Gezin, Relaties & Religie

Opzet van deze module is in te gaan op de plaats van religie en levensbeschouwing in datgene waar mensen dagelijks mee geconfronteerd worden: gezin en relaties. Door te wijzen op de levensbeschouwelijke invloeden op hoe mensen hun (gezins)relaties beleven wordt duidelijk dat religie, zingeving en levensbeschouwing niet gereserveerd zijn voor aparte momenten en plaatsen, maar van invloed zijn op vele aspecten van het leven .

Cursustekst

Vooraf

In deze thematische module wordt ingegaan op de plaats van religie en levensbeschouwing in datgene waar mensen dagelijks mee geconfronteerd worden: gezin en relaties. Door te wijzen op de levensbeschouwelijke invloeden in de beleving van (gezins)relaties wordt duidelijk dat religie, zingeving en levensbeschouwing niet gereserveerd zijn voor aparte momenten en plaatsen, maar van invloed zijn op vele, ook alledaagse, aspecten van het leven.

De module is opgebouwd uit drie grote onderdelen. In deel A wordt vertrokken van de vraag hoe gezinnen er vandaag uitzien en wat als gezin beschouwd wordt. Daarbij wordt bijzondere aandacht besteed aan de relatie tussen religie en gezinsvormen. Deel B focust op huiselijk geweld en de rol die religie daar in kan spelen. Vanuit christelijk perspectief worden ook enkele suggesties geformuleerd voor een ethiek van het gezin. Deel C behandelt de religieuze opvoeding in het gezin, zowel op zeer expliciete als op impliciete wijze. Deze drie onderdelen zijn logisch met elkaar verbonden, maar kunnen ook onafhankelijk van elkaar bestudeerd worden. Tot slot worden in een excursus enkele Bijbelse verhalen besproken, die telkens verbonden kunnen worden met verschillende onderwerpen uit de cursustekst.

Onder de tab ‘cursustekst’ is de theoretische uitwerking van het thema ‘Gezin, relaties en religie’ terug te vinden. Er werd ook een powerpointpresentatie opgesteld die makkelijk gewijzigd en aangepast kan worden. Bij ‘lessuggesties’ worden enkele suggesties gedaan voor het concreet uitwerken van lessen rond deze thematische module. Het didactisch materiaal dat hiervoor kan gebruikt worden bevindt zich onder een aparte tab. Wie zich graag verder verdiept in de thema’s van deze module vindt hiertoe enkele toegankelijke werken onder ‘literatuursuggesties’.
Deze module werd samengesteld in nauw overleg met prof. A. Dillen, docent pastoraaltheologie aan de K.U.Leuven 1.

A. Beeld van gezinnen vandaag

In een eerste onderdeel wordt een beeld geschetst van gezinnen vandaag. Dit wordt reeds bemoeilijkt door het feit dat niet iedereen het eens is over wat een ‘gezin’ is. In onze samenleving zijn er verschillende samenlevingsvormen die door sommigen wel, en door anderen niet met de term ‘gezin’ worden aangeduid. Op verschillende vlakken hebben er de voorbije decennia wijzigingen plaatsgevonden in de wijze waarop mensen in relatie met elkaar leven. Ook deze wijzigingen zijn het gevolg van veranderde (levensbeschouwelijke) vooronderstellingen. Hierbij wordt ook uitdrukkelijk aandacht besteed aan de relatie tussen religie en gezinsvormen .

Doelstellingen van dit onderdeel

  • kunnen aangeven dat er verschillende manieren zijn om de term ‘gezin’ op te vatten en dat de visie hierop zowel door tijd als door cultuur bepaald is
     
  • kunnen weergeven in welke mate ‘gezinnen’ vandaag veranderingen hebben ondergaan ten opzichte van enkele decennia geleden
     
  • een verklaring kunnen geven voor het gegeven dat mensen op belangrijke momenten in hun leven (bv. bij een huwelijk) soms terug aansluiten zoeken bij de kerk
     
  • de band tussen religie en gezin(svormen) kunnen toelichten
     
  • verschillende verhoudingen tussen sociologische werkelijkheid en theologisch ideaal kunnen onderscheiden

 

Inleiding

Wat men zegt over ‘het gezin’ is afhankelijk van wat men als ‘gezin’ beschouwt. Hoewel er, als er over het gezin gesproken wordt, op het eerste zicht meestal wel overeenstemming lijkt te bestaan tussen gesprekspartners over waar deze term precies naar verwijst, blijkt die overeenstemming vaak minder duidelijk wanneer expliciet gevraagd wordt naar de betekenis van het ‘gezin’. Vormt een gehuwd koppel zonder kinderen een gezin? En een ongehuwd koppel met kinderen? Een alleenstaande moeder met haar drie kinderen? Een gescheiden vader met zijn dochter die om het weekend bij hem op bezoek komt? Een gehuwd lesbisch koppel met kinderen? …

Op verschillende vlakken hebben er de voorbij decennia veranderingen plaatsgevonden in de wijze waarop mensen met elkaar samenleven. Terwijl het beeld van wat een gezin is vroeger heel duidelijk overeenstemde met de overheersende wijze van samenleven, is het vandaag niet meer zo duidelijk naar welke samenlevingsvorm de term ‘gezin’ verwijst. Deze wijzigingen in de manier waarop mensen met elkaar samenleven zijn het gevolg van maatschappelijke veranderingen en gewijzigde opvattingen. Maar ook de visie die men heeft op ‘gezin’ en welke lading precies door deze term gedekt wordt, is afhankelijk van bepaalde opvattingen en vooronderstellingen, waarin religie zeker geen onbelangrijke rol speelt.
 

I. Een veelheid aan gezinsvormen

1.1 Verschillende visies

Tot enkele decennia geleden werd onder gezin twee samenlevende ouders, vader en moeder, en hun kind(eren) verstaan. In 1949 kwam de Amerikaanse antropoloog George Peter Murdock tot een omschrijving van het gezin als een universele sociale institutie, aanwezig in alle culturen en samenlevingen. Volgens Murdocks invloedrijke definitie bestaat een gezin altijd uit minstens één kerngezin: een groep die een man, een vrouw en hun eigen of geadopteerde kinderen bevat en waarin samenwonen, economische samenwerking en een seksuele relatie tussen partners gecombineerd worden 1. Maatschappelijke veranderingen, zoals de toename van echtscheidingen en het dalende aantal huwelijken en geboorten, zorgen er echter voor dat deze omschrijving niet langer beschrijft wat men in overeenstemming met de sociologische realiteit met ‘gezin’ aanduidt. Vanaf ongeveer midden jaren zeventig werd het voor gezinssociologen dan ook duidelijk dat een ‘standaard gezinstheorie’ die de universele essentie van het gezin zou kunnen vatten, niet mogelijk was.

In het laatste decennium van de twintigste eeuw werd er een bevraging gedaan bij 18-jarige universiteitsstudenten in Leuven 2. Op de vraag of een gehuwde vader en moeder met één zoon een gezin vormen antwoordde 99% van de bevraagde studenten positief. Een ongehuwd samenwonende man en vrouw met één kind worden door 98% van de ondervraagden als gezin benoemd. Koppels zonder kinderen worden door 80% van de ondervraagden als gezin beschouwd. Een getrouwd kinderloos heteroseksueel koppel scoort hoger dan een niet-gehuwd kinderloos heteroseksueel koppel, dat op zijn beurt weer eerder als een gezin wordt beschouwd dan een niet-gehuwd homoseksueel paar. Uit de onderzoeksresultaten van de bevraging kunnen vijf cruciale factoren afgeleid worden die bepalen wat wel en niet als gezin kan worden beschouwd: samenwonen, al dan niet hebben van kinderen, hetero- of homoseksualiteit, burgerlijke staat en bloedverwantschap. Ouderschap lijkt de meest doorslaggevende factor te zijn.

De Katechismus van de katholieke kerk (1993, Nederlandse vertaling in 1995) geeft als omschrijving: “Een man en een vrouw, verenigd in het huwelijk, vormen samen met hun kinderen een gezin”. De belangrijke factoren zijn hier dus: burgerlijke staat, ouderschap en een heteroseksuele relatie. Deze kerkelijke omschrijving volgt het beeld van het traditionele kerngezin dat door vrijwel iedereen zonder aarzelen als een gezin wordt aanzien. Ze gaat echter voorbij aan de vele andere mogelijke leefvormen die door een grote groep mensen als een gezin worden beschouwd. Actuele opvattingen en fenomenen zijn echter weinig relevant volgens de Katechismus, want het gezin hoort bij Gods schepping: “Deze instelling gaat aan elke erkenning door het openbaar gezag vooraf; ze staat erboven. Men moet deze gemeenschap als het normale referentiepunt beschouwen, waarnaar de verschillende vormen van verwantschap moeten beoordeeld worden” (nr. 2202). Alle vormen van samenwonen en/of verwantschap die niet beantwoorden aan het beeld van een getrouwd heteroseksueel koppel met kinderen, worden dus niet als een gezin beschouwd.
 

Culturele verschillen m.b.t. de betekenis van 'gezin '

Wat verstaan wordt onder een ‘gezin’ is ook afhankelijk van culturele verschillen. Dat blijkt uit een onderzoek van 1994 in de Verenigde Staten dat net zoals het Leuvens onderzoek universiteitsstudenten bevraagt, maar tot heel andere resultaten komt 4. Zo weegt in de VS bloedverwantschap sterker door en zullen ook broers en zussen en grootouders en kleinkinderen als gezin beschouwd worden. Volgens de ondervraagden in Amerika vormt een zoon die elders in de stad woont, samen met zijn ouders een gezin, evenals drie samenlevende broers en zussen en een gescheiden vrouw met een dochtertje. Deze drie leefvormen worden door de ondervraagden in de VS eerder een gezin genoemd dan een ongehuwd samenwonend koppel met kind en ze worden door meer dan 90% van de ondervraagden als een gezin aangeduid. In de VS noemt ook 81% van de ondervraagden grootouders en hun kleinkind, die niet samenwonen, een gezin, terwijl dat in België maar 12% is. Een gescheiden man die niet bij zijn dochter woont en haar om de twee weekends ziet, vormt volgens 68% van de ondervraagde Amerikanen een gezin. En als het om een vrouw en haar zoon gaat, spreekt zelfs 72% van de Amerikanen van een gezin. In België beschouwt slechts 37% van de ondervraagden die vader met zijn dochter als een gezin. In de VS lijkt ouderschap ook veel belangrijker te zijn dan samenwonen. Een gescheiden moeder die niet bij haar zoon woont, vormt samen met die zoon een gezin volgens 72% van de ondervraagde Amerikaanse studenten. Maar een niet-gehuwd kinderloos koppel dat samenwoont, is maar volgens 44% van de ondervraagden een gezin. In België geven respectievelijk 37% en 65% van de ondervraagden hetzelfde antwoord.

1.2 De werkelijkheid: gewijzigde gezinsvormen en interne organisatie

Als de sociologische werkelijkheid ernstig wordt genomen, en ‘gezin’ breed wordt opgeval zoals velen het vandaag verstaan, dan kan men niet anders dan vaststellen dat er zich vele verschuivingen hebben voorgedaan in deze leefvorm. In de hoogdagen van de moderniteit, in de jaren ’50 en begin jaren ’60 van de vorige eeuw, viel het klassieke beeld van het gezin – een gehuwde man en vrouw met hun kinderen – samen met de alomtegenwoordige praktijk in de werkelijkheid 5. De moderniteit, als het geloof in ‘grote verhalen’, (Lyotard) bracht ook een ‘groot gezinsverhaal’ met zich mee. Daartoe behoorde de formele samenstelling van gehuwde (heteroseksuele) ouders en hun kinderen, maar ook een visie op de interne taakverdeling: de man ging buitenshuis werken en de vrouw bleef thuis om voor de kinderen te zorgen. Kernwoord om deze moderne visie op het gezin te typeren is: ‘het gezin’, in het enkelvoud.

Terwijl in het traditionele – katholieke – gezin partnerschap, huwelijk, seksualiteit en vruchtbaarheid onlosmakelijk met elkaar verbonden waren, is de relatie tussen deze verschillende aspecten vandaag veel losser. Seksualiteit zonder vruchtbaarheid, partnerschap zonder huwelijk, huwelijk zonder vruchtbaarheid, … zijn allemaal maatschappelijk aanvaarde fenomenen. Mensen huwen dan ook later (de gemiddelde leeftijd bij een huwelijk tussen partners die beiden voor het eerst trouwen, bedroeg in België in 2000 bij mannen gemiddeld 29 jaar, bij vrouwen 26 jaar; in 1970 was dat nog respectievelijk 24 jaar en 22 jaar), of helemaal niet (in 1970 werden per 1000 inwoners 8 huwelijken gesloten, in 2004 waren er dat maar 4,17), waardoor velen ongehuwd samenwonen. Daardoor worden ook meer kinderen geboren uit relaties die niet geïnstitutionaliseerd zijn door het huwelijk (14% van de Belgische kinderen geboren in 1996). Door het sterk toegenomen aantal echtscheidingen (In 1980 waren er in België gemiddeld 1,5 echtscheidingen op 1000 inwoners, in 2004 waren dit er 3), ontstaan er veel eenoudergezinnen, maar ook nieuwe relaties tussen personen die voorheen al gehuwd waren en/of kinderen hadden: nieuw samengestelde gezinnen.

Daarnaast is ook de interne vormgeving van gezinnen vandaag de dag niet meer zomaar voorgegeven. Tot voor enkele decennia was het vanzelfsprekend dat de man buitenshuis werkte terwijl de vrouw de taken in het huishouden op zich nam. Vandaag is het eerder de norm dat zowel man als vrouw een inkomen verdienen en nemen vaders een steeds grotere rol op in de opvoeding van de kinderen. Daardoor is het voor velen geen evidentie meer welke taken binnen- en buitenshuis best door de man en welke best door de vrouw worden uitgevoerd. De combinatie arbeid en gezin is voor veel gezinnen, voor mannen en vrouwen, een grote evenwichtsoefening geworden.

Ook in de opvoedingsrelatie binnen gezinnen ligt alles vandaag veel minder vast dan vroeger. Abram De Swaan bracht het begrip ‘onderhandelingshuishoudens’ aan en plaatste dit in tegenstelling tot ‘bevelshuishoudens’ Deze termen wijzen op de afname van hiërarchisch gestructureerd gezag dat van boven af wordt opgelegd en de toename van overleg en ‘democratie’ als norm voor de relaties tussen leden van een gezin (deels bevorderd door de afname van het aantal kinderen per gezin wat overleg met ouders makkelijker maakt). Ouders worden daarbij door hun kinderen uitgedaagd om de zin en het doel van bepaalde verwachtingen en gedragseisen aan te tonen. Het is vandaag niet helemaal duidelijk in welke mate de verschuiving heeft plaatsgevonden en in hoeverre in hedendaagse huishoudens ‘onderhandeling’ en ‘participatie van de kinderen’ werkelijk de rol spelen die met De Swaans theoretische concept wordt aangeduid. Dat er heel wat speelruimte is om de ouder-kind-relatie in te vullen staat wel vast.

Het grote, klassieke, verhaal van ‘het’ gezin, moet dus plaats ruimen voor vele andere kleine verhalen – beelden van gezinnen. De huidige postmoderne onzekerheid, voorbij de ‘vaste waarheid’, speelt ook op het niveau van het denken over en het kijken naar gezinnen een rol. Het kernwoord om deze postmoderne visie op het gezin aan te duiden is dus ‘gezinnen’, in het meervoud. Tegelijk echter houden sommigen vast aan een duidelijk beeld van wat ‘het gezin’ hoort te zijn (cf. supra).

 

Empirisch onderzoek over de 'klassieke taakverdeling'

Restanten van de klassieke taakverdeling blijven toch nog overeind, wat blijkt uit empirisch onderzoek bij 1224 leerlingen van de derde graad ASO en TSO in Vlaanderen in 2002 6. Op het item “Een vrouw is geschikter om kleine kinderen op te voeden dan een man” zijn de scores verdeeld. Ongeveer evenveel leerlingen zijn het eens met deze uitspraak als dat leerlingen het oneens zijn. Volgens de meeste leerlingen zijn man en vrouw beiden verantwoordelijk voor de opvoeding van de kinderen, maar voor iets meer dan de helft van de leerlingen neemt best de vrouw het grootste aandeel hierin op, zeker wanneer de kinderen klein zijn. Hetzelfde geldt voor de verdeling van huishoudelijke taken. Een grote meerderheid van de leerlingen (88,63 %) vindt dat mannen en vrouwen het huishoudelijke werk gelijk onder elkaar moeten verdelen. Het begrip ‘gelijk verdelen’ zou wel eens kunnen gezien worden als ‘beiden zijn verantwoordelijk, maar niet noodzakelijk in dezelfde mate en op dezelfde wijze’. Immers, 37,09 % zegt het eens te zijn met de uitspraak “het is logisch dat een man minder in het huishouden doet dan een vrouw”. We leren uit deze empirische gegevens dat voor heel wat mensen gelijkheid of gelijkwaardigheid in de taakverdeling tussen mannen en vrouw wel belangrijk is, maar dat de consequenties hiervan voor de invulling van concrete taken niet altijd even duidelijk zijn en dat voor heel wat mensen de vrouw toch nog meer verantwoordelijk is voor de kinderen en het huishouden dan de man.
 

II. Gezin en religie

2.1 Vertrouwen en het transcendente

In gezinsrelaties speelt vertrouwen in de andere een belangrijke rol. Vertrouwen ligt aan de basis van een duurzame partnerrelatie zoals geformaliseerd wordt in de huwelijksbelofte. Partners beloven elkaar immers trouw, in goede en kwade dagen, voor heel het leven, en hebben als basis hiervoor enkel vertrouwen, vertrouwen in elkaar, in zichzelf, in hun omgeving en soms ook uitdrukkelijk in God.

Ook in de ouder-kind-relatie speelt vertrouwen een fundamentele rol. Ouders schenken hun kinderen bij de geboorte niet enkel het leven, maar geven vooral ook blijk van een vertrouwen in de mens. Ze weten niet hoe hun kind zal zijn, en toch hebben ze, eigenlijk al voor de geboorte, de verantwoordelijkheid voor dit nieuwe leven op zich genomen. Aan de basis van de ouder-kindrelatie ligt aldus een fundamenteel vertrouwen vanwege de ouders in het kind, in de mens en de wereld als dusdanig. Dit vertrouwen resulteert in zekere zin in een belofte: de belofte om zich te engageren voor het kind.

Omdat vertrouwen zo breekbaar is, en het menselijk leven onvoorspelbaar, stellen velen ook vertrouwen in datgene wat een mensenleven overstijgt, het transcendente. Vanuit het besef dat het welslagen van een relatie niet alleen afhangt van zichzelf en de ander, vertrouwen velen erop dat ook de factoren die men niet zelf in de hand heeft goed lopen, soms uitdrukkelijk vanuit een geloof in God. Ze vertrouwen niet alleen op zichzelf en de ander om de relatie in stand te houden, maar aanvaarden dat het welslagen van een relatie ook afhankelijk is van andere factoren die men niet volledig zelf kan beheersen. Dit besef dat men niet alles zelf in de hand heeft kan daarom soms leiden tot een aanvoelen van en een vertrouwen in het transcendente – zoals onder andere tot uiting komt bij personen die nauwelijks religieus betrokken zijn, maar op de ‘grote momenten’ van het leven (geboorte, huwelijk, dood, …) aansluiting zoeken bij de kerkgemeenschap: in vergelijking met het aantal regelmatige kerkgangers kiezen nog heel wat mensen in België nog steeds voor een kerkelijk huwelijk (ongeveer 27% in 2006), voor een doopsel (57% van de geboorten in 2006) of voor een kerkelijke begrafenis (61% in 2006).
 

Motivatie trouwen voor de kerk

In 2000 werd door de godsdienstpsycholoog Jos Pieper een onderzoek uitgevoerd naar de motieven ca. 500 personen die het jaar ervoor kerkelijk huwden 7. Zij kregen een lijst met 26 redenen voor met de vraag om aan te geven in welke mate ieder reden van toepassing is op hun eigen huwelijk (zie bijlage). Daaruit bleek dat intrinsieke motieven (bv. ‘Ik ben voor de kerk getrouwd om Gods zegen over mijn huwelijk te krijgen’: (zeer) van toepassing voor 77% van de respondenten; ‘Ik ben voor de kerk getrouwd omdat je je dan meer met elkaar verbonden voelt’: (zeer) van toepassing voor 74% van de respondenten) meer van toepassing zijn dan extrinsieke motieven (bv. ‘Ik ben voor de kerk getrouwd omdat mijn man/vrouw dat graag wilde’: (zeer) van toepassing voor 31% van de respondenten; ‘Je trouwt voor de kerk omdat veel andere mensen dat ook doen’: (zeer) van toepassing voor 12% van de respondenten).

Een factoranalyse van de resultaten leverde vier basismotivaties op. De eerste factor was de gelovig-kerkelijke inbedding van de huwelijksrelatie. Deze bevat motieven die zowel naar geloof als naar de sociale drager ervan, kerk, verwijzen. Gemiddeld is deze factor voor 62,5% van de ondervraagden (zeer) van toepassing. De tweede factor, sociaal-traditionele motivatie, bevat twee onderscheidbare elementen: sociale druk (‘omdat mijn (schoon)ouders dat op prijs stelden’) en traditie (‘omdat dat een goede gewoonte is’). Deze factor is gemiddeld is slechts voor 36% van de ondervraagden (zeer) van toepassing; al moet er rekening mee gehouden worden dat het verschijnsel van het geven van sociaal wenselijke antwoorden hier een rol speelt. Ten derde is de meerwaarde van de sfeer van een kerkelijk huwelijk (meer feestelijkheid en romantiek) een basismotivatie. Deze factor speelt met een gemiddelde van 66% van de respondenten voor wie dit (zeer) van toepassing is een belangrijke rol. Als laatste is er de factor ‘rite de passage’ (overgangsritueel). Deze verwijst naar de markering van een overgang in het persoonlijke leven en in de relatie met elkaar. Voor gemiddeld 53% van de ondervraagden is deze factor (zeer) van toepassing.

 

2.2 Gezinsvormen en religie

Zoals het vertrouwen dat men ervaart in gezinsrelaties voor sommigen een invloed heeft op hun verhouding tot het transcendente, zo kan omgekeerd de verhouding tot het transcendente ook van invloed zijn op gezinsrelaties, gezinsvormen en de interne organisatie van een gezin. Het ‘grote gezinsverhaal’ van een getrouwd heteroseksueel koppel met hun kinderen is dan ook niet louter een kwestie van de moderniteit maar is in België ook sterk verbonden met de invloed van het dominant rooms-katholicisme. De Katechismus van de katholieke kerk aanvaardt als gezin immers enkel een man en een vrouw, verenigd in het huwelijk, samen met hun kinderen, als een gezin. Die band tussen religie en gezinsvorm blijkt ook duidelijk uit andere (religieuze) culturen waar polygamie wel maatschappelijk aanvaard – en soms hoog aangeschreven – is. Uiteraard is de invloed van ‘religie’ hier niet te onderscheiden van de invloed van ‘cultuur’ – beiden beïnvloeden elkaar dan ook wederzijds – maar toch is duidelijk merkbaar hoe religie een invloed uitoefent op de organisatie van een samenleving.

Religies en theologische reflecties uiten dus altijd, al dan niet expliciet, een zekere normatieve kijk op gezinsrelaties. Er zijn echter verschillende mogelijkheden wat betreft de verhouding tussen christelijke theologie en de sociologische werkelijkheid. Aan de ene zijde van het spectrum is er een deductief-normatief model. Aan de andere zijde vinden we een inductief-egaliserend model. Kenmerkend voor de eerste positie is dat zeer sterk wordt vastgehouden aan de norm en aan de (onveranderlijke) traditie. In een christelijke benadering vanuit dit perspectief staat het huwelijk centraal. De vorm primeert hierbij boven de inhoud of de kwaliteit van de relaties. Goede gezinsrelaties komen tot stand door het bevorderen van gezinnen gebaseerd op het huwelijk. In de rooms-katholieke traditie blijkt het belang van het huwelijk uit het feit dat het één van de zeven sacramenten is, tekenhandelingen waarin gelovigen Gods genade op een bijzondere wijze aan het werk zien. Dit model is bepaald door de beweging van het geloof naar de werkelijkheid. Het geloof moet de mensen en de maatschappij vormen, en niet omgekeerd.

Het inductieve model daarentegen vertrekt van de sociologische werkelijkheid en stelt dat die door de theologie ernstig moet worden genomen. Het gaat in deze visie niet op één bepaalde vorm van gezin voorop te stellen en daaraan de andere vormen van ‘gezin’ af te meten. Daarentegen moet het theoretische denken zich kritisch laten bevragen door de werkelijkheid. Volgens deze werkelijkheid gaat het niet zozeer om de vorm van de relaties, als wel om de kwaliteit ervan. Vanuit deze houding moet de kerk zich minder richten op structuren en rituelen, maar wel op persoonlijke spiritualiteit. Sommige spreken hier over een ‘service-kerk’: de kerk moet inspelen op de vragen en de behoeften van de mensen, zonder veel terug te eisen of voorwaarden te stellen. Zegeningen en vieringen van huwelijken van homo- en lesbische paren, van huwelijken van mensen van wie één of beide partners reeds eerder kerkelijk gehuwd waren, … zijn vanuit deze optiek mogelijk.
 

Model van de groeiethiek

Tussen het deductieve en het inductieve model liggen oneindig veel mogelijke tussenposities die trachten de kritische kracht van eerste model te verenigen met het respect voor de realiteit van het tweede model. Eén van die tussenposities is het model van de ‘groei-ethiek’, zoals het onder andere door de Leuvense moraaltheoloog Roger Burggraeve werd ontwikkeld 8. In dit model wordt nog altijd vastgehouden aan een welomschreven ideaal – het huwelijk als basis van het gezin. Dit gebeurt echter zonder personen die niet aan dit ideaal voldoen te veroordelen. Eerder geldt het ideaal als een ‘richtingaanwijzer’ voor groei. Het ethisch waardevolle situeert zich alzo in de groei naar dit ideaal toe, niet in het bereiken van het ideaal. Concreet wil dit zeggen dat in alle omstandigheden groei mogelijk is. Het gaat niet op om homoseksuele of lesbische koppels, echtgescheidenen, ongehuwd samenwonenden, enzovoort te veroordelen omdat ze niet voldoen aan het ideaal van het huwelijk. Ook zij kunnen ‘groeien’ in het ethisch leven, binnen de situatie en met de mogelijkheden die ze hebben. Burggraeve omschrijft dit ook als een ‘ethiek van het haalbare’. Met het oog op pastorale begeleiding is dit een model dat het mogelijk maakt om ‘bij en naast de mensen te staan’, maar tegelijk ook vooruit te kijken en niet te vervallen in een relativistische gelatenheid.

Burggraeve verduidelijkt zijn model van een realistische groeiethiek aan de hand van het beeld van een bergtocht: “Ethiek is eigenlijk een bergtocht maken. Het is voortdurend de top in het oog houden. Soms is hij goed zichtbaar, soms ook niet. Maar er is altijd een top. Die top is het zinvolle. Om een bergtocht tot een goed einde te brengen, heb je een gids of een kaart nodig. Dat zijn de tien geboden of de fundamentele waarden die de richting aangeven. Maar je hebt ook een uitrusting nodig : bergschoenen met dikke zolen, twee paar sokken, proviand enzovoort. Bij het vertrek blijkt dat een aantal mensen de top niet ziet. Voor hen ligt hij in de mist. Anderen denken dat hij op een andere plaats ligt en hebben dan ook een andere visie op de weg naar de top. Bovendien zijn er mensen die het wel goed menen, maar geen bergschoenen hebben of slechts één paar kousen. Dat zijn mensen die door omstandigheden niet altijd goed voorzien zijn in het leven. Ook zij zijn geroepen om de bergtocht te maken en mens te worden. Maar sommige onder hen zullen de top nooit kunnen bereiken. Moeten ze dan onderaan blijven staan en zeggen dat ze niets kunnen? Mogen wij hen in de steek laten en zeggen dat ze niet meetellen? Of moeten we hen toch uitnodigen om aan de tocht te beginnen en hen aansporen om in de richting van de top te groeien door ervoor te zorgen dat ze twee paar kousen hebben of door hun een kaart te geven? […] Sommigen slagen er misschien in tot aan de voorlaatste blokhut te klimmen. Ze zijn al ver geraakt, maar nog niet tot aan de top. Toch hebben ze al een panorama ofwel een zekere kwaliteit bereikt. Voor een aantal mensen is dat zeer goed, meer dan goed zelfs, al is het niet het volle. Anderen komen slechts halverwege, wat ook al heel wat is. Deze mensen kun en mag je niet laten staan aan de eerste blokhut of het eerste oponthoud. Ze kunnen immers méér, ze hebben enkel een duwtje in de rug nodig. Dat is groei-ethiek : deze hanteert – met perspectief op het zinvolle - de barmhartigheid om dit zinvolle niet in alle omstandigheden zo radicaal te eisen dat sommigen afhaken, omdat ze het niet aankunnen, en onderweg aan de kant van het bergpad gaan zitten of zelfs niet eens aan de tocht beginnen. Dat is dramatisch.9
 

2.4 Leergezag, theologie en kerk: een complexe verhouding

Wanneer gesproken wordt over de impact van religies op concrete aspecten van het dagelijks leven moet steeds voorzichtigheid aan de dag gelegd worden met uitspraken over dé visie van een bepaalde religie op bijvoorbeeld gezinsrelaties. Vaak is er immers geen officiële visie, en wanneer die er wel is strookt die niet noodzakelijk met de visie van ‘specialisten’ of de praktijken bij aanhangers van de religie.

Het meest duidelijk wordt dit wel wanneer men kijkt naar de rooms-katholieke kerk. Daar vindt men een heel uitgesproken officiële leer, bepaald door het magisterium (leergezag) waarvan de paus aan het hoofd staat, terwijl lang niet alle specialisten – theologen – het met alle aspecten van deze officiële leer eens zijn. Tevens vindt men onder de leden van deze religie, zeker in westerse landen, veel personen die deze officiële leer niet volledig aanvaarden of ermee in overeenstemming leven.

Ook hier kunnen we kenmerken van een ‘postmoderne levenshouding’ vaststellen: mensen kiezen vaak zelf uit het pakket van een religie en de bijhorende moraal welke elementen ze voor zichzelf belangrijk vinden. Binnen de kerk en de theologie zijn er mensen die deze houding bekritiseren en vinden dat mensen eigenlijk het ‘volledige pakket’ zouden moeten aanhangen (geloofswaarheden, levenswijze, heteroseksueel huwelijk of priesterschap, …), terwijl er ook heel wat anderen zijn die het belangrijk vinden dat er rekening moet worden gehouden met de situatie van mensen, met hun eigen keuzes en dat de kerk niet al te eisend mag zijn. Deze laatsten verdedigen een eerder ‘meegaande’ houding wat betreft bijvoorbeeld het huwelijkssacramenten op basis van het idee dat Gods genade voor iedereen bestemd is en dat sacramenten niet geweigerd kunnen worden aan sommigen, bijvoorbeeld omdat ze niet sterk genoeg gelovig zijn. Een zelfde variëteit aan houdingen is terug te vinden omtrent zegeningen van een huwelijk waarvan een of beide partners al eens eerder voor de kerk gehuwd was en daarna gescheiden is, en van een huwelijk van een homo- of lesbisch koppel. Sommigen zullen de officiële kerkelijke leer verdedigen en dergelijke vieringen weigeren. Anderen zullen wel kerkelijke vieringen (geen sacrament) voor deze mensen aanbieden vanuit de idee dat ‘zegeningen’ en het vieren van de verbondenheid met God en met elkaar voor iedereen bestemd zijn. Deze kwesties leiden niet zelden tot heel wat polarisatie.
 

2.3 Duurzaamheid en relativisme

Religie kan niet alleen een diepe impact hebben op gezinsvormen, maar ook op ideeën omtrent de duurzaamheid van een relatie. Heel wat mensen kiezen voor een kerkelijk huwelijk omwille van de ‘extra dimensie’ die de relatie plaatst in het perspectief van God en de bredere kerkgemeenschap. Het huwelijk wordt binnen de katholieke kerk als ‘sacrament’ beschouwd. Dit verwijst in de eerste plaats naar de visie dat in het huwelijk bij uitstek Gods genade kan worden ervaren en zichtbaar wordt gemaakt. Door een kerkelijk huwelijk (sacrament) vindt er een bijzondere ‘tekenhandeling’ plaats, die een ‘performatieve’ kracht heeft: ze realiseert wat ze betekent. Dit wil zeggen dat christenen geloven dat door het vieren van een kerkelijk huwelijk als sacrament niet enkel uitdrukking gegeven wordt aan het geloof in Gods aanwezigheid bij het koppel, maar dat deze aanwezigheid ook op een bijzondere wijze gestalte krijgt doorheen het sacrament van het huwelijk, doorheen de feitelijke kerkelijke viering, maar ook daarna, een heel leven lang. Het huwelijk sacrament noemen verwijst ook naar het geloof in de onontbindbaarheid van het huwelijk.

Wat de precieze houding van een bepaalde religie ten opzichte van gezinsvormen en de duurzaamheid van relaties ook is, in elk geval staat men er doorgaans niet onverschillig tegenover. Dit is deels het gevolg van het belang dat religies in hun ethiek hechten aan de kwaliteit van het menselijk leven, maar ook van de verbinding die gemaakt wordt tussen intermenselijke relaties en de relatie tussen mens(heid) en het transcendente. De vorm en inhoud van intermenselijke relaties zijn daarom niet onbelangrijk. Omwille van het ultieme belang van datgene waar het om draait in religies is een relativistische houding waarbij ‘alles gelijk is’ onmogelijk. Dit betekent uiteraard niet dat een religieus geloof een noodzakelijke voorwaarde is om een niet-onverschillige houding aan te nemen ten aanzien van de duurzaamheid van relaties. Ook vanuit niet-religieuze waarden, zoals menselijke nabijheid, geborgenheid en respect voor de ander, kan men belang hechten aan de duurzaamheid van relaties 12.

 

Huwelijksontbinding in de katholieke kerk

In het katholicisme geldt het sacrament van het huwelijk traditioneel als onverbrekelijk. “Wat God verbonden heeft, zal de mens niet scheiden” (Mt 19,6). Deze uitspraak van Jezus is van groot belang voor het katholieke standpunt omtrent het huwelijk. Een voltrokken het huwelijk kan, door zijn sacramenteel karakter, nooit beëindigd worden. Wel erkent ook de katholieke leer dat het feitelijk samenleven onmogelijk kan worden.
Volgens het burgerlijke recht is een echtscheiding wel mogelijk. Hierdoor wordt ook de mogelijkheid gecreëerd dat voormalig gehuwden met een andere persoon opnieuw in het huwelijk treden. Omdat vanuit kerkelijk standpunt een (eerste) huwelijk nooit kan beëindigd worden, is een tweede kerkelijk huwelijk echter niet mogelijk. Wel kan men nagaan of er wel een geldig huwelijk is geweest. Indien er een essentieel element ontbrak op het moment dat het huwelijk gesloten werd, is er in feite nooit een geldig huwelijk geweest en kan het nietig verklaard worden. In dat geval kan een tweede burgerlijk huwelijk mogelijk wel sacramenteel gevierd worden en geldt het dan eigenlijk als eerste kerkelijk huwelijk.
De essentiële elementen van een geldig sacramenteel huwelijk, waarvan het ontbreken kan leiden tot een nietigverklaring worden ingedeeld in wilsgebreken, beletsels en vormgebreken 10. De nietigverklaring van een kerkelijk huwelijk kan maar plaatsvinden na een grondig onderzoek door de kerkelijke rechtbank waarbij beide gehuwden en getuigen gehoord worden. Daarbij is het de taak van de ‘verdediger van de huwelijksband’ om zo veel mogelijk argumenten te verzamelen die pleiten voor de geldigheid van de huwelijksband. Na bestudering van het volledige dossier komt een college van rechters dan tot een uitspraak in een niet-publieke zitting. Indien het huwelijk nietig zou worden verklaard, heeft dit geen gevolgen voor de wettelijke status van kinderen. Ook waar geen sprake is van een huwelijk blijft de ouder-kind-relatie met alle rechten en verplichtingen overeind 11.

Besluit

Het is duidelijk dat ‘het gezin’ de voorbije decennia heel wat wijzigingen heeft ondergaan, zowel wat betreft de feitelijke vorm waarin mensen samenleven en de manier waarop gezinsleden zich tot elkaar verhouden en gedragen als de visie die men heeft op wat een gezin is en hoe het georganiseerd moet zijn. In onze postmoderne samenleving is het dan ook beter om – zeker vanuit sociologisch perspectief - te spreken van ‘gezinnen’, in het meervoud.

Deze wijzigingen zijn niet in het minst het gevolg van het steeds sterker benadrukken van de waarde van de individuele persoon, waardoor de ruimte gecreëerd werd om met anderen in relatie te leven overeenkomstig een afspraak van individuele personen. Instituties zoals de kerk drukken dus steeds minder hun stempel op hoe mensen hun leven inrichten. Ook mensen die zich nog sterk verbonden voelen met de kerkgemeenschap hebben er geen problemen mee zich niet te houden aan bepaalde voorschriften of ideeën waar ze het persoonlijk niet mee eens zijn. Dat er vandaag moet gesproken wordt over ‘gezinnen’ is dus zeker mede het gevolg van gewijzigde levensbeschouwelijke vooronderstellingen. 

Verwerkingsvragen

  • Hoe zou jij een ‘gezin’ omschrijven. Zijn er bepaalde factoren die toelaten een scherpe lijn te trekken tussen wel- en niet-gezinnen?
     
  • Vind je het eerder positief of negatief dat er vandaag een grote individuele vrijheid is om samen te leven met de mensen en op de wijze zoals je het zelf verkiest. Wat zijn de voor- en/of nadelen voor jezelf, de ander, eventuele kinderen, de samenleving, …
     
  • In hoeverre is het volgens jou legitiem dat religies en levensbeschouwingen zich normatief uitspreken over zaken als gezin, familie en partnerrelaties?
     
  • Zou je zelf eventueel voor een kerkelijk huwelijk opteren? Waarom wel/niet? Indien niet: zou je dan een ander ritueel voorzien? Wat drukt dit ritueel dan volgens jou uit?
     
  • Waarom moeten gelovigen zich volgens jou wel/niet houden aan de officiële leer? In welke mate moet het leergezag rekening houden met de mening van andere geleerden en gelovigen? 

B. Huiselijk geweld, religie en ethiek

In een tweede onderdeel wordt gefocust op huiselijk geweld dat – jammer genoeg – in heel wat gezinnen plaatsvindt en waartegen vanuit ethisch perspectief duidelijk gereageerd moet worden. Er wordt getoond hoe een bepaalde interpretatie van het christendom een factor kan zijn die huiselijk geweld legitimeert of in stand houdt. Tegelijk wordt er op gewezen dat deze factor niet determinerend is: de christelijke religie kan immers zowel gebruikt worden om huiselijk geweld te legitimeren als om zich tegen huiselijk geweld te verzetten. Vervolgens worden wegen getoond om vanuit een christelijke levenshouding te komen tot een ethiek van het gezin. Ook daar wordt de ambiguïteit die gepaard gaat met levensbeschouwelijke vooronderstellingen niet geweerd. Cruciaal is immers dat men zich precies van die ambiguïteit bewust wordt, zodat verdere reflectie hierover mogelijk gemaakt wordt .

Doelstellingen van dit onderdeel

  • kunnen aangeven dat religie een sterke invloed kan hebben op de houding van mensen ten opzichte van huiselijk geweld, maar dat die invloed tegelijkertijd ambigu is
     
  • kennis hebben van factoren uit de christelijke traditie die kunnen bijdragen tot de aanvaarding van huiselijk geweld zowel als factoren uit dezelfde traditie die tegen huiselijk geweld kunnen beschermen
     
  • de spanning tussen ideaal en werkelijkheid waarin christelijke theologen die over gezinsethiek willen spreken zich bevinden kunnen schetsen
     
  • het gevaar van een te idealiserend spreken over gezinnen kunnen verklaren
     
  • het belang en de grenzen van het spreken over gezinsleden als ‘autonome subjecten’ kunnen weergeven
     
  • kunnen verklaren waarom het belangrijk is te opteren voor ethisch perspectief van het haalbare
     
  • in de context van gezinsethiek het concept ‘veerkracht’ kunnen toelichten en koppelen met het christelijke verrijzenisgeloof

 

Inleiding

De speciale rapporteur van de Verenigde Naties, Abdelfattah Amor, bracht in 2002 een rapport uit over de ‘vrijheid van godsdienst of geloof en de status van vrouwen 13’ . In dit document werd de aandacht gevestigd op de samenhang tussen ‘religie’ en ‘vrouwenrechten’. Niet zelden worden vrouwen het slachtoffer van – soms religieus geïnspireerde – praktijken zoals besnijdenis, prostitutie, strikte kledingscodes, verkrachting binnen en buiten het huwelijk, en dergelijke meer. In het rapport van Amor worden heel wat lacunes binnen de bestaande instrumenten voor bescherming van de mensenrechten aangewezen, vooral waar het ‘vrouwenrechten’ betreft. Daarnaast worden ook aanbevelingen gedaan. Wat opvalt is dat ‘schending van vrouwenrechten’ impliciet geassocieerd wordt met religies zoals de islam, het hindoeïsme of bepaalde ‘inheemse’ godsdiensten. De schendingen die besproken worden zijn van allerlei aard, en niet gering in omvang.

Deze thematiek van de samenhang van ‘geweld’ en ‘mensenrechtenschendingen’ enerzijds en ‘religie’ anderzijds kan binnen het thema van gezinnen toegespitst worden op één aspect ervan, namelijk de verhouding tussen het christelijk geloof en huiselijk geweld. Daarbij komt geweld tegen vrouwen, maar ook uitdrukkelijk geweld tegen kinderen aan bod. Vaak bestaat er een neiging om vooral te wijzen op fouten van anderen, of om te denken in termen van ‘wij’ tegenover ‘zij’ of ‘beschaafd’ tegenover ‘barbaars’. Wanneer mensen aan huiselijk geweld en religie denken, denken ze bijvoorbeeld spontaan enkel aan moslims of aanhangers van andere religies dan de eigen religie. Tegen deze neiging in, zal de aandacht hier voornamelijk gaan naar de religie die in het Westen een belangrijke rol speelt, met name het christendom, en haar relatie tot huiselijk geweld. Daarbij zullen we laten zien dat voor mensen die christelijk gelovig zijn, de eigen traditie ook niet ondubbelzinnig is op het vlak van huiselijk geweld. Het christendom bevat immers zowel elementen die huiselijk geweld kunnen in de hand werken en legitimeren als elementen die een factor van verzet kunnen zijn tegen huiselijk geweld.

Dit huiselijk geweld toont reeds duidelijk aan dat er een grote spanning kan bestaan tussen het ideaal van gezin dat vaak wordt uitgedragen en de realiteit. Maar ook zonder huiselijk geweld voldoen veel gezinnen niet aan het ideaalbeeld. Daarom is het belangrijk om de redenen te begrijpen waarom geopteerd wordt voor een ethisch perspectief van het haalbare. In deze context wordt ook aandacht besteed aan het concept ‘veerkracht’.
 

I. Huiselijk geweld en christelijke religie

1.1 Christelijke elementen die huiselijk geweld kunnen legitimeren

Bepaalde elementen uit het christelijk geloof bevorderen een meer tolerante houding ten opzichte van huiselijk geweld. Onderzoekers 14  stelden vast dat ouders van driejarige kinderen die zich als ‘conservatief protestants’ omschrijven meer geloven dat fysieke disciplinering van kinderen noodzakelijk is en zich minder bewust zijn van mogelijke negatieve effecten op kinderen dan andere ouders. Deze conservatief-protestantse ouders toonden zich ook minder schuldig dan andere ouders bij het gebruiken van fysieke straffen.

Bepaalde Bijbelse citaten, uit hun historische en intertextuele context gerukt, functioneren soms als een aansporing tot lichamelijke straffen van kinderen. Voorbeelden daarvan zijn Spreuken 13,24a (“Wie de roede spaart, is zijn zoon slechtgezind”) en Spreuken 23, 13 (“Tuchtig de jonge man, als je hem met de roede slaat, dan gaat hij niet dood”).

Tegelijk kunnen bepaalde christelijke waarden en concepten ertoe bijdragen dat kinderen geweld vanwege hun ouders aanvaarden. Dit risico bestaat bijvoorbeeld bij het gebod ‘Eer uw vader en uw moeder’ dat door kinderen geïnterpreteerd kan worden als de noodzakelijkheid om de gedragingen van hun ouders onvoorwaardelijk te respecteren. Ook het centrale christelijke concept van ‘vergeving’ loopt het risico op deze wijze gebruikt te worden. Men kan dan druk voelen om ongeacht de situatie de dader steeds te moeten vergeven 15.

Het christendom bevat ook verscheidene elementen die geweld tussen partners zouden kunnen vergoelijken. Ook hier kan verwezen worden naar de letterlijke lezing van bepaalde Bijbelcitaten, zoals Ef 5, 22-23a (“Vrouwen, schik u naar uw man als naar de Heer, want de man is het hoofd van de vrouw zoals Christus het hoofd is van de kerk”) en 1Kor 11, 9 (“De man is niet geschapen omwille van de vrouw, maar de vrouw omwille van de man”).

Daarnaast kan het (eenzijdige) beeld van God als straffende rechter die onderdanigheid vraagt bijdragen tot een meer frequent voorkomen of tot een legitimatie van huiselijk geweld. Ook het feit dat het huwelijk een zeer belangrijk instituut is voor christenen, wat maakt dat men niet snel geneigd is te scheiden van een partner in geval van mishandeling, kan een ondersteunende factor voor partnergeweld zijn.

Tot slot verwijzen we naar het belang van het ‘offer’ in de christelijke religie. De dood van Christus aan het kruis wordt in de theologie soms als offer gezien om de verlossing van de mensheid te bereiken. De kruisdood van Christus wordt dan beschouwd als het ultieme teken van zijn liefde voor de mensen. Vanuit die opvatting zou men kunnen afleiden dat echte liefde steeds tot het uiterste gaat, zelfs als dat ten koste van het eigen leven gaat.
 

Vergeving en incest

De rol van geloofsovertuigingen, die mogelijk een invloed hebben op fysieke straffen en geweld van ouders tegen kinderen, vinden we ook terug in een belangrijk onderzoek dat reeds uit 1985 dateert. De Nederlandse auteurs onderzochten daarin de samenhang tussen ‘godsdienst en incest’ 16. Ze wezen op het problematisch gebruik van bepaalde christelijke concepten, voornamelijk binnen erg traditionele christelijke milieus.

Zo is ‘vergeving’ een concept dat gemakkelijk ‘misbruikt’ (en foutief geïnterpreteerd) kan worden in de context van incest. Een voorbeeld: “Gerda vertelde dat een pastor tegen haar zei dat ze vooral moest zorgen dat de relatie met haar oom goed bleef, nadat ze verteld had dat haar oom haar seksueel misbruikt had en had aangegeven welke gevolgen dat voor haar had. (...) De moeder van Astrid zei, toen ze vertelde welke ervaringen ze met haar broer had opgedaan: ‘Kun je het hem vergeven? Zorg dat het weer goed komt tussen jullie twee. Ik zal ervoor bidden.’” Verder schrijven deze auteurs: “Het [vergeving] werd en wordt overwegend gezien als een verplichting die van buitenaf onvoorwaardelijk wordt opgelegd aan degene die iets wordt aangedaan. Zelfs als de dader de daad ontkent, het slachtoffer chanteert, voortgaat met zijn daad en geen tekenen van spijt of berouw toont. Je moest vergeven, zeventig maal zeventig maal, (...) het is slecht om niet te kunnen vergeven.” 17
 

Drie strategieën om met moeilijke Bijbelse passages om te gaan

Globaal genomen kan men drie houdingen onderscheiden om met ‘moeilijke’ Bijbelpassages om te gaan – passages waarvan de inhoud niet lijkt overeen te stemmen met de Blijde Boodschap zoals men die heeft leren kennen doorheen de deelname aan het christelijke gemeenschapsleven. Deze strategieën kunnen aangeduid worden met de termen ‘diabolisering’, ‘banalisering’ en ‘ethisering’.

Onder ‘diabolisering’ verstaat men de houding dat bepaalde Bijbelpassages als ‘absoluut slecht’ of ‘verwerpelijk’ worden gezien. Men tracht daarbij dergelijke passages niet te begrijpen, maar stelt onomwonden dat dergelijke passages zouden het best geschrapt moeten worden uit de Bijbel, of in elk geval niet meer gebruikt moeten worden in de liturgie, het onderwijs of de catechese.

Daarnaast worden heel wat pogingen ondernomen om moeilijke passages te ‘banaliseren’. Men tracht daarbij de passages te verklaren vanuit de context waarbinnen ze ontwikkeld werden. Teksten zoals Ef 5, 22-23a die neerbuigend ten aanzien van vrouwen overkomen zijn een uiting van de patriarchale periode waaruit ze stammen en zijn in onze hedendaagse samenleving dus niet meer van tel. Met deze strategie tracht men wel een manier aan te reiken om moeilijke passages te interpreteren. Een andere manier om bepaalde passages te banaliseren is ze te contrasteren met andere Bijbelse passages waarin een andere positie wordt uitgedrukt.

Een derde manier om met moeilijke Bijbelteksten om te gaan wordt aangeduid met de term ‘ethisering’. Volgens deze strategie bevatten de op het eerste zicht problematische teksten in feite een waardevolle boodschap. Dit verdedigt men bijvoorbeeld door te stellen dat de passages juist geen uiting waren van het heersende ethos in de tijd dat ze werden opgesteld, maar dat ze in vergelijking met dat ethos precies heel vernieuwend waren. Teksten die voor ons op het eerste zicht erg patriarchaal lijken, zijn in feite veel milder dan het heersende patriarchalisme toen ze werden geformuleerd en kunnen dus als een reactie tegen dit sterke patriarchalisme gezien worden. Gelijkaardige resultaten bekomt men soms door de betekenis van bepaalde woorden in de oorspronkelijke taal te bestuderen (het Griekse woord hypotassesthai in Ef 5, 22-23a zou dan niet naar onderwerping verwijzen als wel op wederkerigheid).

Geen van deze strategieën is onproblematisch. De diabolisering miskent het traditionele waardevolle karakter van de Bijbelse teksten door ze te snel overboord te gooien zonder te zoeken naar een manier om met de teksten om te gaan en te behouden. De banalisering riskeert dan weer het moeilijke karakter van de teksten onder de mat te schuiven en ze te reduceren tot wat begrijpelijk is vanuit de context. De ethisering-strategie dreigt soms te snel voorbij te gaan en de weerstand die de teksten bij veel gelovigen oproepen en de mogelijkheid deze teksten te misbruiken. Vandaar is het belangrijk dat mensen de teksten blijven lezen en zich niet vastpinnen op een eenzijdige interpretatiemogelijkheid er van. Betekenis kan dan ontstaan doorheen het proces van het lezen van de teksten en het worstelen met de moeilijkheden ervan (‘resistant reading’). Op die manier wordt benadrukt dat openbaring, de communicatie tussen God en mens, een open proces is, dat nog steeds voortduurt.
 

1.2 Christelijk geloof als beschermende factor tegen huiselijk geweld

Cijfergegevens over de samenhang tussen huiselijk geweld en christelijk geloof zijn echter niet zo ondubbelzinnig als de hierboven omschreven factoren zouden kunnen doen uitschijnen. Uit een meta-analyse van empirische studies naar de verbanden tussen religie, huwelijk en opvoeding blijkt een grotere religieuze betrokkenheid niet samen te hangen met een hogere mate aan (ervaring van) huiselijk geweld 18. Bepaalde studies geven zelfs aan dat frequente kerkgangers de helft minder risico lopen om slachtoffer van huiselijk geweld te worden dan mensen die slechts af en toe naar de kerk gaan.

Christelijk geloof lijkt dus ook een beschermende factor te kunnen zijn wat betreft huiselijk geweld. Voorwaarde hiertoe is dat de eerder weergegeven concepten als vergeving, het gebod ‘eer uw vader en uw moeder’, opofferende liefde, en dergelijke niet op een letterlijke manier worden geïnterpreteerd, maar gelovigen, theologen, godsdienstleerkrachten en pastores oproepen om het christelijk geloof op een bevrijdende, en niet-onderdrukkende manier voor te stellen en kritiek uit te oefenen op beelden die geweld kunnen legitimeren.

Zo wijzen heel wat christelijke theologen er op dat vergeving geen ‘weggevertje’ mag zijn, dat vergeving straf niet in de weg staat en dat het vooral niet te snel mag gebeuren en zeker niet mag worden opgelegd. Vergeving is geen morele plicht. Het is een gebeuren dat een proces van twee partijen – ook van de dader – veronderstelt. Van daders wordt verwacht dat zij erkennen dat zij in de fout gingen, dat zij vergeving vragen aan het slachtoffer en bereid zijn schade te herstellen en boete te doen. Ook het gebod ‘eer uw vader en uw moeder’ kan een zegen betekenen. Kinderen die minstens het leven, vaak ook veel meer, van hun ouders gekregen hebben, willen een vorm van ‘evenwicht’ brengen in de balans van geven en nemen – in die zin is het kunnen ‘eren van de ouders’ een zegen. Dat geldt niet enkel voor de kinderen, maar ook voor de ouders – zeker wanneer deze zelf oud en hulpbehoevend zijn. Het gebod ‘eer uw vader en uw moeder’ geldt zeker met betrekking tot het gevaar van ouderenmishandeling als een beschermende factor.

De idee dat liefde ‘opoffering’ vraagt, wordt in de hedendaagse christelijke theologie genuanceerd. Het leven en het welzijn van één persoon is niet belangrijker dan dat van een ander gezinslid. Liefde binnen gezinsrelaties wordt fundamenteel getekend door wederkerigheid en gelijkwaardigheid. Opoffering kan binnen bepaalde omstandigheden wel belangrijk zijn, maar mag zeker niet het basisprincipe van een relatie zijn. Het geloof in het ‘offer’ dat Christus bracht als gevolg van zijn liefde tot het uiterste is bevrijdend voor mensen, niet omdat Hij hiermee een voorbeeld zou gegeven hebben, maar wel omdat het mensen bevrijdt van de opgave om zelf ook perfect te zijn. Het offer moet niet eindeloos herhaald worden. Het geloof in het kruisgebeuren roept mensen niet in de eerste plaats op tot activisme, maar maakt een diepe spirituele ervaring van ‘overgave’ vanuit een Godsgeloof mogelijk. De mens kan zich ‘wegschenken’ zonder zelf de hele toekomst te moeten bepalen. Ouders kunnen zich vertrouwvol voor hun kinderen inzetten, zonder hun leven volledig in de hand te moeten hebben. Op die manier is de ‘offer-metafoor’, gekaderd binnen christelijk Godsgeloof, bevrijdend voor mensen.

Verder beschikken christenen over bijzondere traditie-elementen die het mogelijk maken om het lijden van slachtoffers ter sprake te brengen en aan te klagen. De Duitse theoloog Johann Bapist Metz spreekt over de ‘memoria passionis’, de herinnering aan het lijden. Het lijden van Jezus van Nazareth en zijn bijzondere aandacht voor de lijdende mens vervullen een belangrijke rol binnen de christelijke traditie en roepen mensen op om het lijden van onschuldigen steeds opnieuw actief in herinnering te brengen en zich er niet bij neer te leggen. De voorkeursoptie voor de zwaksten en de verdrukten zet christenen ertoe aan het op te nemen voor de minst machtigen in gezinssituaties, die het vaakst het slachtoffer worden van geweld (denken we in het bijzonder aan vrouwen, kinderen, en ouderen, maar soms ook mannen). Sommige katholieke bisschoppenconferenties, waaronder de Amerikaanse, de Canadese en de Franse, hebben zich in het verleden duidelijk uitgesproken tegen huiselijk geweld.

Vanuit de christelijke traditie kan dus ook heel wat energie ontstaan om huiselijk geweld tegen te gaan. Dit blijkt uit de toenemende (maar nog onvoldoende) mate waarin kerken publiekelijk (bijvoorbeeld ook tijdens erediensten of in publicaties) huiselijk geweld veroordelen.
 

Sociale netwerken en de kerkgemeenschap

Sociale netwerken spelen een belangrijke rol in de al dan niet aanwezigheid van huiselijk geweld. Geweld, zowel ten opzichte van de partner als ten opzichte van kinderen, komt immers meer voor in gezinnen die sociaal geïsoleerd zijn. In sociale contacten vindt men immers een netwerk om de eigen geweldervaringen te toetsen aan externe normen en de steun om tegen dit geweld in te gaan. Bovendien temperen sociale contacten de neiging van sommige ouders om hun kind te ‘bezitten’. Sociale steun heeft daarnaast positieve gevolgen zowel voor de kwaliteit van de partnerrelatie als van de ouder-kindrelatie. Het biedt ook bescherming tegen de druk op een gezin wanneer er veranderingen in de gezinssituatie optreden, zoals bijvoorbeeld werkloosheid, de geboorte van een kind, een handicap van één van de gezinsleden, financiële problemen.

Het sociaal isolement kan het gevolg zijn van zowel persoonlijke als interpersoonlijke of sociale factoren. Het kan voortvloeien uit een gebrek aan sociale vaardigheden en het weinig contact opnemen met anderen, maar ook uit het feit dat anderen de persoon ontwijken of uit het gebrek aan ontmoetingsmogelijkheden. Ook financiële aspecten kunnen bijdragen tot het ontstaan van sociaal isolement: verplaatsing, telefoon en internet kosten immers allemaal geld. Ook gebeurt het niet zelden dat de vrouw geen eigen inkomen en werksituatie met collega’s mag hebben van de man, waardoor haar ook belangrijke kansen op een netwerk buiten de gezinscontext worden ontnomen.

Positief gezien is religie zeker een element dat een belangrijke rol kan spelen bij de uitbouw van sociale contacten. Voor christenen – zeker in de katholieke traditie – speelt de kerkgemeenschap immers een belangrijke rol (denk bijvoorbeeld aan de aanstelling van een doopmeter en –peter die mee instaan voor de christelijke opvoeding van een kind). Geloof kan niet louter individueel beleefd en uitgedragen worden, maar moet steeds ingebed worden in een geloofsgemeenschap. Deze geloofsgemeenschap fungeert uiteraard ook als een sociaal netwerk.

Niet elk sociaal netwerk heeft echter een even positief effect ter preventie en signalering van geweld in gezinnen. Wanneer elke vorm van geweld taboe is in bijvoorbeeld de bredere familie of bij de eventuele vrienden van een ouder, in de parochie of binnen de sociale context van een kind (voornamelijk de school), zal een slachtoffer van geweld gemakkelijk sociaal geïsoleerd geraken, uit angst toch niet geloofd of begrepen te worden. De kans dat het geweld in dat geval niet opgemerkt wordt door kennissen, vrienden, pastores, catechisten, en dergelijke is vrij groot.
 

II. Huiselijk geweld en gezinsethiek

In overzichtswerken voor moraaltheologie of ethiek in het algemeen is huiselijk geweld zelden een thema. Ook in de publicaties omtrent gezinsethiek, die de laatste jaren meer en meer verschijnen, komt huiselijk geweld slechts sporadisch aan bod. Het denken over huiselijk geweld stelt nochtans heel wat prangende vragen aan de ethiek. Omgekeerd kunnen vanuit een ethische reflectie ook heel wat inzichten aangereikt worden voor de omgang met huiselijk geweld.

Dat dit thema niet vaak aan bod komt, heeft wellicht te maken met de spanning waarmee de christelijke ethicus geconfronteerd wordt omtrent geweld binnen gezinnen. Het gezin wordt traditioneel immers hoog gewaardeerd in het christelijke theologie. Vanuit die traditie bestaat de kans dat men het gezinsleven gaat idealiseren. Tegelijk echter wordt men uitgedaagd om – net vanuit het belang dat christenen op basis van Jezus’ keuze voor de zwaksten hechten aan rechtvaardigheid – niet blind te zijn voor reëel onrecht dat geschiedt binnen gezinnen.
 

2.1 De ambiguïteit van het idealiserend spreken over het gezin

In de samenleving wordt vaak idealiserend over het gezin gesproken. Zowel wat betreft de partnerrelatie als wat betreft kinderen is dit het geval. Het huwelijk wordt doorgaans voorgesteld als een stabiele en evenwichtige relatie die perfect in harmonie is met haar omgeving. Een kind wordt voorgesteld als een groot wonder, een geschenk, iets fantastisch. Vanuit een hedendaags maakbaarheidsideaal gaat men er bovendien vaak van uit dat men kinderen kan opvoeden tot datgene wat hen ouders er van willen maken. In het christendom wordt dit idealiserend spreken nog eens versterkt doordat het huwelijk en het krijgen van kinderen binnen een huwelijksrelatie ook normatief als hoogstaand worden voorgesteld. In de katholieke kerk wordt dit idealiserend spreken opgeroepen door het sacramenteel karakter van het huwelijk: in het huwelijksverbond hebben man en vrouw deel aan Gods liefde. Uit deze liefde worden kinderen geboren die elke dag opnieuw de liefde van hun ouders en van God ontvangen.

Dat gezinsleven echter zowel positieve als negatieve kanten heeft, is een ervaring die iedereen kent, vanuit het eigen gezin van herkomst, of vanuit het gezin van oriëntatie, het zelf gestichte gezin. Partnerrelaties zijn vaak niet zo harmonieus als ze naar de buitenwereld toeschijnen en kunnen gebukt gaan onder twijfels, ruzies of gebrek aan vertrouwen. In bepaalde omstandigheden kunnen ouders de zorg voor hun kinderen ook als een (te) zware last ervaren, waarvoor ze veel moeten opofferen. Kinderen (hoe oud ze ook zijn) kunnen ouders ook het leven zuur maken. Of ouders maken kinderen het leven zuur – beide komen vaak tezamen voor en werken op elkaar in. Tegen het maakbaarheidsgeloof in moeten ouders aanvaarden dat de ontwikkeling van hun kind niet ten volle van hen afhankelijk is, maar dat een kind ook zijn of haar eigenheid heeft, die zich ontwikkelt op basis van vele invloeden. In sommige gevallen kunnen deze schaduwzijden van het gezinsleven zeer ernstig worden, en de vorm van geweld aannemen.

Omwille van deze realiteit is het belangrijk dat mensen die spreken over ‘het gezin’ ook het negatieve durven benoemen. Aan een te idealiserend beeld van gezinsleven hangen immers een aantal gevaren vast. Een eerste gevaar van een te idealiserend spreken over gezinnen bestaat erin dat mensen niet snel geneigd zullen zijn om voor zichzelf en voor de buitenwereld, voor anderen, toe te geven dat ze moeilijkheden ervaren in het gezin. Toegeven dat men mishandeld wordt door de partner bijvoorbeeld, is vaak niet evident. Het gaat bij vele mensen – zeker ook bij mannen die door hun vrouw mishandeld worden – gepaard met gevoelens van schaamte. Voor sommige mantelzorgers die de zorg dragen voor hun bejaarde vader of moeder, is het ook niet altijd makkelijk om toe te geven dat ze overvraagd zijn, en dat ze de zorg voor hun ouder niet helemaal naar behoren kunnen opnemen, wat leidt tot een vorm van verwaarlozing. Ook voor bejaarde en afhankelijke mensen zelf is het niet evident om te erkennen dat wat er gebeurt in de zorgrelatie een vorm van onrecht is.

Wanneer mensen niet durven toegeven dat hun gezinsleven niet verloopt zoals ‘het hoort’, en wanneer ze niet naar buiten durven komen met het onrecht (op fysiek of seksueel, maar ook op psychisch en verbaal vlak) dat geschiedt binnen de vier muren van het gezin, wordt hulpverlening zeer moeilijk. Ook de preventie van erger onrecht krijgt op die manier geen kansen. Daarom is het belangrijk dat mensen bewust weten dat gezinsleven lang niet altijd verloopt zoals mensen dromen en zoals diep gewortelde culturele opvattingen aangeven. Het is geen schande om dat toe te geven. Er zijn heel wat ‘lotgenoten’: het aantal slachtoffers (en ook daders) van één of andere vorm van huiselijk geweld, zeker wanneer we ook psychisch geweld meerekenen, is zeer hoog.

Er hangt ook een tweede gevaar vast aan de idealisering van het gezinsleven. Het ideaal van het mooie, perfecte gezin maakt niet enkel hulpverlening en preventie in het geval van huiselijk geweld zeer moeilijk, maar ligt soms ook mede aan de bron van vormen van huiselijk geweld. Denken we maar aan de hoge eisen die sommige ouders aan hun kinderen stellen, op het vlak van prestaties op school, in de sportwereld of op artistiek vlak. Wanneer kinderen niet beantwoorden aan deze, mede maatschappelijk bepaalde, verwachtingen van ouders, durven ouders wel eens over te gaan tot psychisch en verbaal geweld of zelfs tot meer fysiek of seksueel geweld.

 

Complexe afhankelijkheidsrelaties en loyaliteitsbanden

Volgens de Amerikaans-Hongaarse psychiater Ivan Boszormenyi-Nagy zijn kinderen ‘existentieel loyaal’ ten aanzien van hun ouders. Wanneer deze loyaliteit verhinderd of tegengewerkt wordt, kunnen heel wat destructieve gevolgen optreden. Nagy spreekt over ‘loyaliteitsconflicten’, ‘gespleten loyaliteit’, ‘onzichtbare loyaliteit’ en ‘destructief recht’ en wijst er met deze concepten op hoe nefast het kan zijn om een kind te verhinderen aan zijn of haar ouders te ‘geven’, loyaliteit te betonen 19. Kinderen die minstens het leven, vaak ook veel meer, van hun ouders gekregen hebben, willen een vorm van ‘evenwicht’ brengen in de balans van geven en nemen – in die zin is het kunnen ‘eren van de ouders’ een zegen. Dat geldt niet enkel voor de kinderen, maar ook voor de ouders – zeker wanneer deze zelf oud en hulpbehoevend zijn.

In de praktijk zien we dat mensen elkaar vaak ook onder druk zetten om het beeld van het ‘perfecte gezin’ hoog te houden. Het geheimhouden van ‘incest’ is daar een goed voorbeeld van. Kinderen verzwijgen het onrecht dat ze thuis ervaren, de ruzies en de klappen die er tussen hun ouders vallen, deels vanuit een loyaliteitsgevoel ten aanzien van de ouders, deels vanuit het uitdrukkelijke gebod ‘de vuile was niet buiten te hangen’. Denken we ook aan de vele uitvluchten voor blauwe plekken, zoals het van de trap vallen.

In een interview met de Leuvense gerontopsycholoog, Luc Van De Ven, lezen we over een oude man die bij zijn zoon mag inwonen. “Nu ja, woont: hij mag in het hok achter de wasmachine verblijven. De grond, de muren, de tafel, het bed, alles is er smerig. De man ligt in lakens die in geen weken gewassen werden. Hij klaagt niet. Hij is blij dat hij bij zijn zoon mag wonen. Ook de zoon vindt het prima zo. Zijn vader wordt in zijn ogen goed verzorgd en een rusthuis is toch onbetaalbaar” 20. Dit voorbeeld wijst op de complexiteit van afhankelijkheidsrelaties en loyaliteitsbanden.
 

2.2 Gezinsleden als volwaardige subjecten

De relaties tussen gezinsleden, zeker tussen ouders en kinderen, zijn in zekere zin asymmetrisch: de rechten en verantwoordelijkheden van ouders ten opzichte van hun kinderen zijn niet dezelfde als deze van kinderen ten opzichte van hun ouders. Tegelijk is er ook gelijkheid in de relaties tussen gezinsleden. Partners, maar ook kinderen, zijn immers volwaardige menselijke personen met een bijzondere waardigheid, zoals wordt uitgedrukt door het feit dat ze een eigen naam krijgen 21. Vanuit die gelijkwaardigheid van personen speelt ook het concept van rechtvaardigheid een belangrijke rol in het gezin.

De gedachte van gezinsleden als volwaardige subjecten maakt het slaan van kinderen in de opvoeding niet tolereerbaar, omdat het een schending is van de eigen waardigheid van het kind. Het slaan van een kind betekent een vernedering voor het kind. Op basis van de idee dat er in de relatie tussen ouders en kinderen specifieke rechten en verantwoordelijkheden gelden, stellen sommigen echter dat men in bepaalde gevallen wel een kind mag slaan in functie van de opvoeding en het stellen van grenzen, en dat dit niet noodzakelijk een schending van de waardigheid van het kind betekent. Men is het er meestal wel over eens dat het slaan van een partner een schending is van de waardigheid van die man of vrouw. Ook seksueel grensoverschrijdend gedrag bij kinderen wordt vanuit het geloof in de volle waardigheid van een kind doorgaans als onaanvaardbaar beschouwd.

Als men kinderen als een volwaardig persoon beschouwt, moet men tevens erkennen dat een kind niet gezien kan worden als een bezit of verlengstuk van de ouder. Het kind moet de ruimte krijgen om zichzelf, als eigenwaardige persoon, te ontplooien in relatie met anderen. We kunnen daarbij verwijzen naar de klassieke woorden van Kahlil Gibran: “uw kinderen zijn uw kinderen niet” 22. Men moet erkennen dat een kind, zelfs als er bloedband is, een ander is die men als dusdanig moet respecteren. De houding van het ‘niet bezitten’ is echter niet vanzelfsprekend. De uitdaging om de andere niet als verlengstuk van zichzelf te zien, geldt niet enkel voor ouders, maar ook voor kinderen ten opzichte van hun ouders, voor partners en voor broers en zussen ten opzichte van elkaar. 

Liefde én rechtvaardigheid?

Vanuit de idee dat er ook binnen gezinsrelaties sprake is van evenwaardige personen, kan gesteld worden dat de opgave waarvoor men staat in binnen het gezin het samen beleven van zowel liefde als rechtvaardigheid is. Anders gezegd, mensen staan voor de uitdaging om in hun gezin uiting te geven aan ‘rechtvaardige liefde’ (just love). Sommigen menen dan ook dat in de huwelijksbelofte niet enkel de liefde zou moeten worden beloofd, maar ook de rechtvaardigheid. Dit is een belangrijke gedachte om de aandacht te vestigen op de noodzaak van rechtvaardigheid in gezinsrelaties en hier specifiek binnen het huwelijk. Daartegenover kan gesteld worden dat een goed begrepen liefde reeds rechtvaardigheid impliceert. Vanuit deze gedachte is het niet nodig zich tot rechtvaardigheid te engageren in een huwelijksrelatie, aangezien deze rechtvaardigheid rechtstreeks volgt uit de liefde die de basis vormt van de relatie. Een dergelijke inclusieve visie van liefde loopt echter het gevaar dat de spanningen, de moeilijkheden en de loyaliteitsconflicten die mensen in intieme relaties vaak meemaken, niet uitdrukkelijk ter sprake komen, omdat ze niet afzonderlijk gethematiseerd worden via het begrip ‘rechtvaardigheid’. Vaak argumenteren mensen immers dat ze handelen uit liefde, ook wanneer ze kinderen slaan of hun partner tot gehoorzaamheid dwingen.

2.3 'Goed genoeg'-gezinsleven

Een belangrijke uitdaging voor gezinnen vandaag is de combinatie tussen werk en gezin. Heel wat mannen en zeker ook vrouwen pogen op beide terreinen, werk buitenshuis en binnenshuis, zichzelf ‘waar’ te maken, te presteren – met de nodige stress en druk tot gevolg. Het gelijkwaardigheidsdiscours en het spreken over een evenredige taakverdeling is zeer belangrijk, maar er moet ook erkend worden dat dit veel moeilijkheden met zich meebrengt en in vele gevallen geen evidentie is. De ethisch normatieve voorstelling dat mannen en vrouwen alles gelijk moeten verdelen (ieder een gelijkwaardig deel in het gezin en buitenshuis) kan – hoe ideaal ze ook klinkt  mensen ook ‘overvragen’ en op die manier juist niet tot ‘meer kwaliteit van leven’ bijdragen.

Ook op heel wat andere terreinen voelen gezinsleden zich soms overvraagd. Denk maar aan de druk om de kinderen goed op te voeden en hun al de mogelijke kansen te bieden om hun talenten te ontplooien (de beste school in de omtrek, muziekacademie, tekenles, sportclub, …), de partner emotionele en seksuele bevrediging te schenken, er een bloeiend sociaal leven op na te houden, een perfect ingericht en goed onderhouden huis te bezitten, een ‘goede’ job te hebben – en al deze zaken probleemloos te combineren. Dit wordt in de hand gewerkt door idealisering van het gezin. Daarom is het belangrijk om te durven erkennen dat gezinnen ‘goed genoeg’ kunnen en mogen zijn: ze hoeven niet perfect te zijn en kunnen dat ook niet. Geen enkel gezin is perfect. Dit maakt ruimte voor het erkennen van de tekorten in elk gezin, maar ook voor de groeikansen van elk gezin. Er bestaan geen radicaal goede en radicaal slechte gezinnen. Er is natuurlijk wel verschil: in sommige gezinnen gebeuren zeer veel moreel verwerpelijke zaken, in andere gebeurt er zeer veel positiefs. Geweld kan zo nooit getolereerd worden onder het mom dat niemand perfect is. Maar in elk gezin komt goed en kwaad gemengd naar voren.

Spreken over ‘goed genoeg’-ouderschap is spreken over ouderschap dat waardevol is zonder dat het aan het hoogste ideaal moet voldoen. Het zijn ook de kinderen zelf die, in hun boosheid en hun verzet tegen de ouders, hun ouders leren dat ‘perfectie’ onmogelijk is. Kinderen leren hun ouders dat zij (de ouders) beperkt zijn. In die zin biedt het gezinsleven zelf een aanzet tot een spiritualiteit en een ethiek van het gezin, waarbij niet de ‘perfectie’, maar wel het vertrouwen en de hoop centraal staan. Voor gelovigen kan het vertrouwen in een God die mensen nabij is, ook als het moeilijk gaat, ‘levengevend’ zijn, meer nog dan een ethiek die hoge idealen stelt. In hun religieus geloof ervaren mensen immers dat ze, ondanks hun tekortkomingen, altijd geliefd worden.
 

2.4 Veerkracht en verrijzenis

Het pleidooi voor een ethiek van het ‘goed genoeg’ betekent echter niet dat men zich zomaar bij tekortkomingen moet neerleggen. Eerder wil men hiermee steun bieden om de eigen imperfectie te aanvaarden, zonder het ideale en het wenselijke hierbij uit het oog te verliezen. In het hedendaagse pedagogische en psychologische onderzoek is er veel aandacht voor het concept ‘resilience’. Dit concept wijst erop dat tekortkomingen niet altijd uitlopen op negatieve gevolgen en biedt daarom voor velen een hoopvol perspectief. Deze Engelse term ‘resilience’ wordt in het Nederlands meestal vertaald als ‘veerkracht’. De term is afkomstig van het Latijnse ‘salire’, wat ‘opspringen’ betekent. Re-silience betekent dan letterlijk: (het vermogen tot) ‘opnieuw opspringen’. Stefan Vanistendael, omschrijft ‘resilience’ als: “het vermogen van een mens of een sociaal systeem om zich te ontwikkelen en doorheen grote moeilijkheden te groeien” 23.

De term ‘resilience’ benoemt de vaststelling dat mensen, ondanks factoren, die volgens statistische gegevens zeer negatieve effecten zouden moeten teweegbrengen, zich toch goed kunnen ontwikkelen. De theorie over en het onderzoek naar ‘resilience’ biedt daardoor een tegenwicht voor deterministische, fatalistische interpretaties van de werkelijkheid. Wanneer we in een krantenartikel lezen dat “als mama een opgroeiende jongen systematisch opzet tegen zijn vader, [die] later onvermijdelijk problemen [krijgt] met zijn mannelijke identiteit: een laag zelfbeeld en het onvermogen om relaties aan te gaan”  24 is een dergelijke uitspraak gedeeltelijk correct: het is voor de meeste jongens (in het algemeen) moeilijk om een positief mannelijk zelfbeeld te ontwikkelen, wanneer ze enkel negatieve dingen over hun vader horen. Dat geldt echter niet in alle gevallen: er zijn ook jongens die deze problemen niet hebben of daar op een goede manier mee kunnen omgaan. In dat geval spreekt men van veerkracht.

Het resilience-denken kan dus als een concrete rem op een te snelle overgang van statistische gegevens naar normatieve conclusies gezien worden. In het denken over ‘resilience’ wordt het onderscheid tussen ‘statistische algemene gegevens’ en ‘individuele levensloop’ zeer duidelijk gemaakt, maar het is tegelijk het onderscheid dat de basisvraag van het resilience-onderzoek doet rijzen. Wanneer meestal situaties zoals een echtscheiding tot negatieve consequenties leiden voor de kinderen, hoe kan het dan dat sommige kinderen klaarblijkelijk toch weinig last ondervinden van deze behoorlijke ‘risico-factor’? Individuele levensverhalen van mensen geven aan dat er een reden is om toch te hopen ook als het leven ‘zwaar belast’ is.

In de context van het spreken over gezinnen is het resilience-denken belangrijk omdat er op die manier ook iets positiefs gezegd kan worden over kinderen die in een niet-ideale gezinssituatie opgroeien. Resilience biedt een mogelijkheid om met de spanning om te gaan tussen de veelvoudige en soms zeer harde en moeilijke realiteit waarin mensen leven en de mooie droom van het gezin, die bij heel wat mensen leeft en ook in onder andere het kerkelijke spreken over gezinnen benadrukt wordt. Bij het resilience-denken worden noch positieve noch negatieve elementen uit het leven van mensen verdoezeld in functie van theorie en algemeenheid. De statistische bevindingen die in vele hedendaagse onderzoeken naar kinderen, jongeren, volwassenen en gezinnen worden voorgesteld, worden niet weggeredeneerd. Maar tegelijk worden ze ook niet als de ultieme waarheid over het gezin beschouwd.

In de christelijke theologie kan men vanuit het gegeven van veerkracht linken leggen naar het verrijzenisgeloof. Stefan Vanistendael schrijft hierover: “Resilience is als een voorgevoel in onze menselijke ervaring, dat verrijzenis mogelijk is. En dan kunnen we zeggen dat het hele gebeuren en de dynamiek van de verrijzenis eigenlijk niet te vatten zijn, maar dat ze al bij al toch wel logisch zijn! 26” Het geloof dat ‘opstanding’ mogelijk is, niet enkel na het leven, maar ook in zekere zin tijdens het leven zelf samen met het geloof in de werkzaamheid van de Geest, maakt het voor mensen mogelijk om met de verwarring die de huidige veelheid aan gezinsvormen creëert, om te gaan, zonder te vervallen in hetzij fundamentalistisch activisme hetzij passief relativisme.

Tegelijkertijd levert de christelijke theologie een belangrijke bijdrage aan de gezinsethiek in een postmoderne samenleving door te stellen dat mensen zichzelf juist niet moeten redden, dat niet alles maakbaar is en dat er een God is in de diepste ellende. Het resilience-denken biedt een goed aanknopingspunt om deze theologische uitspraken te begrijpen – hoewel een ‘spiritualiteit en een theologie van de hoop’ niet automatisch uit het pedagogische resilience-onderzoek voortvloeit. Daarvoor is ook een ‘geloofssprong’ nodig.

 

Resilience als een a posteriori concept

Het is belangrijk voor ogen te houden dat resilience in de eerste plaats een a posteriori (achteraf) concept is. Dat een kind moeilijkheden te boven komt, wil immers niet zeggen dat de moeilijkheden als dusdanig niet problematisch zijn. Het lijden dient steeds voldoende ernstig genomen te worden. Dat ondanks dit lijden sommige mensen hun leven toch als zinvol ervaren is een vaststelling die men pas achteraf kan doen. Voor potentiële daders zou het veerkracht-begrip anders als een vrijgeleide voor onverantwoord gedrag kunnen worden geïnterpreteerd 25. Voor omstanders kan de visie dat kinderen zich mogelijk toch goed ontwikkelen, ondanks mishandeling, een argument zijn om te stellen dat ofwel zij die zich niet zo vlot ontwikkelen, het aan zichzelf te danken hebben, ofwel dat er van hen als omstanders weinig ingrijpen verwacht wordt om kindermishandeling tegen te gaan, gezien het in vele gevallen toch nog goed afloopt. Ook voor slachtoffers kan een a priori (vooraf) verwijzen naar veerkracht gevaarlijk zijn, zeker wanneer deze idee verbonden wordt met het geloof in God. De gedachte dat ook in moeilijkheden en conflictsituaties God op het spoor kan worden gekomen, kan mensen er toe aanzetten om relaties die feitelijk zeer moeilijk en conflictueus verlopen toch ‘uit te houden’ en bijvoorbeeld gehuwd te blijven, ‘ondanks alles’.

Slechts met de nodige voorzichtigheid kan deze ervaring van anderen ook a priori gebruikt worden, als steun en aanmoediging voor anderen. Voor slachtoffers kan het idee dat personen die in hun gezinscontext ernstig onrecht hebben ondergaan, zich toch tot veerkrachtige personen kunnen ontwikkelen, een hoopvol perspectief bieden. Ze moeten niet hun hele leven lang in de slachtofferrol blijven zitten. Voor anderen kan veerkracht de verantwoordelijkheid voor het eigen gedrag draagbaar maken. Wanneer een ouder weet dat bepaalde gebeurtenissen in het gezinsleven doorgaans een eerder negatief effect hebben op kinderen, zouden ze alle kracht om voortaan de situaties anders aan te pakken en meer zorg te dragen voor de kinderen kunnen verliezen, wanneer ze weten dat wat ze gedaan hebben, onherroepelijke sporen nalaat bij het kind. Er is dan geen uitweg meer, niet voor het kind, maar ook niet voor de ouders die gebukt gaan onder een verpletterende last van de schuld en de veroordelende blikken en opmerkingen vanwege omstanders. Wanneer daarentegen het resilience perspectief binnengebracht wordt, zowel wat betreft de ouders als wat betreft de kinderen, kunnen ouders opnieuw moed en hoop krijgen dat ze wel ‘goede ouders’ of beter ‘voldoende goede ouders’ (good enough parents) kunnen zijn en dat hun gedrag, hun zorg voor de kinderen in de toekomst wel nog iets goeds kan betekenen.

Het geloof dat resilience mogelijk is laat ook ruimte om de verantwoordelijkheid van ouders, partners, broers of zussen voor het eigen gedrag ernstig te nemen. Zonder geloof in resilience, bestaat immers de kans dat bijvoorbeeld een ouder die zijn of haar kind mishandelt, verontschuldigd wordt omwille van een eigen ongelukkige jeugd. Resilience ernstig nemen wil zeggen geloven dat ook een ouder die mishandeld is geweest, of op andere manieren een ongelukkige jeugd gehad heeft, een ‘voldoende goede’ ouder kan zijn voor de eigen kinderen – hij of zij hoeft niet het gedrag van de eigen ouders te herhalen.
 

Besluit

Uit deze verschillende voorbeelden van de samenhang tussen ‘huiselijk geweld’ en ‘christelijk geloof’ kan besloten worden dat niet enkel religies zoals de islam of het hindoeïsme, waarbij ‘gearrangeerde huwelijken’ veel voorkomen en waarbij de verhouding tussen kinderen en hun ouders doorgaans sterk hiërarchisch en autoritair is gestructureerd, huiselijk geweld kunnen bevorderen of legitimeren. Ook het christendom is in dit opzicht niet ‘ongevaarlijk’. Het zou echter geen recht doen aan de waarde van het christendom wanneer we dit enkel als een ‘risico-factor’ voor huiselijk geweld zouden beschouwen - hetzelfde geldt trouwens eveneens voor andere religies.

In elk geval is duidelijk geworden dat aspecten van het mens- en wereldbeeld een belangrijke rol spelen in de omgang met huiselijk geweld. Daarbij speelt meestal niet zozeer de inhoud van het geloof, de specifieke religie, de belangrijkste rol, wel de wijze waarop met de geloof wordt omgegaan, de manier van geloven. Religie kan dus een belangrijke motiverende factor zijn, maar in welke richting religie precies motiveert, hangt af van de wijze waarop men bepaalde religieuze elementen interpreteert. Deze interpretatie is afhankelijk van een zeker basisverstaan van de religie, dat enerzijds het gevolg is van het beleven en interpreteren van een religie, maar er anderzijds ook aan voorafgaat.

Religie kan ook een belangrijke rol spelen in de opvattingen die men ontwikkelt omtrent een ethiek in gezinsrelaties. Ook hier kan religie de ethiek in verschillende richtingen duwen. Het is daarom belangrijk dat de ethische reflectie nooit volledig los komt te staan van de concrete realiteit, maar zich hier altijd kritisch door laat bevragen.
 

Verwerkingsvragen

  • Welke factoren overwegen volgens jouw ervaring in de feiten: draagt het christendom bij tot huiselijk geweld of verhindert het het net?
     
  • In welke zin is het concept ‘veerkracht’ herkenbaar voor jou? Kan je naar bepaalde ervaringen uit jouw omgeving verwijzen als concrete illustraties van dit theoretische begrip?

C. Geloofsopvoeding in het gezin

In een derde luik komt de expliciete plaats van religie in het gezin aan bod. Religie speelt immers niet alleen een rol in het bepalen van de meest wenselijke gezinsvorm en de wijze waarop mensen in gezinsrelaties met elkaar omgaan; het kan ook een expliciet voorwerp van gesprek zijn in het gezin. Vandaag is dit echter minder en minder het geval. Ouders vinden het nog steeds belangrijk hun kinderen bepaalde waarden mee te geven, maar deinzen er vaak voor terug deze te kaderen in een religieuze wereldopvatting. Ook dit is deels het gevolg van gewijzigde (levensbeschouwelijke) opvattingen in de hedendaagse samenleving. Toch wordt gewezen op de kansen die de opvoeding in het gezin ook in het gewijzigde maatschappelijke klimaat nog kan bieden voor een levensbeschouwelijke opvoeding van kinderen.

Doelstellingen bij dit onderdeel

  • expliciete en impliciete levensbeschouwelijke opvoeding kunnen onderscheiden
     
  • impliciete levensbeschouwelijke opvoeding in de samenleving kunnen aangeven
     
  • mogelijke verklaringen kunnen geven waarom expliciete levensbeschouwelijke opvoeding vandaag in niet veel gezinnen aan bod komt
     
  • kunnen aangeven hoe de opvoeding binnen het gezin belangrijk kan zijn voor geloofsgroei zelfs als er geen expliciete geloofsopvoeding plaatsvindt
     

Inleiding

Religie speelt niet alleen een rol als al dan niet expliciete vooronderstelling bij het bepalen van de meest geschikte gezinsvorm en de wijze waarop mensen in relaties met elkaar omgaan. Religie kan ook een expliciet voorwerp zijn van gesprek in het gezin. Geloof is immers niet iets wat men in één keer ontvangt, maar iets waartoe men in zekere zin ook moet worden opgevoed. Het gezin is precies de eerste plaats waar een dergelijke geloofsopvoeding kan gebeuren. Een expliciete geloofsopvoeding, waarbij kinderen geïnitieerd worden in de opvattingen en gebruiken van een welbepaalde religie, komt vandaag echter minder en minder voor.

Dit heeft veel te maken met het feit dat in onze samenleving religie een strikte privézaak is. Zelfs in de private ruimte van het gezin wordt de eigen geloofsovertuiging als iets heel persoonlijks zien. Vanuit die idee dat levensbeschouwing een persoonlijke keuze moet zijn, hebben veel ouders bezwaren tegen godsdienstige opvoeding in het gezin. Daarnaast zijn er ook praktische redenen die religieuze opvoeding in het gezin bemoeilijken.

Het is wel belangrijk te benadrukken dat religieuze opvoeding veel breder in het (gezins)leven vertakt is dan de louter expliciete geloofscommunicatie. Daarom kan ook voor ouders die het moeilijk hebben het religieuze expliciet te benoemen het gezin een belangrijke bron zijn voor religieuze opvoeding. Zelfs zonder uitdrukkelijk naar God te verwijzen kan de wijze waarop ouders met hun kinderen omgaan hen de noodzakelijke basis geven om later zelf al dan niet voor een geloof te kiezen.
 

I. Plaatsen van geloofsopvoeding

1.1 Expliciete geloofsopvoeding

Als over godsdienstige opvoeding gesproken wordt, komen drie belangrijke opvoedingsmilieus meestal terug, namelijk het gezin, de school en de parochie. Dit zijn plaatsen waar tijd gemaakt wordt om expliciet over geloof te spreken. Via deze weg maken kinderen niet alleen kennis met het geloof door wat ze zien en horen bij anderen, maar krijgen ze er ook een gestructureerde inleiding in. Dit zijn dan ook de plaatsen waar kinderen bewust ervaren dat er hen over religie en geloof geleerd wordt.

Vandaag lijkt in veel gezinnen geen bewust bedoelde en geplande religieuze kerkelijke opvoeding meer te gebeuren 27. Ook in de scholen is een dergelijke gestructureerde religieuze opvoeding vandaag niet meer vanzelfsprekend. Veel kinderen komen ook niet meer in contact met de parochie. Expliciete geloofsopvoeding is voor velen vandaag dus tot een minimum herleid of zelfs onbestaande.
 

1.2 Impliciete geloofsopvoeding

Het expliciete spreken over een bepaald ‘opvoedingsmilieu’ en de plaats van geloofsopvoeding daarin mag ons echter niet blind maken voor andere vormen van opvoeding. Het is immers niet omdat ouders hun kinderen niet uitdrukkelijk religieus opvoeden dat ze niet aanvoelen dat het toch belangrijk is. Om allerlei redenen opteren ouders vandaag echter veeleer voor impliciete en minder kerkelijk-religieuze vormen van brede levensbeschouwelijke opvoeding. Zo zullen ze bijvoorbeeld hun kinderen nog wel het belang van delen en solidariteit aanleren, maar dit niet expliciet verbinden met het leven van Jezus van Nazareth. Of ouders kiezen ervoor om hun kinderen naar een katholieke school te sturen omwille van een zekere toegevoegde waarde waar ze aan hechten, maar die ze niet uitdrukkelijk religieus duiden.

Verder kunnen we de vraag stellen naar de invloed van andere milieus. Vindt godsdienstige, of beter, algemeen levensbeschouwelijke opvoeding, niet plaats in alle maatschappelijke instituties en interacties, zij het impliciet? Dragen ook de media, de reclame, de jeugdbeweging, de vriendengroep, de buren niet bij tot het ontstaan van levensbeschouwelijke opvattingen en gedragingen en neemt die invloed in onze huidige samenleving niet toe? Reclame draagt de waarde van het consumeren uit; jeugdbewegingen trachten menselijke verbondenheid te stimuleren, buren wonen wekelijks de eucharistieviering bij, vrienden kunnen niet begrijpen dat verstandige mensen gelovig zijn, media berichten graag over de problemen van de kerk maar hebben zelden oog voor positieve initiatieven,… Het is onmogelijk zich neutraal op te stellen; men draagt altijd waarden uit die verwijzen naar een zekere levensbeschouwing. We moeten ons dan ook altijd bewust zijn van de wisselwerking tussen de expliciete milieus van (geloofs)opvoeding, gezin, school, parochie, en de levensbeschouwelijke invloeden die uitgaan van andere maatschappelijke instituties.
 

1.3 Het gezin als eerste plaats van geloofsopvoeding

Het gezin is in principe de primaire plaats waar kinderen in aanraking kunnen komen met godsdienst of er in elk geval een openheid voor kunnen ontwikkelen. Geen enkele andere vorm van cultuur (bijvoorbeeld sport, muziek ...) wordt zo sterk door de intergenerationele overdracht (in het gezin) bepaald als godsdienstigheid. Ouders zijn meestal de ‘eerste godsdienstige opvoeders’ van hun kinderen. Bovendien kunnen ze het werk van de secundaire opvoeders tegenwerken of juist ondersteunen. Empirisch onderzoek wijst uit dat personen die zichzelf religieus noemen, hun gezin van herkomst vaker als religieus beschrijven dan personen die zichzelf niet religieus noemen. De cijfers wijzen op de correlatie van geloof met godsdienstige opvoeding in het gezin, maar ook op de mogelijkheid dat kinderen afwijken van het geloof van hun ouders en dat ze elders aanzetten tot geloven vinden.

Het gezin heeft een grote waarde voor de godsdienstige opvoeding. Er moet echter gewaarschuwd worden voor overvraging: (het overbrengen van) geloof is niet louter een kwestie van menselijke inspanning, maar heeft steeds ook het karakter van genade, gave. Menselijk handelen moet er in de eerste plaats op gericht zijn ruimte te scheppen voor deze gave. Bovendien ontstaan er zowel voor de kerk als voor gezinnen moeilijkheden wanneer de kerk alles van het gezin verwacht. Hedendaagse gezinnen kunnen en willen de taak die de kerk hen oplegt immers niet zonder meer vervullen. Daarom ligt ook bij de gemeenschap (parochie) een belangrijke taak om geloven aantrekkelijk te maken.

De opvoeding in het gezin kan ook niet los gezien worden van de invloeden die uitgeoefend worden via de andere maatschappelijke instituties van (impliciete) levensbeschouwelijke opvoeding. Het gezin is geen almachtige instantie die de moeilijkheden die kerk en geloof doormaken in de maatschappij, ongedaan kan maken. Daarom is het de taak van allen – van de kerk, gezinnen zelf, andere instituties ... – om de dialoog tussen gezinnen en andere instanties op gang te houden. Anders dreigt wat in gezinnen gebeurt zich volledig los te maken van het bredere maatschappelijke gebeuren – waardoor daar ook geen ondersteuning meer kan in gevonden worden.


 

Het belang van geloofsopvoeding in het gezin volgens de kerkelijke documenten

De waarde van het gezin voor de godsdienstige opvoeding wordt niet alleen door allerlei empirische onderzoeken bevestigd, maar wordt ook in kerkelijke documenten van de laatste halve eeuw benadrukt. Paus Johannes-Paulus II schrijft in de apostolische exhortatie Catechesi Tradendae, nr. 36 (1979): ‘Ik kan bij christelijke ouders niet genoeg een dergelijke vroegtijdige initiatie aanbevelen’ 28, en in nr. 68: ‘De christelijke ouders zullen zich dus nooit voldoende inspannen om zich voor te bereiden op hun taak als catecheten voor hun kinderen, en om die taak met onvermoeide ijver te behartigen’ 29. In Familiaris Consortio, nr. 52 (1980), lezen we: ‘Zoals ik in Puebla heb gezegd, en de synode heeft herhaald 30, hangt de toekomstige evangelisatie grotendeels af van de huiskerk.’ 31  Uit de kerkelijke teksten blijkt dat gezinscatechese een absolute noodzaak is, zeker in het geval van antigodsdienstige wetgeving, wijdverbreid ongeloof of secularisme (Catechesi Tradendae, nr. 68; Familiaris Consortio, nr. 52).
 

II. Moeilijkheden bij expliciete geloofsopvoeding

Dat vandaag expliciete geloofsopvoeding nog maar zelden aan bod komt in gezinnen is te wijten aan een samenspel van verschillende factoren. Er is zeker een omvangrijke groep mensen die zelf niet religieus zijn en het dan ook niet belangrijk vinden dit over te brengen op hun kinderen. Daarnaast is er ook een groep die een vorm van religieuze opvoeding wel belangrijk vindt, maar die om velerlei redenen niet kiest voor een bewust bedoelde en geplande religieuze kerkelijke opvoeding zoals ze die zelf ervaren hebben.

Meestal zijn verschillende redenen aanwezig die elkaar wederzijds beïnvloeden. Deze redenen zijn niet altijd duidelijk van elkaar te scheiden, maar kunnen ter verheldering wel onderscheiden worden als enerzijds principiële bezwaren – men wil niet aan geloofsopvoeding doen – en anderzijds praktische moeilijkheden – men kan niet aan geloofsopvoeding doen.
 

2.1 Principiële bezwaren
2.1.1 Dwang

In een samenleving waarin levensbeschouwing als iets zeer persoonlijks wordt gezien, is het voor veel ouders niet vanzelfsprekend hun kinderen religieus op te voeden.

Een belangrijke reden voor ouders om niet uitdrukkelijk aan godsdienstige opvoeding te doen, is dan ook hun ongemak over de wijze waarop dat zou moeten gebeuren zonder het kind ‘psychisch geweld’ aan te doen. Voor velen is het duidelijk dat het anders moet dan hoe het vroeger gebeurde. Vele ouders werden vroeger als het ware tot geloof en religieuze praxis gedwongen. Vandaag menen ze dat de beslissing om tot een godsdienst te behoren en om te geloven de eigen keuze van het kind moet zijn.

In de mate dat ouders met een dergelijke houding de persoonlijke keuze van hun kind voor een religie mogelijk maken en respecteren kan dit zeker positief beoordeeld worden. Bovendien is het ook vanuit de gevolgen belangrijk om geweld en dwang in de religieuze opvoeding te vermijden. Toch wijzen critici er op dat het onmogelijk – en ook niet wenselijk is – om als ouder geen zaken mee te geven met je kind en hierbij keuzes te maken die een invloed zullen hebben op de rest van het leven van dit kind. Men kan hierbij denken aan naam, woonplaats, lagere school en zeker ook de taal. In die context wordt vaak de vergelijking gemaakt met de moedertaal: ook die krijgen kinderen van thuis mee zonder dat ouders zich afvragen het kind niet liever een andere taal zou willen spreken als eerste taal. Natuurlijk zijn er een aantal verschillen tussen taal en godsdienst, waardoor dit argument toch met voorbehoud moet worden gebruikt. Het leren van een taal is absoluut noodzakelijk, terwijl het beleven van religie meer met vrijheid te maken heeft. Bovendien heeft een taal geen waarheids- en exclusiviteitsgehalte en is ten hoogste een uitdrukking van culturele eigenheid en ‘nationale’ trots. Door die beide verschillen zullen ouders meer terugdeinzen om over ‘religie’ te beslissen in de plaats van hun kinderen.
 

2.1.2 Neutraliteit

Het willen vermijden van dwang in de religieuze opvoeding is de keerzijde van de positieve keuze om kinderen zo neutraal mogelijk op te voeden. Er kan echter opgemerkt worden dat ouders die hun kinderen opvoeden, vrijwel nooit neutraal kunnen zijn. Ze kunnen immers niet vermijden hun voorkeuren en overtuigingen over een aantal maatschappelijke fenomenen uit te drukken. Ook de houding ten opzichte van religie kan niet volledig neutraal zijn. Ofwel is religie voor ouders totaal onbelangrijk en dan geven ze die houding, al dan niet bewust, ook aan hun kinderen door. De kans is dan redelijk klein dat de kinderen religie als iets waardevols gaan beleven en zich gaan verdiepen in religies om uiteindelijk tot een persoonlijke keuze te komen. Ofwel voelen de ouders zich wél enigszins verbonden met een bepaalde religie. Dan is religie voor hen niet zonder meer een willekeurig keuzeobject. En dan geven ze hun kinderen, al dan niet expliciet, toch een zekere richting mee, omdat hun kinderen hen waarschijnlijk zullen percipiëren als verbonden met een bepaalde religie. Voor sommige kinderen gaat het zich afzetten van de ouders dan ook soms gepaard met het zich afzetten tegen de religie van de ouders.

Bovendien verhindert het waarheids- en exclusiviteitsgehalte dat aan een religie verbonden is, ouders vaak om hun kinderen de volledig vrije keuze te laten. Gelovige ouders kunnen de keuze voor het geloof immers niet als een neutrale keuzemogelijkheid voorstellen. Sommigen opteren er dan ook eerder voor hun kinderen te introduceren in het geloof – en hen zo de kans te geven de waarde ervan te ervaren – vanuit de idee dat de kinderen dan nog steeds de vrijheid hebben er later afstand van te nemen.

2.1.3 Keuzevrijheid

Ouders die hun kinderen zo neutraal mogelijk trachten op te voeden, doen dit doorgaans vanuit de idee dat hierdoor zoveel mogelijk keuzemogelijkheden bewaart blijven voor het kind. Op latere leeftijd kan het dan de eigen levensbeschouwelijke keuzes maken. Fundamenteel is de levensbeschouwelijke overtuiging hier echter: ‘Laat de toekomst het maar uitwijzen’. Het beeld van ‘toekomst’ is daarbij echter niet gekwalificeerd, zodat deze houding veel weg heeft van onverschilligheid. Kinderen en jongeren hebben echter nood aan een hoopvol toekomstperspectief. Dat perspectief aanreiken is een belangrijke taak voor gezinnen en andere opvoeders. De redenering die vaak gevolgd wordt, is: we willen het kind niet in een bepaalde richting duwen, hij of zij moet later zelf maar uitmaken welke levensbeschouwing hij of zij wil aanhangen. Daarbij laat men (althans in theorie) alle mogelijkheden open en is er (principieel) een onbeperkte keuzevrijheid. Werkelijke keuzes kunnen maken wil echter zeggen dat men argumenten pro en contra moet kunnen geven voor de optie die men gemaakt heeft en dat men zichzelf ook in vraag moet durven stellen. Men kan zich afvragen of wanneer religie niet tot onderwerp van gesprek wordt gemaakt, kinderen wel kunnen leren om hierover gegronde keuzes te maken. Door kinderen geen kennis te laten maken met bepaalde keuzes kunnen ze ook niet de vaardigheden ontwikkelen om kritisch tegenover deze keuzes te staan.

Ouders zijn ook feitelijk niet in staat hun kind alle principiële mogelijkheden aan te bieden. Mensen worden voortdurend beïnvloed, en zelfs als religie gereduceerd wordt tot een kwestie van smaak of subjectieve voorkeur, dan nog is niet eender welke smaak even aantrekkelijk. De ervaringen in het gezin, van welke aard ook, bepalen mee het kind, de adolescent, de volwassene die op levensbeschouwelijk vlak een keuze moet maken. Daarnaast worden er ook voortdurend invloeden uitgeoefend vanwege ‘verborgen verleiders’, zoals de media, leeftijdgenoten, leerkrachten en andere autoriteitspersonen, enzovoort. Vaak willen ouders alleen dat het kind erbij hoort en dat het zich goed voelt in de ‘peergroup’. Maar met zo’n instelling beïnvloeden ze hun kinderen ook en ze bemoeilijken zo dat die een vorm van ‘weerbaarheid’ ontwikkelen tegenover ‘wat hoort’, ‘wat in is’. Toch moet die weerbaarheid – en vooral de vaardigheden om nieuwe situaties, gebeurtenissen te kunnen beoordelen en inschatten – een belangrijk opvoedingsdoel zijn.
 

Onderhandelingshuishoudens en parentificatie

De houding waarbij ouders hun kinderen meer en meer vrijheid laten, sluit aan bij de maatschappelijke evolutie naar meer ‘onderhandelingshuishoudens’. Binnen de godsdienstpedagogiek worden we geconfronteerd met een eigen vorm van deze ontwikkeling, die echter niet losstaat van de bredere maatschappelijke visie op opvoeding. Het is heel positief dat ouders hun kinderen meer als ‘partners’ behandelen en de eigen keuze van het kind waarderen. Uiteindelijk is geloven altijd een genadevolle en vrije daad, als antwoord op het aanbod. Daarom kan het niet worden opgelegd. Toch geldt ook hier het gevaar dat kinderen aan hun lot overgelaten worden en overvraagd worden – wat een vorm van ‘parentificatie’ kan zijn: kinderen krijgen dan de rol van ‘ouder’ of van ‘volwassene’ opgedrongen. Kinderen hebben immers nood aan begeleiding, aan modellen, aan voorbeelden, zodat ze leren omgaan met belangrijke zaken in het leven, waarbij ook levensbeschouwing een rol speelt.

Het is belangrijk dat ouders hun kinderen erkenning geven voor de zorg die kinderen zelf verlenen. Dit draagt bij tot de zelfwaardering van kinderen. Zoniet worden ze, wanneer ze op lange termijn geen erkenning krijgen voor hun geven, in zekere zin ‘uitgebuit’, zeker wanneer veel eisen gesteld worden en kinderen allerlei verantwoordelijkheden moeten opnemen. Nagy spreekt in dat geval over ‘destructieve parentificatie’: kinderen moeten teveel verantwoordelijkheden opnemen – ze vervullen quasi de rol van de ouder  en krijgen daarvoor onvoldoende erkenning vanwege de ouders. Het erkennen dat een kind ook kan geven, maakt het voor ouders mogelijk om het gezinsleven en in het bijzonder de zorg voor het kind niet enkel als een last te beschouwen, maar om ook positieve elementen te zien.
 

2.1.4 Tolerantie

Sommige ouders motiveren hun keuze om hun kinderen geen religieuze opvoeding te geven vanuit de idee van tolerantie. Door hun kinderen niet te initiëren in een welbepaalde religie hopen ze hen respect bij te brengen voor elke levensbeschouwing. Het niet-aanbieden van een bepaalde religie, het niet-maken van een keuze blijkt tolerantie echter vaker te bemoeilijken dan te bevorderen. Als ouders hun kinderen geen religie willen of kunnen aanbieden, dan heeft dat soms meer te maken met radeloosheid, angst (voor fundamentalisme?), onzekerheid en gebrek aan identiteit, dan met een positieve keuze voor tolerantie. Tolerantie veronderstelt immers dat men kan omgaan met relativiteit, zonder de eigen engagementen en levenskeuzes op te geven. Daartegenover staat ‘Orientierungsschwäche’, zwakheid in het aanbieden van oriëntering 32. Deze zogenaamde ‘liberale willekeur’ is een grotere vijand van tolerantie dan werkelijke intolerantie. Die willekeur leidt immers tot onverschilligheid, waarbij er geen grenzen zijn. Het zijn juist de grenzen van de eigen overtuiging die mensen ervoor kunnen behoeden onverschillig te worden. Onverschilligheid betekent dat men ook het intolereerbare zonder meer aanvaardt en dat er geen verschil meer is tussen wat waardevol, goed is, en wat niet. Dat kan niet het uiteindelijke doel van de opvoeding zijn.

Dit betekent echter niet dat men godsdienstige opvoeding moet beschouwen als een opvoeding tot tolerantie. Tolerantie en weerbaarheid kunnen ook op andere manieren worden aangeleerd dan door een expliciet godsdienstige opvoeding – al zal er uiteindelijk wel altijd een levensbeschouwelijke visie geuit worden. Tolerantie is dus eerder een nevenproduct van een goede godsdienstige opvoeding. Wanneer godsdienstige opvoeding ‘gebruikt’ zou worden voor ethische of therapeutische doelen, dan verliest ze haar kracht. Bovendien is het belangrijk dat de opvoeder zelf een tolerante, maar overtuigd religieuze houding voorleeft.
 

2.2 Praktische moeilijkheden

Dat vandaag in steeds minder gezinnen expliciete geloofsopvoeding plaatsvindt is niet alleen het gevolg van de principiële worsteling van ouders met de spanning tussen religieuze vrijheid en ondersteuning. In de hedendaagse samenleving ontbreken er ook meer en meer factoren die de religieuze opvoeding binnen het gezin ondersteunen.
 

2.2.1 Afname religieuze praxis en verwoorden van het geloof

De vermindering van de religieuze praxis is een belangrijke oorzaak voor de moeilijkheden bij godsdienstige opvoeding. Als ouders zelf geen uiting geven aan hun geloof door middel van daden, wordt godsdienstigheid bij kinderen sterk bemoeilijkt. Empirisch onderzoek heeft aangetoond dat zichtbaar religieus gedrag van de ouders de belangrijkste verklaring voor de godsdienstigheid van hun kinderen vormt. Mensen leren namelijk in belangrijke mate op basis van het gedrag van belangrijke anderen, door observatie en imitatie. Voorbeelden van een dergelijke religieuze praxis zijn gebed, bijbellezing, een kruisje bij het slapengaan, de eucharistieviering, een kruisbeeld in huis, de adventskrans, solidariteitsacties, het kerstfeest, de zondagsviering, ... Daarbij is het wel belangrijk dat ouders hun kinderen duidelijk moeten kunnen maken dat hun religieuze praxis geworteld is in authentiek geloof. Alleen zo kan die praxis een duurzaam effect hebben op de geloofsovertuiging en -praxis van kinderen.

Terwijl de afname van religieuze praxis van ouders het kinderen moeilijk maakt de religieuze opvoeding te ‘ontvangen’ maakt de afname van religieuze praxis in de samenleving het ouders moeilijk deze opvoeding aan te bieden aan hun kinderen. Precies door deze afname van praxis in de samenleving wordt religieuze opvoeding extern veel meer in vraag gesteld en door de ouders als minder vanzelfsprekend ervaren. Ouders kunnen hierdoor het gevoel hebben dat ze moeten opboksen tegen hun omgeving eerder dan dat ze hier steun van ontvangen. Bovendien leidt het uit de publieke sfeer verdwijnen van expliciete religieuze referenties er toe dat mensen minder gewend zijn hun geloof uit te spreken. Hierdoor kunnen ouders het ook moeilijk hebben dit geloof naar hun kinderen toe te verwoorden.
 

2.2.2 Tijdsgebrek

Een andere belangrijke factor in het verdwijnen van expliciet religieuze opvoeding is tijdsgebrek. Opvoeding, en zeker ook godsdienstige opvoeding, vraagt tijd, vraagt dat ouders veel met hun kinderen praten, spelen, bezig zijn. Terwijl kinderen vroeger veel tijd doorbrachten bij de moeder die thuis werkte en zo sterk betrokken werden in haar religieuze praxis, brengen kinderen vandaag, doordat ouders vaak allebei gaan werken, niet zelden ver van huis, minder tijd door met hun ouders. Doordat ouders vandaag vaak allebei gaan werken, niet zelden ver van huis, brengen ze minder tijd door met hun kinderen. Hierdoor hebben de ouders ook minder tijd om hun kinderen te initiëren in het geloof, of ervaren kinderen het religieuze geloof en de praxis van hun ouders als minder geïntegreerd in het leven gezinsleven.

III. Kansen en mogelijkheden

3.1 Drie niveaus van geloven en religieuze opvoeding in het gezin

Dirk Hutsebaut, godsdienstpsycholoog, onderscheidt drie niveaus in ‘geloven’. Hij spreekt over het basisvertrouwen (1), het open worden voor het transcendente en het ‘iets meer’ (2) en het uitdrukkelijk christelijke geloof (3) 33 . Goede gezinsrelaties leveren een belangrijke bijdrage aan het creëren van het eerste niveau, het basisvertrouwen, bij kinderen. Als ouders geen expliciet godsdienstige opvoeding meer kunnen of willen aanbieden aan hun kinderen, kunnen ze wel de ruimte scheppen waardoor het kind gevoelig kan worden voor het religieuze. Het is, met het oog op religieuze ontwikkeling, belangrijk dat een kind kan ervaren dat het gewild is door zijn of haar ouders en dat het basisvertrouwen kan ontwikkelen. Empirisch onderzoek laat zien dat religieuze opvoeding vlotter verloopt wanneer er een goede relatie is tussen de ouders en tussen het kind en de ouders. Op die manier zou de liefde van God enigszins ‘ervaren’ kunnen worden in gezinnen. Uiteraard is het belangrijk om te benadrukken dat een ‘goed gezinsleven’ ook op zich heel waardevol is, en niet alleen functioneel is voor de (al dan niet expliciete) godsdienstige opvoeding.

Het tweede niveau, de openheid voor het transcendente, verwijst in de eerste plaats naar het appel van de concrete andere, de behoeftige, die een beroep doet op de gezinsleden: een alleenstaande, een grootmoeder, een gehandicapt kind, kinderen van de buren, onverwachte gasten, …Als er in het gezin plaats is voor het/de andere en als die andere het geplande – dat wat men eigenlijk voor zichzelf wou – in vraag kan en mag stellen, dan kunnen kinderen misschien ervaren dat er ruimte is voor sporen van het transcendente. Als ouders en kinderen samen gevoeligheid ontwikkelen voor het lijden van anderen en als ze een dienstbaarheid aan de dag leggen, dan worden zo belangrijke kiemen gelegd van godsdienstige opvoeding. Dat geldt ook binnen het eigen gezin, zelfs in situaties van bijvoorbeeld echtscheiding. Als ouders hun eigen lijden en dat van hun kinderen ernstig nemen en zich inspannen om de situatie voor de andere – het kind, de partner – zo draaglijk mogelijk te maken, dan is hun protest tegen geweld, onrecht en lijden een getuigenis van het verlangen naar het Rijk Gods. Belangrijk is dat ouders en kinderen samen durven te dromen en indien mogelijk daarbij expliciet de naam van God noemen.

Het derde niveau, het uitdrukkelijke christelijke geloof, kan ook in sommige gezinnen worden beleefd. Omdat ouders hier vaker te maken hebben met zoeken en aarzelen dan met standvastig geloof, is op dit niveau samenwerking met andere instituties (bv. school, parochie) heel belangrijk.
 

3.2 Kinderbijbels

Gezinnen die hun kinderen expliciet christelijk willen opvoeden, kunnen dit langs verschillende wegen doen: zelf in overeenstemming met christelijke waarden te leven, geloof ter sprake brengen, naar de eucharistieviering gaan, thuis aandacht schenken aan het kerkelijk jaar (een adventskrans maken, de vieringen in de Goede Week bijwonen), kinderen een kruisje geven voor het slapengaan, samen bidden voor het eten, …

Als men kinderen in contact wil brengen met de christelijke verhaaltraditie, kiezen de meeste ouders voor een kinderbijbel. Het ruime aanbod maakt het echter niet eenvoudig kiezen. Nochtans is de keuze van een goede kinderbijbel belangrijk, omdat het een sterke invloed kan hebben op de religieuze opvoeding van een kind. De uitdaging bij een goede kinderbijbel is zowel recht te doen aan de oorspronkelijke Bijbeltekst als aan de mogelijkheden en leefwereld van kinderen. Vanuit die idee kan men enkele criteria formuleren voor een goede kinderbijbel.

Om recht te doen aan de oorspronkelijke Bijbeltekst is het vooreerst belangrijk dat een kinderbijbel een zo representatief mogelijk beeld van de Bijbel biedt. Uiteraard is het niet mogelijk de gehele Bijbel na te vertellen, wel moet er op gelet worden dat er evenveel aandacht is voor het Oude als voor het Nieuwe Testament; dat er wat betreft het Oude Testament naast de historische verhalen ook plaats is voor psalmen en profetische boeken; dat in het Nieuwe Testament ook Handelingen, brieven en de Apocalyps aan bod komen. Daarbij is het ook belangrijk dat de verschillende stijlen van de teksten gerespecteerd worden: een psalm is geen verhaal maar een gebed, wonderverhalen zijn geen historisch verslag, een parabel presenteert geen duidelijke boodschap, maar zet je aan het denken over je eigen houding, … Ten derde mag de onvermijdelijke selectie die moet gemaakt worden uit Bijbelteksten er niet toe leiden dat een bepaald godsbeeld wordt vooropgesteld: zowel de wraakzuchtige, de rechtvaardige als de barmhartige God uit de Bijbel moeten aan bod komen. In dezelfde lijn moet een auteur van een kinderbijbel er zich voor hoeden de eigen interpretatie van een Bijbelverhaal te sterk te laten doorklinken. Veel voorkomend hier is dat men sterk moraliseert: een Bijbelverhaal als een expliciete ethische richtlijn presenteert.

Om recht te doen aan de personen voor wie een kinderbijbel bedoeld is, wordt er best voldoende achtergrondinformatie geboden bij de tekst: over de auteur, de ontstaanscontext, de situering van de verhalen (bv. door middel van een geografische kaart), de personen voor wie de tekst oorspronkelijk bedoeld was, … Verder moet er aandacht zijn voor het verklaren van vreemde woorden en uitdrukkingen. Daarnaast moeten de verhalen uiteraard op een dusdanige manier geschreven zijn dat ze het doelpubliek aanspreken. Er kan bijvoorbeeld bijzondere aandacht besteed worden aan kinderen en hun leefwereld, er moet een toegankelijke taal gebruikt worden, de lezers kunnen rechtstreeks aangesproken worden, Tot slot moet er zeer veel zorg besteed worden aan de illustraties. Zij bepalen in belangrijke mate de sfeer van de kinderbijbel. Zo is het belangrijk dat tekening niet té realistisch zijn, waarmee gesuggereerd zou worden dat alle verhalen echt gebeurd zijn. Eerder moet er ruimte zijn voor symboliek, die kinderen de creativiteit van kinderen stimuleert. En uiteraard moeten de tekeningen ook mooi gevonden worden door de kinderen.

 

Vier methodes bij het schrijven van een kinderbijbel

Als men kijkt naar de manier waarop een kinderbijbel omgaat met haar bron, de Bijbel, kunnen vier verschillende methodes onderscheiden worden. De eerste methode noemt men ‘doorvertalen’. Hierbij gaat men de vertaling, die een Bijbel steeds al is, nog verder bewerken. Terwijl een ‘echte’ Bijbel steeds zeer nauw zal aansluiten bij de bronteksten, zal een ‘doorvertaling’ een eenvoudigere stijl hanteren (bv. kortere zinnen) en vreemde en moeilijke woorden vervangen (bv. het omzetten van maten in eenheden die vandaag gekend zijn: Goliath als een vechter met een harnas van 50 kg (i.p.v. 50 sikkel)). Daarnaast kan men de Bijbeltekst ‘parafraseren’. Hierbij gaat men de oorspronkelijke tekst in eigen woorden omschrijven. Op die manier kan men de betekenis en bedoeling van de tekst beter verstaanbaar maken (bv. Goliath als een vechter met een heel zwaar harnas van wel 50 kg). Een derde methode is de Bijbel na te vertellen. Hierbij wordt de oorspronkelijk tekst sterk bewerkt om kinderen beter aan te spreken. Dit kan bijvoorbeeld door kinderen een uitdrukkelijkere plaats te geven in het verhaal en soms zelfs het verhaal vanuit hun positie te schrijven, informatie te geven bij de historische achtergrond van de verhalen of door, kinderen rechtstreeks aan te spreken of toelichting te geven bij de bedoeling van het verhaal. Ten vierde kan in kinderbijbels gebruik gemaakt worden van ‘spiegelverhalen’. Hierbij wordt het Bijbelverhaal eerst doorvertaald of geparafraseerd. Vervolgens wordt een eigentijdser verhaal toegevoegd waaruit een zelfde boodschap spreekt. Op deze manier wordt getoond hoe het Bijbelse verhaal ook een actuele waarde heeft.
 

Besluit

Vele ouders vinden het vandaag nog steeds belangrijk hun kinderen bepaalde waarden mee te geven, maar deinzen er vaak voor terug deze te kaderen in een religieuze wereldopvatting. Ook dit is deels het gevolg van gewijzigde (levensbeschouwelijke) opvattingen in de hedendaagse samenleving waarin religieus geloof sterk onder druk staat en het belang van individuele keuzevrijheid benadrukt wordt. Toch moet erkend worden dat het onmogelijk is aan kinderen absolute vrijheid te geven: een goed opvoeding is immers een noodzakelijke voorwaarde om met een dergelijke vrijheid om te gaan en ze ten volle te realiseren.

Tegelijk mag niet uit het oog verloren worden dat religieuze opvoeding van kinderen een niet te onderschatten taak is voor ouders. Echter, zelfs wanneer het voor ouders niet haalbaar of wenselijk is hun kinderen expliciet te initiëren in de gebruiken en overtuigingen van een religie, dan nog spelen ze een belangrijke rol in het ontwikkelen van een zeker basisvertrouwen. Het is precies dit basisvertrouwen dat kinderen de mogelijkheid geeft om later zelf te kiezen voor het geloof, maar ook de reële vrijheid om niet te kiezen voor het geloof.
 

Verwerkingsvragen

  • Uit welk soort van gezin ben jij afkomstig? Hoe werd (wordt) religie ter sprake gebracht? Speelden (spelen) religie en levensbeschouwing een belangrijke rol?
     
  • Hoe ben jij van plan de religieuze opvoeding van eventuele kinderen aan te pakken?
     
  • Is het verkieslijk om kinderen op jonge leeftijd te dopen, of wacht men beter tot ze hier zelf heel bewust voor kunnen kiezen?

 

Excursus: enkele bijbelse verhalen

a) Exodus/Deuteronomium: decaloog

de relatie tussen christelijke religie en huiselijk geweld

In de Bijbelboeken Exodus (Ex 20, 2-17) en Deuteronomium (Dt 5, 6-21) vinden we de zogenaamde ‘decaloog’, beter bekend als ‘de tien geboden’ terug. Het – in de katholieke traditie – vierde gebod daarvan luidt ‘eer uw vader en uw moeder’. Het is mogelijk dat ouders dit gebod (of een vage herinnering eraan) gaan gebruiken om van hun kinderen ‘gehoorzaamheid’ te eisen. Ouders kunnen kinderen ernstige verwijten maken wanneer deze wegen inslaan die ze hun kinderen liever niet hadden zien begaan. Hun kind is dan ondankbaar en deloyaal, menen ze. In die zin kan het gebod gebruikt worden om geweld van ouders ten overstaan van hun kinderen te legitimeren. Tegelijk echter kan het gebod natuurlijk ook een belangrijke factor zijn om geweld van kinderen ten overstaan van ouders te voorkomen.

In de Bijbel lezen we hoe het gebod ‘eer uw vader en uw moeder’ een zegen impliceert. In het boek Exodus (Ex 20,12) lezen we: “Eer uw vader en uw moeder. Dan zult u lang leven op de grond die de HEER uw God u schenkt”. In Deuteronomium (Dt 5,16) wordt het gebod herhaald: “Eer uw vader en moeder, zoals de HEER uw God u heeft geboden. Dan zult u lang leven en gelukkig zijn op de grond die Hij u schenkt”. Het gebeurt echter dat de zegen een vloek wordt, wanneer ouders het gebod ‘misbruiken’, bijvoorbeeld om een kind te dwingen incest, vernedering, mishandeling te ondergaan.

 

b) Abraham en Isaak

de relatie tussen huiselijk geweld en christelijke religie
gezinsleden als autonome subjecten

In het Oudtestamentische boek Genesis (Gn 22, 1-19) lezen we het verhaal van Abraham, die zijn zoon Isaak wil offeren, maar dat uiteindelijk toch niet doet. Hij wordt tegengehouden door ‘een engel van de Heer’ om zijn zoon te offeren en offert uiteindelijk een ram. Dit verhaal zou kunnen worden gelezen als een verhaal van geweld in de familiale sfeer, vanuit een bepaald godsbeeld gelegitimeerd. Het verhaal kan echter ook anders geïnterpreteerd worden, namelijk als een oproep om kinderen niet te bezitten, als een aanklacht tegen de almacht van ouders over hun kinderen. De verhaallijn waarbij Abraham tegengehouden wordt om zijn zoon te offeren, getuigt van de discontinuïteit tussen ouders en kinderen. We kunnen daarbij verwijzen naar de klassieke woorden van Kahlil Gibran: “uw kinderen zijn uw kinderen niet” 34. Het verhaal van Abraham wijst echter ook op de reële mogelijkheid dat ouders hun kinderen willen opofferen, in functie van een hoger goed dat ze menen te kunnen nastreven. In het geval van geweld tegen kinderen, doen ouders hun kinderen meestal niet opzettelijk kwaad, maar worden hiertoe gedreven door idealen, die hen verhinderen om het reële onrecht dat ze hun kinderen aandoen, onder ogen te zien.

Mensen die vertrouwd zijn met de theorie van Nagy zullen in deze visie over het ‘niet bezitten’ van de kinderen misschien het begrip ‘delegaat’ herkennen. Binnen het contextuele denken van Nagy wordt de term ‘delegaat’ gebruikt om te wijzen op verwachtingen van ouders naar kinderen toe die de eigen belangen van het kind in de weg staan. Wanneer ouders naar hun kinderen toe de absolute verwachting hebben dat de kinderen in het voetspoor treden van de ouders of hun eigen onvervulde wensen waarmaken, kan over ‘delegaat’ gesproken worden. Dit is een voorbeeld van een situatie waarin de discontinuïteit tussen ouder en kind te weinig erkend wordt en waarbij het kind als ‘andere’ onvoldoende gerespecteerd wordt.
Soms wordt het verhaal van Abraham en Isaak gelezen als een voorbeeld van de gehoorzaamheid van Isaak. Op het beroemde schilderij van Chagall  35 is Isaak niet vastgebonden. Hij zou vrijwillig op de houtblokken blijven liggen, aldus deze interpretatie van het verhaal. Voorstanders van een gehoorzaamheidsethos en een zeer hiërarchisch gestructureerde ouder-kind-verhouding zullen een dergelijke interpretatie lezen als een voorbeeld van een moreel hoogstaande houding van Isaak. Anderen zullen erop wijzen dat de zogenaamde gehoorzaamheid ook wel eens het gevolg kan zijn van de macht die een ouder op het kind uitoefent en dat ‘gehoorzaamheid’ van het kind nauw samenhangt met een eerder patriarchale opstelling van de ouder. In een dergelijke interpretatie is het verhaal van Abrahams offer juist niet inspirerend in het kader van het vermijden van huiselijk geweld. Geweld tegen kinderen komt immers proportioneel meer voor in autoritaire gezagsrelaties dan in democratisch gestructureerde gezinsverhoudingen.

Een ander element uit het beeld van Chagall zet aan tot het voorkomen van geweld tegen kinderen. De engel houdt Abraham tegen. Inleving in het schilderij nodigt mensen uit om te reflecteren over de mate waarin ze zelf zo’n engel kunnen zijn, die geweld tegen kinderen verhindert. Dit kan door hulpverlening, maar ook door er in vorming op te wijzen dat een kind de ‘gans andere’ is, die niet zonder meer in het verlengde van zichzelf ligt en aan de eigen verwachtingen en wensen moet voldoen.
 

c) Tamar

de relatie tussen huiselijk geweld en christelijke religie

Het Oudtestamentische verhaal van de verkrachting van Tamar door haar halfbroer Amnon die verliefd is op haar (2Sam 13, 1-22) zou ook (onterecht) gelezen kunnen worden als een goedkeuring van huiselijk geweld. Amnon, die doet alsof hij ziek in bed ligt, roept Tamar om voor hem eten te bereiden en te serveren. Dit grijpt hij aan als kans om haar te verkrachten.

In de context van het Oude Testament wordt een vrouw meestal gezien als het ‘bezit’ van de man. In deze korte berichten over ‘het zich eigen maken van een vrouw’ komt de vrouw echter niet aan het woord. Anders is het bij Tamar, die protesteert. We lezen: “Nee, broerlief, onteer mij toch niet. Zoiets doet men niet in Israël. Laat die dwaasheid! (…)” (2 Sam 13, 11). Haar (half)broer wilde echter niet luisteren. Na de verkrachting wordt Tamar op straat gezet. We lezen: “Toen strooide Tamar as op haar hoofd, scheurde het lange kleed dat ze droeg doormidden, legde haar hand op haar hoofd en ging jammerend weg” (2 Sam 13, 19). De andere broer Absalom zegt tegen Tamar: “Heeft je broer Amnon zich aan je vergrepen? Als het zo is, moet je er maar over zwijgen: hij is nu eenmaal je broer. Trek het je maar niet al te erg aan.” (2 Sam 13, 20).

Heel wat christelijk-theologische concepten betekenen – mits ze goed begrepen worden – zeker geen legitimatie voor huiselijk geweld, hoewel dit op het eerste gezicht soms zo lijkt. Dat geldt ook voor Bijbelteksten. Het hierboven geciteerde verhaal over Tamar en Ammon kan, wanneer het in de bredere context en in relatie met andere Bijbelverhalen begrepen wordt, juist een ondersteuning betekenen voor vrouwen die het slachtoffer worden van seksueel geweld binnen een gezinscontext. Zo werd er bijvoorbeeld op gewezen dat het gejammer dat Tamar laat horen intertextueel verbonden zou kunnen zijn met psalm 55 36. Psalm 55 kan van uit genderperspectief immers zo gelezen worden dat er een ervaring van geweld op vrouwen aan de basis van ligt. Zo lezen we bijvoorbeeld: “Maar niet mijn vijand spot met mij. Dat zou ik nog kunnen verdragen. Mijn haters zetten mij niet voor schut  die zou ik wel kunnen ontlopen. Maar jij, een mens uit mijn kring mijn vriend, mij zo vertrouwd (Ps 55,13-14). En verder: “En U, o God, laat hen neer in de diepe put van de dood die mensen van moord en bedrog die de helft van hun dagen niet halen ... Maar ik, ik vertrouw op U.” (Ps 55, 24). De klacht die in psalm 55 weerklinkt, kan een steun zijn voor slachtoffer van geweld binnen en buiten het gezin. Het is een alternatief voor het zwijgen dat hen zo vaak wordt opgelegd. De kern van verzet vanwege Tamar die in het verhaal beschreven wordt, en de verwijzing naar psalm 55, kunnen een inspiratie zijn om met geweld in het gezin (en erbuiten) om te gaan, om het perspectief van hoop en gerechtigheid binnen te brengen, en om vrouwen te sterken in hun verzet wanneer ze onderdrukt, uitgebuit en verkracht worden.
 

d) Koning Salomo

 gezinsleden als autonome subjecten

In 1 Kon 3,16-28 lezen we het verhaal van koning Salomo die in een conflict tussen twee vrouwen bemiddelt. Beide vrouwen betwisten het biologisch moederschap van een kind. Salomo geeft de opdracht het kind in twee te hakken. De biologische moeder beslist om het kind niet te laten doden en het nog liever aan de andere vrouw te geven. De koning leidt uit deze zorg voor het leven van het kind af dat deze vrouw de echte (biologische?) moeder van het kind is. We lezen hier over een moeder die – anders dan Abraham  niet bereid is haar kind te laten doorklieven. Ze doet er tegelijk ook afstand van. De zorg voor haar kind ligt uitgedrukt in het niet willen bezitten van het kind. Deze vrouw heeft het beste voor met het kind.

Het gaat hier over de biologische moeder. Geweld komt proportioneel minder voor in biologische gezinsrelaties, dan in het geval het gaat over stiefkinderen, stiefbroers, stiefzussen of stiefouders. Bloedverwantschap is echter geen garantie tegen geweld. Net als stiefouders staan ook biologische ouders voor de ethische opdracht hun kind als andere te erkennen.
 

e) Jezus en de kinderen

huiselijk geweld en christelijke religie
gezinsleden als autonome subjecten
christelijke religie en gezinsethiek
kansen van het gezin als plaats voor geloofsopvoeding

In het Nieuwtestamentische verhaal over Jezus en de kinderen (Mc 10,13-16) roept Jezus de kinderen bij zich en zegent hen. Tegelijk stelt Jezus kinderen als voorbeeld: mensen moeten zoals kinderen openstaan voor het Rijk Gods.
De centrale plaats van de kinderen voor Jezus kan op verschillende manieren geïnterpreteerd worden. In het verleden werd het ‘worden zoals kinderen’ onder andere ingevuld vanuit een ‘gehoorzaamheidsdiscours’. Kinderen dienden gehoorzaam te zijn, en in hun volgzaamheid ligt hun morele deugd. Het gehoorzaamheidsdiscours kan huiselijk geweld legitimeren of mede in stand houden. Vanuit de nadruk op gehoorzaamheid worden kinderen er toe aangezet misbruik te verzwijgen, of vernedering te ondergaan bij geringe misstappen.

Een andere interpretatie van de Bijbelse tekst over de kinderen bij Jezus ligt in de openheid en de ontvankelijkheid van kinderen. Kinderen vertonen een grote openheid voor het geloof, voor het transcendente, en stellen zich vertrouwvol op. Een dergelijke houding van vertrouwen, als tegenwicht tegen zelfgenoegzaamheid en hoogmoed, wordt als voorbeeld voor volwassen gesteld. Een dergelijke benadering is de meest relationeel-gerichte. Feministische auteurs uiten echter kritiek op dat de visie die de ‘zonde’ ziet in de hoogmoed. Voor heel wat vrouwen is de grote zonde niet zozeer de ‘hybris’, de hoogmoed, maar wel de onderdanigheid en de zelfverloochening. Vrouwen hebben immers niet zozeer nood aan een ‘kopstand’, weg van de zelfverzekerdheid, als wel aan ‘op-staan’, naar meer zelfverzekerdheid toe, ingaand tegen bepaalde culturele verwachtingen 37.

Een derde interpretatie is dat de bijzondere aandacht die aan kinderen gegeven wordt door Jezus, een stimulans kan zijn om de autonomie van kinderen te bevorderen. Kinderen zijn niet louter passief en afhankelijk, maar hebben zelf ook vaardigheden op bepaalde terreinen. Vanuit deze interpretatie wordt aangestuurd op de bevordering van de mondigheid van kinderen. Voor sommigen is deze laatste interpretatie eerder bedreigend en stelt ze de autoriteit van de ouders en de wezenlijke asymmetrie in de ouder-kindrelatie in vraag.

Het verhaal over Jezus en de kinderen gaat over het ‘openstaan voor het Rijk Gods’ zoals kinderen en over de zegening van kinderen. Kinderen zegenen wil zeggen: durven luisteren naar en ingaan op het appèl dat kinderen op ouders doen: het appèl om hen ernstig te nemen met hun eigen competenties, maar wel als kind. Kinderen hebben ook nood aan bepaalde grenzen. Het hoeft niet zover te komen dat kinderen als het ware als ‘tirannen’ ervaren worden. Wel zullen ze, in wenselijke omstandigheden, een belangrijke rol spelen in het leven van een ouder – als kind, en niet in de rol van een ‘verantwoordelijke volwassene’. Kinderen zijn gezegend met ouders die verantwoordelijkheid kunnen dragen in respect voor het kind met een nood aan grenzen en vrijheid om de eigen competenties te ontwikkelen. Worden als een kind wil onder andere zeggen: durven vertrouwen stellen in anderen, maar ook in zichzelf, in de eigen waarde en de eigen competenties. Een gezinsethiek is gebaat bij het denken over ouder-kindrelaties in termen van verbondenheid en verantwoordelijkheid, eerder dan in termen van ‘macht’ (en bijbehorende machtsstrijd) en concurrentie.
 

f) Heilige familie

huiselijk geweld en christelijke religie

Er hangen een aantal gevaren vast aan een te eenvoudige verering van de ‘heilige familie’, in theologische zin, verwijzend naar het geïdealiseerde gezin van Jezus van Nazaret, en in ethische zin, verwijzend naar harmonische, ‘perfecte’ gezinsrelaties. Wanneer gezinsrelaties als harmonisch worden voorgesteld en wanneer cohesie als ideaal (te) sterk benadrukt wordt, bestaat de kans dat conflicten worden toegedekt in plaats van opgelost. Het risico bestaat tevens dat gezinsleden over ervaren moeilijkheden en onrecht binnen gezinnen zwijgen naar de buitenwereld toe en er ook niet naar een oplossing voor de moeilijkheden, het onrecht of het geweld kan worden gezocht. Daarnaast is er het risico dat gezinsleden zeer veel van elkaar gaan verwachten, en dat gezinnen van binnenuit overvraagd worden. Ze kunnen zich ook van buitenaf overvraagd weten: zo een gelukkig en harmonisch gezinsleven lijkt vaak een onhaalbare utopie.

De heilige familie wordt op een schockerende wijze voorgesteld in het surrealistische schilderij van de schilder Max Ernst. We zien hoe Jezus’ moeder, Maria, het kind Jezus slaat. De titel van het schilderij is: La vierge corrigeant l’enfant Jésus devant trois témoins 38. Het slaan wordt door de schilder als een pedagogische act beschouwd. Drie getuigen kijken door het raam toe. Dit schilderij kan op verschillende manieren geïnterpreteerd worden. Het geeft weer hoe Jezus misschien toch niet zo onschuldig was als mensen vaak denken. Zijn aureool valt op de grond en zijn moeder slaat hem. In deze interpretatie is het kind zelf schuldig. Het schilderij gaat daarmee in tegen een al te grote verheerlijking van het kind Jezus als gehoorzaam en onderdanig (in verwijzing naar Lc 2,51).

Het schilderij geeft de reactie van de moeder op ongewenst gedrag van het kind weer, zo kunnen we aannemen. Deze reactie, het slaan van het kind, is een weerspiegeling van de opvatting die nog steeds leeft, namelijk dat een kind in functie van de opvoeding mag worden geslagen. De drie getuigen kijken dan toe en het feit dat ze niet ingrijpen is normaal, aangezien ze wat er gebeurt, geen onrecht vinden.

Als men echter een eerder terughoudende visie heeft ten opzichte van de legitimiteit van het pedagogische slaan, kan het schilderij van Ernst door de hedendaagse observant gezien worden als een weerspiegeling van de visie dat de zogenaamde ‘heilige familie’ toch niet zo ‘heilig’ is in de betekenis van ‘ethisch voortreffelijk’. Dit schilderij roept ook morele verontwaardiging op. Is het immers geen uitdrukking van het onrecht dat geschiedt in gezinnen, soms zelfs in naam van God?

Zou het niet wenselijk geweest zijn om in de eerste plaats de aureool boven Maria’s hoofd te laten vallen? Geen enkel gezin is perfect – volgens Ernsts schilderij ook de zogenaamde ‘heilige familie’ niet  maar elk gezin staat voor de uitdaging om geweld te vermijden.
 

Download cursustekst

Download
Download volledige cursustekst Gezin, Relaties & Religie (basis)

 

Download
Download volledige cursustekst van Gezin, Relaties & Religie (uitgebreid)*

* In deze versie zijn ook de doelstellingen, verwerkingsvragen, extra blokjes
& de bijbelse excursus opgenomen

 

Presentatie

Lessuggesties

Suggesties voor een les(senreeks)

1. Impulsen

Impulsen voor deel A (beeld van gezinnen vandaag)
1) Omschrijving van 'een gezin'

Aan de hand van de powerpointslide met verschillende beelden van gezinnen vandaag, of fragment uit G. KUIJER, Voor altijd samen, amen, studenten laten reflecteren over wat zij zelf onder “gezin” verstaan:

  • Schrijf voor jezelf op welke van de geschetste situaties zeker een gezin is en welke zeker niet (één van elk; kan evt. ook voor elke slide).
     
  • In de groep, d.m.v. handopsteken: volgens wie is een bepaalde afbeelding een gezin; volgens wie niet. Wie zou zeggen dat alle situaties een gezin zijn; wie niet. Waarom?
     
  • Geef zelf een omschrijving van wat een gezin is
     
  • Vergelijk met je buurman/vrouw (of in ‘roezemoesgroepen’)

     
  • Welke aspecten komen overeen, welke niet? Zijn er situaties die de ene wel en de andere niet met ‘gezin’ zou omschrijven? Vanwaar zijn deze verschillen afkomstig?
     
  • De situaties waarover geen eensgezindheid is, kunnen eventueel in de les ingebracht worden.

Later kunnen deze eigen omschrijvingen van de studenten geconfronteerd worden met de omschrijving in de Katechismus van de katholieke kerk:

  • Welke aspecten komen overeen, welke niet? Vanwaar zijn deze verschillen afkomstig?
     
  • Wat vind je er van dat er in de omschrijving van een ‘gezin’ er enkel rekening wordt gehouden met een ideaal en niet met de werkelijkheid?
     
  • In welke mate verwijst je eigen omschrijving naar een ideaal?
     
Impulsen voor deel B (huiselijk geweld, religie en ethiek)
1) Huiselijk geweld en christelijke religie

1. Fragment 'Drakenslippers'

Een fragment waarin de link gelegd wordt tussen christendom (bv. bied je andere wang aan) en huiselijk geweld, kan aan de studenten getoond worden:

  • als illustratie van het thema dat volgt.
     
  • als aanknopingspunt voor korte inleidende discussie in de groep:
    • Op welke manier wordt er hier een verband gelegd tussen christendom en huiselijk geweld?
    • Is het christendom oorzaak van huiselijk geweld?
    • Zijn er nog andere elementen uit het christendom die zouden kunnen bijdragen aan huiselijk geweld?
    • Kan je elementen of voorbeelden bedenken waarin het christendom beschermt tegen huishoudelijk geweld?
    • Zegt dit iets over de relatie tussen religie en huiselijk geweld in het algemeen?

 In de discussie kunnen nog enkele Bijbelcitaten extra binnengebracht worden, evenals afbeeldingen van bepaalde Bijbelverhalen (zie ppt-presentatie)
 

2. Cartoon 'You may now abuse the bride'

Kan gebruikt worden als aanknopingspunt voor een korte inleidende discussie in de groep (cf. supra).

2) Gezinsethiek:

1. 'Perfect parenting' of 'Goed genoeg gezin'?

Studenten confronteren met twee boekkaften. Welk boek zouden zij spontaan uit het rek nemen?

  • Een overzicht van het spontane aanvoelen van de groep kan verworven worden door kleurenkaarten in de lucht te laten steken
     
  • Voorafgaand aan de les kunnen studenten hun spontante voorkeur en kort de kansen en gevaren die zij zien posten op het discussieforum, hiernaar wordt terugverwezen in de les

     
Impulsen voor deel C (geloofsopvoeding in het gezin)
1. Tekstje religieuze opvoeding van kinderen?
  • Kan je je in de redenering van Steven vinden?
     
  • Zou je hetzelfde doen? Waarom wel, niet? Welke waarden spelen mee in je overweging?
     

2. Verwerking

Deel A (beeld van gezinnen vandaag)
1) Trouwen voor de kerk

 N.a.v. de bevraging omtrent de motivatie om te trouwen voor de kerk, kunnen de studenten bij zichzelf reflecteren (en eventueel hierover uitwisselen in kleine groepjes, grote groep, op online discussie forum, …):

  • Zou je willen trouwen voor de kerk? Waarom (niet)?
  • Wat is het alternatief? Wat is het verschil?
  • Zijn alle redenen om voor de kerk te trouwen even ‘goed’. Zijn alle redenen even belangrijk? Welke moeten doorwegen?
     
Deel B (huiselijk geweld, religie en ethiek)

Enkele Bijbelse verhalen

In een aparte excursus worden enkele Bijbelse verhalen besproken en verbonden met het gezinsleven. Er is telkens ook een afbeelding beschikbaar. Deze Bijbelse verhalen (afbeeldingen) kunnen gebruikt worden als impuls, als illustratie, als uitbreiding van de cursustekst, ter reflectie of ter uitbreiding van de ‘religieuze canon’, …
 

Deel C (geloofsopvoeding in het gezin)

Impliciete en expliciete levensbeschouwelijke opvoeding

Studenten stellen een portfolio samen met voorbeelden van impliciete en expliciete levensbeschouwelijke opvoeding die ze zelf gekregen hebben / zelf geven / aan het werk zien in de samenleving.

Pro/contra kinderdoop (religieuze opvoeding)

Mogelijkheid een ‘debat’ te organiseren omtrent het dopen van kinderen wanneer ze er niet bewust voor kiezen. Ook een online discussie is mogelijk.

Kinderbijbels

studenten bespreken een kinderbijbel naar keuze, alleen of in groep, als werkstuk of (bij kleinere studentengroepen) om voor te brengen. Daarbij wordt bijzondere aandacht besteed aan volgende elementen (evt. door te focussen op één of enkele verhalen):

  • Op welke manier werd de oorspronkelijke Bijbeltekst bewerkt? (doorvertalen, parafraseren, navertellen of spiegelverhalen?)
     
  • Welke impliciete of expliciete interpretaties van de auteur spelen mee?
     
  • Wordt er een bepaald godsbeeld naar voren geschoven door de keuze van de teksten of de manier waarop ze herwerkt werden?
     
  • Illustraties: suggereren ze een bepaald godsbeeld, een manier van geloven (cf. PKG-schaal), stimuleren ze creativiteit van kinderen, …?

 

Suggesties examenvragen

OPEN ESSAY-VRAGEN

A. Beeld van gezinnen vandaag

  • Verbind de termen ‘gezin’ en ‘gezinnen’ met ‘moderniteit’ en ‘postmoderniteit’ en verklaar.
     
  • Verbind de termen “bevelshuishoudens” en “onderhandelingshuishoudens” met “moderniteit” en “postmoderniteit”.
     
  • Verklaar en evalueer volgend fragment (uit de Katechismus van de katholieke kerk): “Deze instelling [het gezin] gaat aan elke erkenning door het openbaar gezag vooraf; ze staat erboven. Men moet deze gemeenschap als het normale referentiepunt beschouwen, waarnaar de verschillende vormen van verwantschap moeten beoordeeld worden”.
     
  • Licht toe hoe het loskoppelen van partnerschap, huwelijk, seksualiteit en vruchtbaarheid de opvatting over een “gezin” heeft gewijzigd.
     
  • Verklaar waarom ‘grote gebeurtenissen’ in het leven van mensen (huwelijk, kinderen, …) een levensbeschouwelijke invloed kunnen hebben.
     
  • Hoe moet volgens jou de verhouding tussen theologisch-normatieve aanspraken en sociologische werkelijkheid zijn. Licht toe aan de hand van de casus van het gezin.
     
  • Wat wordt bedoeld met het “inductieve model” wanneer men spreekt over de verhouding tussen theologische reflecties en sociologische werkelijkheid. Licht toe aan de hand van het huwelijk.
     
  • Wat wordt bedoeld met het “deductieve model” wanneer men spreekt over de verhouding tussen theologische reflecties en sociologische werkelijkheid. Licht toe aan de hand van het huwelijk.
     
  • “De kerk moet zoveel mogelijk inspelen op de vragen en de behoeften van de mens, zonder veel terug te eisen of voorwaarden.” Ben je het eens met deze stelling of niet. Geef drie duidelijk onderscheiden argumenten.
     
  • Verklaar hoe de opvatting van het huwelijk als ‘sacrament’ in de katholieke kerk een invloed heeft op de ideeën omtrent de onontbindbaarheid van het huwelijk.
     

B. Huiselijk geweld, religie en ethiek

  • Bespreek drie elementen uit het christendom die huiselijk geweld kunnen legitimeren.
     
  • Bespreek drie elementen uit het christendom die tegen huiselijk geweld kunnen beschermen.
     
  • Bespreek de complexe relaties tussen religie en huiselijk geweld aan de hand van het christendom.
     
  • Hoe kan het concept ‘vergeving’ bijdragen tot de legitimatie van huiselijk geweld?
     
  • Illustreer aan de hand van het geloof in het ‘offer’ van Christus’ kruisdood dat sommige christelijke concepten zowel huiselijk geweld kunnen legitimeren als tegen huiselijk geweld kunnen beschermen?
     
  • Bespreek de spanning tussen de idealisering van het gezin en het oog voor de individuele mens waarin de christelijke ethicus zich gesitueerd weet.
     
  • Toon de ambiguïteit van het spreken over gezin aan, met behulp van het concept van het ‘maakbaarheidsideaal’.
     
  • Waarom is een idealiserend spreken over gezinnen soms problematisch?
     
  • Illustreer hoe de uitspraak van Kahlil Gibran ‘uw kinderen zijn uw kinderen niet’ verder geïnterpreteerd kan worden aan de hand van twee verhalen (uit de bijbel of andere), en leg uit hoe Gibrans uitspraak een licht werpt op deze verhalen.
     
  • Wat wordt bedoeld met een ‘goed genoeg’-gezinsleven?
     
  • Wat is resilience? Geef een voorbeeld. Bespreek de relevantie van dit concept in het licht van het denken over huiselijk geweld en gezinsethiek en geef ook mogelijke nadelen weer.
     
  • Koppel het concept ‘veerkracht’ aan het christelijk verrijzenisgeloof in de context van het denken over gezinnen.

 

C. Geloofsopvoeding in het gezin

  • Wat is het verschil tussen expliciete en impliciete geloofsopvoeding? Geef van elk twee voorbeelden.
     
  • Waarom is het gezin zo belangrijk voor de geloofsopvoeding?
     
  • Geef twee gevaren van een te grote nadruk op het gezin als primaire plaats voor geloofsopvoeding.
     
  • Bespreek drie principiële bezwaren die kunnen aangehaald worden tegen bewust geplande religieuze opvoeding.
     
  • Is geloofsopvoeding een vorm van dwang? Waarom wel/niet? Is dit problematisch?
     
  • Verhindert geloofsopvoeding de keuzevrijheid van kinderen? Waarom wel/niet? Is dit problematisch?
     
  • Met welke praktische problemen worden ouders vandaag geconfronteerd die hun kinderen religieus willen opvoeden
     
  • “Zelfs als er geen sprake is van expliciete geloofsopvoeding kan de opvoeding in het gezin een cruciale rol spelen voor de verdere geloofsgroei van een kind en later volwassene.” Verklaar.
     
  • Bespreek drie criteria waaraan een goede kinderbijbel moet voldoen.
     

 

Didactisch materiaal

Impulsen

A. Beeld van gezinnen vandaag

“Caro heeft een Zeer Ingewikkelde Pa (ZIP). [...]
Mijn moeder zegt dat je vroeger soms ook een Gewone Pa had. Die kwam thuis, keek televisie en dronk bier. Zulke vaders bestaan geloof ik niet meer.
Je hebt bijvoorbeeld een vader die je vader niet is.
Of een vader die wel je vader is maar ergens anders woont. Of een vader die wel bestaat, maar je weet niet waar.
Of een vader uit een buisje die je niet kent.
Of een vader uit een buisje die je wel kent, maar waar je geen pappa tegen zegt, omdat je pappa zegt tegen de man van je moeder.
Of een vader uit een buisje die niet de man van je moeder is, maar waar je wel pappa tegen zegt.
Of een vader waarvan je weet waar hij is, maar waar je niet naartoe mag. Of je hebt twee vaders, die van mannen houden.
Of twee vaders die allebei vrouw zijn, maar lesbisch. Nou ja, zoek het maar uit.”


uit: G. KUIJER, Voor altijd samen, amen, Amsterdam – Antwerpen, 1999, p. 18-19.
 

B. Huiselijk geweld, religie en ethiek

- Afbeeldingen uit graphic novel ‘Drakenslippers’ (R. Penfold)

- Cartoon ‘Abuse the bride’

- Boekkaften ‘Perfect Parenting’ en ‘the Good enough Child’


 

C. Geloofsopvoeding in het gezin

Een jonge man, Steven, zuchtte: “Binnenkort die eerste communie – daar zie ik tegenop. Dan wordt er zeker van mij ook verwacht dat ik me engageer, maar ik ben niet gelovig, ik heb niets met de kerk. Ik ben wel heel katholiek opgevoed, maar ik heb het allemaal achter mij gelaten. Ik ben wetenschapper – ik geloof daar allemaal niet in.” Hij had jonge kinderen die nog niet gedoopt waren, maar binnenkort wel hun doopsel en hun eerste communie zouden ontvangen. De gesprekspartner, Sofie, merkte op dat hij in deze pluralistische samenleving toch niet verplicht was om zijn kinderen te laten dopen of hen hun eerste communie te laten doen. Ze zouden ook zonder doopsel wel kansen krijgen. De tijd van de strikte verzuiling lag al wel een tijdje achter de rug. Steven antwoordde dat dat waar is, maar dat er toch ergens iets in hem was dat iets wilde doen met dat wat hij zelf had meegekregen van zijn ouders, die ‘christelijke waarden’ noemde hij het. Hij wilde graag dat zijn kinderen toch ergens iets van het christendom meekregen – al zag hij zichzelf, gezien zijn huidige ongelovige positie, daar niet toe in staat. Maar vanuit de school en de parochie verwachtte Steven wel enige christelijke opvoeding voor zijn kinderen. Ook zijn vrouw beschouwde zichzelf als ongelovig. Sommigen van Stevens kennissen kozen ervoor om hun kinderen niet te laten dopen. Ze wilden hen later zelf laten kiezen wat ze deden op religieus vlak. Steven vond voor zichzelf dat hij zijn kinderen niet de beste kansen zou geven om later te kunnen kiezen, wanneer hij hen helemaal niets mee gaf. De keuze om hen toch te laten kennismaken met de katholieke kerk, via de parochie en de school, hadden zijn vrouw en hijzelf genomen omdat op die manier hun kinderen later bewuster zouden kunnen kiezen voor het christendom of niet, of voor een andere godsdienst. Steven merkt verder op dat hij wel wat bang is voor de vragen die er ongetwijfeld komen van de kinderen. Van een (atheïstische) kennis hoorde hij dat zijn zoon, die naar een katholieke school ging, thuis had gezegd: ‘God is hier de baas’. Toen stonden de ouders ook perplex.

Verwerking

A. Beeld van gezinnen vandaag

 • cijfers bevraging motivatie ‘trouwen voor de kerk’
• artikel Huwelijk schept kansen, Campuskrant 24/03/2010, p. 3.

Cijfers bevraging motivatie "trouwen voor de kerk"

Tabel 2: Motieven om te trouwen voor de kerk (%)

gemiddeld

zeer van toepassing

van toepassing

ik weet het niet

niet van toepassing

geheel niet van toepassing

- Ik ben voor de kerk getrouwd omdat het kerkelijk huwelijk iets bijzonders heeft.

 1,76

40

51

2

5

1

- Door voor de kerk te trouwen laat je de aanwezige gelovigen zien, dat je elkaar trouw belooft.

 1,91

34

52

4

7

2

- Ik ben voor de kerk getrouwd omdat ik mijn kinderen christelijk wil laten opgroeien.

 2,07

27

54

6

10

2

- Ik ben voor de kerk getrouwd om Gods zegen over mijn huwelijk te krijgen.

 2,15

29

47

7

13

4

- Ik ben voor de kerk getrouwd omdat je je dan meer met elkaar verbonden voelt.

 2,25

25

49

7

15

4

- Voor mij als christen is het vanzelfsprekend dat je voor de kerk huwt.

 2,31

22

49

10

14

5

- Ik ben voor de kerk getrouwd om God getuige te laten zijn van mijn belofte van trouw.

 2,36

20

51

9

15

5

- Door te trouwen voor de kerk hoor je pas echt bij elkaar.

 2,49

27

39

3

21

10

- Ik ben voor de kerk getrouwd omdat dat persoonlijker is dan trouwen op het stadhuis.

 2,54

19

47

4

21

9

- Ik ben voor de kerk getrouwd omdat het huwelijk een symbool is voor het verbond van God met de mensen.

 2,57

13

46

16

21

5

- Ik ben voor de kerk getrouwd omdat je ervaart dat God nabij is als je van elkaar houdt.

 2,63

14

40

20

22

4

- Je trouwt voor de kerk omdat dat een goede gewoonte is.

 2,66

13

51

3

24

9

- Je trouwt voor de kerk omdat op zo’n dag toch ook wat romantiek hoort.

 2,67

13

48

7

24

9

- Door te trouwen voor de kerk geef je aan dat je bij de kerk wilt horen.

 2,70

8

49

12

27

4

- Ik ben voor de kerk getrouwd omdat ik ervaren heb, dat onze gevoelens voor elkaar ook iets te maken hebben met iets Goddelijks.

 2,72

17

30

23

23

6

- Ik ben voor de kerk getrouwd om te laten zien dat ik mij als gehuwde verbonden voel met de geloofsgemeenschap.

 2,74

9

46

13

26

6

- Door te trouwen voor de kerk laat je zien dat het leven van Jezus voor je huwelijk van belang is.

 2,75

10

41

16

27

5

- Ik ben voor de kerk getrouwd; want je gaat een nieuwe toekomst tegemoet; dat roept allerlei vragen op en het geloof kan je helpen een antwoord te vinden.

 2,87

6

39

22

26

7

- Ik ben voor de kerk getrouwd omdat ik van traditie houd.

 3,08

9

37

7

31

16

- Ik ben voor de kerk getrouwd, omdat dat feestelijker is dan alleen trouwen op het stadhuis.

 3,13

11

34

4

33

18

- Door voor de kerk te trouwen geef je aan dat je naast je eigen geluk ook stilstaat bij de nood en ellende in de wereld.

 3,18

4

31

20

33

12

- Je trouwt voor de kerk want dat hoort erbij.

 3,47

4

26

8

43

19

- Ik ben voor de kerk getrouwd omdat mijn man/vrouw dat graag wilde.

 3,51

6

25

3

43

23

- Door te trouwen voor de kerk wordt de overgang naar het huwelijksleven vergemakkelijkt.

 3,63

3

15

18

47

21

- Ik ben voor de kerk getrouwd omdat mijn (schoon)ouders dat op prijs stelden.

 3,65

9

20

5

31

35

- Je trouwt voor de kerk omdat veel andere mensen dat ook doen.

 4,06

2

10

7

45

37

 

B. Huiselijk geweld, religie en ethiek

Your children are not your children

 

C. Geloofsopvoeding in het gezin

- A. De Graaf, Bijbel voor kinderen. Geïllustreerd door J.P. Montero, Callenbach, 1996, p. 364.

- K.N. Taylor, Bijbel voor peuters. Geïllustreerd door N. Wickenden & D. Catchpole, Callenbach, 2000, p. 235.

- D.A. Cramer-Schaap, Bijbelse verhalen voor jonge kinderen. Geïllustreerd door A. van Haeringen, Ploegsma, 2002, p. 373.

 

Literatuursuggesties

Aanvullende literatuur voor geïnteresserden

A. DILLLEN, Geloof in het gezin? Ehtiek, opvoeding en gezinnen vandaag, Leuven, LannooCampus, 2006.

A. DILLEN et al. (ed.), Wanneer ‘liefde’ toeslaat. Over geweld en onrecht in gezinnen, Leuven, Davidsfonds; Antwerpen, Pax Christi, 2006.

A. DILLEN, ‘Het wezenlijke is voor de ogen onzichtbaar’. Hedendaagse gezinnen als subject van geloof?, in Rondom gezin 23/4 (2002) 188-203. (erg toegankelijk artikel over religieuze opvoeding in gezinnen)

A. DILLEN, Gezinsleven tussen inspanning en hoogspanning. Theologie van het gezin in gesprek met sociologie en pedagogie, in H. VAN CROMBRUGGE & E. LOMBAERT (ed.), Gezin en opvoeding. Weldadig en gewelddadig, Antwerpen-Apeldoorn, Garant, 2005, 109-131.

A. DILLEN, Ongehoord vertrouwen. Ethische perspectieven vanuit het contextuele denken van Ivan Boszormenyi-Nagy, Antwerpen-Apeldoorn, Garant, 2004.

A. DILLEN, ‘Vader, moeder zult gij eren’: vloek of zegen? Bespreking van het vierde gebod vanuit het contextuele denken van Ivan Boszormenyi-Nagy, in Rondom Gezin 21 (2000) nr. 4, 260-273.

A. DILLEN, Het gezin. À-Dieu? Een contextuele benadering van gezinnen in ethisch, pedagogisch en pastoraaltheologisch perspectief. Verhandelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen en Kunsten, Nieuwe Reeks, Brussel: Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen en Kunsten, 2009.

A. BIESINGER, Geloven met kinderen. Aanwijzigingen voor moeders en vaders, Tielt, Lannoo, 1998.

M. DE HAARDT, Abrahams offer: prototype van gehoorzaamheid, prototype van geloof? Over gender, monogenese en monotheïsme, in R. TE VELDE (ed.), Doen wat God wil: zegen of ramp? Over ethiek en religie in het licht van Abrahams offer, Budel, Damon, 2003, 36-57. 49-50

B. ROEBBEN, Zijn onze kinderen onze gasten? Over normen, waarden en zingeving in het gezin, Rondom gezin 15 (1994) nr. 3, 124-132.

H. VAN CROMBRUGGE, Verwantschap en verschil. Over de plaats van het gezin en de betekenis van het ouderschap in de moderne pedagogiek, Leuven-Apeldoorn, Garant, 1999.

J. VAN DER LANS & L. VERGOUWEN, Onderzoek naar godsdienstige opvoeding, in Praktische theologie 13 (1986), 116-126.

F. VAN DER SLIK, ‘“Over jonge mensen en de dingen die voorbijgaan”. Geloofsoverdracht in een geseculariseerde samenleving’, in C. LETERME, N. VAN LOO & H. VERKEST (red.), Het paradijs voorbij. Geloven met kinderen (Korrelcahier), Brussel, 1995, 46-53.

S. VANISTENDAEL, Toch in het leven geloven. Het realisme van de spiritualiteit, Mechelen, 2003.
(over veerkracht (zie ook www.dekrachtvanhethuis.org ))

BISHOPS OF NORTHERN CANADA, Responding to Family Violence, in Origins 2626 (1997) nr. 39, 633-639.

UNITED STATES CONFERENCE OF BISSHOPS, When I Call for Help. A Pastoral Response to Domestic Violence Against Women, in Origins 32 (2002) nr. 24, 399-403 (ook via http://www.usccb.org ).

CONFERENCE DES EVEQUES DE FRANCE. COMMISSION SOCIALE, Les violences envers les femmes, in La documentation catholique 8585 (2003) nr. 2301, 975-981.
 

^ bovenkant pagina

Deze week in de media

Nieuw op Thomas