijn in alle culturen feesten van bevrijding en opstanding. Zo ook deze drie feesten, die zich zo dicht in elkaars buurt situeren. Ze zijn alle drie accenten van een zelfde menselijk, sociale en religieus ervaringsgeheel verbonden met natuurgebeuren. (Meer informatie hierover: zie achtergrondinfo 1 en 2). De lesimpulsen willen ingangspoorten zijn om deze drie betekenisvol onder de aandacht te plaatsen 'belicht' vanuit het thema 'Licht'.
De lesimpulsen beogen volgende algemene doelen aan te vatten:

Vanuit bestaansangsten ontwikkelen mensen zich vaak een visie op het leven. Al naargelang hun zicht op de eigen angsten en hun vaardigheden om ermee om te gaan, begrijpen ze de wereld mogelijk als een geheel van (goede en kwade) krachten, geesten, lotsbeschikkingen enz. en ontwikkelen ze allerhande gelovig, bijgelovig, magisch, symbolisch en ritueel gedrag waarbij ze daar uiting aan geven. Duiding geven op levensbeschouwelijk en godsdienstig vlak is hier onontbeerlijk.
Leven zonder licht is niet voor te stellen. Zonder licht voelen mensen zich onveilig en onzeker. De duisternis wordt ervaren als chaos, dreiging, geheimenis, kwaad. Dan gebeuren er dingen die het daglicht niet verdragen. Omgeven door duisternis hebben mensen geen oriëntatie in hun leven. Alle leven in de natuur, ook het menselijk leven, heeft licht nodig en reageert op licht. Door licht ontplooit leven onstuitbare krachten die zichtbaar worden in en door ontkiemen, uitbotten, groeien, zich vermenigvuldigen en voortplanten, vrucht dragen. Licht is een pertinente grondvoorwaarde om te kunnen leven en van licht zijn ook mensen afhankelijk vanaf het moment dat zij het levenslicht aanschouwen. Het bijbelse scheppingsverhaal van joden en christenen laat met het licht ook alle leven beginnen. In den beginne was de aarde woest en leeg en duisternis hing over de diepte. En God sprak: "Er moet licht komen" en er kwam licht.
Licht verwijst naar het nieuwe, naar bevrijding en opstanding, naar het visionaire, het mensoverstijgende, de overkant, de verlichting, het goddelijk licht.
Wanneer mensen in hun leven bedreigd worden, wanneer hen onrecht wordt aangedaan, wanneer dodende machten om zich heen grijpen en hun licht dreigt uit te gaan, dan reageren mensen vaak door samen te komen met lichten allerhande als teken van protest. Bij werkverlies, een gewelddadig overlijden, een natuurramp, een onderdrukking worden er ten teken van protest vuren aangestoken, kaarsen neergezet en fakkels gebrand, vuurwerk afgestoken. Denk aan de vuren bij stakersposten, het verbranden van poppen bij betogingen, het gooien van voetzoekers, fakkeloptochten, massaal branden van kaarsen bij de moord op jonge mensen, bij natuurrampen of bij een aanslag zoals deze op elf september in New York.
De bestaande lichtfeesten in de vele culturen zijn feesten die mensen blijvend willen waarschuwen voor het levensbedreigende en herinneren aan de vele houdingen die het leven kunnen veilig stellen en in ere houden. Feesten ook waarin de verhalen van de bevrijders worden herinnerd en doorverteld. St.-Maarten die protesteert tegen de Romeinse verdrukking en kiest voor de armen. Nicolaas wiens naam letterlijk "bevrijder van, voor het volk" betekent, Jezus van Nazareth wiens Hebreeuwse naam Jehosua "God bevrijdt" betekent. Jezus' volgelingen kiezen voor de minsten, de zwaksten, voor diegenen wiens leven het meest bedreigd is. Het Joodse Chanoekafeest herinnert aan de bevrijding van de tempel en de strijd van de Makkabeeën. Het hindoeïstische Divali feest herinnert aan de bevrijding van Sita en de overwinning van Rama op Raven en de feestelijke ontvangst door het volk dat met vele lichten hun opwachting maakten. De lijst is te lang om op te sommen.
In tijden waarin mensen voor hun dagelijks brood en dus voor hun leven van alledag letterlijk totaal afhankelijk waren, leek het verschijnen en krachtiger worden en het vervolgens weer afzwakken en zo goed als verdwijnen van zonlicht en van de reacties van de natuur daarop, een zich eindeloos herhalende strijd. Het najaar en de winter waren dus heel kritieke perioden waarop het leven door de steeds toenemende duisternis en koude bedreigd werd.
In de herfst, wanneer het groeiseizoen ten einde liep en de warmte van de zomer begon af te nemen, haalde men de oogst binnen en legde men voorraden aan waarmee men de winter door moest zien te komen. Het najaar was daarmee zowel een tijd van overvloed als een aankondiging van mogelijk naderende schaarste. Terwijl het (zon)licht zwakker werd en de dagen kortten, maakte de overvloed van de oogst geleidelijk aan plaats voor een soms genadeloze strijd om het naakte bestaan. Voor mensen in die tijden was het een gevecht tussen licht en duistere machten. Elk jaar opnieuw leek het er aanvankelijk alles van te hebben, dat het licht en daarmee het leven het onderspit zouden delven. Het licht en de daarbij horende (levens)krachten leken steeds verder uit de invloedssfeer van het leven weggedrongen te worden, totdat er blijkbaar ieder jaar een keerpunt werd bereikt waarop het licht en zijn krachten met vallen en opstaan weer steeds meer de overhand gingen krijgen. Telkens opnieuw bleek het (zon)licht het laatste woord en de langste adem te hebben.
Halloween
Toen het christendom zich verspreidde in het Romeinse rijk en later zelfs staatsgodsdienst werd, werden vele elementen uit de bestaande feesten van de Romeinen en van de volkeren die ze overheersten, bij ons de Kelten en de Germanen, "verchristelijkt". Wanneer het christendom rond de zevende eeuw naar onze streken verkondigd werd, gebeurde hier hetzelfde. Het christendom schoof over de Keltische, Germaanse en Romeinse lichtvieringen heen en nam daarmee ook hun gewoonten en gebruiken over. Bepaalde gebruiken werden ook verketterd, maar ze opnemen in de nieuwe christelijke cultuur bleek vaak veel effectiever. Tot in onze tijd zijn van deze gewoonten en gebruiken nog sporen aanwijsbaar en herkenbaar. En daarmee hebben ook onze feesten en getijden in deze donkere dagen nog steeds op een of andere manier het karakter van 'lichtfeesten'.
Samhain
De Kelten vierden op de vooravond van de winter op 31 oktober Samhain. Het was het afsluiten van het zonnehalfjaar en een voorbereiding op het winterhalfjaar. De duistere, koude en levensbedreigende wintermaanden kwamen er aan. Samhain was een vruchtbaarheidsfeest. De laatste vruchten werden van de velden gehaald, de laatste aren werden geoogst. En men voerde vruchtbaarheidsrituelen uit, zoals het verbranden en verstrooien van de laatste schoven graan om de nieuwe vruchtbaarheid te wekken. Tegelijkertijd was het ook een slachtfeest. De kuddes werden uitgedund en alleen de sterkste dieren werden gespaard. Die moesten in de lente voor een vruchtbaar en gezond nageslacht zorgen. De rest van het vee werd geslacht. De maand november wordt ook vandaag nog soms bloedmaand genoemd. Samhain was ook een nieuwjaarsfeest. Zoals in sommige culturen de nieuwe dag begint met het ondergaan van de zon, zo begint voor de Kelten het nieuwe jaar met het aanvangen van de winterperioden en niet met midwinter. Samhain was ook een dodenvereringfeest. De Kelten geloofden dat op deze dag er een barst in de tijd ontstond en de spirituele wereld geopend werd. De zielen van de doden kregen toestemming in deze éne nacht om terug te komen op aarde. Het begin van de winter met daarbij het vooruitzicht op bezoek van rondspokende geesten, riep de nodige angst op en wekte de behoefte aan een reeks beschermende maatregelen. Zo stookten de Kelten grote vuren op de heuveltoppen om de kwade geesten die aan het einde van de zomer terugkeerden, weg te jagen. Ze brachten allerlei offergaven om alle onvriendelijke goden gunstig te stemmen. Ook droegen de mensen in die tijd dierenhuiden en maskers om de kwade geesten te misleiden. Anderen daarentegen wilden op een vriendelijke manier de familiegeesten die op bezoek kwamen, verwelkomen en te zoet houden. Door het buiten zetten van bieten en ander veldgewas. Ook werden bijvoorbeeld lampen die uit suikerbieten gesneden waren rondom het huis opgesteld. Tijdens Samhain werden alle vuren in de huizen gedoofd en werden door de druïden op de heuvels grote vuren aangestoken. Iedereen droeg het nieuwe vuur bijvoorbeeld in een uitgesneden biet weer naar het eigen huis.
Romeins oogstfeest voor Pomona
'Het feest van Samhain nam deels een nieuwe wending toen de Romeinen het land van de Kelten veroverden en bezetten. Het resultaat was dat de tradities van twee verschillende culturen samenvloeiden of werden gewijzigd. Voor de Romeinen was de periode rond 1 november ook belangrijk. Er werd een oogstfeest gehouden, gewijd aan de godin Pomona. Zij gold in het oude Rome als de godin van het fruit en de tuinen en de geliefde van vele oude Romeinse, boerse godheden. Haar speciale priester in Rome was - hoe zou het anders kunnen - Pomonalis. Voorts stond Pomona als godin van de oogst ook symbool voor mildheid en vruchtbaarheid. Vandaar dat zij in de kunst voorgesteld wordt als zittende op een grote korf van fruit en bloemen, met een hoorn van overvloed op haar voet. Anderen meten haar als voornaamste attribuut het snoeimes toe. Appels waren het gewijde fruit van Pomona. In streken die behoorden tot het Romeinse rijk, ontstond op Samhain dan ook al vlug de gewoonte om fruit te eten en weg te geven, vanzelfsprekend vooral appels. Dat allerhande spelletjes met betrekking tot de waarzeggerij, zoals het bijten naar appels, die nu nog altijd met het huidige Halloween verbonden zijn, tot Pomona terug te brengen zijn, leidt geen twijfel.' (Bron: Lauvrijs B., Een jaar vol feesten, oorsprong, geschiedenis en gebruiken van de belangrijkste jaarfeesten, Antwerpen, 2004, p. 250.)
Halloween
Omstreeks de negende eeuw na Christus veranderde de naam van Samhains onder invloed van de christelijke verkondiging in Ierland en Engeland, in All Hallows Eve(ning) (Hallow is een oud-Engels woord voor 'heilige'), later in Hallowe'en of Halloween. De avond voor Allerheiligen. Maar toch bleven de oude tradities hangen. Zo bleef het belangrijk om All Hallow Evening de kwade geesten te verjagen. Toen in de negentiende eeuw immigranten uit Engeland, Schotland en Ierland zich in Amerika vestigden, namen ze de gewoonten en gebruiken van Halloween mee. In verschillende delen van de VS werden andere tradities met de Halloween tradities vermengd. Vandaar dat je nu ook trekken van Romeinse oogstfeesten en van de Mexicaanse 'Dia de los Muertes' ('Dag der Doden') terugziet in de manier waarop Halloween wordt gevierd en in de bijbehorende versieringen. Het Mexicaanse feest is erg bizar: de Mexicaanse doden worden voorgesteld als vrolijke skeletten die gewoon deelnemen aan allerlei dagelijkse activiteiten, van eten tot flirten... Het kan er behoorlijk luguber aan toe gaan. Door de veramerikanisering van de wereld en door de consumptiemaatschappij is het vroegere Europese feest dat vergeten was geraakt teruggekomen. Terug van weggeweest.
Ingrediënten van het Amerikaanse Halloweenfeest zijn:
De trick or treat: kinderen trekken verkleed rond in de straten en kloppen op deuren en trachten snoep en andere lekkernijen in te zamelen. Daarbij dreigen ze dat als ze niet getrakteerd worden (treat) ze een geintje (trick) zullen uithalen. Dit is vergelijkbaar met onze Sint-Maarten optochten, driekoningen zingen of nieuwjaarwensen.

De Jack o lantern: de uitgeholde pompoenen. De pompoen heeft de vroegere raap en biet vervangen omdat ze meer geschikt was om uit te hollen. Het verhaal gaat dat Jack iemand was die op slinkse wijze de duivel was ontlopen maar nu gedwongen was om op de aarde rond te dolen. Hij was een te grote dronkaard om in de hemel binnen te mogen en zo'n plaaggeest dat ook de duivel hem niet in de hel binnen liet. Hij was gedoemd om tot de dag des oordeels rond te zwerven. Hij kreeg om de duisternis en de koude te overwinnen van de duivel wat hellevuur toegeworpen dat hij nog net kon opvangen in een biet die hij aan het eten was. Jack doolt 's nacht de aarde rond met zijn lichtende kool in een biet. Daarmee was Jack o lantern geboren.
Verkleedpartijen: kinderen en volwassenen verkleden zich in heksen, spoken, geesten, geraamtes, pietjes de dood, tovenaars, vampieren en dieren zoals vleermuizen, zwarte katten, papegaaien, spinnen en trekken door de straten, dwalend of in veelkeurige optochten.
Eten: Naast allerlei pompoen gerechten is de appel de Halloweenvrucht bij uitstek. In de Keltische traditie was het een symbool van de ziel. Er worden spelletjes zoals appelbijten of appelduiken mee gedaan. Ook noten en cakes horen er thuis.
Halloween is dus in de eerste plaats een kinderfeest dat naast gezellig ook griezelig en angstaanjagend moet zijn. Want een mens voelt zich in het duister onveilig en bedreigd, vele geluiden zijn niet te detecteren en maken hem angstig. Door deze bedreigingen en angsten te spelen en te verbeelden, overwint men z'n angst, de twijfel en onzekerheid. Vooral kinderen herkennen zich heel sterk in dit feest. Ze leven zelf met vele angsten en onzekerheden, zeker als het donker wordt. Ze verbeelden zich vanalles: dieven, bandieten, krokodillen onder hun bed, heksen, duivels, spoken en geesten. Door deze angsten zelf te spelen en te verkennen, door zelf te griezelen en de angsten te voelen leren ze deze angsten hanteren en realistisch omgaan met hun verbeelding en onderscheid maken tussen werkelijkheid en fantasie. Het is een mooie manier om het zomerhalfjaar vaarwel te zeggen en de volgende dag wakker te worden met het gevoel dat je klaar bent om de koude en het duister van de winter te trotseren.
Achtergronden bij Halloween:
Allerheiligen 1 november
In de beginjaren van het christelijk geloof werden christenen vaak vervolgd om hun geloof. Ze werden gevangen genomen, gefolterd of gedood. Cyprianus een prominent christen werd door de Romeinse overheid verbannen. Vanuit zijn ballingschap wilde Cyprianus op de hoogte gehouden worden over de christenen die vermoord werden om ze in zijn gebeden te gedenken tijdens de maaltijd des Heren. Toen hijzelf vermoord werd gingen de christenen zijn gebruik om maaltijd te vieren bij de graven van de martelaren overnemen. Maar omdat zoveel christenen vermoord werden en er niet voor iedereen een gedenkdag kon zijn, ontstond al gauw een collectief martelarenfeest. Dat feest werd oorspronkelijk op 13 mei gevierd. Toen de vervolgingen ten einde liepen, kwam er ruimte voor een nieuw type heilige. Niet alleen martelaren, die hun christen zijn volgehouden hadden tot in de dood konden betekenisvol zijn voor anderen, maar ook andere figuren met een hoge morele en religieuze waarde konden tot voorbeeld gesteld worden, ze werden oorspronkelijk belijders genoemd. In de achtste eeuw onder paus Gregorius III werd het feest van alle martelaren verandert in het feest van alle heiligen. Van over heel de wereld werden relieken van apostelen, martelaren en belijders overgebracht naar een nieuw gestichte Allerheiligenkapel. Later ontwikkelde de kerk de leer van 'de gemeenschap van de heiligen', gebaseerd op de gedachte dat slechts een klein deel van de gelovigen zo goed geleefd hebben dat ze naar de hemel mogen gaan. Volgens deze leer moeten de meeste mensen na hun dood een tijd in het vagevuur doorbrengen om voor hun zonden te boeten en daarna gelouterd de hemel binnen te gaan.
Het feest van Allerheiligen werd op 13 mei gevierd, maar onder de invloed van vooral de Ierse kerk, die de Keltische praktijken van Samhain wilde doen vergeten, werd Allerheiligen verplaatst naar 1 november. Het was paus Gregorius IV (827-844) die hiervoor tekende en het was Lodewijk de Vrome (814-840) die er wat later een verplichte rustdag van maakte. Zodoende verspreidde Allerheiligen zich over de toenmalige wereld. Meteen is een verklaring gegeven waarom Samhain en Allerheiligen zo dicht bij elkaar liggen, wat de datum betreft. Herinneren wij er nog aan dat de avond vóór Allerheiligen, de avond van Samhain dus, nog altijd All Hallows Eve genoemd wordt.
De snelle verspreiding en impact van het christendom deden de mensen hun gewoontes zomaar niet vergeten. Zo bleven de Kelten Samhain gedenken. Dat had ook wel een sinister gevolg. Er groeide argwaan tegen de Kerk, die geleidelijk aan reageerde en stelde dat de goden, godinnen en andere spirituele krachten van de traditionele religies duivelse misleidingen waren, dat de spirituele praktijken van de Kelten wel echt waren, maar dat het toch manifestaties van de duivel bleven. Die misleidde de mensen en schonk hen valse idealen. Later in de Middeleeuwen werd dit nog versterkt door Samhain te associëren met heksen, zwarte katten, boze geesten en vleermuizen.
Maar de plaatselijke bisschoppen gooiden het vaak over een andere boeg. De gebruiken en gewoonten van de plaatselijke bevolking mochten blijven bestaan, maar werden verrijkt met christelijke betekenissen. Zodoende zijn heel wat gebruiken en gewoonten van Samhain nog terug te vinden in de gebruiken van Allerheiligen. Onder andere het branden van kaarsen en lampen op de graven.
Allerzielen 2 november
Dit feest werd door paus Johannes XIX (1024-1032) ingesteld om het lot van de arme zielen te herdenken en voor hun zielenheil te bidden. Met dit gebed hoopte men de zielen tijdelijk uit het vagevuur te verlossen. Het vagevuur was een soort voorgeborchte van de hel, een voorlopige vrijplaats voor mensen die geen al te grote zonden op hun geweten hadden. In het christendom is het geloof ontstaan dat overledenen in het vagevuur nog moesten boeten voor hun zonden alvorens tot de hemel te worden toegelaten. Zij konden daarvoor van op de aarde geholpen worden door de nog levende mensen. Deze moesten voor hen bidden opdat zij van hun zonden zouden worden vrijgesproken en verlost. Het bidden ging vaak ook gepaard met het brengen van offers en het stellen van rituelen. In de praktijk was Allerzielen voor het gewone volk een mogelijkheid om hun geliefde doden te eren. In onze streken is vooral het versieren van graven met bloemen overgebleven. De chrysanten als herfstbloeiers werden daarvoor gebruikt. Hoewel we vandaag vele kleuren op het kerkhof aantreffen, vierde de witte chrysant vroeger hoogtij. Mogelijk symboliseert de witte kleur het licht.
'Ook het ontsteken van (gewijde) kaarsen op de graven was in onze contreien een gewoonte. Het licht der kaarsen symboliseerde het eeuwige licht dat men voor de doden wilde afsmeken en de verrijzenis van het afgestorven lichaam. Waarschijnlijk is de oorsprong ervan ook voorchristelijk, namelijk om op de dodenherdenkingsdagen toortsen te ontsteken op het graf. Het branden van die kaarsen kan zeker ook in verband gebracht worden met de terugkeer van de afgestorvenen naar de aarde. Volgens het uitgestorven volksgeloof hielp dit de zieltjes hun weg te vinden. In sommige streken vatte men het nog grootser op, wanneer men rond vier uur in de namiddag strooien kruisen op de graven plantte, die om middernacht aan het vuur prijsgegeven werden, werden de zielen gered.' (Bron: Lauvrijs B., Een jaar vol feesten, oorsprong, geschiedenis en gebruiken van de belangrijkste jaarfeesten, Antwerpen, 2004, p. 249.)
Naast het brengen van bloemen naar de overledenen is in onze streken ook het branden van kaarsen en lampjes op de graven van de overledenen een ritueel gebleven.
Op de zondag na Allerheiligen gaat in het bedevaartsoord Scherpenheuvel nog altijd de vermaarde kaarsjesprocessie uit die duizenden gelovigen lokt. Na afloop worden die kaarsen mee naar huis genomen, waar ze gebruikt werden als afweermiddel tegen onweer, veesterfte en brand.
Ondanks protest van kerkelijke zijde zetten sommigen mensen er ook eten en drinken neer voor de doden. 'Decennialang was het de traditie, vooral in Vlaanderen, dat op Allerzielen Allerzielenkoeken werden gebakken. Een zoete lekkernij. Alvorens men met het bakken van koeken aan de slag ging, werd er gebeden en de eerste koek die klaar was noemde men een zieltjeskoek of een zieltjesbrood. Er werd een kruisje ingeprent - vandaar de naam kruiskensbroodjes - en ieder at er een stuk van op om beschermd te blijven tegen besmettelijke ziekten.' (Bron: Lauvrijs B., Een jaar vol feesten, oorsprong, geschiedenis en gebruiken van de belangrijkste jaarfeesten, Antwerpen, 2004, p. 250.)
Hieruit is in sommige streken de gewoonte gegroeid om op Allerzielen brood uit te delen aan de armen. Ook ontstonden zielenbroodjes zoals krakelingen, zoolgebakjes, gevlochten broodjes. Ook vandaag nog blijft de gewoonte om met Allerzielen pannenkoeken, wafels en andere koeken te eten in vele families intact.
HalfduisterIn november en december is er een afname van licht en warmte doordat de kracht van de zon op het noordelijk halfrond afneemt.
Mensen reageren minder uitbundig. Ze kruipen in dikke en donkere kleren. Ze haasten zich vlugger door het verkeer van buiten vlug naar binnen. Hun hoofd tussen de schouders en hun handen in de broekzakken.
Ze lopen dicht bij elkaar, arm in arm om het warmer te hebben.
Ze zoeken de warmte op bij de haard, de centrale verwarming, de kachels.
Door de duisternis zien mensen minder goed wat zich rondom hen afspeelt.
Ze voelen zich vaak onveiliger, angstiger en onzekerder in hun handelingen. Daardoor haasten ze zich naar plekken waar er meer licht is en willen ze snel naar huis.
De mensen komen minder naar buiten als het donker en koud is. Om het warm te maken steken ze de verwarming en de haard aan en soms ook kaarsen voor de gezelligheid.
In deze situaties zijn mensen niet graag alleen: ze zoeken elkaar op en gaan bij elkaar op bezoek, vaak brengen ze dan ook een geschenkje mee.
Korte activiteit
Iemand die op bezoek komt, brengt soms een geschenkje mee. Ik heb ook een geschenk mee voor jullie. Enkele kinderen doen het geschenk open. Het is een dikke kaars. Als het donker is in de klas dan moet het toch een beetje gezellig worden. De kaars wordt met zorg door weer andere kinderen aangestoken en in het midden van de kring geplaatst. Het wordt even stil in de klas en alle kinderen kijken in het vlammetje van de kaars. De leerkracht vraagt:
Eindigt met een lied, dit kan ook als gedicht voorgedragen worden
Lied: Elke dag wordt het eerder nacht
Refrein
Elke dag wordt het eerder nacht
en de zon die lang en langer wacht
om in de ochtend te ontwaken
kan de koude grond niet warm meer maken
Strofe
1. Als de winter nadert met een dikke jas
mag je niet vergeten hoe de zomer was
2. Als de winter nadert zoals ieder jaar
zoeken mensen licht en warmte bij elkaar
Toelichting
Wanneer het zonlicht afneemt, het leven in de natuur bijna doods is en de winter guur en koud is, dan hopen de mensen dat het niet te lang zo blijft, maar dat de bomen weer vlug groen zullen worden, bloemen en vruchten weer gaan verschijnen en het zonlicht weer sterk wordt. Ze kijken uit naar licht en lente. Daarom steken mensen overal lichten aan: kleine kaarsen en grote vuren. Alsof ze de zon willen ondersteunen om meer te schijnen. Rondom 25 december komt de zon op een keerpunt: haar licht verflauwt niet meer, de dagen worden terug langer, de nachten weer korter. Om dit gebeuren te vieren hielden de Germanen 13 dagen feest (joelfeesten) en de christenen vierden hier rond later het kerstfeest.
Vroeger herbeleefden de mensen het gebeuren van de zon in een dans.
De dans verbeeldt de zonnewende, de kering van de zon en geeft het levensgevoel van de winter weer, waarbij de koude en de duisternis het lijken te winnen van de warmte en het licht. Ook de hoop en het verlangen naar meer licht en leven komen in de dans tot uiting. In realiteit beginnen de dagen te lengen, het verminderende licht komt op een keerpunt en herwint opnieuw aan kracht.
Symbolisch wordt dit in de dans weergegeven door de spiraalbeweging. Door het steeds kleiner omcirkelen wordt het verkleinen van het zonlicht aangegeven. Dicht bij het middelpunt gekomen, dat aangegeven wordt door een brandende kaars die het licht van de zon verbeeldt, komt er een wende.
De eerste danser draait zich en de lange rij kinderen kronkelt zich spiraalvormig weer naar buiten toe. De spiraalbeweging wordt weer groter en symboliseert het toenemende licht en het naar buiten komen van de mensen die zich weer op de buitenwereld richten. Aan het begin van de dans wordt de sfeer opgeroepen waarin de vraag naar warmte en licht in de duisternis gesuggereerd wordt.
De kleiner wordende spiraal symboliseert het afnemende zonlicht, de warmte die vermindert en plaats maakt voor het koude winterweer. Maar tegelijkertijd komen de mensen daardoor meer samen, ze zoeken de warmte op bij het (haard)vuur en bij elkaar. Dat wordt in de dans uitgedrukt doordat de kinderen in de spiraal dichter bij elkaar komen en dichter bij de gloed van het licht. Eenmaal dicht bij het midden aangekomen, komt er een wende zoals bij de zon. In plaats van kleiner te worden, gaat het zonnelicht weer groeien. De dansers komen weer naar buiten. De kring wordt weer groter. De kinderen dragen iets van licht en warmte mee naar buiten.
Bob Dylan zingt hierover:
Eens zal het licht hier schijnen
Van oost tot west, van zuid tot noord
Dan zullen schaduwen verdwijnen
Daarom willen wij dansen, altijd voort
Voor christenen
Het geheel kan ook de beweging van de zoektocht naar Jezus, als symbolische lichtbrenger, bedoelen naar analogie met de drie wijzen -uit de geboorteverhalen van Jezus van Nazareth- die op zoek zijn naar het licht en een ster volgen. Of naar analogie met de herders die zich naar een pasgeboren kind Jezus, het licht van de christenen in de wereld, begeven. Na zich gelaafd te hebben aan de lichtbron van het leven, begeven ze zich terug de wijde wereld in.
Lied: refrein en strofe 3 en 4
3. Als de winter nadert, als de kou begint
dan wordt God geboren in een mensenkind
4. Als de winter nadert, is dat niet voorgoed
Wij gaan met een omweg, 't voorjaar tegemoet
Dansbeschrijving ( Download als Word-document)
Muziek bij de dans
Voor deze dans zoekt men een eenvoudig, traag, repetitief melodietje in de maat van 'vier' waarop ritmisch kan gestapt worden. Je kan ook een bijhorend volksmelodietje beluisteren.
Zie uitleg: de zin en betekenis van dansen.
Kringgesprek over de belevingen en ervaringen
De kinderen nemen hun stoel terug en zetten zich neer in een kring. Er volgt een kringgesprek. Vraagstelling:
Wat onthouden we?
De leerkracht overloopt met de kinderen kort de betekenis van de zonnewende in het leven van mensen en verbindt deze met de betekenissen van de dans en de ervaringen die kinderen tijdens deze dans hebben opgedaan.
Ze noteren enkele gemeenschappelijke elementen in hun schrift.
Daarnaast is er nog ruimte om de eigen belevingen van de dans neer te schrijven.
Samen het lied 'Elke dag wordt het eerder nacht' zingen
Elke dag
(wordt het eerder nacht)
Refrein
Elke dag wordt het eerder nacht
en de zon die lang en langer wacht
om in de morgen te ontwaken
kan de koude grond niet warm meer maken.
1. Als de winter nadert
met een dikke jas,
mag je niet vergeten
hoe de zomer was.
Refrein
2. Als de winter nadert
zoals ieder jaar
zoeken mensen licht en
warmte bij elkaar
Refrein
3. Als de winter nadert,
als de kou begint
dan wordt God geboren
in een mensenkind
Refrein
4. Als de winter nadert,
is dat niet voorgoed
Wij gaan met een omweg,
't voorjaar tegemoet
Vertel het verhaal aan de hand van de knuffels. Pas de dieren in het verhaal aan, aan de beschikbare knuffels.
Ergens, op een mooi plekje, staat een huisje. Het is een huisje van karton. Het is het huisje van kleine Klaas. Kleine Klaas woont in het huisje. Samen met zijn vijf knuffels: Beer, Olifant, Konijn, Kikker en Schildpad. In het huisje van Klaas is het soms erg donker. Als de deur dicht is en als het licht uit is. Soms zet Klaas de deur op een kiertje. Dan valt er een snippertje licht naar binnen. Dat is mooi, vindt Klaas. Een snippertje licht... Klaas is niet bang in het donker. Maar Beer, Olifant, Konijn, Kikker en Schildpad wel. Daarom kruipen ze dicht tegen Klaas aan. Of tegen elkaar. Als kleine Klaas er niet is. Zoals vandaag. Kleine Klaas is weg. En het is donker in het huisje. Er is niet één snippertje licht. Beer, Olifant, Konijn, Kikker en Schildpad zitten dicht bij elkaar. Tien witte ogen, dicht bij elkaar op het bed van kleine Klaas. 'Blijft Klaas lang weg?' vraagt Kikker. 'Ik weet het niet' antwoordt Konijn. Schildpad zucht heel diep. 'Ben jij bang in het donker?' vraagt Kikker. 'Ja' zegt Schildpad, 'Ik ben bang in het donker. Is dat erg?' 'Neen', zegt Kikker. 'Dat is niet erg. Dat is gewoon.' Beer schuift nog een beetje dichter tegen Olifant aan. En Olifant gaat nog een beetje dichter bij Kikker zitten. En Kikker bij Konijn. En Konijn bij Schildpad. Het blijft een hele tijd stil in het donker. 'Boe!' roept Beer ineens. Olifant, Konijn, Kikker en Schildpad schrikken. 'Waarom deed je dat?' vraagt Kikker. 'Ik weet het niet', jammert Beer. 'Het gebeurde vanzelf. Het kwam er ineens uit. Alsof het er al heel lang zat.' 'Wat zat er?' vraagt Olifant. 'Een vreemd gevoel', zegt Beer. 'Een donker gevoel?' vraagt Olifant. 'Ja', zegt Beer. 'Een donker gevoel, diep vanbinnen.' 'Ja', zegt Olifant. 'Dat voel ik ook wel eens.' 'Ik ook', zegt Kikker. 'Ik ook', zegt Schildpad. 'Ik ook', zegt Konijn. 'Zullen we licht maken?' vraagt Kikker. 'Nee', zegt Olifant. 'Dat gaat niet. De lamp hangt te hoog.' 'Ja, dat is waar', zegt Konijn. 'De lamp hangt te hoog." 'We kunnen een toren bouwen', zegt Kikker. 'Een toren?' vraagt Olifant. 'Jà, zegt Kikker. 'Een toren. Als we op elkaar gaan staan, kunnen we beslist bij de lamp.' 'We kunnen het proberen', zegt Beer. 'Ja', zegt Konijn, 'we proberen het.' Kikker gaat in de nek van Konijn zitten. En Konijn klautert op Beer. En Beer gaat boven op Olifant staan. En Olifant stapt voorzichtig met één poot op Schildpad. Het bed van Klaas wiebelt. 'Kun je bij het touwtje?' vraagt Olifant. 'Stil blijven staan!' roept Kikker. En Kikker springt. Net op tijd. Want de knuffeltoren zakt in elkaar. De lamp is aan. Iedereen ligt over elkaar heen. Het bed is gelukkig zacht. En iedereen lacht want het is licht. 'Zal Klaas boos zijn?' vraagt Beer. 'Boos omdat het licht nu brandt?' vraagt Konijn. 'Ik ben bang van boos', zegt Olifant. 'Ik ook', zegt Kikker.
'Misschien', zegt Kikker plots, 'misschien kunnen we gaatjes in de muren knippen...' 'Gaatjes?' roepen de andere knuffels. 'Ja', zegt Kikker. 'Dan is het nooit meer helemaal donker. Ook niet als Klaas weg is.' 'Ik ben bang van gaatjes', zegt Beer. 'Daar komt van alles uit.' 'Ze hoeven niet groot te zijn', zegt Kikker. 'Hoe groot?' vraagt Beer voorzichtig. 'Zo groot?', zegt Kikker. En hij tekent een gaatje in de lucht. 'O', zegt Beer, 'O...'
Kikker neemt de grote schaar van kleine Klaas en begint voorzichtig te knippen. 'Ja', zegt Konijn. 'Dat is een mooi gaatje.' 'Precies een maan', zegt Olifant. 'Nu ik', zegt Olifant. Ook hij knipt een gaatje in de muur van karton. 'Precies een bloem', zegt Schildpad. En Konijn knipt een ster uit het huisje. Beer knipt niet. Want Beer is bang van gaatjes. Even later zitten ze weer allen op het bed. Ze kijken naar de gaatjes. 'Nu moet het licht weer uit', zegt Kikker. Ze kruipen weer allen op elkaar. Nu mag Schildpad het licht uitdoen. En weer valt de toren in elkaar. Alle dieren ploffen op elkaar in het bed. Even is het paniek. Dan roept Olifant, 'kijk de lichtjes'. 'Ja', roept Konijn. 'De gaatjes zijn lichtjes geworden'. De maan schijnt door de snippers naar binnen. De vijf knuffels zitten dicht bij elkaar. Ze kijken naar de gaatjes. Ze kijken naar de lichtjes. Nu is het nooit meer helemaal donker. Ook het donker gevoel is niet helemaal meer donker. Er zitten gaatjes in. Lichtjes. 'Voel jij dat ook?' vraagt Olifant. De andere dieren knikken. 'Ja', ze voelen het ook.
Fragment naar De Kockere, G., Boe!
Laat kinderen al spelend het verhaal herbeleven in een hoek van de klas.
Gebruik een zacht kussen als bed, vijf knuffels en als het kan ook een lampje met een trekkoordje. Als je niet over een lamp met een trekkoordje beschikt, kan je best het verhaal aanpassen aan een druk- of schijfknop.
Zorg voor een enigszins donkere ruimte, afgescheiden door een wand in papier of stof waarin de kinderen gaatjes kunnen knippen.
De knuffeldieren in het verhaal hebben schrik in de totale duisternis. Wat zou jij voelen als jij Schildpad was, of Beer, Olifant, Konijn of Kikker? Wat zou je voelen? Wat zou je allemaal denken? Wat zou je willen dat er gebeurt?
Verandert er iets in de kamer van de dieren als ze het licht aandoen in plaats van het donker te laten? Wat verandert er volgens jou wel en wat niet?
Wat kan er in het donker allemaal gebeuren denk je? Heb je dat al eens meegemaakt? Vertel er eens over.
Als er licht aan is, voelen de knuffeldieren de angst niet meer. Heb jij dat soms ook dat het donker is en je liever hebt dat er meer licht aan is? Vertel daar eens over. Ga je ergens heen waar meer licht is? Ga je zelf het licht aandoen of roep je dan iemand? Als je iemand roept, wat zegt die persoon dan? Wat zegt je mama? Wat zegt je papa? Zeggen zij hetzelfde of iets anders? Wat zegt je opa of oma als je al eens bij hen slaapt? Mag je bang zijn? Bij wie wel en bij wie niet? Zijn ze (soms) boos als je bang bent?
Als je een zaklamp of een ander lampje in je buurt hebt, voel je je dan anders? Hoe voel je je dan? Als je gaat slapen, is het dan pikdonker bij jou in de kamer of brandt er dan een lichtje? Als er een lichtje brandt, brandt dat dan in de kamer of in de gang? Hoe gaat dat bij jullie thuis? Hoe gaat dat mogelijk bij mama, bij papa, bij opa en oma? (zie hoger)
Geven kleine glimpjes van licht door het gordijn genoeg licht in de kamer? Geeft de straatlantaarn voldoende licht? Zouden de maan en de sterren ook genoeg licht geven voor jou? Zou je ook mannen en sterretjes in het gordijn willen knippen? In plaats van een lampje in je kamer? Wat zou het verschil zijn, denk je?
Wat kan je gerust stellen in het donker? Als je iets zeker weet? Als er iets zeker is? Waarmee kan je jezelf gerust stellen in het donker? Ook als mama of papa er niet zijn? Wat kan je helpen: een voorwerp, een gedachte,...?
Maak er een tekening over.
Laat de tekeningen zien aan elkaar en vertel er over.
Ga op een plek in de klas zitten en doe je ogen dicht, zodat het precies helemaal donker is. Denk dan aan wat je getekend hebt en zeg tegen jezelf: 'Ik kan mezelf geruststellen in het donker met ...' Doe dat meerdere keren.
Elementen ontleend aan Nathalie Gheys, Bah! Naar bed. Angst bij het slapengaan, Eindwerk Opleiding Kleuteronderwijs EHSAL Europese Hogeschool Brussel.
Paulette Bourgeois, Brenda Clark, Sam in het donker, Hasselt, 2001.
Sam is bang in zijn donkere schild. Hij vertrekt daarom op zoek naar hulp. Op zijn tocht ontmoet hij allerlei dieren, die telkens ergens bang voor zijn: een eend die bang is voor diep water, een leeuw voor hard lawaai, een vogel om hoog te vliegen, een ijsbeer is bang voor de koude. De angst van de andere dieren helpt Sam om zijn eigen angst te overwinnen.
Op het einde van het verhaal vindt hij een manier om zonder angst in zijn schild te kruipen.
Sam is een personage dat kleuters waarschijnlijk al kennen van de andere verhalen uit de Sam-reeks. De kleuters kunnen zich goed identificeren met het hoofdpersonage en zijn er door vertederd. Sam oefent een grote aantrekkingskracht uit op de kleuters. In het verhaal komen ook andere dieren aan bod. De kleuters identificeren zich met de dieren, maar eigenlijk identificeren ze zich met een bepaalde angst die het dier heeft.
Waarneming van een schildpad
Let wel op welke schildpad je kiest want bepaalde soorten zijn beschermd.
Naast een echte schildpad kan je ook pluche en plastic schildpadden gebruiken.
Een groot schild maken
Met een grote groep kinderen. Het is de bedoeling dat de kinderen er zich helemaal kunnen onder verschuilen en dat het er donker in wordt. Mogelijk materiaal: kippengaas, planken, kranten, eventueel lakens, karton,...
De figuren en ontmoetingen een plaats geven
De eend en het diepe water: een grote waterbak, verschillende zwemattributen, waterspeelgoed, plastic eend,...
De leeuwen en het sterke geluid: alles wat geluid kan maken, deksels van kookpotten, houten lepels, schud dozen met stenen, ratels,...
Een cassette om zelf geluiden op te nemen.
Materialen om de oren af te schermen. Opdrachtkaarten in verband met waarnemingen van geluid.
Een sterk geluid kan gesymboliseerd worden door oorkleppen, een aangenaam en zacht geluid door enkele muzieknoten,...
Vogels en alles wat vliegt: ballonnen, vliegers, zeepbellen, vlaggen,... Maak in de zandtafel een maquette van een landschap en dit vanuit vogelperspectief; d.w.z. dat het landschap de ervaring dient weer te geven die je hebt als je ergens hoog bovenop staat. Je ziet de dingen dan anders. Je kan de kinderen dit ook laten ontdekken vanop hoge klimrekken of vanop de eerste of eventueel hogere verdieping van het schoolgebouw. Meteen worden de kleuters met hun eigen hoogtevrees geconfronteerd. Deze ervaring kan worden uitgebreid met luchtfoto's, stadsgezichten,...
De ijsbeer en de koude: winterkleding, waaronder liefst ook pelzen of pluche kledingstukken, wanten, mutsen,...
Allerhande materialen die koud aanvoelen: een stalen plaatje, een koelbox met echt ijs.
Het huis van mama: Het zelf gemaakte schild of de afgesloten boekenhoek kan hier dienst doen. De kleuters kunnen hier over hun tocht vertellen door dramatisering, hun ervaringen tekenen of enkele zinnetjes op cassette inspreken, ...
Op het einde van de tocht laten we de kleuters knus bij elkaar zitten onder een deken of onder het schild, de zelf gemaakte beschutting,... Nachtlampjes, of flikkerlichtjes,... maken het nog plezieriger.
Taalactiviteiten
Praten bij een prent: dit kan een prent uit het boek zijn of een tekening van een kleuter na het kringgesprek over bang zijn in het donker. Deze tekening kan de juf vergroten en via papieren lapjes die ze op de tekening plaatst, kunnen de verschillende aspecten van de tekening aan bod komen.
Poppenspel:
Sam kan je maken met een groene kous en een kartonnen schild verstevigd door papier-maché.
De geluiden die de kinderen in de leeuwenhoek hebben opgenomen worden tijdens het poppenspel gebruikt. Ook zelf gemaakte instrumenten kunnen dienst doen. Een lamp in de poppenkast is een absolute noodzaak.
De kleuters kunnen ook zelf het poppenspel doen. De gesprekjes tussen Sam en de dieren kunnen ze zelf gemakkelijk vertolken omdat ze steeds hetzelfde verloop hebben.
Spelen met een versje dat betrekking heeft op dit thema.
Kringgesprek over bang zijn in het donker.
"Een praatje bij een plaatje": Je kan het boek gebruiken, maar je kan ook elke prent waarop Sam in verschillende houdingen staat, vergroten. De kleuters vertellen telkens iets over het bijhorende gevoel.
We kunnen een kind houdingen uit het verhaal laten imiteren, waarbij de andere leerlingen vertellen over het gevoel dat in deze houdingen ligt. (Je kan de leerlingen beurtelings een houding laten imiteren.)
De kleuters imiteren Sam en zoeken bovendien extra bewegingen bij elke prent: bijvoorbeeld zich klein maken van schrik, opspringen bij het overwinnen van angst,... en zoeken ook bewegingen bij elk dier: de leeuw neemt bijvoorbeeld grote passen, stapt heel fier, en maakt zich groot en breed wanneer hij brult.
Knutselen: waarvoor ben ik bang?
De kleuters geven uitdrukking aan die dingen waar ze in hun concrete leven bang voor zijn. Honden, spinnen, dieven, draken, enzovoort. In een knutselactiviteit maken ze bijvoorbeeld monsters uit papier-maché, spinnen van notenschelpen en pijpenragers, spoken uit restjes stof, maskers uit papieren zakken,...
De hele dag heeft Jezus met mensen gepraat. Hij is erg moe. Er zijn veel mensen bij hem, te veel misschien wel. Daarom zegt Jezus tegen zijn vrienden: 'Laten we de boot pakken en naar de andere kant van het meer varen. Dan worden we een beetje met rust gelaten'. Het is ook al laat geworden. Het wordt al een beetje donker. Ze stappen in de boot en varen weg. Jezus gaat achter in de boot liggen. Hij slaapt meteen. Als ze een eindje op het meer zijn, wordt het heel donker. Dikke wolken komen over het meer. Het begint heel hard te waaien. De golven van het water worden heel hoog. Het is een echte storm. De boot slaat bijna om. Er komt veel water in de boot. De vrienden van Jezus schreeuwen naar elkaar van angst. Ze geloven niet dat ze nog gered zullen worden, want ze kunnen de boot niet meer besturen. Jezus slaapt nog steeds. Zijn vrienden kruipen naar hem toe en maken hem wakker. Ze schreeuwen: 'word wakker, het stormt, we kunnen de boot niet meer houden; we zullen verdrinken'. Jezus kijkt even verwonderd de bange gezichten aan. Dan probeert hij rechtop te gaan zitten. 'Nee', roept hij, 'dat mag niet. We mogen niet verdrinken'. Jezus doet of hij niet bang is. 'Het water mag ons niet hebben,' roept Jezus. 'Vooruit golven, ga hier weg', schreeuwt hij. De storm gaat als een gek over de boot, alles kraakt, dan is het over. Langzaam trekt de storm weg. Het wordt heel stil. De vrienden van Jezus beven nog van angst. Jezus zegt: 'Jullie moeten niet zo snel bang zijn en denken dat je doodgaat. Als je bang bent, dan kun je helemaal niets meer doen. Dan doet de storm alles met de boot. Je moet maar altijd denken dat het altijd goed af kan lopen. Jullie zijn toch niet alleen. Ik ben er ook nog'. De vrienden van Jezus wisten eigenlijk niet wat ze moesten zeggen. (Mc. 4,35-41)
Bovenstaand verhaal gaat over bang zijn. Vooral over de wijze waarop met dat bang zijn wordt omgegaan. Het bang zijn, wordt door Jezus niet ontkend. Er was heus wel reden om bang te zijn. Jezus wil echter zeggen dat je nooit alle hoop moet opgeven in je angst. Probeer altijd vertrouwen te hebben dat je door je angst heen komt. Er zijn altijd wel mensen in de buurt die je er doorheen helpen: ik ben er ook nog. Bovendien moet je altijd bedenken dat de oorzaak van angst van voorbijgaande aard is.
We willen de kinderen dit verhaal aanbieden, niet om te laten zien hoe Jezus een storm wegwuift. Daar gaat het verhaal niet over. We presenteren dit verhaal om kinderen te laten ontdekken, het vertrouwen te geven, het geloof te schenken, dat er nog altijd een weg is om door de angst heen te komen. Het vergeten, als je even bij papa en mama op bed kunt zitten. Door de angst hoeft niet álle grond weg te zakken. Je hóeft niet per se in de 'golven' weg te zakken. Maar je kunt wel angstig zijn.
Het verhaal vertellen aan de hand van bijbelplaten
Vertellen aan de hand van de kijkplaten uit de Kijkbijbel, verhalen uit het oude en het nieuwe testament getekend door Kees de Kort, Haarlem 1992.
We verzamelen de kinderen in een kring, en vertellen het verhaal aan de hand van de beelden uit het verhaal en wat de kinderen bij deze beelden associëren aan gevoelens, belevenissen en herinneringen. Foto's van kinderen en mensen die in hun angst elkaar vasthouden, kunnen helpen de kinderen directer bij de kern van het verhaal te brengen. We laten de kinderen het verhaal vrij navertellen; ieder mag de ander aanvullen; we houden hierbij in het oog dat tussen alles wat de kinderen aan eigen ervaringen aan het verhaal toevoegen, de kern van het verhaal in het vizier blijft.
Dramatiseren
Als het verhaal nog eens verteld is, laten we enkele kinderen het verhaal dramatiseren. Er zijn kinderen die in de boot zitten. De boot kan verbeeld worden door een lange doek die rondom rond door andere kinderen vastgehouden wordt. De grote kring kinderen kan dan deinend als de golven die het schip bedreigen. Ook hier kunnen blauwe doeken een hulp zijn.
Na de dramatisatie houden we met de kinderen een kort belevend gesprek.
Wat voelde je als je in de boot zat? Had je schrik van het water? Twijfelde je of de boot zou ondergaan? Voel je je dan groot en sterk, of klein en angstig? Vertel er eens over hoe je het hebt beleefd. Heb je op Jezus geroepen? Waarom wel of waarom niet? Kon jij zelf sterk blijven in de storm? Kon jij zeggen tegen de storm dat die stil moet worden? Wie wil dat eens proberen? Terwijl het water stormt zeggen dat het stil moet zijn?
Vanuit dit gesprek kan gezocht worden naar onderdelen van het verhaal die kinderen herbelevend verder willen verkennen.
Wat onthoud je van dit verhaal?
Als je het zou mogen spelen, wie zou je dan het liefste willen spelen?
Waarom werden de vrienden van Jezus bang?
Waarom vindt Jezus dat ze niet zó bang hoeven te zijn?
Waarom is Jezus zelf niet bang? Hij slaapt rustig verder alsof de storm hem niet kan deren. Hij heeft er precies vertrouwen in? In wie of wat heeft Jezus vertrouwen?
Zouden de vrienden van Jezus nu meer of minder op Jezus vertrouwen? Wat denk jij? Waarom denk je dat?
Als je bang bent roep je dan soms op Jezus?
Zou je soms (willen) roepen op Jezus als je bang bent? Denk je dat Jezus je dan kan helpen? Wanneer wel/niet? Wil je het eens doen? Wie wil proberen?
Je hoeft niet bang te zijn
Het verhaal van de storm op het meer zegt dat nabijheid en vertrouwen in Jezus de beste remedie is tegen angst. Kinderen zullen die nabijheid op een of andere manier concreet kunnen ervaren. Dat zal in de eerste plaats gebeuren door de bijzondere aandacht van de leidster of de leerkracht en door de aandacht van de kinderen.
Spelletjes en oefeningen rond nabijheid en houvast, zie IDK 3 deelthema 1: dragen en gedragen worden.
Kinderen leren omgaan met de duisternis
Vlak voor de vakantie kwamen de leerlingen van het eerste en tweede leerjaar van de gemeentelijke basisschool van Assenede en Oosteeklo bijeen voor een wel erg uitzonderlijk avontuur. Samen met hun juffen en meesters trokken ze langs de verkeersvrij gemaakte spoorwegbedding op spokentocht. "Het zijn echter geen Halloween-toestanden geworden", aldus directeur Koen Van Hijfte. "We wilden juist het tegenovergestelde bereiken. Kinderen moesten hun angst voor het donker kwijt geraken." Hoewel de spokentocht na de lesuren georganiseerd werd, was de opkomst groot. "Op twee na waren alle kinderen van beide scholen aanwezig", vertelt Van Hijfte. "Het is best een leuke ervaring geworden. De kinderen hebben op een speelse manier kennis kunnen maken met de invallende duisternis."
Kleuters bouwen klasje om tot heksen- en tovenaarshol
De twintig kleuters uit de derde klas van het Sint-Andreasinstuut in Oostende vertoeven de jongste weken in een heus 'heksenhol'. Tijdens het project 'Kunnen heksen heksen' tijdens de Week van het Bos versierden ze hun klasje met heksen- en tovenaarsattributen.
"Het project viel wonderwel samen met Halloween", zeggen de jufs Marijke Verheire en Petra Theuninck.
"De kinderen waren erg geboeid door dit thema. De hele tijd hing er een magisch sfeertje in het klaslokaal. De kinderen brachten bezemstelen, een toverboek, een glazen bol en heksen- en tovenaarskostuums mee. In het heksenhuis leerden zij heksenwijn en tovenaarshapjes maken. In klas was er ook een 'tovershop', waar zij alle ingrediënten voor hun recepten mochten halen. En omdat zij zo flink hun best deden, kregen ze gisteren allemaal hun heksen- en tovenaarsdiploma."
Kinderen creatief met Halloween
OOSTKAMP - Tijdens de knutselnamiddag van de Bond van Grote en Jonge Gezinnen (BGJG) maakten ruim 60 kinderen uit Oostkamp griezelige werkjes rond Halloween. Voor elke leeftijdsgroep was een ander knutselwerk voorzien. Zo staken de kleutertjes met veel moeite en plezier een echt spinnenmobiel in elkaar. De kinderen van het eerste en tweede leerjaar maakten een poes op basis van een drankkarton. Met een theelichtje erin leek de poes echt in het donker te kunnen zien. Het derde en vierde leerjaar maakten een spinnenweb met een dikke spin erin en het vijfde en zesde leerjaar leerden in gips een spook maken. De Oostkampse Bond plant vanavond ook nog een Halloweentocht met griezels, spoken en een hartverwarmende pompoensoep. Meer info over deze tocht bij de voorzitter op 050/27.87.48.
Zieke kinderen maken pompoensoep voor bejaarden
De kinderen van de pediatrische afdeling van het Hasseltse Salvatorziekenhuis hebben vrijdagvoormiddag Halloween gevierd. De kinderen van wie de gezondheid het toeliet, hebben samen met de verpleegkundigen en de animatoren van de kinderafdeling heerlijke pompoensoep gemaakt. De pompoensoep werd later samen met de bejaarden op de afdeling geriatrie opgelepeld. Zo konden ook de bejaarden kennismaken met het feest van Halloween. Daarnaast luisterden de kinderen nog naar griezelverhalen en maakten ze verkleed als spookjes de gangen van het ziekenhuis onveilig.
Leerlingen Windekind griezelen dagje op school
De kleuters van de derde kleuterklas en de leerlingen van het eerste en tweede leerjaar van basisschool Windekind in Rumbeke vierden gisteren Halloween. De hele dag waren ze aan de slag rond dit thema. In de voormiddag werd het feest voorbereid met het bakken van pompoentaarten, het maken van hapjes en zelfs het bakken van een taart in de vorm van een heks. Daarna verkleedden de iets meer dan dertig kinderen zich in griezelige figuren als heksen, vampieren, spoken en duivels. Het hoogtepunt kwam er in de namiddag met een Halloweenfuif. De Rumbekenaren zullen volgende week nog een stukje kunnen meegenieten van het Halloweenfeest in Windekind. Dan trekken de kinderen namelijk nog eens hun griezelige outfit aan om deel te nemen aan de Sint-Maartensstoet.
Situering
Tijdens deze periode van het jaar neemt de duisternis meer en meer de overhand op het licht. De koude, het ongure weer, de wind, de donder en de bliksem neemt de plaats in van de zaligheid van de zon. Onveiligheid neemt toe, de natuur toont haar dodende krachten. Mensen vluchten naar binnen. De angst en de onzekerheden, om wat buiten gebeurt, neemt toe en vertaalt zich in bedreigende geesten, spoken, weervolven enzomeer.
Leren omgaan met deze bedreigende en dodende kant van het bestaan is ook voor kinderen van belang. Kinderen moeten leren zien dat bepaalde angstaanjagende geluiden of beelden in het donker heel gewoon zijn als je ze in het licht hoort of ziet. Ook dienen kinderen te leren om verhalen over spoken en geesten te onderscheiden van de waarneembare realiteit (van wat echt is). De kinderen moet leren om de symbolische betekenissen van beelden te verstaan. Ze moeten zelf de eigen angsten verkennen door ze op te roepen en te leren hoe ze deze angsten onder controle kunnen houden of overwinnen. Al deze vaardigheden betreffen levensbelangrijke aspecten om in het leven te staan die kinderen moeten leren. Halloween biedt daar een uitstekende gelegenheid toe.
Toch is het niet vanzelfsprekend dat kinderen door te griezelen ook daadwerkelijk hun eigen angsten overwinnen. Elk kind ontwikkelt een eigen wijze om met angst om te gaan. Vraag hen hoe ze dit zelf beleven. Het hele gebeuren van Halloween krijgt doorheen de vaak oppervlakkige beleving en de commercialiteit geen echte diepgang, waardoor het weinig ingrijpend en louterend inwerkt op kinderen. Biedt het feest voldoende wezenlijke rituelen aan die de mens werkelijk van zijn bestaansangst kan bevrijden? Vindt het kind hierin voldoende vertrouwen? Verhalen en rituelen die hier op inspelen komen in de Halloweentraditie niet voor. In de christelijke traditie van Allerheiligen en Allerzielen worden overledenen opgenomen en gedragen ‘in Gods hand’ en blijvend op vele wijzen herinnerd door nabestaanden. Een vloed aan (bijbel)verhalen leert hoe pijn en lijden, dood en chaos overwonnen worden en het leven weer verrijst. Samen met kinderen met deze kritische ogen kijken naar de verhalen, gebruiken, rituelen, sfeerelementen van Halloween en Allerheiligen kan voor kinderen en leerkrachten een eye-opener zijn.
Griezelige kinder- en jeugdboeken
Naarmate Halloween dieper tot ons doordringt, duiken er steeds meer kinder- en jeugdboeken op, zo lijkt het wel, bevolkt met heksen, tovenaars, monsters en andere gruwelijke wezens.
Een selectie van splinternieuwe 'Halloween'-boeken:
Donkerte en duisternis
Swillens, Mo, Dag donker, Hasselt, 2003.
Op een nacht wordt Lin wakker. Zomaar opeens. Ze doet haar ogen wijd open. Overal waar ze kijkt, is het donker. En Lin wordt bang. Heel bang. Een lief en herkenbaar verhaal voor iedereen, van 2 tot 92, die bang is in het donker.
AshBé, Jeanne, Uk en Poes in het donker, Wielsbeke, 2004.
Marita de Sterck, Wolven in het donkere bos, Tilburg, 2004.
Heksen en Toveren
Cleynen, Geert & Lagrou, Patrick, De Halloweenheksen, Amsterdam, 2002.
Hanne, Lore en Winnie zijn drie zussen die zich graag verkleden. Dat hebben ze van hun vader, want die is gek op carnavalsfeesten. Maar andere kinderen vinden het maar niets en lachen de drie zusjes uit. Hanne, Lore en Winnie zijn het beu en zinnen op wraak. Van een oud vrouwtje leren ze allerhande vreemde trucs. Met Halloween willen ze tot de actie overgaan. Alleen weten ze niet dat er nog andere Halloweenheksen van de partij zullen zijn... Patrick Lagrou haalt weer een heleboel griezeltrucs boven om je in de ban te houden van dit magische, bloedstollende verhaal.
Spoken, griezels en geesten
Activiteiten
Raadpleeg volgende internetsites:
Laat kinderen meebrengen wat ze thuis allemaal kunnen vinden dat volgens hen in verband staat met Halloween. Zowel voorwerpen als krantenknipsels en reclamefolders.
De kinderen vertellen aan elkaar of ze gemakkelijk of moeilijk iets vonden over Halloween. Hoe komt dit? Zijn er kinderen die veel mee hebben? Hoe komt dat verschil eigenlijk? Wordt Halloween verschillend gevierd? Zijn er kinderen die thuis Halloween vieren? Waarom doen ze dat? Zijn er kinderen bij wie ze dit feest thuis niet willen of niet mogen vieren? Waarom is dat zo?
Breng in groepjes in de klas het materiaal bij elkaar en probeer het te ordenen. Wat hoort bij elkaar en waarom? Wat hoort er nog bij en wat niet? Zijn er nog voorwerpen waarvan we weten dat ze ook bij Halloween horen, maar waar we niets van gevonden hebben? Bij elk groepje voorwerpen proberen we aan elkaar te vertellen waarom het bij het feest van Halloween hoort. Als er iets is om te lezen probeer je te kijken wat het vertelt over de ingrediënten en de betekenis van Halloween.
Welke vragen heb je nu allemaal over Halloween waar je meer wil over weten?
Maak met je groepje in een hoek van de klas een tentoonstelling waarbij je al het gevonden materiaal zo mooi, speciaal, origineel mogelijk presenteert. Vooral de ingrediënten en de betekenis van het feest moeten duidelijk naar voor komen met kaartjes, titels en opschriften. Ook de vragen over Halloween die je nog hebt moeten voor iedereen duidelijk in de tentoonstelling te zien zijn. Bekijk elkaars tentoonstelling en stel vragen aan de makers. Voer een gesprek met de klas over de vragen: Waarom vieren mensen dit feest? Waarom houden mensen zich op Halloween bezig met: bieten uithollen, verkleden, angst aanjagen?
Per twee of drie kinderen of per groepje kiezen de kinderen onderdelen van het feest uit die aan bod gekomen zijn en die ze verder gaan onderzoeken.
Na de les(dag) gaat iedereen op zoek naar meer informatie over de ingrediënten, de gebruiken en gewoonten en de betekenissen van het feest in kranten en weekbladeren, in boeken en tijdschriften, op internet.
De meegebrachte, nieuwe informatie wordt in groepjes verwerkt en creatief vorm gegeven tot één (of meerdere) pagina's (A3) van een verder samen te stellen krant. De krantenpagina's worden inhoudelijk en vormelijk aan elkaar voorgesteld en samengebundeld. De Halloweenkrant wordt goed zichtbaar uitgehangen aan de schoolinkom: "Alles wat je weten wou over Halloween, maar nooit durfde vragen!" Je kan ook mini- Halloweenkrantjes maken voor de hele school. Of met de webmaster van de schoolsite de informatie op het internet zetten.
Laat kinderen in groepen een mogelijk programma voor een eigen Halloweenfeest maken uitgaande van volgende vragen:
Zie impuls E.
Halloween op het internet
Een tocht in het duister, langs veldwegen en straten, die op creatieve wijze verlicht zijn met de typische ingrediënten van Halloween, waarlangs de kinderen in kleine groepjes, samen met ouders en andere gezinsleden, vrienden en kennissen wandelen. Deze tocht laat hen kennismaken met de betekenissen en achtergronden van het feest.
De kinderen leren stilstaan bij en omgaan met duisternis en de bijkomende gevoelens van angst, onveiligheid, twijfel, vreemdheid, spanning, nieuwsgierigheid enzovoort. De kinderen leren deze gevoelens kennen en leren er verhalender- en spelenderwijs mee omgaan.
De kinderen leren luisteren naar verhalen en kijken naar beelden die iets vertellen over hoe mensen omgaan met licht en duister in hun leven, letterlijk en figuurlijk.
De kinderen leren diverse aspecten van het Halloweengebeuren kennen en verdiepen en worden wegwijs in de betekenis om het waardevolle van het bijkomstige te onderscheiden.
De inhoudelijke elementen van de betekenissen van het Halloweenfeest moeten goed op de voorgrond komen en op diverse wijzen in beeld gebracht worden. Lees deze inhouden vooraf grondig door. Zie achtergrondinfo: Halloween, Allerheiligen en Allerzielen.
De vormelijke ingrediënten: uitgesneden pompoenen, doodskoppen, heksen, geraamten, vleermuizen en zo meer staan ten dienste van de inhouden.
De diversiteit aan gevoelens -die kunnen ontstaan rondom licht en duister, warmte en koude- moet in de loop van de tocht kunnen beleefd en verkend worden, alsook de wijzen waarop men hiermee kan omgaan.
Oude verhalen kunnen verbonden worden met actuele bedreigingen in de samenleving en angsten waarmee mensen leven.
Een sfeervolle startruimte
Een sfeervolle startruimte versierd met uitgesneden pompoenen, lichten, lantarentjes, manen en sterren, waarbij lieve en vriendelijke heksen je wegwijs maken in het gebeuren van de tocht.
Een wandeltocht uitstippelen langs straten, huizen, bos en veld met oog voor boeiende eigenschappen in het landschap die een sfeervol en spannend gebeuren kunnen mogelijk maken en voldoende afwisseling tussen rust en spanning brengen.
Elementen in het landschap
Zoek in het landschap elementen op die voor een meerwaarde kunnen zorgen in het hele gebeuren. Een speciale of oude boom, een holle weg, een open plek in het bos, een kapel, een kruispunt van weggetjes, een oude stalling, een vijver, een beek, ...
Wanneer er weinig landschappelijke elementen zijn, maak je gebruik van de huizen in de straat. Je kan zo bijvoorbeeld via een aangeklede garage van een huis in de achtertuin ervan belanden waar het tuinhuis of de fietsenstalling ook een eigen sfeer kan oproepen en je verder via de tuinpoort of een overstapje, bij de buren belandt (met hun blaffende hond) en zo via de angstaanjagend versierde gang van het huis weer op straat belandt.
Een Keltische druïde
Als druïde verkleed, vertellen een man en een vrouw temidden van cirkels van vuur over de Keltische gebruiken en gewoonten. Zie achtergrondinfo: Halloween, Allerheiligen en Allerzielen.
Ze laten zien hoe vuren werden aangestoken, hoe ze meegedragen werden in bieten en nodigen elk groepje uit om het vuur verder te dragen in een biet en om de eigen meegedragen lichtjes aan te steken met vuur.
Spel om de angst van doden en geesten
Geraamten, doodshoofden en duivelfiguren met een zeis symboliseren de menselijke angst voor de dood. Deze figuren roepen de angst op om zelf te sterven. Een ongeluk zit vaak in een klein hoekje. Tijdens de tocht zien de kinderen figuren als deze verschijnen en weer verdwijnen, ze horen hen schaterlachen alsof ze hen met al hun angsten uitlachen en ze horen kettingen rammelen alsof de figuren hen willen ketenen.
Tijdens de tocht kunnen er ook geesten opduiken van overledenen die geen rust gevonden hebben en nog steeds ronddwalen als spoken. Laat ze met spanning verschijnen en weer verdwijnen op verschillende punten van de tocht.
Let wel op dat griezelen iets anders is dan kinderen en ook volwassenen de stuipen op het lijf jagen.
Tegen bedreiging en de angsten in het duister
Mensen die onderweg meespelen als geest of spook moeten een onderscheid maken tussen spel en ernst. Laat de kinderen af en toe zien dat achter de maskers en geraamten heel gewone mensen schuilgaan.
Laat de kinderen zich onderweg verkleden met ingrediënten waarmee ze zelf kunnen griezelen. Zo leren ze met hun angsten omgaan en zelf macht krijgen over wat hen bedreigt.
Leer kinderen spreuken en zegwijzen aan die het kwade en de dood op afstand houden. Zo kunnen kinderen het angstaanjagende doen verdwijnen wanneer ze hun eigen angst niet meer machtig zijn.
Hartverwarmende soep
Schep halverwege uit reuzenpompoenen pompoensoep. Dit is niet alleen deugddoend tijdens de koude wandeling. Kinderen kunnen op adem komen en kunnen vertellend, aan elkaar en aan volwassenen, kwijt wat ze gezien, verbeeld en beleefd hebben.
Kapelverhalen
Vertel als verklede heilige of als kapelbehoeder aan één of ander kapelletje onderweg het verhaal van een plaatselijke heilige die het kwade, de duistere krachten heeft weerstaan. Ook bijbelverhalen over het overwinnen van angst en dood kunnen hierbij passend zijn.
Kerkhof
Vermijd het kerkhof te gebruiken als onderdeel van de tocht. Een kerkhof is een plaats die beladen is met een grote verscheidenheid aan betekenisgeving en wezenlijke gevoelens van mensen. Een kerkhof respecteer je best als een vrijplaats, waar ieder individu zijn eigen bestemming aan geeft. Een ritueel spel opvoeren op een kerkhof in deze context kan je dus beter vermijden, hoezeer het zich ook leent voor zo'n gebeuren. Als de tocht toevallig toch langs het kerkhof loopt, werk dan uitsluitend met sfeerverlichting. De angsten, verhalen, verbeeldingen van de mensen die passeren doen hun eigen werk wel. Als je het echt niet kan laten, is een geest laten verschijnen net voorbij het kerkhof aan de andere kant van de weg, veel verrassender dan spoken op het kerkhof. Maar beter dan geesten laten verschijnen, is iemand laten meelopen die vertelt hoe mensen door de tijden heen over de geesten van overledenen hebben nagedacht.
Het verhaal van Jack o Lantern (Jaak met de lantaarn)
Vertel verkleed als Jack met de lantaarn ergens onderweg het eigen verhaal.
Zie 'De Legende van Jack' op deze Happy Halloween site en op de achtergrondinfo rond Halloween.
Boomgeesten
Omdat bomen zoveel langer leven dan mensen worden ze vaak een geest toegedicht. Laat de geest van een boom tot leven komen. Iemand verschuilt zich in een boom en vertelt als boom een verhaal over het vallen van de bladeren, het verliezen van krachten, het herwinnen van krachten in de lente of een verhaal over bijzondere eigenschappen van een boom.
Men kan zich ook verkleden als boomgeest, van achter de boom vandaan komen en zich al vertellend tussen de mensen begeven.
Een gezellig onderkomen als eindpunt
Een sfeervol eindpunt...
...waar mensen met elkaar hun ervaringen kunnen uitwisselen en hun eigen verhalen van hun eigen angsten of herinneringen aan een ver verleden kunnen vertellen.
...waar kinderen hun ervaringen met spinnen, heksen, vleermuizen, spoken en geraamtepoppen kunnen herspelen in poppenkasten of speelhoeken.
...waar alle ingrediënten van het Halloween feest zichtbaar aanwezig zijn, eventueel met een korte toelichting op kaartjes.
Aandachtspunten
Betrek zoveel mogelijk mensen die wonen op het parcours bij het Halloweengebeuren. Mensen gaan dan spontaan hun huizen versieren en reiken vaak nieuwe ideeën en mogelijkheden aan om de tocht op originele wijze gestalte te geven.
Zorg dat elk groepje vergezeld wordt van volwassenen die voldoende op de hoogte zijn van de doelen van de tocht zodat er onderweg nergens oudere kinderen of jongeren een 'schrik'bewind kunnen voeren of met misplaatste grappigheid de goede orde dreigen te verstoren.
Zorg dat de weg voldoende verlicht is om veiligheid en zekerheid te bieden.
Geef de deelnemers zelf ook een lichtje mee voor onderweg, nodig hen uit het zelf te maken of ontwikkel daarvoor bij de start kleine workshops waarbij mensen zelf hun lichtje kunnen maken. Op 15 minuten kan er al veel gebeuren.
Stippel een parcours uit dat goed toegankelijk en vrij makkelijk beloopbaar is. Niet iedereen is even goed te been en de duisternis is vaak al moeilijk genoeg.
Geef de oudste kinderen verantwoordelijkheid in hun taken zoals bijvoorbeeld: mensen wegwijs helpen onderweg, soep bedelen, meelopen met de kleinsten tot zelf meespelen in verhalen en toneeltjes onderweg.
Geef een boekje mee waarin de betekenissen van het feest toegelicht worden en de verbindingen met Allerheiligen en Allerzielen uit de doeken worden gedaan.
Haywood C., Het eerste Halloweenfeest van Penny en Patsy in Van Hest J., Van der Valk S., Feestverhalen, Bloemendaal, 1996, 155-159.
Achtergrondinformatie over Halloween
Nederlandse portal over Halloween
Zie achtergrondinfo: Het feest van Allerheiligen
Vaak is rondom de hoofden van heiligen een lichtkrans afgebeeld. Gewoonlijk is deze lichtkrans, die als een cirkel rond het hoofd van de afgebeelde persoon hangt, wit of goudgeel van kleur, als teken van zuiverheid en heiligheid. Behalve heiligen worden ook Christus (of 'het Lam van God', symboolfiguur voor Christus) en de Heilige Geest (voorgesteld als duif) afgebeeld met een nimbus rond hun hoofd. In dat geval is de nimbus voorzien van een drie-armig kruis, ten teken dat de afgebeelde figuur deel uitmaakt van de Drie-ëenheid: God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest. Kunstenaars kunnen ook gebruik maken van andere middelen dan deze lichtkransen om heiligheid en goddelijkheid in beeld weer te geven.
Licht om iemands hoofd wil dus zeggen dat iemand licht uitstraalt, dat hij of zij een lichtend voorbeeld is van wat goed is, waardevol, vredevol, liefdevol, rechtvaardig en zo meer. Een heilige (komt van het woord 'heil' of 'heel') is eigenlijk iemand die 'heel' is, iemand van één stuk. Een persoon die op zijn eigen wijze wat meer 'heelheid' en verbondenheid in de samenleving brengt.



Op zoek naar een oud beeld
Ga op zoek naar een oud beeld (desnoods een afbeelding) van één of andere bestaande heilige. Bijvoorbeeld de parochieheilige of de heilige van één of andere plaatselijke kapel.
Onderneem een zoektocht naar wat deze figuur in het verleden voor mensen te betekenen had.
Literatuur:
Zoek ook op internet. Begin bij: www.heiligen.net
Ontwikkel een stralenkrans
Ontwikkel een stralenkrans rond dit beeld waarin de belangrijkste waarden en eigenschappen van deze heilige in beeld worden gebracht.
Suggestie: gebruik daarvoor ook actuele symbolen en ingrediënten.
Ga op zoek naar hedendaagse figuren die voor kinderen van vandaag inspirerend kunnen zijn. Doe hetzelfde voor actuele personen die volgens de kinderen de status van heiligen verdienen.
Literatuur:
Zie achtergrondinfo: Het feest van Allerzielen
Kaarsen en lantarentjes bij een graf
Bekijk de foto's van de lichten op het kerkhof (klik om te vergroten). Wat treft je? Wat spreekt je aan? Welke vragen komen er bij je op?
Lichtversieringen maken
Je kan met de klas lichtversieringen maken om op graven van bekende overledenen te plaatsen. Maak met natuurmaterialen een kunstige ondergrond en versier glazen potjes met diverse kleuren rozepapier: je kan dit papier er rond lijmen of lijmverf gebruiken (wel duur) om te schilderen. Breng het geheel samen. Bij een kerkhofbezoek kunnen deze lichtversieringen meegenomen worden, maar ze kunnen ook de herdenkingshoek in de klas mee gestalte geven.
Een licht branden voor een overledene is aan hem of haar denken. Christenen willen net zoals vele andere mensen en volkeren hun overleden familieleden en vrienden niet vergeten. Door aan hen te denken, blijven ze levend. Zo licht hun leven in herinnering weer op uit de duisternis van het dodenrijk. Christenen willen met het aansteken van licht bij de graven en de kruisen, het geloof uitdrukken dat mensen door hun dood heen in een nieuw leven zijn terecht gekomen. Een leven waar licht het gewonnen heeft van het donkere duister. Angst maakt plaats voor vreugde en vertrouwen. Het leven gaat voort, zet zich verder ondanks de dood.
Bij het stellen van het ritueel waarbij men lampjes plaatst op grafstenen op het kerkhof of in de herdenkingshoek is het goed dat de aandacht hieraan gegeven wordt en dat kinderen levende herinneringen aan de overledenen ophalen. Herinneringen die voor hen een lichtend voorbeeld kunnen zijn.
Een viering van licht met Allerzielen
Voor de Allerzielenviering worden alle kruisjes op een muur vooraan in de kerk bij elkaar gehangen. De kruisjes zijn tekens van de mensen die in het afgelopen jaar overleden zijn. Dat wordt goed bijgehouden. Het 'Boek van het nieuwe leven' ligt erbij op een lezenaar en de paaskaars brandt. Na de verkondiging gaan voorganger en acolieten bij de kruisjes staan. De voorganger noemt aandachtig een aantal namen. Dan worden bij de kruisjes lichten ontstoken en wordt er een refrein gezongen of de strofe van een lied. Weer worden met zorg nog een aantal namen genoemd, worden lichten ontstoken en het refrein gezongen. Dit gebeurt vier maal. Daarna gaat de eucharistieviering verder.

Aan het einde van de viering, na het slotgebed, wordt de tocht naar het kerkhof aangekondigd. Fakkels worden aan de paaskaars aangestoken en er wordt gezongen: 'Als God ons thuisbrengt'. De fakkels worden aan enkele kerkgangers gegeven; ook in de laan naar het kerkhof (die een paar honderd meter van de kerk ligt) staan hier en daar fakkels. Op het kerkhof staat een vuurpot. De voorganger zegt:
"Beste mensen, ons leven is een reis die kort of lang kan duren, een reis die kan voeren door donkere winternachten, maar ook door heerlijke zomerdagen. Maar altijd trekt God onderweg met ons mee, zoals Hij met het joodse volk meetrok op weg naar het land van belofte: een lichtende wolkkolom overdag en een vuurzuil 's nachts. Als teken van ons geloof dat ons leven niet eindigt in een donkere afgrond maar in een land van belofte, waar geen verdriet, geen dood en geen duisternis meer zijn, ontsteken we hier het vuur, het licht van de verrijzenis."
Verhaal: Leeman C. R., Het dorp met de doodshoofden, in Van Hest J., Van der Valk S., Feestverhalen, Bloemendaal, 1996, 164-166.
Vertellen over het geloof in het vagevuur
Op de dag van Allerzielen kunnen de gelovigen door hun gebeden zieltjes uit het vagevuur verlossen. Het vagevuur is volgens de rooms-katholieke kerk niet zo'n prettige toestand na de dood. Daar verblijven de zielen van de overledenen een tijdje om hun zonden (fouten) uit te boeten, om nadien in de hemel opgenomen te worden. In het vagevuur zouden die zonden zachtjes worden weggebrand.
Ook nu nog zijn er katholieken die geloven dat je op Allerzielen een ziel uit het vagevuur kunt verlossen door heel veel onzevaders en weesgegroetjes te bidden.
Associëren bij beelden en kunstwerken
Bekijk de afbeeldingen en kunstwerken over het vagevuur. Wat zie je allemaal? Wat roept het bij je op aan gevoelens, herinneringen en associaties. Vertel er over aan elkaar. Welke vragen komen bij je op? Stel ze aan elkaar.
Vuur is niet alleen licht. Het doet pijn. Het verbrandt ook iets. Daarom wordt vuur ook zuiverend genoemd zoals bij afvalverbranding. Het doet het vuile, het overtollige, het teveel, het negatieve verdwijnen. Hierdoor is vuur ook een beeld geworden van boete doen: vuur leert gedrag af dat meer kwaad doet dan goed. Zulk gedrag afleren, is vaak moeilijk en doet pijn.
Zielenbrood
In Vlaanderen bestond tot in het begin van de negentiende eeuw het gebruik om op Allerzielen 'zielenbrood' te eten. Op die dag werden heel veel lekkere broodjes gebakken. Zoveel broodjes als je op kon eten, zoveel zieltjes zouden er uit het vagevuur verlost worden. Je kunt je voorstellen dat er goed gegeten werd. Ook werden er heerlijke pannenkoeken gebakken. De eerste gooide men met een grote boog in het vuur. Die was voor een zieltje.
Het meer van de levenslichten
Bewerkt fragment uit: Sommer-Bodenburg A., Dag Oma, Amsterdam, 2003.
Daar, bij die grote treurwilg, is opa's graf. Julia blijft voor het heuveltje naast opa's grafsteen staan. Onder die heuvel, onder al die bloemen en kransen, moet oma nu liggen! Julia kan het niet geloven. Maar daar staat oma's naam, op de linten die aan de kransen zitten. De tranen schieten in Julia's ogen. 'Waarom ben je zo ver weg, oma?' zegt ze snikkend. 'Kom toch terug. Ik hou zoveel van je.' De bladeren van de treurwilg ritselen zacht. Julia kijkt op. Een zuchtje wind strijkt langs haar wang, heel zachtjes. Zo streelde oma haar altijd! 'Oma, ben je hier?', vraagt ze. Weer ritselen de bladeren, stilletjes en geheimzinnig, alsof ze Julia iets willen vertellen. Dan gaan de takken uiteen en er komt iemand te voorschijn. Het is een kind met een bleek, bijna doorschijnend gezicht. 'Wie ben jij?' vraagt Julia. Het kind glimlacht en begint een melodie te neuriën. Het is het liedje uit oma's speeldoos! 'Ken jij mijn oma?' Julia's stem trilt. 'Ja,' antwoordt het kind. 'En ik ben hier omdat ik je wil helpen.' 'Helpen?', vraagt Julia. 'Ik weet dat je je oma hebt verloren,' zegt het kind. 'Maar als je het heel vurig wenst, kan ik je laten zien dat ze toch nog altijd bij je is.' '0, ja!', roept Julia. 'Doe dan je ogen dicht.' Julia doet haar ogen dicht. Ze hoort zachte muziek: oma's liedje. 'Doe ze nu open,' zegt het kind. Julia knippert. Alles is veranderd. De lucht is zwart en vóór Julia ligt een meer waarop ontelbare kaarsen branden. Als eilanden van witte was drijven ze op het water. 'Waar ben ik?' vraagt Julia. 'Je bent op het meer van de levenslichten,' antwoordt het kind. 'En oma? Waar is oma?', vraagt Julia. 'Hier is alleen maar haar levenslicht.' Het kind stapt in een roeiboot die aan de waterkant ligt en wenkt Julia: 'Kom!' Julia volgt aarzelend. De boot glijdt het meer op, tussen de kaarsen door, zonder ze te raken. Verbaasd kijkt Julia rond. Sommige kaarsen drijven in hun eentje op het water, andere dicht bij elkaar. Maar ze zijn allemaal verschillend van lengte. Een paar lijken nog maar net aangestoken. Andere zijn al een heel eind opgebrand en een heleboel zijn uit. 'Ieder licht is een mensenleven,' zegt het kind. 'Als een mens moet sterven, sterft ook zijn licht.' 'Dan zijn al die kaarsen die niet meer branden... dode mensen?' vraagt Julia. 'Ja,' antwoordt het kind. 'En oma's licht?' 'Dat brandt ook niet meer.' De boot glijdt steeds verder. Julia durft nauwelijks te ademen, uit angst dat ze één van de levenslichten uitblaast. 'De vlammen zullen echt niet doven,' zegt het kind vriendelijk. 'Jawel!' roept Julia. 'Er is er net eentje uitgegaan!' 'Ja, maar dat komt niet door ons.' 'Is die gedoofd omdat... er iemand is doodgegaan?' 'Ja.' 'En de andere kaarsen, die zo flakkeren... Gaan die mensen ook dood?' 'Misschien wel, misschien niet,' antwoordt het kind. 'Als iemand erg ziek wordt, of als hij heel, heel veel verdriet heeft, dan beeft zijn levenslicht.' 'Beefde oma's licht ook?' 'Ja, zelfs het jouwe!' 'Het mijne?' 'Ja, kijk maar. Jouw licht beeft nog steeds.' De boot blijft liggen. 'Hoe weet je nu welk licht van mij is?' vraagt Julia. 'Het is mijn werk om dat te weten,' antwoordt het kind. Het wijst naar een eiland met vier kaarsen. 'Dat eiland daar, dat is jouw levenseiland. En het licht dat zo beeft, dat is jouw levenslicht.' Julia voelt een koude rilling. Er is maar één kaars op het eiland die kalm en krachtig brandt. Twee andere zijn al uitgegaan, en de grootste, Julia's levenslicht, flakkert alsof het in de tocht staat. 'Het jouwe beeft sinds het levenslicht van je oma is gedoofd,' zegt het kind. 'Omdat ik zo verdrietig ben,' antwoordt Julia met trillende stem. 'Omdat ik oma zo mis.' 'Maar je oma is nog bij je,' zegt het kind. 'Haar levenslicht staat nog bij jou op het levenseiland.' 'Oma!' fluistert Julia. 'Zolang jij van haar houdt, zal haar levenslicht nooit zinken,' zegt het kind. 'Zinken?' vraagt Julia geschrokken. 'Ja. Als niemand meer van je oma houdt, dan zinkt haar kaars naar de bodem van het meer. En uit de kaarsen die daar beneden rusten, ontstaan op een dag nieuwe levenslichten.' 'Maar ik hou nog van oma!' roept Julia. 'Dat weet ik,' zegt het kind. 'Omdat jij met heel je hart van haar houdt, mocht ik je hier mee naartoe nemen, om je de levenseilanden en de levenslichten te laten zien.![]()
Drie instapsuggesties
Levensbeschouwelijk gesprek bij het verhaal.
Maak naar eigen inzicht linken met bovenstaande instapsuggesties
"Voor Julia ligt een meer waarop ontelbare kaarsen branden. Als eilanden van witte was drijven ze op het water. 'Waar ben ik?' vraagt Julia. 'Je bent op het meer van de levenslichten,' antwoordt het kind."
Een levenslicht? Wat zou dat kunnen betekenen? Waarom wordt een kaarslicht met het leven van mensen verbonden? Waarom doet licht aan leven denken? Het licht van een mensenleven, waar zou dat licht kunnen voor staan? Is het omgekeerde ook waar? Doet duisternis aan dood denken? Waarom is dat zo? Kan je daar voorbeelden van geven? Een meer van levenslichten, zou je willen dat het bestaat? Waarom denk je dat? Zou dat ergens echt bestaan? Als mensen over dingen spreken die ze sterk aanvoelen, maar niet helemaal zeker weten, dan gebruiken ze vaak beelden en vergelijkingen. Spreekt dit beeld je aan? Wat roept het bij je op? Wat willen de schrijfster en de tekenaar hiermee vertellen?
"'Ieder licht is een mensenleven,' zegt het kind. 'Als een mens moet sterven, sterft ook zijn licht.'"
Hoe klinkt dat in je oren? Klinkt het hard, zacht, verstaanbaar, pijnlijk, vriendelijk? Vertel er eens over? Elders in het boek herinnert Julia zich een uitspraak van oma: 'Als er een ster valt, dan sterft er een mens.' Hoe denk je daarover? Is dat een mooi beeld of eerder een akelig?
Een mens als het licht van een ster aan de hemel of als een kaarslicht op het water, welk licht spreekt je het meest aan? Vertel er eens over.
"'Maar je oma is nog bij je,' zegt het kind. 'Haar levenslicht staat nog bij jou op het levenseiland.' 'Oma!' fluistert Julia. 'Zolang jij van haar houdt, zal haar levenslicht nooit zinken,' zegt het kind. 'Zinken?' vraagt Julia geschrokken. 'Ja. Als niemand meer van je oma houdt, dan zinkt haar kaars naar de bodem van het meer."
Als je van iemand houdt, zegt het kind in het verhaal, zal het levenslicht van de persoon nooit zinken. Vind je dat een mooi beeld? Denk je zelf nog vaak aan mensen die je kent die overleden zijn? Wie kan daar iets over vertellen? Kan je zeggen dat je nog van deze mensen houdt? Waarom is dat zo? Is het ook niet triestig dat een kaars van iemand zinkt als niemand nog aan je denkt? Zijn het alleen beroemde mensen wiens kaars dan blijft drijven? Er zijn mensen die weinig of helemaal geen familie hebben die sterven. Hun levenslicht gaat dan wel heel snel onder in het meer. Wat denk je daarbij?
"En uit de kaarsen die daar beneden rusten, ontstaan op een dag nieuwe levenslichten."
In het verhaal blijkt dat er voor deze mensen toch nog een beetje hoop is. Hoe denk je daarover?
Slotvraag
Wat wil je van het verhaal en de beelden graag onthouden? Werk het creatief uit op je eigen wijze.
De ingezonden reacties tot nu toe:
18-10-2006
Hilde Mangelinckx
Leerkracht lager onderwijs
Kunnen we deze impulsen in een Word-bestand krijgen?
Noot van het Thomas-team:
Beste Hilde,
We hebben deze impulsen niet in Word-bestand voorzien, maar u kan ze gemakkelijk afprinten door op de printknop rechtsbovenaan te klikken, de afdruk ziet er net uit als een Word-bestand. U kan ze natuurlijk ook zelf kopiëren naar een Word-bestand.
Met vriendelijke groeten,
Het Thomas-team
27-11-2007
lesley liesens
Zijn er bepaalde gewoontes of versieringen, eten, geschenken voor Halloween, Allerheiligen en Allerzielen?
Wat betekenen de feesten van Halloween, Allerheiligen en Allerzielen en waarom bestaan ze?
Worden Halloween, Allerheiligen en Allerzielen hetzelfde of anders gevierd dan in de tijd van vroeger?
En in welke godsdiensten worden Halloween, Allerheiligen en Allerzielen gevierd?
31-10-2008
vandepeene louis
graag had ik een antwoord op de volgevde vraag.
sinds wanneer is het gebruik ontstaan va n de doden op allerzielen te herdenken met chrysantet op het graf ?
29-10-2011
Jeanne Hanseeuw
Geïnteresseerde
Dit te mogen zien en lezen was voor mij een wondermooie, troostende Alleheiligenmeditatie waarvoor mijn innige dank.
31-10-2011
Anne
Hallo,
Ik heb een vraag.
Wat heeft Halloween met godsdienst te maken?
Vul onderstaande velden in (de identificatievelden zijn niet verplicht in te vullen) en klik op verzenden. Uw feedback wordt dan op deze pagina opgenomen.