Discussie over het godsdienstonderwijs

Inhoud

Toespraak Mgr. Léonard

Heilige Vader

Ik heb u een meer uitgebreide versie laten bezorgen van de toespraak die ik hier en nu in een beknopte versie voor u zal houden. Het is een met pijn vervulde Belgische Kerk die vandaag voor u staat, na het schandaal dat het ontslag van een van haar bisschoppen heeft veroorzaakt. Een Kerk in pijn, maar tegelijk vastbesloten de problematiek in alle openheid aan te pakken. Daarvan levert het intense werk van de Commissie voor de behandeling van klachten wegens seksueel misbruik in een pastorale relatie het levende bewijs. Een Kerk bovendien die vastbesloten is nederig en moedig haar rol te blijven spelen in een sterk geseculariseerde samenleving waarin ze haar zending dient te vervullen.

De Kerk in ons land doet dat op verschillende vlakken. Eerst en vooral door een open en constructieve dialoog aan te gaan met de overheid, met de andere christelijke en religieuze gemeenschappen en met de burgerlijke samenleving. Ze doet dat vervolgens ook door een getuigenis van solidariteit met de (kans)armen in onze samenleving in deze economische crisistijd. En daarnaast door zich nog resoluter te laten informeren door de voortreffelijke en tot nu toe nog te weinig benutte expertise van onze katholieke universiteiten. Die vormen voor de Kerk geen bron van ethische problemen, maar integendeel, juist een buitengewone kans voor een wijs overleg met de mens- en exacte wetenschappen. Ten slotte wil de Kerk dat doen door een open en moedige relatie met de media.

Als het gaat om het interne leven van de Kerk, is onze eerste prioriteit de evangelisatie en de verdieping van het geloof. Daarvan getuigen de pastorale jaarthema’s, die de laatste jaren zijn gewijd aan de eerste geloofsverkondiging, de groei van het geloof, Gods woord, het Credo, en straks aan de sacramenten; eerst de initiatiesacramenten en daarna de overige. Daarbij komt de klemtoon in het bijzonder te liggen op de permanente catechese van volwassenen en op het catechumenaat.

In een land waar het leeuwendeel van de leerlingen school loopt in het vrije katholieke onderwijsnet en waar veel jongeren in het gemeenschapsonderwijs katholieke godsdienstles volgen, zijn wij vastbesloten grote inspanningen te leveren opdat de godsdienstles haar opdracht ten volle kan waarmaken, namelijk, een ontmoeting mogelijk maken met de persoon van Christus en met de kerninhoud van het katholieke geloof. Wij willen daarnaast onze inspanningen versterken om de schoonheid en de duurzaamheid van de liturgische praktijk op een positieve manier te bevorderen. Het zal de beste manier zijn om bepaalde scheefgegroeide praktijken recht te trekken. De liturgie mag dan wel op de meeste plaatsen gevierd zoals het hoort, we kunnen niet om de soms zware scheefgroei en lacunes in
sommige parochies heen. Als wij hierop niet louter disciplinair willen optreden, dan moeten we in de diepte werken aan de plausibiliteit van het geloof en aan de kennis van de liturgie.

Tegelijkertijd bouwen we aan nieuwe parochiale structuren, bedoeld om de lokale kerk als een levendige gemeenschap van gemeenschappen, die open staan voor elkaar, te laten ervaren. Voor al die noodzakelijke ingrepen waarvoor de Kerk van ons land nu staat, rekenen wij op alle roepingen en zendingen, eigen aan de leden van onze kerkgemeenschap. Mogen zij zich gedragen weten door gewijde ambtsdragers, mannelijke en vrouwelijke religieuzen, gemeenschappen van godgewijd leven en lekengelovigen. In onze Belgische Kerk zou niets mogelijk zijn zonder de daadwerkelijke inzet van zovele lekengelovigen in onze parochiefederaties, catechese, onderwijs, het sociale leven, de gezondheidssector, de jeugd- en jongerenbewegingen enz. Dit alles mag gezegd zonder daarom te vergeten dat de oorspronkelijke zending van de leken erin bestaat de samenleving te doordesemen met de gist van het evangelie. Het is vanuit deze visie dat wij ons verheugen over het engagement, opgenomen van door al die leken in het onderwijs, de gezondheidszorg, de bedrijfswereld, de industrie en de politiek. Zij verdienen onze dankbaarheid en onze bemoediging, want zij integreren de christelijke levenskeuze in hun professionele leven.

Het godgewijde leven baart ons meer zorgen. De gemeenschappen van apostolisch leven en de seculiere instituten die erin slagen nog jongeren te rekruteren zijn vandaag heel zeldzaam. De situatie is nauwelijks beter in de contemplatieve zuster- en broedergemeenschappen. Roepingen tot de maagdenwijding zijn mooi, maar ook zij zijn zeldzaam. Alleen enkele nieuwe bewegingen slagen er merkbaar in iets beter te rekruteren, maar ook daar zijn de intredes lang niet massaal.

Roepingen voor het permanente diaconaat, of ze nu spontaan zijn of aangewakkerd door een persoonlijke tussenkomst, komen meer voor, zonder daarom ook echt talrijk te zijn. De diakens hebben gaandeweg een evenwicht gevonden tussen liturgische dienstverlening, parochiale inzet en aanwezigheid in de wereld op diverse vlaken. Deze roeping blijft aan geloofwaardigheid winnen; we zijn daar blij om.

Blijft het belangrijke probleem van de priesterroepingen. Nog nooit stonden we er op dit vlak in ons land zo slecht voor. Zowel aan Vlaamse als aan Franstalige kant zullen we tegen de opening van het nieuwe academiejaar een reeks maatregelen nemen om de bestaande vormingscentra te versterken. Zij moeten toelaten een voldoende aantal seminaristen samen te brengen en hen kwaliteitsonderwijs te verstrekken, en moeten voldoende uitstraling hebben in de jongerenwereld.

Dit alles doet me besluiten met nog enkele woorden over de roepingenpastoraal, de jongerenpastoraal en de gezinspastoraal. Wij kunnen ons om te beginnen verheugen in de hoge vlucht die de roepingenpastoraal aan het nemen is, meer bepaald dankzij de jaarlijkse campagne verbonden aan Roepingenzondag, maar ook dankzij de vele studiedagen die aan dit thema gewijd worden, in het bijzonder in het lopende ‘Jaar van de Priester’.

Op haar beurt moet de gezinspastoraal bijdragen aan de roepingenpastoraal. Een christelijk gezin, waar de leden met elkaar verbonden zijn rond de Heer, is immers een van die plaatsen waar een roeping kan open bloeien. Deze pastoraal heeft haar eigen inhoud, is gericht op de verbetering van de voorbereiding op het huwelijk en op de ondersteuning van koppels in hun wederzijdse trouw. Zij is gericht op het sacrament dat hen verbindt, om in liefde en waarheid de confrontatie aan te kunnen met de pijnlijke, alom aanwezige realiteit van de mislukking van het huwelijk en met alle diepmenselijke en kerkelijke problemen die daaruit voortvloeien. Deze pastoraal probeert ook in te gaan op de nieuwe uitdagingen waarvoor de samenleving ons plaatst: de nieuwe samenlevingsvormen als koppel buiten het klassieke huwelijk, de opvang van de kinderen en de problemen die met hun opvoeding te maken hebben.

Zo heeft de jongerenpastoraal net zo goed haar eigen doelstellingen, op zoek als ze is naar mogelijkheden voor jongeren om God op een krachtige manier te kunnen ontmoeten. Het is daar dat bovendien nieuwe roepingen geboren kunnen worden. Vanuit dit standpunt bekeken, en naast de educatieve en soms religieuze inbreng van de jeugdbewegingen, verheugen wij ons in het constructieve werk dat geleverd wordt bij jongeren via diverse jongerenbijeenkomsten, op diocesaan, nationaal en internationaal vlak, dankzij de dynamiek van de jongerenpastoraal. Ik onderlijn hier evenzeer de bloei in ons land, en dan vooral in Vlaanderen, van de acolietenwerking.

Heilige Vader, het was niet mijn bedoeling exhaustief te zijn bij het aankaarten van onze zorgen, vreugden en noden. Ik dank u voor uw luisterbereidheid en ik verzeker u van onze grote bereidwilligheid om ons te laten gidsen, onderrichten en stimuleren door uw Petrusambt, ten dienste van de universele Kerk en van de Kerk in ons land in het bijzonder. Wij verzekeren u van onze aanhankelijkheid en van onze broederlijke genegenheid.

Mgr. André-Joseph Léonard, aartsbisschop van Mechelen-Brussel

Bron: Kerknet.be

Godsdienstonderwijs niet gediend met polarisatie Een reactie vanuit de Faculteit Godgeleerdheid

L. Boeve, Decaan
D. Pollefeyt, Vicedecaan onderwijs en godsdienstpedagoog

De uitspraken van Mgr. Léonard in de Vlaamse pers hebben de discussie omtrent de aard van het godsdienstonderwijs opnieuw bovenaan de agenda geplaatst. Namens de Faculteit willen we in deze korte mededeling een paar elementen uit deze discussie kort becommentariëren. Beiden waren we tegelijk als expert betrokken bij de opmaak van de vernieuwde leerplannen.

Ongelukkige timing
                                  
Precies nu vele godsdienstleerkrachten in de vuurlinie staan om de vele vragen te beantwoorden naar aanleiding van het seksuele misbruik in de kerk worden vanuit de kerk kritische vragen gesteld bij het functioneren van het godsdienstonderwijs. Dat is een wel zeer ongelukkige samenloop van omstandigheden. Het is niet onbegrijpelijk dat vele godsdienstleerkrachten zich hierdoor onvoldoende gesteund weten in de moeilijke taak die zij ook nu op loyale wijze volbrengen. Ook het feit dat dit de eerste keer is dat zij door de nieuwe aartsbisschop worden aangesproken, onrechtstreeks, via de pers en vanuit Rome, heeft velen pijn gedaan.

De zorg van de kerk

Voor de wetgever staat de kerkelijke overheid borg voor de authenticiteit van het godsdienstonderricht. Ze doet dit door middel van de ontwikkeling van leerplannen en de goedkeuring van de leermiddelen. Het is begrijpelijk dat de aartsbisschop zijn verantwoordelijkheid hiervoor opneemt en zijn zorg voor de toekomst van de rooms-katholieke traditie in het godsdienstonderwijs formuleert. Dat geloofsopvoeding in de bevoorrechte plekken gezin en parochie moeilijk verloopt, is de aartsbisschop niet onbekend.

Geen tegenstelling zoeken waar er niet noodzakelijk een tegenstelling is

Meer aandacht voor een uitdrukkelijk voorleggen van het christelijk geloof in het godsdienstonderwijs hoeft niet in tegenspraak te zijn met openheid voor de religieuze veelheid en waarderende zorg voor de levensbeschouwelijke vrijheid en keuzes van de leerlingen.

Meer nog: precies binnen de context van levensbeschouwelijke veelheid kan het christelijk geloof expliciet en op een nieuwe manier ter sprake gebracht worden, zeker nu onze hedendaagse cultuur niet meer op evidente wijze door een christelijke betekenishorizon bepaald wordt. Juist doorheen die confrontatie worden leerlingen toegerust om ook als burger om te gaan met levensbeschouwelijke diversiteit.

Het leerplan als actueel referentiekader

Het leerplan rooms-katholieke godsdienst, dat door de bisschoppen is goedgekeurd, biedt een raamwerk waarbinnen de christelijke traditie en de actuele zinvragen met elkaar in gesprek kunnen gebracht worden. Godsdienstleerkrachten worden daarbij gezien als goede en betrokken gidsen in de christelijke traditie. Dit kan enkel op een open en dialogale wijze, in respect voor de levensbeschouwelijke herkomst en groei van de leerlingen. Doel is dan het christelijk geloof in zijn breedte én diepte zo te presenteren dat dit de levensbeschouwelijke zoektocht en de verscheidenheid van de leerlingen au sérieux neemt en hen toerust om zelf verantwoorde keuzes te maken. Dat dit vandaag in toenemende mate vereist dat de kenniscomponent van het christelijke geloof meer aandacht moet krijgen, spreekt voor zich temeer dat niet alle kinderen en jongeren vandaag kennis maken met de christelijke traditie via thuis of een parochie. Dat godsdienstleerkrachten in dit complexe leerproces zich geïnspireerd weten door en krachten putten uit de christelijke geloofstraditie blijkt daarenboven uit recent empirisch onderzoek. Ook dit spreekt de kritiek dat godsdienstonderwijs verworden is tot maatschappijleer tegen.

 

Het leerplan uitgedaagd

Het godsdienstonderwijs wordt dus op driedubbele wijze uitgedaagd: (1) de zorg voor de toekomst van de christelijke traditie, (2) de levensbeschouwelijke groei van kinderen en jongeren en (3) een samenleving die religieus pluraliseert. Het is deze spanning waarin het leerplan zich begeeft. Telkens opnieuw zal de feitelijke manier waarop het leerplan in deze spanning bemiddelt, kritisch onderzocht moeten worden en waar nodig bijgestuurd. Daarbij is steeds ook in het geding hoe het vak zich verhoudt tot het project van de school. Net zoals in het verleden is de Faculteit Godgeleerdheid bereid om, samen met het onderwijsveld en de geloofsgemeenschap, het godsdienstonderwijs verder te ondersteunen. Dit kan gestalte krijgen via wetenschappelijk onderzoek, via opleidingen en via dienstverlening (Thomas: www.godsdienstonderwijs.be). De Faculteit kondigde reeds een tijd geleden studiedagen aan waarin de leerplannen rooms-katholieke godsdienst aan een evaluatie zullen onderworpen worden.

Kortom

Zorg voor de identiteit van het vak en voor de gepluraliseerde klassituatie hoeven niet tegen elkaar uitgespeeld worden, maar bieden ook vandaag kansen voor een informatief en authentiek godsdienstonderwijs. Dit alles veronderstelt goed opgeleide godsdienstleerkrachten die thuis zijn in de traditie, die weet hebben van de zorg van de samenleving en die kunnen omgaan met de vragen van jonge mensen.

Mgr. Luc Van Looy

Beste vrienden leerkrachten godsdienst in het vrij onderwijs en het openbaar onderwijs,

In het kader van de gebeurtenissen rond de Kerk wordt nu ook het vak godsdienst mee betrokken in de media. Terwijl we bezig zijn met de leermiddelen te bekijken heeft men blijkbaar begrepen dat het leerplan in vraag wordt gesteld. Ik voel me bij deze nieuwe thematiek betrokken, en ik weet dat ook jullie nu bekeken en bevraagd worden. Ik kan alleen maar mijn diepe waardering uitspreken voor het werk dat jullie zo zorgzaam en ernstig doen. Het is niet eenvoudig, vooral in scholen met een multiculturele bezetting van leerlingen, katholieke godsdienst te geven. Het is ook nooit eenvoudig geweest, geloven is nu eenmaal niet eenvoudig. Het ontdekken van de religieuze dimensie in de mens is een blijvende zoektocht voor ons allemaal. Toch gaan jullie er met hart en ziel voor en openen jullie voor onze jongeren perspectieven van geloof en inzet voor de medemens. Wat we nu horen kan natuurlijk voor ons ook een aansporing zijn om het evangelie en het leerplan nog meer ernstig te nemen in onze lessen en in de pastorale begeleiding op school, en zeker ook om elkaar te ondersteunen in het werk. Laat zeker de moed niet zakken, het is een té belangrijke opgave voor de toekomst van de jonge mensen zelf en van de kerk. Ik moet u zeker niet vertellen hoe belangrijk de rol is van gist in de samenleving.
Met mijn waardering en dank voor uw blijvende, en soms moedige inzet.

+ Luc Van Looy

Bisschop van Gent

Pastorale brief van de bisschoppen (19 mei 2010)

Beste vrienden leerkrachten godsdienst in het vrij onderwijs en het openbaar onderwijs,

In het kader van de gebeurtenissen rond de Kerk wordt nu ook het vak godsdienst mee betrokken in de media. Terwijl we bezig zijn met de leermiddelen te bekijken heeft men blijkbaar begrepen dat het leerplan in vraag wordt gesteld. Ik voel me bij deze nieuwe thematiek betrokken, en ik weet dat ook jullie nu bekeken en bevraagd worden. Ik kan alleen maar mijn diepe waardering uitspreken voor het werk dat jullie zo zorgzaam en ernstig doen. Het is niet eenvoudig, vooral in scholen met een multiculturele bezetting van leerlingen, katholieke godsdienst te geven. Het is ook nooit eenvoudig geweest, geloven is nu eenmaal niet eenvoudig. Het ontdekken van de religieuze dimensie in de mens is een blijvende zoektocht voor ons allemaal. Toch gaan jullie er met hart en ziel voor en openen jullie voor onze jongeren perspectieven van geloof en inzet voor de medemens. Wat we nu horen kan natuurlijk voor ons ook een aansporing zijn om het evangelie en het leerplan nog meer ernstig te nemen in onze lessen en in de pastorale begeleiding op school, en zeker ook om elkaar te ondersteunen in het werk. Laat zeker de moed niet zakken, het is een té belangrijke opgave voor de toekomst van de jonge mensen zelf en van de kerk. Ik moet u zeker niet vertellen hoe belangrijk de rol is van gist in de samenleving.
Met mijn waardering en dank voor uw blijvende, en soms moedige inzet.

+ Luc Van Looy

Bisschop van Gent

Mededeling aartsbisschop Mgr. Léonard (19 mei 2010)

“De verwijten die me langs de pers om zijn gemaakt, zijn gebaseerd op uitspraken die ik gedaan heb in Rome op vrijdag 7 mei en die uit hun context zijn gehaald. Net als mijn collega-bisschoppen heb ook ik destijds ingestemd met de verschillende leerplannen voor de lessen katholieke godsdienst in de scholen. Die lesprogramma’s vatten de godsdienstlessen – terecht – op als een vak dat aan scholieren wordt gegeven en niet als een catechismus, die het geloof van jongelui moet zien te versterken. Die leerplannen katholieke godsdienst nodigen de leerkrachten uit de link te leggen tussen het vak en de eigen leefwereld van de leerlingen, maar vereisen tegelijkertijd dat zij, net zoals dat voor alle andere vakken het geval is, een geheel van objectieve gegevens krijgen aangereikt over het katholieke geloof, de Bijbel, het leven en de boodschap van Jezus, de geschiedenis en organisatie van de katholieke Kerk e.a.
In een multiculturele samenleving waar ook heel wat gedoopte leerlingen geen actieve band met de parochie meer hebben, is de godsdienstles des te nuttiger voor de leerlingen in het gemeenschapsonderwijs die bewust voor het vak hebben gekozen of voor zij die kozen voor een katholieke school. De godsdienstles biedt de leerling echt de kans om op een rationele manier de christelijke boodschap te leren ontdekken, met alle respect uiteraard voor zijn of haar persoonlijke overtuiging. Nog op diezelfde persconferentie in Rome heb ik onderstreept dat de bisschoppen van ons land het waardevolle werk van de godsdienstleerkrachten waarderen en ondersteunen. Voor de nabije toekomst hoop ik de dialoog met hen te kunnen voortzetten in een persoonlijk contact en luisterbereid in plaats van via de pers.”
(Bron: Kerknet)

Terug naar de Mechelse Catechismus? (Roland Mullie)

"De godsdienstles is al lang geen godsdienstles meer", zegt de aartsbisschop Léonard deze week. Deze uitspraak deed mij even denken aan de godsdienstlessen die ik in het verleden genoot. Dat waren zeker echte godsdienstlessen.

Als ik terug denk aan mijn lagere school ervaringen dan komt eerst en vooral naar boven "de angst" en de "schuldgevoelens" waarmee we werden opgevoed in de godsdienstles. In deze werd er gedreigd met hel en verdoemenis. Mits bepaalde praktijken werden we terug gerustgesteld. We konden ons verzekeren van een entreekaartje voor het paradijs door bijvoorbeeld negen eerste vrijdagen naeen naar de mis, te biecht en te communie te gaan. Samen met vele klasgenootjes hebben we daar alles opgezet. Ik ben er echter nooit in geslaagd om zonder onderbreking die negen eerste vrijdagtaken te volbrengen.

De catechismus, het geloofsboek bij uitstek, was de kern van de godsdienstles. Doel was aan de plechtige communie alle vragen en antwoorden van buiten te kunnen opzeggen. Weten de leerlingen nu ‘te weinig’, dan wisten wij wellicht ‘te veel’. Al die vragen en antwoorden van buiten leren was niet gemakkelijk. Het was zo dat iedere vraag een andere verborg.

Een voorbeeld uit de Mechelse Catechismus:

"Waar is God?"
"God is in de hemel, op de aarde en op alle plaatsen."
Wat doet God in den hemel?
Hij loont daar de gelukzaligen.
Is God ook in de hel?
Ja God is ook in de hel.
Wat doet God in de hel?
Hij straft daar de verdoemden.
Wat doet God op de aarde?
Op de aarde, bewaart en bestiert God alles.
Belangrijk waren ook de geboden: een voorbeeld van het zesde en negende gebod over "de onkuisheid".

Wat verbiedt het zesde gebod?
Het zesde gebod verbiedt alle onkuische werken, oogopslagen, woorden, liedekens en lezingen.

Welke zijn de gevaarlijkste gelegenheden der onkuisheid?
Ten 1ede omgang met onkuischaards en de gemeenzaamheid met personen van het ander geslacht; ten 2ede theaters, dansen, bals en andere nachtvergaderingen van denzelfden aard; ten 3e de onzuivere boeken en gezangen; ten 4e het aanschouwen van onzedige beelden, schilderijen, printen en andere zaken die de driften aanhitsen; ten 5e de ledigheid; ten 6e de onmatigheid.

Daarmee samenhangend was de angst voor de hel of de eeuwige verdoemenis, schrijft Juliaan Vande kerkhove in info 208 van Mensen Onderwaeg. Voor de franciscanen en dominicanen was de hel het meest geëigende pastorale wapen. Dit wapen werd vooral gebruikt bij het prediken van “missies” op de parochies.
Zij situeren de hel bijvoorbeeld tot 7000 km diep in het centrum van de aarde. De hellestraffen : ik citeer : “De hel is een plaats, diep onder de grond, pikdonker, met hevig vuur, dat geen licht geeft! een vuurpoel vol solfer, allerlei soorten kwalen en infecties te vergelijken met de riolen van de stad; een knekelhuis waar engelen alle menselijk schroot dumpen, een stinkende grot met de gereanimeerde karkassen en afstotelijke krengen, van de verdoemden; een kuil , die langs alle kanten afgesloten is met sloten, staven en onverbreekbare kettingen”.
Ook de eigenschappen van het hellevuur worden in détail beschreven : op citaat : “Het hellevuur vereenzelvigt zich met de verdoemde, de grotere zondaars hebben het warmer en de lichaamsdelen die hier op aarde het meest gezondigd hebben, worden ook extra be-vuurd. Het vuur brandt heel hard, maar ‘kremeert’ niet (anders zouden de straffen niet eeuwig zijn).

Als tegenhanger van deze bedreigingen, reikte de kerk ook middelen en praktijken aan waardoor al dat uitzichtloze geneutraliseerd kon worden.
Allerhande riten : zegeningen van water, brood, wijdingen van kaarsen, van vuur, van kruiden. Processies , bewaarengelen en het dragen van het scapulier waren ook een belangrijke steun.
De wijding van het ‘Agnus Dei’ : een kleine medaille, gemaakt uit was van de paaskaars gemengd met chrisma dat door de paus zelf gewijd was. Het ‘Agnus Dei’ is bedoeld om : ik citeer : zonden te vergeven; vergiffenis te bekomen; genaden te verkrijgen, wind , hagel, onweer, bliksem af te weren en te doen ophouden; duivelse geesten te verjagen; moeder en kind te behouden bij bevalling, mensen steeds gerust te stellen, te beveiligen en te behoeden tegen alle gevaren.

Een grote hulp was ook het aflaten-systeem dat onder ander goed werkte op de zielen in het vagevuur. In de 13de eeuw werd de constructie van het Vagevuur op punt gezet. De aflaten konden toegepast op het Vagevuur, en wel op twee manieren : 1. De levenden kunnen dank zij de aflaten de tijd die ze later in het Vagevuur zullen moeten doorbrengen, inkorten, of helemaal annuleren : een soort vooruitwerkenden kracht voor zichzelf.... 2.De levenden kunnen ook, dank zij de aflaten, hetzelfde bekomen voor hen die reeds in het Vagevuur zijn : een soort terugwerkende kracht voor anderen die al gestorven zijn.
Misbruiken en laksheid groeiden... zowel bij fervente predikanten-aftroggelaars, die er privé aflaten-banken op nahielden, als aan de top van de kerk zelf.

Het middelbaar :

Na mijn plechtige communie kwam nog het vormsel. Ik ben gevormd “achter de vieren”. Misschien kan je dat nu nog aan mij zien, ik weet het niet. De bisschop trok van de ene gemeente naar de andere We werden uit de klas gehaald en naar de kerk gebracht. De vrouw van de burgemeester was vormmeter van alle meisjes en de burgemeester vormpeter van alle jongens. Onze ouders waren er niet bij.

Ik kwam terecht in de zesde latijnse in het college in Avelgem.
We kregen er “godsdienstleer”.voor de laagste klassen van het middelbaar onderwijs door A. Vandevelde, leraar Normaalschool Torhout. Drie deeltjes voor de eerste drie jaren. Ik heb de drie deeltjes nog bij me. Eerste deel “Geloofsleer”. In de eerste afdeling ging het over “De waarheden van ons geloof”. Pas op dat waren nog de echte waarheden hoor. Nu zijn die waarheden allemaal zo echt niet meer, er is veel aan geknabbeld.

Een paar voorbeelden :

De H.Drievuldigheid : “De drie goddelijke Personen zijn dus alle drie niet iets anders, maar wel elk iemand anders : zij zijn nl drie van elkander onderscheiden Personen”.
"Adam en Eva waren het eerste mensenpaar en konden dus van niemand hulp noch zorg ontvangen. Onmiddellijk bij hun schepping kregen ze de heiligmakende genade, een gave boven alle aardse bezittingen. God maakte ze van meet af aan volgroeid naar lichaam en volleerd naar den geest. Zonder studie noch inspanning kende Adam bv al de dieren. Deze bijzondere gaven zouden echter niet over gaan op hun afstammelingen”. Jammer toch vind ik.
Zo gaat het handboekje verder met andere geloofswaarheden. Na ieder hoofdstukje vind je een bladzijde met herhalingsvragen.

Het tweede handboekje handelt over het “Gebed en de Geboden”

Het gaat o.a. over de heiligen en hun verering : bijvoorbeeld “Van veel heiligen bestaan nu nog hier op aarde : hun lichaam of delen ervan, op wondere wijze bewaard; klederen, werktuigen van hun marteldood, het bloed dat zij vergoten. Dat zijn relikwieën Zelfs van O.L. Heer bestaan aldus relikwieën van Zijn H. Bloed, het H. Haar, het H. Kruis, de nagels waarmee Jezus aan ’t kruis genageld werd. Het is een daad van liefde en verering de relikwieën te gaan kussen als de priester ermede te zegen staat.”

Twee herhalingsvragen hieromtrent :

Hoeveel heiligen zijn er wel in de hemel? Alleen de heiligverklaarden?
Onder welke klassen van menschen zijn er heiligen, in welke streken, uit welke tijden?
Verder wordt gehandeld over de liefde en de geboden, o.a. over de sacrificieplicht en zondagsheiliging “ Wij hebben den zwaren plicht regelmatig een sacrificie aan God op te dragen. Voor ons is dat sacrificie de H. Mis. Ook het onderhoud van de kerkelijke geboden, o.a. de boekenwetten : De H.Kerk helpt haar gelovigen in het volbrengen van het geloof. Als een goede moeder wijst zij haar kinderen bepaalde gevaren van zonde aan, en houdt ze door eigen geboden en straffen van die gevaren af. Dat doet zij onder meer in haar boekenwetten”.

Het derde deeltje, voor het derde jaar handelt over het “Sacramenteel Leven”. : Vooral langs zeven overvloedige genadestromen vloeien de vruchten van Jezus’ kruisdood het mensdom toe.
In de poësis en de retorica, hadden we een handboek van godsdienstleer : “Ons Rijk Geloof” van een zekere pater Roose. Dat was voor mij een openbaring , ik wist niet dat ons geloof zo ‘rijk’ was. Vooral rijk aan theorie. Ik herinner mij nog zeer goed dat we de godsbewijzen van St Thomas moesten van buiten leren. Dat waren nogal bewijzen hoor, tegenwoordig vind je zo’n bewijzen niet meer.

Het is voor mij nog altijd een raadsel waarom men zo weinig of niet het evangelie las. Juliaan Vandekerkchove schrijft in Mensen Onderweg info 208: “Angst” en “verzekering”…een pastoraal van macht en evenwicht? :“De kerk bedoelde het goed.(ik vraag het mij af…) Waar zij te maken had met onmondige en onontwikkelde massa, wilde zij de mens een leven lang begeleiden, op het goede spoor houden, en de middelen aanreiken die “leiden tot het eeuwig leven”. Zij diende zich aan als het systeem van rotsvaste zekerheid en betrouwbaar houvast. Vanuit haar “macht” bond zij de strijd aan tegen alles wat het heil van de mens in de weg stond”.

“In dit systeem past een pastoraal die mensen wijst op verleidingen en gevaren en ze ervan weghoudt; die bepaalt wat afwijking of ketterij is en deze in de kiem wil smoren; die de angst aanwakkert; die dreigt met hel en verdoemenis, en een mechanisme van schuldgevoel ontwikkelt. In dat kader past ook een pastoraal die mensen onder bepaalde voorwaarden en mits bepaalde praktijken geruststelt, zalft, en verzekert van een entreekaart voor het paradijs. Dreigen en zalven liggen dicht bij elkaar; “angst” en “verzekering” worden in evenwicht gehouden door wie over de waarheid en over de macht beschikt”.

Als slot laat ik de Mechelse Catechismus nog even aan het woord over het Huwelijk en de Heilige Schriftuur :

Wie heeft het huwelijk ingesteld?
God zelf in het begin der wereld, wanneer hij Eva aan Adam voor huisvrouw heeft gegeven.
Is er een gebod van den huwelijken staat te aanvaarden?
Neen; het is zelfs beter in onthouding te leven dan te trouwen.
Waarom is het beter in onthouding te leven dan te trouwen?
Ten 1e omdat men de zuiverheid onderhoudt, die een van de drie evangelische raden is, aan God grootelijks behaagt en vele gratiën en gunsten doet verkrijgen; ten 2e omdat men , vrij zijnde van de ongemakken van den huwelijke staat, God met meer vrijheid en volmaaktheid kan dienen.
Welke zijn de ongemakken van den huwelijken staat?
In het Huwelijk is men aan vele bekommernissen en aan zwaren last onderworpen, en zo geschiedt dikwijls, dat de gehuwden, het hart tussen den Schepper en de schepselen verdeeld hebbende, God met minder getrouwheid dienen.
Heeft de Zaligmaker de getrouwden aangemoedigd om den last van hunnen staat wel te dragen?
Ja, hij heeft daarom de bruiloft van Cana bijgewoond, en ook het huwelijk tot de waardigheid van Sacrament verheven.
Ik heb van jongsaf aan interesse gehad voor de bijbel, de gewijde geschiedenis boeide me ten zeerste. De Mechelse catechismus waarschuwt echter…Het is niet zomaar toegelaten de bijbel te lezen.

Is het somtijds verboden de H.Schriftuur te lezen?
Het is verboden de H.Schriftuur te lezen in ene gesproken taal, als de vertaling niet goedgekeurd is.
Is de H. Schriftuur heel klaar en kan elkeen ze wel verstaan?
Neen, zij is op vele plaatsen duister, en daarom is het gevaarlijk voor ongeleerde menschen die te lezen.
Mag iedereen de H. Schriftuur verstaan en uitleggen volgens zijn goeddunken?
Zoo leren de ketters, maar ten onrechte : want aan de H. Kerk alleen komt het toe te oordelen over den waren zin en de uitlegging de H. Schriftuur.
Ik ben een gepensioneerd godsdienstleraar. Ik ben altijd een gelukkige godsdienstleraar geweest en ik meen te mogen zeggen dat mijn lessen geen allegaartje van levensbeschouwelijke dingen waren.
In 2003 las ik in Kerk en Leven dat de paus de priesters uitdrukkelijk vraagt om in hun taak als catecheet de “Catechismus van de katholieke Kerk” als eerste referentiewerk te gebruiken. Van deze catechismus, die in 1992 verscheen en ruim duizend bladzijden telt, verscheen in 2005, denk ik, een compactere versie met een korte, eenvoudige en duidelijke synthese van wat essentieel en fundamenteel is voor het christelijke geloof en de christelijke moraal.
Zo belanden we terug bij de Mechelse Catechismus, vanwaar ik vertrokken ben.
Komt er nu wellicht een nieuwe Mechelse Catechismus?
Roland Mullie, Harelbeke : Onze Lieve Heer hemelvaart 2010-05-13

Uw reactie (enkel voor godsdienstleerkrachten)

Overzicht reacties

 

Naam:Luc Delaey
School:Klein Seminarie Roeselare
Functie:Godsdienstleerkracht
Reactie


ALLE GEDACHTEN OP EEN RIJTJE?

Als antwoord op:

  • het dossier Godsdienst op school (Tertio nr. 536, 19 mei 2010)
  • de mening van Herman De Dijn, Ik ben een God in ’t diepst van mijn gevoelens (Tertio nr. 537, 26 mei 2010)

In zijn laatste toespraak als bisschop van Brugge richtte Roger Vangheluwe zich tot de studenten Godsdienstwetenschappen en Theologie aan de Faculteit Godgeleerdheid van de K.U.Leuven.  Hierbij werden toekomstige godsdienstleerkrachten opgeroepen loyaal te blijven aan de katholieke traditie, vanuit het besef dat het persoonlijke (geloofs)leven en de publieke rol van een leraar katholieke godsdienst onlosmakelijk verbonden zijn.  De draagwijdte van deze uitspraak heeft Roger Vangheluwe enkele dagen later op schrijnende wijze ervaren in zijn eigen leven.

Het begrip “authenticiteit” verbindt de zaak Vangheluwe met de recente discussie over het werk van godsdienstleerkrachten. Niet de emotionele authenticiteit die Herman De Dijn het godsdienstonderwijs toeschrijft (Tertio nr. 537), maar authenticiteit als loyaliteit aan de christelijke, en, in het bijzonder, de katholieke traditie.  Loyaliteit die tevens een uiting is van respect voor het eigen werk en van geloofwaardigheid tegenover de leerlingen.

De voorbije weken werd met scherp geschoten op het godsdienstonderwijs, het leerplan godsdienst, de godsdienstleerkracht, de handboeken godsdienst… De munitie hiervoor kreeg namen als authenticiteit, loyaliteit of geloofwaardigheid.  Zijn er dan geen lessen getrokken uit de zaak Vangheluwe?  Dat deze eigenschappen bijvoorbeeld nauwelijks meetbaar zijn, zelfs verraderlijk uit de hoek kunnen komen of schaamteloos misbruikt kunnen worden?

Door zijn kritiek op het godsdienstonderwijs, dat de leerlingen zou aanleren een God te willen zijn in ’t diepst van hun GEVOELENS, loopt Herman De Dijn het gevaar zèlf een God te willen zijn in ’t diepst van zijn GEDACHTEN.  In het debat rond het godsdienstonderwijs is intellectuele nederigheid soms ver te zoeken.  Misschien kan de parodie van Cees Nooteboom op het gedicht van Willem Kloos voor de nodige relativering zorgen:

Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten
En zit in ’t binnenst van mijn ziel ten troon
Maar verder ben ik helemaal gewoon,
Met haaruitval en spijsverteringsklachten.

Indien de leraar godsdienst gewoon zijn werk doet - al heeft hij zoals iedereen soms last van haaruitval en spijsverteringsklachten – moet het debat zich vooral richten op de objectieve parameters van het godsdienstonderwijs: het leerplan dat door de bisschoppen is goedgekeurd en de leermiddelen die door de bisschoppen een geschiktheidslabel hebben ontvangen.

Het leerplan heeft gekozen voor herprofilering in een context van pluraliteit (Lieven Boeve) waarbij het godsdienstonderwijs rekening houdt met de veelheid aan levensbeschouwelijke visies in de samenleving en met de toenemende detraditionalisering waardoor de band tussen individu en het instituut kerk losser is geworden.  Deze context van het godsdienstonderwijs vraagt tegelijk om een herprofilering: de leraar katholieke godsdienst gaat deze dialoog aan vanuit een voorkeursoptie voor de christelijke geloofstraditie.

De leermiddelen voor het vak godsdienst zijn een mogelijke vertaling van het leerplan naar de concrete lespraktijk.  In Tertio nr. 536 gaat Peter Vande Vyvere kort door de bocht door de handboeken godsdienst te omschrijven als een “allegaartje van levensbeschouwelijke dingen.”  Wie deze handboeken doorbladert en hierbij ook rekening houdt met de gebruikte methode, zal ontdekken hoe de rijkdom van ons joods-christelijk geloof, in beelden en verhalen, toch ruim aan bod komt.

Werken godsdienstleerkrachten met of zonder officieel handboek in de geest van het leerplan en in loyaliteit ten aanzien van de kerkgemeenschap?  Laat ons hopen van wel.  Maar het zijn ook mensen, met hùn GEVOELENS…  Misschien kan een aandachtige lectuur van deze handboeken zelfs Herman De Dijn op andere GEDACHTEN brengen?

 

 

Naam:Maria Wyns
School:Anna-Theresia
Functie:Leerkracht(e) secundair onderwijs
Reactie: Onze godsdienstlessen zijn zeer open en ruimdenkend. Heel wat verschillende levensbeschouwingen zijn vertegenwoordigd in de klassen. De kennis over het christendom bij onze jongeren is triestig. De kennis en de beleving van de waarden van het christendom wordt niet meer ter harte genomen. Waarom zou een katholieke school deze kennis en waarden niet mogen bijbrengen en dit op een eigentijdse leest gebracht. Godsdienstleerkracht met 34 jaar ervaring

 

Naam:Carine Wille
School:3de graad, Sint-Bavohumaniora, Gent
Functie:/
Reactie:

Beste, Met veel belangstelling heb ik, zelf godsdienst(katholiek onderwijs, ASO 3de graad), de vele bedenkingen reacties en uitzendingen omtrent het godsdienstonderwijs gelezen en gevolgd. Ik wil een aantal gedachten formuleren zoals ik ze nu in mijn hoofd heb: ♣ Ik geef godsdienstles en geen catechese. Ik versta hieronder dat mijn doelpubliek niet vrijwillig vraagt om een initiatie in de christelijke visie zoals in de situatie van de catechese het geval is. De leerlingen nemen deel aan een onderwijsleerproces en binnen die context is godsdienst een verplicht vak. Alle leerlingen ongeacht hun levensbeschouwelijke achtergrond of (des)interesse, of ze nu gedoopt zijn of niet, … iedereen volgt de lessen (rooms-katholieke) godsdienst. ♣ In het onderwijs gaat het er mijn inziens om dat men jongeren confronteert met inhouden, vaardigheden,.. zodat zij de verschillende aspecten van hun mens-zijn kunnen ontdekken en kunnen nadenken en meebouwen aan een humanere wereld. Mensen zijn zingevende wezens dus vind ik het belangrijk dat ze ook hierin een kritische vorming krijgen. Mensen zijn sociale wezens die met anderen samenleven in een wereld die steeds complexer wordt ook op levensbeschouwelijk vlak. Een aanbod van de verschillende levensbeschouwingen en van maatschappelijke onderwerpen kunnen niet ontbreken in het onderwijs. ♣ Onze hedendaagse maatschappij is heel erg veranderd. Een terugkeer naar vroeger (wat dit ook moge zijn?!) kan volgens mij niet en is ook niet wenselijk. Het christendom is ongetwijfeld één van de fundamenten van de westerse cultuur waarover we best iets weten. Maar het is vandaag een feitelijk gegeven dat in de westerse cultuur het christendom één van de vele levensvisies geworden is. Dus kan ik niet anders dan lesgeven over de verschillende levensbeschouwingen waarbij het christendom er één van is. Ik ga met de leerlingen na welke de criteria zijn om levensvisies naar waarde te schatten. Dit gebeurt met de methode van het vrij onderzoek. ♣ In deze gewijzigde maatschappelijke context wordt het christendom uitgedaagd zich om zich te recontextualiseren nl. binnen de pluraliteit een plaats te zoeken zonder haar eigenheid op te geven. De studie van de geschiedenis van het christendom, van de uitdagingen waarvoor het christendom staat en van de wegen die ze kan inslaan, worden behandeld in de lessen. Kennis over de eigenheid van het christendom en tenminste een basiskennis over de bijbel kunnen niet ontbreken. Omdat onze leerlingen wetenschappelijk worden opgeleid, lees ik enkele essentiële Bijbelteksten historisch-kritisch om daarna ook de vraag te stellen naar de betekenis ervan voor mensen van het derde millennium. Ik vertel hen ook dat binnen het christendom er verschillende visies leven. ♣ Godsdienst staat nooit los van het leven. Hoe denken godsdiensten, levensbeschouwingen over thema’s waarvoor onze maatschappij staat:doodstraf, palliatieve zorg, genetische manipulatie,euthanasie, het statuur van het embryo, een (zinvol) seksueel leven, homoseksualiteit en nog vele andere? Met leerlingen visies verkennen, kan hen alleen maar helpen om zelf een mening te vormen, bij te sturen of soms wel te veranderen. Het leerplan van de derde graad geeft mij heel wat vrijheid om dit in te vullen. Zo kan ik inspelen op de actualiteit. Ik let er wel op dat ik me niet verlies in een teveel aan voorbereidingen en werk vrij parallel per jaar. ♣ Maar ik weet wel dat godsdienst eigenlijk rooms-katholieke godsdienst is. Ik wil deze rooms-katholieke niet verzwijgen of verdoezelen, maar ik wil ze ook niet promoten als de ene waarheid. Ik ben loyaal tegenover de joods-christelijke traditie, maar tegelijkertijd wil ik met leerlingen zoeken naar wat christenen verbindt met andere levensbeschouwingen. Liever zoeken naar wat ons bindt, dan te focussen op wat ons onderscheidt. Leerlingen laten proeven van dialoog, in de hoop dat ze dit ook toepassen in het ‘echte leven’. ♣ De jongeren van vandaag zijn nog altijd jongeren. Het zijn jonge mensen die nog bezig zijn om een mening te vormen. Hun visie moet van mij niet af zijn wanneer ze de school verlaten. Ze hebben nog een gans leven te leven, alleen hebben ze recht op degelijke bagage in hun rugzak. ♣ Jongeren hebben recht op leerkrachten die een taal spreken die ze begrijpen. Jongeren hebben recht op leerkrachten die oog hebben voor de leefwereld en de specifieke omstandigheden waarin jongeren leven. Ze hebben weinig aan inzichten geformuleerd in een taal die ze misschien van buiten leren, maar niet verstaan. Als ik me niet vergis, heeft het christendom altijd getracht aansluiting te vinden met de samenleving waarin ze vorm kreeg. Dus waarom vandaag niet? Waarom zou het niet kunnen dat godsdienst leerkrachten vertrekken van die school, die klas, die maatschappelijke context waarin hun leerlingen leven? ♣ Ik vermoed dat achter de discussie van de inhoud van de godsdienstlessen een veel bredere discussie steekt omtrent de plaats van het godsdienstonderwijs in een maatschappij waarin het christendom aan het verdampen is. Ik pleit ervoor dat er minstens een levensbeschouwelijk vak mag blijven bestaan zodat we geen levensbeschouwelijke analfabeten krijgen. Hoe dit kan rekening houdend met de afspraken van het schoolpact laat ik hier in het midden. ♣ Ik beaam dat de tijdsperiode waarin het godsdienstonderwijs ter sprake kwam in de nasleep van de pedofilieschandalen in de kerk, wel heel ongelukkig was. Wat niet wegneemt dat er zaken zijn omtrent het godsdienstonderwijs waarover men moet nadenken. Ik wil dan ook wel oproepen om met de verschillende partijen rond de tafel te gaan zitten en te praten met elkaar. Dialoog kan misschien begrip opleveren. Ik besef dat dit maar enkele punten zijn, maar ik wou ze toch graag delen met anderen.

 

Naam:Marleen Timmermans
School:5, 6 en 7BSO en 5 en 6 TSO, KTA Brasschaat
Functie:Leerkracht(e) secundair onderwijs
Reactie: Als ik bekijk wat in het agenda van mijn leerlingen over mijn godsdienstlessen staat, geef ik toe dat dit op het eerste zicht niet 'echt katholiek' lijkt. Ik bespreek met mijn leerlingen de onderwerpen die hen bezig houden, vragen die zij stellen, of deze nu gaan over reacties van collega's, liefdesverdriet, aardbevingen of pedofiele priesters. Als ik dan dieper kijk, confronteer ik in deze gesprekken mijn leerlingen telkens met mijn 'christelijk-katholieke' visie en probeer ik daarin regelmatig de link te leggen naar hoe Jezus in deze situatie zou gereageerd hebben. Wanneer blijkt dat mijn laatstejaars leerlingen niet weten dat de advent de voorbereidingstijd tot Kerstmis is, of wat we vieren met Pinksteren, dan onderbreek ik het gesprek en zet ik het hele kerkelijk jaar op bord, en licht mondeling toe wat er gevierd wordt. Omdat het geen 'leer'stof is, is hun interesse er wel. Als er vragen zijn ivm islam of jodendom, dan zet ik de geschiedenis van het hebreeuwse volk op bord, waarbij ik vooral de overeenkomsten (bv offeren van Isaak of Ismael) benadruk. Zo zal ik ook elke keer opnieuw de structuur van de bijbel (welke delen zijn er) verklaren en situeren (bijbel is geen geschiedenisboek) vooraleer een bijbelverhaal te gebruiken (tenzij ik de betreffende leerlingen natuurlijk al vier jaar les geef). De geplande onderwerpen, die in hun agenda genoteerd staan, zijn meestal de aanzet tot diepgaandere gesprekken. Ik heb onlangs in 7B in een thema over 'wicca' de Wiccan Rede vergeleken met de Tien Geboden, de gulden regel in de verschillende godsdiensten vermeld, de visie van de katholieke kerk op niet-christelijke geloofsovertuigingen, de feesten binnen wicca en katholieke kerk vergeleken, de volgorde van een wiccaritueel vergeleken met een eucharistieviering. In hun agenda staat 'wicca' maar als je verder kijkt, heb ik in dat thema veel meer over het katholieke geloof gegeven dan over wicca. Ikzelf vind het vooral belangrijk om vanuit mezelf te getuigen over het verhaal van Jezus en aan de leerlingen te tonen dat een katholieke levenswijze helemaal niet zo wereldvreemd moet zijn als het beeld dat zij daarvan hebben. Mijn leerlingen ervaren mijn lessen als een herademen in een drukke week waar vooral hun verstand wordt gevoed. In mijn lessen mag ook hun hart eens ademen. Ik vrees als de godsdienstles wordt vervangen door een 'neutraal' vak, ik dat vak niet op een neutrale manier kan geven. Mijn manier van lesgeven is immers doordrongen door mijn (geloofs)beleving. Ik vermoed dat dit voor bijna alle leerkrachten zal gelden die een 'neutraal' vak over geloven zullen geven.

 

Naam:Kristien Hendrikx
School:/
Functie: Leerkracht(e) secundair onderwijs
Reactie Ik ga volledig akkoord met Patrick Switten. Ook in de eerste graad van het Middelbaar Onderwijs merk ik meer en meer dat de lln nog weinig afweten van de christelijke godsdienst. Vraag ze de 5 pijlers van de Islam en deze kunnen ze zonder moeite citeren, vraag iets over onze godsdienst en ze staan dikwijls met de mond vol tanden. Ik vind het absoluut noodzakelijk dat je lln aanvoelen dat de godsdienst die je geeft ook voor jou een belangrijke plaats in je leven inneemt. Je lessen mogen absoluut geen indoctrinatie zijn, dit is denk ik ook niet de bedoeling van onze aartsbisschop, maar wel een kennis doorgeven. Het Kerkelijk Jaar, christelijke tradities en gebruiken zijn in ons dagdagelijkse leven in België aanwezig, bijna al de vakanties in ons schooljaar hangen samen met christelijke feesten, is het dan niet evident dat de lln hier ook de betekenis van kennen. Godsdienst is een beleving, maar een beleving begint met kennis.

 

Naam: K Hansen
School: HGI, Bilzen
Functie: Leerkracht(e) secundair onderwijs
Reactie: Waar ik vooral van geschrokken ben, is de observatie van mgr. Lëonard dat er zo veel verschillende handboeken zijn voor ons vak. Is dat dan fout? Is het dan geen rijkdom om te kunnen kiezen tussen goed en nog beter lesmateriaal? Of moeten we straks allemaal dezelfde cursus gaan geven?

 

Naam: Luc Meeusen
School: 4-5-6 ASO
Functie: Leerkracht secundair onderwijs
Reactie: Wat mij in deze hele polemiek enigszins stoort, is dat een aantal zaken door elkaar worden gegooid en de helderheid van het gesprek vertroebelen. Zo lijkt mij een pleidooi voor een gedegen kennismaking met de christelijk-katholieke traditie niet noodzakelijk te betekenen een pleidooi voor een vak godsdienst opgevat als catechese. Ook vanuit andere hoeken - prof. De Dijn, een aantal docenten aan de UA die pleiten voor een inclusief en pluralistisch vak levensbeschouwing (met deze week opiniebijdragen in De Standaard en De Morgen), een lezersbrief van enkele leerlingen - wordt en werd al langer gewezen op het feit dat leerlingen na 12 jaar godsdienst volgen vaak te weinig kennis en inzicht hebben in de christelijke-katholieke traditie. En met die kennis wordt dan echt wel iets meer bedoeld dan het soort quizvraagjes dat sommige media daar nu van maken. Verder zouden een aantal zaken toch meer uitklaring mogen krijgen. Wat betekent het precies dat godsdienstonderwijs geen catechese mag zijn? Dat het doel niet mag zijn leerlingen in te lijven in de kerkgemeenschap? Dat in dit vak leerlingen louter objectiverend-historisch informatie moeten krijgen 'over' de christelijke traditie? Dat ware echter een pleidooi richting niet-confessioneel vak levensbeschouwing. Of mag men hen wel warm proberen te maken voor de christelijke wijze om naar leven en wereld te kijken? En op grond waarvan heet dat dan géén catechese? Dat alles neemt niet weg dat Mgr. Léonards veralgemenende veroordeling van 'het' huidige godsdienstonderwijs als een 'allegaartje', vanuit het verre Rome en zonder voorafgaande dialoog met de godsdienstleerkrachten, kwetsend is. Maar ik zou het alleszins waarderen als wijzelf eerst zouden nagaan wat L. precies heeft bedoeld en daarover in dialoog gaan, alvorens op hoge poten te reageren. Trouwens, als men al te fel de zeggenschap van de kerkelijke overheid in het godsdienstonderwijs afwijst, zullen anderen straks terecht de vraag stellen: als de inrichtende instantie van dat vak dan niet de kerkelijke overheid is, wie vertegenwoordigt dan wél de hele katholieke gemeenschap? Toch niet eender welke zichzelf opwerpende drukkingsgroep (en die kan van alle mogelijke kanten binnen het katholieke spectrum komen!)? Dan ligt het maar voor de hand dat zulk vak vervangen wordt door een niet-confessioneel vak levensbeschouwing dat onder de bevoegdheid valt van de overheid. Verder zou ik het ook waarderen als godsdienstleerkrachten in deze hele discussie in eigen naam zouden spreken en niet - hoe intelligent en waardevol hun bijdrage aan de discussie ook is (en dat meen ik echt) - ongevraagd zouden spreken, of zich door de media laten opvoeren, als spreekbuis van alle godsdienstleekrachten.

 

Naam: Jef Vekemans
School: derde graad ASO BSO TSO
Functie: Leerkracht secundair onderwijs
Reactie:

Geachte Heer Léonard,

In antwoord op het interview dat op de thomas-website verschenen is, nodig ik U of één van uw medewerkers graag uit in één van mijn lessen. Samen met de leerlingen (laatstejaars SO) zal ik bij die gelegenheid graag enkele vragen voorbereiden die u op voorhand toegestuurd zult krijgen. Bedoeling is dat er in de klas (ongeveer 15 leerlingen) een ontspannen gesprek ontstaat over de meerwaarde van het katholieke geloof en het katholieke dagelijkse leven, zoals de leerlingen het in de vragen hebben samengevat. De voorbereiding van dit gesprek zal gebeuren aan de hand van de volledige tekst van het geciteerde interview en van de open brief van M. Willems en J. Michielssens. Er is ook nog een verslag van een correspondentie met uw voorganger, Kardinaal G. Danneels, beschikaar voor u en de leerlingen. Natuurlijk zullen we bij het maken van de afspraken voldoende rekening houden met de drukke agenda van de kerkelijke overheid. Het lijkt mij ook beter om te wachten tot volgend schooljaar, dat is : tot de mediastorm een beetje geluwd is. U kan mij ongetwijfeld bereiken via mijn e-mailadres: keerbergengodsdienst@hotmail.com

Vriendelijke groeten, Jef Vekemans

 

Naam: Erik Buys
School: Sint-Jozefscollege Aalst
Functie: Leerkracht(e) secundair onderwijs
Reactie: Muzikant Patrick Riguelle in De Standaard weekendeditie van 22-23 augustus, 2009: ‘Ik ben zo atheïst als je maar zijn kunt, maar ik lees graag in de bijbel. Al is het maar om de verhalen te kennen. Bob Dylan, Lou Reed, Johnny Cash, Neil Young: hun teksten zitten vol religieuze metaforen.’ Weinig stemmen binnen en buiten de kerk getuigen van eenzelfde openheid als Riguelle tegenover bijbelse teksten. Jammer genoeg wordt de bijbel al te vaak herleid tot een ideologisch document, terwijl vele teksten in de eerste plaats beschouwd moeten worden als grote literatuur. Zoals andere ‘goede’ literatuur gaat ook de bijbel over algemeen menselijke ervaringen: over liefde, lijden, afscheid nemen, verraad, vergeving, trouw, ontrouw, verdriet en vreugde… Ook, zoals andere ‘goede’ literatuur geven bijbelse teksten soms verrassende en uitdagende perspectieven aan die ervaringen. Zelfs als mens en lezer van de eenentwintigste eeuw kun je de uitdagingen van ‘typisch bijbelse perspectieven’ op je eigen ervaringen aangaan. Je moet geen christen zijn om dat te doen (zie Patrick Riguelle). Gronddoelstelling van het huidige godsdienstonderricht (volgens het huidige leerplan) blijft: de verscheidenheid aan levensbeschouwingen die eventueel leeft bij leerlingen confronteren met ‘het christelijk verhaal’, op een zodanige wijze dat het christelijk verhaal die levensbeschouwingen bevraagt en vice versa (het christelijk verhaal in vraag stellen vanuit andere levensbeschouwingen). Van maatschappelijk belang blijft de ruimte die de godsdienstles biedt aan dit gesprek - om ‘ideologische’ en ‘fundamentalistische’ denkwijzen (zowel godsdienstige als atheïstische) van weerwerk te voorzien. Misschien moeten we in dit debat inderdaad eens te rade gaan bij liedjesschrijvers en nagaan hoe zij omspringen met religieuze tradities. Stond koning David niet bekend als een poëet die in de 'poëzie van het leven' de soms bijtende maar immer inspirerende vonk van het goddelijke ontdekte (aanrader in dit verband is psalm 51)? Patrick Riguelle als atheïst in gesprek met een christen als Bono? Bijdrage aan ons debat? [Deze reactie plaatste ik onder een licht gewijzigde vorm op de site van Terzake, naar aanleiding van hun reportage over godsdienstonderwijs op 10 mei].

 

Naam: Isfried Rodeyns
School: 2e en 3e graad TSO/BSO, PTI Ninove (intrimaris)
Functie: Leerkracht(e) secundair onderwijs
Reactie:

Beste,

Ik zal niet ingaan op het pluralistisch karakter van de lesgroep en de aansluiting van het huidig leerplan op de jongerenleefwereld. Hierover is al voldoende geschreven. Wel wil ik even de moeilijkheden en kansen op een rijtje zetten die ik in de praktijk ben tegengekomen. Het leerplan biedt een goed pedagogisch en didactisch kader. Ze kan echter nog worden uitgewerkt en uitgediept, en in die zin sluit ik me aan bij de visie van kardinaal Léonard. Maar hoe dit concreet in te vullen? In de eerste plaats moet er duidelijk aangegeven worden welke feitenkennis we in welke jaren moeten meegeven (bijv. wat zijn sacramenten, wat is het oud testament, ...) Mijn leerlingen ontbreekt het aan de meest fundamentele feitenkennis. Ten tweede voel ik nood aan een verticale leerlijn. Ik weet niet welke bagage mijn leerlingen al hebben meegekregen, en waar we naar toe moeten werken over de jaren heen. Dit niet alleen voor feitenkennis, maar ook voor attitudes en vaardigheden. Ten derde lijkt het me verstandig om de leerplannen van bais-, secundair en hoger onderwijs zo volledig mogelijk op elkaar af te stemmen. Wat betreft de leerinhouden lijkt het me goed om ruimte te laten voor analyse, hermeneutische uitdieping en levensbeschouwelijke reflectie. Elk onderwerp vraagt om een andere werkmethode, en dit kan ruim gaan binnen ons vakgebied. Er zijn een aantal zeer specifieke vragen binnen de christelijke traditie. Als we deze vragen zo concreet mogelijk formuleren binnen de leefwereld van de jongere, kan het christelijk verhaal zonder forceren de les binnenkomen. Het ontbreekt de leraar echter vaak zelf aan vertrouwdheid om hierin te slagen. Dit brengt me op het volgend punt. Naast het leerplan moeten we misschien ook eens nadenken over de begeleiding van leerkrachten. Sommige collega's kunnen zichzelf niet met het christelijk verhaal identificeren. Dit kan ondermeer verklaart worden doordat we zelf, door beperkte achtergrond, soms de zin van bepaalde reflecties niet zien. De gelovige intentie kan dan met de jaren verloren gaan. Een suggestie: misschien moeten we onze studiedagen vaker organiseren. Het lijkt ook nuttig om deze te verzorgen rond thema's die onmiddellijk ter sprake komen in de les én aansluiten met de christelijke getuigenis. Zorg dat deze studiedagen niet worden verzorgd door academici die te ver van de praktijk staan, maar door collega's die in de praktijk hebben getoond deze thema's op een zinvolle wijze aan leerlingen te kunnen aanbieden. (Hoewel een academicus wel voor een ruimere duiding kan zorgen) Zij kennen het best de valkuilen en mogelijkheden van de praktijk. Dit zijn de eerste suggesties die bij me naar boven komen. Ik hoop dat hierbij een zinvolle bijdrage tot de discussie heb kunnen leveren.

Met vriendelijke groeten, Isfried Rodeyns

 

Naam: Patrick Switten
School: -
Functie: Leerkracht lager onderwijs
Reactie: De split tussen kerk en onderwijs wordt alsmaar groter. Hierdoor wordt ook de "split" tussen kerk en de mensen steeds groter. Nochtans kan de kerk niet zonder de mensen en het (godsdienst)onderwijs niet zonder de kerk. Ik vind deze polarisatie echt doodjammer. We (kerk en godsdienstonderwijs) zijn met zingeving bezig. Mensen proberen iets mee te geven waarop ze kunnen steunen en dat hen rijker maakt. Dit "iets" staat duidelijk beschreven in onze leerplannen. Het kerkelijk jaar, de bijbel, tradities en gebruiken ... horen hier ook bij. Het hoort tot onze taak onze leerlingen hierover te vertellen en te informeren. Als je zelf gelovig bent zal je natuurlijk aan begeestering winnen ...Leerstof delen met leerlingen waar je zelf niet in gelooft of waar je zelf het nut niet van inziet lijkt mij zeer moeilijk en vooral moeilijk vol te houden.

 

Naam: Jan Maes
School: Onze-Lieve-Vrouw-van-Lourdescollege te Edegem
Functie: Leerkracht secundair onderwijs
Reactie:

Onderstaande brief werd zondag verstuurd naar alle Vlaamse kranten, Tertio en Kerk & Leven. Godsdienstonderwijs is geen catechese Op een moment dat de lakse en zelfs permissieve houding van de kerkelijke hiërarchie inzake het toedekken van pedofilieschandalen door geestelijken een nooit geziene vertrouwenscrisis ten opzichte van het instituut kerk heeft veroorzaakt, acht aartsbisschop Léonard het ogenblik gekomen om in een interview met journalist Dirk Musschoot (De Standaard/Het Nieuwsblad, 8 mei) uit te pakken met zijn plannen om jongeren weer bij de Kerk te betrekken. Hij wil dat doen door wat hij “het zogenaamd godsdienstonderwijs” noemt terug op één (doctrinaire) lijn te krijgen, om dan via als onderwijs vermomde indoctrinatie ervoor te zorgen dat het merendeel van de jongeren bij de Kerk blijft hangen. Maar met deze strategie, die eigenlijk erop gericht is leerlingen te vangen door hen in een rooms-katholieke fuik te laten zwemmen, gaat de aartsbisschop regelrecht in tegen de Congregatie voor de Katholieke Opvoeding, die een zeer duidelijk onderscheid maakt tussen godsdienstonderwijs als (plicht)vak op school enerzijds en catechese op vrijwillige basis op de parochie anderzijds. Hij zou dus beter moeten weten. Je kan niet als minderheidskerk gebruik makend van de leerplicht en met het geld van de belastingbetaler iedereen proberen te evangeliseren. Dit maakt de huidige meerderheidspositie van het katholiek onderwijs en van het confessioneel vak godsdienst op maatschappelijk vlak verder onhoudbaar en zal alleen maar de discussie versnellen in de richting van een neutraal vak levensbeschouwing, in de richting van andere financieringsmodellen en in het verder stilzwijgend of openlijk afhaken van een aantal katholieke scholen. In deze zeer moeilijke tijden van een door kerkelijke leiders zelf veroorzaakte systeemcrisis proberen zo’n achtduizend godsdienstleerkrachten in Vlaanderen, elke dag opnieuw met hart en ziel hun opdracht te realiseren, zijnde de “verdieping en integratie van de eigen levensbeschouwing van de leerling, in dialoog met christelijke en andere verhalen”. Deze grondoptie van het huidige leerplan godsdienst is de enige realistische benadering die én recht wil doen aan de christelijke traditie, én aan de actuele context, én die bovendien de leerling centraal plaatst en niet de doelstellingen van de kerk. Telkens opnieuw proberen godsdienstleerkrachten de ogen van hun leerlingen te openen om hen te laten zien wat zij voordien nog niet zagen. Zo proberen zij de leerlingen oog te doen krijgen voor Christus en voor die “anderen” die veraf en dichtbij (veel) minder kansen en mogelijkheden hebben op zelfontplooiing. Tegelijk willen zij de leerlingen bewust maken van de fundamentele vraag of ook zij bij die “burgers” willen behoren die wel beschikken over voldoende kansen, maar die – zoals in de parabel van de Barmhartige Samaritaan – blind blijven voor het lijden van die ander en daarmee medeverantwoordelijk zijn voor het onrecht dat die ander wordt aangedaan. In de huidige context zal een godsdienstleraar dan ook in de eerste plaats het opnemen voor de kinderen die slachtoffer zijn geweest van seksueel misbruik, én waar nodig met een profetische stem spreken waar blindheid en doofheid heersen. Enkel de godsdienstleraar die zo ziet, oordeelt en handelt, behoudt haar of zijn geloof-waardigheid – wellicht het kostbaarste goed van een godsdienstleraar- en kan daarvoor dan ook het respect van haar of zijn leerlingen krijgen. In plaats van de weg te kiezen van confrontatie, polarisatie en conflict zou Léonard beter een voorbeeld nemen aan de weg van de dialoog waarvoor zijn collega Johan Bonny, de bisschop van Antwerpen, heeft gekozen. Afgelopen januari heeft hij wel de moeite genomen eerst de werkvloer te contacteren en te luisteren naar wat er leeft bij zo’n 920 godsdienstleerkrachten uit lager en secundair onderwijs. Hij heeft hen wel bemoedigend toegesproken. Op voorstel van zijn inspecteur-adviseurs konden de leerkrachten ter plekke een vrijmoedige brief schrijven waarin ze hun bevindingen, vragen, wensen en dromen aan hem konden meedelen. Deze bisschop beloofde alvast om een brief terug te schrijven. Naar deze brief kijken wij dan ook uit.

Jan Maes godsdienstleraar Hof van Spruytlaan 7 2550 Kontich 03/440.59.95 jan.maes3@telenet.be
Philip Wittouck godsdienstleraar
Ronald Sledsens
Rita Weynants, docente godsdienst (met pensioen)
Anne-Marie Veris godsdienstleraar
Annemie Swerts godsdienstleerkracht
Els Gryson lector godsdienst Karel de Grote Hogeschool

 

Naam: J. Lefever
School: 2de graad ASO
Functie: Leerkracht(e) secundair onderwijs
Reactie: Geachte, Toch kan ik ergens begrip opbrengen voor de uitspraak van Mgr. Léonard mbt het godsdienstonderricht in onze katholieke scholen. Ik stel me gewoon de vraag; 'dekt de vlag de lading nog?' Officieel geven wij 2 lesuren katholieke godsdienst. Maar wat is de inhoud hiervan geworden? Zelf kreeg ik een katholieke godsdienstopleiding B aan de normaalschool Sint-Thomas Brussel. Ik ben dus bevoegd het vak te onderwijzen. Tien jaar geleden echter ben ik gestopt omdat ik moeite had met de evolutie van het vak. Zelf heb ik godsdienstonderricht altijd gezien als geloofscommunicatie met leerlingen vanuit de katholiek-christelijke leer. Een samen op zoek gaan en zorgen dat hun vragen ook mijn vragen zijn.... Sinds 10 jaar is er een evolutie naar eerder groen-linkse thema's waar het respect voor traditie en ook kerk ver zoek is. De hele rijkdom van de christelijke leer wordt verengt tot een puur horizontale dimensie: wereldwinkel, amnesty international, racisme (elk jaar drie trimesters opnieuw), artsen zonder grenzen,......ik was het echt kotsbeu geworden steeds weer diezelfde thema's te moeten onderwijzen en dit terwijl onze leerlingen het geloof niet meer kennen. Zelfs niet de elementaire basis rond bijbel, christus, kerkgeschiedenis,..... Voor vieringen, laat staan bezinning is allang geen plaats meer. Een 'wereldwinkel' ontbijt en een sollidariteitsactie in de vasten (zonder dat woord te gebruiken) moet de 'honger stillen'. Ik betreur sterk deze evolutie. ook 'pastorale' raden geraken vaak niet verder dan een soort 'groep rond ontwikkelingssamenwerking'. Het gemeenschapsonderwijs doet dit ook allemaal. Welke meerwaarde bieden wij dan nog? Nochtans....er is niets boeiender dan samen met leerlingen 'zoeken naar'. Dit kan perfect vanuit een diepere-bijbelse oriêntering in alle respect voor wie anders is.

 

Naam: W. Delaere
School: 3de graad ASO/TSO/BSO
Functie: Leerkracht secundair onderwijs
Reactie: Wie wat meer over Leonard heeft gelezen, zal niet verrast zijn dat hij in het debat over christelijke identiteit telkens opnieuw de klemtoon legt op de persoonlijke ontmoeting met de levende Christus. Dit in tegenstelling tot een pure overdracht en dito beleving van zogenaamde christelijke waarden. Dit geldt voor elk christelijk opvoedingsproject, dus ook voor het katholiek onderwijs, a fortiori voor de godsdienstles. De officiële mededeling lijkt mij deze stelling alleen maar te bevestigen. Verder lijkt mij de timing van dit debat echt wel ongelukkig.

 

Naam: Koen Kint
School: Maris Stella Instituut Oostmalle
Functie: Leerkracht secundair onderwijs
Reactie: Wat nu weer te denken van degenen die geacht worden leiding te geven aan de gelovigen? Zou het kunnen dat mgr. Léonard al lange tijd zit met een bepaalde frustratie over de onmiskenbare trend in het katholiek godsdienstonderwijs op school? De overgrote meerderheid van mijn collega's godsdienstleerkrachten ligt niet wakker van de vraag of ze wel op de lijn van Rome zitten. Ze proberen trouw te blijven én aan het evangelie, én aan de concrete mensen met wie zij in de eerste plaats te maken krijgen: hun leerlingen. In feite kan het ene ook onmogelijk in oppositie staan tot het andere. Het is mogelijk dat mgr. Léonard vindt dat het allemaal niet katholiek genoeg is wat we op school proberen te doen. Voorlopig is dat nog vooral zijn probleem. Waar ik wel voor vrees is voor een heksenjacht op leerkrachten die niet 'katholiek' genoeg zijn. Van bisschoppen en kerkeiljke gezagsdragers mag je niet te veel verwachten. Maar ik ben bang dat we nu gaan worden tegengewerkt. Mogen we hopen dat ook de inspectieleden kleur bekennen? Of blijven we met zijn allen zwijgen?

Reactie uit Nederland

Naam: Bill W.J.M. Banning – theoloog
School: -
Functie: Drs. Bill W.J.M. Banning – theoloog. Werkzaam als fulltime docent (Klassieke Culturele Vorming en Godsdienst-Levensbeschouwing). Daarnaast werkt hij als identiteitsbegeleider. Ook werkt hij aan een proefschrift over roeping en de professionaliteit van de leraar (UvT).
Reactie:

Nederland is geen kenniseconomie. Integendeel, domheid en middelmaat zijn troef. Naar aanleiding van het massaontslag bij Organon in Oss beargumenteert Lauret in de Volkskrant van maandag 12 juli j.l.  hoe Nederland een intellectuele uitverkoop houdt. Nederland loopt eerder warm voor Yolanthe Cabau van Casbergen dan voor Madame Curie of Stephen Hawking, aldus Lauret. Ik deel dit inzicht met Lauret. Het is ook mij een doorn in het oog dat er een intellectuele patatgeneratie op lijkt te groeien, een jeugd die meer tijd stopt in een baantje en feesten dan in noeste studie-ijver.
Des te schrijnender is het dat hij verderop in zijn artikel een denkfout van de eerste orde maakt. Als één van de redenen van de intellectuele neergang in Nederland geeft hij namelijk het volgende argument: “Ook de nog altijd bestaande scheiding tussen openbare en bijzondere scholen is mij een doorn in het oog. Hoe kan een land dat een kenniseconomie zegt te zijn, toestaan dat een deel van de jeugd naar scholen gaat met wereldvreemde opvattingen? Dat de schoolstrijd überhaupt resulteerde in het subsidiëren van religieus onderwijs is erg, dat het nog steeds bestaat, is belachelijk”.
Deze argumentatie steekt in verschillende gedaantes herhaaldelijk de kop op: het bijzonder  onderwijs zou zowel achterhaald zijn als bijdragen aan wereldvreemdheid. Dat Lauret deze mythe weer van stal haalt laat zien dat hij zelf aan de domheid leidt die hij wil bestrijden. Lauret geeft hier blijk van een volstrekt gebrek aan inzicht . Wel op twee wezenlijke punten. De eerste denkfout die Lauret maakt is dat het bijzonder onderwijs breder is dan alleen confessioneel onderwijs: ook scholen op een specifieke onderwijskundige grondslag vallen daar onder, zoals bijv. de Montessori- en Jenaplanscholen en ook de Vrije Scholen op Rudolf Steiner-leest. De mogelijkheid van bijzonder onderwijs is een democratisch goed dat het maatschappelijk middenveld versterkt, omdat het de betrokkenheid van ouders bij het onderwijs verhoogt (en daarmee ook haar kwaliteit).
De tweede denkfout van Lauret is zijn stelling dat confessioneel onderwijs ertoe leidt dat “een deel van de jeugd gaat naar scholen met wereldvreemde opvattingen”. Deze stelling is onjuist, want het allergrootste deel van het confessioneel onderwijs, katholiek en protestant, is liberaal van insteek (zo liberaal zelfs dat bisschoppen er wel eens moeite mee hebben). Op die scholen zitten dan ook veel allochtone leerlingen. Het is zelfs een bekend gegeven dat allochtone ouders hun kinderen graag naar bijv. een katholieke school sturen vanwege de open identiteit, waarbij toch aandacht is voor het religieuze aspect. En juist dit punt maakt deze scholen juist het tegendeel van wereldvreemd.
Het is namelijk opvallend dat in een tijd van ontkerkelijking de confessionele scholen al decennia qua grootte stand houden en zelfs licht groeien. Hier ligt voer voor wetenschappers. Zo concludeert de socioloog J. van Doorn: Het gaat bij de schoolstrijd nog steeds, zoals vroeger, ‘om de zielen’, niet echter om ze voor de hemel te behouden maar om ze op aarde in het rechte spoor te houden.  De Amerikaanse socioloog Peter Berger constateert iets dergelijks: het gaat veel christenen en joden in het hedendaagse Amerika niet zozeer om de specifiek religieuze inhouden, maar wel om de grote ethische waarde die deze grote tradities herbergen. Daarom zenden ze hun kinderen naar kerken en synagogen. Ik vermoed dat om dezelfde reden veel ouders kiezen voor confessioneel onderwijs. Waarschijnlijk geeft de sensus fidelium (het innerlijk zintuig voor wat heilzaam en waardevol is) zo’n 60 % van de ouders in dat een confessioneel vleugje geen kwaad kan. Deze ouders zijn de overtuiging toegedaan dat kinderen blootstellen aan een milde vorm van religieuze vorming een goede zaak is. Sterker nog, een grote groep ouders vindt dat een tegenwicht geboden moet worden aan de waardenvervaging en aan de levensbeschouwelijke ontworteling. Dat de samenleving bovendien – en zeker ook de jeugd – wordt gemanipuleerd door de economische markt, versterkt waarschijnlijk deze behoefte van ouders. Daar komt bij dat confessionele scholen het pedagogisch en vakinhoudelijk gewoon goed doen. Het is dus volstrekt niet belachelijk om bijzonder onderwijs politiek en financieel mogelijk te maken, zoals Lauret beweert. Sterker nog, ik vermoed dat het afschaffen van bijzonder, zowel op onderwijskundige als confessionele grondslag georganiseerd onderwijs zal leiden tot een verdere intellectuele bloedarmoede in Nederland.
Laatst las ik in een boek van dr. Tjeu van den Berk over mystiek en wetenschap een citaat van Einstein. Dit citaat lijkt me de diepste intenties van in elk geval katholiek onderwijs treffend te verwoorden: Het mooiste wat we kunnen ervaren, is het geheimzinnige. Het is het fundamentele gevoel dat aan de wieg staat van ware kunst en wetenschap. (…) De ervaring van het geheimzinnige heeft ook de religie voorgebracht. Het besef van het bestaan van iets dat we niet kunnen doorgronden, manifestaties van de diepste rede en de schitterendste schoonheid, die alleen maar voor onze rede toegankelijk zijn in hun meest eenvoudige vormen – dit besef en dit gevoel maken de ware religiositeit uit. In deze zin – en alleen in deze zin – behoor ik tot de diep religieuze mensen. Een dergelijke, open spirituele grondhouding is inmiddels zelfs bij humanisten te vinden (denk bijvoorbeeld aan hoogleraar methodologie Ilja Maso). Ook de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid heeft in een diepgaande studie uitvoerig aandacht aan besteed aan het nieuwe belang van religie in de publieke ruimte (Geloven in het publieke domein, 2006). Scholen die deze inzichten links laten liggen voeden op tot wereldvreemdheid en ontnemen leerlingen potentiële inspiratiebronnen.
Lauret stelt op het einde van zijn artikel dat Nederland onbestuurbaar is geworden, sterker nog, dat “het sierlijke Nederlandse zeilschip waar we in het verleden zo trots op konden zijn, steeds verder wordt afgetuigd tot een moeizaam voortgepeddeld vlot met een bemanning zonder eindhaven voor ogen”. Als dat al zo zou zijn, dan biedt juist de open spirituele invalshoek die Einstein beschrijft en die confessioneel onderwijs beoogt, een waardevolle hulp: de ervaring van het mysterie geeft weliswaar geen concrete antwoorden, maar biedt wel mooie vergezichten die inspirerend werken. Graag nodig ik Brian Lauret uit om eens kennis te nemen van de wondere wereld van confessioneel, in mijn geval katholiek onderwijs.

^ bovenkant pagina

Deze week in de media

Nieuw op Thomas