Denken en Geloven

Na de eerste module over gezinnen en relaties is nu ook een tweede thematische module voor het hoger onderwijs (‘Religie, zingeving en levensbeschouwing’) beschikbaar. In deze module wordt de verhouding tussen denken en geloven verder uitgediept. Tegen de alomtegenwoordige idee dat denken en geloven elkaar wederzijds uitsluiten, wijst deze module op de raakvlakken tussen beide. Door te laten zien dat geloven ook een rationele optie kan zijn, wordt de weg geopend voor een reflexieve benadering van religie, zingeving en levensbeschouwing. De module bestaat uit een uitgewerkte cursustekst (eveneens als download beschikbaar), een woordenlijst, een aanpasbare powerpointpresentatie, lessuggesties en mogelijke examenvragen, didactisch materiaal en tips voor toegankelijke achtergrondliteratuur.

Cursustekst

Vooraf

Opzet van deze module is de verhouding tussen denken en geloven uit te diepen. Daarbij wordt vertrokken van de vandaag vaak gehoorde idee dat denken en geloven elkaar wederzijds uitsluiten. Deze idee zal op verschillende gronden in vraag gesteld worden. Met deze module wordt getracht aan te tonen dat geloof niet volgt uit een gebrek aan kritisch bewustzijn, maar een even rationele optie is als niet geloven. Dit opent de weg voor een kritisch-rationele benadering van ‘religie, zingeving en levensbeschouwing’.

De module is opgebouwd uit vier grote onderdelen, die ook los van elkaar kunnen worden bestudeerd. In deel A wordt getoond hoe in denken ook vooroordelen in het spel zijn, terwijl geloof geenszins kritische reflectie uitsluit. Deel B, dat meer historisch van aard is, focust op de visie op de verhouding tussen denken en geloven doorheen de geschiedenis. Het zal duidelijk worden dat de idee dat denken en geloven elkaar uitsluiten een vrij recente idee is en dus minder vanzelfsprekend als vaak wordt verondersteld. In een derde deel (C) worden de parallellen tussen denken en geloven bestudeerd vanuit de academische disciplines die met beide activiteiten verbonden zijn: filosofie en theologie. De stijlen die we terugvinden in de filosofie blijken we ook terug te kunnen vinden in de theologie. In deel D wordt de verhouding tussen filosofie en theologie verder gethematiseerd. Er worden verschillende modellen gepresenteerd en beoordeeld om de verhouding tussen beide academische disciplines te omschrijven.

Onder de tab ‘cursustekst’ is de theoretische uitwerking van het thema ‘Denken en geloven’ terug te vinden, samen met een bijhorende woordenlijst. Er werd ook een powerpointpresentatie opgesteld die makkelijk gewijzigd en aangepast kan worden. Bij ‘lessuggesties’ worden enkele suggesties gedaan voor het concreet uitwerken van lessen rond deze thematische module. Het didactisch materiaal dat hiervoor kan gebruikt worden bevindt zich onder een aparte tab. Wie zich graag verder verdiept in de thema’s van deze module vindt hiertoe enkele toegankelijke werken onder ‘literatuursuggesties’.

 

A. Denken VS. geloven?

Doelstellingen van dit onderdeel

  •  kunnen verklaren hoe zowel denken als geloven kunnen leiden tot fundamentalisme
  • er zich van bewust zijn dat ook in de hedendaagse samenleving vooroordelen een belangrijke rol spelen
  • de plaats van vooroordelen binnen het denken kunnen expliciteren
  • het concept ‘tweede naïviteit’ kunnen toelichten
  • het belang van ‘denken’ voor geloven kunnen verwoorden

I. Denken en geloven: twee uitersten?

In de hedendaagse samenleving lijkt men – bewust of onbewust – uit te gaan van een scherpe tegenstelling tussen denken en geloof, waarbij het pleit steevast in het voordeel van het denken wordt beslecht. Terwijl het denken verwijst naar al wat modern, wetenschappelijk, nuchter, kritisch en intelligent is, heeft het geloof de bijklank van oubollig, achterhaald, naïef, dom, absurd, irrationeel, obsoleet, soms zelfs van gevaarlijk, bedreigend en potentieel gewelddadig.

Hier is een zeker complex van vooroordelen in het spel. Het is nog maar de vraag of deze voorstelling van zaken klopt. Is het wel zo dat het denken jong, fris, dynamisch, kritisch, toekomstgericht en flexibel is, terwijl het geloof verouderd, irrelevant, nutteloos, nukkig, behoudsgezind en dwaas is?

Zo bestaan er belangrijke en veelzeggende parallellieën tussen denken en geloven, zowel wat betreft de stijlen die onderscheiden kunnen worden als wat betreft de verschillende inspiratiebronnen. Bovendien kan de hedendaagse vanzelfsprekendheid van het radicaal onderscheid tussen denken en geloven in vraag gesteld worden door de geschiedenis. In het verleden werd de verhouding tussen denken en geloven, filosofie en theologie, op verschillende manieren gedacht, maar nooit als een onoverbrugbare kloof. In elk geval kan het benadrukken van het radicale onderscheid tussen denken en geloven er toe leiden dat men in radicalisme vervalt. Zoals er in het geloof een radicalisme bestaat dat bekend is onder de naam ‘fundamentalisme’, bestaat er in het denken iets dergelijks, namelijk een bepaalde vorm van ‘rationalisme’, ‘sciëntisme’ genaamd, waarvoor niets anders geldt dan de wetenschappelijke ratio. Volgens het sciëntisme kan er niets zinvols over de werkelijkheid gezegd worden zonder aantoonbaar wetenschappelijke evidentie. Uitspraken die niet gebaseerd zijn op wetenschappelijke gronden zijn louter meningen en kunnen niet kritisch beoordeeld worden.

II. Een voorlopige typologie van "denken" en "geloven"

Om de bestaande vooroordelen ten aanzien van ‘denken’ en ‘geloven’ beter te kunnen beoordelen is het noodzakelijk deze begrippen preciezer te definiëren. Wanneer we bovendien verder ingaan op deze activiteiten, en hun verschillende vormen, blijkt het moeilijk vast te houden aan het radicale onderscheid tussen beide: wat men onder ‘denken’ verstaat, steunt ook op bepaalde vooroordelen, terwijl ‘geloven’ niet zomaar alle kritiek naast zich neer legt.

2.1 Denken
2.1.1. Omschrijving

In verband met ‘denken’ is het nuttig een onderscheid te maken tussen ‘rede’ en ‘verstand’. ‘Verstand’ staat voor het vermogen van de mens om iets op een geldige wijze uit iets anders af te leiden, om op basis van premissen (uitgangspunten) juiste conclusies te trekken. Het verstand is met andere woorden het logische redeneervermogen. Als men bijvoorbeeld weet dat de straat nat wordt wanneer het regent, kan het verstand uit het feit dat het regent, afleiden dat de straat nat wordt. Wanneer de straat nat is, kan het verstand hier echter niet geldig uit afleiden dat het regent (er kunnen immers nog andere oorzaken van een natte straat zijn).

Rede’ daarentegen is moeilijker te omschrijven. Het gaat hierbij om het komen tot een inzicht door het integreren van complexere gegevens. Zo kan het redelijk zijn om van de invoering van een maatregel af te zien omdat een deel van de bevolking eronder zal lijden. In tegenstelling tot het zuivere verstand, is het redeneerproces echter niet altijd klaar en duidelijk te traceren omdat het om bredere ideeën gaat. Een voorbeeld hiervan is de idee van de gelijkwaardigheid van man en vrouw: terwijl het vroeger vaak een vanzelfsprekendheid is, wordt het vandaag als onredelijk beschouwd man en vrouw niet gelijk te behandelen.

Klassiek heeft men het onderscheid tussen ‘verstand’ en ‘rede’ aangeduid door te stellen dat ‘ratio’ (denken) niet alleen ‘ratiocinatio’ (berekening, redeneertalent, ‘verstand’) is, maar ook ‘intellectus’ (onmiddellijk inzicht, doorzicht, ‘rede’).

2.1.2 Vooroordelen in het denken

 Het denken heeft de reputatie kritisch en onbevooroordeeld te zijn. Toch oordelen mensen nooit zonder vooroordelen; ze beroepen zich steeds op patronen, concepten en indrukken die niet altijd even duidelijk af te bakenen zijn. Dit is zo op het niveau van het verstand: een conclusie van een redenering is immers maar waar wanneer de redenering geldig is én de premissen waar zijn. Als deze premissen echter zelf geen conclusie van een geldige redenering zijn, zijn het vooroordelen. Als we uit het feit dat de straat droog is afleiden dat het niet regent, gaan we ervan uit dat telkens wanneer het regent, de straat nat wordt. Ook in de wiskunde vinden we dergelijke uitgangspunten terug. Het is immers maar door enkele axiomata dat mathematische bewijzen mogelijk gemaakt worden. En hoewel deze kunnen geëxpliciteerd worden in stellingen, zijn deze axiomata op zich onbewijsbaar.

Op het niveau van de rede is het van het grootste belang in te zien dat mensen sociale wezens zijn die zich in hoge mate laten beïnvloeden door wat ‘men’ vindt. Mensen hebben schrik om tegen bepaalde trends in te gaan. Hoe individualistisch de maatschappij ook mag geworden zijn, gemeenschappen en tradities blijven hun stempel drukken op de identiteitsvorming én de ideeënvorming van individuen.

Sommige van deze vooroordelen worden op een gegeven moment voorwerp van discussie en kritiek. Hierdoor kunnen ze ophouden ons denken te bepalen, ofwel ons dwingen er op een bewustere manier mee om te gaan. De ongelijkwaardigheid van mannen en vrouwen is hier een voorbeeld van. Eeuwenlang ging men uit van het vooroordeel dat man en vrouw in de eerste plaats bepaald worden door hun verschil. Wanneer er een omslag komt in dit vooroordeel, en men beseft dat mannen en vrouwen in de eerste plaats mensen zijn, en dus gelijk, verandert de hele kijk op de man/vrouw-relaties. Ook slavernij kan op dergelijke wijze begrepen worden: eeuwenlang werd deze praktijk zonder veel protest aanvaard en gelegitimeerd. Aan de basis hiervan lag niet het feit dat het geweten onderontwikkeld zou zijn bij verdedigers van de slavernij, wel het vooroordeel dat slaven niet dezelfde waarde hadden als het eigen volk. De slavernij kon pas afgeschaft worden, niet op het moment dat men bepaalde universele ‘mensenrechten’ propageerde, wel op het moment dat men de groep waarop deze rechten van toepassing waren uitbreidde. Het vooroordeel ‘wat is een mens?’ moest eerst bijgesteld worden vooraleer men slaven als evenwaardige mensen kon bekijken en aldus de slavernij afschaffen.

Voorwaarde dat deze vooroordelen ophouden ons denken te bepalen is dat ze geëxpliciteerd én weerlegd kunnen worden. In deze cursus gaan we ervan uit dat de idee van een oppositie tussen denken en geloven een vooroordeel van deze orde is.
 

 

Illustratie: Time to eat the dog?

 Robert en Brenda Vale publiceerden een boek met als titel Time to eat the dog. Hierin klagen ze de enorme ecologische voetafdruk van huisdieren in het algemeen en honden in het bijzonder aan. Ze suggereren dat het verorberen van onze huisdieren een enorme stap voorwaarts zou zijn voor het ecologische welzijn van de planeet. De titel van het boek is echter op de eerste plaats een aandachtstrekker; de auteurs beseffen dat ze hun lezerspubliek niet zullen kunnen overtuigen hun honden op te peuzelen.

Het is in onze samenleving immers volledig uit den boze hondenvlees te eten. Ook iemand die er prat op gaat rationeel met zijn leven en keuzes om te gaan zal er nog niet aan denken hond op het menu te plaatsen. Nochtans zou de rationele kritiek het onderscheid dat gemaakt wordt tussen enerzijds honden (en andere huisdieren) en anderzijds koeien, varkens, kippen, schapen zonder enige moeite onderuit kunnen halen. Ook vanuit andere perspectieven zijn er redenen te over honden te eten, of ze minstens niet als huisdieren te houden. Dat deze ideeën zo weinig ingang vinden kan dan ook enkel te maken hebben met sociale en culturele vooroordelen, die ons denken echter ten diepste bepalen. Het culturele karakter van deze vooroordelen blijkt duidelijk als we bijvoorbeeld een blik werpen op China, waar men absoluut geen problemen maakt van het eten van hondenvlees.

2.1.3 Structurele vooroordelen

Er zijn echter ook vooroordelen die een zo diepe invloed op ons denken hebben dat de weerlegging ervan niet mogelijk is. Dit zijn vooronderstellingen die het denken zelf mogelijk maken. Een voorbeeld van een dergelijke vooraf bestaande structuur die het denken bepaalt is de taal. Taal is niet alleen de mogelijkheidsvoorwaarde voor elk denken, ze heeft ook een invloed op de inhoud zelf van dit denken. Denken we maar aan het voorbeeld uit de culturele antropologie van de Inuït die verschillende woorden hebben voor wat wij telkens met ‘sneeuw’ aanduiden: het feit dat zij verschillende woorden hebben zorgt ervoor dat er in verschillende categorieën over ‘sneeuw’ gedacht kan worden, categorieën die in ons denken niet aanwezig zijn. De taalfilosofie kan de invloed van de taal op het denken wel bereflecteren, maar zij kan nooit de noodzaak van een particuliere taal voor het denken teniet doen.

Het is dan ook een illusie om als het ware ‘voraussetzungslos’ (zonder vooronderstellingen) te willen (beginnen) denken 1. Een denken dat claimt niet uit te gaan van bepaalde prefiguraties die dat denken bepalen, moet gewantrouwd worden. Niets is zomaar zuiver voor de geest te halen. Steeds vertrekt het denken van gegevenheden die onlosmakelijk met dit denken verbonden zijn. Hoewel een reflectie op deze gegevenheden mogelijk is, is een denken zonder dergelijke vooraf gegeven structuren en concepten onmogelijk.

‘Vooroordelen’ of ‘prefiguraties van het denken’ zijn steeds te wijten aan complexen van factoren, die nooit volledig in kaart te brengen zijn. Ze hangen onder andere samen met de tijd waarin men leeft, met de omringende cultuur, met de leeftijd en met de socio-economische situatie waarin men zich bevindt. Er is een haast ontelbaar aantal van factoren die mensen in hun denken en hun oordelen beïnvloeden. Die perfect in kaart brengen is een illusie. Anderzijds is het belangrijk om er een grondig zicht op trachten te verwerven, want hun werking is vandaag niet minder belangrijk dan in het verleden. Het is immers een onontkoombare paradox dat de souplesse van het denken enerzijds in schril contrast staat tot de traagheid van niet-bereflecteerde vooroordelen, maar dit denken zich anderzijds nooit kan ontplooien zonder deze vooroordelen.

2.2 Geloven
2.2.1 Omschrijving

De Nederlandse cabaretier Fons Jansen heeft geloven ooit treffend omschreven als “erop vertrouwen dat datgene wat je verhoopt waar is”. ‘Geloven’ is echter een overgankelijk werkwoord, dat op zichzelf weinig betekenisvol is. Net zoals de zinnen ‘Marie houdt van’ en ‘Moeder krijgt’ in feite geen informatie geven over wat Marie of moeder doet of ondergaat, zo heeft ook de zin ‘Ik geloof’ weinig betekenis. Geloven is immers nooit iets wat in het abstracte gebeurt, maar steeds betrekking heeft op een inhoud. Je gelooft steeds (in) iets. Klassiek werd dit uitgedrukt door een onderscheid te makken tussen de ‘fides qua’ (‘het geloof waarmee’, hoe men gelooft, de act van het geloven) en de ‘fides quae’ (‘het geloof dat’, wat men gelooft, de inhoud van het geloof). De act van het geloven en de inhoud van het geloof zijn wel twee onderscheiden zaken, maar hebben tegelijkertijd een grote invloed op elkaar en impliceren elkaar wederzijds.

In verband met ‘geloven’ zijn diverse typologieën mogelijk zoals monotheïstisch versus polytheïstisch2, Semitisch versus Oost-Aziatisch3, geopenbaard versus niet-geopenbaard, primitief versus postaxiaal4. Al deze categoriseringen maken echter gebruik van een macroniveau, ze beschrijven religies in hun geheel, en verwijzen op de eerste plaats naar de inhoud van het geloof, de fides quae. Het is echter eveneens belangrijk en interessant om gebruik te maken van een terminologie op microniveau, die toegepast wordt op de religieuze persoon en verwijst naar de act van het geloven, de fides qua. Een cruciaal concept hier is de zogeheten ‘tweede naïviteit’.

2.2.2 Eerste naïviteit

Om te weten waar dit voor staat, moet men uiteraard weten wat de eerste naïviteit betekent. Dat is het stadium dat men voornamelijk bij jonge kinderen terugvindt, zoals ook het geloven in Sinterklaas. Het gaat om een letterlijke voorstelling van verhaalelementen, waarin men geen diepere, metaforische, niet-letterlijke betekenis onderscheidt. De eerste naïviteit is vandaag onder andere alomtegenwoordig in het creationisme.

Dit naïeve denken is echter niet beperkt tot bepaalde protestantse strekkingen uit de Verenigde Staten of kinderen uit de kleuterschool. Ook in vele kleine handelingen van gelovigen – maar soms ook van niet-gelovigen – komt dit letterlijk geloof vaak tot uiting. Denk bijvoorbeeld maar aan het branden van kaarsjes in de hoop dat dit tot een beter examen leidt, het ophangen van een afbeelding van Sint-Christoffel in de auto om ongelukken te voorkomen, het zegenen van een huis met wijwater. Soms geeft men te kennen hier niet op een letterlijk-gelovige manier mee om te gaan door te zeggen dat men beseft dat deze handelingen geen garantie geven op bepaalde ‘successen’. Deze manier van handelen blijkt dan vaak toch nog onderhuids aanwezig in de angst de handeling dan maar volledig los te laten (vgl. de paniek voor een examen wanneer men beseft een bepaald vast examenritueel te hebben vergeten).

Illustratie: de ark van Johan Huibers

 Johan Huibers is een Nederlander die sinds 2007 in Nederland rondvaart met een zelf gebouwde replica van de ark van Noach (www.arkvannoach.com). De ark is op schaal gebouwd (een exemplaar op ware grootte is in de maak), maar beantwoordt voor het overige perfect aan de beschrijving die in de Bijbel gegeven wordt. In de ark bevinden zich poppen van telkens een koppel van een diersoort.

Met zijn project wil Huibers naar eigen zeggen het verhaal van de zondvloed en de ark van Noach vertellen en beter bekend maken. Uit het hele project en Huibers’ uitspraken blijkt duidelijk dat het Huibers niet zomaar om een ‘verhaal’ gaat. Voor hem is de Bijbeltekst over Noah die van God de opdracht krijgt een ark te bouwen waar van elke diersoort een koppel beschermd zal zijn tegen de zondvloed waarmee God alle levende wezens zal verdelgen (Gn 6-9,17) geen verhaal, maar eerder een verslag, getuige onder andere zijn streven de Bijbelse details zo strikt mogelijk na te volgen. Binnen in de ark wordt de schepping en de zondvloed verder toegelicht als wetenschappelijke theorie.

Huibers werkt hierbij in dezelfde geest als de creationistische strekkingen die in VS erg talrijk zijn. Eén daarvan, Answers in Genesis (www.answersingenesis.com), omschrijft op haar website haar visie op de Bijbel als volgt: “The Bible - the ‘history book of the universe’- provides a reliable, eye-witness account of the beginning of all things, and can be trusted to tell the truth in all areas it touches on. Therefore, we are able to use it to help us make sense of this present world. When properly understood, the ‘evidence’ confirms the biblical account.”

Uitbreiding: Magie en religie

In magie tracht men de materiële werkelijkheid te beïnvloeden via menselijke handelingen of uitspraken. Hierbij worden bepaalde onzichtbare krachten (bv. god(en)) verondersteld die op basis van de handelingen de werkelijkheid gaan beïnvloeden. Zo zou een rituele formule een ziekte kunnen verdrijven, het drinken van een bepaalde drank een goede huwelijkspartner garanderen of dansen een invloed hebben op het weer.

Hoewel magie vaak een religieuze context heeft, bijvoorbeeld in animistische religies, is magie allesbehalve een vast onderdeel van religie. Zeker in de grote wereldgodsdiensten (hindoeïsme, boeddhisme, jodendom, christendom en islam) komt magie nauwelijks voor, tenzij als een plaatselijk gebruik. Toch spelen ook in deze religies rituele handelingen of bewoordingen een cruciale rol. Deze hebben echter geen magische functie.

Terwijl magie er op gericht is de wereld te beheersen zijn religieuze rituele handeling er op gericht met het onbeheersbare om te gaan. Rituelen (bv. bij een begrafenis) geven structuur op momenten waarop mensen zelf niet weten hoe te handelen. En hoewel rituelen uitdrukking geven aan de hoop en het vertrouwen op gebeurtenissen in de werkelijkheid – en in die zin is er een groot verschil tussen het wel en het niet uitvoeren van rituelen –, toch is het nooit het ritueel zelf dat een dergelijke verandering bewerkstelligt.

2.2.3 Kritiek

De eerste naïviteit is echter heel vatbaar voor rationele en wetenschappelijke kritiek. Veel mensen die hun letterlijke denkbeelden durven onderwerpen aan de kritische rede, verwerpen dan ook dit naïeve geloof.

Tegelijk is veel van de hedendaagse religiekritiek gericht op dit letterlijke geloven. Men redeneert dat omdat dit letterlijke geloven niet te rijmen valt met het denken, elk geloven in oppositie staat met denken. Deze kritiek stelt ‘geloven’ dus gelijk met ‘letterlijk geloven’. Een andere manier van geloven, die niet letterlijk is, kent men niet. De kritiek die sommige personen zo uiten op ‘geloven’ geldt in feite dus enkel voor letterlijk geloven.

Uitbreiding: een andere reactie: wetenschappelijke verklaringen

Veel mensen verwerpen het letterlijke geloof onder invloed van de kritische rede. Daarnaast vinden we soms ook een andere reactie terug: het halsstarrig ontkennen dat het letterlijke geloof wordt weerlegd door de wetenschap. In plaats daarvan tracht men aan te tonen dat het letterlijke geloof in overeenstemming is met de wetenschap, dat deze laatste het geloof zelfs bevestigt.

In de 18de eeuw zag men deze houding terugkomen in pogingen aan te tonen hoe de Bijbelse gebeurtenissen verklaarbaar waren door natuurlijke fenomenen. Zo werd geopperd dat de plagen die over Egypte kwamen (Ex 7,14-11,10) het gevolg konden zijn van ongewoon zware regenval in het zuiden van de Nijlvallei in combinatie met het specifieke Egyptische ecosysteem. Het water dat bloed werd zou dan te verklaren zijn vanuit de rode aarddeeltjes die meegevoerd werden vanuit de hooglanden van Ethiopië. De grote hoeveelheid bacteriën die het water meevoerde verklaart de vissterfte. De kikkers zijn het gevolg van de overstromingen. Wanneer deze kikkers stierven – ten gevolge van het door dode vis vervuilde water – waren ze de ideale voedingsbron voor de insectenplaag en veroorzaakten ze een pestepidemie en een zwerenplaag, etc. Anderen hielden het dan weer op een vulkaanuitbarsting op het eiland Santorini omstreeks 1500 v. Chr. die een gelijkaardige ketting van gebeurtenissen zou veroorzaakt hebben.

Vandaag vinden we een gelijkaardige houding terug bij creationisten. Dit geloof is vaak geen volledige blindheid voor de wetenschap, maar een uiterst creatief streven om uit te leggen hoe geloof en wetenschappelijk denken elkaar niet kunnen tegenspreken. Ook bij Answers in Genesis, een creationistische beweging uit de VS, vinden we deze strategie terug. In de tekst ‘Was there really a Noah’s ark and flood?’? wordt onder andere beschreven hoe volgens hedendaags onderzoek de beschreven afmetingen van de ark optimaal zouden zijn.

Illustratie: Sam HARRIS, Van God los

 Sam Harris6 kan geplaatst worden in het rijtje militante atheïsten waartoe ook Richard Dawkins (o.a. God als misvatting - The God Delusion) en Daniël Denett (o.a. De betovering van het geloof - Breaking the Spell. Religion as a Natural Phenomenon) behoren. Van God los is geschreven naar aanleiding van de aanslagen van 11 september 2001en focust daarom in het bijzonder op de verhouding tussen religie en geweld.

Van God los is een rabiate kritiek op elk vorm van religieus geloof. De basis van deze kritiek is dat geloof indruist tegen de rede. Steevast blijkt het geloof dat indruist tegen de rede – en dat dan ook terecht als gevaarlijk wordt bestempeld door Harris – een letterlijk geloof te zijn. Opmerkelijk hierbij is dat Harris het bestaan van ‘gematigde gelovigen’ niet ontkent, maar dit interpreteert als een selectief letterlijk geloven. Gematigd gelovigen maken een willekeurige selectie uit de Bijbel waarbij ze sommige zaken verwerpen en de rest letterlijk geloven. Voor anders dan letterlijk geloven is er geen plaats in zijn betoog:

De gematigdheid die we onder niet-fundamentalisten zien, is geen teken dat het geloof zelf zich heeft ontwikkeld. Zij is het resultaat van de mokerslagen van het modernisme, die hebben aangetoond dat bepaalde geloofsartikelen reden geven tot twijfel. Niet de minste onder deze ontwikkelingen is het idee dat bewijzen belangrijk zijn en dat we alleen in stellingen geloven als die bewezen kunnen worden. […] Zulke concessies aan de moderne tijd [dat ziekten niet wijten aan zonden of de duivel; de opvatting dat de aarde zesduizend jaar geleden werd geschapen niet ernstig nemen] betekenen absoluut niet dat het geloof te rijmen valt met de rede of dat onze godsdienstige tradities in principe openstaan voor nieuwe kennis. Ze betekenen alleen dat het onontkoombaar nuttig is geworden om bepaalde geloofsartikelen te negeren.

2.2.4 Tweede naïviteit

 Er is echter ook een wijze van geloven mogelijk die de kritiek op het letterlijk geloven in rekenschap neemt, zonder die kritiek te verabsoluteren. Men verwerpt een letterlijke interpretatie van geloofsuitspraken, maar niet het geloof. Een dergelijk geloof geeft er zich rekenschap van dat geloven zonder verhalen en symbolen evenmin mogelijk is als een geloof zonder de kritische reflectie daarover. Via symbolen en metaforische taal kan een diepere waarheid uitgedrukt worden. De historische ontstaanscontext van deze verhalen en symbolen wordt niet genegeerd, maar moet juist gekend zijn om de fundamentele boodschap, die ook voor ons vandaag nog zinvol is, op het spoor te kunnen komen. Met een woord ontleend aan de Franse filosoof Paul Ricoeur (1913-2005) heeft men dit “une seconde naiveté” genoemd. Hoewel men de kinderlijke naïviteit van het letterlijke geloof in mythen en verhalen achter zich heeft gelaten, is men toch (opnieuw) ontvankelijk voor de kracht van mythen, verhalen en symbolen, die kunnen uitdrukken wat beschrijvende taal niet altijd kan. Men laat zich raken en verwonderen maar tegelijk integreert men de kritische inzichten in een mature geloofsact. De gosdienstpsycholoog Hutsebaut omschrijft de geloofsstijl van een tweede naïviteit als volgt:

Voor mij is de bijbel niet zozeer een historisch verslag dan wel een hulpmiddel in mijn zoektocht naar God. Ondanks het feit dat de bijbel in een geheel andere historische context geschreven is, verbergen deze teksten een diepere waarheid die ik door mijn zoeken zelf moet onthullen. Voor mij is geloven in God niet zozeer nodig of nuttig, dan wel zinvol.8

 

Wanneer men vanuit de houding van de tweede naïviteit bijvoorbeeld het eerste scheppingsverhaal (Gn 1-2,4a) leest, kan de kennis van de ontstaanscontext, de Babylonische ballingschap (587-537 v. Chr.) mee de betekenis van het gedicht helpen duidelijk maken. Terwijl Israël en haar God de strijd lijken te hebben verloren, schuift het eerste hoofdstuk van het boek Genesis God naar voren als de schepper van het gehele universum. Ook de zon en de maan, die in Israëls omringende culturen als goden worden vereerd, worden voorgesteld als schepsels van God. Na de verwoesting van de tempel te Jeruzalem wilden de Israëlieten hun religie veilig stellen door de sabbat als houvast te benadrukken. Deze wordt in het scheppingsgedicht gelegitimeerd (“God zegende de zevende dag en maakte hem heilig, want op die dag rustte hij van al het werk…”). Daarnaast kan de steeds terugkerende aankondiging van wat geschapen zal worden (“En God zei er moet … zijn.”), gevolgd door de eigenlijke schepping (“En er was …”) gezien worden als een getuigenis van Gods betrouwbaarheid. Voorts maken verschillende elementen uit het verhaal (andere structuur van de tekst, andere woordkeuze, het “beeld van God”, …) duidelijk dat voor de Israëlieten de mens het hoogtepunt van de schepping is. Door, in tegenstelling tot bij de schepping van planten en dieren, geen onderscheid te maken tussen verschillende soorten, wil de auteur wellicht de gelijkwaardigheid van alle mensen benadrukken. Deze gelijkwaardigheid is eerder een ideaal dan een realiteit. Gen 1-2,4a schetst dan ook geen werkelijke situatie, maar een na te streven, harmonieuze, wereld9.

Uitbreiding: de PKG-schaal

Om weer te geven hoé iemand gelooft, ontwikkelde de godsdienstpsycholoog Dirk Hutsebaut de post-kritische geloofsschaal (PKG-schaal). Hutsebaut onderscheidt vier profielen gebaseerd op twee factoren. De eerste factor is geloof versus ongeloof, de tweede factor is symbolisch versus letterlijk. De combinatie van deze factoren geeft vier verschillende profielen of geloofsstijlen10 .

De positie letterlijk-gelovig wordt door Hutsebaut omschreven als ‘orthodoxie’. Wie op een dergelijke manier gelooft, leest geloofsuitspraken en Bijbelverhalen letterlijk. Deze zijn niet bepaald door tijd en context, maar zijn objectief waar.

Het profiel ‘externe kritiek’ leest geloofsuitspraken en Bijbelverhalen eveneens letterlijk. Alleen komt men op basis van deze lezing tot een ongelovige positie: een letterlijke lezing strookt niet met wetenschappelijke inzichten en kan dus niet waar zijn.

Naast deze letterlijke lezing is er ook een symbolische lezing mogelijk van geloofsuitspraken en Bijbelverhalen. Hierbij is men zich bewust van de historische en culturele context waarin uitspraken gedaan worden. Geloofsuitspraken moeten niet letterlijk begrepen worden, maar verwijzen naar een diepere symbolische waarheid.

Behoudt men op basis van deze symbolische lezing het geloof in een transcendente werkelijkheid, dan wordt dit profiel omschreven als ‘post-kritisch geloof’: het geloof blijft ook na de kritiek op (een letterlijke lezing van) geloofsuitspraken behouden. Met Ricoeur wordt ook van een ‘tweede naïviteit’ gesproken. De transcendente werkelijkheid kan niet volledig door mensen en hun uitspraken en geschriften gevat worden, maar enkel door symbolische bemiddeling. Verhalen en symbolen zijn dus noodzakelijk, maar tegelijk is de transcendentie waarnaar verwezen wordt reëel.

Het geloofsprofiel dat een symbolische lezing combineert met ongeloof wordt door Hutsebaut omschreven als ‘relativisme’. Ook hier worden de geloofsuitspraken en verhalen beschouwd als menselijke constructies. Alleen verwijzen deze constructies naar sociale, culturele of psychologische mechanismen, en niet naar een transcendente werkelijkheid.

    letterlijk  
  ORTHODOXIE
letterlijk geloof
EXTERNE KRITIEK  
geloof POST-KRITISCH GELOOF
tweede naïviteit
RELATIVISME
contingentiebewustzijn
ongeloof
    symbolisch  

Besluit. Denken en geloven: kritisch staan ten overstaan van vooroordelen

Op basis van wat gezegd werd over de noodzaak aan structurerende vooroordelen binnen het denken én de mogelijkheid van een geloven dat het kritische denken in rekenschap brengt, kunnen we reeds besluiten dat ‘denken’ en ‘geloven’ beide niet ‘puur’ zijn wat men hen op het eerste gezicht toezegt te zijn. Denken is niet alleen kritiek en geloven is niet zomaar kritiekloos. Zowel denken als geloven gaan uit van ‘vooroordelen’, gegevenheden die aangereikt worden vanuit bepaalde vindplaatsen (gemeenschap, traditie, geschriften, grote cultuur, geschriften, ervaring) waarop, in tweede instantie, een kritische reflectie kan plaatsvinden. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat bepaalde stijlen (conservatief en progressief; analytisch en synthetisch, praktisch en theoretisch, concreet en abstract, kritisch en irenisch) zowel bij ‘denken’ als bij ‘geloven’ terug gevonden worden.

 

Verwerkingsvragen
  • In een kranteninterview (HBVL 24/25 december 2009) zet Bart de Wever zich af “tegen de nieuwe religie met zijn groene geboden die ons nieuwe schuldgevoelens tracht aan te praten.” Welk beeld heeft Bart de Wever van religie? Welk beeld heeft hij van ecologie? Is de vergelijking terecht, of zijn hier (ongeoorloofde) vooroordelen in het spel?
  • Wat is er essentieel opdat geloven niet tot fundamentalisme leidt?
  • Welke structurele vooroordelen zijn aan het werk in het vakgebied van je eigen studierichting? Spelen er ook niet-structurele voordelen mee? Hoe komt het dat die (nog) niet verworpen zijn?
  • Hoe zou je vanuit de “tweede naïviteit” bepaalde ‘rituelen’ (bv. voor een examen) kunnen bekijken?
  • Waar spelen elementen van kritische reflectie een rol in je eigen (religieuze) geloof of bij het geloof van mensen om je heen?

B. Een vooroodeel van onze tijd? De verhouding denken-geloven in historisch perspectief

De vanzelfsprekendheid waarmee vandaag wordt aangenomen dat er tussen denken en geloven een radicaal, kwalitatief onderscheid bestaat, lijkt soms te suggereren dat een andere verhouding compleet ondenkbaar is. Nochtans is in de loop van de geschiedenis de verhouding tussen geloof en rede, en tussen hun woordvoerders filosofie en theologie (cf. infra) vaak heel anders opgevat. Een kort overzicht van de verhouding tussen denken en geloven in de grote periodes van de geschiedschrijving van de westerse beschaving11  wijst niet alleen op de contextuele bepaaldheid van de hedendaagse common sense. Daarnaast kan ze ook een inzicht bieden in andere mogelijkheden om over de verhouding tussen denken en geloven te reflecteren, mogelijkheden die voor ons bijna ondenkbaar zijn geworden12.

 

Doelstellingen voor dit onderdeel

  •  kunnen toelichten hoe men in de verschillende tijdsvakken aankeek tegen de verhouding denken – geloven

I. Oudheid

 In de klassieke oudheid heeft het christendom zich vrij snel gepropageerd als de ‘ware filosofie’ (vera philosophia christiana). Dat is op zich opmerkelijk, vermits men vanuit een hedendaags standpunt niet zou verwachten dat het geloof zich als ‘filosofie’ profileert. Tenslotte bestonden er voor ‘geloof’ in het Grieks (‘pistis’) en in het Latijn (‘fides’) wel degelijk aparte begrippen. Waarom heeft men niet eerder voor deze concepten geopteerd, die een betekeniswereld oproepen van overgave en vroomheid? En wat wordt bedoeld met de kwalificatie ‘waar’?

In dit verband is het nuttig om naar de historische context te kijken. Er deden toen namelijk zeer vele godsdiensten en levensvisies de ronde. De bekendste zijn de stoa (met zijn ideaal van gelatenheid), het epicurisme (als een ethiek van het genieten), de keizeraanbidding, de alles omvattende mythologie met Griekse goden die Romeinse goden werden of al lang geworden waren (bv. Poseidon/Neptunus, Zeus/Jupiter, Artemis/Diana, Dionysos/Bacchus, enz.), de Mithrascultus, de gnosis, mysteriegodsdiensten, joden in de diaspora, allerhande strekkingen uit het Oosten,… Het christendom heeft zich altijd behoorlijk zelfbewust ten aanzien van deze veelheid gepositioneerd. Wel dient te worden opgemerkt dat in het christendom veel ‘heidense’ filosofie is binnengeslopen, vooral dan van het stoïcisme en het neoplatonisme. De sporen daarvan zijn tot diep in de traditie van het christendom te bespeuren 13.

Het blijft in elk geval opmerkelijk dat een godsdienst de term ‘filosofie’ gebruikt om naar zichzelf te verwijzen. ‘Filosofie’ betekende toen echter niet een theoretisch systeem, maar een wijsheid die een manier van leven omvat, gebaseerd op ervaringsgerichte inzichten. Als typevoorbeeld van zo’n filosofische levenswijze geldt en gold de figuur van Socrates (5de eeuw v. Chr.). Socrates leefde al rondtrekkend en discussiërend. Door vragen te stellen trachtte hij zijn gesprekspartners tot inzicht te brengen, zonder dat hij zelf een welbepaalde ‘filosofie’ – in de hedendaagse betekenis van het woord – propageerde14. De systematisering van zijn denken vond pas later, onder andere bij Plato en Aristoteles, plaats.

Typische thema’s waarover de filosofie zich boog, waren de raadselachtigheid van de kosmos, de passies van de mens, de best mogelijke vorm van staatsbestuur, de (voorwaarden voor geldige) kennis en een ethisch verantwoorde levenswijze. Ook onder ‘ethiek’ werd niet in de eerste plaats een geheel van regels verstaan. Het ging niet om een quasi-juridisch systeem van principes, maar om de integratie van de wijsheid in het handelen. Filosofie was niet iets wat men terzijde bedreef, maar bepaalde het hele doen en denken van mensen. Het filosofische zoeken in de oudheid was dus geen louter intellectuele aangelegenheid, maar een streven naar een wijsheid die leidt tot een waarachtig en gelukkig leven.

Volgens christenen kan deze wijsheid in haar hoogste vorm enkel in het christelijk geloof gevonden worden. In zijn Confessiones (‘Belijdenissen’), waarin hij terugblikt op zijn leven en zoektocht naar wijsheid, omschrijft de Noord-Afrikaanse bisschop Augustinus van Hippo (354-430) zijn kennismaking met de filosofie dan ook als het begin van zijn bekering tot het christendom:

In de gangbare volgorde van de studie was ik toen gekomen aan een boek van een zekere Cicero […]. Dat boek bevat een aansporing om de filosofie te beoefenen […]. Dat boek bracht een ommekeer in mijn gevoelens teweeg; het richtte mijn gebeden op Uzelf, Heer, en deed mijn wensen en begeerten veranderen. Waardeloos werd mij eensklaps alle ijdele hoop en met een ongelooflijke hartegloed ging ik naar de onsterfelijkheid van de wijsheid verlangen. En daarmee was ik begonnen op te staan om naar U terug te keren. […] Want de wijsheid is bij U en de liefde tot de wijsheid draagt in het Grieks de naam philosophia en daartoe vuurde dat boek mij aan15.

Enkel Gods openbaring garandeert de volmaakte waarheid volgens Augustinus. Dit betekent echter niet dat de gelovige intellectueel zo maar blijft stilstaan bij de openbaring. Geloof is dan wel een essentiële stap om tot de waarheid te komen, maar het is maar door het denken, waarbij men gebruik maak van de terminologie en concepten van de heidense filosofieën, dat men deze waarheid ten volle kan begrijpen.

In zekere zin waren ‘denken’ en ‘geloven’ in de oudheid dus harmonisch met elkaar vervlochten. Niemand keek ervan op dat het christendom voor zijn zelfverstaan het woord ‘filosofie’ in de mond nam, en dat het van geijkte intellectuele denkpatronen gebruik maakte om zijn inhoud bekend te maken en te verspreiden.

In deze context is het tevens relevant om te verwijzen naar Paulus, die van onmiskenbaar groot belang geweest is voor de verspreiding van het christendom. In het Nieuwe Testament wordt verhaald hoe hij arriveerde te Athene en daar een redevoering hield op de Areopaag (Hnd 17, 16-34). Daarin legde hij uit dat de ‘onbekende God’ waarnaar de Griekse filosofie op zoek was, in feite bekend was: het is de God van de Bijbel.

Uitbreiding: Paulus op de Areopaag

In het Nieuwe Testament worden na de vier evangelies die getuigen van het leven, de dood en de verrijzenis van Jezus Christus, de Handelingen van de Apostelen verhaald. Hierin wordt beschreven hoe de apostelen, waartoe later ook Paulus gaat behoren, na hun ervaring van de verrijzenis van Christus (het Paasgebeuren) en de gave van de Geest (het Pinkstergebeuren) hun geloof verkondigen. Het vroege christendom verspreidt zich zo spoedig over de toen bekende wereld.

Wanneer Paulus tijdens zijn omzwervingen in Athene belandt, wordt hij uitgenodigd zijn visie uiteen te zetten. Paulus verwerpt de talrijke goden van de Atheners niet om er zijn eigen god tegenover te stellen. In plaats daarvan stelt hij dat de ‘onbekende god’ waarvoor de Atheners ook een altaar maakten de God is die hij verkondigt.

De God van de Bijbel wordt zo een universele God die de wereld en de hele mensheid heeft geschapen en door alle mensen gezocht en gevonden kan worden. Het filosofische zoeken komt op die manier niet radicaal tegenover het geloof in Christus te staan, maar kan daarin haar vervulling vinden.

II. Middeleeuwen

In de middeleeuwen groeide er (voornamelijk, maar zeker niet exclusief) in het Westen een quasi natuurlijke symbiose tussen denken en geloven, filosofie en theologie. Het christendom had zich ontwikkeld tot de overheersende godsdienst en de antieke bronnen droogden op. Deze laatste voorstelling van zaken moet evenwel onmiddellijk genuanceerd worden. Want het is allerminst het geval dat er tussen de oudheid en de middeleeuwen geen continuïteit geweest zou zijn.

De grootste filosofen die de middeleeuwen hebben voortgebracht, waren tevens theologen, en omgekeerd. De meest vooraanstaande theologen waren zeer beslagen in de filosofie. De studie van de theologie volgde immers maar ná de studie van de ‘zeven vrije kunsten 16’. Vooraleer men kon en mocht doorstoten tot het onderzoek naar en het overdenken van de geloofsmysteries, moest men capabel bevonden zijn om überhaupt na te denken (dialectiek). In deze context waarin het christelijk geloof allesoverheersend was, noemde de theologie zichzelf de ‘koningin van de wetenschappen’ (regina scientiarum). Zij stond aan de top van de kennispiramide en beschouwde de filosofie als een ‘dienstmaagd’ (philosophia ancilla theologiae). Het denken zoals het tot uiting kwam in de filosofie was dus wel belangrijk, maar enkel voor zover het van dienst kon zijn als verheldering binnen de theologie. Filosofie kon dus niet om zichzelf gebeuren, maar omwille van de bijdrage die ze zou kunnen leveren aan de verheldering van het geloof in de theologie.

Voor de middeleeuwers ligt één en dezelfde God aan de gehele werkelijkheid ten grondslag. Het is dan ook principieel onmogelijk dat wat de mens met zijn eigen rede of door studie van de schepselen (‘het boek van de Natuur’) op het spoor komt, in tegenspraak zou zijn met wat God direct over zichzelf geopenbaard heeft, in het ‘boek van de Bijbel’ (de ‘tweeboekenleer’). In de theologie, die het geloof op een systematische wijze wil verwoorden, kan de wijsbegeerte dan ook goed van dienst zijn. Bovendien hanteren theologie en filosofie dezelfde methode: met het verstand waarheden afleiden van vaststaande principes. Thomas van Aquino (1225-1274), standaardvoorbeeld van de middeleeuwse denker die evenveel theoloog als filosoof was, benadrukt dan ook de parallellie tussen theologie en andere wetenschappen:

Zoals andere wetenschappen niet argumenteren om hun principes te bewijzen, maar om uitgaande van hun principes andere waarheden van deze wetenschappen aan te tonen, zo argumenteert deze [heilige] doctrine [= de theologie] niet om haar principes, die geloofsartikelen zijn, te bewijzen, maar om iets anders aan te tonen17.

De theologie veruiterlijkte in de wetenschappen wat zich op het maatschappelijke vlak voltrok. Het christelijke geloof was tot in de diepste vezels van het leven van de mensen doorgedrongen. Alles wat er niet onmiddellijk toe behoorde, maar er blijkens de ervaring niet mee in flagrante tegenspraak was, werd op een of andere manier opgenomen of gefunctionaliseerd in de geloofssynthese. Dit verklaart bijvoorbeeld de assimilatie van talrijke plaatselijke gebruiken in de christelijke geloofscultuur. Zeker in de volksvroomheid en met betrekking tot devotionele praktijken is er een grote opname geweest van elementen van niet-christelijke oorsprong.

Het gehele leven kaderde dus in een diepe, praktische en levensomvattende spiritualiteitsbeleving. De mensen die konden lezen, schrijven en denken – hoofdzakelijk geestelijken – waren opgevoed tot een zeer intens geloofsleven. Geloof en denken waren dan ook één geïntegreerd geheel en konden niet los van elkaar beschouwd worden; al kon men ze wel onderscheiden. Eén van de schoolvoorbeelden van de symbiose tussen geloof en rede is Anselmus van Canterbury (ca. 1033-1109), zoals ook blijkt uit zijn beroemde uitspraak “credo ut intelligam” (“ik geloof opdat ik zou begrijpen”). Zoals bij Augustinus is inzicht volgens Anselmus onmogelijk als er geen geloof mee gepaard gaat. Tegelijk echter tracht hij dit geloof rationeel te begrijpen. Geloof en inzicht in dit geloof verhelderen elkaar wederzijds.

Naar het einde toe van de middeleeuwen kwam deze constellatie steeds meer onder druk te staan. De filosofie ontwikkelde zich langzaamaan tot een (min of meer) zelfstandige discipline uit de artes liberales (de ‘vrije kunsten’). De theologie van haar kant verhardde in zekere zin haar insisteren op het geloof: vanuit de idee van de transcendentie van God benadrukte men dat de inhoud van het geloof niet volledig door de menselijke rede gevat kon worden. De mens is dan wel geschapen naar Gods ‘beeld en gelijkenis’, maar dat betekent niet dat er geen onderscheid is tussen God en mens. De mens kan God maar kennen omdat Hij zichzelf geopenbaard heeft; een openbaring die de mens slechts in geloof kan aanvaarden.

Uitbreiding: wederkerige assimilatie

Het christendom als overkoepelend zingevingssysteem in de middeleeuwen betekende dat het hele leven begrepen werd vanuit de christelijke religie. Op de eerste plaats werden alle cruciale ogenblikken van het mensenleven christelijk geduid door de sacramenten die in de loop middeleeuwen tot hun definitieve aantal (zeven) kwamen (cf. de afbeelding van de zeven sacramenten in het beroemde altaarstuk van Rogier van der Weyden 1400-1464)). Daarnaast werden de bestaande volksgebruiken en (heidense) devotionele praktijken zoveel als mogelijk opgenomen in het christelijke geloofssysteem. Door deze assimilatie vonden vele elementen van niet-christelijke oorsprong ingang in het christelijk geloof. Onder andere werden vele plaatselijke ‘helden’ ingeschakeld in het katholieke systeem van heiligen. Ook de Mariaverering, die in de begindagen van het christendom weinig van belang was, kreeg een steeds grotere invloed door de opname van en vermenging met plaatselijke gebruiken.

Tegelijk blijkt de eenheid tussen christendom en cultuur uit het gemak waarmee men, omgekeerd, christelijke scènes te midden van de samenleving plaatst. Voor de middeleeuwer is er geen historische kloof tussen gebeurtenissen uit Bijbelse tijd en het hedendaagse leven: beide zijn even actueel. Het meest uitdrukkelijk komt dit tot uiting in de kunst: Men streeft niet naar een historisch correcte weergave van de Bijbelse gebeurtenissen, maar plaatst deze zonder schroom te midden van de bestaande samenleving.

Bv. Wiener Genesis: Eliëzer ontmoet Rebekka (6de eeuw): Haran als middeleeuwse stad op de achtergrond
San Marco Venetië: de toren van Babel (mozaïek 13de eeuw): middeleeuwse stad
Giotto di Bondone (1266-1337): Bruiloft te Kana: middeleeuwse setting
Jaume Serra (14de eeuw): laatste avondmaal: middeleeuws setting
J. Van Eyck (ca. 1390-1441): Madonna in een kerk: Maria met kind worden afgebeeld in het decor van een gotische kerk
R. van der Weyden (1400-1464): De aanbidding van de wijzen: op de achtergrond is zeer duidelijk een middeleeuwse stad te onderscheiden; de kledij van de personages is middeleeuws; de stal lijkt een vervallen kapel te zijn; er hangt zelfs een kruisbeeldje in de stal.
(opmerking: kunsthistorisch zouden Van Eyck en van der Weyden bij de renaissance i.p.v. de middeleeuwen kunnen worden ingedeeld, voor de focus van deze module is dit echter minder belangrijk: in de tijd dat zij schilderden was de wetenschap nog niet tot de ontwikkeling gekomen die leidde tot een andere werkelijkheidsbenadering)

Uitbreiding: Anselmus' Proslogion

De middeleeuwse theoloog Anselmus van Canterburry (ca. 1033-1109) leefde in een tijd waarin de dialectiek, het logische denken, meer en meer invloed kreeg op de theologie. De methode van rationale bewijsvoering werd zo ook toegepast op de fundamentele concepten uit het christelijk geloof. Deze aandacht voor ‘denken’ betekende echter niet dat ‘geloven’ verdrongen werd. Onder het motto ‘fides quaerens intellectum’ (geloof op zoek naar inzicht) konden beide samen bestaan.

Op schitterende wijze komt dit tot uiting in Anselmus’ Proslogion. Anselmus tracht in deze tekst het bestaan van God rationeel te bewijzen door een analyse van het idee ‘God’ (het zgn. ‘ontologische godsbewijs’). ‘God’ verwijst naar “datgene waarboven niets groter gedacht kan worden”. Een idee waaraan een noodzakelijke, extramentale werkelijkheid beantwoordt is echter groter dan een idee waaraan geen werkelijkheid, of slechts een contingente, beantwoordt. God kan dus niet anders dan noodzakelijk en werkelijk bestaan.

Het ontologische godsbewijs zit evenwel ingekapseld in het gebed. Zowel voor als na de bewijsvoering roept Anselmus God aan, op een wijze waaruit geen greintje Godstwijfel spreekt. Anselmus smeekt God eerst hem bij te staan in zijn intellectuele zoektocht, en richt zich opnieuw tot hem waardoor hij niet bevredigd wordt door zijn intellectueel zoeken. ‘Denken’ en ‘geloven’ vinden plaats binnen eenzelfde mentale activiteit en kunnen niet los van elkaar bestaan.

www.answersingenesis.com

 

Uitbreiding: het ontstaan van de universiteiten in de 13de eeuw

De ontwikkeling van de steden en de groeiende mobiliteit in de dertiende eeuw hadden voor gevolg dat het belang van de plaatselijke kloosterscholen afnam ten voordele van de centrale kathedraalscholen en particuliere scholen in stedelijke centra. Uit bestaande scholen of op initiatief van individuen organiseerden professoren en studenten zich tot universiteiten. De oudste en belangrijkste universiteiten waren gevestigd in Parijs, Bologna en Oxford.

In dit milieu kreeg de theologie een plaats als volwaardige faculteit, naast de voorbereidende faculteit van de artes en andere faculteiten van rechten en geneeskunde. De theologie ontwikkelde zich hierdoor meer en meer als een eigen discipline, met een methode en zich afbakenende thema’s van onderzoek.

III. Nieuwe tijd

Albrecht Dürer, zelfportret

In de nieuwe tijd18  zet de verzelfstandigingsbeweging van theologie en filosofie die zich reeds aan het einde van de middeleeuwen liet opmerken, zich langzamerhand maar radicaal door. Ze ontwikkelen zich tot twee verschillende, tot een bepaalde hoogte onafhankelijke, disciplines. Maar dé grote verandering in de verhoudingen tussen denken en geloven was natuurlijk te wijten aan de opkomst van de nieuwe wetenschappen in de 16de en 17de eeuw en, nauw daarmee gepaard gaande, de nieuwe positie van het menselijke subject.

Karakteristiek voor deze nieuwe wetenschappen was de combinatie van waarneming met een strikte methodologie. Op basis hiervan kwam men tot theorievorming, die tot hypothesen leidde die men dan weer empirisch ging testen. Men bestudeerde de natuur dus niet zomaar passief, maar ontwikkelde ook experimenten waarbij men op basis van een theoretisch model in de natuur ingreep. Bovendien ging men, zoals Francis Bacon (1561-1626)19  het uitdrukte, kennis als macht beschouwen: door de natuur te leren kennen, kon men macht over haar uitoefenen. Als men de natuur kon voorspellen en zich schikte naar haar wetten, kon men in haar ingrijpen, ten dienste van de mensheid (het ontstaan van de modern techniek, zie de enorme vloed aan uitvindingen sinds de moderne tijd: het kompas, de boekdrukkunst, de microscoop, verbeterde zeilschepen, de thermometer,… ). Zo werd een specifieke manier van ‘denken’ ontwikkeld die het empirische model en de wetenschappelijke rationaliteit zoals die vandaag nog steeds in voege is, hebben bepaald20.

Door het succes van deze wetenschappen ging men de wereld veel minder beschouwen als een werkelijkheid die doortrokken was van onbegrijpelijke en onvatbare magische krachten. De vooruitgang en de mogelijkheden van de wetenschappen leidden er toe dat men de wereld meer en meer ging beschouwen als een geheel van objectieve feiten die waargenomen konden worden en beschreven konden worden aan de hand van mathematische wetten en modellen. Men moest dus niet meer terugvallen op God of religie om de werkelijkheid te kunnen verklaren; de werkelijkheid is uit zichzelf verklaarbaar. Vandaar dat de socioloog Max Weber (1864-1920) deze evolutie omschrijft als de ‘onttovering’ van de werkelijkheid.

Deze ontwikkeling van de wetenschappen interageerde permanent met de ontwikkeling van een nieuw mensbeeld. Enerzijds verloor de mens zijn centrale positie in de wereld: de aarde bleek zich niet in het midden van het universum te bevinden (de “Copernicaanse revolutie”), en op die aarde was de mens nauwer verwant met de dieren dan aanvankelijk gedacht. De wetenschappelijke objectiviteit voorkwam daarnaast dat men de wereld interpreteerde als overeenstemmend met de menselijke zingeving. Kosmische verschijnselen, bliksem en donder bijvoorbeeld, kon men verklaren aan de hand van de gekende natuurwetten, waardoor men deze niet meer zag als een reactie (straf) op het menselijk handelen. Tegelijk echter leidden de wetenschappen tot een ontvoogding uit het overheersende christelijke systeem: de mens was niet meer louter schepsel, maar in zekere zin zelf ook schepper. Gebruik makend van de wetenschap ging hij zijn leefwereld meer een meer naar de eigen behoeften ontwerpen. Zo werden huizen en steden minder afhankelijk van de natuur en beter bestand tegen duisternis, koude, storm, overstroming, ... De mens werd autonoom en zelfbewust21.

Ten gevolge van het nieuwe wetenschappelijke model waren er voortaan niet langer twee maar drie spelers op het veld van de werkelijkheidsbenadering: een filosofische, een gelovige/religieuze en een wetenschappelijke22. Naast (en soms tegenover) de synthese van de tweeboekenleer kwam plots de interpretatie van de wereld volgens de nieuwe wetenschappen naast te staan.

Op maatschappelijk vlak leidde dit mede tot het uit elkaar gaan van verschillende levenssferen23. Het christelijk geloof, dat in de middeleeuwen het gehele leven beheerste, moest zich terugtrekken tot het domein van het kerkelijke leven. Door het wegvallen van dit overkoepelend zingevingssysteem kwamen religie, wetenschap, politiek, kunst, economie, enz. los van elkaar te staan. Ze konden zich hierdoor zelfstandig verder ontplooien en hun eigen discours en methode ontwikkelen24.

Zoals het filosofische en het religieuze echter niet radicaal onderscheiden zijn, zo is het evenwel ook niet mogelijk een strikte scheiding te hanteren tussen deze drie werkelijkheidsbenaderingen. Ondanks de prioriteit van de empirie, zijn de natuurwetenschappen immers niet verstoken van denken: kennis ontstaat maar door de uit de waarneming verkregen feiten met behulp van het verstand te combineren. Anderzijds trekken gelovigen zich nooit volledig terug van de wereld en staat elk geloof steeds in interactie met de zintuiglijke waarneming.

Dit had tot gevolg dat, naarmate het wetenschappelijke model aan invloed won, filosofie en theologie, ook op hun eigen domein, enigszins onder druk kwamen te staan. Indien ze nog ernstig wensten te worden genomen, dienden ze zich hoe dan ook enigszins te herprofileren. De wetenschap was dus niet zomaar een ‘partner’ die er bij kwam; deze ‘partner’ stelde meteen eisen, waarvoor de andere partners – minstens gedeeltelijk – plooiden. In vele gevallen heeft men het positieve van de wetenschappelijke rationaliteit trachten over te nemen in de eigen kaders en doelstellingen van wijsgerige en theologische reflecties.

Zo was de belangrijkste filosofische stroming van de 17de en 18de eeuw die van de Verlichting. Men benadrukte hoe enkel door het ‘licht’ van de kritische rede tot kennis kon komen. In het bijzonder richtte men zich daarbij op het kritiekloos aanvaarden van religieuze dogma’s zoals de wonderen en de lichamelijke verrijzenis. Bovendien werd sterk benadrukt dat elke individuele mens voor zichzelf moest denken. Immanuel Kant (1724-1804), de belangrijkste Verlichte filosoof, omschreef deze stroming in zijn essay “Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?” als volgt:

Verlichting is het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft. Onmondigheid is het onvermogen zich van zijn verstand te bedienen zonder de leiding van een ander. Men heeft deze onmondigheid aan zichzelf te wijten, wanneer de oorzaak ervan niet in een gebrek aan verstand, maar in een gebrek aan vastberadenheid en aan moed ligt, zich van zijn verstand zonder leiding door een ander te bedienen. Sapere aude [durf te denken]! heb de moed, je van je eigen verstand te bedienen! is derhalve de zinspreuk van de Verlichting. 25

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat Kant er een andere mening op nahield over de verhouding tussen denken en geloven dan de middeleeuwse idee die de filosofie volledig ondergeschikt maakte aan de theologie. In het licht van zijn reflecties herinterpreteerde hij het gezegde philosophia ancilla theologiae op een fijnzinnige en radicale manier. In zijn ogen gaat het niet om een dienstmaagd die achterop loopt om de sluier van haar meesteres te dragen, maar om een dienstmaagd die voorop loopt met de lamp om te zien waar ze kan lopen. Het is dus de filosofie die de theologie de weg wijst, en niet omgekeerd.

Ook de theologie voelde de sterke druk van het wetenschappelijke denken. Zo kwam in de 18de-19de eeuw de historisch-kritische exegese tot ontwikkeling. Deze bestudeerde de Bijbel aan de hand van de wetenschappelijke methode. Belangrijk hierbij was de studie van de geschiedenis van de Bijbeltekst. Men ging meer en meer inzien dat de tekst van de Bijbel het resultaat is van een historisch proces waarbij niet alleen de context van de brontekstschrijvers een grote invloed heeft had op hun werk, maar waarbij in de loop van het doorgeven en overschrijven van de teksten veel wijzigingen waren aangebracht. De resultaten van dit onderzoek, hoewel aanvankelijk vergruisd door de Katholieke Kerk, vonden langzaamaan ook hun weg in de theologische reflecties. Dit opende verder de weg naar het afstappen van een letterlijke interpretatie van de Bijbel.

Onvermijdelijk ging er met de expansie van het wetenschappelijke denken een zeker ‘zinverlies’ gepaard. Want doordat het zelfbewuste, autonome subject zichzelf strikte voorwaarden had opgelegd om zo objectief mogelijk en enkel op methodologisch verantwoorde wijze om te gaan met de werkelijkheid, kregen andere toegangen tot de werkelijkheid die niet aan dit ideaal van theorie konden voldoen, minder ontplooiingskansen. Traditioneel waren het deze toegangen echter die de belangrijkste waren voor zingeving en religie.
 

IV. Hedendaagse tijd

Op onze dagen merken we au fond twee tendensen. Enerzijds heeft er een omslag plaatsgevonden ten opzichte van de moderniteit. Anderzijds heeft de moderniteit zich verder geradicaliseerd.

De term ‘postmoderniteit’, zoals men in de filosofie en theologie de nieuwste tijd karakteriseert, verwijst naar de breuk ten opzichte van moderniteit. Deze omslag zit in ‘het einde van de grote verhalen’, naar de woorden van de Franse filosoof Jean-François Lyotard (1924-1998). Hoewel het alomvattende christelijke zingevingssysteem afbrokkelde in de nieuwe tijd, ontstonden er allerlei andere ‘grote verhalen’. Deze verhalen waren omvattende ideologieën en paradigma’s van waaruit men dacht de werkelijkheid te kunnen beschrijven en veranderen. Enkele voorbeelden van deze overkoepelende ‘verhalen’ waren het marxisme, geloof in vooruitgang, emancipatie, nationaal-socialisme26. Niet in het minst ten gevolge van de bloedige gebeurtenissen van de 20ste eeuw hebben mensen vandaag, in de nieuwste tijd, geen vertrouwen meer in de meer in de grote dromen van de ideologieën of godsdiensten.

Het denken heeft zich dienovereenkomstig in de laatste decennia bovenal geprofileerd als een kritisch denken, dat nergens meer in gelooft, omdat het ziet hoe gevaarlijk ideologieën kunnen zijn. Ook ten opzichte van het geloof neemt men een dergelijke kritische houding aan. Steevast voert men hierbij dezelfde historische voorbeelden als argumentatie aan. Geloof wordt steeds meer als dogmatisch27  en steeds minder als relevant beschouwd. Zo probeerden verschillende organisaties die tot de katholieke zuil behoorden de voorbije decennia dit ‘juk’ van het geloof van zich af te schudden. Men kan hier bijvoorbeeld denken aan de naamsverandering van Nationaal Christelijk Middenstandsverbond tot Unie van Zelfstandige Ondernemers (UNIZO), of van Vereniging van Katholieke Scouts en Meisjesgidsen (VVKSM) tot Scouts en Gidsen Vlaanderen.

Tegelijk echter is de nieuwste tijd een radicalisering van de moderniteit. Niet alleen breidt de kritische rede haar terrein uit, ook de scheiding van de levenssferen wordt verder gezet. Tijdens de moderniteit bleef het christelijk geloof immers nog op allerlei vlakken doorwerken (bv. de kerkelijke sacramenten die een mensenleven bleven structureren) of werd eenheid gebracht in de verschillende levenssferen door de nieuwe ‘grote verhalen’. In de postmoderniteit verdwijnen dan al deze overkoepelingen. Hierdoor wordt ook de individualiserende trend van de moderne samenleving geradicaliseerd. Omdat er geen grote ideologieën of een dominante religie meer zijn die het leven structureren, valt ieder op zichzelf terug om zijn of haar leven zin te geven.

Op het vlak van geloven betekent dit dat men nog wel kan geloven, maar dat dit een uitdrukkelijke persoonlijke keuze is, die niet meer wordt aangereikt vanuit de samenleving. Het seculariseringsproces, dat zijn aanzet vond in de moderniteit, schrijdt dan ook nog steeds verder vandaag (de kerkelijke sacramenten spelen bv. steeds minder een rol voor veel mensen). Tegelijk leidt deze individualisering tot een toenemende pluralisering. Dat ieder zijn of haar eigen keuzes kan maken, betekent immers dat er een verscheidenheid aan keuzes mogelijk is, bijvoorbeeld op het vlak van levensbeschouwing. Mensen kiezen niet alleen ‘voor’ of ‘tegen’ het christelijk geloof, maar kijken ook naar islam, boeddhisme, new age, … en maken er zelfs hun eigen ‘bricolage’ van waarbij ze verschillende elementen van verschillende godsdiensten combineren tot een geheel dat bij hun wensen en verlangens aansluit. Alleszins speelt ‘geloof’ sowieso een veel minder grote rol. Het debat omtrent dienstmaagd of geen dienstmaagd, voorop lopen of achterop hinken, is dan ook geluwd. Desalniettemin is de tijd misschien rijp voor een nieuwe verhoudsbepaling tussen filosofie en theologie.

Verwerkingsvragen

  •  Tot op zekere hoogte is de situatie van het christendom in onze samenleving vandaag te vergelijken met de situatie in de oudheid: één te midden van vele andere godsdiensten. Is het denken over geloof en rede vandaag dan ook gelijkaardig aan de situatie in de oudheid? Waarom wel/niet?
  • Waar vind je in onze samenleving nog sporen van de middeleeuwse synthese tussen geloof en rede terug?
  • Hoewel er in de nieuwe tijd een scheiding van de levenssferen ontstond, was de ontwikkeling van de wetenschap van belang voor verschillende levenssferen. Hoe werkt ook vandaag nog de wetenschap in de politiek, godsdienst, kunst, economie? Zijn er nog andere domeinen die toch hun invloed uitoefenen op andere domeinen?
  • Maakt het voor jou vandaag een verschil uit of een organisatie al dan niet ‘katholiek’ in haar naam heeft staan? Waarom wel/niet? Verandert er iets wanneer die naam geschrapt wordt?
  • Sommige mensen hebben het wel eens moeilijk met al de keuzemogelijkheden die ze hebben in de postmoderne samenleving en de heel verschillende levenssferen waarin ze zich telkens een houding moeten geven. Kan je dat begrijpen? Is het soms ook niet makkelijker om gewoon vanzelfsprekend gelovig te kunnen zijn zonder je daar veel kritische vragen over te stellen?

C. Parallellen tussen denken en geloven, filosofie en theologie

In dit onderdeel wordt de gedachte dat er een zekere parallellie tussen denken en geloven is, verder uit de doeken gedaan. Meerbepaald wordt aangetoond dat de scherpe tegenstelling tussen het paradigma van het denken en het paradigma van het geloven niet opgaat. In filosofie en theologie, waarvan respectievelijk denken en geloven de traditionele woordvoerders zijn, maken dezelfde, of minstens toch vergelijkbare stromingen, opgeld. Dikwijls kunnen in filosofie en theologie zelfs dezelfde inspiratiebronnen (‘vindplaatsen’) gedetecteerd worden.

Doelstellingen voor dit onderdeel

  • de parallellen tussen denken en geloven kunnen illustreren aan de hand van stijlen die zowel bij denken als bij geloven terug te vinden zijn
  • de parallellen tussen denken en geloven kunnen illustreren aan de hand van hun gemeenschappelijke vindplaatsen

I. Filosofie en theologie: woordvoerders van

Traditioneel wordt de filosofie beschouwd als de woordvoerster van het denken. ‘Filosofie’ staat garant voor redelijk denken, voor een verstandelijke controle, voor een denken dat niet zweverig, poëtisch, mythologisch, esoterisch of ideologisch is. Denken moet ten eerste steeds inzichtelijk en transparant en ten tweede publiek toegankelijk zijn. Denken kan en mag niets te verbergen hebben.

Even traditioneel wordt de theologie beschouwd als de passende woordvoerster van het geloven. ‘Theologie’, als academische discipline28 , formuleert op een systematische wijze de inhoud van het geloof en tracht de zinvolheid van dat geloof aan te tonen. Hierbij bevraagt de theologie zichzelf steeds kritisch vanuit haar eigen uitgangspunten. Bovendien wordt van dat geloof evenzeer aangenomen (of verondersteld) dat het niet zweverig, poëtisch, mythologisch, esoterisch of ideologisch is.

Nu zijn er in het Nederlands twee equivalenten voor ‘filosofie’ en ‘theologie’, die nauwelijks in een andere taal bekend zijn, met name ‘wijsbegeerte’ en ‘godgeleerdheid’. De etymologie van het woord filosofie is de combinatie van het Griekse werkwoord voor ‘houden van’ (filein) met het substantief ‘wijsheid’ (sophia). Deze beide betekenisdragende componenten zijn in het Nederlands omgezet door de samenstelling in ‘wijs-begeerte’ van ‘het begeren om wijs te zijn’ of ‘ernaar verlangen om wijsheid te bezitten’. De etymologie van het woord theologie is eveneens een combinatie van een Grieks werkwoord (of het daarvan afgeleide substantief) met een (ander) substantief: ‘God’ (theos) plus ‘spreken over, weten, rekenschap afleggen e.d.’ (legein, logos). Dit woordpaar werd eveneens schitterend omgezet in het Nederlands door ‘god-geleerdheid’.

In deze keuze voor ‘geleerdheid’ en ‘begeerte’ schuilt nu een zekere paradox. Men zou het element van de liefde, het houden van, de affectiviteit, de begeerte misschien eerder reserveren voor ‘geloven’ en ‘denken’ associëren met het element van de kennis, het weten, de geleerdheid. Welnu, zowel het klassieke Grieks als het moderne Nederlands hebben er blijkbaar voor geopteerd om dat net niet te doen aangaande de disciplines die met ‘denken’ en ‘geloven’ verbonden zijn, en dat is een les van de taal die we ernstig dienen te nemen. Over God valt wel degelijk met een zekere geleerdheid te spreken, en indien de geleerde filosofen niet in zekere mate verlangen naar wijsheid en inzicht, dreigt hun zoeken doel- en zinloos te worden.

Men kan met deze korte etymologische reflectie nog twee andere klassieke termen verbinden, die zowel in filosofie als theologie samengaan: ‘scientia’ en ‘sapientia’. Deze staan respectievelijk voor een paradigma van stringente wetenschappelijkheid en levensvervullende wijsheid. Beide mogen echter nooit strikt gescheiden worden gehouden, op het gevaar af nietszeggend te worden en vervreemdend te beginnen werken. Het inzicht dat denken en geloven iets reëels moeten bijdragen aan het leven van mensen, en dus nooit wetenschap zonder wijsheid kunnen zijn, of wijsheid zonder wetenschap(pelijkheid), loopt als een rode draad door deze module.

Ter illustratie van deze laatste gedachte is het betekenisvol om nogmaals terug te grijpen naar twee elkaar aanvullende klassieke middeleeuwse Latijnse adagia: ‘credo ut intelligam’ en ‘intelligo ut credam’. Letterlijk vertaald betekenen deze respectievelijk: ‘ik geloof opdat ik zou begrijpen’ en ‘ik begrijp opdat ik zou geloven’. Zo wordt uitgedrukt dat geloof en inzicht elkaar wederzijds veronderstellen en bewerkstelligen.

II. Stijlen binnen filosofie en theologie

Aan de hand van een vijftal polaire begripstegenstellingen wordt de idee verder uitgewerkt dat er binnen filosofie/denken en theologie/geloven gelijkaardige raamwerken te vinden zijn. De bedoeling hiervan is niet te stellen dat elke filosoof of theoloog, elke denker of gelovige telkens in één van de twee ‘kampen’ kan worden geplaatst; wel te laten zien hoe in zowel in filosofie als theologie dezelfde tendensen terugkomen.

2.1. Conservatisme en progressivisme

Zowel onder de filosofen als onder de theologen zijn er conservatieven en progressieven. De eerste willen zekerheden bewaren (cf. het Latijnse werkwoord conservare) en zijn niet geneigd om mee te gaan in elke trend die zich als radicaal nieuw aankondigt. De tweede hebben als het ware een neus voor het nieuwe en zijn uit op verandering van bestaande ideeën of toestanden.

Een voorbeeld van een conservatieve filosoof is Roger Scruton. Hij houdt in de hedendaagse context een pleidooi voor een ‘hoge’ cultuur, die in staat is om stabiliteit te garanderen over verschillende generaties heen29. Scruton staat zeer kritisch ten aanzien van de culturele output van de volkscultuur, zoals popmuziek (“Popmuziek zal altijd een steriele kracht blijven, waar niets dan een verstrooiende impuls van uitgaat.30” ), en de multimedia (“Internet heeft het slechtste in de mens naar boven gehaald.”31 ) – een visie die ook concrete implicaties zou hebben op politiek niveau. Daarnaast verdedigt Scruton op het vlak van seksuele moraal eerder conservatieve standpunten met een pleidooi voor seksuele trouw en respect voor het eigen lichaam32. Daarbij baseert hij zich op de aristotelische filosofie.

Als voorbeeld van conservatisme in het geloof kunnen we verwijzen naar de Priesterbroederschap van Sint Pius X, dat vasthoudt aan de Tridentijnse ritus tijdens de eucharistie (waarbij men onder andere vasthoudt aan het Latijn en de priester zich opstelt met rug naar de gelovigen), ondanks de liturgische hervormingen van Vaticanum II.

In de filosofie vinden we progressief denken onder andere in het emancipatiediscours dat in de lijn van neomarxisten wordt ontwikkeld. Het gaat om het (in eerste instantie intellectuele) gevecht tegen allerlei onvermoede mechanismen van verdrukking. Als voorbeeld kunnen de analyses van de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984) over het gevangeniswezen aangehaald worden. Zijn analyses zijn mutatis mutandis op talloze domeinen toepasbaar: opvoeding, politiek, sociaal beleid, gezin, man-vrouwrelaties enz.

Een voorbeeld van een progressieve theologie zijn de zogenaamde bevrijdingstheologieën. In de bevrijdingstheologie die in de jaren ’60 in Latijns-Amerika ontstond, wordt de samenleving vanuit marxistisch oogpunt geanalyseerd. Deze analyse wordt dan verbonden met een lezing van de Bijbel waarbij het criterium van de ‘voorkeursoptie van de armen’ gehanteerd wordt.

Het punt is dat voor beide stijlen eigenlijk iets te zeggen valt. Het heeft geen zin om óf progressief óf conservatief te willen zijn, laat staan om filosofen of theologen in het algemeen volgens één categorie te karakteriseren. Immers, men kan maar vernieuwen als er ‘iets’ is om te vernieuwen, en dat ‘iets’ wordt ons aangereikt vanuit het verleden. Tegelijk wil men er zeker van zijn dat dat ‘iets’, als het waardevol is, verder gezet (cf. het Latijnse progredi: verder gaan) kan worden in de toekomst. Veeleer dan hun voorkomen moet dan ook gelet worden op de argumenten en de wijze waarop conservatieven en progressieven analyses maken van de tijd waarin wij leven.

2.2 Analytisch en synthetisch

 Dit begrippenpaar is eerder technisch van aard. Analyse betekent het uiteenleggen van een object of een fenomeen om zijn constituerende elementen op het spoor te komen (zoals men bijvoorbeeld in de scheikunde op zoek gaat naar de samenstellende elementen van stoffen). Synthese is het omgekeerde: het is het bijeenleggen van verschillende componenten om de compositie (letterlijk: samenstelling) te kunnen bekijken. Zo kan men op basis van verschillende observaties komen tot een algemene theorie (bijvoorbeeld dat water kookt bij 100°C).

In denken zowel als geloven vinden analytische en synthetische operaties plaats. Nu eens moet men op zoek gaan naar de meest elementaire bases, dan weer voelt men de noodzaak om het geheel niet uit het oog te verliezen. Zo kan men in de theologie op analytische wijze de betekenis van het woord ‘kerk’ in de preken van Augustinus van Hippo nagaan. Synthetisch kan bestudeerd worden wat ‘kerk’ vandaag betekent in geloofsgemeenschap. In de predikatenlogica in de wijsbegeerte wordt elke uitspraak geanalyseerd als het toekennen van een predikaat aan een subject (bv. de zin “Alle mensen zijn sterfelijk” kan geanalyseerd worden als het toekennen van het predikaat ‘mens’ (M) en ‘sterfelijk’ (S) aan onbekende subjecten (x): V(x): M(x)  S(x) ). Synthetisch kan men deze uitspraken dan gaan toetsen op hun waarheid. Andermaal is het verkeerd en misleidend om de kwalificaties analytisch en synthetisch exclusief toe te kennen aan wijsbegeerte of godgeleerdheid.

2.3 Praktisch en theoretisch

Ook deze tegenstelling laat zich gelden in filosofie zowel als theologie. Binnen zowel filosofie als theologie neemt theorie (letterlijk: beschouwing) een belangrijke plaats in. Hierin ontwikkelt men begrippenkaders en concepten. Zo houdt men zich in de meer theoretische filosofische ethiek bezig met de vraag of en hoe men überhaupt het onderscheid tussen goed en kwaad kan bepalen. In de theologie reflecteert men onder andere over de betekenis van de sacramenten en de visie op de Kerk als gemeenschap van gelovigen. De praktische filosofie houdt zich vooral bezig met ethiek, zo mogelijk met toegepaste ethiek (zakenethiek, mensenrechten, bio-ethiek, zorgethiek,…). De praktische theologie focust zich op de (pastorale) praktijk en snijdt de daarin actuele thema’s aan (problemen van geloofsoverdracht in allerlei vormen, catechese, liturgische vieringen en sacramenten, gemeenschapsvorming, zorg, …).

De aandacht voor theorie binnen filosofie en theologie bezorgt deze disciplines wel eens een slechte naam naar de ‘buitenwereld’ toe. De theoretische discussies lijken nutteloos, irrelevant en eindeloos. Dit is doorgaans echter onterecht: de begrippenkaders en concepten, de abstractie en distantie zijn immers – zowel voor geloven als voor denken – onontbeerlijk voor het praktische domein. Als men niet kan buigen op theoretische reflecties over het onderscheid tussen goed en kwaad heeft het geen zin te onderzoeken welke concrete handelingen in de biomedische of zakenwereld goed of fout zouden zijn. Als men geen visie heeft op de betekenis van de sacramenten kan men hieraan geen zinvolle invulling geven binnen de liturgie. Theorie is dus uitermate relevant voor het praktische domein. Maar het omgekeerde geldt eveneens: wil de theorie niet irrelevant worden, dan mag zij de band met de praktijk nooit volledig losmaken.

2.4 Concreet en abstract

Dit begrippenpaar is nauw verwant met het vorige, en vaak krijgt het dezelfde connotatieve lading. In de samenleving prefereert men vaak het concrete en het praktische boven het abstracte en het theoretische. Etymologisch betekent ‘concreet’ ‘vergroeid met’ (van het Latijnse werkwoord concrescere), het verwijst naar een vergroeiing met de materie: aanwijsbare dingen en gebeurtenissen uit de realiteit. ‘Abstract’ daarentegen staat voor ‘weggetrokken van’ (van het Latijnse werkwoord abstrahere), het gaat om datgene wat onttrokken is aan de materie, wat niet zomaar aanwijsbaar is in de realiteit; het moet in zekere zin geconstrueerd worden door het denken. Zo kan men abstracte criteria ontwikkelen om te bepalen of een oorlog al dan niet rechtvaardig is. Maar dit is niet hetzelfde als beslissen of in een welbepaalde, actuele situatie de oorlog moet worden verklaard aan een land.

In denken en geloven komt het erop aan niet één van beide te verkiezen boven het andere, maar om te streven naar het juiste evenwicht tussen beide. Het louter abstracte is immers leeg. Het concrete daarentegen is steeds complexer en moeilijker in schema’s te vatten dan het abstracte, maar tegelijk is het abstracte denken noodzakelijk om wat er concreet gebeurt in de werkelijkheid te begrijpen. Denken, maar ook geloven, moeten daarom steeds betrokken zijn zowel op de concrete realiteit als op het meer abstracte denken. Wanneer het ontbreekt aan het ene, moet het andere soelaas komen brengen.

2.5 Kritisch en irenisch

Kritiek betekent letterlijk ‘onderscheiden’ en (vandaar) ‘oordelen’. In ‘irenisch’ zit het Griekse woord voor vrede (eirènè). Filosofie en theologie hebben heel vaak een kritische functie. Zo worden in de theologie de door het magisterium gehanteerde argumenten om bepaalde keuzes (bv. de beperking van de priesterwijding tot mannen, uitspraken over seksuele moraal, …) kritisch onder de loep genomen. Ook in de wijsbegeerte bestudeert men bestaande situaties vanuit een kritische invalshoek. Zo laat men in de sociale of cultuurfilosofie zien dat schijnbaar neutrale zaken (bv. kwaliteitsmanagement in het onderwijs) op een welbepaalde ideologie steunen.

Hoewel de dingen natuurlijk wel gezegd moeten worden zoals ze zijn, dreigt een kritische houding – die omwille van haar media-waarde vaak meer aandacht krijgt - zich soms te verliezen in een agressieve en polemische attitude, maar soms moeten de dingen wel gezegd worden zoals ze zijn. Daarom is het goed om een evenwicht te bewerkstelligen tussen ‘kritisch’ en ‘irenisch’ denken en geloven. Irenisch denken en geloven kan er op wijzen dat bestaande praktijken niet zomaar zinloos zijn omdat er bepaalde kritische kanttekeningen bij te plaatsen zijn. Het is bijvoorbeeld niet omdat er kanttekeningen te plaatsen zijn bij de praktijk van de kinderdoop dat men die zomaar zou moeten afschaffen.

III. Vindplaatsen van denken en geloven

Hier wordt de gedachte van de structurele gelijkaardigheid tussen denken en geloven verder ontvouwd. Denken en geloven, zowel als hun woordvoerders filosofie en theologie, halen de mosterd uit gelijklopende bronnen. Men kan er een vijftal onderscheiden.

3.1. Gemeenschap

Essentieel voor zowel geloven als denken is een groep van mensen. Geloven noch denken zijn immers solitaire bezigheden. Denken en geloven ontstaan niet zomaar uit het niets, maar worden aangereikt door anderen. Of beter, anderen – de gemeenschap – bieden de ruimte waar men eigen ervaringen kan uitwisselen en deze structureren in een kader dat de gemeenschap aanreikt (traditie). In tweede instantie biedt een gemeenschap een gelegenheid om over allerlei gedachten en ideeën te discussiëren.

Het feit dat zowel denken als geloven onlosmakelijk verbonden zijn met ‘taal’ is in dit opzicht fundamenteel. Net zoals men onmogelijk een ‘individuele taal’ kan ontwerpen zonder dat er interactie is met andere personen, is het onmogelijk volledig individueel te denken of te geloven. In de wetenschappelijke wereld verwijst het toenemend belang van ‘peer reviews’ (beoordelingen van manuscripten voor tijdschriften door wetenschappers uit hetzelfde vakgebied) naar de waarde van de gemeenschap: onderzoek, hypothesen en conclusies hebben slechts dan betekenis wanneer ze aan het oordeel van de rest van de wetenschappelijke gemeenschap zijn onderworpen; anders roept men in de woestijn

3.2 Traditie

Aangezien mensen historische wezens zijn, ingebed in een tijdsverloop, zijn ook hun gemeenschappen dat. Mensen en gemeenschappen zijn altijd met elkaar verbonden door een gedeeld verleden, dat zijn neerslag vindt in een bepaalde traditie. Deze tradities geven betekenis aan actuele belevenissen. Zo geeft het (kerkelijk) huwelijk mee betekenis en gestalte aan de liefde tussen twee personen. Tegelijk maakt dit duidelijk dat het heden niet bestaat uit een loutere aaneenschakeling van vervluchtigende ogenblikken, maar dat verleden en heden mee de toekomst constitueren. Traditie is dan ook geen louter statisch gegeven, maar wordt door opeenvolgende generaties geherinterpreteerd.

Opnieuw is de link met de taal verhelderend: taal krijgt men steeds aangeleerd ‘van ergens’ (cf. het begrip moedertaal). Op een vergelijkbare wijze krijgt men denken en geloven aangeleerd vanuit een traditie. Als voorbeelden kan men denken aan familiale tradities (bv. rond het slapengaan), gewoontes op het werk, lokale culturele gebruiken (bv. het sinterklaasgebeuren), gebruiken in verenigingen (bv. de vlaggengroet in een jeugdbeweging), religieuze tradities, enz. Als we ons zouden kunnen ontdoen van onze context en geschiedenis zouden we ongetwijfeld met vreemde ogen kijken naar vele van deze ‘traditietjes’. En toch blijken we er maar al te zeer aan gehecht, met geen andere reden dan de traditie zelf.

3.3 Geschriften

Denken en geloven beroepen zich voor hun zelfverstaan uiteraard ook op geschreven bronnen. Want gemeenschappen en tradities leggen hun bevindingen en de reflecties daarover vaak schriftelijk vast. In het dagelijkse gemeenschapsleven kan dit terug gevonden worden in verslagen van vergaderingen. In de christelijke religie neemt, naast de geschriften van theologen, de Bijbel natuurlijk een plaats van onschatbare waarde en belang in. In dit boek – of beter: deze boeken33  – hebben mensen neergeschreven hoe ze de aanwezigheid van God ervoeren in hun leven en geschiedenis. Ook de filosofie kent zoiets als een geschreven canon, een reeks van werken die steeds als referentiepunt gelden. De studie van deze sleutelgeschriften is niet louter te herleiden tot historische interesse, maar biedt de achtergrond voor elke hedendaagse discussie.

3.4 Grote namen

Elke traditie, en dus a fortiori elke denktraditie of geloofstraditie, heeft zijn ‘grote namen’. Dat zijn die personen in wie de gemeenschap haar identiteit op een dermate intense wijze heeft gerealiseerd gezien, dat zij meent er veel van te kunnen leren en er voor allerlei redenen een beroep op te kunnen en/of mogen doen. In socio-culturele verenigingen komt men dergelijke figuren tegen in bestuursleden die al een generatie lang lid zijn. In de filosofie zijn grote namen onder andere Plato, Aristoteles, Kant, Hegel en Heidegger; in de theologie Augustinus, Thomas van Aquino, Schleiermacher en Rahner. Natuurlijk heeft het domein van het geloofsleven, de mystiek en de spiritualiteit ook zijn eigen ‘grote namen’ (bv. heiligen zoals Antonius, Benedictus, Franciscus en Ignatius van Loyola).

3.5 De ervaring

Uiteraard is zowel voor denken als geloven de persoonlijke ervaring een uitermate belangrijke bron. Denken en geloven ontstaan immers niet zomaar uit het niets, maar ontspruiten uit ervaringen van mensen. Deze ervaringen zijn echter niet louter gevoelstoestanden: ervaring is altijd verbonden met interpretatie. Het aangegrepen zijn door de schoonheid van de bergen vindt zijn oorsprong niet zuiver in die bergen: het is maar sinds de Romantiek van de 19de eeuw dat men de bergen niet meer als een woeste bedreiging ziet, maar ook als iets moois. Daarvoor ervoer men de schoonheid van de bergen niet, omdat men ze niet op die manier interpreteerde. Op dezelfde manier kan een mystieke ervaring maar ervaren worden als de ontmoeting met Jezus Christus op voorwaarde dat men Christus kent en de ervaring zo kan interpreteren.

Zo reflecteert men in de filosofische (maar uiteraard ook in de theologische) ethiek op de gewetenservaring; een ervaring die meebepaald wordt door de interpretatie die eraan gegeven worden. Men kan hier bijvoorbeeld denken aan het schuldgevoel als men een bedelaar voorbijloopt, dat mee opgewekt wordt door de gedachte dat men de armen moet helpen – of aan het ontbreken van dit schuldgevoel vanuit de idee dat geld geven de bedelaar nog meer in de problemen duwt.

Ervaring en interpretatie vinden dus steeds samen plaats. Het is geen zaak van een ‘zuivere’ ervaring waar in tweede instantie een interpretatie aan gegeven kan worden; de interpretatie is steeds al meegeven met de ervaring. Meer zelfs, de interpretatie maakt de ervaring mogelijk.

Op zijn beurt nu hangt ‘interpretatie’ fundamenteel samen met taal, gemeenschap, traditie, geschreven bronnen, grote namen, die telkens een neerslag en reflectie op deze ervaringen zijn. In die zin is ervaring dus geen aparte vindplaats, maar bron en bindmiddel van de vorige vier.
 

Illustratie: het Mémorial van Blaise Pascal

Blaise Pascal (1623-1662) was een Franse wis- en natuurkundige, filosoof en theoloog. Na zijn dood vond men ingenaaid in zijn mantel een stuk perkament met daarop een getuigenis van een ervaring die Pascal had in nacht van 23 op 24 november 1654. In het Mémorial, zoals deze tekst genoemd is, beschrijft Pascal de God die hij ontmoet als de “God van Abraham, Isaak en Jakob” en de “God van Jezus Christus”. Enkel omdat Pascal de verhalen van Abraham, Isaak en Jakob kent, kon hij zijn ervaring duiden vanuit dit godsbeeld. Pascals ervaring werd fundamenteel getekend door zijn kennis van de Schrift en het Evangelie.

Verwerkingsvragen
  • Kan je de verschillende stijlen van denken/geloven ook in je eigen vakgebied terugvinden. Geef enkele voorbeelden. Zijn er stijlen die je niet kan terugvinden?
  • Waar vind je de verschillende vindplaatsen van denken/geloven terug in je eigen vakgebied?

D. De verhouding tussen filosofie en theologie: modellen van interactie

De problematiek van de verhouding tussen de filosofie en de theologie is geenszins nieuw. De geschiedenis van het denken, zowel in de filosofie als in de theologie, legt een boeiend getuigenis af van de veelzijdigheid van manieren waarop denken en geloven met elkaar in relatie hebben gestaan. In dit deel passeren een zestal mogelijke modellen van interactie tussen filosofie en theologie, denken en geloven, de revue. Geen van de eerste vijf is ideaal.

Doelstellingen voor dit onderdeel

  • de verhouding tussen denken en geloven kunnen thematiseren aan de hand van de verschillende mogelijke verhoudingen tussen filosofie en theologie
  • de verschillende mogelijke verhoudingen tussen filosofie en theologie kunnen typeren en beoordelen

1 Subordinatie

Het model van de subordinatie of onderschikking is gebaseerd op een fundamentele verhouding van ongelijkheid, van een ondergeschikte ten aanzien van een bovengeschikte, een meester en een slaaf, een opdrachtgever en een uitvoerder, een controleur en een gecontroleerde. Filosofie heeft hier enkel maar waarde voor zover ze iets bijdraagt aan de theologie; of omgekeerd, theologie heeft maar waarde in zoverre ze de filosofie ‘van nut’ kan zijn. Zo werd het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte aan de K.U.Leuven opgericht onder impuls van de latere kardinaal Mercier. Het was aanvankelijk bedoeld om de scholastieke filosofie, die de basis van de christelijke geloofsleer vormde, verder te ontwikkelen en te verdedigen tegen opkomende denkstromingen.

Denken en geloven, en a fortiori filosofie en theologie, kunnen zich vandaag niet (langer) herkennen in een dergelijk patroon. Beide beroepen zich terecht op vrijheid en zelfstandigheid. Zowel filosofie als theologie hebben een waarde in zichzelf, los van de ander. Ze hebben geleerd dat de metafoor van de dienstmaagd nutteloos en overbodig is, en slechts wantrouwen en wederzijdse rancune in stand kunnen houden. Natuurlijk kunnen beide elkaar ‘van dienst’ zijn, maar dan niet als slaven: geloof speelt een constructieve rol in de filosofie, en de rede in de theologie.

2 Assimilatie

Bij assimilatie verliezen gerelateerden hun relatie tot elkaar verliezen omdat ze (moeten) opgaan in elkaar. Men kan hier bijvoorbeeld denken aan volkeren die door (gedwongen) gemengde huwelijken en het aannemen of doen versmelten van elkaars taal in elkaar zijn ‘verdwenen’. In de middeleeuwse theologie, bijvoorbeeld in het aristotelisch-thomistische denksysteem, was er zeker sprake van een dergelijke assimilatie.

Op het eerste gezicht lijkt dit een proper begrip, maar onder de oppervlakte gaat quasi zeker altijd geweld schuil. Want in de praktijk is er steeds één partner die het onderspit delft. De perfecte assimilatie, met evenwaardige goedkeuring van op gelijke voet staande partners, is een illusie. Steeds zal een van de twee dominant zijn: degene waarin men opgaat zal sterker zijn als degene die erin moet opgaan.

Net zoals dit geldt voor wat betreft volkeren, geldt dit ook op het persoonlijke vlak. Geliefden mogen nooit versmelten of opgaan in elkaar. Het blijven steeds twee vrije, verantwoordelijke personen die elkaar liefhebben. Zo geldt dit ook voor denken en geloven: geen van beide mag zomaar opgaan in de andere. Filosofen en theologen beoefenen een verschillende discipline, en het zou geen goede zaak zijn om morgen te beslissen dat ze ‘hetzelfde’ doen. Zowel filosofen als theologen zouden zich hier overigens geweldig tegen kanten. Dit is ook wat gebeurde op het einde van de middeleeuwen en het begin van de nieuwe tijd, toen theologen reageerden tegen het verwateren van de godsrelatie in de theologie, en filosofen zich afzetten tegen de invloed van geloof in het denken.

3 Polemiek

Polemiek heeft soms de reputatie verfrissend te zijn. Nochtans zit in de oorspronkelijke betekenis van het Griekse woord voor ‘oorlog’ (polemos) verweven. Polemiek is goed wanneer er in feite een cultuur van wederzijdse kritiek onder wordt verstaan, die uitgaat van een diep respect voor de ander. Ze gaat zichzelf te buiten aan overdrijvingen wanneer men niet meer maalt om de waardigheid van de ander. In de praktijk is deze grens is echter flinterdun. Ten diepste is polemiek immers gericht op het te gronde richten van de opposant, en zolang dat niet effectief is gebeurd, is alle hoffelijkheid maar schijn. In ‘oorlog’ zit namelijk een destructief mechanisme, dat geen rust vindt vooraleer de ander effectief op de knieën is gedwongen34. Een dergelijke houding vindt men vaak terug in de media: het gaat vaak niet meer om kritiek die de ander dwingt zijn of haar positie uit te zuiveren, dan wel om het streven de ander uit de discussie te kegelen. Elke idee die dat tracht te relativeren, is bedrieglijk en misleidend. Het is omwille van deze reden evident dat denken en geloven zich niet moeten gedragen naar dit model.

4 Coëxistentie

Letterlijk betekent ‘coëxistentie’ ‘samen bestaan’ maar eigenlijk komt het neer op naast elkaar bestaan, zonder (wederzijds) engagement, in (verregaande) onverschilligheid. Coëxistentie betekent meestal ook dat er een achterliggende reden is waarom men geen interesse in de partner betoont: een pijnlijk verleden, een ingehouden vijandschap, gevoelens van haat, ingetoomde agressie, enz. Met andere woorden, op de keper beschouwd is men helemaal niet zo ‘interesseloos’ of ‘onverschillig’. Dat blijkt ondermeer uit het feit dat men ‘coëxistentie’ vaak kwalificeert als ‘vreedzaam’ (vreedzame coëxistentie), waarmee men de allereerste stap van een broze verdraagzaamheid na gewapende conflicten beschrijft.

Indien denken en geloven dus ‘coëxistent’ leven, betekent dit dat er een ingrijpend conflict nog vers in het geheugen ligt, dat de actuele betrekkingen ernstig onder druk zet of zelfs belemmert. Opnieuw spreekt het voor zich dat dit niet de juiste houding kan zijn om vandaag met religie en denken om te gaan.

5 Concurrentie

Concurrentie is een verhouding waarbij twee (of meerdere) partners elkaar de loef trachten af te steken om meer winst te maken dan de andere, of om de andere vóór te zijn. De term wordt steevast in verband gebracht met ambitie en met de economie (en soms ook met staten en sport). Bedrijven gaan prat op hun verwezenlijkingen en voelen zich betrapt, ongemakkelijk of bedrogen wanneer andere bedrijven te zeer in hun vaarwater komen of in hun visvijver komen vangen.

Vandaag worden al te lichtzinnig de positieve kenmerken van de concurrentie benadrukt. Men hoort dan uitdrukkingen als ‘we moeten onze concurrentiepositie veilig stellen of versterken’; ‘wat concurrentie zal de slapende ambtenarij wel wakker schudden’; ‘we moeten erbij zijn’; ‘we moeten maken dat we de boot niet missen’; enz. Die positieve kenmerken zijn bijna altijd te reduceren tot een verheerlijking van de vooruitgang. Concurrentie is echter inherent verbonden met een soort van onrust en jachtigheid, waarvan men te gemakkelijk aanneemt dat ze voor iedereen goed (of toch geen kwaad) doet. Bovendien genereert een logica van de concurrentie bijna automatisch na-ijver en profiteraat. En als je niet beter bent of kunt geraken, kun je de ander altijd nog proberen te benadelen.

Een concurrentie tussen filosofie en theologie, of tussen denken en geloven, is evenwel niet bevorderlijk. Beide moeten het eerder hebben van evenwicht, beheersing, sereniteit en rust. Om het met een boutade te zeggen: in filosofie en theologie gaat het niet om vooruitgang, maar om diepgang. Filosofie en theologie concurreren ook niet met elkaar omdat ze een verschillende finaliteit hebben. Om in economische termen te blijven: slechts winkels die hetzelfde aaanbieden staan in concurrentie tot elkaar; de hoge verkoopcijfers in een klerenwinkel beletten geen hoge verkoopcijfers in een groentenwinkel.

6 Vriendschap

Vriendschap is een type relatie, dat in geen van de vallen van de voorgaande relatietypes stapt en dat de krachten positief wil bundelen. Het is immers zeker niet zo dat alle geschetste modellen over de hele lijn ‘slecht’ zijn.

De essentie van de vriendschap komt neer op respect voor elkaars eigenheid, op oprechte interesse in elkaar, op een zekere lotsverbondenheid, op erkenning van elkaars kwetsbaarheid, op mooie gedeelde herinneringen enz. Vanzelfsprekend kunnen vriend(inn)en kijven, maar ze zullen vriend(inn)en blijven. Er zijn pijnlijke momenten in de geschiedenis van elke vriendschap, maar het punt is dat deze nooit het laatste woord mogen hebben. Kortom, vriend(inn)en zijn elkaars slaafjes of slavinnetjes niet (>< subordinatie), ze versmelten niet met elkaar (>< assimilatie), hun kritiek wordt nooit polemiek (>< polemiek), ze ‘tolereren’ elkaar niet zomaar, in een houding van indifferentie (>< coëxistentie), en ze voelen niet de behoefte om met elkaar in concurrentie te treden of van elkaar te gaan profiteren (>< concurrentie).

‘Vriendschap’ lijkt dan ook de beste manier om de verhouding tussen theologie en filosofie vandaag aan te geven 35.

Algemeen besluit. Denkend geloven en gelovend denken

Aan het einde gekomen van dit hoofdstuk, zou moeten duidelijk zijn dat denken altijd een beetje geloven is, en dat geloven ook altijd een beetje denken is. Deze samenhang wordt mooi geïllustreerd door de twee Latijnse adagia waaraan eerder werd gerefereerd: credo ut intelligam en intelligo ut credam. Op zich is de noodzakelijke samenhang tussen rede en geloof trouwens een fundamentele overtuiging van het katholicisme. Zo zijn deze adagia de schragende elementen van de encycliek Fides et ratio van Johannes Paulus II uit 1998. Die tekst begint met een mooi beeld: geloof en rede worden de beide vleugels genoemd van één vogel die in zijn vlucht op zoek is naar de waarheid. En met één vleugel is het opstijgen onmogelijk

 

Uitbreiding: Fides et Ratio

 In 1998 publiceerde paus Johannes Paulus II een encycliek over de verhouding tussen geloof en rede. Een encycliek is een schrijven van de paus aan de gehele katholieke kerk. De paus geeft hiermee uiting aan zijn bisschoppelijke taak als leraar (de andere bisschoppelijke taken worden omschreven als ‘herder’ en ‘bestuurder’). Hoewel een encycliek een groot gezag heeft, is het geen verplichte geloofsleer. Zoals gebruikelijk werd de encycliek vernoemd naar de eerste woorden van de tekst; “Fides et ratio”.

Fides et Ratio is een lange encycliek die zeven hoofdstukken beslaat. In het tweede en derde hoofdstuk wordt gesteld dat geloof en rede niet met elkaar in conflict kunnen komen; er is immers maar één waarheid. In het daaropvolgende hoofdstuk, waarin de geschiedenis van de verhouding tussen geloof en rede wordt besproken, laat de paus zich bijzonder negatief uit over de scheiding tussen geloof en rede die sinds de moderniteit opgang heeft gemaakt. In de laatste twee hoofdstukken wordt dan verder ingegaan op de verhouding tussen filosofie en theologie, en op de vereisten waaraan zowel filosofie als theologie moeten voldoen.

Zoals veel encylieken heeft Fides et Ratio een ambigu karakter, wellicht het gevolg van feit dat verschillende schrijvers aan de tekst werkten. Lieven Boeve typeert de twee verschillende strekkingen die in de tekst gelezen kunnen worden met “de leessleutel van de zwaan” en “de leessleutel van de duif36” . Het perspectief van de zwaan “die in volle glorie opstijgt, de verte tegemoet37” , vertrekt van de negatieve evaluatie van de moderne scheiding tussen geloof en rede. Men wil het denken weer ondergeschikt maken aan het geloof, om zo terug tot de traditionele synthese van geloof en rede te komen. Het perspectief van de duif “die uit de hemel neerdaalt en een plaats zoekt op het land om haar nest te bouwen” daarentegen benadrukt dat de tekst is geschreven vanuit de positie van en voor een gelovige. De tekst bespreekt niet geloof en rede als dusdanig, maar geloof en rede vanuit het perspectief van de gelovige. De waarheid die men slechts door het geloof kan leren kennen is een heilswaarheid: Gods liefdevolle zelfgave aan de mens. De rede kan deze heilswaarheid verder verdiepen en verhelderen, maar dit veronderstelt reeds het geloof. Denken leidt niet noodzakelijk tot geloven, dit vereist nog steeds een sprong. In plaats van de continuïteit wordt in deze lezing dan ook veeleer de discontinuïteit tussen denken en geloven benadrukt. Ook kan men vanuit dit perspectief enkele meer positieve opvattingen over de moderne en hedendaagse filosofie bemerken.

Hoe men Fides et Ratio opvat is dus afhankelijk van het perspectief dat men bij de lezing inneemt. Boeve stelt hierbij dat de lezing volgens de metafoor van de duif de meest vruchtbare is. Door het ambigue karakter echter van de tekst, is zowel de lezing vanuit het perspectief van de zwaan als de lezing vanuit het perspectief van de duif noodzakelijk een selectieve lezing.

Begrippenlijst

Achsenzeit

term ontleend aan de Duitse psychiater en filosoof Karl Jaspers (1883-1969). In deze periode (ca. 800-200 v. Chr.) vond er een opvallende, gelijkaardige omwenteling plaats in verschillende religies. Van een kosmische gerichtheid kwam de aandacht van religies meer en meer te liggen op een ethisch bewustzijn. Jaspers observeerde die ontwikkeling in het confucianisme (China), in het ontstaan van het boeddhisme uit het hindoeïsme en in de zgn. Upanishaden (India), bij de profeten uit het Oude Israël en in het verschil tussen de ‘presocratische’ en ‘post-socratische’ wijsbegeerte (Griekenland).

animisme

religieus geloof dat alle natuurlijke dingen in de werkelijkheid, ook de niet-levende (naast mensen, dieren en planten ook stenen en natuurfenomenen zoals donder) bezield zijn (Lat. anima: ziel).

Bijbel

de Heilige Schrift van christenen. De christelijke Bijbel bevat twee grote delen: het Oude [à] en het Nieuwe Testament [à] (met het oog op de verhouding met de joden worden deze ook wel ‘Eerste’ en ‘Tweede Testament’ genoemd, wat minder de indruk zou wekken dat het Oude Testament achterhaald is door het Nieuwe). De katholieke versie van het Oude Testament bevat 45 ‘boeken’, het Nieuwe Testament 27 ‘boeken’. Een verwijzing naar een perikoop [à] gebeurt aan de hand van de afkorting van het Bijbelboek, gevolgd door het hoofdstuk en de betreffende verzen (bv. Hl 2, 1-6 = Hooglied, hoofdstuk 2, vers 1 tot en met 6).

creationisme

de overtuiging dat God de wereld in zes dagen uit het niets geschapen heeft, overeenkomstig het relaas in het boek Genesis

denominatie

een bepaalde protestantse geloofsgemeenschap. Tijdens de Reformatie in de 16de eeuw (met als eerste impuls het optreden van Maarten Luther) splitste het protestantisme, zich af van de Rooms-katholieke kerk. Omdat er geen centraal leergezag is in het protestantisme dat de juiste leer bepaalt (zoals de paus dat doet in het katholicisme) ontstonden in de loop van de geschiedenis steeds meer protestantse afscheidingen op basis van meningsverschillen over de te volgen leer.

discours

een specifieke manier van samenhangend spreken en schrijven, verbonden met een bepaald onderwerp en een bepaalde gemeenschap van mensen (politiek, wetenschap, gezin…)

exegese

bijbelwetenschap

fundamentalisme

strekking of wijze van denken die zich exclusief baseert op één welbepaalde, religieuze, ‘grond’ (‘fundament’), meestal een heilige schrift om de gehele werkelijkheid te benaderen en interpreteren

godsdienstwetenschap

systematische studie van een religie vanuit een extern (‘buiten-’) perspectief

ideologie

een geheel van ideeën (bv. de individuele vrijheid van de mens is de hoogste waarde) dat aan de basis ligt van opvattingen over allerlei aspecten uit de samenleving (bv. sociale zekerheid, inrichting van de economie, onderwijs, …)

liturgie

het geheel van voorgeschreven woorden en handelen die een eredienst uitmaken; normaal enkel gebruikt om naar christelijke erediensten te verwijzen (bv. de katholieke liturgie, de Grieks-orthodoxe liturgie)

magisterium

leergezag van de katholieke kerk; de autoriteit van de vergadering van de bisschoppen, onder leiding van de paus,  inzake geloofszaken

monotheïsme

het geloof in één god

moderniteit

de periode waarin men, op grond van de overtuiging dat enkel de rede tot ware kennis kan komen, de gehele werkelijkheid vanuit dit rationele perspectief gaat bestuderen en bekritiseren

Nieuwe Testament

het tweede gedeelte van de Bijbel, op schrift gesteld na de ervaring van het leven, de dood en de verrijzenis van Jezus van Nazarath. Het Nieuwe Testament bevat vier evangelies (interpretaties van Matteus, Marcus, Lucas en Johannes op het leven van Jezus Christus), vervolgens Handelingen (van de apostelen, na de Hemelvaart van Christus), brieven aan ‘jonge’ christenen en christengemeenschappen (o.a. van de apostel Paulus) en een boek over het komende Rijk (Apocalyps)

openbaring

het ‘zich tonen’; in de context van religies meestal gebruikt om het zich tonen van de god of de goddelijke waarheid aan te duiden

Oude Testament

het eerste gedeelte van de Bijbel; grofweg stemt dit overeen met de Heilige Schrift van de joden (de Hebreeuwse Bijbel):

perikoop

fragment uit de Bijbel

polytheïsme

het geloof in meerdere goden

postaxiaal

na de periode van de Achsenzeit [à]

postmoderniteit

de periode na (‘post’) de moderniteit waarin de moderne aanspraken over de waarde van de menselijke rede getemperd worden door er op te wijze dat deze rede ook steeds ideologisch gekleurd is

rationalisme

à sciëntisme

secularisatie

letterlijk: ‘verwereldlijking’; het sociologische proces waarbij God en wereld steeds meer los van elkaar komen te staan en de impact van religie op een samenleving in haar geheel afneemt

sciëntisme

strekking of wijze van denken die zich exclusief baseert op de wetenschappelijk ratio om de gehele werkelijkheid te benaderen en interpreteren

theologie

1. systematische studie van het geloof, de bronnen van dat geloof, het geloofsleven, vanuit een gelovig (‘binnen-’) perspectief
2. systematisch uiteengezette inhoud van een specifieke religie of denominatie (à)

transcendent

buiten en boven de wereld zijn, overstijgend

tweede naïviteit

term ontleend aan de Franse filosoof Paul Ricoeur (1913-2005); het vermogen het belang van verhalen, rituelen en symbolen in te zien (cf. ‘naïviteit’), zonder daarbij te vervallen in een letterlijk, ‘kinderlijk’, geloof in deze verhalen, rituelen en symbolen (cf. ‘tweede’)

Vaticanum I

eerste Vaticaans concilie; algemene vergadering van de katholieke bisschoppen te Vaticaanstad van 1869-1870. Met dit concilie reageerde men tegen de liberale en vrijzinnige tendensen in de samenleving en de modernistische en historische-kritische strekkingen binnen de katholieke theologie.

Vaticanum II

tweede Vaticaans concilie; algemene vergadering van de katholieke bisschoppen te Vaticaanstad van 1962-1965 (bijeengeroepen door paus Johannes XXIII). Grondstreven van dit concilie was ‘aggiornamento’: het bij de tijd brengen van de kerk (wat onder andere tot uiting kwam in liturgische vernieuwingen, zoals het toestaan van de volkstaal tijdens de liturgie)

Verlichting

de politieke en filosofische beweging van halfweg de 17de eeuw tot het einde van de 18de eeuw die steunde op de waarde van de onafhankelijke menselijke rede. De filosoof Immanuel Kant vatte het principe van de Verlichting (D: ‘Aufklärung’) samen met het motto ‘sapere aude’ (durf denken). De opvattingen over politiek, filosofie, wetenschap en religie werden door deze stroming grondig gewijzigd binnen de westerse wereld.

verstand

het vermogen uit premissen geldige conclusies te kunnen afleiden; logisch redeneervermogen

 

 

Presentatie

Presentatie (Powerpoint)

Lessuggesties

Suggesties voor een les(senreeks)

Voorafgaande bemerking

‘Geloven’ is in deze module in de eerste plaats opgevat als geloven in katholieke traditie. Het klopt dat het precies eigen is aan deze traditie dat er geen tegenstelling is met ‘denken’. In die zin zou het een terechte bedenking kunnen zijn dat wat in de module gepresenteerd wordt niet opgaat voor geloven tout court en in elke religieuze traditie. De module laat echter zien dat denken en geloven elkaar ook niet tout court tegenspreken, m.a.w. dat er geen principiële onverenigbaarheid hoéft te zijn tussen denken en geloven. Het is precies het standpunt van de module dat een wijze van geloven die wel uitgaat van deze onverenigbaarheid verworpen moet worden.

1. Impulsen

Impulsen voor het geheel van de module
1) P. DE WITTE, Petten af in de klas, in De Standaard, 15 september 2009, p. 15.

Dit opinieartikel werd geschreven in het kader van het hoofddoekendebat (n.a.v. het algemene hoofddoekenverbod in het GO!). In de context van de module ‘geloof en rede’ gaat het echter niet over dit debat an sich, maar over de manier waarop dit gevoerd wordt. Zelfs als we de retorische hyperbolen in acht nemen, blijft het nog zeer duidelijk dat de auteur religie als iets dwaas en irrationeels beschouwt.

  • als startstelling poneren in de les
  • module ‘denken en geloven’ als antwoord op deze stelling
  • (in kleinere groepen): de tekst kan vooraf op Toledo geplaatst worden, waarbij studenten moeten reageren (bv. welke visie heeft de auteur op religie en waarom ben je het daar wel (niet) mee eens). De reacties kunnen dan als illustratief materiaal gebruikt worden tijdens het vervolg van de module
  • na aankondiging thema (‘geloof en rede’) als illustratie: is geen abstract debat, maar heeft een diepe impact op maatschappelijke debatten
  • op basis van de tekst, die over een heel specifiek onderwerp gaat, maar algemene discussie over de waarde van religieuze argumenten in maatschappelijke debatten (bv. is het niet absurd dat die “idioten” geld krijgen van de overheid (bedienaars van de eredienst); of mag de staat religie steunen zolang ze een waardevolle bijdrage levert aan de samenleving – religie als religie is niet waardevol, … ; mag de staat zich in haar beslissingen enkel laten leiden door wat wetenschappelijk aantoonbaar is, of spelen waarden sowieso altijd een onontkoombare rol)
  • ‘roezemoesgroepen’: op basis van de tekst (moet dan ter beschikking gesteld worden) per drie/vier enkele vragen laten beantwoorden:
  1.  Waarom kan men zich volgens De Witte niet op religieuze argumenten beroepen in de discussie of men hoofddeksels mag dragen in de klas?
  2. Wat zijn volgens De Witte wel geldige argumenten in een dergelijke discussie?
  3. Op welke basis maakt De Witte dit onderscheid tussen geldige en ongeldige argumenten? Is dat volgens jou een goede basis? Is dit criterium altijd even duidelijk?

(antwoorden achteraf bespreken, verdere aanzet voor module (genuanceerd over de kwestie leren denken), indien mogelijk antwoorden in het vervolg van de module gebruiken als illustratie)
 

 

2) Schilderijen (cf. deel B)

De schilderijen die in deel B gebruikt worden ter illustratie van de middeleeuwse assimilatie van cultuur en religie kunnen ook als startimpuls gebruikt worden. Aan de hand van de afbeeldingen kan men de studenten laten reflecteren en discussiëren over de verhouding tussen denken en geloven in de middeleeuwen en vandaag.
 

Impulsen voor deel A (Denken vs. geloven?)
1) J. DE VOLDER, Ecoreligie beleeft lente, in Tertio 514, 14 december 2009 (eerste anderhalve paragraaf)

 Cf. Bart DE WEVER in Het belang van Limburg, 24-25 december 2009, p. 17: “Ik zet mij af tegen de nieuwe religie met zijn groene geboden die ons nieuwe schuldgevoelens tracht aan te praten.”

Cf. G. BODIFEE, Een geloof om niet te geloven, in De Standaard 15 januari 2010: “De grote verliezer in het klimaatdebat is de wetenschap. De vraag hoe het klimaat op aarde zal evolueren en wat de oorzaken van eventuele veranderingen zijn, is een wetenschappelijk probleem, geen geloofsaangelegenheid. waar we worden gevraagd in te geloven. De aarde warmt op (ondanks een strenge winter af en toe) en de mens heeft het gedaan. Dat is de leer. En dus zijn er believers en non-believers. Wel wordt ons voorgehouden dat er goede wetenschappelijke redenen zijn om te geloven, zo goede zelfs dat er onder wetenschappers een consensus over de opwarming zou bestaan. Non-believers zijn daarom noodzakelijk niet-wetenschappers, of in het beste geval dissidente wetenschappers, eeuwig sceptische geesten die hun weg zoeken in duisternis en afzondering.”

Evt. ook: afbeeldingen van klimaatmanifestaties (the big ask, Kopenhagen, …) tonen

  • Ecologisch leven wordt vandaag de dag geassocieerd met ‘weldenkend leven’ en ‘gezond verstand’; religie daarentegen met achtergesteldheid en naïviteit. De teksten wijzen op de parallellen tussen het hedendaags ecologische denken en religie.
  1. Wat zijn de gelijkenissen?
  2.  Wat zijn de verschillen? Waarin ligt precies het religieuze in een godsdienst dat ontbreekt bij ecologisme. Is ecologie geen godsdienst, maar misschien wel een levensbeschouwing (cf. het belang van enkele vooropgestelde waarden)?
  3. Welk beeld van religie hanteren de auteurs?
  4. Hoe komt het dat mensen zo makkelijk hun gedrag aanpassen aan allerlei niet-religieuze waarden, en tegelijk het aanpassen van gedrag in het kader van een religie vreemd of zelfs gevaarlijk vinden? (Cf. B. LANNOO, Vlees derven, in Tertio 419, 20 februari 2008, p. 3:
    “Tegenwoordig staat ‘vlees minderen’ zelden nog voor bekering, dan wel voor een zuiveringskuur, gezonder leven of diëten. We denken niet na over wat op ons bord ligt uit liefde voor het Rijk der Hemelen, maar omdat we ons cholesterolgehalte moeten verlagen, op het tennisveld vinniger uit de hoek willen komen of een sexy figuur nastreven.”

 

2) Sam HARRIS, Van God los. De gevaren van de religie en de toekomst van de rede [The End of Faith], 2007.

 Zie apart document met inleiding en citaten

  • Volgens Harris kan men alle religies beter naar de vuilnisbelt dragen omdat er geen bewijzen voor zijn (stelling 1, 2, 4, 5, …). Wat zou men volgens deze uitgangspositie dan nog allemaal naar de vuilnisbelt moeten dragen? (idealen, kunst, muziek, waarden, politiek, …)
  • stelling poneren en vragen of men het eens is (evt. stemmen via handopsteken/kleurenkaarten, of poll/discussie )

Om te voorkomen dat iedereen (zeker in de context van een college RZL) tegen de stelling is, kan men een eerder ‘milde’ stelling nemen (bv. 8, 9). Bij het spreken over tweede naïviteit en symbolisch denken kan dan teruggekomen worden op deze reacties.
Of men kan juist wel een zeer ‘harde’, ongenuanceerde stelling kiezen (bv. 1, 2, 3, 4, 12, 14) en daardoor de studenten in de verdediging van de religie duwen.

 

 

3) Rik Torfs over het offici
  • Aan de hand van deze tekst kunnen verschillende vragen gesteld worden:
    -Heeft Rik Torfs gelijk dat het ongeloof vandaag vanzelfsprekend is geworden? Maken mensen die gelovig zijn een bewustere keuze dan ongelovigen?
    -Hoe zou je Torfs’ analyse kunnen verklaren?
    -Heeft Torfs gelijk als hij zegt dat de ontwikkeling naar meer ongeloof los staat van de Verlichting?
  • De studenten kunnen deze vragen op voorhand via een discussieforum beantwoorden, of tijdens de les in kleine (roezemoes)groepjes, in grote groep, …

 

2. Verwerking

 De ark van Johan Huibers

Zie uitbreiding in de cursustekst (deel A). Men kan hier ook verwijzen naar een gelijkaardig initiatief, verder van huis: het Creation Museum van Answers in Genesis in de VS, met onder andere mechanische poppen van dinosaurussen. (cf. filmpje op Thomas-website (onder rubriek ‘natuurschepping’))

3. Suggesties voor specifieke studierichtingen

Algemeen (impuls)
  •  Biomedische richtingen: vragen naar voorbeelden van casussen waarin mensen hun geloof als argument gebruiken, bijvoorbeeld om een behandeling te vragen/weigeren (bv. getuigen van Jehova die bloedtransfusies weigeren; moslims die een vrouwelijke gynaecoloog vragen). Is dit irrationeel? Waarom zijn die mensen zo moeilijk met (rationele) argumenten te overtuigen? Omdat ze pas kunnen geloven op het moment dat ze alle rationaliteit verloren hebben? Omdat rationele argumenten niet altijd even (neutraal) redelijk zijn?
Deel B: Een vooroordeel van onze tijd?
  • Bij studenten geschiedenis (evt. kunstwetenschappen, filosofie) kan de studenten zelf gevraagd worden hoe, op basis van de elementen die ze kennen, volgens hun de verhouding tussen geloof en rede werd gepercipieerd in een bepaald tijdsvak. Eventueel kunnen de studenten voor de lessenreeks hierover nadenken in kleine groepjes (5-10 min.), met verschillende tijdvakken. Per groepje kan men een ‘rapporteur’ aanstellen. Vóór de behandeling van een tijdvak kan men dan eerst de verschillende rapporteurs van de groepjes die het betreffende tijdvak bespraken even aan het woord laten – en op hun suggesties terugkomen in tijdens de uiteenzetting. Een individuele (huis)taak is ook mogelijk (evt. reactie posten op Toledo, waar verschillende ‘topics’ met de verschillende tijdvakken zijn zodat de studenten zelf het tijdvak kunnen kiezen waarmee ze het meest vertrouwd zijn), al is het dan wellicht moeilijker op de verschillende suggesties van studenten terug te komen, tenzij het een onderdeel van een examen wordt, al moet de opdracht dan duidelijker omschreven worden. Om de studenten op weg te zetten moet kan hen best gewezen worden op enkele indicatoren voor de verhouding geloof-rede:

    1. Wat was de positie en het belang van de kerk in die periode? Hoe kwam dat en hoe keek men (zowel leden van de kerk als personen die er buiten stonden) tegen deze situatie aan?
       
    2. Wat was de positie van de niet-christelijke godsdiensten en hoe keek men daar tegen aan?
       
    3. Hoe ging men in de kunst om met religieuze taferelen en symbolen?
       
    4. Hoe verhielden geloof en wetenschap zich tot elkaar?
Deel D: De verhouding tussen denken en geloven, filosofie en theologie
  • In positief-wetenschappelijke (ook biomedische, maar ligt daar wellicht iets meer voor de hand) richtingen: onderwerp van het samengaan tussen scientia en sapientia aansnijden door te vragen waar hun wetenschap op gericht is; is het wetenschap op zich, of vanuit een bepaald ideaal (bv. het verbeteren van het comfort van de mens). Moet/mag wetenschap alles wat kan, of is ze gebonden aan niet-wetenschappelijke normen en kaders? (vnl. biomedische wetenschappen: het gaat niet over de vraag wat de kaders zijn (eerder ethische vraag), maar of er al dan niet zo’n kader is)

Suggesties examenvragen

Deel A: Denken vs. geloven?

  •  Omschrijf bondig de betekenis van de volgende begrippen:
    • tweede naïviteit
    • sciëntisme
    • creationisme
  • In Van God los stelt Sam Harris dat ‘gematigd gelovigen’ “zowel het geloof als de rede verraden”. Met welk concept kan men verklaren dat gelovigen wél recht kunnen doen aan zowel het geloof als de rede? Verklaar.
    • Verklaar hoe zowel denken als geloven kunnen leiden tot fundamentalisme.
    • Wat wordt in het begrip ‘tweede naïviteit’ bedoeld met ‘naïviteit’?
    • Waarom is denken belangrijk voor geloven?
    • Welke twee vormen van vooroordelen zijn er te onderscheiden? Geef van elk van beide een voorbeeld uit je eigen leven.
    • Wat is het verschil tussen ‘fides quae’ en ‘fides qua’. Op welke manier hangen ze samen?
    • Verklaar: creationisme is een vorm van ‘eerste rationaliteit’.
    • Verklaar: kritiek op geloof is vaak gebaseerd op vooroordelen.
    • Geef duidelijk aan of je akkoord gaat met deze stelling of niet. Motiveer je antwoord met drie duidelijk onderscheiden argumenten.
      • De Kerk is conservatief, geloven allerminst.
      • Geloof steunt op de weigering je verstand te gebruiken.
      • De staat zou religies veel aanzienlijker moeten subsidiëren, omdat ze samenhorigheid creëren.
      • Religie kan nooit ‘verstandig’ zijn, enkel misschien ‘wijs’.
      • Religies zouden naar jongeren toe meer symbolen moeten gebruiken i.p.v. theorieën.
      • Het christendom is achterlijk.

Deel B: Denken vs. geloven. Een vooroordeel van onze tijd?

  •  Omschrijf bondig de betekenis van volgende begrippen
    • moderniteit
    • postmoderniteit
    • opdeling van de levenssferenµ
    • philosophia ancilla theologiae
    • tweeboekenleer
    • ‘onttovering’
  • Licht toe hoe de vervlochtenheid van filosofie en theologie spontaan tot ontwikkeling kwam in de oudheid.
  • Verklaar waarom men er in de oudheid geen problemen mee had het christendom als een ‘filosofie’ te omschrijven. Zou het vandaag nog mogelijk zijn het christendom op dezelfde wijze te omschrijven?
  • Bespreek de verhouding tussen filosofie en theologie in de middeleeuwen. Illustreer je antwoord met een verwijzing naar kunstwerken.
  • Waarom kan Anselmus van Canterbury gelden als een uitstekend voorbeeld van de middeleeuwse beleving van de verhouding tussen denken en geloven. Kan een dergelijke manier van denken/geloven ook vandaag nog waardevol zijn. Zijn er kansen of gevaren?
  • Welke ontwikkelingen speelden een cruciale rol in de gewijzigde verhouding tussen filosofie en godsdienst na de middeleeuwen? Verklaar.
  • Hoe beïnvloedde een verandering in het mensbeeld de verhouding tussen filosofie en theologie in de nieuwe tijd?
  • Leg uit hoe de Duitse Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant met behulp van het ancilla-beeld de klassieke manier om de verhouding tussen filosofie en theologie voor te stellen omkeerde.
  • De postmoderniteit is zowel een breuk met als een verderzetting van de moderniteit. Licht toe en geef van beide tendensen een hedendaags voorbeeld.
  • Geef duidelijk aan of je akkoord gaat met deze stelling of niet. Motiveer je antwoord.
    • In de ‘tweede naïviteit’ wordt teruggekeerd naar de middeleeuwse omgang met de relatie tussen denken en geloven.
    • De wetenschappelijke ontwikkelingen in de nieuwe tijd leidden tot een kloof tussen de manier waarop men in de oudheid geloofde en de manier waarop men vandaag gelooft.
    • Onze samenleving heeft nood aan een nog verdergaande ‘modernisering’, bijvoorbeeld op het vlak van religie.
    • De modernisering in onze samenleving is te ver doorgeslagen.

Deel C: Parallellen tussen denken en geloven

  • Omschrijf bondig de betekenis van volgende begrippen:
    • sapientia
    • irenisch
    • bevrijdingstheologie
  • Bespreek drie parallellen van stijlen tussen denken en geloven. Wat kunnen deze parallellen ons leren?
  • Bespreek drie gelijkaardige bronnen in denken en geloven. Wat kunnen deze parallellen ons leren?
  • Geef een voorbeeld van analytisch en synthetisch / praktisch en theoretisch / concreet en abstract / kritisch en irenisch denken in je eigen studiedomein.
  • Welke geschriften / grote namen spelen een belangrijke rol in je studiedomein?
  • Op welke manier speelt ‘traditie’ een rol in je leven? Waarom vind je dit al dan niet belangrijk?
  • Geef duidelijk aan of je akkoord gaat met deze stelling of niet. Motiveer je antwoord.
    • Geloven is noodzakelijkerwijs altijd wat conservatief.
    • Kritiek is vruchtbaarder dan irenisch denken.

Deel D: De verhouding tussen denken en geloven, filosofie en theologie

  •  Omschrijf bondig de betekenis van volgende begrippen:
    • subordinatie
    • assimilatie
    • coëxistentie
    • Fides et ratio
  • Wat zijn de nadelen van het typeren van de verhouding tussen filosofie en theologie als subordinatie / assimilatie / polemiek / concurrentie / coëxistentie?
  • Op welke manier wordt de verhouding tussen filosofie en theologie vandaag best getypeerd. Verklaar.

Didactisch materiaal

Impulsen

Rik Torfs, het algemene ongeloof

In de vroege jaren zestig leek het of iedereen geloofde. Echt geloofde. Niet in vage dingen zoals het goede of de schoonheid. Niet in de mens of in zichzelf, zoals bekende Vlamingen vandaag. Maar in God en in het hiernamaals. Voor minder deden de mensen het niet. Ik geloof ooit dat ze echt zoveel geloofden als ze beweerden. Alleen, ongeloof lag moeilijk. De kerk  leek er niet aan toe. En zij was machtig.

Een halve eeuw later is het officiële geloof vervangen door het officiële ongeloof. Wie suggereert ook maar lichtjes gelovig te zijn wordt van een smakeloze poging tot humor verdacht. Sommige tijdgenoten worden trouwens geweldig kwaad wanneer hier en daar restanten van geloof worden gesignaleerd. Hoe komt dat toch? Een vaak gehoorde hypothese sluit ik uit. Het is niet zo dat de Verlichting met grote V, die vijftig jaar geleden nog aan onze landsgrenzen de adem inhield, plotseling Vlaanderen heeft veroverd en de geesten heeft bevrijd. Zo van: bompa was dom, maar ik ben slim. Je kunt erover discussiëren of de mensheid er in de loop van de geschiedenis qua intelligentie op vooruitgaat, maar als dat al zo is gaat het om een processie van Echternach. Van dom tot slim in vijftig jaar, daar geloof ik niet in. Dat is zoiets als twintig kilo verliezen door drie keer een kiwisapje te drinken.

R. Torfs, De Standaard 2 september 2010

Jan De Volder, in tertio

Valt het u ook op hoezeer het debat over de klimaatopwarming in religieuze termen wordt gevoerd? Veel van wat in naam van de religie wordt verketterd, wordt in naam van de ecologie wel aangenomen en verteerd. Hedendaagse westerlingen, die zich hebben vrijgevochten van de religieuze levensregels en wijsheden, laten zich gewillig gedragsverandering aanpraten door allerhande klimaatgoeroes. Onheilsprofeten en donderprekers voorspellen, in ware oudtestamentische stijl, de vele rampen die de mensheid wachten als we ons niet collectief bekeren. Jona in Nineve mag er een puntje aan zuigen.

Er zijn ecohogepriesters, liturgieën en hoogmissen, en vooral veel moralisten die ons zeggen wat goed is en wat slecht. Zeg niet: ik neem het vliegtuig naar Kopenhagen, maar zeg: Ik neem de fiets. En de hele discussie over CO2-emissierechten geldt als pad naar het geluk en het eeuwige heil: de middeleeuwse aflaathandel werd vervangen door de hedendaagse uitlaathandel. Toch hoeft ecodenken niet per se te leiden tot nieuwheidendom. Religieuze en ecologische waarden staan niet tegenover elkaar, zoals ons nummer vorige week belichtte. Het vrijwaren van de planeet voor de komende generaties door een evenwichtige levensstijl gaat bij uitstek ook gelovigen aan.

‘Mysterium Fidei’, de Vlaamse werkgroep ter bevordering van de Tridentijnse mis, liet over die wetenschap alvast geen gras groeien: in een brief aan de Belgische bisschoppen stellen ze voor het wekelijkse vleesderven op vrijdag in ere te herstellen. “Het schenkt ons opnieuw de mogelijkheid om de deugden van matigheid (in het eten), voorzichtigheid (voor de natuur) en vooral geloof (in Jezus Christus) bewust te beleven.” Of hoe hedendaagse ecologie en kerkelijke traditie elkaar naadloos kunnen vinden.

Jan De Volder, in Tertio (14 december 2009)

Van God los (S. HARRIS)

Sam HARRIS, Van God los. De gevaren van religie en de toekomst van de rede, Amsterdam – Antwerpen, Arbeiderspers, 2007 (oorspr.: S. HARRIS, The End of Faith, New York, W.W. Norton & Company, 2005)


Sam Harris kan geplaatst worden in het rijtje militante atheïsten waartoe ook Richard Dawkins (o.a. God als misvatting - The God Delussion) en Daniël Denett (o.a. De betovering van het geloof - Breaking the Spell. Religion as a Natural Phenomenon) behoren. Van God los is geschreven naar aanleiding van de aanslagen van 11 september en focust daarom in het bijzonder op de verhouding tussen religie en geweld.

Van God los is een rabiate kritiek op elk vorm van religieus geloof. De basis van deze kritiek is dat geloof indruist tegen de rede. Steevast blijkt het geloof dat indruist tegen de rede – en dat dan ook terecht als gevaarlijk wordt bestempeld door Harris – een letterlijk geloof te zijn. Opmerkelijk hierbij is dat Harris het bestaan van ‘gematigde gelovigen’ niet ontkent, maar dit interpreteert als een selectief letterlijk geloven: men gelooft letterlijk, maar niet alles; het anders dan letterlijk geloven heeft geen plaats in zijn betoog

Bovendien is in de context van de module Geloof en Rede ook de wijze waarop geargumenteerd wordt interessant. Harris poneert allerlei stellingen over religie met amper onderbouwing, alsof het allemaal onmiddellijk inzichtelijk en vanzelfsprekend is. Natuurlijk kan dat aangegrepen worden om Harris’ betoog te weerleggen, maar het feit dat het boek zo’n grote weerklank heeft kunnen vinden toont vooral ook aan dat veel mensen zich daar absoluut niet aan storen; dat wat voor Harris vanzelfsprekend is, dat ook voor hen is.

Enkele citaten uit het eerste hoofdstuk (‘De rede verbannen’) (eigen cursiveringen):

  1. Mensen werden duizenden jaren lang door alchemie gefascineerd, maar wie tegenwoordig in alle ernst beweert een praktiserend alchemist te zijn, diskwalificeert zichzelf daarmee voor de meeste hogere maatschappelijke posities. Op geloof gebaseerde godsdiensten verdienen eenzelfde gang naar de vergetelheid. (p. 12)
  2. Moslims en joden hebben over het algemeen dezelfde arrogante opvatting over hun eigen geloof en zijn al duizenden jaren bezig de fouten van andere geloofsovertuigingen te herhalen. En uiteraard zijn deze rivaliserende geloofssystemen al even gespeend van bewijzen. (p. 13)
  3. En toch verklaarden intellectuelen als H.G. Wells, Albert Einstein, Carl Jung, Max Planck, Freeman Dyson en Stephen Jay Gould dat de oorlog tussen rede en geloof al lang is gestreden. Naar hun mening hoeven onze denkbeelden over het universum niet altijd coherent te zijn. Iemand kan op zondag een godvrezende christen zijn en op maandag een hardwerkende wetenschapper, zonder rekenschap te hoeven afleggen van de scheidingsmuur die in zijn slaap in zijn hoofd lijkt te zijn opgericht. Hij kan de ene dag de ratio en de volgende dag het diametraal tegenovergestelde aanhangen. (p. 13-14)
  4. Het vereist een encyclopedische onwetendheid van de geschiedenis, de mythologie en de kunst om alleen al op het idee te komen dat een van onze godsdiensten het onfeilbare woord van de Enige Ware God vertegenwoordigt. […] Waar men ook denk dat de doctrines van de moderne religies oorspronkelijk vandaan komen, ze zijn niet houdbaarder dan die van eerdere godsdiensten, die duizenden jaren geleden vanwege een gebrek aan aanhangers op de vuilnisbelt van de geschiedenis belandden. Want er zijn net zomin bewijzen voor het idee dat Jahweh en Satan letterlijk hebben bestaan als er waren voor een Zeus die op zijn bergtroon zetelde of een Poseidon die de zeeën opzweepte. (p. 14-15)
  5. Uit deze enquêtes [die aangeven dat een groot percentage van de Amerikanen de Bijbel letterlijk interpreteert] blijkt dat wij als soort volkomen zijn bedwelmd door onze mythen. Waarom denken we dat onze ideeën over de wereld in dit onderdeel van ons leven volkomen vrij van ratio en bewijzen mogen rondwaren? (p. 15)
  6. De gematigde opvatting van religie negeert de letter van de Heilige Schrift zonder dit te erkennen. (p. 16)
  7. De gematigdheid die we onder niet-fundamentalisten zien, is geen teken dat het geloof zelf zich heeft ontwikkeld. Zij is het resultaat van de mokerslagen van het modernisme, die hebben aangetoond dat bepaalde geloofsartikelen reden geven tot twijfel. Niet de minste onder deze ontwikkelingen is het idee dat bewijzen belangrijk zijn en dat we alleen in stellingen geloven als die bewezen kunnen worden. Zelfs de meeste fundamentalisten laten zich wat dat betreft door de rede leiden. Alleen hebben zij in hun hoofd een aparte ruimte aangebracht voor de overvloedige aanspraken op de waarheid van hun geloof. Zeg tegen een vroom christen dat zijn vrouw hem bedriegt of dat je onzichtbaar wordt van yoghurtijs, en hij zal net als iedereen anders om bewijzen vragen en zich alleen laten overtuigen als die daadwerkelijk worden geboden. Vertel hem dat het boek op zijn nachtkastje is geschreven door een onzichtbare god die hem eeuwig in de hel laat branden als hij niet alle ongeloofwaardige uitspraken over hemel en aarde gelooft die erin staan, en hij maalt niet om een bewijs. (p. 17)
  8. Zulke concessies aan de moderne tijd [dat ziekten niet wijten aan zonden of de duivel; de opvatting dat de aarde zesduizend jaar geleden werd geschapen niet ernstig nemen] betekenen absoluut niet dat het geloof te rijmen valt met de rede of dat onze godsdienstige tradities in principe openstaan voor nieuwe kennis. Ze betekenen alleen dat het onontkoombaar nuttig is geworden om bepaalde geloofsartikelen te negeren. (p. 17)
  9. Gematigdheid in het geloof is het product van seculiere kennis en onwetendheid op het gebied van de godsdienstige teksten, en heeft in religieuze termen geen bona fides om gelijkwaardig te kunnen zijn aan fundamentalisme. […] Door niet naar de letter van de teksten te leven en de irrationaliteit te tolereren van degenen die dat wel doen, verraden de gematigden zowel het geloof als de rede (p. 19).
  10. Dat de meeste gematigden van goede wil zijn, wil niet zeggen dat het geloof veel meer is dan een wanhopig huwelijk tussen hoop en onwetendheid; het garandeert evenmin dat er niet een verschrikkelijke prijs betaald moet worden voor de inperking van de rede in de omgang met anderen. (p. 19)
  11. Godsdienstig gematigden lijken te geloven dat we op deze gebieden [spiritualiteit, ethiek en de vorming van hechte gemeenschappen] niet zozeer behoefte hebben aan radicale inzichten en innovatie, als wel aan een verwaterde vorm van de filosofie uit de ijzertijd. (p. 19)
  12. Vooruitgang in de godsdienst zou net als op andere gebieden een kwestie moeten zijn van onderzoek in het hier en nu, en niet van continue herhaling van doctrines uit het verleden. Wat nu waar is, zou nu ontdekt moeten kunnen worden, en beschrijfbaar moeten zijn in termen die niet een regelrechte belediging vormen voor de rest van wat we van de wereld weten. Naar deze maatstaf lijkt de zaak van het geloof volkomen achterlijk. Het kan de veranderingen die we hebben ondergaan op cultureel, technologisch en zelfs ethisch gebied niet aan. (p. 21)
  13. Als we de wereld opnieuw konden scheppen, zou de praktijk om ons leven te organiseren rond onverifieerbare stellingen uit oude boeken niet te rechtvaardigen zijn – laat staan dat we voor die stellingen zouden willen doden of sterven. (p. 23)
  14. India en Pakistan staan nu klaar om met elkaar met kernwapens uit te roeien, gewoon omdat ze het met elkaar oneens zijn over ‘feiten’ die evenzeer aan de fantasie ontsproten zijn als de namen van de rendieren van de Kerstman. (p. 25)
  15. Geloof ontstaat doordat de goedgelovigheid eindelijk de ontsnappingssnelheid bereikt waarmee ze kan ontkomen aan de beperkingen van het aardse discours – beperkingen als redelijkheid, samenhang, hoffelijkheid en oprechtheid. (p. 63)

Petten af in de klas (P. DE WITTE, DS 15/09/2009, p. 22)

Noot vooraf: De tekst kadert in het hoofddoekendebat (n.a.v. het algemene hoofddoekenverbod in het GO! In de context van de module ‘geloof en rede’ gaat het echter niet over dit debat an sich, maar over de manier waarop dit gevoerd wordt; de visie op religie die uit de argumentatie spreekt (zelfs mits in achtneming van de retorische hyperbolen):

  • “Een hoofddoek is niet fundamenteel anders dan een cowboyhoed, een sinterklaasmijter of een pruik.”
  • “De Amerikaanse schrijver en journalist Henry Louis Mencken heeft het al in 1956 treffend voor ons samengevat. Hij zei: ‘We moeten welzeker de religieuze overtuiging van onze medemens respecteren, maar enkel in zoverre dat we ook zijn theorie respecteren, als zou zijn vrouw beeldschoon zijn en zijn kinderen heel erg verstandig.’ Met andere woorden: het gaat om elementaire beleefdheid.”
  • “Vanwaar komt eigenlijk die op oude, door de wetenschap al lang achterhaalde, versleten gedachten gebaseerde eerbied voor iemands religieuze overtuiging? Het is maar precies dàt: een niet door de werkelijkheid ondersteunde overtuiging.”
  • “Een toupettendrager is er ook heilig van overtuigd dat niemand ziet dat hij een pruik draagt. Het is niet omdat men in zijn omgeving diplomatisch doet alsof men het toupet niet opmerkt dat de drager een natuurlijke haardos heeft. Het is: elementaire beleefdheid, met een vleugje empathie, afgewerkt met bereidheid tot het sluiten van intellectuele compromissen.”
  • Iedereen heeft welzeker het recht op zelfbegoocheling. Iedereen heeft het recht om te geloven in onzin van welke strekking dan ook. […] Volgens mij zijn het allemaal even erg labiele medemensen. […] Er zijn geen dwangbuizen genoeg om alle idioten te bedienen.
  • Er is maar één instrument om al die uit de periferie van de condition humaine ontsproten onzin en al lang achterhaalde middeleeuwse overtuigingen een krachtig halt toe te roepen: onderwijs.

Dat deze mening allesbehalve zonderling is onze samenleving blijkt uit de reacties op het artikel, die veel meer bevestigend (groen) dan kritisch (rood) zijn (cf. document)

Afbeelding: Eli

 

De Toren van Babel

 

Bruiloft in Kana

 

Laaste avondmaal

 

J. Van Eyck, Madonna in een kerk

 

R. Vanderweyden - De aanbidding van de wijzen

 

Verwerking

Cartoon - verkoper

 

Cartoon - wiskundig Atheist

 

Uitbreidingen & illustraties

LE MÉMORIAL (B. PASCAL)

L'an de grâce 1654

Lundi, 23 novembre, jour de saint Clément, pape et martyr, et autres au martyrologe.
Veille de saint Chrysogone, martyr, et autres,
Depuis environ dix heures et demie du soir jusques environ minuit et demi,

Feu

“Dieu d'Abraham, Dieu d'Isaac, Dieu de Jacob”
non des philosophes et des savants.
Certitude. Certitude. Sentiment. Joie. Paix.
Dieu de Jésus-Christ.
Deum meum et Deum vestrum.
“Ton Dieu sera mon Dieu.”
Oubli du monde et de tout, hormis Dieu.
Il ne se trouve que par les voies enseignées dans l'Évangile.
Grandeur de l'âme humaine.
“Père juste, le monde ne t'a point connu, mais je t'ai connu.”
Joie, joie, joie, pleurs de joie.
Je m'en suis séparé:
Dereliquerunt me fontem aquae vivae.
“Mon Dieu, me quitterez-vous?
Que je n'en sois pas séparé éternellement.
“Cette est la vie éternelle, qu'ils te connaissent, seul vrai Dieu, et celui que tu as envoyé,
Jésus-Christ.”
Jésus-Christ.
Jésus-Christ.
Je m'en suis séparé; je l'ai fui, renoncé, crucifié.
Que je n'en sois jamais séparé.
Il ne se conserve que par les voies enseignées dans l'Évangile.
Renonciation totale et douce.
Soumission totale à Jésus-Christ et à mon directeur.
Éternellement en joie pour un jour d'exercice sur la terre.
Non obliviscar sermones tuos. Amen.

 


Het jaar van genade, 1654

Maandag, 23 november, dag van Sint-Clemens, paus en martelaar, en anderen van het martyrologium,
Vooravond van Sint-chrysogonus, martelaar, en anderen,
Vanaf ongeveer half elf ’s avonds, tot ongeveer half één ’s nachts.

Vuur
“God van Abraham, God van Isaäk, God van Jacob,” niet die van filosofen en geleerden.
Zekerheid. Zekerheid. Bewustzijn. Vreugde. Vrede.
God van Jezus Christus.
Mijn God en Uw God
Uw God zal mijn God zijn.”
De wereld vergeten, en alles, buiten God.
Grootheid van de menselijke ziel.
“Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend, maar ik heb U gekend.”
Vreugde, vreugde, vreugde, tranen van vreugde.
Ik heb mij van Hem afgescheiden.
Mij hebben ze verlaten, de bron van levend water
Mijn God, zult Gij mij verlaten?
Dat ik in eeuwigheid niet van Hem gescheiden worde.
Dat is het eeuwige leven: dat ze U, de enige ware God, kennen, en Degene die Gij
gezonden hebt, Jezus Christus.
Jezus Christus
Jezus Christus
Ik heb mij van Hem afgescheiden; ik ben voor Hem gevlucht, heb Hem verloochend, gekruisigd. Dat ik nooit van Hem gescheiden worde.
Men kan Hem slechts bij zich houden langs de wegen die in het Evangelie worden geleerd.
Totale en zoete verzaking.
Totale onderwerping aan Jezus Christus en aan mijn geestelijke leidsman.
Eeuwig in vreugde voor één dag van inspanning op aarde.
Ik zal uw woorden nooit vergeten. Amen

Fides et ratio

De Nederlandse vertaling van de encycliek Fides et Ratio kan je vinden op www.rkdocumenten.nl of via de directe link (http://www.rkdocumenten.nl/rkdocs/index.php?mi=600&doc=10

Literatuursuggesties

Aanvullende literatuur voor geïnteresseerden

GELDHOF, J., Dienstmaagd of vriendin? Een dialoog tussen filosofie en theologie, Leuven – Voorburg, Acco, 2005.

GELDHOF J., Geloof – systeem – verwondering. Een essay over theologie en theologisch denken. (Christenen in dialoog), Averbode, Altiora, 2007.

BOEVE, L. , Vreemd gevleugeld. Johannes Paulus II over de verhouding tussen geloof en rede, in Bijdragen: tijdschrift voor filosofie en theologie 60 (1999) 299-323.

BOEVE, L., De zwaan of de duif? Twee leeswijzers bij Fides et Ratio, in Streven. Cultureel maatschappelijk maandblad, 66 (1999) 401-411.

DEKKER, C. (red.), Geleerd en gelovig. 22 wetenschappers over hun leven, werk en God, Kampen, Ten Have, 2008.

JONKERS, P. & R. TE VELDE (red.), Geloof en rede. Opstellen naar aanleiding van de encycliek Fides et Ratio, Leende, Damon, 2000.

VAN DER VEN, J.A. (red.), Geloof en verlichting. Oordelen over religie, Budel, Damon, 2007. (ook over religieus geweld, islam, conservatisme, …)

^ bovenkant pagina

Deze week in de media

Nieuw op Thomas