Encycliek Benedictus XVI

Encycliek Benedictus XVI

1. Deus caritas est (tekst)

De volledige tekst van de encycliek vind je op de website van het Vaticaan:
Engelse tekst - Franse tekst - Latijnse tekst.

Aan een officiële nederlandse vertaling wordt momenteel gewerkt, deze wordt binnenkort verwacht.
Een werkversie van een aantal alinea's vind je op www.rkdocumenten.nl/index.php?docid=715. Op deze webpagina zal binnenkort wellicht de volledige officiële nederlandse vertaling te vinden zijn.

Onder 'citaten en reflectievragen' vind je reeds onze eigen vertaling van enkele citaten.

2. Inleiding

Op 25 januari 2006 verschijnt de eerste encycliek van Benedictus XVI. Zoals gebruikelijk wordt ze genoemd naar de eerste woorden ervan: Deus caritas est. Deze aanhef vormt een letterlijk citaat uit de Eerste Brief van Johannes: "God is liefde" (1 Joh 4, 8.16). Het drukt meteen de doelstelling van de encycliek uit: een diepgaande reflectie bieden over de rol en betekenis van de goddelijke liefde.

De encycliek bestaat uit twee grote delen. Het eerste deel is een eerder principiële behandeling van de betekenis van de liefde. Het tweede deel behandelt het concrete caritatieve handelen van de kerk.

3. 1 Joh 4,16

"Zo hebben wij de liefde leren kennen die God voor ons heeft, en wij geloven in haar. God is liefde: wie in de liefde woont, woont in God en God is met hem."
(Willibrordvertaling, 1995)

"Wij hebben Gods liefde, die in ons is, leren kennen en vertrouwen daarop. God is liefde. Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem."
(Nieuwe bijbelvertaling, 2004)

"Et nos, qui credidimus, novimus caritatem, quam habet Deus in nobis. Deus caritas est; et, qui manet in caritate, in Deo manet, et Deus in eo manet."
(Nova Vulgata, Bibliorum Sacrorum Editio, www.vatican.va)

4. Wat is een encycliek

Wat is een encycliek nu precies?

Interview met Jurgen Mettepenningen (Faculteit Godgeleerdheid, KU Leuven)
in De Morgen, 21 januari 2006, Peter-Jan Bogaert

Het woord encycliek betekent letterlijk 'een brief die langsgaat'. Het is een pauselijk rondschrijven, gericht aan de bisschoppen en de gelovigen in de wereld. Sinds de opmerkelijke encycliek 'Pacem in terris' van Johannes XXIII (in 1963) is ze ook gericht aan 'alle mensen van goede wil'. Dus niet enkel aan katholieken of christenen.

Hoewel een encycliek beschouwd wordt als het belangrijkste schrijven van een paus heeft het niet de waarde van een kerkelijke wet. Het behoort ook niet tot het domein van de 'onfeilbare uitspraken' van de paus. Van gelovigen wordt wel verwacht dat ze de inhoud van de encycliek aanvaarden, maar er is ruimte voor 'eigen interpretatie'.

De eerste pauselijke encyclieken dateren uit het begin van de achttiende eeuw. Éen van de eerste behandelde de vraag welke soort muziek er in de kerk gespeeld mocht worden. De toenmalige paus verzette zich met klem tegen 'theatrale muziek' en sprak zich ook uit tegen een resem instrumenten.

Later pikten encyclieken in op grote maatschappelijke discussies. In de negentiende eeuw stonden vaak de verhoudingen tussen kerk en staat centraal. Van een principiële scheiding wou de kerk toen niet weten. Alles wat rook naar inperking van macht of gezag van de kerk werd scherp aangevallen. In de encycliek 'Mirari vos' uit 1832 bijvoorbeeld werd gereageerd tegen de Franse publicist Lamennais, die zijn seculier en liberaal gedachtegoed neerpende in het tijdschrift L'Avenir.

Encyclieken moeten dus in hun historische context geplaatst worden. Tijden veranderen, en wellicht zal een paus ook nooit meer een encycliek schrijven als antwoord op wat een journalist of verlicht denker schrijft, hoe scherp Pauli's pen ook is.

In welke taal wordt een encycliek geschreven?

In principe in het Latijn, nog altijd de officiële taal van het Vaticaan. De eerste woorden van een encycliek vormen de titel ervan. Op de Latijnse regel zijn er twee recente uitzonderingen. Niet toevallig spelen ze in op de toestand in Italië en Duitsland, voor de Tweede Wereldoorlog.

In 1931 spreekt paus Pius XI zich in 'Non abbiamo bisogno' uit tegen het fascisme van Mussolini.

Met 'Il Duce' had de kerk twee jaar eerder wel het Verdrag van Lateranen ondertekend, waardoor het onafhankelijke Vaticaanstad in het leven werd geroepen, in ruil voor stukken grond.

In 1937 verschijnt van dezelfde paus 'Mit brennender Sorge'. Daarin drukt de paus zijn 'bezorgdheid' uit over het Duitse nationaalsocialisme en zijn rassenleer. Pittig detail: de pen wordt mee vastgehouden door de pauselijke staatssecretaris Pacelli, de latere Pius XII. Het meeschrijven aan die encycliek is een argument dat gebruikt wordt om de latere kritiek deels te ontkrachten dat de oorlogspaus Pius XII totaal afzijdig bleef ten aanzien van wat er in Duitsland na 1937 gebeurde, inclusief de Holocaust.

Welke encycliek is de controversieelste?

Dat is ongetwijfeld 'Humanae vitae' uit het maatschappelijk woelige jaar 1968. Net op het moment dat de Europeanen hun seksuele revolutie vieren, komt paus Paulus VI met de boodschap dat pil en condoom niet kunnen.

De ontgoocheling bij de publieke opinie is groot en velen hebben toen de kerkdeur hard achter zich dichtgeslagen. Zijn voorganger Johannes XXIII had bij velen nochtans de hoop gewekt dat de kerk opnieuw aansluiting zou vinden bij de samenleving, getuige het tweede Vaticaans concilie, dat door hem was opgestart. De encycliek 'Populorum progressio' uit 1967, die voor het eerst expliciet sprak over ontwikkelingshulp, zat wel op dezelfde vernieuwende lijn als de vredesboodschap 'Pacem in terris' van Johannes XXIII.

In 'Populorum progressio', de favoriete encycliek van professor van kerkelijk recht Rik Torfs, verbindt de paus menselijke solidariteit, sociale rechtvaardigheid en universele liefdadigheid met elkaar, waardoor vernederend paternalisme geen kans maakt.

Maar na die 'progressieve' encycliek verraste Paulus VI met twee conservatieve geschriften.

Eerst was er een encycliek, ook in 1967, die het celibaat bevestigde. Wat voor een leegloop zorgde in seminaries en kloosters. Heel wat jonge kandidaten waren ingetreden met de hoop dat het verplichte celibaat wel gesneuveld zou zijn op het einde van hun studies. Niet dus.

En dan was er in 1968 Humanae vitae, die de tijdgeest verkeerd inschatte. Door de vele heftige reacties en controverses heeft Paulus VI daarna beslist om geen encyclieken meer te schrijven, ook al duurde zijn pontificaat nog tien jaar.

Pas met Johannes Paulus II kwam er in 1979 een nieuwe encycliek.

Welke encycliek heeft de meeste invloed gehad?

Die eer is voor Rerum novarum ('over nieuwe zaken') uit 1891, geschreven door paus Leo XIII. Het is een antwoord op de sociale wantoestanden van de industriële revolutie. Het wilde en brute kapitalisme wordt op de korrel genomen, maar ook het socialistische antwoord. In tegenstelling tot de socialisten pleit de kerk wel voor 'een recht op eigendom', maar ze vraagt tegelijkertijd aan de overheid om sociale wetten uit te vaardigen. De socialisten van nu zouden de paus geen ongelijk geven.

De kerk, die toen vaak in de praktijk aan de kant van de werkgever stond, erkent nu ook het recht van de werknemers om zich te verenigen via – het liefst katholieke – vakbonden. Wat 1 mei betekent voor de socialistische beweging, is 'Rerum novarum' voor de christelijke vakbonden. Op Hemelvaartdag geven Luc Cortebeeck en co. nog altijd speeches.

Binnen de kerk wordt de sociale encycliek ook als een hoogvlieger beschouwd. Bij Rerum novarumverjaardagen worden er zelfs nieuwe encyclieken uitgebracht, waarin de kerk een balans opmaakt van de nieuwe sociale wereldorde. Johannes XXIII schreef zijn 'Mater et magistra' in 1961, 80 jaar na Rerum novarum, in volle Koude Oorlog. En Johannes Paulus II beschreef de wereld na de val van de Berlijnse Muur in 1991, precies honderd jaar na 1891.

De auteur van 'Rerum novarum', Leo XIII, schreef echter nog een andere encycliek. In 1884 trok hij fel van leer tegen de vrijmetselarij, die hij ervan beschuldigde onzedelijk, onrechtvaardig en tegen de godsdienstvrijheid te zijn.

Wat is de 'donkerste' encycliek?

Er zijn een paar encyclieken die niet meteen uitblinken in respect voor andersdenkenden of die de wetenschap compleet negeren. Zo heeft de evolutieleer er in 1950 flink van langs gekregen. De encycliek 'Pascendi dominici gregis' uit 1907 van paus Pius X gaat nog een stap verder en valt ook de andersdenkenden binnen de kerk aan.

Het modernisme, dat de historische methode probeert binnen te brengen in het theologisch debat, wordt er afgeschilderd als een 'verzameling van alle ketterijen'. En er zijn een hoop 'ketterijen' de revue gepasseerd.

Pas in 1943 wordt de poort voor de moderne tijd opengezet en luidt het in een nieuwe encycliek dat de Bijbel niet langer gezien moet worden als een geschrift van de Heilige Geest dat louter letterlijk genomen moet worden.

Wie is de encycliekenkampioen?

Dat is niet Johannes Paulus II, zoals velen denken.

De vorige paus, die wel het record heeft van het aantal buitenlandse reizen en vooral het aantal heilig- en zaligverklaringen, schreef veertien encyclieken in ruim 26 jaar pontificaat. Met een gemiddelde score van één encycliek om de twee jaar scoort de Poolse paus zelfs sterk onder het gemiddelde. In de laatste honderd jaar zijn er meer dan 120 encyclieken verschenen, dus meer dan één per jaar.

Van de Poolse paus blijft vooral 'Evangelium vitae' uit 1995 bij, waarin hij euthanasie en abortus vergelijkt met moord. Ook 'Veritatis splendor' uit 1993 is bepalend voor zijn pontificaat omdat hij het relativisme verwerpt en stelt dat de waarheid wel degelijk bestaat.

De kampioen van de encyclieken in de voorbije honderd jaar is Pius XII, die er 41 op zijn naam heeft staan. Hij schreef er zo'n twee per jaar. Keren we verder terug, dan is Leo XIII de absolute veelschrijver. Hij publiceerde er 86.

Natuurlijk is het niet de kwantiteit die telt. Algemeen wordt aangenomen dat Johannes XIII, die er acht schreef in vijf jaar tijd, inhoudelijk de sterkste encyclieken afleverde. Kardinaal Danneels noemt zijn 'Pacem in terris' zijn persoonlijke favoriet, "vanwege het belang voor de vrede en rechtvaardigheid in de wereld".

Wat zal de eerste worp van Benedictus brengen?

Naar een eerste encycliek van een nieuwe paus wordt altijd reikhalzend uitgekeken. Temeer daar Benedictus XVI nog niet echt in zijn kaarten liet kijken. Anderzijds verwachten kerkwatchers geen revolutionaire teksten. Benedictus' eerste encycliek is geen sociaal of pastoraal werkstuk, noch zal het ingaan op kerkthema's, maatschappelijke of morele discussies.

Uit wat tot nu toe is uitgelekt zou het vooral om een theologisch doorwrocht werkstuk gaan dat de verschillende uitingsvormen van Gods liefde beschrijft (zie de krant van 19 januari).

Een 'beleidsverklaring' wordt het dus niet. Die heeft Benedictus XVI deels al gegeven in zijn eerste toespraak tot de kardinalen onmiddellijk na het conclaaf. Daarin beklemtoonde hij zijn wil tot uitvoering van het tweede Vaticaans concilie (waarmee hij meteen aangaf dat er op korte termijn geen derde zit aan te komen) en de continuïteit met het vorige pontificaat, waarin vooral oecumene centraal stond.

De Duitse kardinaal Walter Kasper, die de pauselijke raad voor de eenheid van de christenen leidt, zei al in een interview dat de encycliek 'zeer belangrijk' zal zijn voor de oecumene. Door vertaalproblemen is de voorstelling van de encycliek al een paar keer uitgesteld. Nu valt de publicatie samen met de laatste dag van de jaarlijkse gebedsweek voor alle christenen. 'Gods voorzienigheid', zei Benedictus XVI.

De vraag blijft welke impact een encycliek nu nog heeft. Na de publicatie en vertaling ervan wordt de pauselijke brief rondgestuurd naar alle bisschoppen in de wereld, die hem op hun beurt moeten verspreiden onder de gelovigen.

Om het met een understatement te stellen: vijftig pagina's 'hoogtheologische' tekst waar zelfs geoefende Vaticaanse vertalers moeite mee hebben, het zal de massa niet echt bekoren. Laat staan dat er velen er rekening mee zullen houden.

Wie schrijft die blijft, maar een bezoek van de Duitse paus aan Auschwitz, gepland voor eind mei dit jaar, zal wellicht wel het eindejaarsoverzicht halen.

Een lijst van alle encyclieken (Engels).
Een ruimte selectie uit de documenten van de R.-K. Kerk, waaronder vele encyclieken (Nederlands).

5. Citaten uit en reflectievragen bij Deus caritas est

Citaat 1 - Deus Caritas Est, nr 5.

Vandaag wordt het christendom van het verleden vaak bekritiseerd voor het feit dat het tegen het lichaam en het lichamelijke gekant zou zijn; en het is zo dat tendensen in deze trend altijd bestaan hebben. Toch is de hedendaagse wijze waarop het lichaam verheerlijkt wordt, misleidend. Eros, herleid tot pure "seks", is een handelswaar geworden, niets meer dan een "ding" dat gekocht en verkocht wordt. Of nog eerder: de mens zelf wordt een handelsgoed. Dit is allesbehalve het grote "ja" van de mens aan het lichaam. Integendeel, de mens beschouwt vandaag zijn lichaam en zijn seksualiteit als het zuiver materiële gedeelte van zijn wezen dat naar willekeur gebruikt en uitgebuit mag worden. Evenmin ziet de mens zijn lichaam als een arena voor het uitoefenen van zijn vrijheid, maar als slechts een object dat hij, naar wens, genietbaar en onschadelijk probeert te maken. Op die manier hebben we hier in feite te maken met een vernedering van het menselijke lichaam: het is niet langer geïntegreerd in het geheel van onze existentiële vrijheid; het is niet langer een vitale uitdrukking van ons volledige wezen, maar het wordt min of meer verbannen naar het terrein van het zuiver biologische. De ogenschijnlijke verheerlijking van het lichaam kan snel omslaan in haat voor het lichamelijke. Het christelijke geloof, daarentegen, heeft de mens altijd beschouwd als een eenheid in tweeledigheid, een realiteit waarin geest en materie in elkaar doordringen en elkaar aanvullen, en waarin eenieder tot een nieuwe waardigheid gebracht wordt.

Aanzet tot reflectie:

  • Welk cultuurbeeld schetst 'Deus caritas est' over de hedendaagse omgang met het lichamelijke?
  • Ga je akkoord met het cultuurbeeld dat hier geschetst wordt?
  • Hoe stelt 'Deus caritas est' de christelijke visie op het lichamelijke voor?
  • Wat vind je persoonlijk van deze visie?
  • Welke kritieken zijn volgens 'Deus caritas est' in het verleden op het christendom geuit? Zijn deze kritieken volgens 'Deus caritas est' terecht?
  • Hoe kan volgens jou de christelijke visie, zoals voorgesteld in 'Deus caritas est' in onze hedendaagse cultuur een plaats krijgen?
  • Vind je het zinvol dat over dit onderwerp (door de paus) geschreven wordt? Waarom wel/niet?

 

 

Citaat 2 - Deus Caritas Est, nr 17.

[...]
Liefde is niet enkel een gevoel. Gevoelens komen en gaan. Een gevoel kan een prachtige eerste vonk zijn, maar het is niet de volheid van liefde. We spraken eerder over het proces van zuivering en rijping waardoor eros zich vervolledigt, liefde wordt in de volle betekenis van het woord. Het is kenmerkend voor de voldragen liefde dat ze alle mogelijkheden van de mens betrekt; ze doet, bij wijze van spreken, een beroep op de gehele mens. Contact met de zichtbare manifestaties van Gods liefde kan in ons een gevoel van blijdschap opwekken dat voortkomt uit de ervaring van geliefd te zijn. Maar deze ontmoeting engageert ook onze wilskracht en ons verstand. Het erkennen van de levende God is één pad naar liefde, en het "ja" van onze wilskracht aan de Zijne brengt ons verstand, onze wilskracht en onze emoties samen in de allesomvattende daad van liefde. Dit proces is echter altijd onaf; liefde is nooit "voltooid" en compleet; ze verandert en rijpt doorheen het leven, en blijft zo trouw aan haarzelf.

Aanzet tot reflectie:

  • Wat is volgens 'Deus caritas est' liefde in de volle zin van het woord?
  • Hoe omschrijft 'Deus caritas est' de liefde van God?
  • Leg uit: "Een voldragen liefde is nooit voltooid".

 

Verband met 'Eros en Agapè' (Jean Vanheessen)

Zie ook Thema's uit de encycliek

Een eerste deel van Deus caritas est bestudeert de betekenis van de goddelijke liefde of 'agape'. 'God', 'Christus' en 'Liefde' verschijnen er als het richtsnoer voor het christelijk geloof. Het Griekse woord voor liefde is 'agape'. En gezien het vooral deze term is die in het Nieuwe Testament voor liefde aangewend wordt, slaat 'agape' op de liefde die het christendom eigen is: de liefde die door Johannes als gave van de Heilige Geest gezien wordt. Het is in deze betekenis dat Benedictus XVI het woord 'agape' gebruikt. Het kenmerkende van de 'agape' bestaat erin dat men niet zozeer zijn eigen geluk zoekt, maar veeleer het geluk van de ander.

In de encycliek wordt dan vooral de vraag gesteld hoe deze 'agape' zich verhoudt tot de 'eros' of het seksuele verlangen. Op het eerste zicht lijkt 'eros', de seksualiteit, veraf te staan van wat het christendom onder 'agape' begrijpt. Benedictus XVI wil evenwel aantonen dat de liefde één beweging is met verschillende dimensies. Wanneer men nadenkt over de verhouding tussen 'menselijke liefde' en 'christelijke liefde' zijn er twee grote mogelijkheden. Ofwel zegt men dat beide niets met elkaar van doen hebben: de 'agape' zou dan haaks staan op de 'eros'. Ofwel tracht men beide vormen van liefde op een of andere manier met elkaar te verbinden. Het is deze tweede optie die Benedictus XVI in Deus caritas est neemt.

Dit wil niet zeggen dat iedere vorm van 'eros' verzoend kan worden met de 'agape'. Het is duidelijk dat Deus caritas est voor een stuk gelezen moet worden als een reactie tegen een (westerse) verabsolutering van de 'eros'. Wanneer dit gebeurt dan dreigt de 'eros' louter 'seks om de seks' te worden. Ten gronde is de 'eros' evenwel goed omdat ze door God geschapen is. Wanneer de 'eros' nu gezuiverd wordt, kan ze worden verzoend met de 'agape'. 'Eros' wordt in 'agape' getransformeerd in de mate dat man en vrouw elkaar werkelijk liefhebben: niet langer zichzelf zoeken, bovenal het goede voor de ander willen, bereid zijn zichzelf op te offeren voor de ander en openstaan voor de gave van een nieuw menselijk leven.

Aanzet tot reflectie:

  • Wat is de betekenis van eros en agapè?
  • Kan eros verzoend worden met agapè volgens 'Deus caritas est'?
  • Hoe zou je vanuit de begrippen eros en agapè uitleggen wat échte liefde is?

Citaten verzameld door De Standaard

God is liefde, zeker in tijden van haat
De Standaard, do. 26/01/2006

"Liefde is een van de meest gebruikte en misbruikte woorden geworden."

"Het christendom wordt vaak bekritiseerd omdat het zich zou afzetten tegen het lichaam. En het is juist dat er zulke tendensen zijn geweest. Maar de hedendaagse verering van het lichaam is misleidend."

"Liefde voor weduwen en wezen, gevangenen en zieken is essentieel voor de kerk."

"We moeten toegeven dat kerkleiders pas laat hebben ingezien dat sociale rechtvaardigheid op een andere manier aangepakt moest worden."

"De kerk moet niet overgaan tot de politieke strijd."

6. Thema's uit de encycliek

Caritas

De beleving van de 'agape' kan niet een louter individueel gebeuren blijven. Ze leidt volgens Benedictus XVI noodzakelijkerwijze ook tot een handelen van de kerk als gemeenschap. Daarom behandelt hij in het vervolg van de encycliek ook het concrete kerkelijke handelen dat voortvloeit uit de 'agape'. Hier betreden we het domein van de 'caritas'. Indien het zo is dat de kerk de uitdrukking is van Gods liefde, dan moet de kerk deze liefde ook in de praktijk verderzetten. De kerk moet, als gemeenschap, op een institutionele wijze liefhebben.

De kerkelijke organisatie van de caritas is dus volgens Deus caritas est geen bijkomstig gegeven dat even goed door anderen ondernomen zou kunnen worden en dat de kerk dus achterwege zou kunnen laten. Het behoort integendeel tot het wezen van de kerk. Meteen komt de 'caritas' niet voort uit gewone menselijke welwillendheid of menslievendheid ('philanthropia'): de liefde vanwege God en Christus vormt immers de bron voor het caritatieve handelen. In Deus est caritas zit dus de volgende beweging: van de liefde die God is ('Agape') naar de 'agape' van de kerk.

Bron: Jean Vanheessen, aspirant FWO-Vlaanderen, KU Leuven

Eros en agapè

Een eerste deel van Deus caritas est bestudeert de betekenis van de goddelijke liefde of 'agape'. 'God', 'Christus' en 'Liefde' verschijnen er als het richtsnoer voor het christelijk geloof. Het Griekse woord voor liefde is 'agape'. En gezien het vooral deze term is die in het Nieuwe Testament voor liefde aangewend wordt, slaat 'agape' op de liefde die het christendom eigen is: de liefde die door Johannes als gave van de Heilige Geest gezien wordt. Het is in deze betekenis dat Benedictus XVI het woord 'agape' gebruikt. Het kenmerkende van de 'agape' bestaat erin dat men niet zozeer zijn eigen geluk zoekt, maar veeleer het geluk van de ander.

In de encycliek wordt dan vooral de vraag gesteld hoe deze 'agape' zich verhoudt tot de 'eros' of het seksuele verlangen. Op het eerste zicht lijkt 'eros', de seksualiteit, veraf te staan van wat het christendom onder 'agape' begrijpt. Benedictus XVI wil evenwel aantonen dat de liefde één beweging is met verschillende dimensies. Wanneer men nadenkt over de verhouding tussen 'menselijke liefde' en 'christelijke liefde' zijn er twee grote mogelijkheden. Ofwel zegt men dat beide niets met elkaar van doen hebben: de 'agape' zou dan haaks staan op de 'eros'. Ofwel tracht men beide vormen van liefde op een of andere manier met elkaar te verbinden. Het is deze tweede optie die Benedictus XVI in Deus caritas est neemt.

Dit wil niet zeggen dat iedere vorm van 'eros' verzoend kan worden met de 'agape'. Het is duidelijk dat Deus caritas est voor een stuk gelezen moet worden als een reactie tegen een (westerse) verabsolutering van de 'eros'. Wanneer dit gebeurt dan dreigt de 'eros' louter 'seks om de seks' te worden. Ten gronde is de 'eros' evenwel goed omdat ze door God geschapen is. Wanneer de 'eros' nu gezuiverd wordt, kan ze worden verzoend met de 'agape'. 'Eros' wordt in 'agape' getransformeerd in de mate dat man en vrouw elkaar werkelijk liefhebben: niet langer zichzelf zoeken, bovenal het goede voor de ander willen, bereid zijn zichzelf op te offeren voor de ander en openstaan voor de gave van een nieuw menselijk leven.

Bron: Jean Vanheessen, aspirant FWO-Vlaanderen, KU Leuven

7. Wat houdt 'caritas' in?

Het is een uitdaging vandaag na te denken over de caritas. Het lijkt een woord uit een ver verleden toen het vooral religieuzen waren die caritatief werk deden en daarmee hun eigen zieleheil en dit van de zieken ter harte namen. Maar wat houdt 'caritas' eigenlijk precies in en voor wie geldt dit woord?

Het wezen van de caritas

'Caritas' is een Latijns woord dat volgens van Dale christelijke liefde, naastenliefde en het betonen daarvan, liefdadigheid betekent. In het Grieks wordt dit agapè genoemd en wordt dit meestal vertaald in "gevende liefde". Agapè of caritas is de laatste in de rij van de zogenaamde liefdebegrippen: de genegenheid, de vriendschap, de eros en de agapè. Het begrip caritas zit in de lijn van de voorgaande liefdebegrippen, maar is er toch wezenlijk van onderscheiden. Er is niets meer boven de caritas of de agapè, tenzij deze steeds opnieuw in haar extreme vorm proberen toe te passen. Dit is een opdracht die nooit ten volle kan en zal gerealiseerd worden.

Het gaat over de liefde

Het uitgangspunt van de caritas is het liefdesgebod van Jezus zoals Hij dit formuleerde als antwoord op de vraag van de Farizeeën wat het voornaamste gebod is in de joodse Wet: "Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het voornaamste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten" (Mt. 22, 37-40).
In deze tekst wordt verwezen naar de Wet en de Profeten. We zouden kunnen zeggen dat het liefdesgebod zijn wortels vindt in de Wet en bij de Profeten.
In de Torah lezen we inderdaad dat we de armen niet mogen veronachtzamen, want God staat aan hun kant (Deut. 15, 1-11). En er wordt ook verwezen naar de specifieke categorieën die onze aandacht verdienen: wezen, weduwen, vreemdelingen, levieten.

Jezus zal de profetische teksten gebruiken wanneer Hij de vraag krijgt van de leerlingen van Johannes of Hij de te verwachten Messias is: "Blinden zien weer, kreupelen lopen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de blijde boodschap verkondigd" (Mt. 11, 5).
Heel de zaak van de naastenliefde bij Jezus is dan ook terug te brengen en is te kaderen in het liefdesgebod. Dus alles wat. Jezus zegt en doet met betrekking tot de naastenliefde moeten we lezen in het licht van Mt. 22, 37-40 en ligt in het verlengde van de Wet en de Profeten.

Wat wordt eigenlijk in dit liefdesgebod gezegd?

  1. Dat we God boven alles moeten liefhebben, maar dat de Godsliefde toch gelijkwaardig is aan de naastenliefde en de liefde tot zichzelf. Het onderscheid zit niet in de wijze van liefhebben, wel in het subject dat we moeten liefhebben. De liefde van en tot God gaat steeds vooraf aan de naastenliefde en de liefde tot zichzelf, omdat de liefde van God tot de mens het eerst is. "God heeft ons het eerst liefgehad" (1 Joh. 4, 10).
  2. De Godsliefde, de naastenliefde en de liefde tot zichzelf worden op dezelfde lijn geschreven, waardoor een quasi-gelijkwaardigheid ontstaat. De naastenliefde zit dus als het ware vervat tussen de Godsliefde en de liefde tot zichzelf.
  3. Johannes zegt dat de liefde tot God onwillekeurig ook liefde tot de naaste tot gevolg heeft, zoniet is de liefde tot God geveinsd. "Als iemand zegt dat hij God liefheeft, terwijl hij zijn broeder haat, hij is een leugenaar. Want als hij zijn broeder die hij ziet niet liefheeft, kan hij God niet liefhebben die hij nooit heeft gezien. Dit gebod hebben we dan ook van Hem gekregen: wie God liefheeft moet ook zijn broeder liefhebben" (1 Joh. 20-21).

Is de naaste de ondergeschikte van God, toch wordt deze in dit gebod als het ware de unieke plaatsvervanger van God. De naaste kunnen we zien en God niet, dus kan onze liefde tot God slechts zichtbaar en tastbaar worden doorheen onze liefde tot de naaste.

Wat is er zo bijzonder aan dit liefdesgebod?

  1. Dat het een gebod is: Als we de menselijke liefde nemen, dan is deze niet te vatten door een gebod. Liefde is een emotie, een faculteit van het gevoel, dat spontaan en gratuit ontstaat en dat niet kan worden opgelegd. Door de liefde hier te vatten in een gebod, wordt uitdrukking gegeven aan het feit dat het hier fundamenteel over iets anders gaat dan een emotie. We zitten met het Goddelijk liefdesgebod dan op een ander niveau dan deze uit "spontane emotie" gegroeid "graag zien".
     
  2. Dit totaal anders zijn dan de emotionele liefde wordt nog versterkt door wat verder vermeld wordt als "Bemin uw vijanden". Emotioneel kunnen we dat niet! Maar we horen Christus in alle duidelijkheid de vraag stellen: "Wat voor buitengewoons doe je dan als je alleen maar liefhebt die jou liefhebben (= wederkerige, emotionele liefde). Doen de heidenen dat ook niet?" (Mt. 5, 46). Het typisch christelijke van de naastenliefde wordt juist bepaald door haar grenzeloosheid: iedereen, overal, in alle omstandigheden (altijd) liefhebben.
     
    Bemin ook in omstandigheden waar geen enkele aanleiding is om te beminnen! Hierbij kunnen we verwijzen naar de parabel van de barmhartige Samaritaan. De naastenliefde die hier via een daad van barmhartigheid wordt voorgesteld, gaat verder dan de vriendschap (wederkerigheid), de verwantschap, de emotionele liefde, gaat de redelijkheid voorbij. De christelijke naastenliefde kenmerkt zich juist door haar totale onbaatzuchtigheid en het totaal ontbreken van wederkerigheid.
     
    Onbaatzuchtig: gewoon omdat de andere er is (cfr. Levinas), zelfs als er geen nood is en zelfs als geen hulp meer kan baten (de zogenaamde doden begraven is daar een voorbeeld van). Ontbreken van wederkerigheid: ik verwacht letterlijk niets terug, zelfs geen dank.
  3. Het is ook een gebod zonder verbod, een gebod dat niets verbiedt. We kunnen alleen niet ver genoeg gaan. We kunnen dus nooit zeggen: we hebben genoeg liefgehad. Dit geeft natuurlijk een gevoel van onverzadigbaarheid, van steeds onder de maat blijven, van mateloosheid. De maat van de liefde is inderdaad liefde zonder maat.

Hoe kunnen we het liefdesgebod toepassen?

"Bemin je naaste als jezelf" bevat geen enkele richtingwijzer naar de te volgen weg.
En het "bemin je vijand" geeft een mateloosheid aan en klinkt zelfs shockerend. Het blijft een radicaliteit waar we eigenlijk moeilijk weg mee kunnen. Christus zelf heeft dit begrepen door zelf de naastenliefde te vertalen, te kaderen in de werken van barmhartigheid. (Cfr. Mt. 25) En ook de christelijke traditie heeft dat begrepen en is aan die moeilijkheid tegemoet gekomen door een tweevoudige lijst van werken van barmhartigheid op te stellen, die een handzame invulling biedt van het eigen onhandelbaar gebod. Daardoor wordt het gebod niet minder radicaal, maar het wordt handelbaar. We moeten er onmiddellijk aan toevoegen dat het verrichten van de werken van barmhartigheid op zich nog geen naastenliefde is.
Nemen we het voorbeeld van het voedsel geven aan de hongerigen. Je kunt dit doen uit medelijden, emotioneel voel je je betrokken op de andere. Dat is barmhartigheid tonen. Barmhartigheid wordt naastenliefde wanneer je die andere voedsel blijft geven, ondanks het feit dat die andere niet positief reageert op jouw barmhartigheid. De naastenliefde wordt geboren als de daad stopt een spontane reactie van helpen te zijn. We kunnen het ook anders formuleren: iemand helpen wordt een echte daad van barmhartigheid als deze daad gesteld wordt in het perspectief van de naastenliefde.

We kennen de 7 lichamelijke werken van barmhartigheid:

 Hongerigen spijzen  De dorstigen laven  De naakten kleden  De vreemdelingen herbergen
     
 De zieken bezoeken  De gevangenen verlossen  De doden begraven  

Paul Bruylant "De 7 Werken van Barmhartigheid"
Zie ook www.kerknet.be/diaconie/ 

De zeven werken van barmhartigheid zijn zeer concrete handelingen, voor een deel zelfs gericht op nuttigheid. De mens wordt dus concreet geholpen. Deze lichamelijke werken hoeden ons er voor de naastenliefde te theoretisch, te geestelijk te beschouwen.
We worden echt opgeroepen het liefdesgebod in de praktijk te brengen. Het laatste werk overstijgt voor een deel dit nuttigheidsprincipe: de dode zelf heeft er geen enkel nut van om begraven te worden, maar de mens blijft je naaste, ook over de dood heen. Hier zitten we op het niveau van een totaal afwezig zijn van wederkerigheid, van echte onbaatzuchtigheid.

De 7 geestelijke werken van barmhartigheid gaan meer in de richting van houdingen, van wijzen van omgaan met de concrete naaste:

  • onwetenden onderrichten
  • twijfelaars raad geven
  • bedroefden troosten
  • zondaren vermanen
  • lastigen verdragen
  • beledigingen vergeven
  • voor allen (levenden en doden) bidden

Hoe als individu het ideaal van de caritas beoefenen?

De caritas een plaats geven in onze dagelijkse realiteit is geen sinecure, omdat ze juist het wezen van ons handelen treft. Er is met andere woorden geen tussenweg mogelijk: ofwel laten we ons handelen bepalen door de caritas, ofwel handelen we zonder caritas. We hebben dus als individu de opdracht aan de caritas gestalte te geven in ons concreet op weg gaan met de anderen. We moeten ons laten oproepen door de radicaliteit van het evangelie, zoals deze als boodschap in de bergrede zit vervat. In iedere uitspraak klinkt deze radicaliteit op, omdat ze verbonden wordt met de radicaliteit van de Vader. "Zoals uw hemelse Vader", horen we Christus geregeld zeggen. Als het gaat om b.v. de barmhartigheid, dan kunnen we niet een beetje barmhartig zijn, maar dan moeten we dit totaal zijn, zoals onze hemelse Vader barmhartig is. Doorheen zijn eigen handelingen en doorheen de voorbeelden die Jezus ons geeft via de parabels, wordt ons heel duidelijk dat de evangelische boodschap een boodschap is waar geen bovengrens is, waarbij het enige probleem steeds is, dat we niet ver genoeg gaan.

De radicaliteit moeten we koppelen aan een bescheidenheid die ons behoedt voor het fanatisme. Radicaliteit kan immers omslaan in een fanatisme en zelfs een fundamentalisme, en dikwijls worden zij die zich radicaal opstellen verweten fanatiek te zijn. Waar ligt de grens tussen de radicaliteit waartoe we opgeroepen worden en het fanatisme dat we te vermijden hebben? Opnieuw kunnen we in de leer gaan bij Jezus. Hij reageert op het kwaad dat mensen overkomt of aangedaan wordt nooit met een "totalitaire strijd" waarmee Hij het probleem van het kwaad definitief wil oplossen. Zijn goed doen, waarmee Hij opkomt tegen allerlei vormen van lijden en aangedaan kwaad, blijft heel bescheiden, beperkt en partieel, volstrekt voorlopig. De Franse theoloog Duquoc noemt dit "de spaarzaamheid van Jezus".
Hij gaat al weldoende rond, geneest hier en daar een zieke. Hij heeft geen "totaal-plan" om het kwade te breken en het goede definitief te vestigen. Hij had dit kunnen doen, dit lag in zijn macht, maar Hij heeft het niet gedaan. Zijn optreden had niets weg van een obsessionele gedrevenheid. Hij ging alleen maar in op hetgeen aan Hem voorbij kwam, en in deze situaties gaf Hij een radicaal antwoord.
Dat was de methode van Jezus: op de plaats waar men staat en komt en bij de mensen met wie men in contact komt het goede doen en verkondigen, radicaal voor zichzelf, maar zonder dwang naar de andere toe. Ruimte geven aan Gods genade betekent juist dat men de weg opent voor het goede doorheen de liefde.

Als we de "spaarzaamheid" van Jezus voor ogen nemen, hoe is het dan gesteld met onze drang om alles systematisch aan te pakken, doelgericht te werken, te structureren en te organiseren? Ook op het vlak van de naastenliefde willen christenen de zaak systematisch aanpakken. Worden we hierbij niet het slachtoffer van het nuttigheidsprincipe dat steeds meer veld wint. En kunnen of mogen we dit principe toepassen op het vlak van de naastenliefde? Als er één terrein is waar de nuttigheid niet telt, dan is het wel in de zaak van het geloof. God beminnen, onze naaste beminnen doen we niet omdat het ons tot nut kan zijn, maar gewoon omdat God en de naaste er zijn. Dat is en dat mag onze enige motivatie zijn.
Wanneer we nu de zaak van de naastenliefde systematisch en zelfs gestructureerd gaan aanpakken, dan kan dit nooit gericht zijn op het bekomen van een beter resultaat in de naastenliefde, maar louter op het bereiken van meer mensen die anders van onze liefde zouden verstoken zijn.
De naastenliefde zelf kan niet gestructureerd en gesystematiseerd worden, ze kan enkel aanwezig zijn binnen een systeem en binnen een structuur. Wanneer we als participant van de menselijke polis opgeroepen worden om een gestructureerde bijdrage te leveren aan b.v. de strijd tegen de armoede, dan moeten we deze uitdaging aannemen en moet het onze bekommernis zijn om de mensen die we in deze actie ontmoeten onze liefde te geven, naast en met de gestructureerde aanpak van hun probleem inzake armoede.
Hetzelfde geldt voor de ziekenzorg waar we binnen onze deskundige zorg de zieke onze liefde willen tonen en aanbieden. Het is deze liefde die onze deskundigheid nog zal aanscherpen en onze drang om alles goed te organiseren nog zal versterken. Het goed organiseren kan een hulpmiddel zijn om de liefde een kans te geven om aanwezig te kunnen komen op plaatsen, in situaties en bij mensen waar dit anders moeilijk kan zijn.

De nuttigheid van het organiseren uit zich in het ruimte geven aan de caritas, maar kan geen invloed hebben op de inhoudelijke werking van de caritas. Het nuttigheidsprincipe en het resultaatsdenken staan immers in oppositie tegenover de doeleinden van de christelijke naastenliefde.
In een wereld die geleid wordt door principes die overigens ver af staan van het geloof en de caritas, is het moeilijk om deze caritas in alle omstandigheden te realiseren. Daarom is het belangrijk dat gelovigen steun zoeken bij elkaar. Om wat mensen belangrijk vinden verenigen ze zich en vormen ze groep. In het nieuwe kerkbeeld wordt veel belang gehecht aan het vormen van zogenaamde basisgemeenschappen van waaruit gelovigen echt zout der aarde kunnen zijn. In deze gemeenschappen mag men steun vinden om het in de polis uit te houden, om zich te sterken in de radicaliteit van de evangelische boodschap en om zich te hoeden voor het fanatisme dat ons bedreigt. Het is vanuit deze gemeenschappen dat men ook op een meer georganiseerde wijze kan deelnemen aan het opbouwwerk van de polis en waarin men ruimte creëert om de caritas te laten groeien.
Als we tenslotte opnieuw de vraag stellen hoe we als individu erin slagen om de caritas te blijven beoefenen, dan is naast al hetgeen vooraf wordt gezegd één zaak nog het meest essentieel, nl. ons gericht zijn op God. We kunnen de naaste maar echt liefhebben als we ons laten beschijnen door de liefde van God. Regelmatige herbronning is dan ook levensnoodzakelijk willen we in ons leven blijvende ruimte scheppen voor de cultivering van de naastenliefde. Zonder het regelmatig gebed, bezinning en geestelijke lectuur is het gevaar groot dat de invulling nog louter gericht is op resultaat, op wederkerigheid en op nuttigheid.

Bronnen:

8. Paus Benedictus XVI

Jeugd

Joseph Ratzinger werd op 16 april 1927 in Marktl am Inn in Beieren geboren. Zijn vader, Joseph Ratzinger sr, stamde uit een traditionele familie van landbouwers. Joseph Ratzinger bracht zijn jeugd door in Traunstein, een kleine stad nabij de Oostenrijkse grens. In 1941 werd hij verplicht lid van de Hitlerjugend en in 1943 moest hij samen met de rest van zijn klas dienen bij het luchtafweergeschut waarvan hij deserteerde.

Studies en carrière

Van 1946 tot 1951 filosofie en theologie studeerde hij filosofie en theologie in aan de hogeschool van Freising en aan de universiteit van München. Op 29 juni 1951 werd hij samen met zijn broer Georg tot priester gewijd in Freising door kardinaal Michael von Faulhaber van München. In 1953 promoveerde Joseph Ratzinger in de theologie met het proefschrift "Het volk en het huis van God volgens de leer van Sint Augustinus over de kerk". Hij doceerde van 1954 tot 1957 dogmatiek en fundamentele theologie aan de hogeschool voor filosofie en theologie te Freising.In 1962 werd hij op 35 jarige leeftijd tijdens het Tweede Vaticaans Concilie theologisch adviseur van de Aartsbisschop van Keulen, kardinaal Joseph Frings. Vervolgens publiceerde hij talrijke theologische werken. Vanaf 1969 bezette hij als professor de leerstoel voor dogmatiek en dogmageschiedenis aan de Universiteit van Regensburg en was vervangend rector magnificus van dezelfde universiteit van 1976 tot 1977.

Op 25 maart 1977 werd hij door Paus Paulus VI benoemd tot Aartsbisschop van München en Freising en zijn bisschopswijding volgde op 28 mei 1977. Op 27 juni 1977 werd hij door Paus Paulus VI tot kardinaal gewijd en later dat jaar werd hij hoofddocent aan de universiteit van Regensburg.

Op 25 November 1981 werd hij benoemd door Paus Johannes Paulus II tot Prefect van de Congregatie van de Geloofsleer, voorzitter van de pauselijke bijbelcommissie en van de internationale theologencommissie en tot Relator van de 5de Algemene Bischoppen Synode (1980).

Van 1986 tot 1992 was hij voorzitter van de Pauselijke Commissie voor het opstellen van de nieuwe Katechismus van de Katholieke Kerk (KKK).

Op 5 april 1993 werd hij gepromoveerd tot kardinaal-bisschop; hij werd titulair bisschop van het bisdom Velletri-Segni. Op 6 November 1998 werd hij gekozen tot vice-deken van het college van kardinalen en op 30 November 2002 tot deken van dit college.

Enkele weken na het overlijden van Paus Johannes Paulus II werd hij op 19 april 2005 verkozen tot de 265e paus. Tijdens de vierde stemronde in de Sixtijnse kapel op 19 april 2005 werd kardinaal Joseph Ratzinger tot paus verkozen. Dit werd om 18.45 uur bekendgemaakt door Mgr. Jorge Arturo Kardinaal Medina Estevez, kardinaal-protodiaken van het College van Kardinalen, die op het balkon van de Sint-Pieterskerk de woorden sprak:

Annuntio vobis gaudium magnum; habemus Papam: Eminentissimum ac Reverendissimum Dominum, Dominum Josephum, Sanctae Romanae Ecclesiae Cardinalem, Ratzinger, qui sibi nomen imposuit Benedicti XVI (= decimi sexti).

10. Persberichten

Encycliek paus valt onder auteursrechten Weekblad Famiglia Cristiana in de problemen

Geplaatst op 23/1 '06 om 21:32u
Door Theo Borgermans (Bron: AFP)

VATICAANSTAD (RKnieuws.net) - "God is Liefde", de eerste encycliek van paus Benedictus XVI, die woensdag gepubliceerd wordt, valt net als de andere teksten van de paus onder de auteursrechten. Dat heeft de Vaticaanse uitgeefster (Librairie Editrice Vaticane - LAV) maandag laten weten.

In mei jongstleden bekwam de LAV het beheer van alle auteursrechten van de paus, conform aan een decreet uit 1978. Zij zal optreden tegen de piraterij van teksten van de kerkleider, piraterij die onder Johannes Paulus II schering en inslag was.

Eis

Het Vaticaanse uitgevershuis heeft recent 15.000 euro geëist van een Milanese uitgever voor een boek "Het woordenboek van paus Ratzinger" van vaticanist Maro Tosatti die thematisch uittreksels selecteerde uit toespraken van kardinaal Joseph Ratzinger voor en na zijn verkiezing tot paus op 19 april 2005. De LAV motiveert haar eis, die uitlekte in de Italiaanse pers, door het feit dat de auteur in de inleiding van het boek zelf erkent dat de integraliteit van de teksten toe te schrijven zijn aan "de pen en de stem" van de huidige paus.

De 48 Italiaanse katholieke uitgevers zijn geschrokken van deze handelwijze maar het Vaticaanse uitgeversbedrijf stelt dat zij behoorlijk werden geinformeerd.

Weekblad in de problemen

Famiglia Cristiana (Christelijk Gezin), een weekblad met een grote oplage én eigendom van één van de 48 katholieke uitgeverijen, heeft alvast pech: het blad had de publicatie van de encycliek beloofd in zijn editie van 25 januari. Voor de gelegenheid zou het weekblad op één miljoen exemplaren verschijnen. De encycliek van de paus zal door het Vaticaan echter pas op 25 januari 's middags openbaar worden gemaakt, te laat om het voorwerp uit te maken van een oplage voor het grote publiek dezelfde dag. (tb)

Bron: rknieuws.net, 23 januari 2006

Paus geeft uitleg over zijn encycliek

Hilversum (Van onze redactie/Zenit) 19 januari 2006 - Benedictus XVI heeft gisteren tijdens de algemene audiëntie aangekondigd dat zijn eerste encycliek verschijnt op 25 januari, feestdag van Sint Paulus' Bekering én oecumenische gebedsdag. 

Hieronder de tekst van zijn aankondiging.

"Volgende week woensdag, 25 januari, feest van de Bekering van de Apostel van de Heidenen, zal ik in de voetstappen treden van paus Johannes Paulus II en gaan naar de Basiliek Sint-Paulus-buiten-de-muren om daar te bidden met de orthodoxe en protestantse broeders: bidden om te danken wat de Heer ons heeft gegeven; bidden dat de Heer ons mag leiden op de paden van de eenheid. Op dezelfde dag, 25 januari, zal bovendien mijn eerste encycliek eindelijk gepubliceerd worden. De titel ervan luidt Deus Caritas Est, 'God is Liefde'. Het onderwerp is niet direct oecumenisch, maar het kader en de achtergrond zijn oecumenisch, want God en onze liefde zijn de voorwaarde voor de eenheid van de christenen. Zij zijn de voorwaarde van vrede in de wereld.Met deze encycliek zou ik het begrip liefde in al zijn verschillende dimensies willen laten zien. In de tegenwoordige terminologie lijkt 'liefde' vaak iets anders te betekenen dan wat een christen denkt als hij spreekt van naastenliefde. Graag wil ik aantonen dat het één beweging is met verschillende dimensies.De 'eros', de liefdesgave tussen man en vrouw, komt uit dezelfde bron van de goedheid van de Schepper als de mogelijkheid van een liefde die zichzelf wegcijfert omwille van de ander. De 'eros' is getransformeerd in 'agapè' als de twee werkelijk van elkaar houden en niet langer zichzelf zoeken, het eigen plezier, het eigen geluk, maar bovenal zoeken naar de goedheid van de ander. Op deze wijze, wordt de eros getransformeerd in naastenliefde, op een pad van zuivering en verdieping. Vanuit het eigen gezin opent men zich voor het grotere gezin van de samenleving, het gezin van de Kerk en het gezin van de wereld.Ook zal ik proberen aan te tonen dat de geheel persoonlijke handeling die van God tot ons komt een unieke daad van liefde is, die ook uitgedrukt moet worden als een kerkelijke, organisatorische handeling. Als het echt waar is dat de Kerk een uitdrukking is van Gods liefde, van de liefde die God voor zijn menselijk schepsel heeft, dan moet het ook waar zijn dat de fundamentele geloofsdaad - waardoor de Kerk wordt gemaakt en verenigd en ons hoop geeft op het eeuwig leven en de aanwezigheid van God in de wereld - een kerkelijke daad behelst. Met andere woorden: de Kerk als kerk en als gemeenschap zijnde, moet liefhebben op institutionele wijze.Deze 'Caritas' [de paus verwijst naar de rk-hulporganisatie Caritas; caritas is de Latijnse vertaling van het Griekse agapè, dat naastenliefde betekent; red.] is niet louter een organisatie zoals andere filantropische organisaties, maar een noodzakelijke uitdrukking van de meest diepgaande handeling van persoonlijke liefde samen met hetgeen God voor ons heeft geschapen, een duw richting de liefde, als weerschijn van God-Liefde, die zijn beeld aan ons meedeelt. Er is wat tijd verstreken voordat de tekst klaar en vertaald was. Het feit dat het zal worden gepubliceerd juist op de dag dat we bidden voor de eenheid onder de christenen, lijkt een geschenk van de Voorzienigheid te zijn. Ik hoop dat het tot verlichting zal leiden en bijstand kan geven aan ons christelijk leven."

Bron: www.katholieknederland.nl

Eerste encycliek Benedictus XVI lekt in Italiaanse media

Geplaatst op 17/1 '06 om 12:08u
Door Theo Borgermans (Bron: AFP)

VATICAANSTAD (RKnieuws.net) - In de Italiaanse pers zijn uitreksels gelekt van de eerste encycliek van paus Benedictus XVI. Eind vorig jaar lekte al de Romeinse "homo-instructie" in de media. De publicatie van de encycliek is eind deze week voorzien.

Volgens niet-officiële bronnen wordt de nieuwe encycliek vrijdag op een persconferentie voorgesteld. De encycliek zou een vijftigtal pagina's beslaan.Volgens het persagentschap Ansa bestaat de encycliek uit twee delen en opent ze met een zin uit een brief van Sint-Jan volgens dewelke "God liefde is". De paus waarschuwt volgens deze bron tegen de verleiding om de twee dimensies van de liefde (eros en agapè) te scheiden omdat volgens hem zonder agape (liefde gebaseerd op de naastenliefde) de eros (liefde gebaseerd op passie) herleid wordt tot "enkel seks" en "koopwaar". Joaquin Navarro Valls, de woordvoerder van het Vaticaan, kondigde 23 december vorig jaar aan dat de eerste encycliek van de paus, waaraan hij afgelopen zomer werkte, in januari zal gepubliceerd worden.Dat de publicatie van de encycliek zo lang uitblijft heeft volgens diverse bronnen te maken met moeilijkheden die zich met de vertaling voordeden. De paus heeft de encycliek in het Duits - zijn moedertaal - geschreven. De encycliek werd vervolgens in het Latijn vertaald. De belangrijkste passages van de encycliek zijn inmiddels met het oog op de verspreiding van het document in gans de wereld ook vertaald in andere talen, onder meer in het frans.Het Italiaanse katholieke weekblad Famiglia Cristiana heeft zijn lezers al laten weten dat het de encycliek integraal zal publiceren in zijn nummer van 25 januari. Het blad zal naar aanleiding daarvan uitzonderlijk verschijnen op 1 miljoen exemplaren. (tb)

Bron: rknieuws.net, 17 januari 2006

11. Interessante links

^ bovenkant pagina

Deze week in de media

Nieuw op Thomas