print deze pagina af voeg deze pagina toe aan je favorieten e-mail deze pagina Klik hier om in te loggen Guided Tour

Lerarenopleidingen

 

Identiteit - Kleuter onderwijs - PKG

De Post-Kritische Geloofsschaal (PKG)

Om met de Post-Kritische Geloofsschaal aan de slag te gaan bieden wij docenten van de Specifieke Lerarenopleiding alsook leerkrachten godsdienst van het 6de jaar Secundair Onderwijs dit didactisch hulpmiddel aan.

In dit pakket kan u het volgende vinden:

  1. de didactische suggestie die een mogelijke leidraad wil bieden bij het gebruik van het dossier 'De Post-Kritische Geloofsschaal (PKG)' en de PowerPoint,

  2. Het dossier 'De Post-Kritische Geloofsschaal (PKG)',

  3. een bijhorende PowerPoint waar de verschillende dia's die u kan gebruiken in verzameld zijn.

Didactische suggestie

de didactische suggestie die een mogelijke leidraad wil bieden bij het gebruik van het dossier 'De Post-Kritische Geloofsschaal (PKG)' en de PowerPoint,

De Post-Kritische Geloofsschaal (PKG)

een Worddocument met het dossier 'De Post-Kritische Geloofsschaal (PKG)',

De Post-Kritische Geloofsschaal (PKG) - Presentatie

een bijhorende PowerPoint waar de verschillende dia's die u kan gebruiken in verzameld zijn.

 

 

Dossier: De Post-Kritische Geloofsschaal (PKG)

Citaat

Prof. Dirk Hutsebaut, in: Van den Broek, G., De verloren zoon, Caleidoscoop 6, p. 59.

“Ik wilde onderzoeken wat,
voor mensen van deze tijd,
een volwassen manier van geloven kon zijn,
zodat niet alleen ik, maar ook godsdienstleraars en ouders
meer zicht zouden kunnen krijgen op de zin van religieuze overdracht.”

Achtergrond

Bij de ontwikkeling van de PKG-schaal (1996-1997) gingen prof. Dirk Hutsebaut en collega’s uit van het model van de Amerikaanse godsdienstpsycholoog David M. Wulff (1991).

Wulff is in zijn typologie beïnvloed door het denken van de Franse filosoof Paul Ricoeur (de ‘tweede naïviteit’).

Hutsebaut zal niet langer theorieën in het denkkader gaan plaatsen maar individuen. Accepteert men het transcendente? Welke houding(en) nemen individuen aan ten aanzien van religieus geloof?

De Post-Kritische Geloofsschaal is een empirisch instrument in de vorm van een vragenlijst (33 items, op een 7-punten Likert Scale) dat peilt naar het al dan niet accepteren van het transcendente (1ste dimensie & horizontale as: geloof – ongeloof) en naar de manier waarop men het geloof en de geloofsinhouden interpreteert (2de dimensie & verticale as: letterlijk – symbolisch).

Het doel van de PKG-schaal is om de verhouding van de vier cognitieve geloofsstijlen die uit de twee kruisende assen voortkomen (letterlijk geloof, externe kritiek, relativisme en tweede naïviteit) bij een individu of in een populatie in kaart te brengen.

Voor meer uitgebreide duiding bij de PKG-schaal surf je naar:
http://www.kuleuven.be/thomas/algemeen/pkg/

In het artikel ‘Hoe aan onze (klein)kinderen uitleggen dat Sinterklaas (niet) bestaat’ licht prof. Didier Pollefeyt o.a. de PKG-schaal nader toe.

Verder vind je ook twee Engelstalige filmpjes waarin prof. Dirk Hutsebaut en prof. Lieven Boeve hun visie op de PKG-schaal toelichten.

Reflectievragen

Waar kom ik vandaan?
Waar ga ik heen?
Waar geloof ik werkelijk in? 
Durf ik nadenken over mijn bestemming?
Geloof ik? Hoe sta ik tegenover God?
Ben ik blijven steken in infantiele projecties?
Heb ik voortijdig afscheid genomen van Hem?

De keuze van de geloofspositie

Wanneer kiezen mensen op welke manier ze met het religieuze zullen omgaan?
De leeftijd van de laatadolescentie speelt hierin een belangrijke rol. Op dat moment maken mensen meestal een impliciete keuze. De leeftijd van 15-16 jaar is cruciaal voor een verdere religieuze ontwikkeling.
Waarom in de adolescentie?
In die levensfase – tussen 14 en 21 jaar – voltrekken er zich belangrijke ontwikkelingsprocessen.
Enerzijds wordt het formeeloperationeel denken volop doorbroken. Adolescenten kunnen nu ten volle denken in termen van hypotheses en mogelijkheden. Er wordt over het eigen denken gereflecteerd en ze worden zich bewust van de gedetermineerdheid van dit denken. Hun manier van zien is één van de vele mogelijkheden van zien.
Anderzijds is er het proces van de identiteitsvorming, het antwoord geven op de vraag ‘Wie ben ik?’. Dit is geen abstract proces, maar een concreet gebeuren waarin allerlei keuzes gemaakt moeten worden (studie, beroep, samenlevingsvormen, politieke ideologie, gelovige of niet-gelovige levensinstelling)
Adolescenten kiezen voor een groot deel dezelfde manier van omgaan met religie en geloof als hun ouders. Uitzondering zijn die adolescenten of jongvolwassenen die duidelijk hoger gevormd zijn dan hun ouders. De gelijkenis is in ieder geval veel groter dan het verschil.

 

Opdracht

  • Vul je eigen pkg-schaal in.

  • Surf naar: http://www.kuleuven.be/thomas/algemeen/pkg/

    Noteer je score voor:
    a) Orthodoxie (letterlijk geloof)
    b) Externe kritiek (letterlijk ongeloof)
    c) Relativisme (symbolisch ongeloof)
    d) Tweede naïviteit (symbolisch geloof)

    Kan je jezelf vinden in deze scores?
    Waarom of waarom niet?
    Vergelijk met je medestudenten.

     

Twee dimensies
horizontale as: geloof – ongeloof &verticale as: letterlijk – symbolisch

 

Horizontale as: geloof – ongeloof

De eerste dimensie die de PKG-schaal meet is de mate waarin men wel of niet het bestaan van een transcendente werkelijkheid in de levensbeschouwelijke structuur aanneemt.
Deze dimensie kan men ook inclusie of exclusie van het transcendente noemen.
De positie die men aanneemt wordt weergegeven op een continuüm. De uiterste posities van het continuüm zijn: uiterste affirmatie van het geloof in een persoonlijke God en uiterste negatie van elke transcendente werkelijkheid; humanistisch atheïsme.
Het continuüm laat toe om nuances aan te brengen en tussenposities te bepalen.
Het ‘ietsisme’ (de comfortabele middenpositie) kunnen we typeren als de meest minimale vorm van ‘inclusie van het transcendente’. Met een ‘iets’ kan men toch moeilijk een persoonlijke relatie aangaan.

 

Verticale as: letterlijk – symbolisch

De tweede dimensie die de PKG-schaal meet is de mate van het letterlijk of het symbolisch karakter van de levensbeschouwelijke positie die men heeft ingenomen.
In de mate dat iemand overtuigd is van de letterlijke waarheid van zijn (a)religieuze proposities (letterlijke interpretatie), zal hij naar boven schuiven op het continuüm; in de mate dat iemand overtuigd is van de symbolische betekenis (metaforische interpretatie), zal hij naar beneden schuiven.
De combinatie van deze twee dimensies geeft vier manieren om met (a)religieuze proposities om te gaan; er dienen zich vier cognitieve geloofsstijlen aan. Deze vier geloofsstijlen sluiten elkaar onderling niet uit. Het doel van de PKG-schaal is de onderlinge verhouding van de vier geloofsstijlen bij een individu of bij een groep in kaart te brengen.
Met andere woorden: de PKG-schaal maakt de effecten van het al dan niet religieus-zijn los van de wijze van interpretatie.

 

Vier cognitieve geloofsstijlen 
verschillen in de terminologie

Letterlijk geloof
Orthodoxie
Objectivisme

Letterlijk ongeloof
Externe kritiek

Symbolisch ongeloof
Relativisme
Contingentiebewustzijn
Subjectivisme

Symbolisch geloof
Tweede naïviteit
Post-kritisch geloof
Hermeneutiek

De vier verschillende stijlen mogen niet herleid worden tot vier verschillende types waar mensen in kunnen worden geclassificeerd.
Iemand kan tegelijkertijd getypeerd worden door meerdere geloofsstijlen. Wel is er altijd één type dat duidelijk dominant aanwezig is.

 

 

Vier geloofsstijlen
Orthodoxie

  • Letterlijke interpretatie van geloofsovertuigingen en religieuze doctrines (gesloten denksysteem)
  • Bijbelverhalen / religieuze taal worden letterlijk geïnterpreteerd
  • Geloof in een onveranderlijke, persoonlijke God
  • Geloof = absolute zekerheid
  • Vermijden van moeilijke geloofsvragen
  • Liefst duidelijke en onveranderlijke antwoorden die worden ontleend aan het gezag van de Kerk
  • Deze geloofsstijl brengt positieve gevoelens teweeg maar ook gevoelens van vrees en schuld
  • Risico om het geloof op een zeer rigide manier te beleven, in extremis zelfs fundamentalistisch
  • Letterlijk geloof of orthodoxie maakt gebruik van het mono-religieus leren en gaat deductief te werk. Godsdienstonderwijs = catechese!
  • Veelal de leeftijdscategorie 50+

 

 

Met andere woorden

Naar mijn mening is godsdienst het enige dat echt betekenis kan geven aan het leven in al zijn aspecten. God, die ik Vader noem, is eens en voor altijd onveranderlijk bepaald. Ik denk dat er op elke religieuze of godsdienstige vraag maar één juist antwoord is. Dit antwoord wordt ons gegeven door de Kerk. De teksten uit de Bijbel moet je begrijpen, zoals ze er staan, ook al gaat de inhoud soms in tegen onze moderne vormen van denken.

 


Vier geloofsstijlen
Externe kritiek

  • Geloofsinhouden zijn niet wetenschappelijk te bewijzen
  • Religieuze overtuigingen worden verworpen op basis van een letterlijk verstaan
  • Sterke kritiek op geloofsovertuigingen en religie, op basis van een positief-wetenschappelijke attitude
  • Bijbelteksten worden letterlijk gelezen en afgewezen want ze zijn letterlijk onhoudbaar en onderling in tegenstrijd
  • Uitgesproken negatie van het transcendente en in extremis: radicaal atheïsme
  • Letterlijke geloofskritiek kan een tussenstadium zijn in de evolutie van letterlijk naar symbolisch geloof
  • In het proberen te bewijzen dat geloof/religie een illusie is kan men intolerant en antireligieus fundamentalistisch worden
  • Godsdienst wordt meestal geassocieerd met negatieve gevoelens
  • Angst voor het fanatisme als gevolg van godsdienst
  • Bekommernis: onaanvaardbaarheid van bepaalde mensonwaardige of irrationele religieuze vooronderstellingen

 

► Filmpje over externe kritiek (Don Bosco College Hechtel)

 

Met andere woorden

Geloven is moeilijk voor mij, omdat het me zo weinig zekerheid biedt. Voor mij is God slechts een naam die gegeven wordt aan het onverklaarbare. De wetenschappelijke vooruitgang zal de religieuze verklaringen uiteindelijk overbodig maken. De Bijbelverhalen zijn zo lang geleden geschreven dat ze nu maar weinig relevant zijn voor mij. Ik denk dat godsdienst een illusie is. God werd ook zo dikwijls gebruikt om mensen te onderdrukken.

 


Vier geloofsstijlen
Relativisme

  • Symbolische lezing van de religieuze werkelijkheid, maar neiging tot ongeloof
  • Niet één religieuze voorstelling maar ook boeiende gedachten bij andere zingevingssystemen
  • Relativisten = geen persoonlijk godsgeloof
  • Uitspraken over God, officiële kerkelijke doctrines en menselijke Godservaring zijn relatief
  • Hoewel deze geloofsstijl gekenmerkt wordt door ongeloof, wordt religie niet op een radicale manier verworpen desondanks wat we zeggen over God, mens en wereld zijn allemaal menselijke interpretaties
  • Gegeven van zoekende adolescenten of een nieuw cultuurpatroon waar de centrale waarde ‘tolerantie’ is die de dialoog overbodig maakt en leidt tot onverschilligheid ten opzicht van de ander?
  • Bewustzijn van de contingentie van levensbeschouwingen = zich niet levensbeschouwelijk willen engageren
  • Relativisme hanteert het multi-religieus leren als pedagogische grondoptie
  • Geen uitgesproken positieve of negatieve gevoelens over godsdienst

 

► Filmpje over relativisme (Don Bosco College Hechtel)

 

Met andere woorden

Ik ben er mij van bewust dat elke uitspraak over God bepaald is door de tijd waarin ze geformuleerd werd. Elke uitspraak over het absolute maar ook een dogma is altijd een uitspraak die door mensen werd gedaan in een bepaalde tijd en is daardoor relatief. In die zin is God veranderlijk en groeit Hij mee met de menselijke geschiedenis. Geloven in God is dan voor mij altijd een engagement zonder absolute zekerheid: het is een mogelijkheid naast zoveel andere mogelijkheden.

 


Vier geloofsstijlen
Tweede naïviteit

  • Gelovige en tegelijk symbolische interpretatie van de religieuze werkelijkheid
  • Geloven is een zoektocht en kritische geloofsvragen mogen niet uit de weg worden gegaan
  • Open levensvisie en positieve omgang met geloofsonzekerheden
    = volwassen geloof
  • De Bijbel en andere religieuze geschriften kunnen enkel na interpretatie begrepen en geloofd worden
  • De eerste naïviteit (letterlijk geloof) heeft de externe kritiek als het ware doorstaan: men is zich bewust van het historisch, sociaal en cultureel karakter van geloofsuitspraken.
  • We hebben geen rechtstreekse toegang tot het transcendente enkel via verhalen, riten, mensen (gezin, leerkracht…), instellingen (school, kerk, gemeenschap…)…Op een actieve, creatieve en interpretatieve manier herwint men het geloof en verwerft men een ‘tweede naïviteit’.
  • Het interreligieus leren wordt hier gehanteerd als pedagogische grondoptie
  • Deze geloofsstijl brengt positieve gevoelens met zich mee

 


Beeld over de tweede naïviteit

De ongelovige Tomas komt tot geloof.
Deze heilige wordt gevierd op 3 juli.

Jezus zei: ‘Omdat je Me gezien hebt geloof je?
Gelukkig zij die zonder gezien te hebben
toch tot geloof komen.’
Johannes 20,29

Tom Franssen 1977,
Acryl-schilderij op glas
220 x 160 cm

Euregio-project glasschilderkunst,
gefinancierd door EU, Provincie Limburg,
Nordrhein-Westfalen, Forschungsstelle Glasmalkunst

© 2004 Stiftung Forschungsstelle Glasmalerei
des 20. Jh. e.V., Winkeln 66, D-41068 Mönchengladbach

 


 

Met andere woorden

Voor mij is de Bijbel niet zozeer een historisch verslag dan wel een hulpmiddel in mijn zoektocht naar God. Ondanks het feit dat de Bijbel in een geheel andere historische context is geschreven, verbergen deze teksten een diepere waarheid die ik door mijn eigen zoeken zelf moet onthullen. Voor mij is geloven in God niet zozeer nodig of nuttig, dan wel zinvol.


Opdracht

  • Prof. Didier Pollefeyt over de tweede naïviteit

 

Hoe geeft prof. Didier Pollefeyt invulling aan de symbolisch gelovige positie (tweede naïviteit)? In welk opzicht wordt deze cognitieve geloofsstijl voor jou begrijpelijker?
Wat roept bij jou (nog) vragen op?
           
Cf. ‘Hoe aan onze (klein)kinderen uitleggen dat Sinterklaas (niet) bestaat
http://www.kuleuven.be/thomas/algemeen/pkg/

 

Opdracht

  • Waar gelooft u nog in?’ - Prof. Mia Leijssen

 

Welke geloofsstijl(en) vind je terug in het antwoord van prof. Mia Leijssen?

“Het cultiveren van goedheid, waarheid, schoonheid is richtinggevend voor mijn leefwijze. Ik geloof dat wij als mens veel kunnen doen om ‘het goddelijke’ in het dagelijkse leven op te merken en gestalte te geven. Voor mij zit dat in eenvoudige dingen zoals vriendelijkheid, dienstbaarheid, samen plezier maken; niet nodeloos iemand kwetsen, oprecht en betrouwbaar zijn; oog hebben voor kleine dingen die getuigen van zorg of creativiteit; genieten van humor, muziek, natuur. Voor een magisch moment, een authentiek moment van verrassing of verbondenheid, ben ik bereid veel inspanning te doen en er banale momenten en miserie bij te nemen. Ik ben geboeid door de onvoorstelbare potentialiteiten van het menselijk organisme. Ik koester de hoop dat vrouwelijke wijsheid meer gewicht krijgt in onze samenleving. Ik geloof in de kracht van de geest. Ik heb dat zelf vaak ervaren. Stilaan beginnen ook onderzoeksgegevens aan te tonen dat gedachten bijvoorbeeld in het lichaam stoffen kunnen vrijmaken die eenzelfde uitwerking hebben als chemische middelen. Ik denk dat onze cultuur zich blind staart op het materiële en wat met de zintuigen waarneembaar is.
Daardoor is er een onderschatting van een realiteit die – momenteel nog – grotendeels ontsnapt aan onze empirisch wetenschappelijke onderzoeksmethoden. Ik geloof dat we over een aantal decennia ons wereldbeeld grondig zullen moeten bijsturen. Wat nu nog door sommigen met scepsis onthaald wordt, kan in een meer gevorderde fase van de wetenschap misschien zo ‘natuurlijk’ worden als de zwaartekracht. Ik vind positief denken en het goede wensen geen naïeve levenshouding, maar een krachtig middel om levenskwaliteit te verbeteren. Ik heb een grote openheid voor het bestaan van verschillende waarheden en diverse wegen waarlangs mensen het goede leven en goed sterven kunnen realiseren. Ik ben enkele keren nauw in contact geweest met de dood en heb er uit geleerd daar niet bang voor te zijn. Het moeilijkste aan sterven is voor mij het loslaten van geliefden; de dood op zich is alleen de uitdaging van het onbekende. Ik ben niet zo gehecht aan dit lichaam dat ik het onverdraaglijk vind om het achter te laten op een gegeven moment. Ik vertrouw erop dat als mijn tijd gekomen is, ik de overgang zal maken naar een andere dimensie waarvan wij ons als mens geen voorstelling kunnen maken. Ik ben geen aanhanger van bepaalde theorieën; ik geloof dat het inherent is aan het ‘bovennatuurlijke’ dat het ontsnapt aan wat wij daarover kunnen bedenken.”

Uit: Mia Leijssen, Waar gelooft u nog in?, De vraag van Knack, 2006.

 

Citaat

Prof. Dirk Hutsebaut, in: Boeve, L. (ed.), God. Hoe voelt dat?, p. 92.

Het proces van religieus worden op een volwassen manier is niet afgesloten op het moment dat de leerlingen de school verlaten.
Maar men kan een aanzet geven waarop zij verder kunnen bouwen.
Dit leren denken in termen van alternatieve mogelijkheden heeft niet alleen effect op het leren denken en omgaan met godsdienst,
maar speelt ook een rol in alle andere levensgebieden die bijdragen tot het vormen van een identiteit.
Zou het dan toch niet een van de belangrijkste doelstellingen van het onderwijs kunnen zijn leerlingen te helpen antwoord geven op de vraag ‘Wie ben ik?’.
Een antwoord dat een groot stuk hun verdere leven zal bepalen.


Opdracht

  • Welke evolutie heb je in je eigen levensbeschouwelijke ontwikkeling doorgemaakt?
  • Kan je een lijn tekenen op de PKG-schaal die deze evolutie weergeeft?
    Kan je aangeven wanneer of in welke periode van je leven de omslag(en) gebeurd is (zijn)? Was er een concrete aanleiding?

  • Waar plaats je de houding ‘ideaal geloof’ op de PKG-schaal?
  • Waarom?

 

Test je zelf – bespreek met elkaar

  • Geef een actueel voorbeeld van een extreme uiting van letterlijk geloof. Verklaar.
  • Welk verband is er tussen letterlijk geloof en externe kritiek?
  • Leg het verschil uit tussen relativisme en externe kritiek.
  • Waarom wordt de tweede naïviteit ook het ‘ondanks-toch’ geloof genoemd? Vanwaar deze naam?
  • Wat is het grote verschil tussen de letterlijk gelovigen en de
    ‘ondanks-toch’ gelovigen?
  • Wat hebben tweede naïviteit en relativisme met elkaar gemeen?
  • Wat is het verschil tussen tweede naïviteit en relativisme?

 

Citaat


Prof. Dirk Hutsebaut, in: Van den Broek, G., De verloren zoon, Caleidoscoop 6, p. 60.

Leidt religie tot intolerantie?
Het is inderdaad zo dat de orthodoxen die neiging hebben, maar dat geldt evengoed voor de ongelovige letterlijke denker.
Het is niet het geloof dat leidt tot intolerantie, maar de manier waarop iemand met
denkkaders omgaat.
Anders gezegd: Intolerantie heeft dus niet op de eerste plaats te maken met geloof, maar met de cognitieve stijl die mensen hanteren wanneer ze met geloof en geloofsinhouden geconfronteerd worden: staat iemand open voor diversiteit en verscheidenheid of niet?

 

Een gesprek over (on)geloof
‘Geloof je in God?’ OF ‘In welke God geloof je?’


R. Dawkins

 


Thomas van Aquino

 


C.S. Lewis

 


B. Pascal

 


Bertrand Russell

 


Ignacio Ramírez

 


Dirk Verhofstadt

 


Augustinus

 


F. Nietzsche

 


Ayatollah Khomeini

 

  • “Geloven in God is net als geloven in een theepot die om de zon draait.”
    (R. Dawkins)

  •  
  • “…het moet opgemerkt worden dat de verschillende manieren van het weten (ratio cognoscibilis) ons verschillende wetenschappen geven. De astronoom en de natuurlijke filosoof concluderen beide dat de wereld rond is, maar de astronoom doet dit via een mathematische methode die los staat van de materie, terwijl de natuurlijke filosoof een methode aanwendt die op materie gestoeld is. Er is dus niets dat een andere wetenschap er van kan weerhouden om dingen in het licht van goddelijke openbaring te zien die de filosofische disciplines als kenbaar beschouwen in het licht van de menselijke rede.”
    (Thomas van Aquino)

  • “Ik geloof in het christendom net zoals ik geloof dat de zon is opgekomen. Niet alleen omdat ik het kan zien, maar omdat het mij in staat stelt om alle andere dingen te zien.”
    (CS Lewis)

  •  
  • 'I want to explore the pluralistic hypothesis that the great world faiths embody different perceptions and conceptions of, and correspondingly different responses to, the Real from within the major variant ways of being human; and that within each of them the transformation of human existence from self-centredness to Reality-centredness is taking place.'
    (J. Hick)

  •  
  • “Religie is het grote excuus om de noodzaak om na te denken en bewijsmateriaal te evalueren te ontwijken. Religie is geloven ondanks het feit dat er geen bewijsmateriaal voorhanden is. Ja, zelfs omdat er geen bewijzen zijn.”
    (Richard Dawkins)

  •  
  • “God van Abraham, God van Isaak, God van Jacob, niet van filosofen en schriftgeleerden. Zekerheid, hartelijke vreugde, vrede. God van Jezus Christus.”
    (B. Pascal)

  •  
  • “Het is onwenselijk in een vooronderstelling te geloven als er in het geheel geen reden is om aan te nemen dat het waar is.” (Bertrand Russell)

  •  
  • “Een maagdelijke geboorte behoort kennelijk tot rondzwervend religieus vertelmateriaal, ze duikt in andere religies net zo goed op als in het christendom. Dat moet toch iets zeggen over onze christelijke christologie, je wordt er toch minstens door gewaarschuwd de geloofstradities niet zomaar te continueren?” (Kuitert)

  •  
  • “God bestaat niet, de dingen der natuur onderhouden zichzelf.”
    (Ignacio Ramírez)

  •  
  • “Mensen maken hun eigen keuze uit de menukaart van de verschillende religieuze tradities en op deze wijze stellen zij hun eigen hemelse hutspot samen, bewust of onbewust.”
    (Pim Valkenberg)

  •  
  • “Godsdienst is geen opium voor het volk dat het volk verdooft, zoals Marx beweerde, het is eerder een agressief makende drug die de grendels van het persoonlijk geweten opzij schuift waardoor mensen tot alles in staat zijn.”
    (Dirk Verhofstadt)

  •  
  • “Ik wil weten of het waar is. Maar dat weet je nooit zeker beneden. Je weet zelfs niet eens zeker of je het hierboven zeker zult weten. Af en toe grijpt de angst je bij de keel dat je je leven besteed hebt aan een vraag die onzin is. Maar gek genoeg kun je het niet laten. En dat heeft toch wat te maken met een geloof dat jou pakt, in plaats van dat jij het geloof pakt. Gepakt worden is het enige echte geloof.”
    (Kuitert)

  •  
  • “In hun bedorven toestand imiteert de hele mensheid U [God]. En toch plaatsen zij zichzelf op een afstand van U en verheffen zij zichzelf tegenover U. Maar zelfs in deze imitatie erkennen zij dat U de schepper van de gehele natuur bent en geven zij dus toe dat er geen plaats is waar zij volledig aan U kunnen ontsnappen.”
    (Augustinus)

  •  
  • “Geloof heeft geen fundament, daar is het geloof voor.”
    (Kuitert)

  •  
  • “Waar de moraal gebaseerd is op theologie en waar het recht afhankelijk is van een goddelijke autoriteit kunnen de meest immorele, onrechtvaardige schandalige zaken gerechtvaardigd en uitgevoerd worden.”
    (Ludwig Feuerbach)

  •  
  • “Godsdiensten zijn overal gelijk: gegrondvest op fabels en mythen.”
    (Thomas Jefferson)

  •  
  • “Niet het bezit van de waarheid, maar het voortdurend zoeken naar waarheid ligt binnen ons bereik en is het doel van ons streven.” (Lessing)

  •  
  • “De mens is maat van alle dingen. Van de dingen die zijn wat ze zijn en van de dingen die niet zijn wat ze niet zijn.” (Protagaros)

  •  
  • “Het spreken over God heb ik altijd 'een zoekontwerp van beneden over Boven' genoemd. Anders gezegd: we hebben niet meer in handen dan massa's menselijke praat over God. En het enige wat erop zit is dat ieder van ons daarmee de wereld intrekt en kijkt of het leven die praat geheel uitvlakt, dan wel of je er sporen van, vingerwijzingen voor het geloof in het bestaan van God in terugvindt. In 'Zeker weten' staat: 'De auteur van dit boek kan u dat - of God is - niet meedelen, dat moet u zelf vinden. ”
    (Kuitert)

  •  
  • “Geloven leer je niet uit boekjes, net als zwemmen. In de boeken staat hoe het moet en wat er moet, je kunt dat allemaal memoriseren, daar zelfs een kei in zijn. Maar je moet te water gaan, wil het er echt van komen.”
    (Kuitert)

  •  
  • “De ontwikkeling van de natuurwetenschappen betekende onafwendbaar de vervanging, door op de wetenschappelijke methode gebaseerde natuurwetten en verklaringen, van de bovennatuurlijke verklaringen die waren ontstaan in afwezigheid van de betreffende wetenschappelijke kennis. Deze evolutie van de wetenschappen betekent echter niet dat deze per definitie antireligieus zijn. Echte religie hangt niet af van de letterlijke interpretatie van de scheppingsverhalen.”
    (onbekend)

  •  
  • “Elk geloof, elke overweging dat iets waar is, is noodzakelijkerwijs onwaar omdat er eenvoudigweg geen ware wereld bestaat.”
    (F. Nietzsche)

  •  
  • “Er is echter een boek met betrouwbare antwoorden. Het is een boek dat alleen maar waarheid bevat. Jezus Christus zei in gebed tot God: “Uw woord is waarheid” (Johannes 17,17). In deze tijd staat dat Woord bekend als de Bijbel. Op de volgende bladzijden krijgt u een indruk van de duidelijke, waarheidsgetrouwe antwoorden die de Bijbel op de belangrijke vragen geeft.”
    (Het Wachttorengenootschap)

  •  
  • “Ik ben gaan inzien dat het geloof een organisme is dat groeit met de tijd. Blijft het stabiel, dan sterft het. Wil het voortleven, dan moet het kunnen veranderen.”
    (G. Bomans)

  •  
  • “Leven is zo complex, zo ingewikkeld ontworpen. Het kan niet ontstaan zijn door natuurlijke processen. Leven komt van een Schepper. Hij heeft leven geschapen. We zien hoe complex alles is. Het is het bewijs van een Schepper!”
    (onbekend)

  •  
  • “Ik geloof niet omdat ik dus niet gelovig ben maar ik denk wel dat er iets anders is, maar daardoor geloof ik datgene wat ik dus denk dat er is.”
    (J.  Cruijff)

  •  
  • “Er is een onderscheid tussen de Mekkaanse en Medinese verzen in de Koran. De eerste zijn ontstaan in de periode dat Mohamed in Mekka verbleef en hebben voor haar een universele, spirituele en ethische waarde. De verzen ontstaan in Medina beschouwt ze als antwoorden op praktische kwesties die in die tijd aan de eerste muselmannen werden gesteld. Men moet ze dus relateren aan de tijd en de context.”
    (Babés Leïla)

  •  
  • “Als wij slechts één jaar lang het strafrecht van de Islam toepasten, zouden wij alle onrecht en verwoestende zedeloosheid uitroeien.”
    (ayatollah Khomeini)

  •  
  • “Mijn argument tegen God bestond er uit dat het universum zo wreed en onrechtvaardig leek. Maar hoe kwam ik aan dit idee van rechtvaardig en onrechtvaardig? Een mens kan een lijn niet krom noemen als hij niet het een of andere besef van een rechte lijn heeft. Waarmee was ik dit universum aan het vergelijken toen ik het onrechtvaardig noemde?”
    (CS Lewis)

  •  
  • “Wie aan de waarheid gelooft, is nog niet wijs, en wie eraan twijfelt, is óók niet wijs; in de wijsheid blijken geloof en twijfel tezamen verkeerd tot eenheid.”
    (Bolland)

 


 

Literatuur

Duriez, B. & Hutsebaut, D., A Slow and Easy Introduction to the Post-Critical Belief Scale: Internal Structure and External Relationships, departement psychologie, K.U.Leuven.

Duriez, B., Dezutter, J., Neyrinck, B. & Hutsebaut, D., An Introduction to the Post-Critical Belief Scale. Internal Structure and External Relationships, Psyke & Logos 28 (2007), 767-793.

Hutsebaut, D., Leidt godsdienst tot onverdraagzaamheid?, in: Pattyn & J. Wouters (red.), Schokgolven, Terrorisme en fundamentalisme, Leuven, Davidsfonds, 2002, p. 214-220.

Hutsebaut, D., Open of gesloten geloof. Geloof als betekenishorizon of als onzekerheidsreductie, in: Boeve, L. (ed.), God. Hoe voelt dat?, Leuven, Davidsfonds, 2003, p. 92.

Lodewyckx, S., Onuitgegeven cursus godsdienst, Don Bosco College Hechtel, 2009.

Pollefeyt, D. & Baeke, G., Measuring the Catholicity of Catholic Schools, Interim Report January 2007, Leuven, 2007.

Pollefeyt, D. & Bouwens, J., De Postkritische Geloofsschaal for dummies, PowerPoint, Centrum Academische Lerarenopleiding, Faculteit Godgeleerdheid, K.U.Leuven, 2009.

Pollefeyt, D. & Lombaerts, H., Hermeneutics and Religious Education,Leuven, 2004.

Pollefeyt, D. et al, Caleidoscoop. Handleiding godsdienst 6 ASO, Mechelen, Wolters Plantyn, 2008, p. 200-216.

Pollefeyt, D., Hoe aan onze (klein)kinderen uitleggen dat Sinterklaas (niet) bestaat. Over levensbeschouwelijke en religieuze maturiteit, in: H-ogelijn tijdschrift 17-1 (2009), 31-35.

Van den Broek, G., De verloren zoon, in: Pollefeyt, D. et al, Caleidoscoop. Leerboek godsdienst 6 ASO, Mechelen, Wolters Plantyn, 2008, p. 54-55 en 59-60.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Didactische suggesties

 

Bij deze didactische suggestie horen twee onderdelen:

  1. het Worddocument met het dossier ‘De Post-Kritische Geloofsschaal (PKG)’ en
  2. de bijhorende PowerPoint.

Deze instrumenten zijn bedoeld voor docenten en studenten in de Specifieke Lerarenopleiding alsook voor leerkrachten en leerlingen van het 6de jaar Secundair Onderwijs. Het dossier ‘De Post-Kritische Geloofschaal’ en de bijhorende PowerPoint bieden u het nodige materiaal om met de PKG-schaal te werken. Aan de hand van de ‘knip- en plakfunctie ’ kan u voor uw studenten/leerlingen een evenwichtig (zelf)studiepakket samenstellen, aangepast aan de eigen les- en leercontext. Omwille van deze optie hebben we de lay-out van het dossier zo sober mogelijk gehouden.

 

Mogelijke instap/Probleemstelling en doelstelling

Als introductie kan u stilstaan rond de vraag ‘wat is een volwassen geloof’?
Dia 3 en 4

Bij wijze van verdieping kan u de keuze van de geloofspositie verder toelichten.
Dia 5

 

Aanbrengen van het onderwerp

De Post-Kritische Geloofsschaal (PKG) kan op verschillende manieren worden aangebracht.

A. Doceren

U kan er voor kiezen om klassikale instructie te geven waarbij u:

  • achtergrondinformatie geeft
  • Dia 7 en 8
  • de twee dimensies toelicht
  • Dia 11 en 12
  • de vier cognitieve geloofsstijlen benoemd
  • Dia 13

Ieder onderdeel wordt verder uitgediept
(theoretisch, illustratief d.m.v. beeld, persoonlijke verwoording door een leerling):

  • orthodoxie
  • Dia 14, 15, 16
  • externe kritiek
  • Dia 17, 18, 19
  • relativisme
  • Dia 20, 21, 22
  • tweede naïviteit
  • Dia 23, 24, 25

Bij wijze van besluit kan u dia 13 (kader) hernemen en de volgende reflectieoefening geven:

  • De meer orthodoxe geloofsstijl wordt bij mij getypeerd door de volgende houdingen…
  • De externe criticus in mij zegt…
  • De relativist in mij zegt…
  • De meer post-kritische geloofsstijl wordt bij mij getypeerd door de volgende houdingen…

Laat de studenten of leerlingen deze opdracht persoonlijk en schriftelijk voorbereiden. Nadien kan u een (klas)leergesprek houden over het feit dat de vier verschillende geloofsstijlen niet herleid mogen worden tot vier verschillende types waarin mensen kunnen worden geclassificeerd. We kunnen tegelijkertijd getypeerd worden door meerdere geloofsstijlen. Eén geloofsstijl is altijd duidelijk dominant aanwezig.

B. Didactisch groepswerk, leergesprek

U kan de PKG-schaal aanbrengen door middel van een didactisch groepswerk. U geeft aan de studenten/leerlingen één van de dertig citaten die u terug kan vinden in het dossier over de PKG. Deze citaten zijn opgenomen op het einde van de PowerPoint, dit kan handig zijn voor een klassikale visualisatie van de betreffende citaten tijdens het leergesprek.
Dia 32 - 45

U ondersteunt het didactisch groepswerk door met de studenten/leerlingen een leergesprek te houden over de inhoud van de verschillende citaten.

  • Zijn er gelijkenissen/verschillen in de verschillende uitspraken of citaten?
  • Kunnen we een gemeenschappelijke factor vinden?

Al de uitspraken zijn in 4 categorieën (de vier cognitieve geloofsstijlen) onder te brengen. U kan in het verdere verloop van het leergesprek het schema van de PKG-schaal stap voor stap visueel zichtbaar maken aan de hand van een bordschema.

C. Zelfstandige oefening

Als voorbereiding op een klassikale instructie kan u opteren om u studenten/leerlingen de PKG-schaal te laten exploreren door een zelfstandige oefening. Deze zelfstandige oefening kan gegeven worden als thuisopdracht of als studieopdracht in een ICT-lokaal.
U stelt voor hen aan de hand van de volgende dia’s een ‘PPT-zelfstudiepakket’ samen:
Dia 6, 7, 8, 9, 10
Indien aangewezen kan u ook de dia’s met de uitdieping per onderdeel toevoegen
(Dia 14 – 25).

Aanknopen bij de vorige les

Na een inleiding over de PKG-schaal krijgen de studenten van de SLO bij wijze van herhaling een ‘PPT-zelfstudiepakket’ met (keuze)opdracht(en). Deze zelfstandige oefening kan gegeven worden als thuisopdracht of als studieopdracht in een ICT-lokaal.
U kan bij wijze van voorbeeld de volgende dia’s selecteren als herhalingsleerstof:
Dia 7, 8, 9, 11, 12, 14, 17, 20, 23
De volgende dia’s voegt u toe bij wijze van (keuze)opdracht(en):
Dia 26, 27, 30

 

Aanknopen bij de vorige les & proces van de levensbeschouwelijke identiteit

U kan een onderwijsgesprek houden over het proces van de ontwikkeling van de levensbeschouwelijke identiteit.
Dia 28
Dit wordt verder aangevuld met een (klas)leergesprek.
Dia 29 (6)

 

Aanknopen bij de vorige les & ‘tolerantie’

U kan een (klas)leergesprek houden over de vraag: ‘leidt religie tot intolerantie’?
Dia 31

 

Evaluatie

  • Aan het einde van de lessenreeks over de PKG-schaal kan u de leerlingen van het 6de jaar S.O. een opdracht voor zelfevaluatie (zelfstandige oefening en buurgesprek) laten maken.
    Dia 30

  • Studenten van de SLO kunnen bij wijze van evaluatie de opdracht krijgen een reflectiepaper te schrijven over bijvoorbeeld: ‘het volwassen geloof van de godsdienstleerkracht’, ‘de godsdienstleerkracht en de diversiteit binnen de schoolcontext’…

  • De leerlingen of studenten hebben de drie filmpjes gezien over orthodoxie, externe kritiek en relativisme. Bij de geloofsstijl ‘tweede naïviteit’ kregen ze een beeld bij wijze van illustratie. Bij wijze van verwerkingsopdracht deelt u de groep op in subgroepen. Deze groepjes krijgen de opdracht om samen een filmpje te maken over de tweede naïviteit.

  • De leerlingen of studenten hebben bij de ‘tweede naïviteit’ als illustratie de afbeelding van de ongelovige Thomas die tot geloof komt gezien. Bij wijze van verwerkingsopdracht deelt u de groep op in subgroepen. Deze groepjes krijgen de opdracht om samen een collage te maken waarin de verschillende geloofsstijlen door middel van afbeeldingen worden weergegeven. Bij iedere geloofsstijl wordt een korte schriftelijke verklaring gegeven.

    Dat ook taal kan gebruikt worden om de verschillende geloofsstijlen te illustreren maakt het volgende voorbeeld – bij de geloofsstijl ‘tweede naïviteit’ – duidelijk:

    Wat vertel jij daar?

    Een sprookje.

    Het is dus geen waar verhaal.

    Waarom?

    Omdat het niet echt gebeurd is.

    Maar jawel.

    Dus roodkapje?

    Is een echt verhaal.

    Hoe weet jij dat?

    Ik was het. Ik heb veel schrik gehad.

    EUGÈNE GUILLEVIC

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina