OV 1 omvat een geheel van leerlingen die omwille van mentale, fysische, visuele, auditieve of karakteriele handicap een opleiding volgen naar zelfredzaamheid.
De mogelijkheden van deze jongeren zijn sterk verschillend. Een profiel schetsen waaraan alle leerlingen beantwoorden is dus niet mogelijk. De leerkracht zal zelf zicht moeten proberen te krijgen op wie deze leerling is.
Toch proberen we een aantal veel voorkomende kenmerken aan te stippen van de beginsituatie voor leerling en leraar. We voorzien elk kenmerk van slechts één voorbeeld. Het weze de lezer echter duidelijk dat het aangestipte kenmerk ook voor de leerlingen met een andere handicap kan gelden:
De omschrijving van de beginsituatie brengt mee dat de leraar vanuit een zicht op de beginsituatie van elke leerling in samenhang met de beginsituatie van de leergroep, zal zoeken naar groeikansen én voor elke leerling afzonderlijk én voor de leergroep. Concreet kan dit inhouden dat naast een aanpak die bedoelt de groep te stimuleren in een leerproces er ook een meer gerichte individuele aanpak is die heel andere impulsen veronderstelt. Dit plaatst de leraar voor de grote uitdaging om tezelfdertijd en in de zelfde ruimte impulsen te voorzien die heel hoog mikken én impulsen binnen de mogelijkheden van de zwakste leerlingen. Het kan bv. dat de leraar in een meer persoonsgerichte aanpak wordt uitgedaagd te putten uit de raamplannen voor OV 2, OV 3 en/of het gewoon secundair onderwijs en/of zich dient te richten naar zeer basale vaardigheden. De leraar OV 1 wordt dus uitgenodigd om - met oog voor de elementen uit de andere leerplannen – een leertraject uit te schrijven voor elke leerling afzonderlijk. Tezelfdertijd zal de leraar inspanningen doen om de groep als leergroep te stimuleren via een aangepast vorderingsplan.
Een gelovige gemeenschap heeft een sterk geloof in de waarde van elk mensenleven en dus ook een eigen visie op integratie:
Het is belangrijk dat elke leerling deze integratie kan voelen vanuit een sfeer van gedragenheid. Het is vanuit dit perspectief immers uiterst belangrijk dat de leerlingen voelen dat niet alleen de school, maar ook de pedagogische eenheid en de individuele begeleiders willen bewogen zijn door de Geest en de gezindheid van Jezus die we in het evangelie vinden. Het is goed dat de leraar zich geregeld bevraagt op wat hij van de leerling krijgt. Integratie is immers vooral een kwestie van wederzijdsheid. De volgende componenten zijn voor de doelgroep OV 1 i.v.m. godsdienstonderricht van kapitaal belang:
Vertrouwen
Dat zij verder mogen groeien van wantrouwen naar vertrouwen waardoor er een basis, een voedingsbodem voor een persoonlijk leven en geloven ontstaat.
Mogelijkheden
Vanuit het omgaan met zijn beperkingen in relatie met medemensen groeien naar het ontdekken van de eigen mogelijkheden in samenhang met de beperkingen.
Verbondenheid
Zichzelf op zijn levensweg mogen ontdekken en sterker beleven in relatie tot anderen, de omgeving, de natuur, het zelf en de Onnoembare.
Goed en kwaad
Vanuit de ontmoeting en de uitwisseling ontdekken dat zaken als goed of als kwaad worden beleefd door anderen en mezelf en aldus groeien in onderscheidingsvermogen.
Rituelen en symbolen
In het omgaan met chaos, het onbekende, het nieuwe, het onverwachte rituelen en symbolen ontdekken en verkennen als uitdrukkingen van leven en geloven. Omgekeerd zijn sacramenten, rituelen en symbolen toegangspoorten, wegwijzers en/of hulpmiddelen om God als drager van alle leven op het spoor te komen.
Verhalen
Doorheen het beleven, beluisteren en soms zelf vertellen van verhalen, ontdekken dat mensen op verhaal komen en/of verbonden zijn in elkaars verhalen en/of grote tradities.
Een OV 1 gerichte didactische-pedagogische aanpak zal met het oog op deze componenten aandacht hebben voor:
Bij de leerkracht wordt doorheen dit alles een geloof voorondersteld dat in de leerling God-Jezus wil zien. De leerkracht beschouwt de leerling als van God gekregen. Zij ‘kent’ in die zin de leerling en is in staat tot een vriendelijke omgang. Dit laatste houdt onder meer in geen angst voor het ongekende, open voor het onverwachte, een afdalen en een opklimmen, een nabijheid en een afstand, een vasthouden en een loslaten, het niet binden van de andere en toch verbonden zijn. Juist in deze verbondenheid en in dit belangeloos engagement kan de leerling een God vermoeden die als de barmhartige vader op de uitkijk staat en niets zeggend toch heel veel zegt.
Onderstaand raamplan wil daarom voor de leraar een minimumwegwijzer zijn om bij een leergroep OV 1 en met elke leerling afzonderlijk op weg te gaan op het niveau van de basale vaardigheden. Doelen worden niet geformuleerd. Doelen beogen immers te verwachten prestaties bij de leerlingen te omschrijven. In OV 1 is vooral de activiteit die de leraar ontplooit doorslaggevend als groeikans voor de leerling. Waar mogelijk zal de leraar ook elementen putten uit de andere leerplannen. Duidelijk is dat én omwille van het concept raamplan én omwille van de eigen beginsituatie een gerichtheid op het wezenlijke van geloof, leven en samenleven de basis uitmaakt van een dergelijke wegwijzer.
Als aanzet tot concretisering ter plekke biedt het raamplan een reeks sleutelwoorden en begrippen die teruggaan op kernelementen van geloof en leven. Het zijn evenzoveel kansen om een communicatie op te zetten met de leerling, d.w.z. om iets te kunnen overbrengen naar of begrijpen van de leerling, of hoe we samen kunnen luisteren naar het leven en het Woord. Doorheen deze communicatie laat de leerkracht ervaren/kennen/horen wat deze woorden voor mensen/hem betekenen en hoe ze bron zijn van leven.
liefde verdriet geluk zien horen voelen natuur adem verzoenen verrijzenis dankbaarheid eigennaam water hemel lichaam |
vuur licht wind vriendschap medemens geboren hoop vertrouwen zorg voor vergeven delen inzet symbolen zalven huis |
aandacht vreemdeling geloven aarde vieren rouwen houden van geweld vrede bidden sterven kerstmis Pasen ziekte kerk |
groeien leven genezen bewegen bestaan iemand zijn zingen voedsel rust dood werk wandelen rituelen sacramenten Jezus |
Naar de leerlingen toe brengt de leerkracht deze woorden via een variatie van werkvormen en verschillende perspectieven die als volgt te ordenen zijn: het ik-ervaren (biografisch perspectief), het wij-ervaren (het omgevingsperspectief) en het zij-ervaren (levensbeschouwelijk/godsdienstig perspectief). Doorheen het aftasten van de sleutelwoorden vanuit deze perspectieven wordt een groeiproces betracht bij leerling en leergroep. Elke lestijd kan één woord of meerdere woorden samen genomen worden. Over de jaren heen kunnen dezelfde woorden op een andere wijze benaderd worden.
Via nascholing en begeleiding wordt een verdere ondersteuning en concretisering voorzien. Ook een teamgericht en/of interscolair werken kan hierbij inspirerend en nodig zijn.