print deze pagina af voeg deze pagina toe aan je favorieten e-mail deze pagina Klik hier om in te loggen Guided Tour

Opleidingsvorm 1

1. Beginsituatie

OV 1 omvat een geheel van leerlingen die omwille  van mentale, fysische, visuele, auditieve of karakteriele handicap een opleiding volgen naar zelfredzaamheid.

De mogelijkheden van deze jongeren zijn sterk verschillend. Een profiel schetsen waaraan alle leerlingen beantwoorden is dus niet mogelijk. De leerkracht zal zelf zicht  moeten proberen te krijgen op wie deze leerling is.

Toch proberen we een aantal veel voorkomende kenmerken aan te stippen van de beginsituatie voor leerling en leraar. We voorzien elk kenmerk van slechts één voorbeeld. Het weze de lezer echter duidelijk dat het aangestipte kenmerk ook voor de leerlingen met een andere handicap kan gelden:

  • Een spanning in het eigen ik: voor een ernstig mentaal gehandicapte is er mogelijks groot verschil tussen onder meer de kalenderleeftijd, de lichamelijke ontwikkeling en de verstandelijke leeftijd. De leerling OV1 staat permanent voor de uitdaging in het uiteindelijk gedrag, in handelen en spreken, in houding en beweging, de spanning tussen uiterlijke en innerlijke ontwikkelde persoonskenmerken te versmelten. Wat bij deze leerlingen soms grote bewondering wekt is hun authenticiteit: ‘zij zijn’, ‘ze zijn hun ik’;
  • Een wijze van in de wereld staan: voor een ernstig fysisch gehandicapte is de lichamelijke ontwikkeling meebepalend voor de plaats die gekregen en/of veroverd wordt in de wereld. Nogal wat leerlingen krijgen moeilijk vat op hun leefwereld. De wereld blijft voor hen ook vaak een wirwar;
  • Het aanvaard worden in zijn handelen: voor een ernstig karakteriele handicap is de gerichtheid op de omgeving van die aard dat door zijn gedragingen de omgeving zich eerder afsluit, wat dikwijls bij de betrokkene een versterking van dat gedrag meebrengt. Juist in deze moeilijke gedragingen kan de persoon die met hen vertrouwd is een rijk scala aan eigen gevoelscapaciteiten ontdekken;
  • De nood aan een eigen taal: bij een ernstig sensorische handicap is het zich uiten in een eigen taal(soort) zo doorslaggevend dat er met ‘buitenstaanders’ hier geen communicatie mogelijk lijkt. Op deze wijze blijven deze leerlingen zelf dikwijls ‘buitenstaander’ in een hen vreemde omgeving;
  • De overgave aan het leven: ernstig zieke kinderen kunnen zich net als andere jongeren van hun leeftijd gewonnen geven aan allerlei trends, rages, maar ook aan figuren, aan rituelen en symbolen. In hun levensvragen en in hun verwachtingen mag de leraar, de opvoeder soms een diep geloof beluisteren waarbij hij zelf ook stil kan worden;
  • Afwezigheid van groeikans op het eerste gezicht: bij ernstig meervoudige handicap is er soms geen geloof in het eigen kunnen en de groeikans voor de jongere. Zolang men als buitenstaander kijkt naar de beginsituatie met in het achterhoofd de bedenking: ‘wat voor nut heeft het met die gasten iets te doen’ blijft een gemotiveerde aanpak uit. Daarmee is gezegd dat de beginsituatie voor de leraar, de opvoeder soms dermate confronterend is dat zijn/haar geloof in groeikansen voor de leerling mits begeleiding wellicht niet aanwezig zijn. Sommige leerlingen beleven hun soms totale afhankelijkheid als hun levenskans en hun levensvraag bij uitstek, ze rekenen op een opvoeder, leraar die dit ziet.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

2. Eigen pedagogisch-didactische uitdagingen

De omschrijving van de beginsituatie brengt mee dat de leraar vanuit een zicht op de beginsituatie van elke leerling in samenhang met de beginsituatie van de leergroep, zal zoeken naar groeikansen én voor elke leerling afzonderlijk én voor de leergroep. Concreet kan dit inhouden dat naast een aanpak die bedoelt de groep te stimuleren in een leerproces er ook een meer gerichte individuele aanpak is die heel andere impulsen veronderstelt. Dit plaatst de leraar voor de grote uitdaging om tezelfdertijd en in de zelfde ruimte impulsen te voorzien die heel hoog mikken én impulsen binnen de mogelijkheden van de zwakste leerlingen. Het kan bv. dat de leraar in een meer persoonsgerichte aanpak wordt uitgedaagd te putten uit de raamplannen voor OV 2, OV 3 en/of het gewoon secundair onderwijs en/of zich dient te richten naar zeer basale vaardigheden. De leraar OV 1 wordt dus uitgenodigd om  - met oog voor de elementen uit de andere leerplannen – een leertraject uit te schrijven voor elke leerling afzonderlijk. Tezelfdertijd zal de leraar inspanningen doen om de groep als leergroep te stimuleren via een aangepast vorderingsplan.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

3. Raamplan doelgroep OV 1

Een gelovige gemeenschap heeft een sterk geloof in de waarde van elk mensenleven en dus ook een eigen visie op integratie:

  • openheid voor echo’s van Gods liefde: de leerling vertedert het hart van de leraar en roept deze op hoeder te zijn van zijn broeder;
  • groeikansen voor elke jongere;
  • bij elkaar kunnen komen: leerlingen en begeleiders die gericht staan op communio.

Het is belangrijk dat elke leerling deze integratie  kan voelen vanuit een sfeer van gedragenheid. Het is vanuit dit perspectief immers uiterst belangrijk dat de leerlingen voelen dat niet alleen de school, maar ook de pedagogische eenheid en de individuele begeleiders willen bewogen zijn door de Geest en de gezindheid van Jezus die we in het evangelie vinden. Het is goed dat de leraar zich geregeld bevraagt op wat hij van de leerling krijgt. Integratie is immers vooral een kwestie van wederzijdsheid. De volgende componenten zijn voor de doelgroep OV 1 i.v.m. godsdienstonderricht van kapitaal belang:

Vertrouwen

Dat zij verder mogen groeien van wantrouwen naar vertrouwen waardoor er een basis, een  voedingsbodem voor een persoonlijk leven en geloven ontstaat.

Mogelijkheden

Vanuit het omgaan met zijn beperkingen in relatie met medemensen groeien naar het ontdekken van de eigen mogelijkheden in samenhang met de beperkingen.

Verbondenheid

Zichzelf op zijn levensweg mogen ontdekken  en sterker beleven in relatie tot anderen, de omgeving, de natuur, het zelf en de Onnoembare.

Goed en kwaad

Vanuit de ontmoeting en de uitwisseling ontdekken dat zaken als goed of als kwaad worden beleefd door anderen en mezelf en aldus groeien in onderscheidingsvermogen.

Rituelen en symbolen

In het omgaan met chaos, het onbekende, het nieuwe, het onverwachte rituelen en symbolen ontdekken en verkennen als uitdrukkingen van leven en geloven. Omgekeerd zijn sacramenten, rituelen en symbolen toegangspoorten, wegwijzers en/of hulpmiddelen om God als drager van alle leven op het spoor te komen.

Verhalen

Doorheen het beleven, beluisteren en soms zelf vertellen van verhalen, ontdekken dat mensen op verhaal komen en/of verbonden zijn in elkaars verhalen en/of grote tradities.

Een OV 1 gerichte didactische-pedagogische aanpak zal met het oog op deze componenten aandacht hebben voor:

  • Een van harte aanvaarden van de steeds veranderende beginsituatie als een wisselspel tussen de graad van bekendheid, nabijheid, eigenheid. Deze hebben invloed op het kansen bieden tot initiatief nemen en/of de zelfstandigheid;
  • Een gerichtheid op het intersubjectieve: de beweging van samenhoren naar samenzijn;
  • Sfeer beleven en ontvangen in verbondenheid met God-Jezus, zichzelf, anderen, gemeenschappen en natuur/cultuur;
  • Kennen als een leren aan de werkelijkheid: een ‘connaître’, (= cum naître), geboren worden aan;
  • Kansen creëren die leiden tot verwondering en/of verontwaardiging;
  • Aanraken, verzorgen, spelen, eten, drinken, stiepelen (= stimulerend spelen), snoezelen (gewaarwording beleven), vieren en het verkennen;
  • Steeds opnieuw vertrekken en/of herstellen van het vertrouwen.

Bij de leerkracht wordt doorheen dit alles een geloof voorondersteld dat in de leerling God-Jezus wil  zien. De leerkracht beschouwt de leerling als van God gekregen. Zij ‘kent’ in die zin de leerling en is in staat tot een vriendelijke omgang. Dit laatste houdt onder meer in geen angst voor het ongekende, open voor het onverwachte, een afdalen en een opklimmen, een nabijheid en een afstand, een vasthouden en een loslaten, het niet binden van de andere en toch verbonden zijn. Juist in deze verbondenheid en in dit belangeloos engagement kan de leerling een God vermoeden die als de barmhartige vader op de uitkijk staat en niets zeggend toch heel veel zegt.

Onderstaand raamplan wil daarom voor de  leraar een minimumwegwijzer zijn om bij een leergroep OV 1  en met elke leerling afzonderlijk op weg te gaan op het niveau van de basale vaardigheden. Doelen worden niet geformuleerd. Doelen beogen immers te verwachten prestaties bij de leerlingen te omschrijven. In OV 1 is vooral de activiteit die de leraar ontplooit doorslaggevend als groeikans voor de leerling. Waar mogelijk zal de leraar ook elementen putten uit de andere leerplannen. Duidelijk is dat én omwille van het concept raamplan én omwille van de eigen beginsituatie een gerichtheid op het wezenlijke van geloof, leven en samenleven de basis uitmaakt van een dergelijke wegwijzer.

Als aanzet tot concretisering ter plekke biedt het raamplan een reeks sleutelwoorden en begrippen die teruggaan op kernelementen van geloof en leven. Het zijn evenzoveel kansen om een communicatie op te zetten met de leerling, d.w.z. om iets te kunnen overbrengen naar of begrijpen van de leerling, of hoe we samen kunnen luisteren naar het leven en het Woord. Doorheen deze communicatie laat de leerkracht ervaren/kennen/horen wat deze woorden voor mensen/hem betekenen en hoe ze bron zijn van leven.

liefde

verdriet

geluk

zien

horen

voelen

natuur

adem

verzoenen

verrijzenis

dankbaarheid

eigennaam

water

hemel

lichaam

vuur

licht

wind

vriendschap

medemens

geboren

hoop

vertrouwen

zorg voor

vergeven

delen

inzet

symbolen

zalven

huis

aandacht

vreemdeling

geloven

aarde

vieren

rouwen

houden van

geweld

vrede

bidden

sterven

kerstmis

Pasen

ziekte

kerk

groeien

leven

genezen

bewegen

bestaan

iemand zijn

zingen

voedsel

rust

dood

werk

wandelen

rituelen

sacramenten

Jezus

Naar de leerlingen toe brengt de leerkracht deze woorden via een variatie van werkvormen en verschillende perspectieven die als volgt te ordenen zijn: het ik-ervaren (biografisch perspectief), het wij-ervaren (het omgevingsperspectief) en het zij-ervaren (levensbeschouwelijk/godsdienstig perspectief).  Doorheen het aftasten van de sleutelwoorden vanuit deze perspectieven wordt een groeiproces betracht bij leerling en leergroep. Elke lestijd kan één woord of meerdere woorden samen genomen worden. Over de jaren heen kunnen dezelfde woorden op een andere wijze benaderd worden.

Via nascholing en begeleiding wordt een verdere ondersteuning en concretisering voorzien. Ook een teamgericht en/of interscolair werken kan hierbij inspirerend en nodig zijn.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina


Kritiek op folteren