Damiaan: een didactische bundel

Ten Geleide

“Het kleinste wordt groot als je het met liefde doet”
Pater Damiaan De Veuster SS.CC., priester-missionaris (1840-1889)

De grootste liefde die iemand zijn vrienden kan betonen,
bestaat hierin dat hij zijn leven voor hen geeft.
(Joh 15,13)

NIEUWE BRONNEN, SPECIFIEKE RELIGIEUZE PERSPECTIEVEN, ONUITGEGEVEN DIDACTISCH MATERIAAL

Op zondag 11 oktober 2009 wordt Pater Damiaan door paus Benedictus XVI op het Sint-Pietersplein in Rome heilig verklaard. De weerklank van deze gebeurtenis in onze contreien is zonder weerga en het staat vast dat deze Grootste Belg en Heilige aan het begin van het nieuwe schooljaar volop en nog meer in de schijnwerpers zal worden geplaatst. De Paters van de Heilige Harten (Damiaans congregatie) en Thomas spelen hier graag op in langs een uitgebreid Damiaan-dossier met nieuwe bronnen, specifieke religieuze perspectieven en onuitgegeven didactisch materiaal. Bij wijze van voorsmaak op het schooljaar 2009-2010 stellen we nu reeds de Via Damianus aan u voor. Dit raamwerk rond de levensweg van Pater Damiaan, zal in het verdere verloop van dit Damiaanjaar worden aangevuld en uitgediept. Het eindresultaat aan het begin van het nieuwe schooljaar zal een unieke collectie zijn van handzame impulsen, didactische suggesties en bronnen die volgens de krachtlijnen van het geboden raamwerk naar inschatting van de eigen klasgroep door leerkrachten zullen kunnen worden aangewend.

Het verhaal van ‘Grootste Belg’ pater Damiaan de Veuster is genoegzaam bekend. Velen hebben één of meerdere verhalen gelezen waarin Damiaan wordt geportretteerd vanuit verschillende oogpunten en aandachtsvelden. Iedere schrijver legt daarbij andere accenten en daar is niets op tegen. Damiaan heeft een wonderbaarlijke veelzijdigheid die meerdere invalshoeken biedt om een boeiend verhaal te brengen. Dat is goed, maar werkt ook enigszins remmend wanneer men geconfronteerd wordt met gespierde naslagwerken van doorgaans meer dan 250 pagina’s. Soms gaat in de lange verhalen ook erg veel aandacht naar het bijkomstige en blijft de kern van Damiaans levensverhaal verborgen in de nevelen van een tijdperk dat voorgoed achter ons ligt. Dit dossier tracht de hier ontstane leemte te vullen. Hierbij worden door Thomas uitzonderlijk alle betrokken partners (Paters van de Heilige Harten, Damiaan Vandaag, Damiaanactie) én bronnen (waaronder Damiaans originele correspondentie) samen in stelling gebracht.

Dit inhoudelijk-didactische dossier stelt pater Damiaan De Veuster SS.CC. aan u voor als priester-missionaris, als de ‘arbeider in de wijngaard van de Heer’ die hij is geweest en wellicht ook vandaag nog voor ons wil zijn. Het gaat hier dus niet zozeer om de bekende heldhaftige daden van de man uit Tremelo. Het leven van Damiaan is veel meer dan de haast mythische heldendaden die aan hem worden toegeschreven. Men heeft hem beschreven en bezongen en in kunstwerken uitgebeeld als ‘held’, als daadkrachtig, stoer, onverzettelijk en roeiend tegen de stroom in. Dit recept blijft mensen boeien. Daarom spreekt Damiaan tot de verbeelding, een verbeelding die soms ook op hol slaat en verhindert dat men de échte Damiaan leert kennen.

In dit dossier gaan we op zoek naar wat Damiaan heeft geïnspireerd en bezield; naar wat de bron is van zijn innerlijke kracht; en naar wat hij ons vandaag wil vertellen. Dit alles proberen we te belichten in een sober gehouden context, maar toch met voldoende duiding om niet te vergeten dat pater Damiaan de Damiaan is geworden die hij wilde zijn in het diepst van zijn zoekende ziel: iemand die de weg wou gaan van Jezus Christus, zoekend naar de gehavende medemens, om te redden wat verloren leek, om de gekwetste medemens weer op te richten. Niet wereldvreemd, maar ten volle een mens. Niet verfijnd, niet superintellectueel, geen grootschalige denker of geniale filosoof. Getogen en opgegroeid op de schrale bodem van zijn heimat en daardoor gewapend met een grote dosis zelfredzaamheid en taaie werkkracht. Een innerlijk man, trouw aan zijn prioriteiten als priester-religieus. Toegewijd aan zijn taak, niet voor eigen glorie, maar als dienaar in navolging van Christus. Doorheen dat alles een mens, zoals mensen zijn: onvolmaakt, kwetsbaar, en soms kwetsend, altijd vertrouwend op de barmhartigheid van een genadige Vader.

Laat u meenemen op de weg van Damiaan via Tremelo naar de top van zijn eigen Golgotha: het melaatsendorp Kalawao op het eiland Molokai waar hij werkte als zielzorger onder de verbannen melaatsen, waar hij een melaatse werd onder de melaatsen.

Citaten uit Damiaans Correspondentie

PATER DAMIAAN DE VEUSTER SS.CC.

PRIESTER-MISSIONARIS

HAWAÏ (1864-1873)
MOLOKAI (1873-1889)

EEN SELECTIE VAN CITATEN UIT ZIJN CORRESPONDENTIE

1. Honolulu, 22 maart 1864 (De Veuster, Frans en Cato - brief in het Nederlands)

(…)Ja lieve ouders, vraegt dagelijks voor mij aan God, dat ik altijd in zijnen heiligen dienst mag volharden, dat ik een goed missionaris mag zijn en dat ik naen lange tijd in den wijngaerd des heere gewerkt te hebben, ik in uw gezelschap voor altijd God mag aanschouwen.” (…)

2. Sandwich, 23 augustus 1864 (De Veuster, Frans en Cato - brief in het Frans)

(…) Nu lieve ouders ben ik priester, missionaris in een verdorven, heidens en afgodisch land. Hoe overweldigend zijn mijn verplichtingen als priester. Hoe groot is de morele zuiverheid, de helderheid van oordeel, die van mij wordt verwacht. Helaas! Lieve ouders, wie ben ik die u als kind zoveel leed heb aangedaan door mijn losbandig leven, die niet eens zijn plichten als eenvoudig christen volbracht, hoe zal ik het dan kunnen als priester? (…)

3. Hawaï, maart 1865 (De Veuster, Frans en Cato - brief in het Frans)

(…) U weet dus lieve ouders dat U in het midden van de Stille Oceaan op een eiland van 150 huizen omtrek, een kind heeft dat van u houdt, een priester die dagelijks voor u bidt, en een missionaris die voortdurend op zoek is naar de verdwaalde schapen van onze Heilige Redder. Ik heb veel kruisen en heel wat problemen hier, maar lieve ouders, niettemin ben ik zeer gelukkig. (…)

4. Kohala, 14 juli 1872 (De Veuster, Frans en Cato - brief in het Nederlands)

(…) Zeer lieve ouders, broeders en bloedverwanten, wanneer zullen wij het geluk hebben ons wederom te zien - helaes, niet op deze Aerde, maar laat ons alle wel God dienen, dan zullen wij ons alle weder te samen bevinden in den Hemel waar in Gods aenschijn wij zullen ons altijd verblijven in ’t gezelschap van Jezus en Maria en alle de Heiligen. Bid dagelijks voor mij. Jozef De Veuster (…)

5. Kohala, 14 juli 1872 (De Veuster, Pauline - brief in het Frans)

(…)  Ach lieve zus, hoezeer houd ik van mijn wilden die kortelings beschaafder zullen zijn dan de Europeanen. Iedereen hier kan lezen en schrijven en zich deftig kleden op zondagen. Ik heb in mijn district dat 3000 zielen telt, vier schone kapellen waar ik beurtelings op zondag de mis lees. Ik tracht zo goed mogelijk al mijn christenen te onderrichten (…)
(…) Over ‘t algemeen heb ik veel beslommeringen en weinig vertroosting. Het is slechts dank zij de genade van boven dat ik de last die de goede Meester ons op de schouders heeft gelegd, zacht en licht vind. Wanneer een of andere ongesteldheid me overkomt, dan verheug ik me dat mijn einde nadert.  Ik voel me heel gelaten en tevreden met mijn lot, gelukkig indien de volharding mijn inspanningen bekroont. Laat ons in de handen van de Heer zijn zoals de werktuigen in de handen van de vakman; in leven of in de dood altijd behoren we Jezus toe. Bid voor mij. P. Damiaan. (…)

6. Kohala Hawaï, 14 juli 1872 (De Veuster, Pamfiel - brief in het Frans)

(…) Dit jaar hoop ik me meer toe te leggen op het ziekenbezoek en de studie, ten minste indien de Voorzienigheid me geen andere plagerijen bezorgt. Helaas, wat houdt het leven van de missionaris anders in dan pijn en moeilijkheden, zodat de tijd voorbij raast met werken zoals Martha, en er zo weinig rest om door te brengen aan de voeten van de Verlosser zoals die goede Maria Magdalena. Voor ons hier die meer bezig zijn met materiële  zaken dan met de eigenlijke missie, is dat wel een ergernis. (…)
(…) In de plaats van een lafaard en verdorvene als ik, hebben we hier een heilig en ijverig priester nodig, en alles zou in orde zijn. Bidt daarom vooral voor mijn bekering. (…)

7. Molokai, 25 november 1873 De Veuster, Frans en Cato - brief in het Nederlands)

(…) Mijne gewoonelijke bezichheid bestaet in ’t bezoeken en ’t bedienen der zieken, bijna alle dagen heb ik eene begrafenis te doen. Voor de arme doden maek ik zelf de kist. Onze nonnekes (religieuses) zenden mij vele kleederen om aan de zieken uit te deelen. Zoo dat ik aen deeze arme schepselen niet alleen geestelijken maar zelfs lichaemelijken bijstand kan geven. Ik vin mijn grootste geluk den Heer te dienen in zijne arme en zieke kinderen die van de andere menschen verstoten worden. Ik tracht van ze allen op de weg des Hemels te lijden. En gij lieden ook mijn lieve ouders, broeders en bloedverwanten, gij moet ook met goed gemoed op den weg wandelen, zodat wij allen ’t geluk mogen hebben van ons in den Hemel te ontmoeten. Schatten en rijkdommen, zelfs ons tijdelijk leven zijn niets indien men onze zielen niet zoekt zalig te maken. Bid veel voor mij. Uwen ootmoedigen zoon. (…)

8. Kalawao, hôpital des lèpres, 25 november 1873 (De Veuster, Pamfiel - brief in het Frans)

(…) Daar ik reeds, op de dag van mijn religieuze geloften, onder het baarkleed heb gelegen, beschouwde ik het als een plicht mezelf aan  Monseigneur aan te bieden, die zoals hijzelf zei, niet zo wreed was zulk een opoffering te eisen.  Zo kwam ik met de stoomboot hier aan op 10 mei, samen met een vijftigtal leprozen door de gendarmes opgepakt op het  eiland Hawaii (…)
(…) Hoewel ik nog niet melaats ben, en met de miraculeuze bijstand van de goede God en van de Heilige Maagd, zal ik het nooit worden, hoop ik. Nochtans maak ik me leproos met de leprozen, wanneer ik preek spreek ik hen toe als ‘Wij melaatsen’ . Kon  ik ze allen naar Christus leiden zoals de H. Paulus deed. (…)

9. Molokai, hospitael, 8 december 1874(De Veuster, Cato - brief in het Nederlands)

(…) Met droefheid heb ik vernomen, de dood van onzen lieven vader. Helaes hij is niet meer met u lieden. Ik hoop hij is nu al in den hemel met onze vier zusters. ‘t Is daer wij moeten ons allen eens zich vervoegen. Ik hoop dat er niet eenen van de familie zal mankeren. Hoe gaet het al met u lieve moeder? Zijt gij nog altijd kloek en gezond? Misschien de traenen die gij gestort hebt aan vaders sterfbed, hebben u een weinig zwakker gemaekt. Ach waerom toch zoo veel weenen! Is het in den hemel niet beter als hier op aerde? Laat ons allen naar ‘t hemels vaderland verlangen en kloekmoedig op diens weg wandelen. Ik denk dat gij u niet zoveel meer met aerdse dingen moet bekommeren (…)

10. Kalawao, 8 december 1874 (Germain, Gabriel - brief in het Frans)

(…) Indien er over mij veel wordt gepraat in de kranten en in de kerken, dan verlang ik dat aan de Bewerker van al het goede alle eer wordt toegekend. Wat mezelf betreft, ik zou onbekend willen blijven in het leprosarium van Kalawao, waar ik me gelukkig en tevreden voel bij mijn  vele melaatse kinderen. (…)

11. Kalawao, februari 1879 (De Veuster, Pamfiel - brief in het Engels)

(…) God zij dank, mijn gezondheid in nog altijd goed, en ik ben gelukkig mijn arme , ongelukkige, en verbannen mensen te kunnen helpen en troosten (…)

12. Kalawao, 13 december 1881 (De Veuster, Pamfiel - brief in het Frans)

(…) Onze Goddelijke Zaligmaker weet aan zijn dienaren temidden van vermoeidheid en pijn zulke  lieve en zoete vertroostingen te bieden welke met geen woorden te beschrijven zijn.  Dat ik ze maar nooit onwaardig moge zijn (…)

13. Kalawao Molokai, 31 januari 1885 (De Veuster, Pamfiel - brief in het Engels)

(…) Ik ben nog steeds gezond en stevig zoals u me heeft gezien op de dag van mijn vertrek in 1863, uitgezonderd mijn linkervoet die gedurende drie jaar bijna  alle gevoel heeft verloren, het  is een verborgen vergif dat mijn hele lichaam dreigt aan te tasten. (…)

14. Kalawao, 2 februari 1885 (De Veuster, Pamfiel - brief in het Frans)

(…) Verontschuldig mij dat ik u niet in het Vlaams schrijf. Zonder onze schone taal vergeten te hebben, schieten de noties me niet langer te binnen. Dat is ook één van de redenen waarom ik zo lang gewacht heb u te schrijven. Maar beter laat dan nooit.  (…)
(…) Nadat ik twee opeenvolgende, angstaanjagende, stortbuien over me heen had gekregen, kwam ik thuis geheel doorweekt.  Vanaf die dag ben ik  opgezadeld met een vervelende verkoudheid. Nog een tegenvaller: toen ik een warm voetbad wilde nemen, beging ik de onvoorzichtigheid mijn voet in  bijna kokend water onder te dompelen, met het gevolg dat het vel loskwam. Na een maand van verzorging begint de wonde te genezen. (…)
(…) Bij mijn zieken speel ik nu zelf de zieke. Ik tracht mijn kruis met vreugde te dragen zoals onze heer Jezus Christus. Omdat ik al een maand slecht te been ben verplaats ik me meestal met het koetsje. Binnenkort zal ik genezen zijn, de ontsteking mindert en er vormt zich een nieuw vel. (…)
(…) Omwille van Gods glorie en het heil van de zielen, blijf ik hier, hoop ik, op mijn post tot het einde. Ik ben hier gelukkig en tevreden, en kan ik ook nog een beetje goed doen. Daarom verlang maar niet te zeer, me nog terug te zien in deze wereld.” (…)

15. Kalawao, 25 februari 1885 (Köckemann, Bernard - brief in het Frans)

(…) Ik ben waarschijnlijk kreupel voor de rest van mijn leven. Die vreselijk uitziende voet van me die u heeft gezien in Honolulu is nog niet genezen, hoewel de wonde nu dicht is,  is de ontsteking en  opzwelling van de  hoofdzenuw in hiel  gebleven. Ik loop al slepend met mijn [linker]been. Om naar het hospitaal te gaan en ervan terug te keren duurt nauwelijks vijf minuten, maar maakt me zo moe dat het me heel de nacht uit mijn slaap houdt vanwege de pijn.(…)
(…) Indien ik werkelijk besmet ben door die vreselijke ziekte, moet erkend worden dat ze de dood meebrengt die nadert stap voor stap. Zonder me al te grote zorg te maken om mijn lichaam, moet ik vooral bezorgd  zijn om mijn ziel., die een goede biechtvader nodig heeft. Wel, pater Albert is voor mij een goede gids geweest, zijn leiding heeft me goed gedaan. (…)

16. Kalawao, 5 oktober 1885 (Stoddard, Charles - brief in het Engels)

(...) For me it is now impossible to travel to Honolulu because leprosy is showing. Very soon my face will be damaged, I suppose. Being convinced that the disease is real, I remain calm en resigned and I am even happier among my people. The Good God knows  what is best for my sanctification and in this conviction I say every day a good fiat voluntas tua (...)

17. Kalawao, 29 oktober 1885 (Köckemann, Bernard - brief in het Frans)

(…) Het is door de herinnering aan de dag van mijn geloften, wanneer ik onder het baarkleed lag, nu 25 jaar geleden, dat ik het heb aangedurfd  het risico te lopen van besmetting door deze vreselijke ziekte door hier mijn plicht te volbrengen en steeds meer aan mezelf te sterven. Hoewel de ziekte voortwoekert, blijf ik tevreden en gelukkig in Kalawao. (…)

18. Kalawao, 26 november 1885 (De Veuster, Pamfiel - brief in het Frans)

(…) Ik vertrouw ten volle op de Heilige Voorzienigheid en vind mijn troost bij de enige vriend die me niet verlaat, onze heilige Verlosser in de heilige Eucharistie; aan de voet van het altaar biecht ik vaak en zoek ik verlichting van mijn innerlijk lijden. Het is bij Hem en bij het beeld van onze heilige Moeder dat ik soms prevelend smeek om mijn gezondheid te beschermen (…)

19. Kalawao, mei 1886 (Montiton, Albert - brief in het Frans)

(…) De ziekte waarvan  het begin u niet bekend is, maakt angstaanjagende voortgang, en dreigt zelfs me onstabiel en onbekwaam te maken om mis te lezen, en omdat er geen ander priester is, zal ik de heilige Communie moeten ontberen en het heilig Sacrament. Het is deze ontbering die me het meest zal treffen, en mijn toestand onhoudbaar  zal maken. Het is niet de ziekte noch het lijden dat me ontmoedigt, verre van, tot nog toe ben ik gelukkig en tevreden, en indien ik de keuze mocht hebben hier te vertrekken in goede gezondheid, dan zou ik zonder aarzelen zeggen: ‘Ik blijf hier bij mijn melaatsen tot het einde’ (…)

20. Kalawao, 26 augustus 1886 (Chapman, Hugh - brief in het Engels)

(…) Zonder de  constante tegenwoordigheid van onze Goddelijke Meester op het altaar in mijn armoedige kapel, had ik nooit kunnen volharden in mijn besluit het lot van de melaatsen van Molokaï te delen.  Maar door de heilige Communie, het dagelijks brood van de priester, voel ik me gelukkig, zeer tevreden en gelaten in deze ietwat bijzondere toestand, waarin  de goddelijke Voorzienigheid me heeft willen plaatsen.(…

21. Kalawao, 30 december 1886 (Weiler, Januarius - brief in het Frans)

(…) Het verlaten zijn door de confraters is me pijnlijker dan de ziekte… wel te verstaan, ik verlang niet meer dan in Kalawao te blijven, melaats of niet; laat mij ‘perficere cursum meum usque ad finem’. Verder ben ik tevreden en gelukkig en beklaag ik me over niemand; in afwachting dat mijn biechtvader komt, biecht ik van tijd tot tijd voor het heilig Sacrament. (…)

22. Kalawao, 9 november 1887 (De Veuster, Pamfiel - brief in het Engels)

(…) Ik blijf God voor eeuwig erkentelijk voor deze gunst. Het lijkt me alsof deze ziekte de weg, die me naar ons geliefde vaderland leiden, zal verkorten en vernauwen. In deze hoop aanvaard ik mijn ziekte als mijn uitzonderlijk kruis; ik probeer het te dragen zoals Simon van Cyrene, in het voetspoor van de Heer. (…)

23. Kalawao,1889 [brief aan H. Chapman]

He will show you by his work of art  what damage the disease has caused in my appearance. There is I not even a glimmer of hope that I will recover, unless it would be through a miracle, but for such a miracle  I wouldn’t even tempt the Lord,  completely convinced as I am that it is his Holy Will that I will die in the same manner and from the same disease as my contaminated  flock.

24. Kalawao, 21 februari 1889 (P.S. in brief van James Sinett aan Clifford, Edward - brief in het Engels)

(…) Al mijn liefde en beste wensen aan onze goede vriend Edward. Ik tracht langzaam mijn kruisweg te gaan, en ik hoop de top van mijn Golgotha te bereiken. Voor immer de uwe (…)

25. Molokai, 17 april 1889 (Möllers, Wendelin citeert Damiaan in 'Details sur la mort du P. Damien')

(…) Zijn gehechtheid aan de Congregatie was bewonderenswaardig. Dikwijls heeft hij gezegd: ‘Pater u vertegenwoordigt voor mij hier de Congregatie, nietwaar? Laten we samen de gebeden van de Congregatie bidden. Hoe zoet is het te sterven als kind van de Congregatie!’ Verschillende malen vroeg. hij me te schrijven aan  Hoogeerwaarde pater Generaal om hem te laten weten, dat zijn zoetste vertroosting op dit ogenblik er in bestond te sterven als kind van de Congregatie van de Heilige Harten. (…)

Citaten uit Damiaans Correspondentie

Presentatie: Citaten uit Damiaans Correspondentie

Hermeneutische knooppunten

 

1. Wil er iemand mijn Messias zijn?

Waarom hebben mensen nood aan hedendaagse verlossers en spirituele meesters? Aan idolen, helden en zelfs heiligen? Onze samenleving onthult een duidelijke paradox. Enerzijds is er een voortschrijdende secularisering en verliezen geïnstitutionaliseerde vormen van religie aan invloed. Anderzijds is er duidelijk een nieuwe zoektocht naar zingeving. Wanneer nu mensen er niet in slagen de dingen die samenhangen met zingeving op maat te snijden, kunnen deze ook niet functioneren. Opmerkelijk is dat religie zich hier juist manifesteert als een vitaal 'gebruiksgoed' dat speelruimte biedt voor de verbeelding. Zo is in onze samenleving heel duidelijk een belangrijke rol weggelegd voor een aantal goed ingeburgerde en als legitiem ervaren praktijken van volksdevotie. Ontstaan uit de verspreiding van versimpelde kennis voor ongeletterden, zijn heel wat van deze praktijken een onderdeel geworden van onze cultuur. Dit wordt duidelijk in 2005 wanneer de Vlamingen met de verkiezing van pater Damiaan tot hun 'Grootste Belg' eigenlijk zo goed als een ‘voorschot’ nemen op zijn heiligverklaring. Dit wordt bevestigd door de - op enkele obligate cynische reacties na - haast uitsluitend positieve geluiden naar aanleiding van de canonisatie in 2009 zelf, ook vanwege niet-katholieken. Hieruit blijkt hoe de praktijk van heiligverklaringen voor een stukje ook dient om de zaken ‘uit te klaren’. Heiligen vormen als het ware een deken over religie en traditie en maken aanschouwelijk en bevatbaar waar de rooms-katholieke traditie juist voor staat. Zo voelt de man in de straat aanwijsbaar minder affiniteit voor de als wereldvreemd ervaren rooms-katholieke dogma’s, dan voor Damiaans onvoorwaardelijke inzet voor zijn medemens en zijn ultieme zelfgave. In de radicaliteit van deze zelfgave geldt pater Damiaan als het prototype voor een christengelovige. Zijn levensstijl steekt fel af tegen de impulsen van materialisme en provincialisme en van verloren geloof in God en medemens die onze tijd tekenen en erop wegen. De weerkerende fascinatie voor Damiaan als 'man uit één stuk' toont een diepe hunker naar een leven dat meer grootsheid, samenhang en zin vertoont.

2. Damiaan, mens of mythe?

Na zijn dood creëerde, bestendigde en publiceerde de kerk overdreven mythen over Pater Damiaan. De kerkelijke biografieën bepalen de accenten van de mythe Damiaan: zijn vrome jeugd, de kinderlijke en immorele staat van de wetteloze lepralijders en de bewering dat Damiaan beresterk is. In het licht van dit alles is er enerzijds nood aan een soort van ontmythologiseren. De context waarin Damiaan leefde en werkte was er nu eenmaal één van een zeker paternalisme en een duidelijke missioneringdrang. Anderzijds mogen we het werk en de inspanningen van Damiaan ook niet bagatelliseren. Zijn levenswandel en boodschap is verre van gewoon. Waar het op aankomt is dat de mensen Damiaan in zijn context zouden beschouwen. Niet alleen de historische context, maar ook die van spiritualiteit en traditie.

3. De méns Damiaan: roeping

Wat heeft Damiaan tot zijn keuze bewogen? Door te opteren voor een leven in dienst van God, gaat hij in tegen de verwachtingen van zijn ouders die op hem rekenen om het familiebedrijf te sturen. Hier is een duidelijke spanning merkbaar tussen beroep en roeping. Damiaan verlaat de vertrouwde huiskring en kiest in zekere zin voor de vervreemding. De kracht van het voorbeeld - zijn broer August en twee zussen trekken het klooster in - zal hierbij zeker een belangrijke rol gespeeld hebben. Damiaan kiest niet van bij aanvang voor een leven ‘om de zwakken te helpen’. Zijn keuze is een gelovige, vrome keuze. Hij maakt ze in zijn eigengereide, resolute stijl. De stijl van de archetypische, eenvoudige Hagelandse boer.

4. De méns Damiaan: geloof

Bij zijn keuze speelt zoals gezegd de kracht van het voorbeeld. Ook in brede zin: de volksdevotie die ten tijde Damiaan floreert. Damiaan wordt thuis geconfronteerd met de typische geloofspraktijk en kerkelijkheid van die dagen. Veel aandacht wordt besteed aan volkse gebruiken en gezegden. 's avonds luistert Damiaan gefascineerd naar de verhalen van zijn moeder, vaak uit een boek over heiligenlevens. Ook het verhaal over Cosmas en Damianus boeit Damiaan. Deze tweelingartsen werden in 304 vervolgd, gemarteld en uiteindelijk onthoofd. Damiaans geloof is een boerengeloof. De devotie is laagdrempelig en volgt het ritme van kerkelijk jaar en van de seizoenen. Het leven wordt geleefd volgens de voorschriften van de catechismus. Damiaan weet zich zeker aangesproken door de structuur en veiligheid van het religieuze leven, door een leven van gebed en werken, een leven volgens de richtlijnen en beden van het Onze Vader. De keuze voor de congregatie van de Picpussen waar Damiaan toetreedt (de paters van de Heilige Harten van Jozef en Maria) markeert hem evenzeer. Haar spiritualiteit is er één van een klemtoon op Gods goedheid en barmhartigheid; een inzet voor de groei en de komst van het Rijk Gods; de imitatio Christi (vier leeftijden) en de eucharistische tegenwoordigheid van de Heer.

5. De méns Damiaan: priester-missionaris (Puna, Kohala)

Damiaan weet zeker van het missiewerk van de Picpussen en herkent het als manier bij uitstek om het Rijk Gods te realiseren. Toch is missioneren voor hem bij aanvang geen echte optie. De ommekeer komt er wanneer zijn broer (August) Pamphiel ziek valt en moet verzaken aan een zending naar de missies. Damiaan eist Pamphiels plaats op en neemt zich voor te vertrekken. Zijn voornemen en vertrek getuigen van een jeugdig ongeduld en overmoed. Damiaan heiligt het principe dat er buiten de Kerk geen heil bestaat en neemt zich voor om daarom zielen te gaan redden in de Sandwich eilanden, bij de 'primitieve Kanakken'. Damiaan vertrekt ook helemaal niet om te gaan werken bij lepralijders. De apostel der melaatsen is in eerste instantie ‘apostel’, verkondiger van de 'blijde boodschap van God'. In zijn verkondiging is Damiaan 'conservatief' qua geloofspraktijk, liturgie en sacramenten. Zijn progressiviteit ligt op het vlak van zijn confrontatie met de realiteit; in de omgang met een vreemde cultuur, met protestanten. Damiaan leert eenzaamheid kennen en beseft zijn nood aan een goede leidsman. Hij botst op zijn fysieke grenzen. In deze eerste missieperiode raakt Damiaan zeker ook teleurgesteld. Hij moet vaststellen dat zijn bekeerlingen niet standvastig zijn. Damiaan vervalt in een routinepatroon waarbij hij vaak teruggrijpt naar zijn jeugd. Damiaan wil terug naar de bron: studeren, bidden, zieken bezoeken. Hij wil verzaken aan materiële bekommernissen (Mt. 16:26). Hij is duidelijk toe aan een nieuwe uitdaging.

6. De méns Damiaan: priester-missionaris (Kalawao)

Damiaan kiest resoluut voor een zending in de melaatsenarchipel. Hij wil zich gaan bezighouden met de zielzorg van leprapatiënten op Kalawao. Daar aangekomen ervaart Damiaan als snel een soort van tweestrijd. Enerzijds voelt hij zich geroepen om zich te focussen op de zielen van de leprapatiënten en ervaart hij de noodzaak om een zekere afstand te bewaren ten aanzien van de patiënten, uitgaande van de tijdelijkheid van zijn missioneringopdracht. Anderzijds wordt Damiaan geconfronteerd met zieken die niet alleen ontnuchterend nabij zijn, maar ook permanent. Op Kalawao wordt Damiaan de Damiaan van 'wij melaatsen'. Hij evolueert naar een leven van woorden én daden. Hij zet zich in voor leprapatiënten in alle solidariteit. Hij komt de uitgesloten en verkommerde melaatsen tegemoet en 'raakt' ze. Hij aanvaardt de (ook eigen) ziekte vanuit een verrijzenisgeloof.

7. Ieder huisje heeft zijn kruisje

Damiaan kent aardig wat conflicten met bewindsleden. De ruchtbaarheid die hij geeft aan de omstandigheden en praktijken op Kalawao brengen de plaatselijke overheid in verlegenheid. Damiaan leeft ook op gespannen voet met de Calvinisten. Daarnaast is ook zijn isolement iets dat zwaar is om dragen. We zouden kunnen zeggen dat Damiaan op Kalawao het failliet ervaart van het klassieke missioneren. Damiaan heeft ook conflicten met zijn eigen religieuze overheid. Hij is niet de enige missionaris. Hij wordt geconfronteerd met afgunst, verdachtmakingen, beschuldigingen. Daarnaast is er ook de realiteit van aftakeling, dood, uitzichtloosheid. Hij leeft in de hel. Desondanks (of misschien dankzij) wordt Damiaan gekenmerkt door een gelovige standvastigheid. Op het einde van zijn leven hernieuwt hij (ondanks alles?) zijn geloften, de cirkel is rond. Damiaan heeft geleefd en is gestorven in dienst van de Heilige Harten. Het kleinmenselijke van de conflicten ontkennen is  niet nodig, het uitvergroten evenmin.

8. Damiaan, voorbeeld van integratie

Damiaan doorbreekt/verlegt grenzen: de grenzen tussen België en Hawaï; superieure blanken en ‘achterlijke’ Kanakken; gezonde en zieke mensen; gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid; paternalisme en openheid/nabijheid. Damiaan doorbreekt de grens van de melaatsheid (om er te blijven en sterven); hij eet met melaatsen en raakt hen; hij mildert als persoon en toont geleidelijk aan een grotere openheid voor interreligieuze ‘dialoog’ en oecumene. Hij omarmt de uiterste consequentie van zijn keuze (sterven op het eiland). Hij is een melaatse.

9. Ziekte van Hansen (stigma)

Damiaan plaatst de ziekte van Hansen mee op de agenda en geeft ze een gezicht. Anderzijds wordt hij ook op zeker moment gebruikt om politieke doeleinden. Zijn rol moet daarom wellicht ook wat genuanceerd worden. Zo gaat wat in zekere zin een 'hype' is rond de figuur van Damiaan,  op een zeker moment ook liggen als blijkt dat de ziekte van Hansen niet ‘zo’ besmettelijk is. Europa heeft daarenboven zijn eigen problemen. Het zit in een periode van wederopbouw. Daarbij is er steeds een beweging naar binnen. Er ontstaat een soort van berusting: uit het oog/uit het hart. Feit is ook dat de ziekte zich lang laat kenmerken door een manifest gebrek aan kennis. Elke samenleving heeft een beeld van wat een normaal mens is. Wie daarvan afwijkt, bijvoorbeeld door uiterlijk of ziekte, wordt anders benaderd dan anderen. Zij worden soms uitgesloten van bijvoorbeeld onderwijs en gezondheidszorg. Dit noemen we stigma. Patiënten van de ziekte van Hansen zijn vanwege hun verminkingen, en de angst voor besmetting vaak gestigmatiseerd. Getuige hiervan is het feit dat patiënten geïdentificeerd worden met de ziekte zelf: niet zozeer ‘leprapatiënt’, maar wel ‘melaatse’ of ‘leproos’. Op de excuses van de Hawaïaanse regering voor de segregatie en stigmatisering van patiënten met de ziekte van Hansen is het overigens wachten tot 2008. Aan het mythische karakter van de ziekte van Hansen draagt eveneens bij dat het een van de oudste ziekten op aarde is. Zowel het Oude en het Nieuwe Testament als de Hadith (aan Mohammed toegeschreven uitspraken) verhalen over ’de straf van God’ en leggen verbanning op. Wie lepra heeft, kan heel lang normaal functioneren. Dat maakt het verval voor alle niet-zieken dreigend zichtbaar, met als gevolg dat verbanning uit angst voor besmetting wereldwijd is toegepast. Al in de zevende eeuw worden in Europa diverse leprozerieën opgericht. Daar worden de rijken in afzondering verpleegd. De armen moeten op het platteland, op gepaste afstand van de weg, zelf een leemhutje bouwen. Vanaf de vijftiende eeuw worden arm én rijk de stad uitgezet na een doodverklaring in de kerk. De schatting is dat in de late Middeleeuwen één op de duizend lagelanders besmet raakt. In afzondering slijten de verschoppelingen hun laatste jaren, van verre herkenbaar aan hun speciale hoed, mantel, handschoenen en ratel, zodat anderen zich op tijd kunnen terugtrekken. Op bepaalde dagen mag er binnen de stadspoorten gebedeld worden, maar de vrees voor besmetting is zo groot dat voor leprozen een permanent verbod geldt om water uit rivieren of putten halen. In de zeventiende eeuw is lepra uit de dichtbevolkte streken van Europa verdwenen. Toch leeft eeuwen later de gevreesde ziekte nog steeds voort in de Nederlandse taal. De melaatse bedelaar Lazarus uit het Nieuwe Testament is patroonheilige van de leprozen. Lepra heet daarom in de volksmond de ziekte van Lazarus. Uitdrukkingen als ’ben je belazerd’, ’oplazeren’ en ’iemand belazeren’ zijn daarop terug te voeren.

10. De daad bij het woord: Damiaan inspireert

Damiaan inspireert en wordt gerecupereerd. Hij is een lichtend voorbeeld, een voorbeeld van 'contemplata tradere': hij bevrijdt mensen uit disconnectie en chaos; hij leert mensen leegte te doorleven; hij draagt ertoe bij dat de eenzaamheid van het individu wordt doorbroken; hij verbindt spiritualiteit met engagement; hij schept een context waarin mensen God zien; hij draagt bij tot meer menselijkheid en humanisering.

11. Religie van onderop en de reactie van machtshebbers

Wat beweegt mensen om heiligen te vereren? Eigenlijk is er meer reden om zich te verbazen over de situaties waarin mensen geen heiligen vereren en geen eigen rituelen koesteren. Wat zouden ze dan overhouden? Dan zouden ze het moeten doen met de abstracte concepten van godgeleerden. Religie is in feite iets uitermate praktisch en alledaags. Ze ontwikkelt zich op het snijpunt van twee existentiële en praktische behoeften. Enerzijds de behoefte aan zingeving, om zo het juiste gedrag te bepalen, en anderzijds de behoefte om aan te sluiten bij één of meerdere gemeenschappen. Als iets belangrijk is voor mensen, dan wordt het onvermijdelijk ook inzet van strijd om de macht. Want wie er de zeggenschap over heeft, die heeft ook echt iets in handen. Machtshebbers (politiek, cultureel, religieus) hanteren vandaar vaak het principe: If you can’t beat them, join them. Een aantal zaken in de verering van Damiaan kunnen in dit licht gezien worden: zijn onderscheiding door de koning Kalakaua; zijn repatriëring en bijplaatsing in een praalgraf te Leuven in 1936; het wandtapijt voor de Belgische stand op de wereldtentoonstelling van 1937; het bijzetten van zijn standbeeld gemaakt door Marisol Escobar in de United States Capitol (waar elke staat twee van zijn grootsten mag vereren); het inrichten van een nationale Damien Day (15/04); zijn zaligverklaring door Johannes-Paulus II (en diens beslissing om dat niet in Rome maar wel in België te doen, in de drie gewesten volgens goede Belgische wafelijzertraditie); zijn heiligverklaring door Benedictus XXIII; de overbrenging van zijn rechterhand als relikwie naar Molokaï in 1995; politieke Belgische initiatieven (o.m. oproep voor een standbeeld in het Paleis der natie). Al deze initiatieven bewijzen het belang van de figuur Damiaan (net zoals de verwijzingen naar Damiaan door figuren als Gandhi en moeder Theresa). Dat dubbelzinnigheid hierbij vaak sluimert is evident. Waar alles er op wijst dat Damiaan niets anders wou dan te rusten bij zijn melaatsen, wordt deze rust op zijn gewenste begraafplaats verstoord omdat de beleving en interpretatie van dit gegeven toen op het thuisfront heel anders was. Daarnaast is er ook de dubbelzinnigheid rond de welvoeglijkheid vandaag de dag om ‘onderdelen’ van een afgestorven persoon de wereld rond te sturen als relikwie.

12. Damiaan Vandaag

Damiaans leven en werk blijven tot de verbeelding spreken. Tal van mensen zien in Damiaan een voorbeeld omwille van zijn keuze voor de armen en uitgestotenen. Zoveel jaren na zijn dood, leeft Damiaan nog voort in alle ontwikkelingshelpers, vrijwilligers en in iedereen die geeft voor het goede doel. Hij inspireert hen ook om door te zetten, wanneer het even moeilijk gaat. Tijdens zijn verblijf op Molokaï ontpopt Damiaan zich tot een manusje-van-alles. Hij steekt de handen uit de mouwen om zijn vrienden-melaatsen een leefbare omgeving aan te bieden. Hij is politieman, timmerman, onderwijzer, architect, verpleger, begrafenisondernemer, chirurg, auteur, mediafiguur, lobbyist, uitvinder, organisator. Damiaan volgt een rechte weg, maakt zware offers, geeft nooit op, is de eerste ontwikkelingswerker, weekt emoties los, is pluralistisch, staat tussen de mensen, tilt de samenleving hoger, en is een voorbeeld. Damiaan laat een duidelijke boodschap na, een boodschap die uitgedrukt wordt in enkele extreme karaktertrekken: doorzettingsvermogen, moed, wilskracht, koppigheid maar ook een grote openheid naar anderen en een grenzeloze liefde voor zijn medemensen. Blijven vechten, soms tegen beter weten in, zodat elke zieke zich gerespecteerd weet: dit is het credo van Damiaan.

Impulsen & didactische suggesties

1. WIL ER IEMAND MIJN MESSIAS ZIJN?

Literatuursuggesties

Johan Verstraeten, De betekenis van spirituele meesters vandaag (Verslagboek Vliebergh-Sencie-leergang, sectie Catechese, 2008), Acco/Vlaamse Bijbelstichting, Leuven/Voorburg/Leuven (verschijnt in 2009).

Henk Tieleman, Waarom hebben mensen behoefte aan heiligen en idolen? Over volksreligiositeit in soorten (Verslagboek Vliebergh-Sencie-leergang, sectie Catechese, 2008), Acco/Vlaamse Bijbelstichting, Leuven/Voorburg/Leuven (verschijnt in 2009).

Impuls 1."Citaat: H. de Greeve S.J., Pater Damiaan, in: Reeks Missiehelden 8 (19254)"

Eigenlijk had dit brochuurtje als titel moeten dragen "De Held van Molokai", maar daarmee zou hij in zo'n vreemd gezelschap terecht komen, dat ik deze titel achterwege liet. Want tegenwoordig is zowat Jan en alleman een "held". De eerste de beste doodtrapper, die de fietswedstrijd Parijs-Bordeaux won en de heldhaftigheid zover ten top voerde, dat hij de laatste heuvel vóór Bordeaux nog durfde "nemen", stond in de krant aangeprijsd als held, en al de doodtrappers die hem in deze heldenstrijd, tot aan 1891, waren voorafgegaan, waren ook helden. Dat gezelschap vond ik te generend. Daarom maar liever "Pater Damiaan". Als het tot gummi gemasseerde heldenvlees van wielrijders en boksers broederlijk zal vergaan zijn tot stof, waarover andere helden van de kilometers hun banden en hun benen zullen verslijten, zal zijn naam nog leven, zijn naam die een geschiedenis dekt: Pater Damiaan.

Infoblokje

De wielerwedstrijd Bordeaux-Parijs werd voor het eerst gereden in 1891, en kende 86 uitgaven, waarvan de laatste plaats vond in 1988. Deze wielerkoers nam een unieke plaats in onder de wielerklassiekers, zowel vanwege zijn uitzonderlijke lengte van 550 tot 620 km, als vanwege de manier van rijden. De eerste 300 tot 350 km van het parcours werden namelijk achter een derny gereden, een soort motorfietsen waarvan de snelheid wordt aangegeven met trappers.

Impuls 2. Eddy Merck ambassadeur Damiaanactie

Merckx_Kinshasha_3.jpg

Merckx_Kinshasha_7.jpg

Merckx_Kinshasha_8.jpg

Infoblokje

"Ik zou me doodschamen mocht ik verkozen worden boven een monument als Pater Damiaan", liet Eddy Merckx zich tijdens de verkiezing van Grootste Belg ontvallen. De grootste wielrenner aller tijden eindigde uiteindelijk op twee plaatsen van winnaar Damiaan. Opmerkelijk: in 2008 mocht hij zich ambassadeur van de Damiaanactie noemen. Zo trok hij naar Kinshasa, de hoofdstad van Congo, om daar de strijd van Damiaanactie tegen lepra en tbc te bekijken. Merckx werd vooral door de oudere Congolezen ingehaald als volksheld. Toch weet hij niet of hij ooit nog terugkeert. "Ik heb de ellende gezien. Ik denk dat ik van hieruit meer kan betekenen voor die mensen."

Impuls 3. Sint Franciscus (Bart Peeters)

O Sint Franciscus, U bleef bij de bewering
Dat ontbering de weg is naar het hemelrijk
Dus bleef u kiezen voor ascese in Asisse
En vond u glamour maar wat troosteloos gezeik
Maar is geluk dan niet een soort van pleister
Die niet eens zo bijster lang kleeft
Zoals een voetbal die als bij toeval
Toch nog even langs de doellijn zweeft
O Sint Franciscus U was een diva
Zonder antidepressiva, mijn mystieke held
U converseerde voortdurend met de mussen
Hebben die beestjes ondertussen al iets wezenlijks verteld
En is geluk niet gewoon een soort van pleister
Die niet eens zo bijster lang kleeft
Behalve dan bij u o dubbel doorgedraaide sint
Die vindt dat je in armoe pas echt leeft
Uw mediaprofiel zal niet ten onder gaan
Hebt u dat werkelijk, Sint Franciscus, zonder manager gedaan
Zonder businessplan, zonder productioneel nv
Zonder printcampagne, zonder radio en tv
Maar is geluk niet gewoon een soort van pleister
Die niet eens zo bijster lang plakt
Voor u de hemel in het klad
Maar voor mij eerder een rat die diamanten kakt
O Sint Franciscus, ik wil niet stressen
Maar zo'n consultatie is dat duur
Red asjeblief mijn ziel en geef me duizend levenslessen
Of plukt u liever verder bessen in de natuur
En vond u glamour maar wat troosteloos gezeik

Bart Peeters - Sint Franciscus
Infoblokje

Ascese versus glamour
In Sint-Franciscus spreekt Bart Peeters over de heilige Franciscus als iemand die kiest voor ascese. De (gematigd) ascetische levensstijl is echter iets dat eigen is aan vele heiligen, in overeenstemming met het Bijbelse ideaal van matigheid. Die matigheid is ver te zoeken in de showbizzwereld. Daar lijkt het immers alsof glitter en glamour  noodzakelijke mogelijkheidsvoorwaarden zijn voor sterrendom.

Mystiek of open en bloot?
Bart Peeters noemt Franciscus zijn mystieke held. Deze uitspraak kan meerdere betekenissen hebben. Aan de ene kant kan het mystieke verwijzen naar datgene wat verborgen is, wat iets geheimzinnigs of raadselachtigs heeft. Aan de andere kant verwijst mystiek naar de ervaring van de nabijheid van het goddelijke waarbij het ‘ik’ niet langer centraat staat. In beide gevallen staat het mystieke haaks op de portrettering van bekende personen in de media. De cultus van de sterren draait immers rond de verheerlijking van het ‘ik’, en dat ‘ik’ wordt in al zijn facetten aan de wereld getoond.

Diva’s met en zonder antidepressiva
Het woord ‘diva’ betekent letterlijk ‘godin’ en het is juist die goddelijke status die velen niet kunnen hanteren. Aan de ene kant verlangen ze naar de roem, maar aan de andere kant worden ze er ongelukkig van, wat leidt tot (zelf)destructief gedrag als drugs- en drankmisbruik, agressie, seksverslaving of zelfs (pogingen tot) zelfmoord. Het leven van de katholieke heiligen was natuurlijk ook niet altijd rozengeur en maneschijn, integendeel. Vaak kenden ze pijn en gaven zij zelfs letterlijk hun leven voor een hoger doel en voor hun medemens. Dat is een duidelijk verschil met het zelfdestructieve gedrag van hedendaagse halfgoden en -godinnen die niet kunnen leven met de spanning tussen imago en identiteit, met de tegenspraak tussen hun zelfbeeld en het beeld dat van hen wordt voorgehouden aan de wereld.

Een mediaprofiel dat niet ten onder gaat?
Allicht het belangrijkste verschil tussen de heiligen en de halfgoden van medialand, is de inspiratie waaruit hun faam is ontstaan. We zouden dat verschil kunnen karakteriseren als het onderscheid tussen roeping en ideaal. Bij een ideaal ontwerpt men als mens een specifieke levenskeuze of taak, die men zo goed mogelijk wil realiseren. Hiervoor moet men zijn individuele mogelijkheden en gaven ontplooien. Het ideaal staat dan ook in het teken van zelfrealisatie. In tegenstelling tot een ideaal ontstaat de roeping niet vanuit het ‘ik’, maar vanuit het andere dan het ‘ik’. De roeping komt van buitenaf en de mens krijgt de keuze om aan die roeping te beantwoorden. Vaak is dat een proces dat met een crisis gepaard gaat, juist omdat die roeping zo sterk ingrijpt in het eigen levensproject; de geroepene is dan vaak niet echt dolgelukkig met die roeping en probeert ze eerst te negeren, al blijkt dat vrijwel onmogelijk. Heiligen zijn niet bekend zijn omwille van het bekend zijn zelf, maar om wat ze (voor anderen) hebben gedaan. Hún ‘mediaprofiel’ zal dan ook niet snel ten onder gaan, zoals Bart Peeters terecht opmerkt.

Bron: Eline De Bruyne, Geroepen tot roem? Over de verering van heiligen en idolen, in Mensen Onderweg 111/4 (2009) 9-16.

Infoblokje

Ik weet weinig over bidden, mijn katholieke roots zijn weggeknabbeld door de konijnen van de Ethicologische Pragmatiek, maar toch denk ik te begrijpen wat de grote les van Sint Franciscus (San Francisco!!!) was...  Ik ben niet ascetisch maar heb geen materiële verlangens, geen, ik wil alleen nog triljoenen shots liefde geven en krijgen, en ik besef dat ik ook op dat vlak nog veel moet leren. (Bart Peeters over zijn track Sint Franciscus op het album De hemel in het Klad).

Impuls 4. Mediafragment: De Grootste Belg (Jef Vermassen)

De grootste Belg - Pater Damiaan
(Info: Deze link zal openen in Windows Media Player)
Jef Vermassen

Op het melaatseneiland Kalawao

Standbeeld Honolulu (Marisol Escobar)

Infoblokje

Voor Jef Vermassen, de bekendste Belgische strafpleiter, bestaat er geen twijfel: Damiaan is De Grootste Belg. Natuurlijk spreekt Damiaans verhaal al voor zich. Maar toch zijn er bepaalde aspecten die Vermassen extra aangrijpen. We zetten ze hier eventjes op een rijtje.

Grote gedrevenheid
Als Damiaan naar Hawaï vertrekt, is hij helemaal geen rebel en heeft hij nog steeds veel respect voor de Kerk en zijn ouders. Maar hij heeft ook een heel sterke innerlijke overtuiging. Het is die innerlijke overtuiging die ervoor zal zorgen dat hij later doet wat hij doet. Er zijn veel goede mensen met goede bedoelingen in de wereld, maar volgens mij zijn er maar weinig met de gedrevenheid van Damiaan. Het is ondermeer die gedrevenheid die hem voor mij De Grootste Belg maakt.

Doe wel, kijk niet om
Ongelooflijk wat één man op Molokai verwezenlijkt. En dat zonder technische opleiding en met beperkte middelen. Damiaan legt een waterleiding en een weg aan. Hij bouwt een muur rond het kerkhof. Hij timmert huisjes in elkaar, lapt de oude kerk op en bouwt een nieuwe, tweede kerk. Met zijn blauw timmermanspotlood tekent hij zelf de ontwerpen. Hij timmert, zaagt en bouwt. Damiaan verandert een plek in totale chaos op enkele maanden tijd in een leefbare plaats.

Zonder afstand
Damiaan kreeg het advies afstand te houden van de melaatsen. Na een tijd negeert hij dat. Hij leeft bewust tussen de melaatsen, raakt hen aan, verzorgt hen... en zaait zo de kiem voor zijn eigen dood. En dat in een tijd dat niemand de melaatsen wil helpen. Zelfs hun eigen familie niet. Behalve een vreemdeling van aan de andere kant van de wereld die zijn hart voor hen opent. Hen materieel helpt. Én hen laat voelen dat ze nog meetellen. Dat er minstens één iemand is die wél om hen geeft.

Eigen agenda
De kerk stuurt een missionaris naar Molokai na een krantenbericht over de schrijnende toestand op het eiland. Maar Damiaan wil geen schaamlapje zijn. Hij wil zich niet laten misbruiken om het imago van de kerk op te poetsen. Damiaan is niet voor de show naar de melaatsenkolonie gekomen. Hij wil het lot van zijn melaatsen fundamenteel verbeteren. En dat doe je niet alleen door kerken en huizen te bouwen en door mensen te dopen. Maar ook door keihard hun belangen te verdedigen.

Recht door zee
Damiaan is geen brave Vlaamse pastoor die op zijn eentje zit te wroeten in de barre grond van Molokai. Als het er op aankomt is hij een keiharde voorvechter voor de rechten van zijn melaatsen. Hij zegt waar het op staat en trekt zich niets aan van wat zijn oversten, de regering of wie dan ook daar van vinden. Door deze houding creëert hij heel wat tegenstand bij de kerk. En kiest hij voor de moeilijkste weg.

Met het hart
Damiaan is ook geen enggeestige religieuze die alles 100% volgens het boekje doet. Hij vertrekt vanuit zijn hart en niet vanuit strikte regels. Met beperkte middelen, veel creativiteit en doorzettingsvermogen maakt pater Damiaan van de melaatsenkolonie Kalaupapa op Molokai een leefbare plaats. Waar melaatsen mens kunnen zijn. Het maakt niet uit of ze bekeerd zijn of niet: als iemand voor zijn deur sterft van ontbering is Damiaan de laatste om hem te vragen tot welke godsdienst hij behoort.

Vallen en opstaan
Zelfs Damiaan heeft momenten waarop hij breekt. Dan klimt hij de hoge rotswand op die de melaatsenkolonie van de buitenwereld afschermt. Toch daalt hij steeds weer af. Ik vind de twijfels van Damiaan net zo belangrijk als zijn doorzettingsvermogen. Hij is geen superman. Hij is een mens zoals u en ik die evengoed zijn moeilijke momenten heeft. Dat maakt hem net nog sterker. Zijn kracht schuilt in de manier waarop hij steeds opnieuw na iedere tegenslag de moed vindt om door te gaan.

Op zijn manier
Damiaan was de eerste die hulpverlening op zijn manier deed. De manier waarop hij met onrecht omgaat, is compleet anders dan wat iedereen in die tijd gewend is. Bij alles wat hij doet, stelt Damiaan de mens centraal. Hij vertrekt niet vanuit kerkelijke regels. Hij is niet geïnteresseerd in zieltjes winnen. Wat hij doet, doet hij vanuit een diepe, oprechte bekommernis voor andere mensen. En die onbevangenheid is op dat moment zo nieuw en zo verfrissend. En inspireert nu nog steeds ontelbare mensen.

Bron:

Damiaanactie

Top 4 van het Grootste Belg concours vlnr. Merckx (3), Damiaan (1), Ambiorix (4), Louis Janssens (2)

Top 4 van het Grootste Belg concours vlnr. Merckx (3), Damiaan (1), Ambiorix (4), Louis Janssens (2)

Aanvullende literatuur

Lut De Broey, Damiaan, symbool van solidariteit. Interview met Jef Vermassen, in: Mensen Onderweg 106/1 (2006) 2-9.

Impuls 5. Road to Tremelo (Eline 't Sant) - Reliek onder glazen stolp

 “The Soap History”: Tremelo nodigde de paus uit bij zijn bezoek aan België naar aanleiding van de nakende heiligverklaring van Damiaan. Alle voorbereidingen werden genomen maar de paus kwam uiteindelijk toch niet naar Tremelo omdat hij in zijn badkamer op een stuk zeep was uitgegleden. Het bezoek was ‘om zeep’ tot grote ontgoocheling van Tremelo. De Zeep troont bovenaan de stapel; de stapel papier, doeken en procedures die nodig zijn voor een heiligverklaring. De noodzakelijke mirakels vooraleer een procedure kan opgestart worden; het purper, het witte en het gouden mirakel. Purper, wit en goud zijn de pauselijke kleuren. Mirakels, papieren, procedures en een stuk zeep, netjes opgestapeld en samengebonden tot één groot pakket: ‘de heiligverklaring’.

Infoblokje

Het werk van Eline ‘t Sant vertoont een sterk animistische inslag, draagt iets bezwerend in zich en legt de littekens van een ritueel verleden bloot.  Wat Eline ‘t Sant hierdoor aangeeft, moeten de werken vervolledigen:  de relatie tussen heden en verleden, tussen de kracht van het leven en de breekbaarheid van de objecten die ze reanimeert, de eeuwenoude gebruiken om te bewaren, te verpakken en in te wikkelen voor een ander bestaan.

www.elinetsant.be

Impuls 6. Mediafragment: Audrey Toguchi (miraculeuze genezing)

 
Audrey Toguchi - miraculeuze genezing
youtube

Audrey Toguchi - miraculeuze genezing

*Klik op de afbeelding om de video af te spelen

Impuls 7. Cartoons

Cartoon_HARA_KIWI.jpg

paterdamiaan_1.jpg

paterdamiaan_2.jpg

paterdamiaan_3.jpg

ZAZA_Damiaan.jpg

2. DAMIAAN, MENS OF MYTHE?

Impuls 1. Documentaire (de jeugd van Damiaan) - 3'37”

Damiaan, mens of mythe
youtube

Damiaan, mens of mythe

*Klik op de afbeelding om de video af te spelen
Achtergrondinformatie

Impuls 2. Citaten

(In ontwikkeling)
Hand-out citaten

Impuls 3. Repatriëring (mythologisering) - 7'32”

Repatriëring Damiaan - 1936
youtube

Repatriëring Damiaan - 1936

*Klik op de afbeelding om de video af te spelen
Achtergrondinformatie

3. DE MÉNS DAMIAAN: ROEPING

Impuls 1. Documentaire (de roeping van Damiaan) - 8'21”

youtube

De méns Damiaan roeping

*Klik op de afbeelding om de video af te spelen

Damiaan

Damiaan poseert als Franciscus Xaverius S.J.

Pauline De Veuster (zuster)

Boek met heiligenlevens

Pamfiel (August) De Veuster SS.CC. (broer)

Impuls 2. Roeping van een priester-broeder (Br. Bart Verhack) - 4'47”

Hand-out
Roeping van een priester broeder
youtube

Roeping van een priester broeder

*Klik op de afbeelding om de video af te spelen

Impuls 3. Roeping op het menu (Zr. Marina Rerren) - 1'18”

youtube

Roeping op het menu (Braambos)

*Klik op de afbeelding om de video af te spelen
Infoblokje

Een hot item is roeping niet. Vacatures voor het priesterschap en het religieuze leven zijn er in overvloed. Maar zwijgen over roeping is uit den boze, vindt zuster Marina Rerren, vicecoördinator van de Vlaamse roepingenpastoraal. Jongeren moeten weten dat het als mogelijkheid op het menu van het leven staat. Naar aanleiding van roepingenzondag op 3 mei laat Braambos zuster Marina aan het woord (Roeping op het menu. Close-up. Braambos, 10/05/2009).

Impuls 4. Citaten uit de familiebrieven van Damiaan

Infoblokje

Pater Damiaan werd op 3 januari 1840 geboren te Tremelo als Jozef De Veuster. Hij trad in 1859 toe tot de Congregatie van de Heilige Harten van Jezus en Maria (paters Picpussen) te Leuven. In 1862 vertrok hij naar de Hawaï-eilanden in de Stille Zuidzee. Na 9 jaar missiewerk bood hij zich vrijwillig aan om te werken bij de melaatsen op het eiland Molokai. Toen pater Damiaan op 15 april 1889 als melaatse stierf, was hij reeds wereldberoemd. Het onbaatzuchtige offer van zijn leven wekte aandacht en bewondering op in heel de wereld. De paters Picpussen van Leuven bewaren een interessante collectie m.b.t. de figuur van pater Damiaan. Deze Damiaancollectie kwam tot stand in een periode van 100 jaar (1890-1990) en valt uiteen in twee grote delen. Enerzijds is er het materiaal dat verzameld en aangemaakt werd in het kader van het zaligverklaringsproces. Anderzijds is er allerlei archief- en documentatiemateriaal dat verzameld werd als illustratie van de aandacht voor de figuur van pater Damiaan gedurende de hele 20ste eeuw. De collectie is een toevallige verzameling van documenten die onderling geen logische samenhang vertonen. Meerdere personen hebben vanuit hun eigen interesse en behoefte documenten verzameld en geordend. Een deel van de verzamelde archiefstukken (vnl. daterend van 1850 tot 1900) houdt rechtstreeks verband met pater Damiaan. Men vindt er de “brieven van Damiaan”. Deze brieven (die eigenlijk thuis horen in het archiefbestand van de bestemmeling) werden, samen met andere geschriften van de hand van pater Damiaan, verzameld in het kader van het onderzoek van de geschriften van de kandidaat-zalige dat binnen de Causa een belangrijke plaats inneemt.

Powerpointpresentatie
Hand-out

4. DE MÉNS DAMIAAN: GELOOF

Literatuursuggesties

Johan Verstraeten, De betekenis van spirituele meesters vandaag (Verslagboek Vliebergh-Sencie-leergang, sectie Catechese, 2008), Acco/Vlaamse Bijbelstichting, Leuven/Voorburg/Leuven.

Zie infoblokje 4. Volksdevotie

Impuls 1. Pedro de Ribadeneyra S.J., Heribertus Rosweydus S.J., Generale legende der heylighen met het leven Iesv Christi ende Marie, vergadert uit de H. Schrifture, Oude Vaders, ende registers der H. Kercke (derde druk)

Infoblokje

Het geluk van grootvader en kleinzoon eindigde in juni 1845, toen Hendrik stierf. Jef, die vijf en een half jaar oud was, treurde om zijn opa. Bij de herder Tiske Vie kon hij zijn verdriet kwijt. Hij bracht dan ook steeds meer tijd met hem door. De man leerde hem hoe dieren te verzorgen en riep hem als een schaap 'werpensklaar' was. Jef was zo vaak bij de herder dat hij de bijnaam 'scheperke' kreeg. Zo gauw hij uit de buurt van Cato was, begon de diepgelovige Tiske een litanie van vloeken en obsceniteiten uit te schreeuwen. De kinderen giechelden dan. Nog spannender waren Tiskes spookverhalen. Hij toonde hun de bomen waartussen de dwaallichten, zielen van ongedoopte kinderen, hingen. Ze moesten hun klompen met de tip naar de deur plaatsen, want anders zou de Moor hen pakken. Soms bracht Tiske hen tot vlak bij de hut van Peter Hoeylichen. Dat was een heldenstukje, want de man was een echte heks. Als je hem goed betaalde, vervloekte hij je vijand. Die werd dan ziek en stierf. Hij las in het 'Dubbele Ambrosius' boek over hekserij. De kinderen vermeden dat onderwerp, want er werd gefluisterd dat ook Cato een heks was. Ze las immers gotische letters in het grote boek met heiligenlevens. Alleen heksen, zo pestten andere kinderen de De Veusters, konden die ontcijferen. Jef begreep dat niet, want in het boek stonden heilige verhalen, zoals hoe de wijze, erudiete priester Pamphilus een martelaar werd. Elk hoofdstuk begon met twaalf tekeningen. 'Kapellekens' noemde Cato die tamelijk ruwe zwartwittekeningen. Jef hield van het verhaal van de tweeling, Cosmas en Damiaan, artsen die veel goeds deden en samen de marteldood stierven. Later leerde Cato haar kinderen ook gotisch lezen. Dan kon ze kousen stoppen. [...]

Als het etenstijd was of er een speciale klus geklaard moest worden, blies Cato op een koehoorn. Cato, nu de vrouw des huizes, imiteerde dan Mamère. Rechtstaand bad ze het benedictus. Pas als ze duidelijk 'amen' had gezegd - het enige woord dat de meeste mensen verstonden - mocht men uit de grote pot de stoverij of stamppot lepelen. Ondertussen zat Frans aan een kleine tafel in de beste kamer alleen te eten, tenzij hij een belangrijke bezoeker had of als Leonce en Gerard thuis met vakantie waren, want de mannen mochten ook uit het 'goede servies' eten. Op zondag ging de hele familie samen naar de mis in Werchter. Cato liep met de kinderen voorop over het jaagpad langs de Dijle. Ze hield een rozenkrans in haar stevige handen en ratelde de gebeden af. De kinderen volgden haar en moesten bepaalde delen mee opzeggen. Ze hield op met bidden als ze aan de rand van Werchter kwamen, want dan begon ze de huizen gade te slaan. Zag ze iemand om het even welk werk doen, dan ergerde ze zich aan zondagswerk. Dat was des duivels. Die domme mensen haalden zich armoe op hun dak. In de kerk zat Cato trots op haar eigen stoel met het naamplaatje. Ze keek om zich heen en noteerde nieuwe kleren, steelse blikken, een katerkop. De kinderen zaten rond haar. Meestal viel Frans tijdens de preek in slaap. Cato perste dan haar lippen samen en porde in zijn zij om hem wakker te maken. Echt kwaad werd ze als hij snurkte. Na de mis trok hij het café in, terwijl Cato met de kinderen naar huis marcheerde. De hele terugweg moesten de jongelui vragen over de preek beantwoorden. Thuis zorgde ze voor het middageten, maar niemand mocht aan tafel tot Frans terug was. Aangeschoten at de man alleen aan zijn tafeltje, ging dan in de zetel naast de stoof zitten en soesde weg. Cato trachtte hem wakker te maken voor het lof, want ze hadden afgesproken er de kinderen om beurt mee naartoe te nemen. Meestal kreeg Cato Frans niet wakker uit zijn roes en moest zij naar de kerk. 's Avonds lazen de ouders de kranten In de jaren 1870 hadden ze een abonnement op de De Ware Volksvriend, Marktberichten Allemansgerief en Le Moniteur des Notaires. In de week ging Cato zelden naar de mis, alleen op speciale feestdagen, zoals op 4 december, de naamdag van Sint-Barbara, de patroonheilige van Ninde.

Bron: Hilde Eynikel, Damiaan. De definitieve biografie, Hoofdstuk 2. Opgroeien in Tremelo, Davidsfonds, Leuven, 1997, pp. 28-30.

Impuls 2. Documentaire (volksgeloof van Damiaan) - 5'33"

Congregatio Sacrorum Cordium

Intronisatie

Congregatio Sacrorum Cordium (SS.CC.) Congregatie der Paters der Heilige Harten

Picpus Constituties en regel

Straatnaam van het oorspronkelijke generalaat SS.CC.

Straatnaam van het oorspronkelijke generalaat SS.CC.

Leef het Heilige Hart van Jezus

Volksgeloof van Damiaan
youtube

Volksgeloof van Damiaan

*Klik op de afbeelding om de video af te spelen

5. DE MÉNS DAMIAAN: PRIESTER-MISSIONARIS (PUNA, KOHALA)

Impuls 1. "Citaat H. de Greeve S.J., Pater Damiaan, in: Reeks Missiehelden 8 (19254)"

Zaterdag 30 Oktober 1865, vertrok uit de haven van Bremen het zeilschip dat hem over de wateren zou dragen naar de Sandwich eilanden. Met een beetje goedkope romantiek en wat handige retorische zwier, zou het heel gemakkelijk geweest zijn hem bij 't vertrek uit Bremen, vóór op den boeg te laten staan, met een aureool van zonlicht om zijn forse hoofd, met begeesterende ogen de verte in starend. Het strijdt echter met zijn bescheidenheid, als we hem in die gehuurde plunje en aangeleerde houding voorstellen waarmee een missionaris gewoonlijk in jongensopstellen en missiepreken optreedt. Van dat soort Romantiek is hij allerminst gediend. Evenmin valt in hem iets te ontdekken van een sprookjesachtige Percival. Het grote verschil ligt daarin dat hij niet, zoals deze een toekomst vol dichterlijke avonturen in stevende, maar dat hij, fors en mannelijk, op weg was naar harde werkelijkheden. Nu ik dit gezegd heb, wil ik hem wel op de achtersteven laten staan, om het schouwspel te genieten van een verzinkend werelddeel. En dan valt hier de nadruk niet op het feit dat hij naar dit of dat eiland vertrok ergens in de verte, maar hierop, dat hij weg-ging en dat hij Europa met alles wat daar van hem was, achterliet. Weg-gaan en achter-laten, dat is niet alleen de pijnlijke voorwaarde, maar ook de onvoorwaardelijke pijn van het missionarisleven. Een Europeaan die in Antwerpen of Rotterdam scheep gaat om fortuin te maken in de grote Oost of in de Kongo, vertrekt, om, na 10 of 20 jaar, als rijke nabob terug te keren, hij gaat niet weg. Een missionaris gaat weg. De dingen en de mensen die hij achterlaat, wachten niet op zijn terugkeer, hoogstens op zijn bezoek. Andere handen en andere harten zullen waken en zorgen, voor wat hij tot nu toe in zijn werkkring betrok. Als hij weg-gaat, doet hij meer dan afscheid nemen van vader en moeder, van broers en zusters; van de kamer waar hij studeerde en het kruisbeeld waarvoor hij knielde; meer dan breken met herinneringen en vaarwel zeggen aan oude trouwe dingen. Als de boot van wal gaat, moet hij zich zelf bekennen dat hij daar niet meer thuishoort. Dit is het offer. Hij sterft, hij gaat dood, hij gaat weg. "Partir, c'est mourir un peu". Weg-gaan is een beetje doodgaan. Ook al zal hij na 10 of 20 jaar, zelfs na 3 maanden, terugkeren om aan de vaderlandse lucht zijn krachten te herstellen, dan is en blijft hij "weg" uit het vaderland, waar hij is als gast en vreemdeling. De oude omgeving valt niet meer onder zijn rechten en is naast hem, bij hem, tegenover hem, maar niet meer van hem. Zo gaat het de missionaris. Het verleden wordt tot zwijgen gebracht; en veel liefs - de tere, nimmer kerende sfeer van eigen land en eigen huis en eigen kamer en eigen liefde - is verloren. Het starre leven van het vreemdelingschap komt er voor in de plaats. Hij kan er zich lelijk aan bezeren al geeft hij geen kik.

Impuls 2. Documentaire (onder de lijkwade) - 0'27”

youtube

Damiaan onder de lijkwade

*Klik op de afbeelding om de video af te spelen

Impuls 3. Documentaire (Priester-missionaris in Puna, Kohala) - 6'28”

youtube

Priester missionaris (Puna, Kohala)

*Klik op de afbeelding om de video af te spelen
Achtergrondinformatie

6. DE MÉNS DAMIAAN: PRIESTER-MISSIONARIS (KALAWAO)

Impuls 1. Documentaire (Priester-missionaris in Kalawao) - 7'45”

youtube

Priester missionaris Kalawao

*Klik op de afbeelding om de video af te spelen

Impuls 2. Citaten uit de familiebrieven van Damiaan

Infoblokje

Pater Damiaan werd op 3 januari 1840 geboren te Tremelo als Jozef De Veuster. Hij trad in 1859 toe tot de Congregatie van de Heilige Harten van Jezus en Maria (paters Picpussen) te Leuven. In 1862 vertrok hij naar de Hawaï-eilanden in de Stille Zuidzee. Na 9 jaar missiewerk bood hij zich vrijwillig aan om te werken bij de melaatsen op het eiland Molokai. Toen pater Damiaan op 15 april 1889 als melaatse stierf, was hij reeds wereldberoemd. Het onbaatzuchtige offer van zijn leven wekte aandacht en bewondering op in heel de wereld. De paters Picpussen van Leuven bewaren een interessante collectie m.b.t. de figuur van pater Damiaan. Deze Damiaancollectie kwam tot stand in een periode van 100 jaar (1890-1990) en valt uiteen in twee grote delen. Enerzijds is er het materiaal dat verzameld en aangemaakt werd in het kader van het zaligverklaringsproces. Anderzijds is er allerlei archief- en documentatiemateriaal dat verzameld werd als illustratie van de aandacht voor de figuur van pater Damiaan gedurende de hele 20ste eeuw. De collectie is een toevallige verzameling van documenten die onderling geen logische samenhang vertonen. Meerdere personen hebben vanuit hun eigen interesse en behoefte documenten verzameld en geordend. Een deel van de verzamelde archiefstukken (vnl. daterend van 1850 tot 1900) houdt rechtstreeks verband met pater Damiaan. Men vindt er de “brieven van Damiaan”. Deze brieven (die eigenlijk thuis horen in het archiefbestand van de bestemmeling) werden, samen met andere geschriften van de hand van pater Damiaan, verzameld in het kader van het onderzoek van de geschriften van de kandidaat-zalige dat binnen de Causa een belangrijke plaats inneemt.

Powerpointpresentatie
Hand-out

7. IEDER HUISJE HEEFT ZIJN KRUISJE

Impuls 1. De Hand van Pater Damiaan (The Violent Husbands)

 

Ik heb de hand van Pater Damiaan
In een bokaal op mijn kamer staan
Aan de hand van de hand van Pater Damiaan
Leid ik alles af over zijn bestaan
Ik lees de hand van Pater Damiaan [refrein]
De kerk hield niet van Damiaan
Zijn stijf been bleef in zijn sandalen staan
Hij deed voort met wat niemand hem had voorgedaan
Hij was geen man uit één stuk maar wel spontaan
Aiaiai, hij danste op het strand met de zieken van Hawaï?
Geef me je hand op het strand van Honolulu
Vraag me ten dans op het strand van Honolulu
Met beide voeten op de grond
Een simpele man en geen megalomaan
Welke houding nam die missionaris aan
Toen bleek dat niemand hem daar kon verstaan
Leg het uit met handen en voeten, Damiaan
Aiaiai, hij danste op het strand met de zieken van Hawaï
Geef me je hand op het strand van Honolulu
Vraag me ten dans op het strand van Honolulu
Ondertussen aan het thuisfront was zijn vader niet gediend
't graanbedrijf ging naar de knoppen en hij had dit niet verdiend
Zijn broer die lag op sterven en dat was een nare zaak
De kerk schreef boze brieven over Damiaans gezaag
Die kwam handen tekort maar trok het zich niet aan
Waar haal ik toch die informatie vandaan?
[refrein]
Uiteindelijk was het met hem gedaan
Hij kon niet meer staan en
Zong tot de Hawaiaanse maan:
"Ik voel me rot, ik voel me rot..."
Aiaiai, ik vond zijn rechterhand op het strand van Hawaï
Geef me je hand op het strand van Honolulu
Vraag me ten dans op het strand van Honolulu

Infoblokje

Om het stemmen in de vingers te krijgen, riepen de inrichters van de Grootste Belg competitie in de aanloop naar de finale enkele nevencompetities in het leven: de liedjeswedstrijd Belgosong, de Grootste Striphelden en het Grootste Kunstwerk. De liedjeswedstrijd Belgosong werd gewonnen door The Violent Husbands. Hun nummer 'De hand van Pater Damiaan' viel zowel bij het publiek als de vakjury in de smaak. De hand van Pater Damiaan gaat voor een deel over Pater Damiaan en voor een ander deel over de man die beweert zijn hand in een bokaal op zijn kamer te hebben staan.  'Een grappig, ongerijmd en bij wijlen heerlijk absurd nummer met Nieuwe Snaar-achtige tekst. Soms wat stout, maar zeker niet zonder respect. Bovendien met een fijne melodie, inclusief geniale Honolulugitaar en refrein met hoog meezinggehalte'. De jury was overtuigd.

The Violent Husbands zijn een groep muzikanten die niet zo moeilijk te beschrijven zijn. Met korte uitspraken als 'een bende ongeregeld' of 'drie gestoorde kerels' kom je al dicht in de buurt. Moest er een prijs bestaan voor 'de meest zelfrelativerende muziekgroep' dan zou The Violent Husbands het met kilometers voorsprong in ontvangst mogen nemen. Veel kans zelfs dat ze de prijzen 'grappigste groep', 'meest confronterende groep' en 'creatiefste groep' ook van eerste keer veroveren. Over de beschrijving van de muziek zijn de Husbands duidelijk, ze spreken zelf over kapotte ICM (intelligent country music), gangstar-rock of mariachi blues pop. Het staat voor een nooit gehoorde mix tussen country, pop, rock, jazz en elektronica met heel veel nadruk op de teksten. Hun thema’s gaan van huiselijk geweld over gerontofilie naar het hebben van zwakke knieën tot de pijn en het genot van het volwassen worden. Ze brengen geestige songs over het bizarre leven door mooie jonge snaken, met contrabas, gitaren, jolijt en vooral met heel veel spelplezier.

8. DAMIAAN, VOORBEELD VAN INTEGRATIE

Impuls 1. Damien (Paul Cox)

(In ontwikkeling)

9. ZIEKTE VAN HANSEN (STIGMA)

Impuls 1. Segregatie - 2'47"

Lepra_Middeleeuwen.jpg

Melaatsheid_Middeleeuwen_4.jpg

Ratel.png

Ziekte van Hansen (segregatie)
youtube

Ziekte van Hansen (segregatie)

*Klik op de afbeelding om de video af te spelen

Impuls 2. Excuses - 1'24”

Hand-out

Impuls 3. Stigma - 3'15"

youtube

Ziekte van Hansen (Stigma)

*Klik op de afbeelding om de video af te spelen

Impuls 4. De ziekte van Hansen

Impuls 5. Life of Brian (lepra in de Middeleeuwen)

youtube

Ex lepralijder Life of Brian

*Klik op de afbeelding om de video af te spelen
Infoblokje

De afzondering van zieken is altijd een belangrijk kenmerk geweest bij lepra. De opname in het leprosarium of Leprozenhuis maakte de lijder tot een uitgestotene. Leprozenlijders mochten de stad niet in. Als lepralijders in de stad kwamen moesten ze speciale kleren dragen. Met een klepper kondigden ze hun komst aan. Ook droegen ze een stok, waarmee ze dingen die ze wilden kopen konden aanwijzen. Alles met de bedoeling de afstand tot stadsbewoners te bewaren. Door te bedelen voorzagen ze in hun onderhoud. De samenleving in de Middeleeuwen had de zieke dan nodig om Gods wil te doen en de verzorging van zieken was een van de Zeven Werken van Barmhartigheid.

De satirische prent Monty Python's Life of Brian (of kortweg The Life of Brian) is de derde film van de Monty Python cast, uit 1979. Satire is de benaming voor een type culturele uitingen waarin op directe of minder directe wijze kritiek wordt geleverd op bepaalde personen, instituties of kwesties die een zeker maatschappelijk belang hebben. Brian Cohen, een jood die naast het stalletje van Jezus Christus in Nazareth is geboren, wordt door een misverstand bij zijn geboorte aangezien voor de Messias en krijgt bezoek van de Wijzen uit het oosten, die aan de moeder van Brian goud, wierook en mirre schenken. Eenmaal volwassen sluit Brian zich aan bij de anti-Romeinse verzetsbeweging. Na een mislukte verzetsdaad slaat Brian op de vlucht, maar al wat hij doet en zegt wordt verheven tot wonder en tegen zijn bedoelingen in verwerft hij zich een brede aanhang. Brian wordt uiteindelijk gevangen genomen en veroordeeld door Pontius Pilatus. Die verleent hem op verzoek van het volk gratie, maar een grappenmaker geeft zich voor Brian uit en wordt in zijn plaats vrijgelaten. Uiteindelijk belandt Brian aan het kruis, waarbij degene die naast hem hangt het slotlied "Always look on the bright side of life" zingt. De film deed veel stof opwaaien en hij werd door heel wat mensen gezien als een bespotting of belediging van het christendom. Anderen zien in de film niet zozeer een satire op de grondbeginselen van het christendom zelf, maar wel op de radicale geloofsbeleving van bepaalde mensen en de wantoestanden en excessen die deze met zich kan meebrengen.

10. DAMIAAN INSPIREERT

Literatuursuggesties

Johan Verstraeten, De betekenis van spirituele meesters vandaag (Verslagboek Vliebergh-Sencie-leergang, sectie Catechese, 2008), Acco/Vlaamse Bijbelstichting, Leuven/Voorburg/Leuven.

Impuls 1. Kamiano

 
Kamiano
youtube

Kamiano

*Klik op de afbeelding om de video af te spelen
Infoblokje

Een theatermonoloog door Denijs Van Killegem over ‘Kamiano’ zoals Pater Damiaan De Veuster door zijn melaatsen op het schiereiland van Kalaupapa werd genoemd. Aan de hand van brieven, dagboekfragmenten en aangrijpende verhalen wordt het leven van Damiaan opnieuw tot leven gebracht. Het geacteerde verhaal duurt ongeveer 60 minuten en wordt geïllustreerd met muziek en licht. Op de achtergrond toont een sterke multimediapresentatie sfeervolle en historische beelden. Dit verteltheater spreekt jongeren én volwassenen aan. Een directe confrontatie met de waarden van Damiaan. Een uitdaging voor mensen van vandaag om met meer ‘spirit’ te gaan leven.

Het Damiaanvormingscentrum Kortrijk biedt rond de waarden van pater Damiaan De Veuster SS.CC. een halve of ganse dag aan in Kortrijk, of komt ter plaatse in de school of parochie met een programma van bijvoorbeeld 2 lesuren. Doelgroep zijn zowel de jongeren als volwassenen. Diverse programma’s zijn uitgewerkt als ‘gesneden brood’ zowel voor een voorstelling van 2 lesuren, een halve dag of een volledige dag. Aanpassingen zijn mogelijk. Het vormingscentrum kan groepen ontvangen in het sfeervol kader van een vroeger karmelietenklooster met multimediazaal, mooie tuin en ruime refter waar de meegebrachte picknick kan worden genuttigd. Het programma kan ook gecombineerd worden met een bezoek aan Poverello Kortrijk.

Info en reservering:
Denijs Van Killegem, Jozef Kluyskensstraat 25 bus 4, 9000 Gent
09/222.52.48 – 0495/72.29.62
Mail: denijs.van.killegem@telenet.be
Site: www.damiaanvormingscentrum.be

Hand-outs

Impuls 2. Wandtapijt : Marcel Lafôret

Ontwerp_wandtapijt.jpg

Ontwerp_wandtapijt_Detail_1.jpg

Ontwerp_wandtapijt_Detail_2.jpg

Impuls 3. Documentaire (Damiaan in de kunst) - 4'20"

youtube

Damiaan inspireert Kunst

*Klik op de afbeelding om de video af te spelen

Impuls 4. Bekende mensen over Damiaan

Moeder Theresa, geboren als Agnes Gonxha Bojaxhiu in het huidige Macedonië, voelt zich als 12-jarige reeds geroepen om een religieus leven te leiden. Als ze 18 is, treedt ze toe tot de orde van de Zusters van Loreto (Ierland). Daar leert ze Engels en een jaar later gaat ze lesgeven in India. Tijdens die periode neemt ze de naam Theresa aan en wordt ze zich ook meer en meer bewust van de enorme armoede in het land. Daarom trekt ze in 1948 naar de sloppenwijken om de mensen te helpen. In 1950 krijgt ze de toestemming van de Paus om een eigen orde te stichten, de Missionarissen van Naastenliefde. De orde wil zorgen voor “de hongerigen, de naakten, de daklozen, de gehandicapten, de blinden, de melaatsen, voor al diegenen die zich ongewenst, ongeliefd, vergeten voelen in de maatschappij, mensen die een last zijn geworden voor de samenleving”. Moeder Theresa krijgt verschillende onderscheidingen voor haar strijd tegen armoede en ander onrecht. De belangrijkste erkenning is zeker de Nobelprijs voor de Vrede die ze in 1979 ontvangt. 5 jaar na haar dood in 1997 wordt ze door paus Johannes-Paulus II zalig verklaard, nadat een vrouw zou genezen zijn van kanker en TBC door een foto van Moeder Theresa aan haar borst te drukken.

Brief M. Theresa 02-05-1984

Mahatma Gandhi wordt ook wel de 'geestelijke vader' van India genoemd. Hij is de leider van de beweging die wil dat India onafhankelijk wordt. Na zijn studie rechten in Londen, vestigt Gandhi zich als advocaat in Zuid-Afrika. Daar maakt hij kennis met het onrecht van de 'apartheid', het systeem dat mensen op ras indeelt. De blanken hebben het er voor het zeggen. De kleurlingen komen er op het tweede plan. Helemaal onderaan stond de zwarte bevolking van Zuid-Afrika. Gandhi bestrijdt deze discriminatie, maar wil hierbij geen geweld gebruiken. Gandhi is een man van vrede. In 1915 keert Gandhi terug naar India. Hij vindt dat India onafhankelijk moet worden. Hij roept de bevolking op tot geweldloos protest. Heel veel Indiërs volgen zijn oproep. Verder vindt Gandhi dat je sober moet leven. 'Er is genoeg voor de behoeften van iedereen, maar te weinig voor de begeerten van enkelen'. Gandhi's geweldloze verzet brengt de Indiërs op 15 augustus 1947 de onafhankelijkheid. Op 30 januari 1948 wordt Gandhi vermoord door een fanatieke hindoe.

Robert Louis Stevenson is een schrijver van romans, gedichten, toneelstukken en reisverhalen. Hij wordt geboren op 13 november 1850 in het Schotse Edinburgh als zoon van de ingenieur Thomas Stevenson en Margaret Balfour. Zijn ouders zijn zeer religieus, maar tijdens zijn jaren op de universiteit laat hij het geloof los, hoewel het wel invloed op hem zal houden. Zijn relatief korte leven is vol van ondernemingen en avontuur. Hij maakt verschillende reizen naar het koninkrijk Hawaï en raakte bevriend met koning David Kalakaua. Stevenson overlijdt op 44-jarige leeftijd aan een hersenbloeding in zijn woonplaats op Samoa. Stevenson maakte naam met het zeeroversverhaal Treasure Island rond centrale figuur Long John Silver en zijn beroemde psychologisch getinte novelle The Strange Case of Dr Jekyll and Mr Hyde.

11. RELIGIE VAN ONDEROP EN DE REACTIE VAN MACHTSHEBBERS

Impuls 1. Repatriëring - 7'32"

youtube

Repatriëring Damiaan - 1936

*Klik op de afbeelding om de video af te spelen

Impuls 2. Wandtapijt

Ontwerp_wandtapijt.jpg

Ontwerp_wandtapijt_Detail_1.jpg

Ontwerp_wandtapijt_Detail_2.jpg

Impuls 3. Standbeeld Capitool

Impuls 4. Heiligverklaring - 6'28”

youtube

Zin en onzin heiligverklaring

*Klik op de afbeelding om de video af te spelen

Impuls 5: Annalen Belgische Senaat

12. DAMIAAN VANDAAG

(In ontwikkeling)

Via Damianus

DAMIAAN DE VEUSTER SS.CC.

PRIESTER-MISSIONARIS

TREMELO-KALAWAO: 1840-1889

De roeping (1858-1864)

In het gezin van Frans en Anna-Katrien De Veuster-Wouters wordt op 3 januari 1840 een zevende kind geboren. Het jongetje wordt dezelfde dag nog gedoopt in de parochiekerk van Tremelo (Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand) omdat het gehucht Ninde bij Tremelo hoort. Eigenlijk gaan de leden van het gezin normaal naar de kerk in Werchter, voornamelijk omdat de kinderen daar de lagere school volgden en ook omdat de kerk van Werchter nu eenmaal dichter bij Ninde ligt dan de parochiekerk in het centrum van Tremelo. De jonge Jozef is enkele jaren het jongste kind in het gezin, tot aan de geboorte van Marie-Melanie in 1844. Dit verandert weer bij het overlijden van de kleine Marie-Melanie op 24 december 1848. Jefke wordt opnieuw de jongste in het gezin en zal dat verder blijven.

Al vroeg moet de kleine snaak - zoals dat de gewoonte is - allerlei karweitjes opknappen, op een boerenhof is tenslotte steeds werk. Daarbij moet hij, zo vlug als het kan, ook naar de lagere school bij meester Bols de lessen gaan volgen. Vader De Veuster is graanhandelaar, op bescheiden schaal, en is daarom vaak van huis. Zijn echtgenote Anna-Katrien is een sterke vrouw die de boerderij runt. Zodra Jozef als dertienjarige de lagere school beëindigt, wordt hij voltijds ingeschakeld in het leven op het land. Dit gaat hem goed af en het is hier dat jozef uit ervaring leert dat arbeid meer is dan zomaar een spelletje.

De situatie in het gezin De Veuster wordt al een keer beschreven alsof ze met z’n allen heel de tijd gezellig bij mekaar zaten. Dat mag gerust genuanceerd. Eerst en vooral is er het verschil in leeftijd tussen de oudste kinderen en de jongste. Van zo gauw de oudste jongens klaar zijn om vader te helpen, worden zij ingeschakeld en zijn ook zij meer uithuizig. Twee zusters gaan naar het klooster, eerst Eugenie en wat later Pauline. Een derde zuster, Constance, huwt vrij jong. Dan is er nog August, die als intern zijn humaniora doet in Mechelen. Er zijn natuurlijk wel momenten dat zowat het hele gezin samen is, maar de regel is het zeker niet. De jonge Jef is steun en toeverlaat van zijn moeder. Het gezin De Veuster bestaat uit goede mensen die hun geloof beleven zoals ze dit van vorige generaties hebben overgenomen, levend op het ritme van het kerkelijk jaar, de zondagen, de grote feestdagen, de bijzondere heiligen als beschermers van mens en dier, met een ruime dosis devotie, maar daarom niet minder oprecht in hun streven hun leven te leiden volgens de tien geboden van God en de geboden van de heilige kerk. Jozef De Veuster zal dit geloof heel zijn leven meedragen.

De periode waarin het leven van de familie De Veuster zich afspeelt, op de magere gronden van de Brabantse Kempen, is getekend door armoede onder het volk dat weinig kansen krijgt om met de hulp van een goed gestructureerd onderwijs zijn lot te verbeteren. De meeste woningen in Ninde zijn niet meer dan lemen hutten. De bewoners bedrijven een soort van overlevingslandbouw. Elke kleine tegenslag, slechte oogst, of dood een (enige) koe blijkt vaak rampzalig. Vermits de familie De Veuster in een stenen huis woont (waarvan ze de stenen zelf heeft gebakken) en wat land in eigendom bezit en haar kinderen onderwijs genieten, wordt ze beschouwd als welhebbend, niet rijk, niet arm maar iets boven de middelmaat. Comfort en luxe zijn niet de eerste zorg en de leefomstandigheden die vandaag als mensonwaardig zouden worden omschreven, waren naar alle maatstaven normaal.

Jozef De Veuster zelf neemt de dingen zoals ze komen. Hij is een kind van zijn tijd met een eerder beperkte horizon, tot op de dag dat er voor hem wordt besloten dat het de hoogste tijd is om Frans te gaan leren. De redenering hier luidt dat dit hem goed van pas zal komen wanneer hij later vader gaat helpen en wellicht opvolgen in diens graanhandel. En waar beter Frans leren dan in een internaat in het Waals Brabantse Braine-le-Comte? Vader De Veuster heeft Jefs toekomst al helemaal in beeld, maar Jef zelf is niet zo overtuigd dat dit zijn keuze en zijn weg is. Dat twee van zijn zussen kiezen voor het religieuze leven en zijn broer August studeert om priester te kunnen worden, zet Jef aan het denken. En tijd om te denken, zonder de afleiding van allerlei af te handelen karweien, heeft hij in Braine-le-Comte volop. In oktober 1858 krijgt Jozef de gelegenheid een volksmissie , geleid door een pater Redemptorist bij te wonen. De predikant legt in een van zijn toespraken bijzondere nadruk op een zin uit het evangelie:

Wat heeft een mens eraan de hele wereld te winnen als hij er het leven bij inschiet? Wat zou een mens niet overhebben voor zijn leven? (Mt 12:26)

Het is onwaarschijnlijk dat deze ervaring alleen bepalend is geweest voor Jefs keuze voor het religieuze leven, maar wellicht heeft ze toch zijn beslissing mede beïnvloed. In een schrijven aan zijn ouders van 17 juli 1858, maakt Jozef duidelijk dat hij bezig is met vragen rond een levenskeuze:

“Wat een geluk voor haar (Pauline), lieve ouders. Zij is gelukkig het moeilijkste werk te volbrengen dat ons op deze aarde te doen valt. Ik hoop beminde ouders, dat nu mijn beurt zal komen om de weg te kiezen die ik moet gaan. Zou het voor mij onmogelijk zijn uw zoon Pamfiel te volgen?” (Braine-le-Comte, 17 juli 1858)

Dit citaat wijst er op dat de hier achttienjarige Jozef reeds ernstig bezig is met het kiezen van zijn eigen weg en dat hij het voorbeeld van zijn broer August in overweging neemt. August is ingetreden in het in 1840 door de congregatie van de Heilige Harten te Leuven opgerichte Collège des Missions Etrangères waar hij als de religieus Pamfiel wordt opgeleid tot priester om later naar de missies te gaan. Naar het einde van het jaar 1858 voelt Jozef zich voldoende zeker en overtuigd van de weg die hij wil volgen, en die hij beschouwt als de ‘Wil van God’:

“Ik kan niet nalaten u te schrijven op deze mooie Kerstdag die mij de zekerheid heeft gebracht dat het Gods Wil is dat ik de wereld verlaat om religieus te worden. Gij moet niet denken, beminde ouders, dat het alleen mijn wil is deze beslissing te nemen, ik verzeker u het is de heilige Wil van de goddelijke Voorzienigheid(…) Gij weet, beminde ouders, dat wij allen een staat moeten kiezen door God ons toegewezen om in het hiernamaals gelukkig te kunnen zijn. Daarom is er voor u geen reden tot droefheid omdat God mij roept.” (Braine-le-Comte, 25 december 1858)

Jozef De Veuster beseft dat zijn besluit niet vanzelfsprekend is voor zijn ouders. Voor vader is Jozef de gedroomde opvolger en voor moeder is Jef de jongste en meest vertrouwde werker op het hof. Deze bezwaren beletten Jozef niet zijn broer August te volgen en op 2 februari 1859 (Lichtmis) zijn noviciaat aan te vatten als ‘broeder’ omdat hij wegens gebrek aan de vereiste vooropleiding niet in aanmerking komt om priester te worden. Of Damiaan bij zijn intrede in het noviciaat er over denkt priester te kunnen worden is niet duidelijk. Dat die mogelijkheid hem later wordt geboden, aanvaardt hij met grote vreugde. Wegens zijn voorbeeldige ijver en grote inzet wordt hij niettegenstaande het gebrek aan vooropleiding in augustus 1859 toch toegelaten tot de groep van kandidaten die zich voorbereidt op het priesterambt. Wellicht dat Damiaans oversten in hem, niettegenstaande een zeker tekort aan finesse en kennis, toch een geschikt kandidaat zagen voor de missie waar men hoopte op spoedige versterking.

Blijkbaar heeft de jonge Damiaan - zijn naam als religieus - met enige hulp van zijn broer Pamfiel wat kennis van het Latijn bijeen gescharreld. Hoever deze hulp strekt, valt moeilijk in te schatten. Er bestaat geen duidelijkheid over de mogelijkheden tot contact tussen Pamfiel als priesterstudent en Damiaan als novice (iemand die voor de intrede in het klooster een proeftijd doormaakt tijdens het noviciaat), al zijn deze waarschijnlijk eerder beperkt en zeker in latere tijden helemaal niet meer getolereerd. Op 28 maart 1863 wordt Pamfiel priester gewijd en krijgt hij zijn obediëntie (brief die een kloosterling op reis meekrijgt, op vertoon hiervan wordt hem gastvrijheid in een ander klooster verleend) voor de Hawaïaanse missie. De missiebisschop van Tahiti; Monseigneur Jaussen, heeft tijdens zijn bezoek aan Leuven verteld over het missiewerk in Polynesië en de grote nood aan jonge krachten om de verschillende missieposten te bemannen. In volle voorbereiding voor zijn reis naar Hawaï valt Pamfiel ziek en raakt hij te zeer verzwakt om de zware reis aan te vatten. Damiaan, in volle opleiding en niet zonder een flinke dosis overmoedigheid, vraagt aan generale overste Rouchouze toelating om in de plaats van Pamfiel te mogen vertrekken. Damiaans argument dat het passagegeld voor de overtocht al is overgemaakt en verloren is indien de vrijgekomen plaats niet wordt ingevuld, valt niet in dovemansoren. Het is in die dagen trouwens ook niet zo uitzonderlijk dat religieuzen nog voor hun priesterwijding naar de missie worden gezonden.

Tot grote vreugde van Damiaan en ontstemming van de lokale overheid wordt de toestemming verleend. Omdat de afvaart is voorzien voor het najaar 1863 rest er niet zoveel tijd om afscheid te nemen. Damiaan brengt een vrij kort bezoek aan de ouderlijke woning, om vandaar met moeder en schoonzuster op bedevaart te gaan naar Scherpenheuvel. Damiaan wilt er de zegen en de hulp vragen van Onze Lieve Vrouw om twaalf jaar lang een goed missionaris te zijn. Het besef dat veel missionarissen jong sterven is zeker aanwezig en wallicht dat Damiaan ook bidt om sterk te mogen zijn bij het afscheid van zijn moeder. Bij het verlaten van de basiliek wordt niet getreuzeld. Aan de weg die naar Leuven leidt, omhelst Damiaan zijn moeder en vertrekt hij met een symbolisch gebaar, de vinger omhoog ‘wijzend naar de hemel’.

 Damiaan vertrekt van Leuven naar Parijs waar hij samen met de andere missionarissen een retraite bijwoont onder leiding van Generale Overste Rouchouze. Daar laat hij de foto maken waarop hij wat onwennig poseert in een krap uitgemeten soutane, Franciscus Xaverius imiterend, het missiekruis stevig geklemd voor de borst. Op 29 oktober 1863 vertrekt het gezelschap van tien zusters en zes confraters naar Bremen, maar omwille van de slechte weersomstandigheden kan de driemaster R.W. Wood pas op 9 november 1863 uitvaren. Het wordt een lange reis vooraal getekend door slechte weersomstandigheden en zeeziekte. En van Damiaan is geweten dat hij nooit echte zeebenen had, zelfs een korte trip naar Honolulu zou later genoeg blijken om hem misselijk te maken.

Na een reis van bijna vijf maanden wordt op 19 maart 1864 aangemeerd in Honolulu op het eiland Oahu. Damiaan kijkt zich in de drukte van de havenstad met zijn blanke ingezetenen en inheemse kanaken, aangevuld met een bonte mengeling van rassen en talen van de zeelieden die de handelsschepen en walvisvaarders bemannen, ongetwijfeld de ogen uit het hoofd. De viering in de Onze Lieve vrouw van Vrede-kathedraal overweldigt hem: het mooie gezang, de devotie van de kanaken die in nette kleding vroom ter communie gaan. Damiaan is hierop niet voorbereid. Algemeen beschouwd is hij nauwelijks gereed voor wat hem wacht. Damiaan is als een rauw rekruut die de loopgraven wordt ingejaagd. Het lijkt hem niet te deren:

“... Het is mij totaal onmogelijk, zeer beminde ouders, als missionaris uitdrukking te geven aan mijn gevoelens van tevredenheid en vreugde… Hier ligt mijn taak dagelijks te ijveren om deze onbeschaafde lieden voor God te winnen.” (Honolulu, 22 maart 1864)

Aan zijn toch al zwakke opleiding moet nog wat worden gewerkt: vooral spoedig wat Hawaiiaans leren en een korte voorbereiding op de wijdingen die mekaar al snel zullen opvolgen: op 26 maart subdiaken (de kleine wijdingen heeft hij in Mechelen ontvangen), op 17 april diaken en op 21 mei 1864 priester door Monseigneur Louis Maigret in de kathedraal.

“Op 21 mei laatstleden heeft het de Heer behaagd mij met de verheven waardigheid van het priesterschap te bekleden… Nu ben ik dan priester, liefste ouders, nu ben ik dus missionaris, nu is mijn plaats hier in dit verdorven en ongodsdienstige land. Wat zijn ze overweldigend mijn priesterlijke plichten! Hoe sterk moet mijn missionarisijver zijn, om eraan te beantwoorden. Welk een zedelijke zuiverheid, welke helderheid van beoordeling moet ik bezitten!.” (Sandwich eilanden, 23 augustus 1864)

Arbeider in de wijngaard van de Heer (1864-1873)

Pater Damiaan wordt al vlug aangeduid om het district Puna op het grote eiland (The big Island) Hawaï te gaan bemannen. Hij is nog niet erg vertrouwd met de geografie van de Hawaaïanse archipel en zo komt het dat hij in zijn brieven nog een hele tijd de plaatsnamen noemt die volgens hem in aanmerking komen (de naam Sandwich eilanden begint in die periode reeds in onbruik te raken). Hij moet ook aan zoveel wennen: de taal, het landschap, het klimaat, de plantengroei of juist de totale afwezigheid hiervan, de vreemde cultuur van de Kanaak, de in zijn ogen erg losse zeden, … . Hij merkt dat missioneren heel wat vergt van zijn fysieke kracht, vooral in het bergachtige gebied dat hem is toegewezen. Ontnuchterend is ook het gevoel ‘alleen’ te zijn, vooral omdat hij dat nooit eerder was. Nu maakt het feit dat hij alleen is te midden van een ander volk en een ander ras de zaken niet eenvoudiger. Hij kan wat ondersteuning gebruiken:

“Liefste ouders, vergeet niet deze zwakke priester die dag en nacht in het vulkaangebergte rondloopt, zoekend naar verdwaalde schapen. Blijf dag en nacht voor me bidden, ik smeek u er om, en vraag anderen eveneens voor mij te bidden.” (Sandwich eilanden, 23 augustus 1864)

Pater Damiaan doet wat hij kan om alle kleine, en ver van elkaar verwijderde, nederzettingen te bezoeken. Hij wordt overal goed ontvangen en het bekeringswerk lijkt wonderbaarlijk te lukken. Telkens hij een nederzetting verlaat, tracht hij een gebedsleider aan te stellen die de bekeerlingen en catechumenen regelmatig samenroept om te bidden. Maar een echt gebedshuis ontbreekt en Damiaan ziet de noodzaak om hier en daar een kapel te bouwen teneinde de kleine kernen van gelovigen niet te laten uiteenvallen. Voor Damiaan met zijn overvloed aan energie is het bouwen van een kerkje een welkome afwisseling die de eentonigheid van eenzame rondtrekken doorbreekt. Het feit dat er geen confrater-priester in zijn onmiddellijke nabijheid leeft, valt hem zwaar. Hij heeft nood aan een biechtvader, iemand met ervaring in de missionering waarbij hij te rade kan gaan.

Damiaan zal niet erg lang in het district Puna blijven. Zijn confrater Clemens Evrard in het nabije en veel grotere district Kohala-Hamakua, krijgt het moeilijk wegens zijn toch al zwakke gezondheid en begint er zwaar onder te lijden. Pater Damiaan stelt voor Kohala-Hamakua over te nemen, zodat Pater Clemens het wat minder moeilijk zou hebben in Puna. Zo gebeurt het op 19 maart 1865. Voor Pater Damiaan betekent dit nog meer rondreizen en nieuwe kapellen bouwen.

“Sta me toe zeereerwaarde pater, u mee te nemen naar een andere plaats in mijn district. Die is ongeveer 30 mijl verwijderd van hier. Nooit voordien was er een kapel in dit gebied. Tijdens mijn laatste bezoek werd een aantal catechumenen gedoopt in een Hawaiiaanse hut. Alles wat ik van hen heb verlangd was dat ze uit dankbaarheid voor de grote genade die de goede God hen had geschonken, voor Hem een kapel zouden bouwen. Wat ze beloofden te doen, en ze hebben woord gehouden… ze wilden geen hut bouwen, zoals de meeste kapellen hier, maar een echte kapel, helemaal uit hout. Wie was er bekwaam om dit werk tot een goed einde te brengen? Een bekwaam vakman inhuren zou veel gaan kosten. Na een goed plan te hebben gemaakt, ben ik er aan begonnen samen met twee inheemsen. Een bevriend Amerikaan zal ramen kopen voor onze kapel, en dan zullen we een kleine, zeer mooie, kapel hebben en een nieuwe kleine christen gemeenschap.Geprezen zij de Heer.” (Aan de Generale Overste: Sandwich eilanden, 23 oktober 1865).

“Zoals vader vaak op reis is voor zaken, zo geldt dit ook voor mij maar dan om zielen te winnen voor God. Om gedurende zes weken rond te trekken is niet erg moeilijk want overal waar ik kom voel ik me als kom ik thuis. Ik moet niet vrezen dat mijn geld gestolen wordt, vermits ik er meestal geen bij me draag. De eerste hut waar ik aankom, is als beland ik in een herberg; ik vind er alles wat ik nodig heb en niemand vraagt om enige betaling. (Aan zijn ouders: Sandwich eilanden, 24 oktober 1865).

Damiaan puurt veel voldoening uit het bouwen van kapellen en in het algemeen bevalt het missioneren inclusief de vele verplaatsingen hem uitstekend. Wel blijkt de briefwisseling met het thuisland bijzonder traag en Damiaan verlangt naar nieuws over de familie en over Ninde:

“Mijn zeer dierbare broer, pater Pamfiel. Een heel jaar is voorbij gegaan zonder ook maar een bericht uit België. Hoe vaak dacht ik een brief van u in de postbus te vinden, maar niets daarvan. Hebt ge een broer van u helemaal vergeten die elke dag aan u denkt? Misschien is er een brief verloren gegaan; maar ik vergeef u graag deze vergetelheid. Maar hier is een andere reden tot ontevredenheid: onze moeder heeft me dikwijls een cent beloofd, ik heb echter tot op heden niets ontvangen. Wanneer en hoe gaan de twee kerkklokken die je me verleden jaar hebt beloofd hier toekomen? Mijn twee kapellen zijn gebouwd, maar hoe kan ik mijn christelijke kinderen oproepen voor het gebed? Sedert ik hen heb beloofd dat er spoedig mooie klokjes zouden toekomen, zijn ze teleurgesteld en worden ze boos op u. Waar ben je toch, mijn beste broer Pamfiel?” (Hawaii, Kohala district, 22 december 1866).

Damiaan wacht nog steeds op geldelijke steun die zijn moeder hem ooit beloofde en op twee kerkklokjes hem toegezegd door Pamfiel. Maar hoe krijgt men in die dagen geld van Ninde naar Kohala? Of kerkklokken van België naar Hamakua? Niet eenvoudig, en het leven gaat gewoon verder. Er waren trouwens wel andere zorgen en schrijft Damiaan ook niet dat hij het in het onbegrijpelijk verre Hawaï zo goed maakt? Uit de bewaarde brieven valt niet op te maken of Damiaan ooit de hem beloofde ‘cent’ en de twee kerkklokjes heeft ontvangen. Damiaan heeft er zich nog wel enkele keren druk om gemaakt, alhoewel ook hij andere zorgen heeft naast de momenten waarop het leven hem toelacht:

“…Na een onderbreking van drie maanden, ga ik verder met mijn brief. Op de eerste plaats mag ik u laten weten dat ik niet langer alleen ben. Pater Gulstan Ropert is nu bij me om me te helpen in mijn kleine parochie. Hij preekt al goed in het Hawaiiaans en de mensen houden veel van hem. Pater Boniface, gewijd in Honolulu, is op een naburig eiland alsook confrater Quentin. Ik heb juist een brief ontvangen van Pamfiel gedateerd op 30 augustus 1868. Hij heeft het licentiaat theologie behaald. Wat een grote eer, lieve broer, al wat er je nu nog ontbreekt is de doktersgraad. Pater Wenceslaus kan je nu niet langer plagen dat je lui bent. Weet je, we hebben in de missie een geleerde nodig om de Katholieke doctrine te verdedigen en om de bisschopsstaf te ambiëren… wees toch niet bevreesd om missionaris te worden. (Aan de confraters in Leuven: Kohala, 11 januari 1869).

Pater Gulstan Ropert is een studiegenoot van Damiaan en beiden kunnen uitstekend met mekaar opschieten. Telkens ze mekaar ontmoeten, hebben ze veel plezier, zoveel dat Damiaan het beschrijft alsof hij weer frisse lucht inademt. Met zijn tere geweten maakt hij zich zorgen of hij niet zondigt door dit ‘overdreven’ uitbundig gedrag. Met Pamfiel ligt het anders. Alhoewel Damiaan lang blijft hengelen om hem als missionaris naar Hawaii te lokken, zal hij daar nooit in slagen en uiteindelijk zal hij er zich ook niet langer druk om maken.

Op een bepaald ogenblik blijft Damiaan wel drie jaar zonder nieuws te ontvangen. Zo bereikt het bericht van de dood van zijn zus Constance in 1868 hem veertien maanden na haar overlijden. In die periode beginnen zijn brieven dan ook vaak met een de klacht dat hij het zo lang moet stellen zonder nieuws van thuis. Damiaan is van nature geen eenzaat en het voor lange periodes afgesneden zijn van zijn familie wordt een zware last om dragen. Bovendien wordt de gezonde en sterke Damiaan getroffen door een zware koortsaanval waardoor hij erg verzwakt.

“Dierbare Ouders.  Eindelijk heb die brief ontvangen waarop ik zo lang heb gewacht. Lange tijd was ik bezorgd om u, lieve ouders, niet wetend wat er met u aan de hand was. Met vreugde vernam ik dat gij nog steeds dezelfden zijt. Ik ben nog nooit ziek geweest sedert ik hier ben, enkele maanden geleden woog ik 175 pond (ongeveer 87 kg). Mijn bezigheden zijn nog steeds dezelfden. Verleden jaar heb ik twee kapellen gebouwd. Een ervan heb ik overgelaten aan een nieuwe priester (pater Gulstan Ropert) samen met de helft van mijn groot district. Ik krijg het nu wat makkelijker. Ik moet drie kerken bedienen elk op ongeveer drie uur afstand van elkaar… Ik sta dikwijls bloot aan allerlei gevaren zowel voor de ziel als voor het lichaam. In dit heidense land, wel wetend dat ik niets kan bereiken uit eigen kracht, plaats ik al mijn vertrouwen in de Heer die me heeft aangenomen als zijn dienaar, die Hij dagelijks voedt met zijn Lichaam en zijn Bloed in het heilig misoffer.”     (Kohala, Hawaii, Sandwich eilanden: 12 oktober 1869).

“Mijn zeer beminde broer. Uw vriendelijke brief vanuit Versailles, 1869, is hier toegekomen in januari. Ik was juist herstellend van een koortsaanval waardoor ik sterk vermagerde, ik was nog vel over been. Uw pakje met brieven heeft mijn herstel bespoedigd. Vandanaf was ik weer goed gezond, hoewel ik nog steeds gevoelig ben wanneer het slecht weer is… Ofschoon de missionaris de speciale bijstand van Heer voelt, het hart heeft nochtans nood aan de lijfelijke aanwezigheid van een confrater om de zwarte gedachten te verdrijven die ontstaan door het dagelijks contact met een corrupte wereld. Gedurende de tijd dat we samen zijn (met pater Gulstan Ropert) zetten onze longen zich uit door een overdaad van vrolijkheid. Daarna, voelen we ons gesterkt om ons opnieuw aan ons heilige taak te wijden...” (Aan Pamfiel: Kohala, Hawaii, Sandwich eilanden: 22 september 1870).

Pater Damiaan raakt gewend aan een bepaalde routine. Dat is enerzijds een pluspunt omdat het zijn werk vergemakkelijkt, maar anderzijds ontstaat ook het gevoel dat hij niet goed bezig is. Natuurlijk vindt hij vreugde in het bouwen van kapellen maar hij grijpt ook terug naar zijn ervaringen op de boerderij. Hij legt een tuin aan, begint aardappelen te poten, ook de inlandse zoete variëteit, en houdt enkele paarden die noodzakelijk zijn voor zijn verplaatsingen. Later zou Rudolph Meyer hem verwijten zijn dieren ongenadig af te jakkeren zodat dat ze dagen nodig hebben om enigszins te herstellen. Verder houdt Damiaan schapen, om er af en toe eentje te kunnen slachten, en ook bijen voor de honing maar ook omwille van de was waarmee hij kaarsen kon maken. Al bij al een groot vertoon van zelfredzaamheid. Waarom klaagt Damiaan dan over zwarte gedachten? Damiaan heeft steeds meer het gevoel dat er iets ontbreekt, iets dat essentieel is om een echt goede missiewerker te zijn.

“Ik hoop mezelf dit jaar meer te kunnen toeleggen op het ziekenbezoek, op de studie, voorzover de Voorzienigheid mij geen andere problemen toezendt. Helaas, wat is het leven van een missionaris zonder pijn en miserie? Zoveel tijd besteden om te werken zoals Martha, en zo weinig om de vertoeven aan de voeten van Jezus zoals Maria Magdalena. Gelukkig zijn de missionarissen die zich alleen maar hoeven te bekommeren om het priesterwerk. Hier moeten we ons bezighouden met allerlei materiële klussen van de missionering, en dat kan erg gaan tegensteken… Spijtig genoeg is de ketterij nog steeds overheersend in mijn parochie, die meer dan 3000 zielen telt. Indien er hier in plaats van een zwak en zondig persoon zoals ik, een heilig en ijverig priester zou zijn, dan kwam alles wel goed. Daarom voor al het andere, bid voor mijn bekering.” (Aan Pamfiel; Kohala, Hawaii: 14 Juli 1872).

“In het algemeen heb ik een hoop zorgen en weinig vertroosting. Alleen dank zij Gods genade vind ik de last die onze Goede meester zich gewaardigd heeft op mijn schouders te leggen,zacht en licht om dragen. Wanneer ik ziek ben, dan verheug ik me op mijn naderend einde. Ik heb me helemaal verzoend met mij situatie en aanvaard ze met vreugde, ik ben gelukkig wanneer volharding mijn werk zal bekronen.Laten we in de handen van de goede God zijn zoals werktuigen in de handen van de arbeider. Zowel in het leven als in de dood behoren immer toe aan de Heer Jezus. Bid voor me.” (Aan Pauline, Kohala Hawaii: 14 juli 1872).

Het lijkt er sterk op dat het verrichten van manueel werk voor Damiaan veel van zijn charme heeft verloren. Neemt hij onbewust afscheid van een periode in zijn leven die hem onmiskenbaar heeft gelouterd? De gemakkelijke bekeringen van het begin; de pijnlijke vaststelling dat de nieuwe gelovigen niet zo standvastig zijn als gehoopt; het gevoel dat hij steeds verder verwijderd is van zijn geliefde familie; de periodes van eenzaamheid; de mentale schok van de koortsaanval die hem wijst op zijn kwetsbaarheid… Damiaan heeft geleerd veel te verwerken en steeds zijn troost en toevlucht te zoeken in de overtuiging dat wat hem overkomt gebeurt uit de wil van de Voorzienigheid. De kracht om alles te dragen vindt hij in zijn eenvoudig en diep geloof in God. Damiaan is gevormd voor een andere taak:

“Op dit ogenblik verblijven er achthonderd melaatsen. Hoeveel meer zullen er nog worden opgespoord? Verscheidene van mijn goede Kohala-christenen werden eveneens weggevoerd. Een voorgevoel, dat ik alleen maar kan toeschrijven aan de stem van onze Lieveheer, zegde me ondubbelzinnig dat ik hen weldra zou gaan vervoegen in de leproserie. Acht jaar van dienstwerk onder deze christenen hebben sterke banden van wederzijdse aanhankelijkheid doen ontstaan. Wanneer ik al plagend zei: ‘Dat ik weldra naar Molokai zou gaan’ veroorzaakte dit onder hen grote onrust.”(Aan Marcelin Bousquet, Generale Overste: Molokai, augustus 1873).

Zielzorg in de Melaatsennederzetting (1873-1885)

Hoe dan ook, toen ik klaar stond om Kohala te verlaten om de inzgening van pater Léonor Fouenels mooie kerk (op Maui, Wailuku) te gaan bijwonen en ik op het punt stond mijn rijdier te bestijgen, hoorde ik een innerlijke stem die me zei: 'dat ik mijn dierbare christenen en mijn vier mooie kapellen nooit zou weer zien'. Wenend wierp ik voor het laatst een blik op de mij zo dierbare christenheid van Kohala.” (Aan Marcelin Bousquet, Generale Overste: Molokai, augustus 1873).

Toeval? Als in 1873 alles in gereedheid wordt gebracht om de inzegening van Léonor Foesnels nieuwe kerk te vieren, verschijnt er midden april een artikel in de tweetalige krant van Honolulu ‘Nuhou’ met een suggestie naar koning William Lunalilo om een koninklijk bezoek aan het leprosarium te brengen omdat dit een troostend en inspirerend effect zou hebben op de verbannen leprozen:

“Indien een edel christen, priester, predikant, of een zuster, zich geroepen zou voelen om een leven op te offeren om deze ongelukkigen troost te brengen, dan zou dat een koninklijke ziel zijn om voor eeuwig te schitteren op een troon opgebouwd door humane liefde” (Gavan Daws, Holy Man: p.60).

Heeft Monseigneur Maigret bewust gekozen om in mei van 1873 zijn oproep te richten tot de in Wailuku verzamelde confraters? Dat zou dan een gouden zet zijn geweest en van Maigret een groot tacticus maken. Er is niets wat daarop wijst, al werden en worden er nog steeds rare sprongen gemaakt door beleidsmensen in de meest uiteenlopende disciplines. Wat er ook van zij, op het ogenblik dat Damiaan ingaat op de vraag of hij tijdelijk de zielzorg in Kalawao op zich wil nemen, melden zich ook drie andere confraters. Waarom wordt Damiaan genomen als eerste kandidaat? Is er een nieuwe rondvraag wie er als eerste wil gaan? Of geeft de persoonlijke voorkeur de bisschop de doorslag? Deze vraag blijft zonder antwoord. Wel is bekend dat pater Damiaan vrijwel meteen de pers haalt. Drie dagen nadat hij in Kalawao landt, schrijft hoofdredacteur van de ‘Nuhou’: “We maken ons niet bezorgd over welke theologische strekking deze man er op nahoudt, hij is vast en zeker een christelijke held”. Er is wat gemor in protestantse rangen. De overheid van de Katholieke Missie weet niet heel goed wat ze in gang zet, want ze pleegt eigenlijk inbreuk in het domein van een Board of Health die voornamelijk wordt geleid door protestanten. De verhouding tussen Missie en Board of Health zal altijd ambivalent blijven. Maar welke aarzelingen of bedenkingen ook, geen van de betrokkenen kan het maken pater Damiaan terug te roepen. Er is gewoonweg geen beter alternatief of meer haalbaar voorstel. Bisschop Maigret die pater Damiaan begeleid had wanneer hij hem op 10 mei 1873 naar Molokai bracht, nam als een goede vader met een duidelijke boon voor Damiaan, afscheid met de woorden: “Voorzichtig zijn mijn jongen, moge God je bewaren”.

Damiaan schrikt wanneer hij daar plots staat op Kalawao, alleen met niet veel meer dan zijn brevier en wat benodigdheden voor het uitoefenen van zijn priesterlijke taak. Wie de echte Damiaan wil kennen, moet ervan uitgaan dat Damiaan niet naar Molokai gaat om te bouwen, te metselen en doodskisten te maken, maar wel om er mensen bij te staan in hun geestelijke nood. Hij wil hen de troost van zijn geloof bieden; hen de ontnomen menselijke waardigheid terugschenken; hen laten voelen dat ze niet door iedereen worden geschuwd en verlaten. Wanneer er noden zijn waaraan hij kan verhelpen dan zal hij dat echter ook doen. Al vlug besluit Damiaan dat hij zijn ware bestemming heeft gevonden. Hij wordt hierin, zij het met enige terughoudendheid, ook bevestigd door bisschop Maigret en missieoverste Modest Favens.

De eerste periode is voor Damiaan niet makkelijk. Er is geen eigen plek om te wonen of te slapen en de misvieringen in de kleine St.-Philomenakapel zijn vanwege de stank van etterende wonden bijzonder zwaar om te verduren. De confrontatie met uitsluitend melaatse mensen in verschillende fasen van de ziekte is erg hard, al treedt na enige tijd ook gewenning op. En er is zoveel om aan te wennen: de vele sterfgevallen; de schamele hutten; de afwezigheid van iets wat op medische zorg leek; de vijandigheid van sommigen; de aanwezigheid van een protestantse kerk lang voor een schamele tegenhanger bij de katholieken. Ook moet Damiaan wennen aan het feit dat hij niets kan ondernemen zonder hierin steeds de feitelijke beheerder van de lepranederzetting, de Board of Health, te kennen. Deze Gezondheidsraad beslist over de middelen om de nederzetting te ondersteunen en kiest haar eigen plaatselijke vertegenwoordiger en gezagsdrager (de Luna nui) die als Chef regeert. Daarenboven heeft de Gezondheidsraad ook haar eigen algemeen opzichter in de persoon van Rudolph Meyer, een planter en regeringsambtenaar die om de maand op inspectie komt.

Het leprosarium van Kalawao mag dan al minder uitgestrekt zijn dan Damiaans vroegere parochies in Puna of Kohala, de praktische realiteit is veel ingewikkelder dan in een van die kleine nederzettingen. Natuurlijk is Damiaan er om de verbannen melaatsen geestelijke bijstand te bieden en wordt er hem op dat gebied niets in de weg gelegd, noch door de Board of Health, noch door de algemeen opzichter Rudolph Meyer die goed met Damiaan kon opschieten.

“Meer dan 2000 melaatsen werden verbannen, daarvan zijn er nog 800 in leven, onder hen een aantal getrouwe christenen, evenals een redelijk aantal nieuw-gedoopten. Deze instelling had duidelijk nood aan een residerend priester alhoewel dit niet zo’n gemakkelijke opdracht was. Alle communicatie met de nederzetting is strikt verboden tenzij men aanvaardt zich hier, samen met de bannelingen te laten insluiten. Daar ik op de dag van mijn geloften reeds onder het baarkleed heb gelegen, was ik er van overtuigd het mijn plicht te zijn mezelf aan te bieden bij zijne Excellentie. Die, zoals hijzelf heeft gezegd, niet zo wreed was zulk een offer op te leggen in naam van de gehoorzaamheid.”( Aan Pamfiel; Molokai, hospitaal van de leprozen , 25 november 1873).

“Met droefheid vernam ik de dood van onze lieve vader. Helaas is hij thans niet meer bij u. Maar ik hoop dat hij nu reeds in de hemel is bij onze vier zusters (Marie-Melanie, Eugenie, Constance, Pauline). Daar moeten wij ons allen eenmaal weervinden en ik hoop dat er niet één van de familie zal ontbreken. Hoe gaat het met u, lieve moeder? Zijt ge nog steeds sterk en gezond? Misschien hebben de tranen die ge hebt geweend bij vaders sterfbed, u wat verzwakt. Ach, waarom toch zoveel wenen?Is het in de hemel dan niet beter dan hier op aarde? Laten we allen verlangen naar het hemelse vaderland en ons vol goede moed op weg begeven daar naartoe. Ik denk dat gij u niet meer zoveel om aardse dingen moet bekommeren. Laat dat maar over aan Gerard en Dorothee… Nu enige woorden over het huishouden. In mijn kleine huisje ben ik gans alleen. De zieken komen er nooit in. In de morgen na de mis, komt een gezonde vrouw wat eten klaarmaken: rijst, vlees, koffie en enkele pannenkoeken. 's Avonds eet ik wat er overbleef met een kop thee die ik op mijn lamp warm maak. 's Middags eet ik zelden. 50 tot 60 kippen leggen meer eieren dan ik op kan. Ge ziet dat Jef er goed van leeft! Hij lijdt geen honger. Gedurende de dag ben ik zelden thuis. Ik besteed veel tijd aan ziekenbezoek. 's Avonds bij het licht van de lamp bid ik mijn brevier, lees en studeer een beetje of schrijf enkele brieven. Ge moet dus niet zo verwonderd zijn dat ge maar eens in het jaar van mij een brief ontvangt. Ik heb werkelijk geen tijd om veel aan u te denken, tenzij in mijn gebed.” (Aan zijn moeder en familie; Molokai hospitaal: 8 december 1873).

Pater Damiaan schrijft bijna drie maanden na zijn aankomst op Molokai een brief aan Pamfiel waarin hij ondermeer duidelijk maakt dat in het leprosarium een residerend priester noodzakelijk is. Hij geeft aan dat hij zichzelf vrijwillig heeft aangeboden om die taak op zich te nemen, in de wetenschap dat hij al symbolisch is gestorven aan de wereld wanneer hij op de dag van zijn geloften onder het baarkleed heeft gelegen. Dit moet voor Pamfiel duidelijkheid brengen. Toch kan Damiaan op dat ogenblik nog niet inschatten wat het voor hem zal betekenen een plaatsgebonden priester te zijn. In de jaren die volgen, blijft hij de kleinere katholieke gemeenschappen buiten de nederzetting aan de bovenzijde van de pali bezoeken, wat telkens dagenlange afwezigheid impliceert. Op bevel van zijn oversten bouwt Damiaan voor zijn confrater Andre Burgerman een kerk, waardoor hij zestal weken afwezig blijft.

Bij aanvang is Damiaans ‘resideren’ zeer strikt en mag hij de nederzetting niet verlaten. Als in september van 1873 missieoverste Modest Favens een bezoek brengt aan de nederzetting en aan pater Damiaan wordt deze verhinderd om aan land te gaan. Damiaan die bij de overste zijn biecht wil spreken wordt op zijn beurt verhinderd aan boord te gaan omdat het verlaten van de nederzetting niet is toegestaan. Heel nederig maar noodgedwongen spreekt Damiaan daarom vanuit een sloep, zijn biecht in het Frans. Het verhaal heirover doet spoedig de ronde in Honolulu. Door een interventie van de commissaris en consul van Frankrijk wordt vrij spoedig een uitzondering gemaakt voor de bedienaars van de eredienst, zodat ze opnieuw vrij zijn te gaan waar ze willen. Pater Damiaan die in aanvang geen medepriester heeft in het leprosarium bij wie hij kan biechten, kan zo af en toe naar Honolulu om bij een van de confraters in het Missiehuis te biecht te gaan.

In het schrijven aan zijn moeder en de andere verwanten, reageert Damiaan duidelijk op het bericht van vaders overlijden. Een beetje afstandelijk schrijft hij: “Met droefheid vernam ik de dood van onze lieve vader. Helaas is hij thans niet meer bij u… en dan volgen de woorden die hij als priester kan bieden. Natuurlijk zal moeder niet alleen geweend hebben om het verlies van haar echtgenoot, de vader van haar kinderen, maar eveneens omdat een van die kinderen zichzelf had opgesloten bij die ongelukkige melaatsen. Vandaar dat Damiaan er een idyllisch plaatje bij schildert van haar Jef die het buitengewoon goed maakt in zijn knusse huisje; met een vrouw die voor een ontbijt zorgt dat zo overvloedig is dat er genoeg overblijft voor een avondmaal; en al die kippen, waarschijnlijk meer dan ze er op de boerderij ooit hebben gehad. “Ziet ge moeder, uw Jef leeft er goed van”. Altijd weer zal Damiaans boodschap aan de mensen thuis dezelfde blijven: “maak u niet bezorgd om mij”. Dit terwijl de periode van 1873 tot 1884 niet de meest vrolijke is.

Hoewel het echte priesterwerk zijn eerste opdracht is, ziet Damiaan dat hij naast vrome woorden ook daden moet stellen. Doden verdienen een fatsoenlijke begrafenis. Mistoestanden als dronkenschap; het gebruik van stimulerende middelen; zedeloosheid; het misbruik van jonge weeskinderen; de woeker in de dorpswinkel; en het vergokken van de magere betoelaging door bannelingen kunnen niet worden getolereerd. Damiaan droomt van een ideale christelijke gemeenschap, maar de context lijkt deze te beletten. Vijandige elementen leven zonder respect voor de wet, de sterken buiten de zwakken genadeloos uit. De medische verzorging van patiënten in het hospitaal of wat daarvoor moet doorgaan, is onbestaande. De door de Gezondheidsraad betaalde geneesheren brengen hun voorgeschreven bezoekjes, maar maken zich zo vlug mogelijk ook weer uit de voeten. Er is een grote nood aan betere behuizing van een groot aantal van de melaatsen die zich moeten redden met een van takken en gras gebouwde hut. Pater Damiaan staat voor een onmogelijke opdracht. Hij is alleen, heeft weinig of geen middelen en de vele problemen schreeuwen om aandacht. Het Philomenakerkje staat er verweesd bij. Damiaan heeft helpers nodig, vooral voor de begrafenissen. Goede christenen, meestal vrouwen, worden aangemoedigd een sociëteit te vormen om daarbij te helpen. Mits een kleine bijdrage kan op die manier de kist van een armere medemens betaald worden. Damiaan timmert zelf ook enkele kisten, maar de meesten worden gemaakt door een daartoe door het bestuur van de nederzetting aangeworven groep die met dat werk voltijds bezig is. Damiaan bouwt ook huizen, volgens het systeem van frame houses, een houten kader dat wordt dichtgemaakt met planken en meestal een dak met houten pannen. De meerderheid van deze huizen wordt gebouwd door de meer gegoede patiënten die zowel het hout als een timmerman kunnen bekostigen. Andere woningen worden na verloop van tijd in opdracht van de Gezondheidsraad gebouwd. Ook hier laat Damiaan zich niet onbetuigd, al is het niet zo dat hij eigenhandig het hele dorp Kalawao heropbouwt.

Pater Damiaan onderneemt ook pogingen om de hardnekkige dwarsliggers de les op te leggen en hij weet hier ook ten dele in te slagen. Een enkele keer slaagt hij erin een illegale drankstokerij te vernietigen, hoewel de gevolgen hiervan beperkt blijven en het vernielde distilleerapparaat vaak ook wordt hersteld om op een ander plaats opnieuw te beginnen. Damiaan beklaagt zich over de lakse houding van de plaatselijke chef die gezien het isolement toch geen eigenlijke macht kan uitoefenen op de mensen zonder ze tegen hem in het harnas te jagen. Op een gegeven moment ziet Damiaan zijn kans om orde op zaken te stellen wanneer de positie van Luna nui vacant raakt. Hij krijgt zijn zin en tracht zeer tegen de zin van de bannelingen orde op zaken te stellen. Wanneer hij op een gegeven moment bannelingen opvordert om gemeenschapswerk te verrichten, dreigen de zaken te escaleren en ziet opzichter Rudolph Meyer zich genoodzaakt Damiaan tot rede te brengen: “je mag niet teveel in eens eisen, op de duur hou je geen enkel vriend over en dan sta je helemaal alleen”. Pater Damiaan neemt deze raad ter harte, te meer omdat hij inziet dat de positie van chef tijdsrovend is en niet geheel zijn taak. De eenzaamheid begint te wegen en Damiaan richt zich tot zijn oversten en wijst hen erop dat de regel van de congregatie het niet veroorlooft dat een confrater zo helemaal alleen blijft op een post:

“Hoewel ik nog niet melaats ben, en met de wonderbare bijstand van de goede God en de heilige Maagd zal ik het ook nooit zijn, zo hoop ik. Ik maak me nochtans melaats met de melaatsen, ik begin mijn preek altijd op die wijze [Wij Melaatsen]. Moge ik hen allen winnen voor Christus, zoals de heilige Paulus heeft geschreven.”(Aan Pamfiel; Molokai, Hospitaal van de melaatsen, 25 november 1873).

“…Een kort briefje van August [Pamfiel] heeft mij de heilige dood van Paulien aangekondigd. Hoe is het met u allen… Ik ervaar mijn diepste vreugde de Heer te dienen in zijn arme zieke kinderen, die werden uitgestoten door de andere mensen. Ik doe mijn uiterste best hen allen te leiden op de weg naar de hemel. En ook gij, lieve ouders, broers en verwanten, moet vreugdevol die weg gaan opdat wij allen het geluk mogen hebben elkaar in de hemel weer te vinden. Schatten, rijkdom, zelfs ons leven, stellen niets voor, indien wij er niet naar streven onze zielen te heiligen. Bid veel voor mij” (Aan zijn ouders en familie, Molokai, 25 november 1873).

Vrij spoedig na zijn aankomst in het leprosarium kiest Damiaan ervoor de patiënten te benaderen in overeenstemming met hun Hawaiiaanse traditie: de zieke medemens niet uitstoten, ongeacht de aard van zijn kwaal. De ziekte wordt beschouwd als een tegenslag, een kwaad dat in het ergste geval levensbedreigend is, maar daarom is de getroffen mens nog niet de verpersoonlijking van het kwade zelf. Damiaan verwoordt het eenvoudig: “Wij melaatsen”. Zieken en gezonden zijn lotgenoten. Dit is niet zo maar een sterk woord om aandacht te trekken, maar uitdrukking van wat zijn aanwezigheid in Kalawao wil zijn: betrokkenheid, solidariteit, tastbare nabijheid in de simpele gebaren van het gewone leven. Zonder superieure afstandelijkheid de hut van de melaatse medemens binnengaan, de zieke aanraken en indien nodig verzorgen. Het lijkt wel alsof Damiaan hier een passage voor ogen heeft uit het Marcusevangelie:

”Er kwam een melaatse bij Hem die op zijn knieën viel en Hem smeekte. Als Gij wilt kunt Gij mij reinigen. Door medelijden bewogen stak Hij de hand uit, raakte hem aan, en sprak tot hem. Ik wil wordt rein.”(Marcus 1:40-41).

Vrij spoedig doet het gerucht de ronde dat ook Damiaan besmet is door melaatsheid, niet geheel verwonderlijk gezien zijn verregaande onvoorzichtigheid. Damiaan blijft echter vertrouwen op de goede God en de Heilige maagd dat hij niet melaats zal worden.

In de periode van zijn dienstwerk geniet Damiaan aanvankelijk het vertrouwen van Monseigneur Maigret en missioverste Modest Favens. De bisschop is in tussentijd echter een zwakke oude man geworden en de missieoverste is vaak ziek. Monseigneur Hermann Köckemann is hulpbisschop geworden en Léonor Fouesnel is reeds aanwezig in Honolulu, zij het voorlopig op de achtergrond. Omdat Damiaan blijft aandringen op de aanwezigheid van een confrater om hem bij te staan, wordt hem een medebroeder toegewezen die wegens een tropische ziekte Tahiti heeft moeten verlaten: de Nederlander Andre Burgerman. Oorspronkelijke bedoeling is dat pater Andre de katholieken buiten de leprozennederzetting regelmatig zou opzoeken om er de mis te vieren en de sacramenten toe te dienen. In geval van Damiaans afwezigheid zou Andre Kalawao kunnen overnemen.

Pater Andre begint, tot grote ergernis van Damiaan, medicijnen uit te delen en krijgt daardoor een vrij grote aanhang. Op het ogenblik dat later de functie van chef vrijkomt stelt Andre zich kandidaat. Damiaan wendt al zijn invloed bij Rudolf Meyer aan om te verhinderen dat Andre chef zou worden en bezweert Meyer hemzelf die functie te geven. De twee confraters die elk een eigen visie hebben van wat er hoe moet gebeuren in de nederzetting, die beiden ook behoorlijk koppig zijn, kunnen het helemaal niet met mekaar vinden hoewel zij bij onverminderd bij mekaar te biecht gaan. De overheid beseft uiteindelijk dat ze onverzoenlijk zijn en niet geschikt om samen te werken. De uitweg uit de impasse komt er wanneer Andre Burgerman wordt weggezonden naar Maui, waar hij gedurende vele jaren heel goed heeft gewerkt.

Een oplossing voor Damiaans probleem is het niet. Het is wachten op Albert Montiton, een oudgediende van de Toeamotoe archipel, maar omwille van een tropische aandoening overgeplaatst naar Honolulu. Omdat hij in Honolulu iedereen door zijn irritant gedrag het leven zuur maakt en zijn feitelijke aandoening wordt beschouwd als de eerste fase van lepra, ziet de overheid haar kans om Montiton naar Molokai te zenden.

Pater Albert vestigt zich in Kalaupapa, en verspreidt al snel het gerucht dat Damiaan melaats is en dat hij dat in zonde leeft met een Hawaiiaanse. Bovendien mengt hij zich onmiddellijk in Kalawao, waar het vertrouwde personeel van pater Damiaan door hem wordt buitengepest. Damiaan is niet alleen gekwetst door de valse beschuldigingen van zijn confrater, maar ook door het autoritaire optreden van Albert. De zoveelste teleurstelling die hij moet verwerken. Er worden in deze periode (september 1881-maart 1885) heel wat brieven geschreven naar bisschop Köckemann, vooral door Damiaan die niet meer weet wie nu (kerkelijk) verantwoordelijk is in de leprozennederzetting. De bisschop zal de brieven telkens beantwoorden om de gemoederen te bedaren en om te smeken samen te werken. Als blijkt dat dit niet mogelijk is, volgt de opsplitsing met Damiaan die beschouwd wordt als pastoor van Kalawao en pater Albert als pastoor van Kalaupapa. In heel deze episode blijkt pater Albert allerminst Damiaans mindere waar het aankomt op koppigheid.

“Mijn confrater kwam toe met zijn christenen van Kalaupapa… precies om middernacht kwam pater Albert met accolieten uit de sacristie. De kerk was helemaal verlicht en volzet, er heerste een ingetogen stemming. Na de lezing van het evangelie maakte de predikant met zijn sermoen een diepe indruk op mijn arme zieken. Hoewel reeds tamelijk bejaard heeft pater Albert nog vrij goed Hawaiiaans geleerd… De avond van de tweede Kerstdag bezocht ik pater Albert in Kalaupapa waar hij verblijft; ik heb een hele lijst boodschappen mee die ik voor hem moet doen in Honolulu.” (brief aan Pamfiel: Kalawao 18 januari 1883).

In een brief aan Mgr. Hermann Köckemann van het jaar voordien uit Damiaan zijn ongenoegen over het totaal gebrek aan interesse van pater Albert in Kalawao. Wellicht toont pater Montiton zich, in de kerstsfeer, ook eens van zijn beste zijde en kan hij zonder al te veel gezichtsverlies Damiaan een boodschappenlijst meegeven. Dit alles toont alleszins aan dat er momenten van gewapende vrede voorkomen in de relatie tussen de twee kemphanen, al blijken deze vaak korte intermezzo’s en wordt doorgaans snel hervallen in het vertrouwde patroon van gehakketak. Alberts huidziekte woekert verder en door het niet te harden jeuken verbetert zijn relatie met Damiaan er niet op.

Intussen is pater Léonor er in geslaagd in het Amerikaanse Syracuse enkele Franciscaanse religieuze zusters met ervaring in de verpleging, te overtuigen om naar Hawaii te komen. Pater Léonor, gesteund door zijn bondgenoot Walther Murray Gibson, doet zijn uiterste best om te verhinderen dat Moeder Marianne met haar medezusters direct naar Molokai zouden gaan. Het is alweer een grote teleurstelling voor Damiaan die had gehoopt dat de zusters spoedig de zorg van de melaatse weesmeisjes op Molokai op zich zouden nemen. Damiaan wordt door pater Leonor gepaaid met de vage belofte dat moeder Marianne op prospectiebezoek zou komen naar Kalawao. Damiaan van zijn kant belooft braaf dat hij zijn best zal doen om het gezelschap waardig te ontvangen. De gezondheid van pater Albert komt in handen van Dr. Fitch, een echte geneesheer. Deze begint met een behandeling van de huidziekte, met gunstig resultaat, al ziet pater Albert zich wegens een zware longontsteking verplicht nog een hele tijd in Honolulu te blijven. Uiteindelijk komt het finale verdict: pater Albert ‘is niet melaats!’ Eind 1884 wordt hij genezen verklaard en fit genoeg om te reizen. Na een korte aarzeling om toch naar Kalaupapa terug te keren waar hij dan toch niet toe besluit, boekt hij een reis naar San Francisco om vandaar verder te reizen naar Tahiti. Vanuit San Francisco schrijft hij een brief aan de Generale Overste met daarin de merkwaardige vaststelling:

“… ongetwijfeld mijn zeer eerwaarde pater Generaal, het zou zeer terecht zijn een nieuwe missionaris voor Molokai te benoemen, maar pater Damiaan heeft er niet een nodig voor de leprozerie; hijzelf volstaat en hij houdt er zelfs van alleen te zijn…” (Aan de Generale Overste: San Francisco, 24 april 1885).

Pater Montiton kent blijkbaar zijn confrater Damiaan. Even voordien schrijft hij nog vanuit Honolulu aan Damiaan om hem vergiffenis te vragen voor alle last die hij hem heeft aangedaan, en op zijn beurt vergeeft hij Damiaan alles waardoor deze hem heeft dwarsgezeten en/of gekwetst (aan Damiaan: 13 april 1885). Pater Albert besluit tenslotte niet naar Tahiti terug te keren en vervolgde zijn reis richting Europa, Frankrijk en uiteindelijk Spanje waar hij Damiaans eerste echte bewonderaar en propagandist wordt.

Damiaan melaats onder de melaatsen (1885-1889)

“Ik ben nog steeds goed gezond zoals u me gezien heeft op de dag van mijn vertrek in 1863, uitgezonderd mijn linkervoet die gedurende drie jaar bijna alle gevoel heeft verloren, het is een verborgen gif dat mijn hele lichaam dreigt aan te tasten.” (aan Pamfiel: Kalawao, 31 januari 1885).

Al beweert Damiaan in zijn brief aan Pamfiel dat hij nog steeds zo goed gezond is als op de dag dat hij vertrok, is er toch iets wat aan hem knaagt, dat steeds weer in zijn gedachten opduikt: zijn linkervoet is bijna geheel gevoelloos geworden, als een sluipend gif dat zijn hele lichaam dreigt aan te tasten. Dit is de eerste maal dat Damiaan - zonder het probleem te noemen - iets laat doorschemeren van wat hem bezwaart. Toch ondervindt hij dan reeds drie jaar lang een zekere gevoelloosheid in zijn linkervoet. Aanvankelijk zal Damiaan denken ‘het komt wel weer goed’. Maar het genedeel is het geval en Damiaan confronteert de bittere realiteit: “het is een verborgen gif dat mijn hele lichaam dreigt aan te tasten.” Voor het overige is Damiaan van goede gezondheid en kan hij verder met zijn taak. Hij probeert de vele geruchten omtrent zijn melaatsheid te negeren.

“…nadat ik twee opeenvolgende, angstaanjagende, stortbuien over me heen had gekregen, kwam ik thuis geheel doorweekt. Vanaf die dag ben ik opgezadeld met een vervelende verkoudheid. Nog een tegenvaller: toen ik een warm voetbad wilde nemen, beging ik de onvoorzichtigheid mijn voet in het bijna kokend water onder te dompelen, met gevolg dat het vel loskwam. Na een maand van verzorging begint de wonde te genezen. De eerste twee weken ondervond ik het moeilijk de Mis te lezen. Op zondag houd ik mijn preek al zittend aan de voet van het altaar. Op deze wijze ben ik een zieke te midden van mijn zieken. Ik doe mijn best dit kruis blijmoedig te dragen naar het voorbeeld van onze Heer Jezus Christus.Nu ik niet meer zo goed kan lopen, verplaats ik me reeds een maand per rijtuig (een geschenk van de Board of Health) maar binnenkort zal het wel weer beter gaan. De ontsteking begint te genezen en er komt een nieuwe huid over de wonde”. (Aan zijn moeder en de familie: Molokai, 2 februari 1885).

Waar Damiaan in zijn schrijven aan Pamfiel vrij duidelijk aangeeft dat het om een ernstig symptoom gaat, is hij in de brief aan zijn moeder en naaste familie veel minder duidelijk. De toon is ook anders, bijna luchthartig alsof er niets ernstig aan de hand is. Damiaan wil zijn bejaarde moeder zoveel mogelijk verdriet en zorgen besparen, haar laten geloven dat haar flinke jongen nog steeds is zoals diegene waarvan ze afscheid nam in Scherpenheuvel.

Damiaan koestert nog steeds de hoop dat er een middel beschikbaar zou komen tegen melaatsheid, indien niet om te genezen, dan toch om de vernietigende voortgang van de ziekte af te remmen. Hijzelf blijkt ook bereid alles te proberen wat maar enigszins hoopvolle perspectieven biedt. Als in 1885 de Japanner Masanao Goto in het Kakaako hospitaal onder contract met de Board of Health met zijn methode begint, participeert Damiaan in het experiment met hete baden, Japanse medicijnen en thee getrokken van de schors van een Japanse boom. Hij consulteert ook Dr. Arning. Later bezorgt Edward Clifford hem een andere Aziatische remedie (Gurjunolie) die moest worden gemengd met kalk en vervolgens in de huid gemasseerd. Dit alles toont ook aan dat de Board of Health helemaal niet zo vijandig staat tegenover Damiaan als soms wordt beweerd. Naast het geschonken rijtuig draagt de Gezondheidsraad ook de onkosten voor de installatie van de baden in het hospitaal van Kalawao, de verwarming van het nodige badwater, enz. Pater Damiaan drukt herhaaldelijk zijn dankbaarheid uit voor die steun van de Gezondheidsraad. Het gebeurt ook wel dat Damiaan klachten heeft over de werking van de officiële instanties: de levering van waardeloos voedsel, het te laat leveren van de afgesproken hoeveelheden van ‘poi’, het traditionele basisvoedsel van de kanaakse patiënten, of moeilijkheden in verband met de benoeming van een nieuwe onderwijzeres voor het missieschooltje in Kalaupapa. Meestal worden deze problemen vrij vlug opgelost dankzij Damiaans goede relatie met Rudolph Meyer.

“…Ik denk er aan hem (Pater Gregoire Archambaux) een verzorgingslotion op basis van Bi. chl. Hydr. te geven om zijn huid zuiver te houden, wat ik ook zelf gebruik. Zou het goed zijn hem ook die arsenic pillen te geven die ik zelf ook neem? Verontschuldig me beste dokter omdat ik mijn belofte niet heb gehouden u een beschrijving van mijn eigen toestand te bezorgen. Ik dacht dat het beter was nog wat langer te aanzien om de voortgang de ziekte te beschrijven. Wanneer nieuwe symptomen bevestigen dat het werkelijk om melaatsheid gaat, dan is het voor de wetenschap nuttiger een gedetailleerde beschrijving te hebben van alle relevante omstandigheden. Op uw advies heb ik de arsenic pillen genomen, maar omwille van het rood uitslaan van mijn aangetaste voet, dacht ik dat het verstandiger was daarmee gedurende enkele weken te stoppen. Ik neem ze nu opnieuw omdat ze mijn algemene goede gezondheid niet schijnen te beïnvloeden, en ik denk er over om dit te blijven doen. Ik kijk vol verwachting uit om de elektriciteit uit te proberen van zodra de machine op punt staat. Ik hoop dat u, Dr. Mouritz, me wil bijstaan om voortgang van deze vreselijke ziekte te stoppen met de hulp van de Almachtige…” (Aan Dr. Ed. Arning; Kalawao, 31 oktober 1884).

Heel het fragment van dit schrijven toont aan dat Damiaan zich steeds blijft  verzetten tegen de idee dat hij melaats is, en dat hij hoopt dat de ‘ziekte’ kan worden tegengehouden. Daarom schrijft hij dat hij het nog een tijd wil aanzien, en wanneer er dan nieuwe indicaties zouden zijn die aangaven dat het in werkelijkheid melaatsheid was, dan zou zijn verslag zoveel ‘nuttiger’ zijn voor de wetenschap… Eigenlijk gaat het bij Damiaan om het ‘uitstel’, om een sprankeltje hoop dat het toch niet waar zou zijn. Het zijn zware dagen voor Damiaan, en het vooruitzicht is niet bemoedigend.
De terechte bezorgdheid om zijn gezondheid en de onzekerheid in verband met de toekomst belet niet dat hij gewoon verder gaat met zijn priesterwerk, het bezoek van de bedlegerige zieken, en waar nodig eveneens stevig aan de slag ging als er herstellingen moesten gebeuren aan de Philomenakapel, of als eender welke andere karwei moest worden opgeknapt. Ook zijn weesjongens, het zangkoor, de muzikanten van de fanfare, de organisatie van de paardenrennen… Damiaan blijft het allemaal van nabij volgen en de mensen stimuleren door zijn interesse en waardering.

In mei 1885 wordt Damiaan onderzocht door Dr. Arning, in aanwezigheid van Dr. Mouritz. De diagnose is formeel: Damiaan is besmet met lepra. Hij wordt officieel geregistreerd als patiënt in de leprozerie.

”…Onlangs kreeg ik van mijn overste pater Léonor, verbod nog naar Honolulu te reizen om daar een confrater op te zoeken in die lange periode tussen de bezoeken van pater Columban die mijn biecht komt afnemen. Ik weet niet waar dat op uit gaat lopen. Ik vertrouw mezelf toe aan de Goddelijke Voorzienigheid en zoek mijn troost bij de enige vriend die me niet in de steek laat: onze goddelijke Verlosser in de heilige Eucharistie. Bij hem vind ik troost voor mijn innerlijke moeilijkheden. Voor Hem en voor het beeld van onze heilige Moeder mag ik al eens mopperen, en smeek ik om het behoud van mijn gezondheid…” (Aan Pamfiel; Kalawao, 25 november 1885).

Nu bekend is dat Damiaan melaats is, is hij niet langer welkom in het Missiehuis van Honolulu uit vrees voor besmetting. Voor pater Damiaan is het moeilijk te aanvaarden dat hij daardoor niet een biechtvader kan raadplegen die hem bijstaat wanneer hij daar behoefte aan heeft. Bovendien voelt Damiaan ook steeds meer aan dat de ziekte zijn tol begint te eisen. Hij weet echt niet wat hem verder te wachten staat en voelt zich door iedereen verlaten, vindt vertroosting bij de enige vriend die hem niet in de steek laat: de goddelijke Verlosser in de heilige Eucharistie. Daar en bij het beeld van Onze Lieve Vrouw mag hij zijn doen maken en smeken om het behoud van zijn gezondheid.

“…de ziekte waarvan het begin u niet bekend is, maakt angstaanjagende voortgang, en dreigt zelfs me onstabiel en onbekwaam te maken om mis te lezen, en omdat er geen ander priester is, zal ik de heilige Communie moeten ontberen en het heilig Sacrament. Het is deze ontbering die me het meest zal treffen, en mijn toestand onhoudbaar zal maken. Het is niet de ziekte noch het lijden dat me ontmoedigt, verre van, tot nog toe ben ik gelukkig en tevreden; indien ik de keuze mocht hebben hier te vertrekken in goede gezondheid, dan zou ik zonder aarzelen zeggen: 'Ik blijf hier bij mijn melaatsen tot het einde.'” (Aan Albert Montiton; Kalawao, mei 1886).

Aan pater Albert Montiton, waarmee hij vroeger voortdurend ruzie had, kan Damiaan vrijuit schrijven wat hem het meest bezwaart: het schrikbeeld van een toekomst waar zijn gezondheid het niet langer toelaat dat hij de mis zal kunnen opdragen. Het is hem ondenkbaar hoe hij het verder zal moeten redden zonder de heilige Communie, zonder de goddelijke tegenwoordigheid van de Verlosser in het heilig Sacrament van het altaar. Dan zal zijn toestand niet langer houdbaar zijn, de krachtbronnen van zijn geloof en zijn leven in dienst van lijdende medemensen moeten ontberen zou erger zijn dan de melaatsheid en lijden dat er mee gepaard gaat. Maar weggaan uit Kalawao, daar denkt hij niet aan.

“…Zonder de tegenwoordigheid van onze goddelijke Meester in mijn armoedige kapel, had ik nooit kunnen volharden in mijn besluit het lot van de melaatsen van Molokai te delen. Maar door de heilige Communie, het dagelijks brood van de priester, voel ik me gelukkig, zeer tevreden en gelaten in deze ietwat bijzondere toestand, waarin de goddelijke Voorzienigheid me heeft willen plaatsen.” (Aan Rev. Hugh Chapman; Kalawao, 26 augustus 1886).

Aan Hugh Chapman, de Anglicaanse predikant van de St. Luke’s Church in Camberwell Londen, schrijft pater Damiaan een dankbrief voor de ontvangen financiële steun en om uitdrukking te geven aan een zielsverwantschap over de enge grenzen getrokken door de ‘christelijke’ kerken. Damiaan kan hem vrijuit schrijven dat hij het slechts vanuit de kracht hij puurt uit de goddelijke nabijheid van Jezus Christus in de eucharistie heeft aangekund zijn lot te delen met de melaatsen van Molokai, en dat hij niettegenstaande zijn ziekte gelukkig en tevreden is.

“Omdat ik veel om handen heb, lijkt de tijd snel te gaan. De harte-vreugde en de tevredenheid die de heilige Harten me overvloedig schenken, maken me tot de gelukkigste missionaris ter wereld. Derhalve lijkt het offer van mijn gezondheid door onze Lieve Heer welwillend aanvaard om mijn dienstwerk bij de melaatsen vrucht te laten dragen minder erg. Alles wel beschouwd valt het nogal mee en is het in zekere zin prettig voor mij, die het St.-Paulus een beetje durf na te zeggen: 'Ik ben gestorven en mijn leven is met Christus verborgen in God... (Aan Pamfiel; Molokai, 16 november 1887).

Twee jaar na zijn brief aan Pamfiel waarin hij melding maakt dat pater Leonor hem heeft verboden nog naar Honolulu te komen, scrhijft Damiaan opnieuw aan zijn broer. Het eerste gedeelte van de brief aan Pamfiel is gedateerd op 9 november 1887 en handelt zoals gewooonlijk over de dagelijkse gang van zaken in de nederzetting. Naar het einde toe laat hij duidelijk verstaan dat hij niet meer hoopt dat zijn broer hem zal komen vervoegen als missionaris. In het tweede deel van de brief getuigt Damiaan van een grote gelatenheid en serene aanvaarding. Hij is zich bewust dat zijn tijd op aarde snel voorbij vliegt. In een postscriptum wil hij nog kwijt dat zuster Ignatia van Paridaens (Leuven) de enige is van wie hij vanuit België, over een periode van anderhalf jaar, een brief heeft mogen ontvangen. Hetzelfde postscriptum eindigt met: ”Vaarwel aan iedereen. Tot ziens in de hemel.”

“Beste broer. Gezien het stadium van de ziekte die God mij liet overkomen, schrijf ik u en de rest van de familie niet meer zo vaak als voorheen. Anderzijds lijkt het mij dat jullie minstens zo dikwijls, indien niet meer, zouden moeten schrijven als vroeger. Maar toch, ik ben nog steeds gelukkig en tevreden. Hoewel ik goed ziek ben, verlang ik niets anders dan dat Gods heilige Wil geschiede. Er is hier bij me een priester uit Luik, abbé Conrardy, en pater Wendelinus bedient het andere dorp (Kalaupapa). Verder zijn hier twee broeders ( Joseph Dutton en James Sinnett ) die me helpen bij het verzorgen van een honderdtal weesjongens die ik onder mijn hoede heb. In de nederzetting verblijven meer dan 1000 melaatsen. We hebben nu ook zusters: drie Franciscaanse ziekenzusters. De Engelsen in Londen, zowel protestanten als katholieken, tonen zich zeer edelmoedig in het ondersteunen van het apostolaat waaraan ik me heb gewijd. Doe asjeblieft mijn groeten aan alle paters en broeders van Leuven, en eveneens aan Gerard en Leonce en aan heel de familie. Aan het altaar, dat ik tot nog toe elke dag kan bestijgen, hoewel niet zonder moeite, vergeet ik niemand van u allen. Bidden jullie, en laat bidden, voor mij die me stilaan naar het graf sleep. Moge onze lieve Heer me sterken en me de genade schenken van volharding en van een goede dood. Uw zeer genegen broer in de heilige Harten. (Aan Pamfiel; Kalawao, 12 februari 1889).

Hier neemt Damiaan duidelijk afscheid. Hij is zo vertrouwd met het verloop van de ziekte dat er geen twijfel meer is dat zijn einde nadert. Damiaan dramatiseert niet, hij is goed ziek, dat wel, maar voor hem is het de heilige Wil van God en daar kan hij zich mee verzoenen, in Gods handen is hij veilig en dat geeft hem rust, innerlijke vrede. Bovendien weet hij dat het werk waaraan hij zich zo vol overgave heeft gegeven verder zal gaan. Hij is toch goed omringd, twee priesters, twee broeders. De broeders zijn lekenhelpers, maar voor Damiaan zijn het ‘broeders’ die voor de weesjongens zullen zorgen terwijl de Franciscaanse ziekenzusters zich over de weesmeisjes zullen ontfermen. En voorlopig kan Damiaan nog mis lezen en de Heer bidden om allen die hem dierbaar zijn te bewaren, hemzelf de kracht te schenken voor het naderende einde en de genade van een goede dood.

“Hij zal u door zijn artistiek werk tonen welke verwoesting de ziekte in heel mijn lichaam heeft veroorzaakt. Er is nauwelijks een schijntje hoop dat ik zal herstellen, ten minste, tenzij door een mirakel, maar ik wil er niet eens de Heer om vragen, overtuigd als ik ben dat het zijn heilige Wil is, dat ik op dezelfde manier en aan dezelfde ziekte als mijn besmette schapen zal sterven.” (Aan Rev. Hugh Chapman; Kalawao 1889).

Edward Clifford heeft tijdens zijn bezoek aan Damiaan in de kersttijd van 1888 wat tekeningen en schetsen gemaakt. Damiaan heeft sommige van de schetsen gezien, en weet hoe hij er aan toe is. Nu ook Chapman die schetsen zal kunnen zien, zal hij zelf kunnen vaststellen wat de kunstenaar er van heeft gemaakt: een beeld van ontluisterende verwoesting, al heeft Clifford erg zijn best gedaan om het niet al te realistisch voor te stellen. Alleen een mirakel zou nog iets kunnen veranderen ten goede, maar pater Damiaan is reeds zo over weg, dat hij niet eens meer terug zou willen naar vroeger. Bovendien is het Gods Wil dat hij op dezelfde wijze en aan de dezelfde kwaal zou sterven als zijn melaatse parochianen en in zijn beleving gaat het om de Imitatio Christi, de navolging van Christus, zoals hij het zelf uitdrukte in de brief aan zijn moeder en familie:

“Ik doe mijn best dit kruis blijmoedig te dragen naar het voorbeeld van onze Heer Jezus Christus.” (Molokai; 2 februari 1885).

Damiaan wil echt de weg van Jezus gaan, een Via Crucis, een kruisweg ten einde toe, zoals blijkt uit een postscriptum van zijn hand toegevoegd aan de brief van James Sinnett gericht aan Edward Clifford:

“Van harte mijn beste wensen aan onze goede vriend Edward. Ik tracht langzaam mijn kruisweg te gaan, en ik hoop weldra de top van mijn Golgotha te bereiken. Voor immer de uwe.” (Kalawao, 21 februari 1889).

Er is heel wat geschreven over Damiaans conflicten met zijn overheid, waarbij de overheid altijd weer is opgezadeld met de rol van grote boosdoener. Wanneer men ‘overheid’ gaat veralgemenen wordt bovendien iedereen meteen schuldig verklaard. Op die manier wordt de waarheid niet gerespecteerd. Het is zeker dat de overheid, en meer specifiek bisschop Herman Köckemann, en provinciaal Leonor Fouesnel, in die moeilijke laatste fase van zijn leven, tegenover Damiaan een gebrek aan, geduld en tact hebben getoond. Er is wrevel over de financiële steun die zoals Damiaan terecht oordeelt bestemd is voor de melaatsen. In de omgekeerde richting is er ook wrevel over het feit dat Damiaan zoveel aandacht krijgt en volgens sommigen die aandacht bewust cultiveert en naar zich toe haalt ten koste van het aanzien van de hele Missie. Voeg daar de zeer onzekere toekomst aan toe van de Hawiiaanse monarchie en de keuze om de blanken en overwegend protestanten niet tegen de haren in te strijken, lijkt al een stuk aannemelijker. Naarmate Damiaan langzaam verzwakt, weigert men in de kringen van het religieuze gezag te erkennen dat de toestand dramatisch is. Leonor Fouesnel, hoewel niet zonder verdiensten, blijft zijn bitsige zelf, flamboyant, manipulerend en tiranniek voor zijn onderdanen. Zijn wankele gezondheid maakt hem niet aangenamer in de omgang. Niet verwonderlijk smeken sommige de Generale Overste om hem te vervangen door een meer toegewijd medebroeder:

“un Père qui ne cherche que Dieu, qui soit dans la disposition de se sacrifier pour le bien de ses enfants, et non un père qui ne cherche que ses proper aises.” (Père Corneille Limbourg, Brief 30 juni 1887).

Leonor Fouesnel is een mens met zwakheden, zoals ook Damiaan dat is. Het heeft niet het minste belang dit uit te vergroten. Hoe het afscheid van pater Fouesnel is verlopen weten we niet. Van pater Damiaan weten we het wel: een aangrijpend getuigenis van zijn loyauteit tegenover die overheid, van zijn oprechte genegenheid voor zijn congregatie, zonder ook maar een spoor van bitterheid tegenover zijn zogenaamde kwelgeesten:

“Het was werkelijk stichtelijk hem te zien, hij leek zo gelukkig. Nadat ik hem de generale biecht had afgenomen, biechtte ik op mijn beurt bij hem; daarna vernieuwden we samen de geloften die ons verbonden met de congregatie. Daarna ontving hij het heilig Viaticum. Gedurende de dag was hij blij, opgewekt zoals altijd. ‘Kijk naar mijn handen’, zei hij, ‘al mijn wonden gaan dicht, en de korst wordt zwart, het is het teken van de naderende dood. Kijk ook naar mijn ogen, ik heb zoveel stervende melaatsen gezien, ik vergis me niet, de dood is niet meer veraf. Ik had nog zo graag Monseigneur eens gezien; maar de goede God roept me om Pasen te vieren bij Hem… Zijn gehechtheid aan de congregatie was bewonderenswaardig, hoeveel maal zei hij niet tot mij: ‘Pater, gij vertegenwoordigt hier voor mij de congregatie, nietwaar? Laten we samen de gebeden van de congregatie bidden. Wat is het zoet te sterven als kind van de congregatie.’ Verschillende malen droeg hij me op om de Algemene Overste te schrijven,’ dat in dit uur zijn grootste vertroosting erin bestond te mogen sterven als lid van de Congregatie van de Heilige Harten…”     (Pater Wendelin Möllers, ss.cc, aan Generale Overste, 17 april 1889).

Epiloog

Het leven van pater Damiaan is zoveel meer dan de haast mythische heldendaden die aan hem worden toegeschreven. Men heeft hem beschreven en bezongen, in kunstwerken uitgebeeld als ‘held’, als daadkracht, stoer, onverzettelijk, roeiend tegen de stroom in, een recept dat mensen blijft boeien. Daarom spreekt die Damiaan tot de verbeelding, een verbeelding die soms op hol slaat en daardoor vaak verhindert dat men de echte Damiaan leert kennen. Toch is Damiaan, naast al het andere, het bouwen van kapellen, het oprichten van verengingen voor het vermaak van de melaatsen, vooral de Damiaan geworden die hij wilde zijn in diepst van zijn zoekende ziel: een ‘arbeider in de wijngaard van de Heer’, een ziel verloren voor de ‘wereld’ op zijn weg in het spoor van Jezus Christus, en toch niet helemaal wereldvreemd, maar ten volle een mens. Niet verfijnd, niet superintellectueel, geen grootschalige denker of geniale filosoof. Hij was een mens getogen en opgegroeid op de schrale bodem van zijn heimat en daardoor gewapend met een grote dosis zelfredzaamheid en taaie werkkracht. Damiaan was er niet voor zichzelf, al was hij erg begaan met de redding van zijn eigen ziel, hij was even sterk begaan met zijn lijdende en beproefde medemens. Hij was een innerlijk persoon die altijd trouw is gebleven aan zijn prioriteiten, zijn priester-religieus zijn, de grenzeloze toewijding aan de taak die hem was gegeven, een taak die hij met heel zijn hart heeft omarmd, omdat hij daardoor kon groeien in diepere verbondenheid en eenheid met zijn Heer en Verlosser, zoals Jezus wilde hij er zijn voor de ander niet voor zichzelf, niet voor eigen glorie, maar een dienaar in navolging van de Dienaar der dienaren. Doorheen dat alles bleef hij een mens, zoals mensen zijn: onvolmaakt, kwetsbaar, en soms kwetsend, altijd vertrouwend op de barmhartigheid van een genadige Vader. Damiaan een mensenbroeder, een van ons, een mens om van te houden.

Bronnen:

Van Gestel Odilo, Vie et Documents.
Disquisitio de Quibusdam Quaestioninbus vitam Dei Damiani De Veuster , Rome 1974.
Daws Gavan, Holy Man. Father Damien of Molokai, University of Hawaii Press, 1973.
De Becker Raymond, ss.cc., De Grote Melaatse, 1957.
Eynikel Hilde, DAMIAAN. De Definitieve Biografie, 1997.
Schoofs Robert, ss.cc., Pioneers of the Faith, Hawaii, 1978.

Downloads

Via Damianus. Damiaan De Veuster SS.CC., Priester-Missionaris (Tremelo-Kalawao: 1840-1889)
Damiaan Documentatie- en Informatiecentrum (Paul Macken SS.CC.)
Informatie: Damiaan Vandaag, Sint-Antoniusberg 5, Leuven.

Op zoek naar een herkenbare Damiaan

DAMIAAN DE VEUSTER

PRIESTER-MISSIONARIS

TREMELO-KALAWAO: 1840-1889

“Een onveranderlijk aspect van heldhaftigheid is dat helden die in de herinnering voortleven allen steeds meer worden gewaardeerd door latere generaties”

Gideon Suleman, in Time, 8 november 2004.

Rond helden ontstaat mythevorming. Er worden verhalen geweven rond  bepaalde verwezenlijkingen en daden en na een tijd gaan die verhalen een eigen leven leiden en worden ze, soms terecht, veelal ten onrechte, als waarheid genomen door de volgende generaties. Er ontstaat een beeldvorming die dikwijls alleen maar steunt op de eigen perceptie van de waarnemer, een proces van beeldvorming dat vaak ook bewust of onbewust wordt gecreëerd door de ‘held’ zelf. Voor latere generaties is er de steeds groter wordende vervreemding van de leefwereld waarin de held zijn grote daden heeft verricht. Zo bestaat het Vlaanderen van Damiaans kinderjaren al lang niet meer en is ook het Hawaï van Damiaans grote daden verdwenen in de nevelen van de tijd. Voor vele tijdgenoten vormt dit een grote hindernis om nog enige affiniteit te voelen met de leefwereld van Damiaan, en meer in het bijzonder zijn spirituele motivatie en de zoektocht naar zijn eeuwige bestemming.

Een echte held ontmoet tegenstand tijdens zijn queeste. Waar de held, wordt uitvergroot, worden ook zijn tegenstanders uitvergroot tot boosaardige kwelgeesten. De negatieve zijde van het verhaal wordt opgeblazen en krijgt met de jaren een groeiend statuut van realiteit. Omdat de waarheid haar rechten heeft terwijl ze veel geweld wordt aangedaan, belichten we pater Damiaan en diegenen die - geviseerd als boosdoener - een periode van hun leven gedeeld hebben met hem. Omdat we ver verwijderd zijn van de realiteit van Kalawao en ook het bronmateriaal waarop een poging tot duiding moet steunen soms eenzijdig en/of onvolledig is, is het met een zekere schroom dat we de verhouding voorstellen tussen Damiaan en zijn confraters Andre Burgerman en Albert Montiton.

Andre Burgerman (Molokai 1874 - Maui 1880)

Burgerman wordt geboren in Den Haag in 1829. Op 25 jarige leeftijd treedt hij in bij de Paters van de Heilige Harten te Leuven, en begint hij na zijn professie op 21 oktober 1855 in Parijs, aan een wisselvallige carrière als surveillant in Sarzeau, Poitiers, Cahors en Picpus. Na zijn kleine wijdingen vertrekt hij naar de Tahiti missie, samen met Monseigneur Jaussen. In Tahiti verwerft hij een reputatie als ‘genezer’. Na moeilijkheden met het bestuur van het eiland vertrekt hij in 1870 naar Chili. In 1872 verblijft hij weer in Parijs en Cahors, in 1873 vertrekt hij naar Hawaï. Door monseigneur Maigret wordt hij bestemd voor Molokai waar hij ongeveer zes en half jaar zal blijven.

Vanaf 5 november 1874 werkt hij in  het Top Side gedeelte van Molokai en ongeveer vier jaar later komt hij naar de melaatsenkolonie. Toch is Burgerman vooral bedoeld als compagnon en biechtvader voor Damiaan, die hierop herhaalde malen had aangedrongen. In een schrijven aan de generale overste laat bisschop Maigret al snel verstaan dat er problemen te verwachten zijn: “… zijn buur Pater Andre is belast met de rest van het eiland. Hij beschikt over een pas gebouwde en mooie kapel, met bijhorende pastorie en schooltje,maar het is niet te verwachten dat dit voor hem voldoende is.. “.

Pater Burgerman bouwt in Tahiti een reputatie als ‘genezer’ op, al beschermt hem dat niet tegen een infectie waarvan algemeen wordt verondersteld dat het elephantiasis is. Omwille van de algemeen verspreide angst voor lepra zijn er al vlug geruchten dat deze infectie een aanduiding is van leprabesmetting. In briefwisseling met het Generalaat wordt zelfs vermeld dat niet alleen Andre besmet is,  maar dat ook pater Damiaan de merktekens van besmetting vertoont.

Burgerman vraagt zijn overheid om voor hem op Topside een nieuwe kerk te laten bouwen. Niet door een prutser, maar door in het vak bekwame broeders. Het verzoek wordt afgewimpeld en het is Damiaan die de opdracht krijgt een kapel te bouwen. Hij is er zoet mee van maart 1874 tot midden augustus 1874. Damiaan laat de Generale Overste, pater Bousquet, verstaan dat Andre in de leprozennederzetting zeer goed werk heeft geleverd en dat ze op nauwelijks een dagreis verwijderd van elkaar leefden. Intussen heeft Damiaan de smaak van het bouwen te pakken en zorgt hij voor drie nieuwe kapellen om het hele Molokai verder te christianiseren. Dit heeft andermaal tot gevolg dat Andre Burgerman hem vervangt in de nederzetting waar hij zich eerder geliefd maakte bij de Hawaiianen door vrijgevig medicijnen uit te delen. Vele patiënten geven bovendien de voorkeur aan Andre´s vieringen in de kerk van Kalaupapa. Hoewel beide medebroeders gerapporteerd worden als in goede gezondheid verkerend en hun werk uitvoerend, blijken de verhoudingen niet vrij te zijn van spanningen:

“Pater Andre heeft de gewoonte me om de twee maanden te bezoeken om mijn biecht te horen. Ik denk dat het mijn plicht is om u, als hoogste overheid te informeren dat deze goede pater niet op zijn plaats is in Molokai, of elders in deze eilanden. Zijn wijze van handelen en spreken hebben mij overtuigd dat hij niet gehecht is aan zijn post, en niet aan de missie hier, en evenmin aan de congregatie. Wat mezelf betreft  ik kom vrij goed overeen met hem, hij moeit zich niet met mijn bezigheden, en voorzichtigheids halve wil ik me ook niet mengen in de zijne. Wil zo goed zijn te overleggen met de plaatselijke overheden - ik bid u bovenstaande opmerkingen voor u te houden.

Na de dood van superintendant Ragsdale stelt Burgerman de Board of Health voor dat hij de post graag wil overnemen. De Raad gaat akkoord, daarbij niet beseffend dat Andre hierdoor in conflict komt met zijn religieuze overheid en zijn geloften. Andre zelf tracht de zaak te forceren, hierbij verwijzend naar zijn verslechterde gezondheidstoestand: hij heeft enorme vlekken op zijn lichaam en haast geen gevoel meer in de linkerhand. In een P.S. dreigt hij dispensatie van zijn geloften te vragen bij een negatieve beslissing. Zijn enige doel is “te leven en sterven met die arme zieken en hen te helpen hun ziekte te aanvaarden.” Een proces komt op gang dat niet meer te stoppen valt. Enerzijds is er het eigengereide handelen van pater Andre, anderzijds is er Damiaan die wel hoopt dat Andre de congregatie niet zal verlaten, maar die hem anderzijds ook liever kwijt is. Als Rudolph Meyer Damiaan om raad vraagt in het conflict, ziet deze zijn kans om zelf aan de slag te gaan als luna (chef) om zo zijn droom van een nederzetting op katholieke leest waar te maken. Damiaans interventies worden echter allesbehalve op enthousiasme onthaald. Damiaan houdt het chef spelen dan ook al vrij vlug voor bekeken.

In  een brief aan pater Modest kaart Damiaan de zaak Andre Burgerman opnieuw uitgebreid aan. Het feit dat zijn medebroeder zich steeds meer verwijdert van de congregatie, de missie, zijn oversten en hemzelf, heeft de verhouding tussen de twee medebroeders almaar stroever gemaakt. De algemene stemming van confraters en overheid in Hawaï is tegen Andre Burgerman, en er wordt zelfs beroep gedaan op de Algemene Overste om een drastische oplossing aan te reiken. Deze komt er met de benoeming van Emerson, een dokter voor het leprosarium. Deze jonge blanke dokter, van protestantse overtuiging, wordt een bondgenoot van de Missieoversten in het verwijderen van Burgerman. Emerson ergert zich aan de distributie van geneesmiddelen  door Burgerman en ook door Damiaan. Het feit dat Burgerman zich profileert als ‘genezer’ volstaat om hem te beschuldigen van het onwettig uitoefenen van geneeskundige praktijken, en hem voor het gerecht te brengen in Honolulu. Bij wijze van compromis wordt Burgerman niet veroordeeld maar wel onder druk gezet om Molokai te verlaten. Andre Burgerman verlaat Lahaina in 1899 en overlijdt op 3 september 1907 in Honolulu.

Pater Albert Montiton (Molokai september 1881-20 maart 1885)

Geboren in Sourdeval, Frankrijk, op 20 juli 1825. Geprofest in Parijs  in 1847. Gaat daarna naar Chili en is er een tijd leraar in het college van Santiago. Monseigneur Jaussen neemt hem vandaar mee naar Tahiti in 1852. Is gedurende 20 jaar werkzaam in de Tuamotoe archipel. Zou ook elephantiasis oplopen, hoewel andere bronnen spreken van  infectie door het eten van giftige vissoorten. Wordt door zijn oversten naar Hawaï gezonden waar hij werkt in Honolulu, Kona op het eiland Hawaï en daarna op Molokai waar hij drie jaar lang actief is. Keert vervolgens terug naar Tahiti. Brengt zijn laatste jaren door in Miranda de Ebro (Spanje) waar hij op 25 februari 1894 overlijdt. Zijn verblijf daar betekent het begin van een indrukwekkende Damiaandevotie in Spanje.

De ontmoeting tussen Montiton en Damiaan neemt een slechte start. Pater Albert heeft in Hawaï verhalen gehoord over een verhouding van Damiaan met een Hawaïaanse vrouw. Dit is voor hem voldoende om Damiaan te beschouwen als  een onwaardig priester en hij aarzelt niet hem daarover zeer hard aan te pakken. Damiaan voelt zich gekwetst en onrecht aangedaan. Nochtans lijkt alles in het begin harmonie en vrede. Zo schrijft Damiaan: “Pater Albert en ik wij trekken aan hetzelfde touw, en ik hoop dat dit zo mag blijven.”

Maar al vlug zijn er vanwege Damiaan ernstige klachten:  “Gedurende twee weken heb ik gewerkt aan de kerk van Kalaupapa terwijl pater Albert mij verving in Kalawao. En zie de eerste week al was er ruzie met personen die gedurende vijf jaar echte zusters van liefdagheid zijn geweest voor de kinderen welke ik gelukkig onder mijn hoede heb kunnen nemen. Deze vrouw die op verzoek van Regis is gekomen heeft gedurende vijf jaar mijn keuken gedaan, (zij is meer dan vijftig jaar) zij mengt zich helemaal niet met de rest van het huis en houdt zich bezich met haar meisjes … hij begint te redetwisten met eender welke vrouw die het huis nadert, tenminste niet indien ze komt om te zingen. Deze namiddag nog waren er drie in zijn huiskamer om te repeteren. Ik verwijt hem niets, maar waarom gaat hij steeds in de keuken snuffelen om te zien of de vrouw van de kok er is om haar de les te lezen of ze gewoon definitief weg te jagen uit de instelling van Kalawao; en ik vraag me af wat te doen wanneer ik gedurende drie of vier maanden moet werken in Kalaupapa?”

Om de lieve vrede geeft Damiaan Albert Montiton zijn zin en stuurt hij zijn vertrouwde huispersoneel weg. Nu is het de kok die op zijn beurt boos is. Damiaan is de dupe en loopt er bedroefd bij. Een paar dagen later kruipt hij alweer in de pen om Monsigneur Köckemann te bedanken voor zijn vriendelijk antwoord, maar ook om een antwoord te krijgen op de heikele vraag, of hij de verantwoordelijkheid heeft over Kalawao alleen, of over de ganse leprozerie. Bisschop Köckemann antwoordt omfloerst: de hele verantwoordelijkheid in Kalawao is niet hetzelfde als de verantwoordelijkheid in het leprozarium. En hij voegt er aan toe: “In het algemeen verstaat gij dat allemaal wel en ik veronderstel dat gij altijd eerder bereid zijt om de verantwoordelijkheid te minderen, dan er overdreven aan te hechten”.

Pater Damiaan is niet helemaal overtuigd en na troostende woorden aan zijn bisschop omtrent de vele moeilijkheden hij als religieuze en kerkelijke overheid moet dragen en wensen voor het nieuwe jaar, schrijft hij in een bijna drie maal zo lang P.S. wat hem echt op het hart  ligt:

“Zeer bedankt voor uw verklaring van het woord toute responsabilité, dat stelt mij een beetje gerust, en ik verzeker u dat ik er vrijwillig een gedeelte zou van afstaan indien een hartelijke samenwerking niet mogelijk zou zijn – en dit ligt niet aan mij, ik hecht mij aan niets en ben bereid alles af te staan – Het is daarom dat ik slechts gedeeltelijk akkoord kan gaan met het voorstel twee onderscheiden parochies te vormen. Dat is een plan van pater Andre dat in zijn tijd  genoeg moeilijkheden heeft veroorzaakt: geroddel, jalousie, en ten slotte de echte katastrofe, die er niet zou geweest zijn indien we samen waren gebleven. Daarbij voor de eer van mijn reputatie die onder verdachtmaking kwam door pater Régis en pater Albert  houd ik er aan dat de goede pater Albert een ooggetuige is en niet zomaar van op afstand. Bij zijn komst hier heeft me  hij drie opeenvolgende dagen bepraat omdat ik zou hebben samengeleefd met een vrouw, hij had dat vernomen, beweerde hij, in Hawaï. Dit heeft me heel erg gekwetst, vooral als komend van mijn nieuwe compagnon.” Bisschop Hermann antwoordt een drietal weken later met verzoenende en raadgevende woorden: “Waar ge niet kunt samenleven is het wellicht toch meer leefbaar gescheiden van elkaar te wonen en toch samen te werken ... Laten we dan ieder van zijn kant doen wat we kunnen tot meerdere eer en glorie van God door versterving van onszelf, en te bidden dat God in zijn goedheid moge aanvullen waar wij tekort komen”.

Een paar maanden later ontvangt de bisschop een schrijven van pater Albert Montiton over Damiaan die een ongeldig huwelijk heeft ingezegend ondanks de wetenschap van wat kan en niet kan volgens de regels van de theologie. Damiaan verdedigt in een brief zijn zaak: hij heeft gehandeld zoals de meerderheid van de paters zou handelen; pater Albert verbrak het biechtgeheim; hij zelf deed het voor het heil van de zieke; Pater Albert gaf bij een eerdere gelegenheid zelf de absolutie en diende het oliesel toe aan de zieke in kwestie. Tot besluit verzekert hij Monseigneur van zijn groot verlangen om in goede verstandhouding te kunnen leven met zijn goede medebroeder, alhoewel dat niet eenvoudig is.

Damiaan heeft zich intussen op het pad van de geneeskunde begeven en vraagt - tot grote ergernis van pater Albert - aan Gibson hem te benoemen tot hope kauka (doktershulpje). In een brief aan zijn overheid tracht Damiaan zich te verklaren, maar contraproductief genoeg tracht hij tegelijkertijd orde op zaken te stellen in het hospitaal om zo met de zieken in contact te kunnen komen. Reacties om hem weg te krijgen van Molokai blijven niet uit. Bisschop Köckemann probeert andermaal de gemoederen te bedaren. Hij twijfelt niet aan de goede bedoelingen van beide confraters, maar waarschuwt voor jaloezie en predikt geduld. Wat het opnemen van een medische taak betreft, wil de bisschop niets opleggen of verbieden. Hij verzoekt Damiaan goed te luisteren en met respect te doen wat zijn religieuze oversten hem vragen. De algemene regel luidt immers dat men zich beter onthoudt van het doen van een goed werk wanneer het niet kan gebeuren zonder het risico schandaal te scheppen.

Naar het einde van het jaar heeft Monsigneur Köckemann goed nieuws voor de Generale overste: “Het zal u aangaam verrassen te vernemen dat de goede geest zich handhaaft tussen onze paters; uitgezonderd wat kleine wolkjes tussen de paters Albert en Damiaan, en zelfs deze zijn snel opgelost- en de verbondenheid en de liefde zijn perfect…”

De speldenprikken houden echter aan. Damiaan verontschuldigt zich bij Mgr. Köckemann voor de Kerstviering en de eindejaarsdagen in Honolulu met als excuus: “de houding van pater Albert zich uitsluitend bezig te houden met Kalaupapa zonder ook maar de minste interesse te tonen voor Kalawao laat niet toe dat ik met Kerstmis afwezig zou zijn.” Pater Albert van zijn kant kan het niet laten om Damiaan in een brief er op te wijzen dat kleine herstellingen aan de kerk in Kalaupapa al een half jaar op zich laten wachten.

In een brief aan Pamfiel rond de jaarwisseling over zijn uitstap langs de katholieke gemeenschappen  buiten de nederzetting klinkt Damiaan dan weer plots opvallend mild: “ … Mijn confrater pater Albert kwam toe met zijn kristenen van Kalaupapa …  precies om middernacht kwam pater Albert met zijn acolieten uit de sacristie. De kerk was helemaal verlicht en volzet, er heerste een ingetogen stemming. Na lezing van het evangelie maakte de predikant met zijn sermoen een diepe indruk op mijn arme zieken. Hoewel reeds tamelijk bejaard heeft pater Albert nog vrij goed Hawaiiaans geleerd… de avond van tweede Kerstdag bezocht ik pater Albert in Kalaupapa waar hij resideert; ik heb een hele lijst boodschappen mee die ik in Honolulu voor hem moet doen.”

Een volgend conflict ontspint zich rond een zending van tweedehands kledij voor de nederzetting. Hoewel de afzender opdracht heeft gegeven om bij het uitdelen ervan geen onderscheid te maken tussen de armen, wil pater Albert zelf de bedeling voor Kalaupapa regelen. Damiaan vreest de uitsluiting van personen in concubinaat. Albert laat hem doodleuk weten dat het hem voor Kalawao geen ene moer kan schelen. Nauwelijks twee weken later moet Damiaan zijn hart luchten want het zit weer niet zo best met pater Albert: “ ‘waarom toch denkt hij dat ik handel uit eigenliefde,  alles wat ik doe,  doe ik voor de eer en het goed van de missie, ik beoog altijd het corps waartoe ik de eer heb te behoren,  in het geheel niet mijn miserabele zelf. Indien men mij  in het publiek lof betuigt, dan aanvaard ik die eer voor de missie, niet voor mezelf… maar ik keur niet goed, ook vandaag niet, de opdeling van de leprozerie in twee onafhankelijke parochies, en voor de eer van de missie zou uwe excellentie er goed aan doen  die opdeling ongedaan te maken”. Pater Albert van zijn kant echter bedankt monseigneur omdat hij de twee gescheiden parochies handhaaft. De strubbelingen houden aan en monseigneur Köckemann zal nogmaals in een brief bevestigen niet te twijfelen aan de goede bedoelingen van de twee confraters.

Voor pater Montiton komt er in tussentijd goed nieuws. Dokter Fitch van het Kakaako Hospital in Honolulu zal afwisselend ook veertien dagen in de melaatsennederzetting komen werken. Hij zal zich ook ontfermen over Albert die lijdt aan een uiterst irritante jeuk. Ook in beeld komt Léonor Fouesnel  met een beschrijving van Damaan ter informatie van de Generale Overste: “Goede religieus, goede priester, zeer ijverig missionaris, overdreven toegewijd aan zijn melaatsen. Ik zeg  overdreven omdat hij zich niet kan matigen, en soms brengt indiscretie hem er toe dingen te zeggen, te schrijven, en zelfs te ondernemen, welke de religieuze autoriteit alleen maar kan afkeuren; zoals bijvoorbeeld het huwelijk in zegenen van melaatsen die bij hun vertrek naar de leproserie hun wederhelft hebben achtergelaten. Dit omdat hij nalaat zich grondig te informeren; zijn blinde ijver belet hem zich te beteren. Men houdt van hem en heeft achting voor hem omdat men weet dat het eerder zijn gebrek aan inzicht is waardoor wordt misleid, dan door zijn goede wil.” Via via krijgt Damiaan lucht van deze weinig flatterende beschrijving van zijn persoon en nadat hij zijn ongenoegen daarover heeft verwoord (22 november 1883) biedt Léonor verontschuldigingen aan, weliswaar met de bedenking dat het op aanwijzing was van bisschop en Provinciaal. Zij zijn dus de eigenlijke verantwoordelijken en - zijn eigen verontschuldiging onderuithalend - voegt hij er aan toe: “met Gods genade durf ik te hopen nooit meer zo laag te moeten buigen voor een inferieur die ik zou beledigd hebben en die ik zou gekwetst hebben met niet weloverwogen  uitdrukkingen.”

Damiaan verneemt dat pater Albert naar Honolulu is vertrokken, zonder voorafgaande waarschuwing, om zich te laten behandelen door Dr. Fitch. Geleidelijk verbetert zijn toestand en zijn huid heelt. In 1885 krijgt Damiaan te horen dat Pater Albert vertrekt naar San Francisco om daar scheep te gaan voor Tahiti. Albert vraagt Damiaan vergiffenis voor alle last die hij hem heeft aangedaan, en vergeeft op zijn beurt alles waardoor Damiaan hem heeft dwarsgezeten en/of pijn gedaan. Albert Montiton kent blijkbaar zijn Damiaan: “ongetwijfeld, mijn Zeereerwaarde Pater Generaal, het zou zeer terecht zijn een nieuwe missionaris naar Molokai te zenden maar pater Damiaan heeft er niet een nodig voor de leproserie; hijzelf volstaat en hij houdt er zelfs van alleen te zijn”.

Nawoord:

Er lopen parallelle lijnen doorheen het verhaal Andre Burgerman en Albert Montiton. Beiden zijn meer dan tien jaar ouder dan Damiaan. Hun reputatie als ‘moeilijke’ karakters  gaat hen vooraf. Beide lijden aan een fysieke kwaal die hun het leven moeilijk maakt. Alle twee zijn ze niet bereid om zomaar het hulpje van Damiaan te zijn. Alle twee zijn ze eigenzinnig en hebben ze eigen ideeën omtrent wat ze willen. Alle twee hebben een soort nuchter zelfbeeld: ‘Ik ben hoogmoedig, maar ik zit er niet mee’ (Andre Burgerman) en ‘Een oude vos verliest zijn streken niet’ (Albert Montiton).

Pater Damiaan is ook een koppig man en redelijk overtuigd van zijn eigen gelijk, met een sterk bewustzijn dat het leprosarium zijn turf is. Het zijn ‘zijn’ melaatsen, ‘zijn’ arme zieken, ‘zijn’ weeskinderen. En is hij niet hun aller Makua (vader)? Zonder er één ogenblik bij stil  te staan dat de andere paters eveneens Makua zijn, kan Damiaan niet verdragen dat anderen - zij het confraters - inbraken in zijn territorium om er hun eigen ding te doen en zelfstandig  op te treden.

In een situatie die garant staat voor interne spanningen blijven de medebroeders devoot bij mekaar de biecht afleggen en horen. Wat moet dat soms bijzonder lastig zijn geweest om mekaar in de ogen te kijken. Maar we kunnen er niet omheen, alle drie waren ze mensen van vlees en bloed, menselijk gewoon, niet volmaakt. Mensen met hier en daar een buts of meerdere, of enkele scheve hoeken, kortom mensen zoals wij allemaal.

Bron: Paul Macken SS.CC., De zoektocht naar een herkenbare Damiaan (toespraak bij de provinciedag 2008), Damiaan Info- en Documentatiecentrum, Leuven, 2008.

Op zoek naar een herkenbare Damiaan.
Damiaan De Veuster SS.CC., Priester-Missionaris (Tremelo-Kalawao: 1840-1889)
Damiaan Documentatie- en Informatiecentrum (Paul Macken SS.CC.)
Informatie: Damiaan Vandaag, Sint-Antoniusberg 5, Leuven.

De gestoorde rust van Damiaan

PATER DAMIAAN DE VEUSTER SS.CC.

DE GESTOORDE RUST VAN EEN PRIESTER-MISSIONARIS

KALAWAO 1936 - KALAWAO 1995

1. Vertrek uit Hawaï

Op 12 februari 1935 schreef de Belgische koning, Leopold III een brief aan president Franklin D. Roosevelt met een verzoek tot 'persoonlijke tussenkomst' in verband met de overbrenging, naar zijn geboorteland, van Pater Damiaan. Hij benadrukte het 'vurige verlangen van de paters van de Heilige Harten' om de terugkeer van Damiaans stoffelijk overschot naar België te bekomen. In de zomer van datzelfde jaar werd bisschop Stephen Alencastre SS.CC. op de hoogte gebracht van dit verzoek. Daar het uitging van de hoogste autoriteiten bleef hem weinig keuze tot weigering. Van zodra de beslissing aan het grote publiek bekend werd, antwoordde de bevolking van Hawaï met gelaten afkeuring. Slechts enkelen tekenden luidop verzet aan. Feit was dat de bewoners van het territorium in deze zaak maar evenveel in te brengen hadden als de inwoners van pakweg Patagonië. De hele zaak leek reeds beslist vooraleer er enige bespreking verscheen in de lokale pers. In september 1935 dienden de melaatsen van Molokai bij de gouverneur een petitie in waarin zij verzochten om het stoffelijk overschot van Damiaan te laten waar het was. De petitie was erg emotioneel: ' ... Do you separate a father from his son ... ?' Het mocht niet baten. Alhoewel de bisschop liet verstaan dat hij erover zou denken een klein gedeelte van de stoffelijke resten weg te nemen en in een verzegelde urne te bewaren zodat later daarvoor een gepast schrijn kon worden opgericht, bleek dit in realiteit niet mogelijk.

Er werd een hele organisatie op touw gezet om alle personaliteiten naar Molokai te brengen voor de ontgraving. Het graf van pater Damiaan werd voor de gelegenheid speciaal versierd door bewoners van Kalaupapa. Gedurende bijna 47 jaar lag Damiaan begraven naast zijn Philomenakerk. In de morgen van 27 januari 1936 werd zijn graf geopend. De roodhouten kist die redelijk goed bewaard was gebleven, werd naar boven gehesen en pater provinciaal, Bruno Bens, verwijderde het deksel terwijl de omstanders nieuwsgierig en een beetje huiverig toekeken. Het lichaam van Damiaan was in staat van ontbinding. Zijn gebeente lag nog in de positie waarin het lichaam was neergelegd. Het gewaad, waarin een priester wordt begraven, had nog wat kleur bewaard en ook het zware borduurwerk was nog niet tot stof vergaan. Een rozenkrans, de metalen gedeelten door corrosie groen geworden, omstrengelde pater Damiaans handen. Bisschop Alencastre sprak de aanwezigen toe van op de stenen omwalling van het kerkhof: 'We hebben uw protest gehoord en we hebben sympathie voor uw verzet tegen het wegnemen van Damiaan uit uw midden. Maar, vandaag vraagt zijn geboorteland, vanwaar hij tot ons is gekomen, hem terug. Om hem de eer te geven, die hem niet kan gegeven worden op dit zo ver verwijderde eiland.'

Pater Damiaan was op zijn uitdrukkelijk verlangen naast de Philomenakerk begraven op 16 april, 1889. In die periode was Kalawao nog een dorp met ongeveer 500 bewoners. Maar reeds een hele tijd voor de opgraving had de Gezondheidsraad van Hawaï beslist Kalawao te evacueren en de hele bevolking samen te brengen in Kalaupapa. Ten gevolge van deze beslissing werd Kalaupapa een totaal verlaten plaats en werd niet geheel ten onrechte gevreesd dat het graf van Damiaan zou worden verwaarloosd, alhoewel er toch door de regering van Hawaï 3000 dollar was bestemd voor het onderhoud van het graf, en er een bewaker was aangesteld om het nodige toezicht te houden. In feite bleven er maar drie gebouwen overeind in Kalawao: de Philomenakerk, de residentie van pater Damiaan en het houten huisje van Joseph Dutton.

Na de korte toespraak van de bisschop werd de kist gedurende korte tijd langs de wegkant geplaatst aan de voorzijde van de kerk, opdat allen Damiaan een laatste keer konden groeten. Vervolgens werd de kist met het stoffelijk overschot in een houten laadkist geladen en met een lijkwagen vervoerd naar het vliegveldje in de nabijheid van Kalaupapa. Het Amerikaans leger had drie bommenwerpers ter beschikking gesteld en een escorte van enkele kleinere vliegtuigen om de personaliteiten naar Honolulu te vliegen. De krat met zijn kostbare inhoud werd langs het bommencompartiment aan boord van het vliegtuig geladen. De melaatsen van Molokai bleven de aan de horizon verdwijnende vliegtuigen nastaren. Kort voordien hadden ze bij de kist nog vol droefheid het aangrijpende 'Aloha oe' gezongen. Het was niet alleen hun vaarwel maar meer nog een 'wij houden van u!'

Het stoffelijk overschot van Damiaan bleef gedurende een week opgesteld in het klooster van de congregatie van de Heilige Harten in Honolulu, toegankelijk voor het publiek. Talrijk waren ze, zowel katholieken als protestanten, die Damiaan eer kwamen bewijzen. Vooraleer de tocht te vervolgen werd nog een speciale requiemmis opgedragen in de Onze-Lieve-Vrouw-van-Vrede-Kathedraal. In diezelfde kathedraal werd Jozef De Veuster in 1864 priester gewijd. Twee dagen vooraleer de roodhouten kist met het lichaam van de martelaar van Molokai in de speciaal daarvoor gemaakte koahouten kist werd geplaatst, had er een korte officiële plechtigheid plaats in het klooster van de ss.cc. congregatie. Een perkament met de handtekening van de acht getuigen aanwezig bij het openen, op de dag van de ontgraving, van de originele lijkkist werd samengebonden met een lint in de pauselijke kleuren; de officiële zegels werden aangebracht door Mgr. Alencastre. Ten slotte werd het deksel van de praalkist gesloten. De Republic vertrok in de namiddag van 3 februari 1936 voor de reis naar San Francisco. Volgens een eerste plan lag het in de bedoeling dat hij uit Honolulu zou afvaren op 18 januari om op 17 februari in New York toe te komen. Het is niet helemaal duidelijk waarom dit plan werd gewijzigd. In ieder geval werd reeds op 27 december 1935 bekendgemaakt dat New York niet langer als tussenlanding in aanmerking kwam. Het stoffelijk overschot van pater Damiaan zou volgens de nieuwe plannen in Cristobal, Panamakanaal haven, worden overgebracht naar het Belgische opleidingsschip de Mercator en dit op 25 februari 1936.

Onvoorziene omstandigheden hadden doen besluiten de plechtigheden bij aankomst in de haven van Antwerpen te verdagen. Daarom moest de Mercator een maand langer dan voorzien in volle zee blijven. Aanleggen op de Bermuden was noodzakelijk vanwege een tekort aan drinkwater, zoals ook nadien nog gebeurde op de Azoren. De overtocht bleef ook niet gespaard van tegenslag. Op 18 april stak er plots een hevige storm op die verschillende dagen aanhield. In de nacht van 27 op 28 april werd de lijkkist van Damiaan losgeslagen. Met alle beschikbare mankracht, en met een allegaartje van hulpmiddelen, waaronder matrassen en kussens, moest gewerkt worden om te voorkomen dat de 500 kg zware kist tegen de metalen buitenwand van het schip zou stoten. Op 30 april werd aangelegd in Vlissingen, wachtend tot het tijd werd om af te varen naar Antwerpen. De aankomst daar was voorzien op 3 mei 1936. Op 8 november 1863 verliet de jonge Damiaan De Veuster Bremerhaven om op 19 maart 1864 aan wal te gaan in Honolulu. Hij deed er bijna vijf maanden over. Op 27 januari 1936, dag van de ontgraving, begon de terugreis van het lichaam van Damiaan naar zijn geboorteland waar het aan land werd gebracht op 3 mei 1936. Een reis van drie maanden. Uiteindelijk maakt het verschil dan toch niet zoveel uit, zal Damiaan gedacht hebben.

2. Terug in België

Eindelijk was het zover. In de vroege morgen van 3 mei begon de Mercator aan het laatste stukje van de reis. Er hing een grijze nevel over de Schelde en het was een beetje killig. De Mercator werd vergezeld van een ere-escorte bestaande uit pleziervaartuigen, yachten, slepers, boten en scheepjes. Langs de Zeeuws-Vlaamse oevers kwamen Nederlanders massaal de varende optocht bekijken en een stille groet brengen aan pater Damiaan. Vanaf Doel, waar de Mercator België binnenvoer, bestond de menigte langs de Scheldeoevers hoofdzakelijk uit Belgische oeverbewoners en lieden uit de dorpen van het nabije hinterland.

Om 14.30 uur kondigde het bulderen van kanonnen en het geschetter van Thebaanse trompetten het binnenvaren aan van de Mercator in de Antwerpse haven. Langzaam gleed het schoolschip naar kade 12 toe waar zou worden aangemeerd. Er was heel veel volk gekomen om Damiaan te groeten.

De Nationale Spoorwegmaatschappij had op vraag van het Nationaal Damiaan Comité een vijftig extra treinen ingelegd, tallozen kwamen op de fiets, anderen te voet, en de meer gefortuneerden met de auto. Belangrijk was niet het transportmiddel, maar wel tijdig ter plekke te zijn. Gewoon om die uitzonderlijke gebeurtenis, het grote schouwspel, mee te beleven, om erbij te zijn. Daarom was hun bewondering niet minder groot. De duizenden uit alle lagen van de bevolking, uit Vlaanderen, Wallonië, ook uit Nederland. Toch wel overwegend heel gewone, eenvoudige lieden. En uiteraard de personaliteiten. Koning Leopold III, die zulk een belangrijke rol had gespeeld in het op gang brengen van de terugkeer van Damiaan; Zijne Eminentie kardinaal Van Roey vergezeld van het voltallig episcopaat; de gemijterde abten, de provinciale oversten van de religieuze congregaties, de talrijke leden van de clerus. Overheden van de vrouwelijke religieuzen werden toen nog niet belangrijk genoeg geacht om in de verslagen te worden vermeld. De eerste minister, de Heer Paul Van Zeeland, was er, goed omringd door de heren voorzitters van Kamer en Senaat, talrijke ministers en volksvertegenwoordigers. Het 'corps diplomatique' maakte ook zijn opwachting waardig geleid door Mgr. Micara, pauselijk Nuntius. De congregatie van de paters van de Heilige Harten was aanwezig met een stevige delegatie: Paul Vanhoutte, provinciaal van de Belgische provincie, en ongeveer tweehonderd medebroeders die 'hun' pater Damiaan kwamen begroeten en eren. Ze kwamen uit Vlaanderen en Wallonië, uit Nederland, Duitsland, Frankrijk, Spanje, Zuid-Amerika... De zusters van de Heilige Harten waren er ook maar werden, helaas, ook hier weer niet vermeld. Wie absoluut niet mochten ontbreken waren uiteraard de familieleden en verwanten van Jozef De Veuster. Ze waren er dan ook, talrijk en op hun paasbest.

Kardinaal van Roey besprenkelde royaal met wijwater de kist en de menigte. Daarop volgde, in beide landstalen, een hulderede gehouden door de eerste minister, Van Zeeland. Hij vertolkte de grote bewondering van de hele natie voor de zelfopoffering van de grote missionaris die pater Damiaan is. Na enkele ogenblikken van intense stilte, kwam koning Leopold III naar voor om het stoffelijk overschot van Damiaan te groeten. Vervolgens onderhield hij zich even met Constant De Veuster. Daarna werd de kist op een prachtige praalwagen gehesen. De praalwagen getrokken door zes witte paarden werd vervolgens in processie begeleid naar de Onze-Lieve- Vrouw-kathedraal. In deze processie werden 300 vlaggen meegedragen. Politie en Rijkswacht openden de optocht. Een meisjeskoor in wit uniform zong 'Hosanna', De muzikanten van de 'Vrije Antwerpenaren', eveneens in groot uniform, zorgden voor muzikale afwisseling. De stoet, met talrijke prominenten en een indrukwekkende delegatie medebroeders gekleed in wit habijt, trok langs Antwerpse mooie straten. Er was speciaal een langer traject gekozen opdat zoveel mogelijk toeschouwers getuige konden zijn van deze gebeurtenis. Overal een dichte menigte die telkens wanneer de praalwagen met Damiaans lichaam voorbijtrok een eerbiedige stilte observeerde. Niettegenstaande de alomtegenwoordige grote menigte, sommigen vermelden 'honderdduizenden', bleef de stemming eerbiedig en ingetogen. In de kathedraal volgden lofreden vol waardering en erkenning over pater Damiaan, zijn leven en werk, en de betekenis daarvan voor de eigentijdse gelovigen. De plechtigheid werd besloten met het 'In Paradisum'. Vervolgens werd de praalkist opgesteld op de Groenplaats.

Dan begon de triomfantelijke processie langs achtereenvolgens de Meir, de Leysstraat, de Leien en de Mechelsesteenweg. Aan de tocht van de Onze-Lieve- Vrouwkathedraal naar Berchem namen naar schatting 10.000 personen deel en werden er 2.000 vlaggen meegedragen. Opgemerkt werd ook een delegatie van een duizendtal bedevaarders uit Nederland; een Engelse delegatie van 200 personen, geleid door bisschop Edward Myers, hulpbisschop van Westminster; en 200 Duitse bedevaarders. Deelnemers uit Frankrijk bleven afwezig, waarschijnlijk omdat er op dezelfde dag verkiezingen plaatsgrepen in hun land. In Berchem werd de kist op een lijkwagen geplaatst en kon de nachtelijke tocht langs de Kempische steden en dorpen beginnen: Berchem, Lier, Koningshooikt, Berlaar, Heist-op-den-Berg, Goor, Groot-Lo, Tremelo ... Een lange sliert auto's volgde de lijkwagen. Langs de wegen waar de autostoet voorbijtrok, stonden mensen biddend te wachten in de milde meinacht. Van alle kerktorens langs het traject klonk klokkengebeier. In Tremelo, alhoewel het volgens de originele programmering niet aan bod kwam en er slechts op de valreep werd besloten gehoor te geven aan het dringende verzoek van de Tremelonaren (tot spijt van de Mechelse bevolking) was er, zoals verwacht, veel volk samengestroomd om dit moment van 'de terugkeer' mee te maken. De stemming was feestelijk: muziekcorpsen en knallend feestgeschut kortten het wachten en zorgden voor sfeer. Bij de kerkdeur was een praalboog opgericht. In die kerk was het toch begonnen: daar werd de kleine Jozef De Veuster op 3 januari 1840 gedoopt. Nu was hij er terug als de grote gevierde, 'hun' Damiaan. Hij die de naam van het dorp wereldbekendheid had gegeven door zijn werk voor de melaatsen van Molokai. Veel tijd om te blijven was er niet, de tocht moest verder gezet naar Leuven.

Rond middernacht stonden samen met de fakkeldragers ook duizenden mensen klaar, om onder trompetgeschal de wagen te begeleiden naar de St.-Pieterskerk. Maar ook het leger was hier present met een forse afdeling militairen die voorop marcheerden tijdens de tocht van het station naar St.-Pieters. Na de militairen volgden de studenten van het Leuvense Amerikaans College met de Stars and Stripes. Daarachter volgden vertegenwoordigers van al de Leuvense verenigingen, dan volgden de leden van de religieuze orden en congregaties. Als laatste de lijkwagen omringd door fakkeldragers en een militaire erewacht. Leden van de clerus wachtten de kist met het stoffelijk overschot van Damiaan op bij de ingang van de kerk. Soldaten werden aangewezen om gedurende de nacht de wacht te houden. Gedurende de ganse nacht was er een onophoudelijke stroom van gelovigen die Damiaan kwamen groeten.

Om 10.00 uur werd een plechtige requiemmis gecelebreerd met assistentie van Zijne Eminentie kardinaal van Roey. Voorganger was Paul Vanhoutte, SS.CC., provinciaal van de Belgische provincie van de Congregatie van de Heilige Harten. Mgr. Karel Cruysberghs had voor de gelegenheid een prachtige lofrede voorbereid. Door ziekte verhinderd was hij evenwel niet in de mogelijkheid om deze enige gebeurtenis mee te maken. De door hem geschreven lofrede werd voorgedragen, eerst in het Nederlands en daarna in het Frans, door E.H. Sobry, professor aan de Leuvense Universiteit. Onder massale belangstelling werd na de eucharistieviering in de St.-Pieterskerk de laatste tocht aangevat die Damiaan zou terugbrengen naar de St.-Antoniuskapel vanwaar pater Damiaan in 1863 naar Hawaï was vertrokken. De processie begaf zich langs de Albertlaan, de Brusselsestraat, de Oude Markt en de Parijsstraat naar de St.-Jozefkerk, de volkse benaming van de St.-Antoniuskapel. In de kapel was een praalgraf klaargemaakt. De kist werd door zes mannen de trappen op en naar binnen gedragen. Van zodra de kist binnen was, kwam er plots beweging in de buiten wachtende menigte, die in een plotse opwelling naar voor stuwde. Maar de kerkdeuren werden onverbiddelijk gesloten. De kapel was nu eenmaal te klein om ze open te stellen voor een grote massa en het risico te lopen dat de laatste korte plechtigheid door rumoer kon worden verstoord.

Omstreeks 13.00 uur werden de laatste gebeden gezongen. De praalkist bleef nog een tijd uitgesteld om aan duizenden mensen gelegenheid te bieden nog een laatste groet te komen brengen. Het werd nogmaals een indrukwekkend eerbetoon gebracht door mensen uit alle lagen van de bevolking: kinderen, huismoeders, arbeiders, priesters, professoren, vrouwe1ijke en mannelijke religieuzen, soldaten en studenten. Geduldig bleven ze aanschuiven voor een kort gebed, een vluchtig aanraken van de koahouten kist. De toeloop was zo overweldigend dat wederbegraving op diezelfde dag niet mogelijk bleek. Pas op dinsdagavond, 5 mei, werd na een laatste zegen door de kardinaal Damiaans stoffelijk overschot te ruste gelegd, in aanwezigheid van talrijke confraters en de leden van de Damiaancomités van Antwerpen en Leuven, en werd de onderste zware zerksteen over de verzegele praalkist geschoven. De volgende dag begonnen arbeiders aan het oprichten van het massieve, zwart marmeren grafmonument.

3. Laatste rustplaats?

Pater Damiaan, melaats geworden met de melaatsen, had voor zichzelf een plek gekozen waar hij wilde begraven worden. Op het kerkhof bij zijn lotgenoten, op de plek waar hij zo vaak was gaan bidden en nadenken over zijn leven, zijn werk en de zin van dat alles. Wie zou er ooit over denken die laatste wens te negeren? Het kerkhof van Kalawao daar hoorde hij thuis, nergens anders. Dat was een laatste rustplaats naar zijn hart. Bijna vijftig jaar later, 46 om precies te zijn, hebben anderen geoordeeld dat het toch niet zo'n deugdelijk idee was. En er werd besloten het lichaam, wat er van restte, van de 'held' op te graven en naar zijn vaderland terug te brengen. De machtigen der aarde verenigden hun krachten, tegen de wens van de betrokkene in, de schamele as van de overleden missionaris op te graven, om elders met de nodige 'pomp and circumstance' weer te begraven. Enkele protestgeluiden, voortkomend uit welk motief dan ook, werden genoteerd maar niet gehonoreerd. Tweede keer, goede keer? Vond Damiaan dan een definitieve rustplaats in de St.-Antoniuskapel te Leuven? Mensengeschiedenis is wisselvallig, er is weinig definitiefs aan. Behalve natuurlijk de dood. Maar zeker niet wat er daarna gebeurt met het 'stoffelijk' overschot.

Zoals bekend, kreeg Pater Damiaan in 1936 een zwart marmeren grafmonument in een zijkapel van de St.-Antoniuskerk, ongeveer op de plaats waar de huidige lampenkapel zich bevindt. In 1956 werd Damiaan, voor identificatie in het kader van de aan de gang zijnde procedure voor de zaligverklaring, weer opgegraven. Van de gelegenheid werd gebruik gemaakt om de eerbiedwaardige resten te verdelen over een tiental zinken kistjes, welke daarna in anatomische volgorde opnieuw in de kist werden geplaatst. Alles gebeurde uiteraard met toestemming van de kerkelijke overheden en werd overigens ook in de vereiste documenten genoteerd en op foto's vastgelegd wat voor de komende generaties erg nuttig kan zijn. Of zelfs sneller dan men durft te verwachten. 

4. Terug naar Hawaï

Het generalaat van de congregatie werd het bestuur van de Vlaamse SS.CC. provincie op de hoogte gebracht van een verzoek uit Hawaï. Gezien de forse weerstand tegen het terugbrengen van pater Damiaans as naar Hawaï, wilde men zich daar tevreden stellen met een 'substantieel' stukje Damiaan. Met andere woorden een relikwie om 'u' tegen te zeggen. Zoiets heeft gevolgen. Op 15 april, precies op die dag moest het gebeuren! Op de 105de verjaardag van het overlijden van pater Damiaan vond plaats, wat staat genoteerd als een "sobere plechtigheid". Het graf was reeds vooraf geopend en de kist stond klaar. Er werd een korte, speciaal voor de gelegenheid opgestelde, gebedsdienst gehouden. Het identificatieverslag uit 1956 werd voorgelezen, het deksel van de kist opgelicht. Een van de zinken kistjes met Damiaans rechterhand werd weggenomen. Dit stukje Damiaan zou terugkeren naar Hawaï. Uit Hawaï was op 13 april 1994, met diplomatiek koerier, een koahouten schrijn toegekomen om de relikwie in op te bergen tot ze eerst aan de paus zou worden gepresenteerd ter gelegenheid van de zaligverklaring en daarna worden overgedragen aan de Hawaïaanse delegatie. Helaas, wegens de val van de paus, ging de plechtigheid niet door in 1994 en werd een stukje Damiaan, in een koahouten schrijn, opgeborgen in het archief van het klooster. In 1995, op 4 juni, is het tenslotte nog een beetje goedgekomen en had de zaligverklaring op de geplande dag plaats, en mocht Damiaans hand aan zijn Hawaïaanse reis beginnen. Misschien is het voor Damiaan allemaal een beetje veel geworden. Het is natuurlijk mogelijk voor alles wat er met Damiaans resten gebeurd is, een verklaring te vinden. Maar erg verheffend is het verhaal van Damiaans laatste rustplaats niet.

5. Nabeschouwing

Een overzicht van de gebeurtenissen rond een Vlaams missionaris, speciaal dan al wat hem werd 'aangedaan' na zijn overlijden op 15 april 1889, roept gemengde gevoelens op. Er is de vanzelfsprekende fierheid bij medebroeders, landgenoten en bewonderaars voor wat hij tijdens zijn leven heeft gepresteerd. Bewondering om het intense en totale van zijn inzet en werkkracht, om zijn ruime en edelmoedige hart geraakt en begaan met het zware leed dat medemensen te dragen werd gegeven. We staan stil bij zijn vermogen tot groei in openheid en betrokkenheid over grenzen van religieuze bekrompenheid heen. We voelen ons klein tegenover zijn eenvoudig, rechtlijnig, maar oprecht geloof. We erkennen onze schamele onmacht tegenover het lichtende voorbeeld van zijn liefde tot God en medemens. En we durven ons, al was het maar aarzelend, koesteren in de roem die hij verwierf door zijn inzet voor de slachtoffers van de ziekte van Hansen. Delen we niet een beetje in de eerbewijzen die hem, na zijn dood vooral, zo kwistig werden en worden toebedeeld?

Terugblikkend op de gebeurtenissen van 1936, stel ik, en velen met mij, de vraag: "Waarom werd er geen rekening gehouden met de wens van Damiaan de eeuwige rust te vinden in de aarde van Kalawao?" De plaats waar hij wilde begraven worden, was door hem uitgekozen. Zijn verbondenheid met zijn melaatse medemensen, zo kernachtig uitgedrukt in de nu over heel de wereld bekende woorden: Wij melaatsen, wilde hij bevestigd zien over de grenzen van de dood heen. Op de plaats waar hij geleefd, gewerkt en gebeden had, waar de ziekte zijn krachtig gestel had gesloopt, daar, te midden van zijn lotgenoten, wilde hij rusten. Welk recht kan een dode laten gelden? De bewoners van de leprozenkolonie op Molokai, en ze waren er nog in 1936, wensten dat 'hun' Damiaan niet zou worden weggebracht. De reden die werd aangevoerd om de kritiek op de ontgraving te ontzenuwen: "Het graf wordt verwaarloosd, in België krijgt hij een prachtige tombe. Daar krijgt hij alle eer welke hem hier in dit verlaten oord nooit gegeven kan worden!" Voor de bewoners van Kalaupapa hol en nietszeggend gepraat. Damiaans graf verwaarloosd? En wat dan nog? Damiaan lag begraven te midden van honderden verwaarloosde graven. Dat was voor Damiaan een waardig monument: in leven en dood, “Wij melaatsen”! Wat voor groter eer kan een gestorven melaatse gegeven worden dan de eerbied en de genegenheid van mensen die in hun lichaam ervaren wat melaats-zijn betekent, die weten wat het betekent te leven als een banneling. Eens te meer werden ze aan de kant geduwd. Eens te meer werd hun klacht niet gehoord. Ze bleven achter met hun droefheid. Waar anderen, met het geweld van de macht beslissen, hebben zelfs de levenden geen rechten.

Toch moet ook dit erkend: Damiaan heeft ruimschoots zijn deel gehad van 'De Profundissen', 'Libera's' en Requiem-missen: Kalawao, Honolulu, San Francisco, Antwerpen, en Leuven. Er is enorm veel volk samengestroomd rond de schamele resten van deze religieus-missionaris en er werd veel ver¬heven taal gesproken. Vooral het mee-beleven door het volk, overal maar vooral hier te lande, blijft in de herinnering leven. Het enthousiasme en de devotie van die enorme massa, laat alles wat er nadien nog rond Damiaan is gevierd ver achter zich. Er is haast geen vergelijking mogelijk tussen enerzijds het grootste huldebetoon aan Damiaan in 1936, en anderzijds de viering, in 1989, van de honderdste verjaardag van zijn overlijden. Zelfs de viering van de zaligverklaring in 1995 is maar een schaduw van wat in 1936 werd gepresteerd. Het maakt zonder meer duidelijk dat wij nu in 'andere' tijden leven. Godsdienst en kerk zijn niet meer die maatschappijbepalende factoren die ze in 1936 nog wel waren. Het is vandaag gewoon niet meer mogelijk op zulke massale wijze mensen te enthousiasmeren en te mobiliseren rand een godsdienstig thema als dat wel kon, zestig jaar geleden, in een meer 'onschuldige' maatschappij.

Omtrent de vele malen dat Damiaan in zijn rustplaats werd verstoord, kan men van mening verschillen. Over de noodzaak van de verschillende identificaties van het lichaam kan men indringende vragen stellen. Ik geloof niet dat daaruit veel eerbied voor de zo bewonderde overledene afgeleid kan worden. Wat dan met het wegnemen van de 'rechterhand'? Het is duidelijk dat Hawaï, vooral de mensen van Kalawao, blij zijn met deze eerbiedwaardige relikwie. Voor hen maakt het een geleden onrecht, een klein beetje goed. Ze hebben dan ook van de terugkeer van Damiaans hand een echte happening gemaakt. Mooi zo! Ook hier weer een beetje een wrang gevoel. De kostbare Damiaan-relikwie is in Kalawao met groot vertoon in een soort betonnen 'bunker' begraven. Rond die periode ook begon men in Kalaupapa de leefbaarheid van de gemeenschap in twijfel te trekken. Sommigen denken erover de nederzetting te verlaten, anderen willen er blijven. Hoeveel mensen zijn er nodig om in dat verlaten oord een leefbare 'gemeenschap' te kunnen vormen? Vooral omdat het gaat om bejaarde, en van de hulp van buiten afhankelijke, mensen. Nu, anno 2009, verblijven nog een twintigtal patiënten in de nederzetting, voor zover hun gezondheid geen opname in het hospitaal behoeft. Ook aan hun verblijf komt een einde. Het definitief sluiten van de Kalaupapa nederzetting zal er hoe dan ook komen. Is het dan zo ondenkbaar dat Damiaans rechterhand weer eens wordt opgegraven? Wat Damiaan niet kan worden ontnomen: zijn leven met en voor de melaatse bannelingen op Molokai; wat zijn leven, werken, en melaats worden, heeft betekend voor het op gang brengen van de strijd tegen de lepra; en de vooruitgang geboekt in de aanpak en verzorging van de ziekte; de inspiratiebron die hij is geweest en nog is voor velen in de keuze van een levensroeping. Damiaan is door de stem van het volk reeds lang heilig verklaard. Dat alles blijft in het hart van zijn bewonderaars het monument voor Damiaan, ook nu wij hem weldra officieel 'Heilige Pater Damiaan' mogen noemen.

Bron:

Paul Macken SS.CC., De gestoorde rust van Pater Damiaan. Kalawao 1936-Kalawao 1995, Damiaan Documentatie en Informatiecentrum, Leuven, 1995.

Pater Damiaan De Veuster SS.CC. De gestoorde rust van een priester-missionaris (Kalawao 1936 - Kalawao 1995).
Damiaan Documentatie- en Informatiecentrum (Paul Macken SS.CC.)
Informatie: Damiaan Vandaag, Sint-Antoniusberg 5, Leuven.

Infoblokken

Infoblokje 1. Heiligverklaringen

Het woord heilig is afgeleid van het woord heil dat geluk betekent. Het begrip heilig kon worden gebruikt voor mensen, dieren, planten en dingen. Een heilig mens (m/v) was dus iemand die geluk bracht. Aanvankelijk bestond er geen relatie met het bovennatuurlijke of goddelijke. Dat gebeurde pas na de kerstening van het 'Germaanse' Europa. Het woord heilig werd gebruikt als vertaling van het Latijnse sanctus, dat via het Franse saint het Nederlandse sint heeft opgeleverd. Zowel sanc­tus als heilig worden gebruikt voor personen en zaken die iets met God te maken hebben. Een heilige is dus iemand die zich in de gunst van God mag verheugen. Op voorspraak van een heilige kan God stervelingen helpen. Op die manier kan een heilige toch nog iemand gelukkig maken. Naast heiligen kent de Rooms-Katholieke Kerk ook zaligen. Een zalige (in het Latijn beatus) is op grond van zijn of haar exemplarische leven zonder enige twijfel opgenomen in de hemel.

In de eerste eeuwen van het christendom werden alleen die mensen als heiligen ver­eerd die in navolging van Christus en de apostelen hun bloed vergoten hadden: de martelaren. Nadat de christenvervolgingen waren opgehouden en de Kerk bovengronds verder kon gaan, begon men ook mensen die niet de marteldood waren gestorven als heiligen te vereren. Tot het einde van het eerste millennium waren er geen formele procedures om iemand heilig te verklaren. Het was voldoende dat een gemeenschap (parochie, klooster, bisdom) vond dat een man of een vrouw heilig was. Gedurende de elfde en twaalfde eeuw kreeg de paus enkele malen het verzoek zo'n heiligverklaring te sanctioneren. Maar pas in de loop van de dertiende eeuw werd het steeds gebruikelijker om voor nieuwe heiligen bij de Heilige Stoel officieel erkenning aan te vragen. De paus stelde een commissie samen die getuigen onder­vroeg over de levenswandel van de kandidaat en over de wonderen die tijdens en ná zijn leven hadden plaatsgevonden.

Hoewel de pausen hun greep op de verering van nieuwe heiligen wisten te verstevigen, veranderde er voor de - meestal lokaal ver­eerde - oude heiligen niets. In altaren van kerken en kapellen werden relikwieën ingemetseld. Daardoor kon de handel in relieken welig tieren. Op 31 oktober 1517 had Maarten Luther (1483-1546) er genoeg van. Omdat er met Aller­heiligen vele pelgrims werden verwacht in de slotkapel in Wittenberg waar Frederik de Wijze (1486-1525) een reliektentoonstelling inrichtte in combinatie met de handel in aflaten, timmerde Luther op de vooravond van het feest zijn 95 stellingen op de deuren van de slotkapel. Met deze daad begon de Hervorming. Luther wilde onder andere proteste­ren tegen de uit de hand gelopen vorm van heiligenverering. Paus en kardinalen wa­ren op hun tenen getrapt en eisten op hoge toon dat Luther zijn stellingen terug­nam. Dat deed hij niet, zodat hij op 3 januari 1521 officieel in de kerkelijke ban werd gedaan. Daarmee was de kerkscheuring een feit. Luthers actie had echter wel tot gevolg dat Rome zich ernstig ging bezinnen op de cultus van al die heiligen. Onder leiding van enkele jezuïeten werden de levensverhalen of vitae kritisch tegen het licht gehouden.

Ondertussen had paus Urbanus VIII (1623-1644) het proces van heiligverkla­ring of canonisatie aan strenge regels gebonden. In grote lijnen verloopt een canonisatieproces als volgt. Wanneer een bisschop van mening is dat in zijn diocees een heilige is overleden, probeert hij zoveel mogelijk informatie over die persoon in te winnen bij mensen die de kandidaat-heilige per­soonlijk hebben gekend: familie, vrienden, kennissen en vooral de biechtvader. Op grond van die informatie kan de bisschop bij 'Rome' een proces tot canonisatie aanhangig maken. In de decreten van Urbanus VIII zijn drie criteria voor heiligverklaring opgenomen: [1] zuiverheid in de rooms-katholieke leer: men moet nagaan of de kandidaat geen uitspraken heeft gedaan die tegen de officiële kerkelijke leer indruisen; [2] buitengewone, heroïsche deugdzaamheid: de kandidaten Zijn ondanks zware martelingen niet van hun geloof afgevallen of ze hebben een voorbeeldig leven geleid; [3] wonderbaarlijke tussenkomsten van de heilige na zijn of haar dood.

Meestal gaan er tientallen jaren overheen, voordat het proces-met-gesloten-deuren in Rome wordt beëindigd. Mocht het Vaticaan positief beslissen, dan tekent de paus het decreet waarmee de toekomstige heilige wordt bijgeschreven in de canon van de heiligen. Vaak gaat die canonisatie gepaard met een grote plechtigheid.

Bron: Ludo Jongen, Heilig in de Lage Landen. Herschreven Levens, Uitgeverij Ten Have, Davidsfonds, Leuven, 2005.

Infoblokje 2. Roeping en spiritualiteit SS.CC.

Op 14 april 1817 kondigde de stichter Pierre Coudrin de goedkeuring van de congregatie van de Heilige Harten aan in een rondzendbrief aan alle leden van de gemeen­schap. Daarin schreef hij: "Ons instituut, dat begon toen het bloed van Gods dienaren op de schavotten vloeide, is nu 23 jaar oud. Er zijn wonderen van goddelijke goedheid nodig geweest om ons te midden van de troebelen overeind te houden. De Heer hield niet op wonderen van zijn voorzienigheid over ons uit te storten. Hij heeft ons als het ware bij de hand geleid. Dagelijks kregen wij de bewijzen van zijn almachtige bescherming. We zijn bewaard gebleven tijdens de Terreur. De vervolging kon ons niet vernietigen. Gedurende veertien jaar regeringsonderdrukking konden wij ons, geholpen door Gods genade, verborgen houden voor de sluwe en verraderlij­ke politie." De moeilijke omstandigheden waaronder de congre­gatie was ontstaan; het uitblijven van erkenning van regeringswege en de daardoor noodzakelijke clandestiniteit van de onderneming; en de ondanks dat alles toch voorspoedige groei en expansie hebben een duidelijk stempel gedrukt op het geloof van de stichters en hun volgelingen in Gods tastbare en zichtbare bescherming. God is de Heer van de geschiedenis, zo geloofde Pater Coudrin, en alles wat er gebeurt in het leven van mensen en ge­meenschappen wordt door Gods voorzienigheid bepaald en geleid. De heilsgeschiedenis wordt door God in Christus gerealiseerd. Ook een onderneming als het stichten van een religieuze gemeenschap is in de kern van de zaak Gods werk. De stichters spraken dan ook vaak, evenals hun volgelingen, over 'het werk van God' wanneer zij over de congregatie spraken.

De Congregatie van de Heilige Harten van Jezus en Maria of Congregatio Sacrorum Cordium (ss.cc.) is een congregatie van mannen en vrouwen die in sommige landen bekend is onder de naam Picpus, naar de rue Picpus in Parijs waar de congregatie kort na haar stichting haar moederhuis vestigt. De congregatie is aanwezig in 35 landen en telt ongeveer 2000 leden. In België hebben ze vestigingen in Leuven en Charleroi en in Nederland zijn ze vertegenwoordigd in 's-Hertogenbosch.

In de teksten waarin gesproken wordt over het doel van de congregatie, zien we telkens de­zelfde elementen terugkeren. Eerste doel is de toewijding aan de Heilige Harten van Jezus en Maria, in een geest van eerherstel en plaatsvervangende boete. Historisch zijn vormgeving en uiterlijke praktijk van deze devotie doorheen de jaren veranderd en zullen ze dat blijven doen. Wel veronderstelt elke vorm een betrokkenheid op de persoon Jezus Christus. Het Hart van Jezus staat immers symbool voor de goddelijke, mens geworden liefde (genade), een liefde die bijna tastbaar aanwezig is en die oproept om dezelfde persoonlijke, onvoorwaardelijke liefde en goedheid aan de mensen te bewijzen. Bovendien is er ook de toewijding aan het Hart van Maria, die helpt de diepten van Christus’ liefde te begrijpen en binnen te gaan in zijn innerlijk leven. Haar grondhouding is er één van volledige overgave voor wat God haar wil vragen. Naast Maria had ook de Heilige Jozef een grote plaats in de heiligenverering van de pas ontstane religieuze gemeenschap. Het inleidend hoofdstuk van de constituties zegt uit­drukkelijk: "Als bijzondere patroon hebben wij de Heilige Jozef, bruidegom van de gelukzalige Maagd Maria."

Een tweede element in de doelstelling van de congregatie is de navolging van de vier leeftijden van Christus: zijn kindsheid, zijn verborgen leven in Nazareth, zijn apostolische leven, zijn gekruisigd leven. Die navolging bestaat uit de zorg voor onderwijs en gods­dienstonderricht, gebed en contemplatie, allerlei vormen van apostolaatwerk, en ascese en versterving. Al deze elementen zijn terug te voeren tot de geestelijke literatuur van de 17e en 18e eeuw, waar­uit de stichters een zeer concrete keuze maakten. Het Christusmys­terie werd vooral beleefd vanuit de liefde van God die zich daarin heeft geopenbaard, een liefde die door de mensen miskend wordt en daarom de christenen oproept tot eerherstel. Om dat Christusgeheim concreet vorm te geven en te verkondigen werd gekozen voor de navolging van de Heer in zijn vier leeftijden.

Al voordat de congregatie was ontstaan, nam in de kring rond de stichters de aanbidding van het altaarsacrament een belangrijke plaats in. In 1800 richten de stichters een suppliek aan de paus en daarin vragen zij de goedkeuring van een orde met constituties "die de voortdurende aanbidding van het Heilig Hart van Jezus in het Allerheiligst Sacrament des Altaars moeten vergemakkelijken". In de 17e en 18e eeuw was, met name in Frankrijk, deze bijzondere vorm van eucharistische devotie sterk verbreid. Voor een deel is deze zeker terug te voeren op een overac­centuering van de typisch katholieke traditie inzake de werkelijke aanwezigheid van Christus in het altaarsacrament, ook na de eigenlijke viering van de eucharistie. In de revolutieperiode kwam dan nog het gerucht over allerlei duivelse profanaties die sterk op de volksverbeelding werkten en devotioneel gerichte gelovigen gemakkelijk enthousiast maakten voor het accent van eerherstel.

In een brief van 19 juli 1814 schreef Pater Coudrin aan een van zijn confraters over een jongeman die belangstelling had voor de congregatie: "Zeg hem, dat wij geen monniken zijn en dat ons doel is dienstbaar te zijn door onderwijs en missiewerk." De stichters hebben het bij herhaling duidelijk gezegd: de congregatie moet eerst en vooral een apostolische gemeenschap zijn. Daarom ook de keuze voor de eeuwigdurende aanbidding als een in de apostolische prak­tijk haalbare vorm van gebed en bezinning. Zelfs die toch belangrij­ke gebedspraktijk moest soms wijken voor de eisen van het werk. Bij alles overheerste steeds één gedachte, één doelstelling: de kerk van dienst zijn, overal waar men van nut kon zijn, en dat door allerlei vormen van onderwijs, door diverse soorten pastoraat in binnen- en buitenland, door gebed. In de gedachtegang van stichters en volgelingen stond de dienstbaarheid aan de kerk centraal, want de kerk, geleid door paus en bisschoppen, was de enige weg waarlangs de mens en het heil konden bereiken. Bij alles wat de nog jonge congregatie deed had men een duide­lijke voorkeur voor de armen, zowel in geestelijk als in materieel opzicht. Om geheel vrij te zijn van iedere inmenging van buitenaf, werd alles zoveel mogelijk geheel gratis gedaan en probeerde de congregatie alle kosten uit eigen middelen te dekken. Om dat te kunnen doen werden er grote persoonlijke offers gebracht en werd er door de leden van de gemeenschap werkelijk uiterst sober tot zeer armoedig geleefd. Dit bevorderde de gemeenschapsgeest, waardoor in de meeste communiteiten doorgaans een sfeer van een­voud en hartelijkheid heerste. Het gezag van de oversten stond buiten discussie, maar dat gezag werd uitgeoefend in een geest van dienstbaarheid en liefdevolle bezorgd­heid. Daarnaast was het gemeenschappelijke gebed een bron van inspiratie voor de gemeenschappen. De viering van de eucharistie en de aanbidding namen daarbij een centrale plaats in, maar ook andere vormen van samen bidden en vieren, in de sterk devotionele stijl van die dagen, werden in praktijk gebracht. Zo leefden en werkten de leden van de nieuwe congregatie en die manier van leven en werken had een grote aantrekkingskracht op veel jonge mensen, die zich aansloten bij de gemeenschap.


Bron: Cor Rademaker SS.CC., Geroepen om te dienen. De Congregatie van de Heilige Harten (1800-1987), Bavel, 1987 ; Patrick Bradley SS.CC., vert. Henk ter Huurne SS.CC., Onze roeping en zending in het licht van onze Nieuwe Constituties, Rome, 1992.

Infoblokje 3. Religieuzen

Religieuzen, gewone mensen, vrouwen en mannen, gegrepen door God, levend in het hart van de wereld. Door hun professie wijden ze zich met heel hun persoon toe aan  God en aan de groei van Zijn Rijk in deze wereld: een levensengagement in het spoor van Jezus. Hun geloften van gehoorzaamheid, armoede en celibaat drukken uit hoe ze op een eigen wijze omgaan met de algemeen menselijke verlangens ‘iemand zijn’, ‘iets hebben’ en ‘van iemand zijn’. Religieuzen zijn Godzoekers; het zijn biddende mensen. Ze leven in gemeenschap. Door hun zending delen ze in Jezus’ zorg voor mens en wereld. Naargelang hun specifieke roeping geven ze hun religieus leven een eigen vorm. De rijkdom van het evangelie nodigt uit tot het leggen van eigen accenten. Zo ontstaat een brede waaier van orden en congregaties, van contemplatieve of apostolische religieuzen, elk met hun eigenheid, maar allen erom bekommerd dat Gods Rijk mag groeien in deze wereld.

Kloostergemeenschap

Begin 2008 waren er in Vlaanderen ongeveer 8150 vrouwelijke en 2500 mannelijke religieuzen. Af en toe kom je ze tegen gekleed in een sierlijk habijt of een sobere pij. Vaker herken je ze aan een witte boord of een eenvoudig kruisje. Sommigen zijn druk in de weer bij kerkelijke en sociale activiteiten. Anderen lijken meer een toonbeeld van onthaasting in deze moderne tijden. We spreken ze aan met zuster, pater of broeder... of gewoon met mijnheer of mevrouw in situaties waar de neutraliteit dat vraagt. Afhankelijk van de orde of congregatie waartoe ze behoren, hun spiritualiteit en hun werkterrein, kun je onderscheid maken tussen 'apostolische' of 'actieve' en 'contemplatieve' religieuzen. Apostolische religieuzen zijn actief in stad en dorp, als pastor en parochiale werkster, in het onderwijs en de ziekenverpleging, in bejaardenzorg en in sociaal werk... Ze wonen bij je in de buurt, in een klooster, een huis in de straat of in het kloosterpand van een instituut. Contemplatieve monniken en monialen leven meer teruggetrokken in abdijen en monasteria. Je ontmoet ze wel eens bij retraites en bezinningsdagen. Maar eigenlijk zijn het mensen van gebed en stille arbeid. In alle bescheidenheid maken en onderhouden zij religieuze kunst en lectuur, liturgische gewaden en voorwerpen, devotionalia...

Paters Karmeliet, Dominicaan en Franciscaan

Religieuzen zijn verenigd in religieuze gemeenschappen of instituten. In het kerkelijk recht gebruikt men de term 'Instituten voor Godgewijd Leven'. Afhankelijk van de aard en de traditie van een instituut spreekt men van een orde, een congregatie, een sociëteit, een seculier instituut... De leden van een religieuze gemeenschap wonen in een klooster. Overeenkomstig de eigenheid van een gemeenschap en haar geschiedenis spreekt men van een abdij, een priorij, een monasterium, een convent... In een aantal gevallen zijn kloostergemeenschappen autonoom. In andere gevallen is er een min of meer sterke band tussen kloosters van eenzelfde instituut. Men spreekt dan van een generalaat of een provincialaat, een moederhuis, een bijhuis of een filiaal... om de onderlinge afhankelijkheid tussen de kloosters van eenzelfde orde of congregatie aan te duiden. In Vlaanderen kennen we zo'n 300 autonome ordes en congregaties die samen de Unie van Religieuzen van Vlaanderen (URV) vormen. Afhankelijk van hun specifieke levenswijze en opdracht binnen de Kerk kennen we: 201 ordes en congregaties van actieve zusters met 7625 leden, 53 gemeenschappen van contemplatieve zusters met 525 leden, 27 ordes en congregaties van paters met 1670 leden, 13 mannelijke abdijgemeenschappen met 375 leden, 11 broedercongregaties met 455 leden.

Bron: Unie van de Religieuzen van Vlaanderen

Infoblokje 4. Volksdevotie

Diverse uiterlijke praktijken, bezield vanuit het geloof, die de verhouding van de gelovige met de drie goddelijke personen, Maria of de heiligen beklemtonen. De devotie kan gestalte krijgen in een dienst of mis, maar tevens buiten de officiële eredienst. De officiële liturgie staat boven alle andere vormen van devotie. Het bijwonen van de zondagsmis is verplicht, het deelnemen aan andere uitingen van devotie is daarentegen vrijwillig. In de loop van de Middeleeuwen kwam de officiële liturgie steeds verder van de leken af te staan. Het Latijn werd buiten de clerus door vrijwel niemand meer verstaan en de leken werden steeds meer toeschouwers dan deelnemers. Zij richtten zich op hun eigen, in de volkstaal gehouden devotionele oefeningen, ofschoon een wisselwerking tussen beide duidelijk aanwezig was. Een gebrek aan catechetische vorming en een overvloed aan iconografische beelden, apocriefe teksten en heiligenlevens vol wonderverhalen, voedden rijkelijk de buitenliturgische vroomheid. Te noemen zijn passiespelen, rozenkransgebed, sacramentsverering, Maria-, heiligen en reliekenverering, bedevaarten, devotionele lectuur, zegeningsriten, tridua, octaven en novenen.

De wildgroei aan devotionele uitingen leidde vanaf de tweede helft van de vijftiende eeuw tot steeds meer kritiek. De hervorming concentreerde zich op de verkondiging van het Woord. Andere vormen van devotie werden betracht als rooms bijgeloof. De katholieke kerk daarentegen hervormde en uniformeerde de liturgie tijdens het Concilie van Trente. De overige devotionele uitingen werden verder gestimuleerd, maar de kerk waakte voor bizarre uitwassen. Na de Franse Revolutie vond een devotionaliseringsproces plaats, waarbij de geestelijkheid het godsdienstig leven intensiveerde. Heiligen- en Mariaverering, bedevaarten, passiespelen, broederschappen en de uitgifte van hagiografieën, devotieprentjes en -boekjes kenden een hoogconjunctuur die tot omstreeks 1950 aanhield, waarna een snelle onttakeling volgde.

Het begrip volksdevotie is pas in de tweede helft van de twintigste eeuw ontstaan. In 1975 drong volksdevotie door in het katholieke ambtelijke taalgebruik. Een canon van volksdevotie bestaat niet. Amuletten, beeld en cultus, devotionalia, genadebeelden, bedevaarten en votiefgaven worden allemaal in verband gebracht met de volksdevotie, maar de grens tussen de begrippen devotie en volksdevotie is diffuus.

Bron: Antoine Jacobs, in: George Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie, Kampen, 2005.

Infoblokje 5. Apostel

Begrip uit de bijbel. Van het Griekse apostolos: afgevaardigde, gezondene. In het Nieuwe Testament komt  deze term soms in zijn algemene betekenis voor (Joh. 13:16; 2 Kor. 8:23; Fil. 2:25) en eenmaal wordt Jezus hiermee aangeduid (Heb. 3:1). Doorgaans betekent ‘apostel’ echter: ‘gezant van Jezus Christus’. De evangeliën (evangelie) vermelden twaalf apostelen, die als leerlingen met Jezus meetrokken. Hun namen luiden: Simon Petrus (ook: Kefas), zijn broer Andreas, de broers Jakobus en Johannes, Filippus, Bartolomeüs, Tomas, Matteüs, Jakobus de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon de Zeloot en Judas Iskariot (Matteüs 10:2-4).  In plaats van Taddeüs wordt ook wel vermeld: Judas de zoon van Jakobus (Lucas 6:14-16).

Behalve Judas Iskariot worden deze apostelen voorgesteld als de getuigen van Christus’ opstanding, die van hem de opdracht kregen om zijn onderricht onder alle volken te verbreiden (Mat. 28:16-20). Volgens Handelingen 1:12-26 is Mattias in de plaats van Judas Iskariot gekozen. Daarnaast noemde ook Paulus zich apostel van Christus. Uit zijn brieven blijkt dat hij het aantal apostelen niet tot twaalf beperkte maar de term in bredere zin gebruikte (1 Kor. 9:1-2; 15:5-7). Bovendien is er soms sprake van valse apostelen (2 Kor. 11:13; Openb. 2:2).

De apostelen worden beschouwd als het fundament van de christelijke traditie (Ef. 2:20). In de visie van verscheidene kerken (waaronder de Rooms-Katholieke Kerk) gaat het ambt van bisschop terug op dat van de apostelen (apostolische successie).

Bron: Riemer Roukema, in: George Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie, Kampen, 2005.

Infoblokje 6. Priesterwijding

Van het Griekse presbyter: drager van een kerkelijk ambt. In de Rooms-Katholieke Kerk is de priester bij uitstek de medewerker van de bisschop. Hij ontvangt daartoe in de priesterwijding het hiërarchisch priesterschap, dat hem toelaat op te treden in de persoon van Christus als hoofd van de kerkgemeenschap. Zijn taak bestaat er in het evangelie te preken, herder te zijn over de gelovigen, en de goddelijke eredienst te vieren. In de late Middeleeuwen werd de eigenheid van het priesterambt vooral gesitueerd in de door de wijding verleende macht om te heiligen (consacreren), en om te vergeven. Tegenwoordig situeren theologen die eigenheid veeleer in het pastorale leiding geven aan de geloofsgemeenschap, in verwijzing naar God zelf. Het voorgaan in de eucharistieviering is daarvan de hoogste uitdrukking.

Bron: Stijn van den Bossche, in: George Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie, Kampen, 2005.

Infoblokje 7. Damiaanactie

Damiaanactie is een hulporganisatie die in 1964 in Brussel werd opgericht als een bundeling van verschillende verenigingen die zich reeds voor 1964 inzetten voor leprapatiënten en samen de jaarlijkse Werelddag voor de Melaatsen inrichtten. De organisatie wil een voortzetting zijn van het werk dat door Pater Damiaan De Veuster ss.cc. werd verricht. Inmiddels is het een internationale hulporganisatie die vooral actief is in de zorg voor slachtoffers van twee armoedeziektes, namelijk lepra en tuberculose. De organisatie steunt ook de ontwikkeling van nieuwe methodes om deze ziektes te genezen, en werkt nauw samen met de Wereldgezondheidsorganisatie van de Verenigde Naties. Anno 2009 telt de Damiaanactie 1600 medewerkers. Zij binden de strijd aan tegen lepra en tuberculose in 15 projectlanden in Azië, Amerika en Afrika. De belangrijkste projectlanden zijn Congo, Bangladesh, India en China.

Damiaanactie kiest niet voor acute interventies zoals de meeste andere NGO's, maar kiest voor gezondheidszorg op lange termijn. Er worden projectgebieden afgebakend. Zolang het doel niet bereikt is blijft Damiaanactie in het project aanwezig. De organisatie helpt de bevolkingsgroepen in dat gebied systematisch en doelgericht. Binnen dit kader wordt er samengewerkt met de Internationale Federatie voor Leprabestrijding.

De missie van Damiaanactie kan worden afgeleid uit het logo. Het hart heeft als betekenis dat de medewerkers van Damiaanactie met hart en ziel werken. Zij doen er alles voor om de wereld leefbaarder te maken. De vlinder is het symbool voor de lepra- en tuberculosepatiënten van de derde wereld. Onverschilligheid doodt: dit zijn twee grimmige woorden met veel zin voor realiteit. Zonder hart geen hulp en zonder hulp geen hoop voor lepra- en tuberculosepatiënten. Damiaanactie geneest: twee warme woorden die hoop brengen. Want dankzij Damiaanactie krijgen lepra- en tuberculosepatiënten de hulp waarop ze recht hebben. In 2009 helpen zij de Tuberculose- en leprapatiënten onder de pygmeeën in het Ituri-regenwoud in Oost-Congo waar een ware leprahaard werd ontdekt en TBC aan een gevaarlijke opmars begonnen is.

Pater Damiaan ss.cc., de Fransman Raoul Follereau, als bezieler van de Werelddag voor de Melaatsen en de Belg Frans Hemerijckx, oprichter van de klinieken onder de bomen zijn drie sleutelfiguren binnen de leprabestrijding. Veel gewone én bekende Vlamingen steunen de Damiaanactie. Onder hen advocaat Jef Vermassen, zanger Brahim, de voetballers Stijn Stijnen, Gert Verheyen, Philippe Clement en Yves Vanderhaeghe; oud-wielrenner Eddy Merckx en Herman Verbruggen, de acteur die in de televisiereeks FC De Kampioenen de rol speelt van Markske. Herman Verbruggen heeft bovendien een heel speciale band met pater Damiaan. Zijn moeder heette immers Virginia Damiana De Veuster. Zij was de achterkleindochter van een broer van pater Damiaan!

Jaarlijks voert Damiaanactie tijdens het laatste weekend van januari haar campagne.  In een grote geldinzamelingsactie verkopen honderden vrijwilligers in heel het land de bekende stiftjes van de Damiaanactie. Telkens wordt er aan de hand van een campagnefilm een ander land in de kijker geplaatst. Deze films worden met grootbeeldprojectie in de scholen over het ganse land vertoond.

Bron: www.damiaanactie.be

Infoblokje 8. Relikwieën

Binnen het christelijke geloof zijn relieken of relikwieën overblijfselen van heiligen. De naam komt van het Latijnse werkwoord relinquere, wat 'overblijven' betekent. Reliquiae betekent in het Latijn trouwens gewoon 'stoffelijke resten', maar in een christelijke context slaat de term op de resten van een heilige. Het kan gaan om drie soorten: (delen van) het skelet of ander bewaarbaar materiaal dat ooit deel uitmaakte van het lichaam van de heilige (beenderen, tanden, haar, nagels, …), alles wat met het lichaam van de heilige in contact is ge­weest (kledij, voorwerpen, …), en ten slotte ook voorwerpen en ruimten waarin het lichaam van de heilige, of delen daarvan, bewaard worden (sarcofagen, schrijnen, …). De relieken dienden niet enkel als herinnering aan de heilige, hen werd tegelijk een vir­tus, een bovennatuurlijke kracht toegeschreven. Ze stonden immers in de plaats van de heilige zelf; het vereren van de stoffelijke resten was gelijk aan het vereren van de heilige, de resten waren net zo heilig als de overledene zelf. De aanwezigheid van de relieken gaf de gelovige een tastbaar doel voor zijn of haar verering, en tegelijk werden de relieken het noodzakelijke door­geefluik voor de bede om bijstand. Aldus werd het wonder van de tussenkomst van de heilige (de voorspraak bij God) streng gelokaliseerd; men diende een reliek van die specifieke persoon in de buurt te hebben om een verzoek om hulp te kunnen doorgeven. Daardoor kon de laatste rustplaats van een heilige een bedevaartsoord worden, maar werd anderzijds de versnippering van het stoffelijke overschot in de hand gewerkt.

Handbeentje Damiaan

De aanwas van dubieuze relieken maakte het noodzakelijk om binnen de kerk formele pro­cedures uit te werken waardoor de echtheid van heilige resten kon onderschreven worden. De uitvoering lag in de handen van de bisschoppen die verschillende manieren van identificatie tot hun beschikking hadden. Men kon zoeken naar geschreven bewijs, waarbij mo­gelijk een directe identificatie (bijvoorbeeld een inscriptie op het graf) kon worden gevonden, of een tekst op het schrijn of het altaar, of een indirect historisch bewijs. Indien de zoektocht posi­tief uitviel, kon een authentificatie uitgevaardigd worden, een document dat werd toegevoegd aan de reliek, waardoor twijfel in de toekomst zou worden vermeden. Soms was evenwel een echt onderzoek nodig waarbij getuigen, de traditionele overlevering of de documenten die deze traditie konden bevestigen (zoals de inventarissen van relieken of de archieven van kerken en kloosters) dienstig waren. In nood kon men besluiten tot de evaluatie van al dan niet gebeurde mirakels of kon men de vuurproef toepassen. Indien de reliekresten niet door het vuur werden aangetast, ging het zonder twijfel om authentiek materiaal. Elke inspectie van de relieken was voor de lokale geloofsgemeenschap van groot belang. Men wilde immers een bevestiging krijgen van de echtheid van de reeds eeuwen vereerde res­ten. Bij een positieve beoordeling werd het verdict dan ook op papier gezet, en werd het certi­ficaat in regel aan de reliek toegevoegd. Het bewijsstuk bleef evenwel, net zoals de beenderen zelf, voor het publiek verborgen; de heiligenverering was niet echt een kwestie van bewijzen, wel van geloof.

Handreliek Koahouten schrijn

Nu heiligenverering in sommige delen van de wereld op zijn retour is, verdwijnen ook de relieken discreet uit de kerken. Dat is zo bij ons, en ook in Frankrijk, hoewel in Italië en vele 'Latijnse' landen in de wereld de verering nog leeft als vanouds. Voor het Vaticaan worden relieken ook duidelijk minder belangrijk. Rond hun bestaan en verering wordt nog weinig ruchtbaarheid gegeven. Men legt nu duidelijk de nadruk op de heiligen zelf, en niet op hun stoffelijke resten. In elk geval kunnen de relieken bij vele gelovigen en zeker bij de mensen die buiten de katholieke kerk staan, nog op weinig begrip rekenen. Er heerst wat dit onderwerp betreft een algemene scepsis die op begrijpbare gronden rust. Een groot deel van de relieken moet zonder twijfel vals zijn, in de betekenis dat de stoffelijke resten niet overeenstemmen met de historische context die hen wordt toegedicht. Die scepsis moet trouwens niet noodzakelijk als antikerkelijk geïnterpreteerd worden. De kerk had zelf al lang door dat bij de heiligenverering fictie met realiteit werd vermengd. Het Vaticaan startte uiteindelijk zelf een initiatief om echt van vals te onderscheiden en gaf, zoals gezegd, in de zeventiende eeuw de opdracht aan de 'Société des Bollandistes' om zo veel mogelijk gegevens over de heiligenlevens te verzamelen, te evalueren en te publiceren. Dit werk, de Acta Sanctorum, werd onder andere de basis waarop een aantal nooit bestaande heiligen van de kalender werd geschrapt.

Bron: Mark van Strydonck e.a., Relieken. Echt of vals?, Davidsfonds, Leuven, 2006.

Infoblokje 9. Pater Damiaan op de wereldtentoonstelling van Parijs (1937)

De overbrenging van het stoffelijk overschot van Damiaan naar België in 1936 kan rekenen op grote internationale belangstelling. De aankomst van zijn lichaam in Antwerpen op 3 mei van dat jaar neemt de vorm aan van een zelden geziene triomftocht. Vooral de verslagen in kranten en geïllustreerde tijdschriften geven ons een beeld van de enorme toeloop en het grote enthousiasme. Damiaan staat in het middelpunt van de belangstelling en wordt alom geprezen als nationale held. Het is dan ook voor de hand liggend dat hij een plaats krijgt in het Belgisch paviljoen op de wereldexpositie in 1937 te Parijs, waar het beste wat de natie voortbrengt wordt tentoongesteld. Het thema van de wereldtentoonstelling is “Kunst en techniek in het moderne leven”.  Ook de ontwerpers van het Belgische paviljoen nemen dit thema als leidraad en willen tonen hoe in de Belgische kunst en nijverheid schoonheid en functionaliteit samengaan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat men voor de figuur van Damiaan kiest voor de wandtapijtkunst, het nationale kunstambacht bij uitstek. Dat Marcel Laforêt wordt aangezocht om het tapijt te ontwerpen wekt evenmin verbazing. Hij is immers oud-leerling van het 'Hooger Instituut voor sierkunsten' in Ter Kameren dat geleid wordt door de toonaangevende modernistische architect Henry van de Velde, die ook het hoofd is van het comité dat belast wordt met de artistieke inrichting van het Belgische tentoonstellingspaviljoen.

Het ontwerpen en vervaardigen van een wandtapijt verloopt in verschillende stappen. Op 31 juli 1936 geeft de Commissaris-Generaal van het Belgisch paviljoen, Baron Georges Vaxelaire, aan Marcel Laforêt de opdracht een tapijtontwerp op schaal 1/10 te vervaardigen met als thema “De triomf van pater Damiaan”. Zijn voorontwerp wordt goedgekeurd, op voorwaarde dat de kunstenaar enkele kleine veranderingen aanbrengt.  Zo wordt de richting van het tafereel in het onderste register omgekeerd en wordt de figuur van pater Damiaan op zijn sterfbed vervangen door een afbeelding van zijn opgebaarde lichaam. De uitvoering van het wandtapijt wordt toevertrouwd aan het atelier van Georges Chaudoir te Brussel. Dit atelier is één van de drie grote Belgische ateliers met wortels in de 19de  eeuw, naast de twee andere koninklijke manufacturen, De Wit en Braquenié, die gevestigd zijn in Mechelen. Deze ateliers bezitten de technische kennis en de capaciteit nodig voor het uitvoeren van grote opdrachten. Ze staan in voor de uitvoering van het merendeel van de monumentale moderne wandtapijten uit het interbellum. 

Omdat het tapijt gebaseerd wordt op authentieke foto’s neemt het na verloop van tijd een belangrijke plaats in in het beeldmateriaal m.b.t. pater Damiaan. Zo zien we hoe vanaf het begin van de jaren 1960 details uit het wandtapijt frequent gebruikt worden als illustratie van tal van publicaties en brochures.  De centrale voorstelling van pater Damiaan met het melaatse kind raakte zo wijdverspreid dat ze op haar beurt kunstenaars gaat inspireren. Het glasraam in de Damiaankapel van de Onze-Lieve-Vrouw van Troostkerk in Ukkel herneemt de centrale figuur van het Damiaantapijt als uitgangspunt. En zelfs het monumentale schilderij dat onthuld wordt op het moment van de zaligverklaring van Damiaan in Koekelberg toont de centrale Damiaanfiguur van het wandtapijt.

Bron: Patrik Jaspers, Pater Damiaan op de wereldtentoonstelling van Parijs in 1937. Nationale held, nationaal kunstambacht, Leuven, 2009.

Infoblokje 10. Standbeeld Damiaan in National Statuary Hall (Washington D.C.)

De National Statuary Hall (Nationale Beeldenzaal) is een zaal van het Capitool in Washington D.C., waarin beelden van prominente Amerikanen zijn geplaatst. De zaal, ook Old Hall of the House genoemd, bestaat uit 2 verdiepingen en is gebouwd in een D-vorm, naar voorbeeld van de oude amfitheaters. Het is een van de vroegste voorbeelden van Neoclassisistische architectuur in Amerika. De Old Hall was vanaf 1807 de vergaderzaal van het Huis van Afgevaardigden. In die jaren vond hieronder andere de inauguratie plaats van de presidenten James Madison, John Quincy Adams en Millard Fillmore. Nadat men in 1857 na een nieuwe vleugel verhuisde, kwam de zaal leeg te staan. Door de bouw van de zaal was het lastig een nieuwe bestemming te vinden. De zuilengalerij leende zich echter uitstekend voor het plaatsen van beeldhouwwerken en in 1870 werd besloten dat alle Amerikaanse staten beelden mogen leveren voor de zaal, die sindsdien National Statuary Hall heet.

Elke Amerikaanse staat mag 2 beelden leveren voor de National Statuary Hall Collection. Alle uitgebeelde personen zijn van belang geweest voor de geschiedenis van de betreffende staat. In 1870 werd het eerste beeld geplaatst in de beeldenzaal. In 1933 werd besloten een deel van de beelden elders in het Capitool te plaatsen, zoals in de Hall of Columns (Zuilenzaal) en de Rotunda. Er staan nu (2008) 38 beelden in de ruimte zelf. Sinds 2000 mogen de staten een beeld vervangen door een andere. In 2006 plaatste New Mexico haar tweede beeld, waarmee de collectie compleet is.

Te midden van de witmarmeren werken bevindt zich een indrukwekkend beeld in brons: dat van pater Damiaan. Het staat er sinds 1969 en vertegenwoordigt Hawaï, de vijftigste staat van de VS. Het standbeeld  is van de hand van Marisol Escobar. Deze kunstenares, die in 1930 in Parijs is geboren uit Venezolaanse ouders, woont nu in New York. Op de kritiek van de mensen die er de voorkeur aan hadden gegeven om Damiaan in een heroïsche pose of in de bloei van zijn leven te zien, toen zijn gezicht nog niet door die vreselijke ziekte was verminkt, reageert Marisol als volgt: "Ik heb een aantal foto's van pater Damiaan gekregen. Ik heb de foto gekozen waarop hij er uitziet als een rijp man. Ik vind dit beeld mooi en ik ben er diep door geraakt. Het toont de wilskracht en de persoonlijkheid van iemand die zijn taak heeft volbracht. Het geeft me de indruk van een man die zichzelf heeft ontdekt op Hawaï en die zelf Hawaïaan is geworden. Ik zie niet in wat er verkeerd is aan ouderdom. Ik vind die juist boeiend en mooi en ze boezemt mij ontzag in. In Damiaan voel ik het mysterie van een lichamelijke verandering, alsof hij geworden was wat hij wilde zijn."

Bron: www.wikipedia.org (National Statuary Hall)

Infoblokje 11. Damiaan inspireert kunstenaars

Het Damiaan Documentatie- en Informatiecentrum in Leuven heeft gegevens over meer dan zestig Damiaan-beeldhouwwerken in eigen land en verspreid over de hele wereld. Verschillende van hen worden permanent tentoongesteld, sommige in schaalmodel, andere op foto. Onder de kunstenaars namen als May Claerhout, Escobar Marisol, Funaskoshi Yasutake, Constantin Meunier, Frans Reyniers en Achiel Pauwels.

In 1894, vijf jaar na de dood van pater Damiaan, maakt Constantin Meunier (1831-1905) het eerste standbeeld van Damiaan in ons land. Het wordt opgericht in het Leuvense stadspark. In 1908 wordt het beeld verplaatst de Brusselsestraat, op het gewezen kerkhof van de St-Jacobskerk in Leuven. Meunier, die zich als één van de eerste kunstenaars in Europa inzet voor de arbeiders in de opkomende industrialisatie, neemt de opdracht van de Belgische regering deels uit persoonlijke motieven aan. In 1894 verliest hij immers zijn twee zonen. Het Damiaanbeeld gaat voor hem de overwinning van het leven op de dood betekenen. Het beeld is een prototype dat tot op vandaag wordt gebruikt om Damiaan op een herkenbare manier voor te stellen. Meuniers Damiaan is een geïdealiseerde weergave: een rijzige gestalte die met het kruis in de hand de melaatse die op hem steunt, de hemel toont.  Net als het werk van Marisol Escobar maakt dit beeldhouwwerk in zijn tijd uiteenlopende reacties los.

In 1975 maakt de Japanner Yasutake Funaskoshi een bronzen beeld van pater Damiaan. Bij de dood van zijn zoontje ontdekt deze kunstenaar door het lezen van een biografie pater Damiaan. Dit personage fascineert hem dermate dat hij zich tot het katholicisme bekeert. In 1984 schenkt hij het werk aan het Museum voor Moderne Kunst in Brussel.

Een meer recent standbeeld is dat van kunstenares May Claerhout. Het beeld is ontworpen met het oog op de zaligverklaring van pater Damiaan en wordt op 3 december 1994 ingewijd door kardinaal Godfríed Danneels.  Het bevindt zich aan de zuidkant van de Basiliek van Koekelberg in Brussel. Over het beeld zegt Claerhout het volgende: “Het beeld is meer dan Damiaan met enkele zieken naast zich. Damiaan staat onwrikbaar in zijn roeping en hij kanaliseert met zijn uitgestrekte armen en handen de stroom van zieken die hij door zijn ingrijpen een andere, betere, menselijke vorm van lijden en sterven meegaf. En dat omwille van de Almachtige God. Ik heb Damiaan niet uitgebeeld als de heilige man, maar als de Goddelijk geïnspireerde hervormer van het ziektebeleid van de wereld”. Alleen Damiaan heeft ze een eigen gezicht meegegeven. De melaatsen zijn onherkenbaar, hebben geen gezicht of hooguit een grijns; hun lichamen zijn slechts bronzen platen.

Ter gelegenheid van de zaligverklaring werden vele nieuwe beelden van pater Damiaan gemaakt, Verschillende daarvan zijn in parochiekerken geplaatst, o.m. in de Sint-Egidiuskerk in Sint-Gillis-Waas en in de H. Hartkerk in Kortrijk (Pottelberg).  Ook het Damiaanbeeld in porselein dat Achiel Pauwels maakte voor de Sint-Romboutskathedraal werd geplaatst in het verlengde van de zaligverklaring. In de St-Antoniuskerk in Charleroi Villa Basse en in de St-Annakerk te Koekelberg (Brussel) bevindt zich een ceramiek van Max van der Linden.

In 2005-2006 maakte de priester-beeldhouwer Omer Gilliet ter ere van de “Grootste Belg” Pater Damiaan een gigantische totem. Deze staat aan de ingang van de Zalige Damiaanparochie in Kortrijk. Gilliet, die bij voorkeur werkt met wrakhout, maakte een voorstelling van de melaatse Damiaan met daarbij verwijzingen naar zijn geboortedorp Tremelo en zijn leven en werk op Molokai.

Naast de beeldhouwers zijn het vooral de schilders en de tekenaars die Damiaan tot onderwerp nemen. Nog tijdens zijn leven genoot Pater Damiaan grote bekendheid in de Engelssprekende wereld. De Anglicaanse kerkgemeenschap in Londen organiseerde geldinzamelingen en stuurde de schilder en lekenmissionaris Edward Clifford naar Molokai. Hij kwam er toe op 17 december 1888, vier maand vóór Damiaans dood. Clifford had grote bewondering voor Damiaan. De mooiste momenten van zijn verblijf op Molokai bracht hij door in gesprek met Damiaan op de veranda van diens huis. Hij maakte er de schets voor het eerste geschilderde en ondertussen overal bekende portret van Damiaan: met de strohoed, het brilletje, lezend in 'de navolging van Christus'. Terug thuis schreef Clifford: "Damiaan is een eenvoudig man, sterk en devoot. Hij werkt hard en niets is voor hem te min: metsen, timmeren, zieken verzorgen, doden wassen, en nog vele andere dingen. Hij is altijd opgewekt, schalks, en een van de meest bescheiden mensen die ik ooit heb ontmoet".

Felix De Boeck (1898-1997) uit Drogenbos was een van de eerste abstracte kunstenaars in Vlaanderen. Hij had in zijn leven veel tegenslagen te verwerken (vier van zijn vijf kinderen stierven een vroegtijdige dood, het vijfde was gehandicapt) en leefde in onthechting. Het thema van 'de zelfgave' komt in zijn werk voortdurend terug. Toen in 1936 het stoffelijk overschot van Damiaan in triomf terug naar ons land werd gebracht, schilderde De Boeck zijn eerste en meest aangrijpende Damiaanportret: het hoofd van de stervende Damiaan lijkt op het hoofd van de stervende Christus op het kruis! Het thema Damiaan is de kunstschilder blijven boeien; alles tezamen schilderde hij een tiental Damiaandoeken.

De Vlaamse schilder Aimé Van Belleghem, in Veurne geboren op 9 juli 1922, staat vooral bekend als portretschilder. Zo schilderde hij ondermeer een portret van koning Boudewijn, van koningin Fabiola, en van Mgr. Desmedt toenmalig bisschop van Brugge. Van Belleghem schilderde ook tal van historische taferelen. Verder ontwierp hij een aantal processievaandels die worden meegedragen in de Heilig Bloed processie in Brugge. Zijn Damiaanportret toont een door de lepra zwaar getekende Damiaan. Het is een indrukwekkend beeld van de lijdende missionaris die niettegenstaande zijn gehavende lichaam toch een diepe innerlijke rust uitstraalt. Aimé Van Belleghem heeft dit portret aan de congregatie van de Heilige Harten geschonken. Het bevindt zich nu in de inkomhal van het klooster op de St.-Antoniusberg te Leuven.

Het lag voor de hand, zeker na zijn zaligverklaring, dat Pater Damiaan zou afgebeeld worden op glasramen in kerken en kloosters. In ons land bevinden zich onder meer Damiaanglasramen in Leuven, Tremelo, Koekelberg, Lille, Aarsele, Kluisbergen en Bilzen.

Bron: René Obbels SS.CC., Damiaan inspireert kunstenaars, Damiaan Documentatie en Informatiecentrum, Leuven, 1998.

Infoblokje 12. Damiaan van Moloka'i (Een kritische analyse van hedendaagse mythevorming)

Pater Damiaan is zonder twijfel Hawaï’s meest gekende burger en een gerespecteerde internationale held. Anderzijds kunnen op grond van de empirische gegevens uit de brieven van de negentiende-eeuwse patiënten en beheerders uit de leprakolonie van Molokai ook vraagtekens worden geplaatst bij de historische focus op de Belgische priester-missionaris. Historische en literatuurkritiek leggen een complex geheel bloot van commentaar, mythe en ideologie doorheen culturen en leren ons zo iets over de koloniale vooringenomenheid ten aanzien van de inheemse Hawaïanen.

De klemtoon op pater Damiaan overschaduwt de actieve rol die door Hawaïanen in de geschiedenis is vervuld en helpt een koloniaal bevooroordeeld geschiedverhaal in stand houden. Terwijl er over de jaren heen een duidelijke evolutie merkbaar is in het beeld dat van Damiaan wordt geschetst - gebaseerd op de veranderende tijden - blijft het beeld dat wordt afgeschilderd van de inheemse Hawaïanen nagenoeg onveranderd. Ze worden heel consequent geportretteerd als zieke, stervende ‘kinderen’ die op het verkeerde pad zijn geraakt. De ziekte van Hansen raakt dan ook voornamelijk berucht, niet omwille van haar kwaadaardigheid; haar beangstigende symptomen; of de associatie met onreinheid in het Bijbelboek Leviticus; maar wel omdat ze symbool staat voor een inheems ras dat met uitsterven wordt bedreigd als een direct gevolg van de eigen culturele ongeschiktheid.

Het beeld van de zwakke en stervende Hawaïaan wordt in de mythevorming rond pater Damiaan bestendigd. Voor biografen omstreeks 1890 vormt pater Damiaan de belichaming van de christelijke liefdadigheid zoals die door kolonisatoren tot bij inboorlingen wordt gebracht. Damiaan wordt steevast voorgesteld als een devote, morele hervormer die primitieven van het heidendom tracht te redden. In deze retoriek lijken de Hawaïanen - bij afwezigheid van deze blanke man die hen fatsoen bijbrengt- gedoemd om te hervallen in de staat waarin ze zich bevonden vóór Damiaan bij hen aankwam om hen tot beschaving te brengen. Tegen 1930 was de wereld veranderd en werd Damiaan in Europa aanzien als een veeleer sociale dan religieuze hervormer. In de Verenigde Staten gold hij als een sterke, imposante pionier. De Hawaïanen op hun beurt waren de machteloze slachtoffers van een nalatige Board of Health die onder invloed van de corrupte Hawaïaanse monarchie de leprozen had laten verloederen. De beeldvorming veranderde andermaal in de zestiger jaren onder invloed van de burgerrechtenbewegingen. Damiaan werd nu beschouwd als de barmhartige pleitbezorger van de leprapatiënten die iedereen gelijkstelt, los van overtuigingen of afkomst. De Hawaïanen evolueerden van primitief tot kwaadwillig en haast uitgestorven, zodat ze voor milieuactivisten al snel een bedreigde soort zouden vormen.

Het beeld van Damiaan evolueert van morele autoriteit ten tijde van zijn dood, tot sociale hervormer tijdens de Depressie en advocaat voor minderheidsrechten in de hedendaagse literatuur. Het beeld van dé Hawaïaan evolueert van primitieve die zich van het heidendom heeft bekeerd, tot ontaard slachtoffer van de Westerse samenleving, tot volk op de rand van uitsterven. Hoewel de kenmerken van Damiaan en de Hawaïanen doorheen de tijd veranderen, blijft de verhouding tussen beide de zelfde, namelijk deze van een dominante, blanke ouder of voogd versus het kwetsbare inheemse kind. Dat de details verschillen terwijl de onderlinge verhouding dezelfde blijft, toont aan dat mythe niet stilstaat. De mythevorming rond Damiaan laat een geschiedschrijving toe die door de inheemse autonomie en economische controle te depolitiseren, schijnbaar aanvaardbaar wordt gemaakt. De heldhaftige dood van Damiaan installeert blanke liefdadigheid als een gegeven en vervormt zo het verleden waarbij de Hawaïaan zelfbeschikking en eigendom is ontzegd. De studie van de mythevorming rond Damiaan maakt duidelijk dat de bezoedelende naam ‘leproos’ geen Bijbelse dwaling is, maar veeleer een narratieve heropleving van een koloniale realiteit die door een twintigste-eeuwse onverdraagzaamheid is in stand gehouden. Bij heel wat Damiaanbiografen wordt de fictie van een blanke redder verhaald langs tegengestelde kenmerken:

Damiaan (blanke man) Leproos (inheemse Hawaïaan)
Christen Heiden
Deugdzaam, kuis Immoreel, promiscue
Gedisciplineerd Ongedisciplineerd
Actief Lusteloos, loom
Fysiek sterk Zwak, ziek, stervende
Superieur Inferieur
Ouder Kind

Overschaduwd door de mythevorming rond Damiaan is de actieve rol die Hawaïanen hebben vertolkt in de opbouw en het onderhoud van de nederzetting in Kalaupapa; in de politieke betrokkenheid langs de wetgevers; en in hun verzet tegen gezag door zich niet inschikkelijk maar opstandig op te stellen. Mythe verschuift de verantwoordelijkheid voor racisme, stigma en economische ongelijkheid naar een ver verleden, terwijl een kritische lezing van de Damiaanbiografen aantoont dat de leprabeeldspraak rond de teloorgang van het Hawaïaanse volk gelinkt is aan de aanhoudende economische repressie.

Bron: Pennie Moblo, Blessed Damien of Molokai (Critical Analysis of Contemporary Myth), in: Ethnohistory 44:4 (1997) 691-726.

Infoblokje 13. Biografie/tijdlijn

[3 januari 1840]    

Geboren op 3 januari 1840 in Ninde-Tremelo. Dezelfde dag gedoopt in de parochiekerk van Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand in Tremelo.

[14 december 1848]    

Sterfdag van jongste zusje: Marie-Melanie, vier jaar oud.

[lagere school]    

Dorpsschool Werchter. Onderwijzers: meester Bols sr. en meester Bols jr.

[5 april 1854]     

Eugenie, Damiaans zus en mère Alexis van de Ursulinen van Tildonk, sterft in Uden, Nederland.

[maart 1857]    

Broer August De Veuster begint zijn noviciaat bij de paters Picpussen te Leuven in maart 1857, met als kloosternaam Pamfiel.

[15 mei 1858]

Jozef De Veuster begint in Braine-Le-Comte zijn internaat. In oktober van dat jaar volgt een retraite gepreekt door een pater Redemptorist.

[januari 1859]

Jozef bezoekt zijn broer Pamfiel en besluit in het klooster van Leuven te blijven als postulant.

[2 februari 1859]

Jozef begint zijn kloosterleven als koorbroeder, met als kloosternaam Damiaan. Novicemeester is Caprasius Verhaeghe, superior is pater Wenceslas Vincke.

[augustus 1859]

Damiaan wordt toegelaten tot de groep van studenten in opleiding voor het priesterschap.

[7 juni 1860]

Damiaan trekt naar Issy voor de laatste maanden van het noviciaatjaar.

[7 oktober 1860]

Damiaan doet zijn eeuwige geloften. Hij blijft daarna in Issy om verder Latijn, Grieks en filosofie te studeren.

[september 1861]

Damiaan komt terug naar Leuven om theologie te studeren aan de universiteit.

[september 1863]

Damiaan ontvangt kleine wijdingen in Romboutskathedraal, Mechelen.

[oktober 1863]

Pamfiel krijgt de opdracht zich klaar te maken om naar Hawaï te reizen. Dit vertrek, voorzien voor eind oktober, kan niet doorgaan wegens ziekte van Pamfiel.

[10 oktober 1863]

Damiaan vraagt toelating om in Pamfiels plaats te vertrekken (Brief aan de Generale Overste, Parijs).

[15 oktober 1863]

Toelating bekomen. Diezelfde dag neemt Damiaan afscheid van zijn familie te Tremelo, de volgende dag neemt hij afscheid van zijn moeder te Scherpenheuvel.

[23 oktober 1863]

Algemeen overste Euthyme Rouchouze predikt retraite voor de afreizende missionarissen.

[29 oktober 1863]

Vertrek uit Parijs, de trein op naar Bremen, Duitsland.

[2 november 1863]

Inscheping op de 'R.W. Wood', afvaart op 9 november van vijf broeders en tien zusters ss.cc.

[21 mei 1864]

Priesterwijding in de Onze Lieve Vrouw Koningin van Vrede­kathedraal te Honolulu, door Mgr. Louis Maigret.

[juni 1864]

Damiaan vertrekt naar zijn eerste missiepost in Puna, op het grote eiland Hawaï.

[januari 1865]

Het eerste officiële decreet 'To prevent the spreading of Leprosy' verschijnt.

[19 maart 1865]

Damiaan wisselt zijn district met Clemens Evrard en werkt van dan af in het district Kohala-Hamakua.

[6 januari 1866]

De eerste melaatsen worden aan wal gezet in Kalawao.

[1867]

Een eerste bescheiden hospitaal wordt gebouwd in Kalawao.

[1868]

Constance, zus van Damiaan, overlijdt op 40-jarige leeftijd.

[oktober 1868]

Gulstan Ropert komt Damiaan vervoegen en neemt het district Hamakua over, terwijl Damiaan verder werkt in Kohala.

[1872]

Broeder Joseph (Victorin) Bertrand bouwt de eerste Sint­-Philomenakapel in Kalawao.

[4 mei 1873]

Inzegening van de nieuwe kerk van Wailuku door bisschop Maigret, die vrijwilligers vraagt om de zielzorg van de patiënten in Kalawao te behartigen. Damiaan meldt zich.

[4 juli 1873]

Pauline, zus van Damiaan en zuster Alphonse van de Ursulinen in  Tildonk, overlijdt in Uden, Nederland.

[oktober 1873]

Damiaan spreekt, staande in een roeiboot, zijn biecht aan pater Modest Favens, missieoverste.

[juli 1876]

Dr. Georg W. Woods, medisch inspecteur bij de US Navy en gestationeerd op de 'Lackawana', krijgt de speciale opdracht van het 'Bureau of Medicine and Surgery' een rapport op te maken over lepra. Zo ontmoet hij Damiaan en wordt hij ook een fervent bewonderaar.

[september 1881]

Bezoek van Prinses Liliuokalani aan Kalawao. Damiaan mocht koninklijk ereteken ontvangen.

[1884]

Charles Warren Stoddard, schrijver/journalist, komt op bezoek en publiceert daarover later in 1892 het boekje 'The Lepers of Molokai' en daarna 'Father Damien. The Martyr of Molokai' in 1901.

[november 1884]

Dr. Eduard Arning stelt de diagnose: pater Damiaan is melaats. Hij wordt van dan af officieel geregistreerd als leprapatiënt in de leprozennederzetting Kalawao.

[29 juli 1886]

Ira Barnes (Joseph) Dutton komt naar Molokai om Damiaan te helpen.

[6 augustus 1886]

Damiaans moeder, Anne-Catherine Wouters, overlijdt.

[7 mei 1888]

De Belgische priester Lambert Conrard komt naar Kalawao om Damiaan te helpen.

[juni 1888]

De Ier James Sinnett komt naar Molokai. Hij is Damiaans verpleger tijdens diens laatste dagen.

[14 november 1888]

Mother Marianne en drie medezusters Franciscanessen komen aan op Molokai.

[november 1888]

Pater Wendelin Möllers, kapelaan van de zusters benoemd, komt zich vestigen in Kalaupapa.

[december 1888]

Niettegenstaande zijn verslechterende gezondheid blijft Damiaan verder werken aan de restauratie van de Sint-Philomenakerk.

[december 1888]

Edward Clifford bezoekt Damiaan enkele dagen voor Kerstmis.

[april 1889]

Damiaan is verplicht het bed te houden en ontvangt de laatste sacramenten.

[maandag 15 april 1889]

Op maandag 15 april 1889, in de Goede Week, sterft pater Damiaan. De dag daarop wordt hij begraven bij zijn geliefde melaatsen.

[16 oktober 1895]

Pater Pamfiel vertrekt naar Hawaï om in de melaatsennederzetting Kalawao te dienen tot augustus 1897. Pamfiel overleed te Leuven op 29 juli 1909.

[13 januari 1936]

Het stoffelijk overschot van Damiaan wordt ontgraven en met een militair vliegtuig overgebracht naar Honolulu; vandaar met het troepentransportschip 'Republic' overgebracht naar San Francisco en vervolgens naar San Cristobal, Panama.

[3 mei 1936]

Het Belgisch opleidingsschip 'Mercator' meert aan te Antwerpen. Het stoffelijk overschot wordt begroet door Koning Leopold III en een groot aantal civiele en kerkelijke autoriteiten. Vanuit Antwerpen wordt Damiaan in een gemotoriseerde lijkwagen naar Leuven gebracht.

[1956]

Damiaans rustplaats wordt geopend om het lichaam te identificeren; een voorbereidende stap in het op gang gebrachte proces van zaligverklaring .

[4 mei 1936]

Plechtige requiemmis gecelebreerd door pater provinciaal Paul Vanhoutte, in aanwezigheid van Kardinaal Van Roey. Pater Damiaan wordt opnieuw begraven in de Sint-Antoniuskapel van de Congegatie van de Heilige Harten te Leuven.

[1961]

Installatie van het door Marisol Escobar gemaakte Damiaanbeeld in de Statuary Hall van het Capitool in Washington D.C.

[1989]

Centennial. Grootse plechtigheid door de Internationale Gemeenschap van de Heilige Harten; volkse huldigingen worden gehouden in het Heizelstadion in Brussel en ook in zijn geboortedorp Tremelo.

[15 april 1994]

Damiaans graf wordt geopend om zijn rechterhand weg te nemen om als relikwie terug te brengen naar Kalawao en herbegraven te ·worden in het oorspronkelijke graf.

[4 juni 1995]

Op pinksterzondag wordt pater Damiaan door paus Johannes Paulus II plechtig zalig verklaard op de esplanade van de Basiliek van Koekelberg, Brussel. Zijn liturgisch feest is vastgesteld op 10 mei.

[22 juni 1995]

Plechtige herbegraving van Damiaans rechterhand in Kalawao.

[1 december 2005]

Slotshow van het televisieprogramma "De Grootste Belg" uitgezonden door Canvas en Radio1. Pater Damiaan, ss.cc. (Jozef De Veuster) wordt als winnaar uitgeroepen, gevolgd door farmacoloog Paul Janssen op de tweede plaats en wielericoon Eddy Merckx op de derde plaats. Tegelijk met de verkiezing van De Grootste Belg door de Vlaamse openbare tv-zender loopt een soortgelijke, onafhankelijke verkiezing door de Franstalige omroep RTBF. In deze verkiezing eindigt Jacques Brel op de eerste plaats, gevolgd door Koning Boudewijn op de tweede plaats en Pater Damiaan op de derde plaats.

[21 februari 2009]

Tijdens een gewoon consistorie te Rome wordt de heiligverklaring van pater Damiaan vastgesteld op zondag 11 oktober 2009.

Bron: Paul Macken SS.CC., Aandachtsvelden Damiaan, Damiaan Documentatie en Informatiecentrum, Leuven, 2009.

Infoblokje 14. Ziekte van Hansen (melaatsheid, lepra)

De eerste verwijzingen naar lepra dateren van ruim duizend jaar voor de geboorte van Christus. In die tijd had men het over een ziekte die men kushta noemde en die veel gelijkenis vertoonde met melaatsheid. De ziekte zou zich het eerst hebben voorgedaan in India en zich van daaruit over heel Azië en de rest van de wereld hebben verspreid. Japan raakte in de 8ste eeuw na Christus met lepra besmet. Pas in de 19de eeuw brachten Chinese immigranten de ziekte mee naar de eilanden in de Stille Zuidzee, waaronder de Hawaï-eilanden.

Lepra heeft ook in Europa huisgehouden. In het oud-testament is sprake van de ziekte zaraath. Volgens sommigen was dat lepra. Men denkt dat de ziekte Europa is binnengekomen via Afghanistan en Perzië (het huidige Iran). De Griekse schrijver Herodotos vertelt immers hoe in de 5de eeuw voor Christus in Perzië lepralijders het land werden uitgezet. De eerste gevallen van lepra werden in Griekenland vastgesteld. Misschien werd de ziekte wel meegebracht door de manschappen van de beroemde veroveraar Alexander De Grote (356-323 voor Christus). In Italië werden de eerste gevallen van melaatsheid vastgesteld ten tijde van keizer Augustus (63 voor Christus - 14 na Christus). De verspreiding van lepra binnen Europa wordt toegeschreven aan de organisatie binnen het Romeinse Rijk. Soldaten en handelaars reisden het rijk rond en namen de ziekte overal met zich mee. Met de Noormannen raakte lepra ook in Noord-Europa. Lepralijders werden gemeden als de pest. Tijdens de Middeleeuwen bijvoorbeeld moesten zij hun komst melden met een ratel, zodat iedereen zich uit de voeten kon maken. In de 12de en 13de eeuw zorgden de Kruistochten voor een nieuwe verspreiding van de ziekte. Rond die tijd waren er in Europa zo’n twintigduizend leprozerieën, dat is een geleerd woord voor ‘melaatsendorp’. In België en Nederland waren er zo’n zeshonderd. Lepralijders leefden en stierven er vaak in ellendige omstandigheden. Vanaf de 14de eeuw verdween de ziekte stilaan in Europa, maar tot aan het eind van de 19de eeuw bleef lepra in Noord-Europa hardnekkig voortbestaan. In 1873 ontdekte de Noorse arts Gerhard Hansen (1841-1912) de bacil die verantwoordelijk was voor de ontwikkeling van de ziekte. Sindsdien noemt men lepra en melaatsheid officieel de Ziekte van Hansen.

De ziekte van Hansen bestaat tot op vandaag. Volgens de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) worden er elk jaar zo’n 250.000 nieuwe gevallen van melaatsheid vastgesteld. In Zwart Afrika zijn er 31.037 geregistreerde patiënten, vooral in de Democratische Republiek Congo, Nigeria, Ethiopië, Mozambique, Madagascar, Angola en Ivoorkust. Zuid- en Centraal-Amerika  tellen officieel 41.978 patiënten, vooral in Brazilië, Venezuela, Colombia en Paraguay. Zuidoost-Azië heeft 171.552 patiënten, voornamelijk in India, Indonesië, Bangladesh, Nepal en Myanmar. Het Midden-Oosten en Noord-Afrika hebben 4.091 gevallen, vooral in Soedan, Egypte, Pakistan, Jemen en Somalië. In het Verre Oosten is het officiële cijfer 5.867 patiënten, vooral in de Filippijnen, China, Vietnam en Cambodja. India met 137.685 patiënten en Brazilië met 39.125 patiënten (cijfers 2007) zijn de grootste leveranciers van nieuwe gevallen van lepra.

Het aantal nieuwe lepragevallen neemt jaar na jaar af.

2001 : 763.262

2002 : 620.638

2003 : 514.718

2004 : 407.791

2005 : 299.036

2006 : 265.661

2007 : 254.525

Dat is natuurlijk goed nieuws. Maar daar schuilt ook een gevaar in. In sommige landen worden er zo weinig nieuwe gevallen van lepra vastgesteld dat de aandacht verslapt. Veel hulpverleners waarschuwen ervoor dat als men niet uitkijkt lepra opnieuw zou kunnen toenemen.

Lepra wordt veroorzaakt door een bacterie. Ze wordt van mens tot mens overgedragen via de luchtwegen. Hoe zo’n besmetting dan echt gebeurt? De bacteriën van een onbehandelde en besmettelijke patiënt bevinden zich vermoedelijk in microscopisch kleine vochtdruppeltjes in de uitgeademde, uitgehoeste of uitgeniesde lucht. Deze kunnen door een andere persoon worden ingeademd (zoals ook bij de besmetting met griep).

De leprabacil is thermofoob. Dat wil zeggen dat ze niet van warmte houdt. Daarom nestelt ze zich in het lichaam precies op die plekken waar het wat koeler is: de oppervlakkige zenuwen, het aangezicht, de neus, de oren, de wenkbrauwen, de vingers, de tenen. Precies in die lichaamsdelen krijgt de leprapatiënt het eerst problemen. Een gevoelloos plekje op de huid is meestal het eerste teken van lepra. Bij ontbreken van een behandeling worden langzaam maar zeker ook andere organen aangetast (o.a. perifere zenuwen, beenderen in handen en voeten, enz…). Leprapatiënten kunnen sterven aan de gevolgen van verwikkelingen (o.a. door nierproblemen).

Gevoelloze voeten kunnen leiden tot grote wonden. De patiënt voelt immers helemaal niets, zelfs niet als hij in pakweg een glasscherf trapt. Die grote wonden kunnen op hun beurt leiden tot algemene infecties waaraan de patiënt kan sterven. In sommige Derde Wereldlanden worden leprapatiënten nog steeds uitgestoten. Zo komt het dat sommige melaatsen niet echt sterven aan de ziekte zelf, maar door bijvoorbeeld ondervoeding die een gevolg is van de uitstoting.

Iedereen kan besmet raken, maar het is niet omdat je besmet raakt, dat je ook die ziekte krijgt. De ene krijgt lepra een jaar na de besmetting, de andere soms pas na twintig jaar, en de meeste mensen nooit. Er zijn twee belangrijke soorten lepra: lepra met veel bacillen en lepra met weinig bacillen. Hoe meer bacillen, hoe groter de besmettelijkheid van de patiënt is. Wie ondervoed, zwak en al een beetje ziek is, maakt meer kans om lepra te krijgen dan iemand die helemaal gezond is.

Toen dokter Hansen in 1873 de leprabacil ontdekte, kon men beginnen zoeken naar een middel om die bacterie een halt toe te roepen. Pater Damiaan zorgde er voor dat ‘zijn’ patiënten op Kalaupapa de hete oliebaden van de Japanse dokter Masanao Goto konden gebruiken. Maar of die echt hielpen? Het eerste geneesmiddel dat echt werkte, was sulfone. Het werd ontdekt in 1942. Sulfone genas leprapatiënten niet echt, maar hield hun ziekte in bedwang – op voorwaarde dat ze hun leven lang trouw hun medicijn slikten. (dat is waar voor de besmettelijke patiënten. Niet besmettelijke patiënten, die met weinig bacillen dus,  werden vaak na een jaar of 4 sulfonen toch genezen verklaard). Sinds 1981 krijgen patiënten een cocktail van verschillende medicijnen toegediend gedurende 6 tot 12 maanden. Daardoor kunnen ze echt genezen. Het is bij lepra zeer belangrijk dat de ziekte zo snel mogelijk wordt ontdekt. Als dat gebeurt, blijft de schade veelal beperkt tot bijvoorbeeld een gevoelloos plekje op de huid. Patiënten bij wie de ziekte laat wordt ontdekt, hebben vaak al ernstige misvormingen of andere lichamelijke problemen. Die zijn soms heel moeilijk of helemaal niet te verhelpen.

Bron: Damiaanactie

Infoblokje 15. Frans Hemerijckx (1902-1969), Vlaamse melaatsendokter

Frans Hemerijckx werd in 1902 geboren in Ninove in de provincie Oost-Vlaanderen. Hij studeerde ‘gewone’ geneeskunde in Leuven en daarna tropische geneeskunde in Brussel. Na zijn studies trok dokter Hemerijckx naar Congo, dat toen nog een Belgische kolonie was. Daar bouwde dokter Hemerijckx in 1941 met geld van de Belgische overheid een melaatsendorp. Hij noemde dat dorp Dikungu. Dat betekent ‘wederzijdse hulp’. Aan de ene kant vond dokter Hemerijckx dat zo’n melaatsendorp nodig was om het besmettingsgevaar voor gezonde mensen enigszins te beperken, aan de andere kant wist hij ook dat hij de afzondering van de zieken tot een minimum moest beperken. Dat had hij geleerd uit de verhalen over Kalaupapa. In 1954 gaf koning Leopold III aan dokter Hemerijckx de opdracht om in India een Belgisch Centrum voor Leprabestrijding op te richten. Dokter Hemerijckx ging aan de slag in Polambakkam, ten zuiden van de stad Chennai. Omdat er in het begin nog helemaal geen kliniekje was, hield hij spreekuur in open lucht, onder een boom. Op 19 september 1955 opende in Polambakkam het Belgian Leprosy Center officieel zijn deuren. Dokter Hemerijckx begon met 167 patiënten. Tegen het eind van dat jaar had hij er al 2.400! In 1960 werd het ziekenhuis overgedragen aan de Indiase staat. Een jaar later ging dokter Hemerijckx werken voor de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO). Hij bleef werken in India, waar in het begin van de jaren ’60 zo’n twee miljoen mensen aan lepra leden. Toen iemand dokter Hemerijckx zei dat hij een held was, antwoordde hij: ‘Damiaan was een held, want die had helemaal niets om zich tegen lepra te beschermen.’ Dokter Hemerijckx werd ziek en moest naar België terugkeren. Hij overleed in 1969 in Leuven.

Bron: Damiaanactie

Infoblokje 16. Raoul Follereau (1903-1977), stichter van de Werelddag voor de Melaatsen

Ook Frankrijk heeft zijn ‘melaatsenheld’: Raoul Follereau. Follereau werd in 1903 geboren in de Franse stad Nevers. Hij werd journalist, filosoof, advocaat en schrijver. In 1935 maakte hij een reis door Afrika. Daar zag hij voor het eerst lepra. Raoul Follerau was onder de indruk van wat hij had gezien en schreef brieven naar onder meer de Amerikaanse president Eisenhower en diens Russische collega Malenkov. Wat ik u vraag is weinig, bijna niets. Geef mij elk een van uw bommenwerpers. Met de prijs van twee van deze doodzaaiende machines kunnen alle lepralijders van de wereld verpleegd worden. De presidenten deden alsof hun neus bloedde, maar de actie van Follereau vestigde wel de aandacht op het wereldwijde probleem van lepra. In 1954 organiseerde hij de allereerste Werelddag voor de Melaatsen. Daarmee wilde hij lepra blijvend in het nieuws houden. Dat is hem zeker gelukt. De Werelddag van de Melaatsen bestaat vandaag nog. Hij wordt gehouden op de laatste zondag van januari en er doen al zo’n 150 landen aan mee.

Raoul Follereau trok naar de Verenigde Naties om lepra te laten erkennen als een ‘gewone’ ziekte. In 1963 gebeurde dat ook. Follereau reisde in totaal 32 keer de wereld rond om aandacht te vragen voor lepra en voor de mensen die aan die ziekte lijden. De Fondation Follereau in Frankrijk is wat bij ons de Damiaanactie is (zie: www.raoul-follereau.org).

Bron: Damiaanactie

Infoblokje 17. Geboortehuis Jozef De Veuster

De boerderij waar de  familie De Veuster in de 19de eeuw woonde, kende ook gedurende de 20ste eeuw een gevarieerde en bijwijlen turbulente geschiedenis waarbij de gebouwen steeds werden aangepast aan de noden en wensen van de nieuwe bewoners. Deze geschiedenis, en meer in het bijzonder het “wonen” in de gebouwen tijdens de verschillende periodes, willen we illustreren aan de hand van een aantal foto’s. 

Geboortehuis van Pater Damiaan

Omdat op de Ferrariskaart op de plaats van het Damiaanmuseum reeds een stenen gebouw aangeduid wordt, weten we dat de oudste kern van het geboortehuis van Pater Damiaan dateert van voor 1770.  Andere bronnen vertellen dat de vader van Damiaan het huis in 1839 verbouwde.  Hoe de woning er op dat moment uitzag werd door Theo Mijlemans in 1945 op doek gezet: een stenen gebouw van anderhalve verdieping hoog en met een strooien dak (schilderij in geboortehuis).  Omstreeks 1865 werd de woning opnieuw verbouwd.  Hierbij werd de halve verdieping opgetrokken tot een hele verdieping en werd het strooien dak vervangen door pannen.  Toen de Paters Picpussen het gebouw in 1895 aankochten bevond het zich nog in deze toestand.

Geboortehuis wordt klooster

Het was vanaf het begin duidelijk dat provinciaal overste Maurice Raepsaet in Tremelo een klooster wilde stichten.  En hoewel hij hiervoor pas in 1901 de officiële toestemming van de bisschop kreeg vestigden de eerste paters en broeders zich reeds in 1897 te Tremelo.  De gebouwen werden waar nodig aangepast aan de nieuwe functie.  De slaapkamers op de eerste verdieping konden zonder veel veranderingen door de paters gebruikt worden terwijl de leefruimten op het gelijkvloers werden ingericht als spreekkamer – annex museumruimte voor de bezittingen van Damiaan die reeds in 1893 van Molokai naar België werden gestuurd .  Ook de schuur werd gebruikt voor bewoning, hetgeen aangetoond wordt door de nieuw geplaatste ramen .  De belangrijkste ingreep in deze periode was de verbouwing van de keuken en opkamer tot kapel waardoor de geboortekamer van Pater Damiaan omgevormd wordt tot een soort heiligdom .

Klooster van Tremelo wordt noviciaat

In 1907 kreeg het klooster van Tremelo de functie van noviciaat. Deze beslissing werd reeds vanaf 1906 voorbereid door de bouw van een nieuwe kloostervleugel in aansluiting bij de oude schuur.  In de jaren 1909-1910 werd het neogotische kloostercomplex verder uitgebreid met een aantal bijkomende gebouwen en een kapel.   In 1929 werd de schuur vervangen door een nieuwe vleugel voor de huisvesting van een studiehuis voor wijsbegeerte. Door de vestiging van het noviciaat in een landelijke omgeving werd een sfeer van afzondering geschapen die de studie bevorderde. De ruime tuin rond het klooster was voor de novicen zowel een oord van ontspanning als van gebed . Buiten het kloosterdomein veranderde er in de eerste decennia weinig en bleef het landelijk karakter van de omgeving behouden, zoals een foto uit 1936 toont: “… en de boer, hij ploegde voort …”.

Brand en wederopbouw

De nacht van 25 op 26 september 1943 vernielde een zware brand het grootste deel van het klooster.  Enkel de kapel en het geboortehuis bleven gespaard. Onmiddellijk na de oorlog werd werk gemaakt van de wederopbouw.  De plannen van het nieuwe klooster werden getekend door Victor Broos.  Deze Leuvense architect ontwierp reeds in 1936 in opdracht van de Paters Picpussen het graf van Damiaan in de Sint-Antoniuskapel in Leuven.  Later ontwierp hij ook nog gebouwen voor de kloosters van Aarschot en Leuven.  Het nieuwe klooster werd gebouwd naast de ruïnes van het oude klooster.  De werken vingen aan in april 1946 en op 11 mei werd officieel de eerste steen gelegd.   De bouw nam bijna drie jaar in beslag.  Begin 1949 kon het nieuwe klooster in gebruik worden genomen. 

Noviciaatsleven in het nieuwe klooster

Het grondplan van het nieuwe klooster gaat terug op dat van de traditionele abdij waarbij de verschillende gebouwen gegroepeerd werden rondom een vierkant kloosterpand.  De kapel werd loodrecht op een van de vleugels ingeplant.  De aanwezigheid van de kapittelzaal en de zorg die aan de kapel besteed werd tonen aan dat het leven van de novicen en kloosterlingen monastiek geïnspireerd was.  In een noviciaat had de kapel daarenboven nog een bijzondere betekenis omdat dat de plaats was waar de novicen hun geloften aflegden.  Naast gebed en meditatie speelden ook studie , huishoudelijke taken en ontspanning een belangrijke rol in het leven van de novicen. 

Noviciaatsleven in het nieuwe klooster

13. Geboortehuis.jpg

14. Geboortehuis.jpg

16. Geboortehuis.jpg

17. Geboortehuis.jpg

Geboortehuis wordt museum-woning

Na de voltooiing van de wederopbouw van het klooster werd beslist het geboortehuis om te vormen tot een museumwoning en de ruïnes van het neogotische klooster te verbouwen tot museumzaal. Ook hiervoor tekende Victor  Broos de plannen.  Het museumgebouw werd voorzien van een torentje waarvan de vormgeving verwees naar de architectuur van missiekerkjes, en dat tevens als blikvanger fungeerde. Het gebouw werd daarenboven wit gekalkt zodat het zou afsteken tegen de overige gebouwen uit de omgeving. 

De twee voorste kamers van het geboortehuis werden teruggebracht naar de oorspronkelijke toestand.   Het geboortehuis werd officieel ingezegend op 27 mei 1952 terwijl het Hawaiï-museum pas voltooid was in juni 1953.

De symbolische betekenis van het geboortehuis van Damiaan voor de Paters Picpussen was ook in deze periode zeer sterk, hetgeen tot uiting komt in de talrijke groepsfoto’s, al dan niet in het gezelschap van belangrijke bezoekers, die voor dit gebouw genomen werden. 

Geboortehuis wordt museum-woning

Damiaan18.jpg

Damiaan19.jpg

Damiaan20.jpg

23. Geboortehuis.jpg

Onvoltooide droom : een thuis voor de nieuwe parochie

In de jaren na de tweede wereldoorlog kende de bevolking van het gehucht Ninde een explosieve groei hetgeen leidde tot de oprichting van een nieuwe parochie in 1960.  Aanvankelijk  fungeerde de oude kapel van het klooster als parochiekerk maar al vlug droomde men van een nieuwe parochiekerk. De project van Victor Broos voorzag de bouw van een nieuwe kerk met parochiezaal en pastorij in de buurt van het geboortehuis.  Die plannen werden echter niet uitgevoerd. Bij de opheffing van het klooster in 1974 kreeg de kapel van het nieuwe klooster de functie van parochiekerk.

Onvoltooide droom : een thuis voor de nieuwe parochie

27. Geboortehuis.jpg

Damiaan29.jpg

Damiaan30.jpg

Klooster wordt rusthuis (etsen)

De terugval van het aantal roepingen trof in de jaren 1970 ook de Paters Picpussen.  Hierdoor was het grote noviciaat te Tremelo al vlug overbodig en werd gezocht naar een nieuwe bestemming voor het gebouw.  Deze werd gevonden in samenspraak met dokter Van Droogenbroeck die hier in 1974 een goede locatie zag voor het vestigen van een rusthuis.  Met dit doel werden de bestaande gebouwen aangepast en verschillende uitbreidingen gerealiseerd (ets).  Momenteel wonen  in het geriatrisch centrum Damiaan meer dan 400 bewoners (ets).  De nieuwe functie van het klooster ligt op die manier in het verlengde van de geest die ook het werk van Pater Damiaan inspireerde.

Bron: Fotomateriaal afkomstig uit het archief van de Vlaamse provincie van de Paters Picpussen en uit de Damiaancollectie, beiden bewaard te Leuven. Samensteller commentaar: Patrik Jaspers, Damiaan Documentatie en Informatiecentrum, Leuven, 2007. Geciteerd uit: Libertus Patteet, ‘Muzeüm Pater Damiaan Tremelo’, Vlaamse toeristische bibliotheek 15, Antwerpen, z.j.; B. Van Roosendael, Het geboortehuis van Pater Damiaan te Tremelo, Werchter, 1997; Cyriel Wellens, ‘Het Hawaïaans- en P. Damiaanmuzeüm te Tremelo’, in De Brabantse folklore.  Tijdschrijft  van de dienst voor geschiedkundige en folkloristische opzoekingen der provincie Brabant, nr. 143, september 1959, pp. 407-436.

Infoblokje 18. Miraculeuze genezingen toegeschreven aan pater Damiaan

Onmiddellijk na het overlijden van Damiaan op 15 april 1889 werd een poging gedaan in Hawaï om zoveel mogelijk materiaal en getuigenissen samen te brengen. Maar er was eigenlijk geen stuwende kracht om dit alles te coördineren en te stimuleren en onder de druk van het algemene missiewerk kwam de zaak op de achtergrond. Rond 1935 kwam vanuit België weer meer aandacht voor een mogelijke zaligverklaring en in dit perspectief moet ook de overbrenging van zijn stoffelijk overschot in 1936 naar Leuven gezien worden. Hiermee werd Damiaan terug in de aandacht gebracht. Daarnaast kwam het initiatief voor het openen van het proces toe aan de bisschop van Mechelen, dit is het bisdom waar de kandidaat-zalige begraven is. Het officiële proces van de zaligverklaring werd ingeleid in 1938. Na de nodige vaststellingen en onderzoeksdaden werd het proces in 1955 overgemaakt aan het Vaticaan in Rome. In 1977 werd officieel de heldhaftigheid van zijn deugden erkend waardoor Damiaan de titel van “eerbiedwaardige dienaar Gods” kreeg.

Inmiddels had zich ook heel de problematiek afgespeeld van het wonder dat nodig is voor een zaligverklaring. In 1895 reeds was er sprake van een miraculeuze genezing van zuster Semplicie Hué maar deze genezing werd eerst niet herkend als miraculeus. Toen echter aan alle andere vereisten voor de zaligverklaring voldaan was, werd met bijna 100 jaar vertraging de genezing toch als miraculeus aanvaard. Op 13 juni 1991 werd het decreet van de zaligverklaring ondertekend. Op pinksterdag, 4 juni 1995 werd Pater Damiaan in Koekelberg door Paus Johannes-Paulus II zalig verklaard. Dit betekent dus dat Pater Damiaan in de Belgische bisdommen (land van oorsprong) het Hawaïaanse bisdom (landsgedeelte waar hij werkzaam was) en de Congregatie van de Heilige Harten (waartoe hij behoorde) vereerd en aanroepen mag worden en op een speciale wijze als voorbeeld gesteld mag worden voor de gelovigen. Hij kreeg ook een feestdag toegewezen in de liturgische kalender. Gewoonlijk is dat de dag van het overlijden. Voor Pater Damiaan zou dat 15 april zijn, maar de ondervinding leert dat die dag dikwijls in de Goede Week of in de paasdagen valt, dagen waarop de liturgie geen heiligenverering toelaat. Daarom werd voor Pater Damiaan de dag van 10 mei gekozen. Dat is de dag waarop Pater Damiaan (in 1873) voor het eerst voet aan wal zette in Molokai.

Het proces van heiligverklaring is in de loop der jaren, vooral de laatste eeuw, erg vereenvoudigd. Vroeger moest men het onderzoek over de heldhaftigheid der deugden met al wat daarbij hoorde helemaal overdoen. Nu is dat niet meer nodig. Als hij heldhaftig was voor de zaligverklaring dan is hij dat ook nog voor de heiligverklaring, tenzij er nieuwe elementen aan het licht zouden komen. De heiligverklaring is ook geen hogere trap van heiligheid, maar betekent in de eerste plaats dat deze persoon zo belangrijk is als voorbeeld in inspiratiebron dat het goed is dat hij gekend, geëerd, gewaardeerd en inspirerend is voor alle gelovigen over heel de wereld. Het wordt een universele heilige. Wat wel nog nodig is voor een heiligverklaring is een tweede mirakel. Deze erkenning gebeurt in verschillende stappen. Eerst moet een commissie van geneesheren vaststellen dat de genezing (want meestal gaat deze wonderen over een genezing, maar het zou ook anders kunnen zijn) niet op natuurlijke wijze kan verklaard worden. Dan moet een commissie van theologen vaststellen dat het een miraculeuze genezing is, dus op voorspraak van een zalige, en tegelijkertijd constateren op wiens voorspraak dit gebeurd is. Als dit dossier wordt goedgekeurd moet het aangeboden worden aan een commissie van kardinalen en bisschoppen die het op hun beurt moeten goedkeuren en aanbieden aan de Paus. Indien de Paus dit alles aanvaardt kan hij “decretum super miraculo” uitvaardigen en dan staat niets meer de canonisatie in de weg.

Onmiddellijk na het overlijden van Damiaan op 15 april 1889 werd een poging gedaan in Hawaï om zoveel mogelijk materiaal en getuigenissen samen te brengen. Maar er was eigenlijk geen stuwende kracht om dit alles te coördineren en te stimuleren en onder de druk van het algemene missiewerk kwam de zaak op de achtergrond. Rond 1935 kwam vanuit België weer meer aandacht voor een mogelijke zaligverklaring en in dit perspectief moet ook de overbrenging van zijn stoffelijk overschot in 1936 naar Leuven gezien worden. Hiermee werd Damiaan terug in de aandacht gebracht. Daarnaast kwam het initiatief voor het openen van het proces toe aan de bisschop van Mechelen, dit is het bisdom waar de kandidaat-zalige begraven is. Het officiële proces van de zaligverklaring werd ingeleid in 1938. Na de nodige vaststellingen en onderzoeksdaden werd het proces in 1955 overgemaakt aan het Vaticaan in Rome. In 1977 werd officieel de heldhaftigheid van zijn deugden erkend waardoor Damiaan de titel van “eerbiedwaardige dienaar Gods” kreeg.

Inmiddels had zich ook heel de problematiek afgespeeld van het wonder dat nodig is voor een zaligverklaring. In 1895 reeds was er sprake van een miraculeuze genezing van zuster Semplicie Hué maar deze genezing werd eerst niet herkend als miraculeus. Toen echter aan alle andere vereisten voor de zaligverklaring voldaan was, werd met bijna 100 jaar vertraging de genezing toch als miraculeus aanvaard. Op 13 juni 1991 werd het decreet van de zaligverklaring ondertekend. Op pinksterdag, 4 juni 1995 werd Pater Damiaan in Koekelberg door Paus Johannes-Paulus II zalig verklaard. Dit betekent dus dat Pater Damiaan in de Belgische bisdommen (land van oorsprong) het Hawaïaanse bisdom (landsgedeelte waar hij werkzaam was) en de Congregatie van de Heilige Harten (waartoe hij behoorde) vereerd en aanroepen mag worden en op een speciale wijze als voorbeeld gesteld mag worden voor de gelovigen. Hij kreeg ook een feestdag toegewezen in de liturgische kalender. Gewoonlijk is dat de dag van het overlijden. Voor Pater Damiaan zou dat 15 april zijn, maar de ondervinding leert dat die dag dikwijls in de Goede Week of in de paasdagen valt, dagen waarop de liturgie geen heiligenverering toelaat. Daarom werd voor Pater Damiaan de dag van 10 mei gekozen. Dat is de dag waarop Pater Damiaan (in 1873) voor het eerst voet aan wal zette in Molokai.

Het proces van heiligverklaring is in de loop der jaren, vooral de laatste eeuw, erg vereenvoudigd. Vroeger moest men het onderzoek over de heldhaftigheid der deugden met al wat daarbij hoorde helemaal overdoen. Nu is dat niet meer nodig. Als hij heldhaftig was voor de zaligverklaring dan is hij dat ook nog voor de heiligverklaring, tenzij er nieuwe elementen aan het licht zouden komen. De heiligverklaring is ook geen hogere trap van heiligheid, maar betekent in de eerste plaats dat deze persoon zo belangrijk is als voorbeeld in inspiratiebron dat het goed is dat hij gekend, geëerd, gewaardeerd en inspirerend is voor alle gelovigen over heel de wereld. Het wordt een universele heilige. Wat wel nog nodig is voor een heiligverklaring is een tweede mirakel. Deze erkenning gebeurt in verschillende stappen. Eerst moet een commissie van geneesheren vaststellen dat de genezing (want meestal gaat deze wonderen over een genezing, maar het zou ook anders kunnen zijn) niet op natuurlijke wijze kan verklaard worden. Dan moet een commissie van theologen vaststellen dat het een miraculeuze genezing is, dus op voorspraak van een zalige, en tegelijkertijd constateren op wiens voorspraak dit gebeurd is. Als dit dossier wordt goedgekeurd moet het aangeboden worden aan een commissie van kardinalen en bisschoppen die het op hun beurt moeten goedkeuren en aanbieden aan de Paus. Indien de Paus dit alles aanvaardt kan hij “decretum super miraculo” uitvaardigen en dan staat niets meer de canonisatie in de weg.

Audrey Toguchi

Reeds korte tijd na de zaligverklaring van Damiaan werd er al uitgezien naar het moment van de heiligverklaring of canonisatie. Hiervoor is een erkend mirakel onontbeerlijk. In 1999 werd mevrouw Audrey Toguchi (Honolulu – Hawaï) genezen verklaard van een ongeneeslijke kanker met uitzaaiingen (vastgesteld tussen 1996 en 1998), zonder dat daarvoor een medische verklaring was. Volgens haar gebeurde die onverklaarbare genezing op voorspraak van de zalige Pater Damiaan. In 1998 ging ze omwille van haar uitzichtloze situatie samen met haar familie regelmatig bidden op het graf van Pater Damiaan in Kalawao. Alle documenten omtrent deze genezing werden door de Algemene Postulator in Rome, pater Emilio Vega Garcia, overgemaakt aan de medische commissie van de Congregatie voor de Heiligverklaringen. Op 18 oktober 2007 hebben de technische specialisten (geneesheren) de documenten onderzocht tijdens een ‘Consulta Medica’. De vijf geneesheren kwamen unaniem tot het besluit: ”Wat de genezing van mevrouw Audrey Toguchi betreft, kunnen we zeggen dat ze niet gewoon uitzonderlijk is, maar buitennatuurlijk”.

Op 29 april 2008 kwam heel dit onderzoek, samengebracht in een dossier van 400 bladzijden, voor een commissie van 20 consultoren-theologen die beslisten dat de deze genezing van bovennatuurlijke, dus wonderbaarlijke aard is en daarenboven in oorzakelijk verband staat met het aanroepen van Pater Damiaan. In een volgende stap werd het dossier doorgeschoven naar de commissie van de Kardinalen en de Bisschoppen, en dan na goedkeuring naar de Paus zelf. De Paus ondertekende op 3 juli 2008 het decreet dat de wonderbaarlijke genezing, toegeschreven aan de tussenkomst van Pater Damiaan, erkent. De heiligverklaring van Pater Damiaan gebeurt op zondag 11 oktober 2009 in Rome.

Bron: Theo Borgermans, Zaligverklarings- en heiligverklaringsproces van Damiaan: werk van lange adem, RKnieuws.net, 21 februari 2009.

Infoblokje 19. Recente Belgische zaligen/heiligen

Valentinus Pacquay, 'het heilig paterke van Hasselt'

Praalgraf heilig paterke

Feestdag: 1 januari (Belijder en biechtvader)

Naamheilige: Valentijn (jongens); Val (meisjes)

Betekenis naam: verkleinvorm van valens (sterk, gezond, invloedrijk)

Iconografie: als Franciscaan met stola

Het had dagen achtereen geregend dat het goot, maar op zondag 9 november 2003 was er geen wolkje te bekennen. De zon scheen stralend over het Sint-Pietersplein in Rome. Enkele honderden gelovigen uit Hasselt en omgeving waren daarheen gereisd voor de zaligverklaring van 'hun' paterke. Na een plechtige openluchtmis las paus Johannes Paulus II (1978-2005) de verklaring voor, bijna een eeuw na zijn dood. Het paterke van Hasselt werd op 17 november 1828 geboren in Tongeren. Hij was de benjamin van het gezin Paquay. Zijn moeder baatte een café uit op de markt, zijn vader was boer. Bij zijn doop kreeg hij de namen Johannes Ludovicus; zijn roepnaam luidde Louis. Toen was het heel gebruikelijk dat een van de kinderen zijn leven in dienst van God en de Heilige Kerk stelde. Louis was weliswaar de jongste, maar ook de slimste. Na de lagere school vertrok hij als twaalfjarige naar het kleinseminarie in SintTruiden: hij zou priester worden. Rond zijn zeventiende meldde hij zich aan bij de minderbroeders. Als kloosternaam koos hij de naam van de legendarische derdeeeuwse martelaar Valentinus, de patroonheilige van verliefde stelletjes. Na de voltooiing van zijn studie werd hij op 10 juni 1854 tot priester gewijd. Vervolgens werd hij in Hasselt gestationeerd. Vijftig jaar lang zou pater Valentinus in de Sint-Pieterskerk de mis opdragen en preken, maar vooral biechthoren. De mensen kwamen van heinde en verre naar Hasselt. Het gerucht ging dat hij de toekomst kon voorspellen. Zo ontraadde hij eens een zeventienjarig meisje om in het klooster te treden: zij moest in het huwelijk treden en haar vijf kinderen zouden allemaal kloosterling worden. En zo geschiedde. Niet alleen in de biechtstoel, ook op straat stond pater Valentinus altijd klaar om mensen in nood te helpen. Nu eens ging hij op ziekenbezoek, dan weer zorgde hij dat echtparen hun ruzies bijlegden. Nadat hij vijftig jaar onvermoeibaar de handen uit de mouwen had gestoken, werd de vrome franciscaan ziek. Hij voorvoelde dat het einde naderde. Op 18 december 1904 kreeg hij bezoek van een neef, eveneens een priester. Die had zijn brevier meegebracht en pater Valentinus stak daar een bidprentje in bij de vespers van 1 januari die om drie uur 's middags gebeden werden. Pater Valentinus overleed inderdaad op 1 januari 1905 rond drie uur. Het gerucht van zijn dood ging als een lopend vuurtje door Hasselt. Bij zijn begrafenis was dan ook een grote menigte aanwezig. Dagelijks werd zijn graf op het kerkhof aan de Kempische Steenweg door pelgrims bezocht. De toeloop was zo groot dat de stoffelijke resten in 1926 werden overgebracht naar een nieuw gebouwde grafkapel in de minderbroederskerk. Ook daar bleven de pelgrims toestromen. Er werd en wordt niet specifiek voor iets gebeden: het heilig paterke helpt iedereen. In 1908 werd het canonisatieproces gestart. Al was het volk overtuigd van de heiligheid van de franciscaan Valentinus, het Vaticaan wilde bewijzen. Om zalig verklaard te kunnen worden, dient God ter ere van de toekomstige zalige twee wonderen te laten plaatsvinden. In 1945 werd een vrouw genezen van terminale huidkanker. In 1960 genas een andere vrouw van een niet meer behandelbare tumor aan haar lippen. Het laatste wonder bleek voor de zaligverklaring doorslaggevend. In de vroegere ziekenzaal van het minderbroedersklooster in Hasselt hangt in een glazen vitrine de bruine pij en de stola van het heilig paterke van Hasselt als een kostbaar relikwie.

Jan Berchmans

Standbeeld Jan Berchmans

Feestdag: 13 augustus (Belijder)

Naamheilige: o.a. Hans, jan, Johan, Jens (jongens); o.a. Hanne, Jeanne, Jane, Johanna (meisjes)

Betekenis naam: Jahwe is genadig

Iconografie: in zwarte soutane (priesterhabijt) met een boek, een beeld en een rozenkrans in de hand

Patroonheilige: Diest, koren, misdienaars, schoolgaande jeugd, studenten, Vlaamse jeugd

 

Op 13 maart 1599 werd de eerste zoon geboren van een niet onbemiddelde schoenmaker in Diest. Zijn ouders waren dolgelukkig en gaven het knaapje bij zijn doop de naam Jan. Dagelijks kwam Jan bidden voor het Mariabeeld in de Sint-Sulpitius, Dat viel de kapelaan, Peter Emmerich, op. Hij sprak de jongen aan en ontdekte dat die beschikte over een goed en gezond stel hersens. Peter leerde Jan niet alleen lezen en schrijven, maar onderwees hem ook de grondbeginselen van het Latijn. Bovendien nam Peter zijn pupil regelmatig mee naar bedevaartplaatsen, onder andere het Mariaheiligdom in Scherpenheuvel. Langzaam maar zeker rijpte bij Jan het voornemen priester te worden. Dat plan leed bijna schipbreuk, want in 1612 wil kon zijn vader de studie van zijn zoon niet meer financieren: zijn echtgenote ernstig ziek en hij moest nog vijf kindermonden voeden. Eigenlijk wilde vader dat Jan hem zou komen helpen in de winkel, maar Peter Emmerich en twee tantes die begijn waren, konden vader overhalen Jan verder te laten leren: Jan mocht naar het kleinseminarie in Mechelen, maar moest zelf zijn studie bekostigen. In Mechelen werd hij in huis genomen door een kanunnik. Als Jan geen lessen volgde of huiswerk maakte, moest hij helpen in de huishouding. Zo moest hij onder meer de maaltijd opdienen, vlees en gevogelte voorsnijden, vis fileren en wijn uitschenken. Daarnaast nam de kanunnik Jan mee op eendenjacht en leerde hem hoe jachthonden afgericht moesten worden. Toen in 1616 de jezuïeten in Mechelen een college stichtten, wilde Jan Berchmans daar zijn verdere opleiding volgen, ondanks de bedenkingen die zij weldoener en geestelijke leidsman tegen die militante orde had. Op 24 september 1616 werd Jan Berchmans novice bij de Mechelse jezuïeten. Jan doorliep de opleiding met zoveel succes dat zijn superieuren van mening waren dat hij zijn academische studie in Rome moest vervolgen. Op 24 oktober 1618 vertrok hij samen met een studiegenoot naar het zuiden. Na tien weken wandelen bereikten de twee op oudejaarsavond de Eeuwige Stad waar ze zich meldden bij het Collegium Romanurn. Jan kreeg er het kamertje waar eertijds Aloysius van Gonzaga (21 juni) was gehuisvest. In tegenstelling tot de in zichzelf gekeerde, licht autistische en sombere Aloysius was Jan altijd vrolijk en opgewekt. Al snel noemden zijn medestudenten hem liefkozend frater Hilaris of broeder Vrolijk. In Rome maakte hij zich sterk voor de leer van Mariàs Onbevlekte Ontvangenis. Dat houdt in dat de Heilige Maagd zonder erfzonde is verwekt. Pas in 1854 werd die theorie tot dogma verheven. Wilde Jan Berchmans aanvankelijk als missionaris naar China, in Rome wijzigde hij zijn plannen: hij wilde aalmoezenier worden voor de katholieke soldaten die streden in de Dertigjarige Oorlog (I 618-1648). Van alle plannen kwam echter niets terecht. Op 6 augustus 1621 werd Jan plotseling ziek: hij moest voortdurend overgeven, kreeg hoge koorts en had barstende hoofdpijn. Zienderogen ging hij achteruit. Hij stierf een week later, in de vroege ochtend van 13 augustus. Gekleed in een soutane en met de jezuïetenregel, een rozenkrans en een kruisbeeld in de gevouwen handen werd Jan Berchmans opgebaard. Het bericht over zijn dood verspreidde zich als een lopend vuurtje door Rome. De mensen stroomden naar de kerk omdat ze ervan overtuigd waren dat Jan een heilige was, net zoals Aloysius van Gonzaga vóór hem. Sommigen hadden geen respect voor het lichaam van de overledene: ze sloegen de tanden uit zijn mond, trokken zijn vinger- en teennagels uit en kleedden hem helemaal uit. Tot driemaal toe moesten Jans medebroeders het lichaam opnieuw aankleden. Nadat alle gekken met geweld uit de kerk waren verdreven, werd Jans hart uit het lichaam gesneden en dat werd in een loden bus naar het jezuïetencollege in Leuven overgebracht. De rest van Jans lichaam werd ter aarde besteld in de Romeinse Sint-Ignatius tegenover het graf van Aloysius van Gonzaga. Hoewel het canonisatieproces al in 1622 werd opgestart, duurde het tot 9 mei 1865 eer paus Pius IX (I 846-1878) Jan Berchmans zalig verklaarde. Op 15 januari 1888 werd de jezuïet uit Diest heilig verklaard door paus Leo XIII (I878-1903).

Guido van Anderlecht

Standbeeld Saint Guidon

Feestdag: 12 september (Belijder en pelgrim)

Naamheilige: Gui, Gwijde (jongens)

Betekenis naam: uit het woud

Iconografie: als pelgrim met staf en bidsnoer of als boer met ossenkar

Patroonheilige: Anderlecht, boeren, pelgrims, taxichauffeurs en veehandelaren

Halverwege de tiende eeuw werd op het Brabantse platteland in de buurt van Brussel een jongetje geboren. Zijn ouders waren arme boeren, die zich uit de naad moesten werken om brood op de plank te krijgen. Maar klagen deden ze nooit: ze beschouwden hun armoedige omstandigheden als een zegen van Onze-Lieve-Heer. Hun zoontje Guido voedden ze op in de vreze des Heren. Hoewel de jongen graag in dienst van God wilde treden, moest hij van kindsbeen af meehelpen op de boerderij. Als hij maar even kon, viel hij op zijn knietjes en bad hij tot God. Vaak vergat hij dan waar hij mee bezig was. Het werk kwam toch af: engeltjes zorgden ervoor dat de ossen netjes voor de ploeg bleven lopen. Nadat zijn ouders overleden waren, begon Guido zich in de omgeving van Brussel te verhuren als manusje-van-alles. Op zekere dag kwam hij langs de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Laken. Zoals zijn gewoonte was, ging hij het heiligdom binnen om er te bidden. De pastoor zag de godvruchtige boer en vroeg hem wie hij was. Daarna stelde hij Guido enkele vragen over het christelijke geloof. De pastoor was stomverbaasd over de kennis die de ongeletterde boer tentoonspreidde over de geloofsgeheimen. Omdat Guido op dat moment geen vaste betrekking had, vroeg de pastoor hem of hij koster wilde worden. Dat wilde Guido maar al te graag. Ook al kon hij niet lezen, dankzij de hulp van engelen vervulde hij zijn ambt op uitstekende wijze. Het weinige dat hij verdiende, schonk hij met liefde weg aan arme drommels. Toch kon Guido wat centjes opzij leggen. Dat kwam een sluwe koopman toevallig aan de weet. Hij stelde Guido voor zijn spaargeld te beleggen in een plantage in teakhout. Dat zou veel geld opleveren, zodat Guido nog meer arme mensen uit de nood kon helpen. De onderneming werd een ramp, want binnen de kortste keren ging de teakhoutplantage failliet. Guido stond met lege handen. Hij voelde zich daar zo schuldig over dat hij besloot een pelgrimsreis te maken. Zeven jaar trok hij langs alle West-Europese pelgrimsoorden. Hij bezocht onder andere Maastricht, Gent, Brugge, Metz, de Notre-Dame in Parijs en Santiago de Compostela. Uiteindelijk bereikte hij Rome waar hij de graven van Petrus en Paulus (29 juni) bezocht, Toevallig was daar op dat moment een groep pelgrims uit Brabant onder leiding van Wonedulphus, pastoor van Anderlecht: ze waren op weg naar Jeruzalem. Guido sloot zich bij hen aan. Op de terugweg uit het Heilige Land werd de hele groep pelgrims geveld door de pest, alleen Guido overleefde het. Vlak voordat Wonedulphus de laatste adem uitblies, gaf hij zijn gouden ring aan Guido. 'Neem deze ring van mij aan, Guido. Je zult veilig naar huis terugkeren.' Pas na een vermoeiende voetreis vol ontberingen bereikte Guido weer de Lage Landen. Hij was onherkenbaar veranderd, maar gelukkig vond hij onderdak bij een arme man, die benieuwd was naar de verhalen van de doorleefde reiziger. Het nieuws van de dood van Wonedulphus ging die avond nog rond in Anderlecht. De dienstdoende priester kwam direct naar Guido om het verhaal met eigen oren te horen. Hij herkende de gouden ring, en bood Guido voor de rest van zijn dagen onderdak aan. Zo'n respectabele pelgrim had zijn rust wel verdiend! Maar nog die avond, de avond van 12 september 1012, vond Guido de eeuwige rust. Een lichtende duif verlichtte de hele woning terwijl Guido naar de hemel opsteeg. Op een dag richtte een losgebroken paard allerhande vernielingen aan op het kerkhof waar Guido begraven lag. Tot ieders verbazing viel het paard dood neer zodra het Guido's graf vertrappelde. En er gebeurden meer wonderlijke dingen: de gelovigen die Guido's pelgrimsstaf in de grond staken, zagen die voor hun ogen uitgroeien tot een kloeke eikenboom. Die boom heeft tot 1633 in Anderlecht gestaan. Pelgrims die het graf bezochten, kregen altijd een stukje van de boom om door hun eten te mengen. Het aldus met vezels verrijkte voedsel zou helpen tegen aambeien. In 1112 besloot men Guido's beenderen opnieuw te begraven. Boven zijn graf verrees de kerk van Anderlecht. Elk jaar is daar op 12 september een processie en een jaarmarkt, waar paarden en taxi's gezegend worden.

Bron: Ludo Jongen, Heilig in de Lage Landen. Herschreven Levens, Uitgeverij Ten Have, Davidsfonds, Leuven, 2005.

Mutien-Marie Wiaux

Mutien-Marie Wiaux

Feestdag: 30 januari

Louis Joseph Wiaux werd op 20 maart 1841 geboren in het kleine Belgische plaatsje Mellet, nabij Les Bons Villers (België). Zijn vader was een vroom man die zijn kost verdiende als smid. Zijn moeder zorgde voor de zes kinderen en verkocht nevenbij handgeweven tapijten. Luis was de derde van zes kinderen, vier jongens en twee meisjes. In het gezin heerste de diepe vreugde van de christelijke liefde. De kleine Louis was een onopvallende jongen die braaf de dorpsschool volgde en daarna in de smederij van zijn vader kwam om het vak te leren. Het was de bedoeling dat Louis Joseph (zo was zijn geboortenaam) zijn vader zou gaan helpen in de smederij. Beiden hadden snel in de gaten dat dit niet voor de jonge knaap was weggelegd. Op vijftien jarige leeftijd trad Louis in bij de broeders van de Christelijke Scholen in Namen, een onderwijscongregatie gesticht in 1684 door de heilige Jean-Baptiste de La Salle. Hier ontvangt hij de naam Mutien-Marie. Na postulaat en noviciaat in Namen wordt hij naar Chimay gestuurd voor een opleiding als docent. Deze sluit hij af in Brussel waarna hij in het plaatsje Malonne aan de Saint Berthuin school zijn plaats als leraar krijgt. Broeder Mutien-Marie gaf les, maar dat wil niet zeggen dat hij een groot didacticus was. Hij was op z'n zachtst gezegd geen ster in het overdragen van boekenkennis naar jongenshoofdjes. Hij geeft dan ook spoedig les in muziek en tekenen. Fluiten kon hij als de beste, maar daar word je niet heilig mee. Hij was een ster in iets anders. "De altijd biddende broeder", haalde uit zijn leerlingen het beste omhoog. Zijn liefde voor de Heer, zijn rust en zijn overgave maakten diepe indruk op de kinderen. Hij dwong respect af bij de jeugd die niets liever deden dan hem te volgen om zo Christus te leren kennen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog weet hij de school te beschermen tijdens de bezetting door de Duitsers. Uiteindelijk zal hij zich meer dan vijftig jaar lang blijven inzetten voor de jeugd. Wanneer hij op 30 januari 1917, 76 jaar oud, overlijdt heerst er dan ook grote verslagenheid op de school. Op zijn voorspraak vinden er wonderen plaats en binnen de kortste keren is de plaats waar hij begraven ligt een bedevaartsoord. De zwaar zieke broeder Madir wordt op zijn voorspraak in 1977 genezen. Paus Paulus VI spreekt de eenvoudige broeder dat jaar nog zalig. Op 10 december 1989 werd hij door paus Johannes Paulus II heilig verklaard. De paus bidt deze heilige om de opvoeders van deze tijd te helpen de jeugd te inspireren en ze te brengen tot een actieve deelname aan het leven van de Kerk. Vervolgens roemt hij de apostel van de studenten als het licht van België en zijn congregatie. Mutien-Marie Wiaux' feestdag is op 30 januari. Hij wordt vereerd in de Sint-Martinuskerk te Aarsele waar vereerders in 1988 een beeld van hem plaatsten. Er wordt ook een relikwie van hem bewaard.

Bron: Michäel As, Licht van België, in: Katholiek Nieuwsblad (18) 28 januari 2000.

Bron: www.heiligen.net

Edward Poppe

Edward Poppe

Edward Poppe wordt op 18 december 1890 te Temse geboren in een arm bakkersgezin. Als jongen voert hij het brood uit met een bakkersfiets. Van huis uit was hij volks, Vlaams voelend en sociaal gericht. Hij is actief in de Vlaamse studentenbond. Als seminarist in Leuven leert hij langs haar autobiografie (Histoire d' une âme) Theresia van Lisieux kennen en de spiritualiteit van Grignion de Montfort (De ware Godsvrucht). Vanuit Leuven schrijft hij: "Ik ben seminarist en wellicht de gelukkigste van de wereld. Ik wil liever sterven dan God maar half te dienen" (1912). In 1913 is hij doctor in de wijsbegeerte. Tijdens de oorlog ('14-'18), waarin hij korte tijd soldaat is en daarna ondergedoken leeft, hoort hij over père Chevrier spreken, een Lyonese priester met een groot hart voor de armen. In 1915 is Poppe op het Grootseminarie te Mechelen en daarna in Gent waar hij Franciscus van Sales en Elisabeth van de h. Drievuldigheid leert kennen doorheen allerlei lectuur. In 1916 wordt hij priester gewijd te Gent en onderpastoor benoemd op St.-Coletaparochie te Gent. Hij leeft heel armoedig en onthecht met père Chevrier als voorbeeld. Maar zijn onderpastoorschap is geen succes. Van 1918-1922 is hij rector bij de zusters van Moerzeke omwille van zijn gezondheid. In 1919 heeft hij een eerste hartcrisis. Hij heeft veel tijd voor gebed, studie en nadenken. Hij wordt een echte godsdienstpedagoog en in de Eucharistie ziet hij het beste vormingsmiddel. Zo sticht hij de Eucharistische Kruistocht en schrijft boekjes voor de kinderen, de leraars en priesters. Een lezing van Grignion de Montfort leidt hem naar Maria en maakt hem alert tegen het marxisme, materialisme en secularisme. Als binnenweg (de bakkersjongen nam ook altijd de binnenwegen) neemt hij de 'kleine weg' van Theresia van Lisieux. Op 1 januari 1922 biedt hij zich als offerande aan aan de barmhartige Liefde (op bevel van zijn geestelijke leider, pater Van Haute, redemptorist). In oktober 1922 wordt hij nog benoemd tot geestelijke leider voor de geestelijke brancardiers te Leopoldsburg. Op 1 januari 1924 is hij ziek terug in Moerzeke. Hij overlijdt dat jaar op 10 juni. Velen die hem mochten ontmoeten waren diep geraakt geweest door zijn indringende persoonlijkheid. Ook kardinaal Jozef Cardijn (stichter van de K.A.J.) getuigde hierover: "Wie eens priester Poppe gesproken heeft, zal nooit de indruk ervan vergeten. Hij was een echte heilige. Men voelde dat onmiddellijk aan. Hij was een God-drager en een God-gever". Op 3 oktober 1999 werd hij door Paus Johannes Paulus II zalig verklaard. Het geheim van Edward Poppe was: Gods wil zo volmaakt mogelijk volbrengen naar het voorbeeld van Jezus en Maria.

Bron: Fernand Van de Velde, Edward Poppe. Soli Deo - God alleen , 1998

Bron: www.wikipedia.org

Achtergrondinformatie

Colofon


Paters van de Heilige Harten v.z.w.
Bart Verbesselt

Sint-Antoniusberg 11
B-3000 Leuven
Tel. 016/31.63.61
Fax 016/22.55.42

Bart.Verbesselt@chello.be

Faculteit Godgeleerdheid
Centrum voor Academische Lerarenopleiding

Dr. Bart Verbesselt, praktijklector SLO

Sint-Michielsstraat 6
B-3000 Leuven
Tel. 0498/459.484

Bart.Verbesselt@theo.kuleuven.be

Met de gewaardeerde hulp van pater Paul Macken SS.CC.

 


Damiaan Vandaag
Patrik Jaspers, coördinator

Sint-Antoniusberg 5
B-3000 Leuven
Tel. 016/31.63.68
Fax 016/22.55.42

info@damiaanvandaag.be
www.damiaanvandaag.be


Damiaanactie
Eva Naegels, assistente communicatieverantwoordelijke

Leopold II-laan 263
1081 Brussel
Tel. 02/422.59.23
Fax 02/422.59.00
info@damiaanactie.be
www.damiaanactie.be


Katholieke Hogeschool Leuven
Departement Lerarenopleiding

Bart Verbesselt
Lector Godsdienst BaSO

Hertogstraat 178
B-3001 Heverlee
Bart.Verbesselt@khleuven.be

Actualiteit

Obama over Damiaan

BRUSSEL (KerkNet) – De persdienst van het Witte Huis heeft vandaag een officiële verklaring gepubliceerd van VS-president Barack Obama naar aanleiding van de heiligverklaring van pater Damiaan van morgen zondag. Hierna volgt de integrale tekst van de verklaring.

"Ik wil graag mijn diepe bewondering uitdrukken voor het leven van de zalige Damiaan De Veuster, die morgen zondag door zijne heiligheid paus Benedictus XVI heilig wordt verklaard. Ik wil graag van de gelegenheid gebruik maken om mijn beste wensen over te maken aan het koninkrijk België en zijn volk, dat trots mag zijn pater Damiaan onder zijn beroemde inwoners te tellen.

Pater Damiaan heeft ook een bijzondere plaats in de harten van de Hawaïanen veroverd. Ik herinner mij heel wat verhalen uit mijn jeugd over zijn onvermoeibare werk in de zorg voor hen die aan melaatsheid leden en daarvoor uit de samenleving werden verbannen. In de voetsporen van Jezus’ liefdevolle omgang met de lepralijders, trotseerde pater Damiaan de stigmatiserende effecten van die vreselijke ziekte, gaf hij een stem aan stemlozen en offerde hij uiteindelijk zijn eigen leven op om aan zovele mensen waardigheid te geven.

In onze eigen tijd, waarin miljoenen over de hele wereld ziek zijn, vooral zij die slachtoffer zijn van de pandemie van hiv en aids, zouden wij ons moeten optrekken aan het inspirerende voorbeeld van pater Damiaan en de waarop hij de dringende vraag om zieken te genezen en te verzorgen, te beantwoorden.

Ik zal in mijn gebeden bij de mensen van alle geloofsovertuigingen die zich bij de Heilige Vader en miljoenen katholieken over de hele wereld aansluiten om pater Damiaans buitengewone leven en getuigenis te vieren."

(KerkNet)

  1. Ten Geleide
  2. Citaten uit Damiaans Correspondentie
  3. Hermeneutische knooppunten
  4. Impulsen & didactische suggesties
  5. Via Damianus
  6. Op zoek naar een herkenbare Damiaan
  7. De gestoorde rust van Damiaan
  8. Infoblokken
  9. Achtergrondinformatie
  10. Colofon
  11. Actualiteit
^ bovenkant pagina

Deze week in de media

Nieuw op Thomas