Onderstaand raamplan wil voor de leraar een minimumwegwijzer zijn om bij een leergroep OV 1 en met elke leerling afzonderlijk op weg te gaan op het niveau van de basale vaardigheden. Waar mogelijk zal de leraar ook elementen putten uit de andere leerplannen. Duidelijk is dat én omwille van het concept raamplan én omwille van de eigen beginsituatie een gerichtheid op het wezenlijke van geloof, leven en samenleven de basis uitmaakt van een dergelijke wegwijzer.
Als aanzet tot concretisering ter plekke biedt het raamplan een reeks sleutelwoorden en begrippen die teruggaan op kernelementen van geloof en leven. Het zijn evenzoveel kansen om een communicatie op te zetten met de leerling, d.w.z. om iets te kunnen overbrengen naar of begrijpen van de leerling, of hoe we samen kunnen luisteren naar het leven en het Woord. Doorheen deze communicatie laat de leerkracht ervaren/kennen/horen wat deze woorden voor mensen/hem betekenen en hoe ze bron zijn van leven.
Het raamplan concretiseert de basisdoelen doorheen verschillende terreinen die per leerjaar worden geordend en uitgewerkt. Schematisch voorgesteld wordt elk terrein als volgt uitgewerkt:
Terrein: Blikopener: vanuit een christelijke inspiratie bekeken: onder welk woord christenen staan. Beginsituatie: Terreinomschrijving: |
|||
datum |
Ontwikkelingsdoelen: |
Ingrediënten: |
nr. doel |
Groeigericht Traditiebezorgd
Christelijk bewogen
Open |
Vanuit de grondopties en de pedagogisch-didactische implicaties wordt in de terreinkeuze, de terreinordening, de terreindoelen (= ontwikkelingsdoelen) en de ingrediënten eigenlijk voor een groeigericht, eerder dan voor een traditiegericht onderwijsleerproces gekozen. Dit wil zeggen dat een systematisch behandelen van het ‘essentiële’ van de christelijke traditie(s), studie van de traditie om de traditie, niet het eerste oogmerk is. Niettemin betekent dit tegelijk dat er opnieuw binnen de vraagstelling van het levensbeschouwelijk domein op spirituele, structurele en cultureel-historische gronden vastgehouden wordt aan het christelijk geloven in het vak r.-k. godsdienst. Het is uitdrukkelijk de bedoeling de rijkdom van dit geloven in het levensbeschouwelijk leerproces binnen te brengen. Deze relatie wordt gesuggereerd via de ‘blikopener’ in de terreinomschrijving. De ‘blikopener’ wil met enkele woorden oproepen wat christenen typeert of beweegt binnen dit terrein. Soms wordt een bijbeltekst vermeld, soms een andere tekst. De leraar of de lezer wordt bij deze uitgenodigd om ‘onder het Woord te gaan staan’ en dit vrucht te laten dragen in zijn lezen en omgaan met dit terrein. Op die wijze kan de partijdige keuze voor het christelijk geloven persoonlijk en concreet worden. In het vak gaat het om het katholiek geloof, maar het behoort tot de katholieke geloofsbelijdenis dat de Geest van Christus ook buiten de zichtbare grenzen van de Kerk werkzaam is. Bij het uitwerken van deze gebondenheid (zoals bij de keuze van andere ingrediënten en ontwikkelingsdoelen) spelen tegelijk andere criteria, met name historische (wat is hier gezien het verleden verhelderend?), demografische (welke groepen, personen staan achter deze leerlingen en voor wat?) en ook een geografisch criterium (welke tradities zijn hier in deze pedagogische eenheid- en leerlingomgeving sterk of vreemd?). Eigenlijk zal de leraar, vanuit de zeer concrete context, beginsituatie en de ontwikkelingslijn, zich op een verantwoorde wijze moeten afvragen waarmee de leerling en de pedagogische eenheid het best geconfronteerd worden. |
| Levensgebieden | Terreinen (Duits.: Lernfelde, Ned.: topics) zijn levensgebieden waarrond gewerkt wordt en die helpen om de werkelijkheid en het leven vanuit een christelijke en/of multilevensbeschouwelijke invalshoek te bekijken. ‘Terrein’ is de verzamelnaam voor een geheel dat betrekking heeft op deelaspecten van de zingeving / zinervaring van het bestaan. Het gaat om het uittekenen van een breedte en diepte van een cluster van aspecten van zinzoeken en beleven. De terreinen zijn als dusdanig niet exclusief voor de christelijke traditie of voor het vak godsdienst. De formele garantie voor het christelijk of het vakperspectief ligt eerder bij de terreindoelen en de terreiningrediënten. ‘Thema’s’ of ‘onderwerpen’ zijn inhoudelijk al te specifiek en te scherp afgebakend en passen daarom niet in het concept van ‘raamplan’. Een thema of onderwerp vormt immers het oogpunt waarlangs één of meer terreinen worden aangesneden. In die zin kunnen terreinen elkaar overlappen. Wie werkt rond ‘vieren’ kan bv. terreindoelen vanuit meerdere terreinen realiseren. Ondermeer om deze reden zal overleg in een vakwerkgroep nodig zijn. |
Mogelijkheden |
De criteria voor de terreinkeuze, -ordening en –omschrijving zijn (1) de socio-culturele context en (2) de (godsdienst-psychologische) ontwikkeling van de leerling en (3) de levensbeschouwelijke en religieuze vraagstelling. Het onderscheidings- en ordeningsprincipe dat hier wordt gebruikt om meerdere terreinen vast te stellen, is dat van verschillende ‘levensvragen’ / ‘levenservaringen’ / ‘levensuitdagingen’ waar de jongere in het licht van zijn bestaan mee worstelt en die mede vanuit de beginsituatie en ontwikkelingslijn sterk aanwezig zijn. Het gaat om ‘raadsels van het menselijk bestaan’, “raadsels die in het verleden het hart van de mens sterk hebben bezig gehouden en het nog steeds bezig houden” (Nostra Aetate.) Criteria voor de keuze van onderwerpen kunnen zijn: de rijkdom voor mogelijke benaderingen (breedte en diepte van het terrein), de toepasbaarheid en relevantie voor de pedagogische eenheid. |
| De basisvraag | Bij de opbouw van het leerplan is telkens uitgegaan van de basisvraag: "Welke kennis, vaardigheden en attitudes kunnen leerlingen verwerven?". Antwoorden op deze vragen worden geformuleerd in doelstellingen. Dergelijke doelen bevatten dus de prestaties die verwacht mogen worden van de leerlingen of waar inspanningen aan gekoppeld worden. Vandaar dat doelstellingen dynamisch-affectief, cognitief of motorisch kunnen zijn; een drieluik dus van zijn, kennen en kunnen. In de opbouw van het leerplan zijn de doelen na te streven objectieven. Voor de leraar is er een inspanning aan gebonden om de leerlingen in de prestaties die in de doelen zijn omschreven te ondersteunen. We spreken van ‘ontwikkelingsdoelen’.
|
Soorten doelen |
|
| Benaderen van | In het zoeken naar zin en betekenis, brengen leerlingen in de pedagogische eenheid vragen of problematische aspecten aan. In het benaderen van deze vragen en aspecten, wordt vooral een beroep gedaan op elementen uit de christelijke tradities, maar tevens uit andere tradities en levensbeschouwingen. Ook wordt een beroep gedaan op informatie uit de sociale en menswetenschappen. Deze inbreng heeft de bedoeling de leeromgeving voor de leerling en de pedagogische eenheid te verrijken zodat het eigen karakter van een godsdienstige of levensbeschouwelijke benadering tot zijn recht komt.
|
| Inhoud is… | Onderwijs is veel complexer dan het gepast en efficiënt overzetten van een leerinhoud van leerkracht naar leerling. Omdat de ontmoeting/interactie/conversatie tussen leerling, pedagogische eenheid en leerkracht meer centraal komt te staan is de ‘inhoud’ van het vak niet zo maar bij voorbaat vast te leggen. Inhoud is, wat in een gegeven pedagogische eenheid, door de aanwezigheid van allen die daar zijn, gebeurt. Het is een zinzoeken dat ontstaat in de communicatie. Dit omvat niet alleen het proces van het zoeken naar waarheid, maar impliceert vele dimensies: zich laten bevragen en uitdagen, analyseren en evalueren, zich beter informeren en documenteren, komen tot betere perceptie, het bevorderen van een meer gevoelige reflectie en het cultiveren van een open houding. In de communicatie worden omstandigheden geschapen waarin de specifieke eigenheid van levensbeschouwing aan bod kan komen, en ook datgene kan oplichten wat christenen ‘blijde boodschap’ noemen en wat inspiratie en perspectief kan bieden binnen de terreinen.
|
| Ingrediënten zijn… | Omwille van de interactie is dergelijke inhoud, zoals gezegd, niet restloos te plannen of vast te leggen in een leerplan. Binnen het kader van de uitgeschreven ontwikkelingsdoelen en terreinen kan een leraar een weloverwogen leerroute uitstippelen en veel naar voren schuiven. Dit noemen we de ‘ingrediënten’. Hiervan is de bedoeling ervaringen van leerlingen te verrijken door de confrontatie met andere (o.m. bijbelse, historische en actuele). Het feit dat iets wordt aangegeven als ingrediënt, geeft dus aan wat in een pedagogische eenheid wellicht vruchtbaar op de werktafel kan komen. Met ingrediënt verwijzen we dus naar het feitelijke materiaal dat wordt binnengebracht in de pedagogische eenheid. Ingrediënten kunnen vier vormen aannemen, respectievelijk daaruit te combineren mengvormen. Het ingrediënt kan bestaan uit (1) aanschouwelijke beelden zoals tekeningen, dia’s, films, cartoons; (2) semantisch materiaal zoals uittreksels uit leesboeken, gedichten, gebeden of teksten uit een bepaalde traditie; (3) symbolen zoals letters, cijfers, bordschema’s, religieuze symbolen en (4) menselijke gedragingen en interacties zoals ‘gedragnemingen’, riten, enzovoort.
|
Doel en datum |
De nevenschikking van ingrediënten en doelen wijst niet op een directe koppeling tussen een doel en een bepaald ingrediënt. Waar een directe koppeling tussen doel en ingrediënt bedoeld is, is het ingrediënt opgenomen in het doel zelf. De nevenschikking wil juist de gebruiker op het spoor zetten om een veelheid van ingrediënten bij een doel in overweging te nemen. Vanuit het doel krijgt de gebruiker van het raamplan meteen een panorama op vele mogelijke elementen die in de pedagogische eenheid kunnen worden binnengebracht. In het raamplan zijn naast de kolommen die de doelen en ingrediënten bevatten twee extra invulkolommen voorzien voor de leerkracht. Op deze wijze kan de leerkracht, mits jaarlijks fotokopiëren van de delen doelen en ingrediënten, zowel vooruitblikkend als terugblikkend doelen en ingrediënten een plaats geven. |
| Een visie | Een raamplan wordt gedragen door een cultureel gesitueerde pedagogisch-didactische en pastoraal-theologisch onderbouwde visie op het vak. Heel wat dragende elementen uit het leerplan zijn van hieruit gemotiveerd. De uitwerking van nieuwe leerplannen voor het vak r.-k. godsdienst is gebaseerd op de visietekst op het vak r.-k. godsdienst zoals aanvaard door de Vlaamse bisschoppen op 08-07-96. Deze visie, uitgewerkt in ondermeer de grondopties, geldt als normerend perspectief voor de raamplannen, wat betekent dat een diepgaande kennisneming ervan noodzakelijk en belangrijk is. |
| Een kader, een groei-weg, een informatiebron en een criterium | Het raamplan is op de eerste plaats bedoeld als kader en inspiratie voor leraren, en als een mogelijke groeiweg voor leerlingen. Het garandeert bovendien de mogelijkheid tot verticale en horizontale dwarsverbanden en overgangen. Voor de leraar is het raamplan een kans tot vruchtbaar en collegiaal samenwerken. De leerkracht dient daarnaast - in overleg - nog heel wat beslissingen te nemen, vooraleer met een concreet uitgewerkte, evenwichtig uitgestippelde leerweg naar de pedagogische eenheid te kunnen gaan. Voor wie leermiddelen maakt, biedt het raamplan een vertrekbasis én criterium. Voor anderen, vooral de ouders, de voorzieningen, de schoolbesturen en de verschillende vakleraren is het raamplan een bron van duiding en informatie met betrekking tot het vak r.-k. godsdienst. |
| Gebeuren | Onderwijstechnologie, het voorprogrammeren via leerplannen mag het 'gebeurteniskarakter' in de lessen godsdienst niet in de weg staan. Vandaar dat deze raamplannen dus wel richtinggevend zijn, maar tegelijk ook ruimte bieden voor wat aan de orde is in de pedagogische eenheid, voor de actualiteit en dus ook voor de diepere communicatie/interactie. De plannen zijn er voor de leraar en de pedagogische eenheid, niet omgekeerd! Maar uiteraard werkt dit laatste in twee richtingen. |
| Doelen | Zoals gezegd, de visie op het vak is expliciet richtinggevend voor dit raamplan en dus normatief. In de logica van het raamplan zijn ook de terreinkeuze en ordening normatief, evenals het basisdoel. De schikking van de terreinen binnen een jaar en van de terreindoelen/ontwikkelingsdoelen binnen een terrein mag dan wel logisch lijken of zijn, dit sluit niet uit dat leraren de volgorde wijzigen, met dien verstande dat de verdeling over de jaren wel gerespecteerd wordt. Het is vanzelfsprekend dat de ontwikkelingsdoelen niet losgemaakt kunnen worden van de basisdoelen. De terreindoelen/ontwikkelingsdoelen zijn een concretisering van de basisdoelen binnen een terrein. Als concretiseringen van basisdoelen op een terrein zijn de terreindoelen/ontwikkelingsdoelen en de ingrediënten richtingwijzend: niet zomaar te ontwijken, ook al blijft een scherper en creatiever verwoorden mogelijk. De leraar zal met zicht op doelen en beginsituatie inspannen om deze doelen kans te geven en daarom zal hij ook dienen te overwegen (en te overleggen) welke ingrediënten verrijkend zijn voor die pedagogische eenheid op dat moment. Een eventuele keuze voor andere ingrediënten zal dus wel even sterk de uitwerking en de realisatie van de terreindoelen moeten ondersteunen en nastreven. |
| Nevenschikking | De nevenschikking van terreindoelen en ingrediënten geeft aan op welke manier deze twee kunnen samengaan. Soms is in de verwoording van een doel ook een belangrijk ingrediënt aangebracht. Deze doelen geven uitdrukkelijk aan hoe de leerling met deze leerinhoud moet kunnen omgaan. |
| Interrelatie | Zoals gesteld zijn de terreinen een zeer abstracte omschrijving en afbakening van het ‘waarover’ voor het vak. Als men echter in het vak godsdienst levensproblemen bespreekt moet dat zeer sterk vanuit godsdienstig/ levensbeschouwelijk standpunt gebeuren. Het vak r.-k. godsdienst zou anders zijn eigen invalshoek loslaten. Dit is dus een heel cruciaal punt. Als men arbeid behandelt, relatievorming, huwelijk, sociale problemen of wat dan ook, zal men maar de eigenstandigheid van het vak hoog houden, indien men telkens de interrelatie tussen een gelovig standpunt - hier in casu een christelijk standpunt -, en de menselijke werkelijkheid bestudeert. Vermeden en voorkomen moet worden dat het vak versmald wordt tot een louter menswetenschappelijk perspectief. Hetzelfde geldt voor een versmalling tot ethiek. De ethische dimensie is immers slechts één, weliswaar een belangrijke dimensie van elk levensbeschouwelijk, c.q. godsdienstig zinperspectief. Telkens zijn ook de openbarings- en ervaringsdimensie, de spiritualiteit en al dan niet expliciet gemaakte mens- en wereldvisies in het geding. Telkens gaat het om complexe gehelen van inzicht, inzet en inkeer. Vanuit de erkenning van de veelheid aan levensbeschouwingen en godsdiensten wil het vak dit complexe samenspel ter sprake brengen, en hierbinnen ruimte maken voor een expliciete verkenning en duiding van de christelijke godsdienst als vruchtbare bron voor leven. Slechts als het vak, mogelijk via zeer diverse wegen, hierin slaagt, realiseert het de eigen invalshoek. |
Waarborg |
De concretiseringen binnen de terreinen van de basisdoelen in de terreindoelen/ontwikkelingsdoelen zijn de waarborg dat ook een gelovige kijk wordt binnengebracht in de terreinen. Veel gewicht ligt dus bij die doelen. Ze vormen een sterk intern criterium voor de ingrediëntenkeuze en garanderen een vakeigen benadering, waarbinnen het christelijk-gelovig fenomeen ook vandaag nog een forum krijgt in de actuele levensbeschouwelijke context. |
| De vakwerkgroep | Het zich inwerken in en het werken met deze nieuwe leerplannen gebeurt wellicht het best via de vakwerkgroep. Indien er geen vakcollega’s zijn in de school zelf, wordt er best gezocht naar andere, schooloverstijgende samenwerkingsverbanden. Doorheen deze samenwerking kan de nieuwe visie en aanpak vruchtbaar worden in elke pedagogische eenheid. De communicatie kan inspirerend zijn voor de eigen beroepsspiritualiteit en zeker ook voor de concretisering van de raamplannen in school- en pedagogische eenheid-eigen lesuitwerkingen. Het vraagt immers heel veel overleg om tot een verantwoord omgaan te komen met de ruimte die wordt aangeboden. De kwaliteit van de communicatie die gebeurt op lerarenniveau zal zeker gevolgen hebben voor de communicatie (ontmoeting, interactie, conversatie) op niveau van de pedagogische eenheid. |
| Verticale samenhang | Doorheen de samenwerking kunnen vooral ook afspraken gemaakt worden rond de verticale samenhang, afwisseling en volledigheid bij de benadering van de bijbel en kerngegevens uit de christelijke traditie. In de marge van deze samenwerking kan ook gesproken worden over het belang en de kwaliteit van leermiddelen. |
| Horizontale samenhang | Ook vakoverschrijdend overleg is belangrijk. Juist doorheen dit gesprek, wordt duidelijk wat de eigen inbreng van elk vak kan/moet worden. Tevens wordt in dit gesprek duidelijk hoe de eigenheid van de verschillende opleidingsvormen/kwalificaties ook in het eigen vak gestalte kan/moet krijgen. |
Referentiepunt OV 4 |
Voor een aangepast godsdienstonderricht voor de leerlingen van OV4, is het op 09-09-99 door de Vlaamse bisschoppen goedgekeurde leerplan godsdienst van het gewoon secundair onderwijs: Leerplan rooms-katholieke godsdienst voor het secundair onderwijs in Vlaanderen, Licap Brussel, Erkende Instantie r.-k. godsdienst Wollemarkt 15, 2800 Mechelen, het referentiepunt. Gesprek met de vakbegeleiding en/of in een werkgroep is ook hier aangewezen. |