print deze pagina af voeg deze pagina toe aan je favorieten e-mail deze pagina Klik hier om in te loggen Guided Tour

Lerarenopleidingen

 

Identiteit - Kleuter onderwijs - Spiritueel Genogram

PERSOONLIJKE, PROFESSIONELE EN LEVENSBESCHOUWELIJKE ONTWIKKELING VAN DE LEERKRACHT BINNEN DE KATHOLIEKE SCHOOL

Ik in dialoog met de generaties

 

Werken met het genogram in de lerarenopleiding
Geloven doe je nooit alleen

Het spiritueel (socio-)genogram

Hier kan je het bovenstaande artikel downloaden, in een handig Word-bestand

1. Van dialoog naar intergenerationele dialoog

“Counsellors, teachers and supervisors need to be comfortable with religious and spiritual matters and gain clarity about their personal spiritual beliefs to effectively include a spiritual focus in their work.”
Haug, I. E. (1998)

Als leerkracht weet je dat interactie of communicatie centraal staat in je beroep. Dat kwam reeds aan bod in de inleiding en ook in de tweede verantwoordelijkheid. In deze derde verantwoordelijkheid ‘Ik in dialoog met de generaties’ willen we je visie op ‘interactie’ verbreden en verdiepen aan de hand van de Hongaars Amerikaanse familietherapeut en psychiater Ivan Boszormenyi-Nagy. Hij deed onderzoek naar en begeleiding van complexe verhoudingen in de familiale context.

We beschouwen onszelf wel als individuen, maar dat kan nooit het volledige verhaal zijn volgens Nagy. Nagy heeft zich laten inspireren door de joodse filosoof Martin Buber: ‘In order to understand I, therefore, I must be in context with thou’. Of anders gezegd: een mens is voor zijn bestaan aangewezen op anderen. Wie wij zijn en worden is beďnvloed door onze geschiedenis en door de relaties met – voor ons – belangrijke anderen. Dat lijkt een evidentie, maar mensen gedragen er zich lang niet altijd naar.

Voor Nagy bestaat een ‘ik’ door de ontmoetingen en relaties, en vooral via het ‘erkennen’ en erkend worden. Als een mens geen winst kan verwachten uit het voortdurend investeren in zijn relatie, dan wordt het loslaten of breken met die relatie een redelijk alternatief. De zorg voor een evenwichtige balans van geven en ontvangen tussen mensen is de sleutel tot het levensvatbaar maken van hechte relaties. Nagy tracht familiale relaties dan ook te begrijpen vanuit het concept van ‘loyaliteit’.

Essentieel voor de verticale (familiale) loyaliteit tussen kinderen en ouders is dat deze niet zelf gekozen of gemaakt is en dat deze balans niet gelijk is. De familie is een meerpersoonsweefsel of netwerk van gebondenheden dat aan elke eigen keuze of vrijwilligheid voorafgaat. Ieder lid maakt er deel van uit, draagt bij en ontvangt. Ouders zijn verplicht om liefde, veiligheid en verzorging te bieden aan hun kind, terwijl van het kind niet verwacht kan worden dit op dezelfde manier terug te geven. Maar ook kinderen zijn loyaal aan hun ouders, hun familie. Mensen blijven loyaal aan hun oorspronkelijke familie, lang nadat zij ogenschijnlijk door keuze of noodzaak de banden hebben verbroken. Daarom is het zo belangrijk dat wanneer mensen van elkaar scheiden, de kinderen openlijk loyaal kunnen zijn aan beide ouders. Maar wanneer ‘de balans van geven en nemen’ niet ‘rechtvaardig’ is – dit is niet hetzelfde als gelijk, zoals we eerder vermeld hebben – en wanneer iemand te beschikbaar is aan de verticale lijn van loyaliteit, vormt dit een belemmering in de horizontale lijn. In een horizontale relatie, dat kan bijvoorbeeld zijn tussen een partner of een vriend, broers en zussen houden we een balans bij – over een langere periode – van ‘geven’ en ‘ontvangen’.

Een bijzonder instrument om te leren kijken op een zo volledig mogelijke wijze naar de feitelijke relaties over de generaties heen vormt het genogram1 . In een eerste fase willen we duidelijk maken wat een genogram is, om dan in een volgende fase je eigen genogram te laten opstellen, uitwerken en analyseren.

 

1.1 Enkele begrippen

Wat is een genogram

Een ‘genogram’ is een grafische weergave van de samenstelling van een familie, over minstens drie generaties. Daarbij worden specifieke symbolen gebruikt en kunnen belangrijke feiten worden weergegeven2. Belangrijke vrienden, leermeesters of andere personen die een bijzondere invloed hebben (gehad) op het eigen leven kunnen er ook bij worden vermeld. We spreken dan van een ‘socio-genogram’ of een ‘ecogram’.

Wat is een spiritueel genogram

Een ‘spiritueel genogram’ is een genogram waarop men de levensbeschouwelijke identiteit en -visie binnen de familie weergeeft en de manier waarop familieleden (of externen) op levensbeschouwelijk gebied een invloed hebben (gehad) op de concrete persoon. De levensbeschouwelijke beleving wordt vaak van generatie op generatie doorgegeven, maar hier kunnen zich ook serieuze veranderingen of conflictsituaties voordoen3. Het spiritueel genogram biedt de mogelijkheid om de persoonlijke levensbeschouwelijke overtuiging te plaatsen in een bredere context. Dit kan een mogelijkheid zijn om tot diepere inzichten te komen over zichzelf en met anderen het gesprek aan te gaan. Dit contextualiseren van de persoonlijke levensbeschouwelijke overtuiging is zeker geen reducering van de persoonlijke identiteit en verantwoordelijkheid.

Doel van een spiritueel genogram

Het doel om een spiritueel genogram op te stellen is drievoudig:
  • door het ontwerpen van een structuur kan je je persoonlijke spirituele geschiedenis (of die van anderen) verdiepen en verbreden,
  • je huidige beleving van je levensbeschouwelijke identiteit (of die van anderen) kan verder worden geëxploreerd,
  • de wisselwerking en het verband tussen je persoonlijke spiritualiteit en de verbondenheid met anderen (familie, belangrijke personen in je leven…) kan worden aangetoond.

 

1.2 Het spiritueel (socio-)genogram praktisch bekeken

Er is geen ‘juiste manier’ om een genogram samen te stellen. Ieders genogram is uniek. Het is heel belangrijk om de betekenis van de gebruikte symbolen duidelijk te verklaren in een legenda. Het genogram wordt ontwikkeld vanuit een wit referentiekader.


1.2.1 Eerste stap: het verzamelen van informatie

De eerste stap voor het opstellen van een (spiritueel) genogram is het verzamelen van familiale informatie. Je kan het vergelijken met het samenstellen van een stamboom. Als je de informatie bij elkaar hebt gebracht, kan je een basis genogram ontwerpen. Vanuit dit basis genogram ga je in een verder stadium aanvullingen doen om te komen tot een spiritueel (socio-)genogram. De meeste symbolen die we gebruiken bij het ontwikkelen van genogrammen zijn algemeen aanvaard4:

  1. Symbolen en codes voor het ‘ik’: ‘bron van de verzamelde gegevens

    Het spiritueel genogram wordt gereconstrueerd vanuit de persoonlijke beleving van de werkelijkheid, in dit geval de werkelijkheid van familierelaties en hun religieuze context. In het genogram wordt dit aangegeven door een dubbel vierkantje of dubbel cirkeltje, als symbool voor de man of vrouw die de reconstructie uitvoert. Ofwel een vierkantje of cirkeltje met ‘ik’ erin geschreven.

  2. Symbolen en codes voor het aangeven van persoonsgegevens

    Bij een geestelijke plaatst men in het vierkant of de cirkel een kruisje.

    Een scheiding kan men verduidelijken door een van de volgende toevoegingen:
    B of een / door de lijn die de personen en hun persoonsgegevens met elkaar verbinden = breuk, feitelijke scheiding,

    S of // door de lijn die de personen en hun persoonsgegevens met elkaar verbinden = wettelijke scheiding5, ook de jaartallen kunnen genoteerd worden.

  3. Symbolen en codes voor het aangeven van afstamming

    Men gaat er vanuit dat de mens heteroseksueel is, een vaste levenspartner heeft en dat kinderen bij een ouderpaar horen. De chronologie van de leeftijden loopt van links naar rechts.

    Bij een gehandicapt kind plaatst men een lijn onder het vierkant of de cirkel.

  4. Symbolen en codes voor het aangeven van samenlevingsvormen en -systemen

    De samenwonende leden van het systeem worden omlijnd. Uit de symbolen en codes die je gebruikt hebt voor het aangeven van persoonsgegevens blijkt nu hoe dit samenlevingssysteem (niet langer meer) is samengesteld.

  5. Symbolen en codes voor het aangeven van de kwaliteit van relaties

    Maatschappelijke veranderingen, de kwaliteiten of intensiteit van de relaties zijn gemakkelijk aan te brengen door gebruik te maken van andere symbolen of aanduidingen (stippellijn, gekartelde lijn… maar het kan ook met sterretjes, kleuren…).

     

  6. Symbolen en codes voor het aangeven van de spirituele betrokkenheid

    • De verscheidenheid in levensbeschouwelijke stromingen kan weergegeven worden door onderscheiden kleuren te gebruiken.
    • Op deze manier kunnen er ook met kleuren binnen één bepaalde godsdienst, religie of levensbeschouwing verschillen worden zichtbaar gemaakt. Zo kan je – zoals in het voorbeeld6 – katholiek zijn en kerks (rood), katholiek en niet-kerks (groen), zoekend (paars) of ongelovig (oranje). Ook andere indelingen zijn mogelijk. Bijvoorbeeld:
      Niet-gelovig - paars
      Twijfelend - groen
      Twijfelend en kerkelijk betrokken - oranje
      Gelovig - rood
      Gelovig en kerkelijk betrokken - geel
      Gelovig en kerkelijk geëngageerd – blauw
    • Veranderingen in de levensbeschouwelijke overtuiging… kan men met verschillende kleuren, aangepaste codering en waar mogelijk met bijhorende data rondom de cirkel of het vierkant aanbrengen.
    • De religieuze vorming die iemand heeft genoten, eventuele conflicten met een religieuze groepering, kerkelijke engagementen, enz. kunnen worden vermeld in het spiritueel genogram. Daar waar een conflictueuze ‘relatie’ wordt weergegeven door een kartellijn kan men een conflict omtrent de ‘levensbeschouwelijke visie’ weergeven met een gekleurde kartellijn.
    • Om een nuance aan te geven in de mate van betrokkenheid of overtuiging kan je van heel licht tot heel vet kleuren.
    • In het spiritueel genogram kunnen ook belangrijke instituties (jongerenkerk, Thoraschool, …) of personen (vertrouwensrelatie met een pastor, lama…) worden opgenomen en aangegeven. Als het spiritueel genogram uitgebreid wordt met aanduidingen van belangrijke personen en/of instituties spreekt men van een ‘spiritueel socio-genogram’.
    • Als er een bijzondere band bestaat tussen bepaalde familieleden en/of anderen op het gebied van geloofsbeleving (bijvoorbeeld: de manier van geloven werd sterk beďnvloed door de moeder), kan een dubbele pijl getrokken worden (bijvoorbeeld: men neemt gezamenlijk deel aan de eucharistieviering). Een enkele pijl kan gebruikt worden als de invloed van bovenaf ervaren wordt (bijvoorbeeld: de ouders verplichten hun kinderen om naar de kerk te gaan). Ook hier is het van belang om de betekenis van de gebruikte symbolen (kleuren) duidelijk te verklaren in een legenda.
    • Belangrijke scharniermomenten in de levensloop (doopsel, vormsel, lentefeest, dood van een goede vriend(in), pelgrimstocht naar Benares…) kunnen met een datum aangeduid worden.
 
1.2.2 Tweede stap: het uitdiepen en aanvullen van deze informatie

In de tweede stap ga je door het uitwerken van onderstaande opdracht de verzamelde familiale en sociale informatie van je spiritueel (socio-)genogram verder uitdiepen en indien mogelijk ook aanvullen.



OPDRACHT
  • Spreek twee mensen aan die in de eerste stap reeds aan bod kwamen en met wie je rond je spiritueel (socio-)genogram in gesprek wil gaan. Dat kunnen je ouders of familieleden zijn, maar dat is niet noodzakelijk.
  • Onderstaande vragen en thema’s kunnen hierbij aan bod komen. Maak vooraf een duidelijke selectie van tenminste vijf vragen en vertrek van je spiritueel (socio-)genogram zoals je het uitgewerkt hebt in stap één.
  • Je maakt een duidelijk verslag op van je gesprek en voegt indien mogelijk ook kernachtig zaken toe aan je spiritueel (socio-)genogram.

VOORBEELDVRAGEN
  • Welke religieuze praktijk en/of geloofsbeleving was aanwezig?
  • Wat was ‘fundamenteel’ om door te geven op het vlak van zingeving?
  • Wat was het belang van religie in onze familie?
  • Heeft dit ons gezin beďnvloed en in welke mate?
  • Hoe heeft de religieuze of spirituele beleving je beďnvloed?
  • Hoe vieren familie en/of vrienden:
    • rituelen van verbondenheid: familie etentjes, carričre en pensioen, komen en gaan, uitgaan en weggaan, rituelen als koppel…
    • persoonsgebonden rituelen: verjaardagen, Moederdag, Vaderdag…
    • religieuze feesten: Kerstmis, Pasen
    • scharniermomenten in het jaar (Nieuwjaar), in het leven: huwelijk, uitvaart…
  • Wie in je familie en/of kennissenkring was voor jou ‘bijzonder’ op spiritueel, religieus, godsdienstig… kortom: levensbeschouwelijk vlak en hoe werd dit zichtbaar in hun levensverhaal?
  • Op welke manier was spiritualiteit een krachtbron en/of een oorzaak van conflict binnen het gezin of bij specifieke familieleden? Verklaar.
  • Welke positieve of negatieve boodschappen ontving je publiekelijk of impliciet over andere vormen en levenswijzen van spiritueel of religieus geloven? Was diversiteit in de geloofsbeleving mogelijk? Waarom?
  • Wat zijn de drie fundamentele karakteristieken van de religieuze/spirituele oriëntatie in je huisgezin?

 

1.2.3 Derde stap: het interpreteren van je ontvangen spiritualiteit

Terwijl de tweede stap meer focuste op het gesprek met betekenisvolle anderen willen we je in de derde stap je beeld over je persoonlijke spiritualiteit laten scherpstellen.


OPDRACHT
  • Werk vijf vragen naar keuze verder uit en maak indien nodig (verkort) aantekeningen op je spiritueel (socio-)genogram.
  • Belijd je een bepaalde godsdienst, religie, spiritualiteit of levensbeschouwing? Zo ja, hoe actief ben je geëngageerd en hoe vertaalt zich dit in de dagelijkse praktijk en je levenskeuzes?
  • Wat betekent ‘spiritualiteit’ voor jou persoonlijk? Plaats enkele kernbegrippen naast je naam op je spiritueel (socio-)genogram.
  • Hoe heeft de spirituele erfenis die je van huis uit meekreeg je persoonlijke levensbeschouwing (mensvisie, goed en kwaad, vergiffenis, levenszin, enz.) beďnvloed?
  • Hoe en door welke ervaringen zijn je opvattingen door de jaren heen gewijzigd? Hoe zijn ze veranderd?
  • Wat ervaar je in je persoonlijke spiritualiteit als begrenzend of tiranniek? Wat ervaar je als levensbevorderend of bevrijdend?
  • Hoe bereidwillig ben je om ook naar je levensbeschouwelijke identiteit te handelen? Geef voorbeelden.
  • Welk woordgebruik hanteer je om je levensbeschouwelijke beleving tot uitdrukking te brengen?
  • Ben je bereid, en voel je je er gemakkelijk bij, om je spiritualiteit te delen met anderen? Wanneer is dit volgens jou gepast?
  • Welke band is er tussen je levensbeschouwelijke identiteit en je professionele identiteit? Motiveer.
  • Welke band is er tussen je levensbeschouwelijke identiteit en de school waar je stage doet of waar je zou willen werken? Motiveer.

 

1.3 Reflectievragen en evaluatieopdrachten bij het spiritueel (socio-)genogram

Nu je het spiritueel (socio-)genogram hebt leren kennen (theoretisch in punt 1.1) en ook praktisch hebt toegepast (het doorlopen van de drie stappen - punt 1.2) stellen we je enkele vragen die de reflectie over het leerproces stimuleren en krijg je enkele opdrachten die de persoonlijke evaluatie mogelijk maken. Werk 3 vragen of opdrachten naar keuze uit.

  • In welke mate is de invulling van het spiritueel (socio-)genogram voor jou herkenbaar? Waar ben je het (niet) mee eens? Welke aanvullingen wenste je (niet) te maken? Waarom?
  • Wat heb je voor jezelf als nieuw ontdekt bij het maken van het spiritueel (socio-)genogram?
  • Wat leer je van het gesprek uit de tweede stap?
  • Leg je genogram uit aan een van je medestudenten of aan de groep.
  • Probeer het genogram van een medestudent(e) uit te leggen.

 

2 De meerzijdige partijdigheid

Eigen aan Nagy is dat hij ‘interactie’ bekijkt vanuit een – levenslang – proces om de ander ‘recht’ te doen, en om zelf recht gedaan te worden. Deze interactie is er niet alleen tussen alle leden van de context – bijvoorbeeld de leerkracht in relatie met zijn leerling(en), maar ook met diegenen die afwezig zijn, of overleden zijn of nog geboren moeten worden. Hier komen we bij de kern van onze derde verantwoordelijkheid. Hoe zien we die leerling, leerlingen en onszelf? Nagy doet ons verder en dieper nadenken over hoe we de mens zien. Zien wij de leerling als een individu op zich, functionerend in een klas en schoolcontext? Of zien we élke leerling – zoals Marc Colpaert het zo prachtig en uitdagend verwoord – als iemand die “nog zeventig andere leraren in zijn rug heeft, waaraan hij vanuit een ongeschreven existentiële betrokkenheid loyaliteit ‘verplicht’ is7.” Je kunt die roep uit vorige generaties niet tegenhouden. Plots zijn ze daar: vader, moeder, grootouders, broers en zussen… Hen negeren is niet de heilzaamste houding. We verruimen dus de horizontale dialoog met de ander (zie verantwoordelijkheid 2 en 4) door ook een transgenerationele dialoog aan te gaan.

Nagy introduceert hiertoe een heel nieuw concept – volgens ons – op het niveau van de identiteit: ‘de meerzijdig gerichte partijdigheid’. De omschrijving van deze meerzijdige partijdigheid herwerken we in functie van de leraar8: het betekent dat men wisselend partijdig is met alle leden van de context, of deze nu overleden zijn of nog leven, aanwezig zijn of afwezig zijn, of zelfs nog geboren moeten worden. De wisselende partijdigheid is niet willekeurig en niet van voorgeschreven duur maar dient afgewogen te worden op grond van de omstandigheden. Het is niet aan de leerkracht om voorkeur en afkeur van leerlingen aan te geven. Deze basishouding of identiteit is geworteld in je missie als leraar en werkt door in je handelen. Laten we op het niveau van de identiteit nagaan in welke mate de meerzijdig gerichte partijdigheid een eigen kleur geeft aan ons denken over respect, verantwoordelijkheid en integriteit.

  • De basishouding van ‘respect’ staat natuurlijk buiten elke discussie: het diepe respect van de leerkracht voor elke leerling waarmee hij werkt, blijft centraal staan, ook bij Nagy. Toch is de vorm van respect niet dezelfde als diegene die we vaak voor ogen hebben. Nagy gaat – zoals we reeds aangaven – uit van de ‘ik-gij’ ontmoeting. De ene kan niet bestaan zonder de andere. Geen leerling zonder leerkracht, maar ook geen leerkracht zonder leerling. Respect is dus een mes dat aan twee kanten snijdt: de leerkracht is respect verschuldigd aan de leerling, maar zo is ook de leerling respect verschuldigd aan zijn leerkracht.

  • Ook rond de grondovertuiging ‘verantwoordelijkheid’ daagt Nagy ons uit. De houding van meerzijdige partijdigheid veronderstelt een wisselende partijdigheid met alle leden van de context, of deze nu overleden zijn of nog leven, of zelfs nog geboren moeten worden. Met andere woorden: ook al ben ik met deze individuele leerling bezig, toch stellen we alle betrokken partijen in het luisteren naar deze leerling aanwezig. Nagy stelt zelfs expliciet “achtereenvolgens de kant kiezen voor (en later tegen) ieder familielid afzonderlijk9.”

  • Echtheid’, ‘integriteit’ en ‘authenticiteit’ vragen van de leraar om zich niet achter een façade te verschuilen. “Er moet bijvoorbeeld overeenstemming zijn tussen wat de leraar doet (zegt) en denkt of voelt10.” Hoever ga je hierin als leerkracht en wat doe je bij situaties waarin dit niets gepast is volgens jou? Bij Nagy is er niet alleen aandacht voor het zich aanspreekbaar opstellen naar de leerling toe, maar ook naar alle betrokken partijen.
OPDRACHT
  • Kan je een persoonlijk voorbeeld geven – vanuit je stages – van ‘meerzijdige partijdigheid’?
  • Hoe ga jij als (beginnende) leerkracht in de context van de klas (school) om met meerzijdige partijdigheid of anders gezegd: wisselende partijdigheid?

 

Websites om genogrammen te ontwerpen:

http://www.genopro.com/free/InstallGenoProFree.exe

http://www.genopro.com/beta/archives/

Bronnen:

HEYLEN, M. & JANSSENS, K., Het contextuele denken. Een methodiekontwikkeling voor het welzijnswerk, Leuven, Acco, 2001, p. 115-158.

POLLEFEYT, D. et al, Caleidoscoop. Leerboek godsdienst 5 ASO, handleiding, Mechelen, Wolters Plantyn, 2007, p. 406-408.

http://www.kuleuven.be/thomas/actualiteit/indekijker_lo/7a/genogram.doc

BECKER, K., (University of Wyoming, College of Education - Department of Counselor Education) The Spirituality Genograms (pdf).

JESSURUN, C. M., Genogrammen en etniciteit, in HOOGSTEDER, J., Etnocentrisme en communicatie in de hulpverlening, Module IV: Interculturele Hulpverlening, Utrecht, 1994. http://www.ctt.nu/index.php?page=publicaties

Voetnoten

1 Het gebruik van genogrammen in de hulpverlening dateert van het begin van de gezinstherapie (of familietherapie). Een van de pioniers was Bowen (1966, 1978). In eerste instantie werden genogrammen vooral gebruikt voor therapeuten uit de intergenerationele school (Nagy, 1973; Paul and Paul, 1975; Liebermann, 1973). Meestal wordt het genogram al van bij het eerste contact uitgewerkt. De bruikbaarheid van genogrammen beperkt zich echter niet tot de gezinstherapie. Het meest uitgebreide werk over deze methodiek is het boek van MacGoldrick en Gerson (1985). Daarin lichten zij de methode toe aan de hand van beroemde families, zoals de Freud familie, de Bröntes, de Meads, de Kennedy’s en vele anderen.

2 Een ‘genogram’ krijgt van Marleen Heylen en Kris Janssens de volgende definitie: “Het genogram is in oorsprong en in de letterlijke betekenis van het woord een stamboom, een schematisch overzicht van verwantschappen, de feitelijke samenstelling van een gezin en de ruimere familie van herkomst over meerdere generaties”. Cf. M., Heylen & K., Janssens, Het contextuele denken. Een methodiekontwikkeling voor het welzijnswerk, Leuven, Acco, 2001, p. 116.

3 Als we spreken over ‘de levensbeschouwelijke beleving, -identiteit, -overtuiging of -visie’, dan kan dit zowel godsdienstig, religieus, spiritueel… of algemeen breed levensbeschouwelijk ingevuld worden en vice versa.

4 We maken voor deze symbolen dankbaar gebruik van de afbeeldingen uit: M., Heylen, & K., Janssens, Het contextuele denken. Een methodiekontwikkeling voor het welzijnswerk, Leuven, Acco, 2001, p. 116-122.

5 Cf. punt d ‘Symbolen en codes voor het aangeven van samenlevingsvormen en -systemen’.

6 D., Pollefeyt et al, Caleidoscoop. Leerboek godsdienst 5 ASO, Mechelen, Wolters Plantyn, 2007, p. 118.

7 M., Colpaert, Tot waar de beide zeeën samenkomen. Verbeelding, een sleutel tot intercultureel opvoeden, Tielt, Lanoo, 2007, p. 46.

8 M., Heylen & K., Janssens, Het contextuele denken, p. 92.

9 M., Heylen & K., Janssens, Het contextuele denken, p. 94.

10 B., Lagerwerf & F., Korthagen, Een leraar van klasse. Een goede docent worden en blijven, Barneveld,Nelissen, p. 218.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina