door D. Pollefeyt, D. Hutsebaut, H. Lombaerts, M. De Vlieger, A. Dillen, J. Maex en W. Smit
Jongeren en (inter)levensbeschouwelijke vorming in gezin en onderwijs
1. Inleiding
Eind 2002 werd binnen de lerarenopleiding van de Faculteit Godgeleerdheid van de K.U.Leuven een onderzoek uitgevoerd vanuit de bundeling van drie doctoraatsprojecten:
- 'Geloof en (denken over) opvoeding in het gezin' (Annemie Dillen)
- 'Hermeneutisch-communicatief concept vakdidactiek godsdienst' (Joke Maex)
- 'Interreligieus leren' (Mieke De Vlieger)
Door middel van schriftelijke vragenlijsten werden Vlaamse leerlingen van de derde graad (ASO, TSO en BSO) en hun godsdienstleerkrachten bevraagd.
De resultaten van 98 leerkrachten en 1416 leerlingen konden uiteindelijk in de analyse worden verwerkt. Iets meer dan een jaar later zijn de resultaten gebundeld in een lijvig maar uitermate boeiend boek met de titel 'Godsdienstonderwijs uitgedaagd. Jongeren en (inter)levensbeschouwelijke vorming in gezin en onderwijs. Opzet, methode en resultaten van empirisch onderzoek bij leerkrachten rooms-katholieke godsdienst en leerlingen van de derde graad secundair onderwijs in Vlaanderen'. Dit boek wordt uitgegeven bij Peeters, Leuven.
Hieronder willen we per deelproject ingaan op enkele opmerkelijke resultaten en u een blik gunnen op wat u van het volume kan verwachten. We bespreken hieronder de resultaten van de bevraging bij leerlingen ASO en TSO.
Ter verduidelijking: indien gevraagd werd naar de mate waarin men het (on)eens is met de uitspraken, gaven wij de mogelijkheid om dit in een score op een schaal van 6 punten aan te duiden. De betekenis hiervan is de volgende:
|
1: helemaal mee oneens |
4: beetje mee eens |
Bestel dit boek online of door een mailtje te sturen naar één van de medewerkers.
D. Pollefeyt, D. Hutsebaut, H. Lombaerts, M. De Vlieger, A. Dillen, J. Maex, W. Smit, Godsdienstonderwijs uitgedaagd. Jongeren en (inter)levensbeschouwelijke vorming in gezin en onderwijs. Opzet, methode en resultaten van empirisch onderzoek bij leerkrachten rooms-katholieke godsdienst en leerlingen van de derde graad secundair onderwijs in Vlaanderen, Leuven, Peeters, 2004.
2. Geloof en (denken over) opvoeding in het gezin
Uit het eerste deel van het onderzoek blijkt dat bij de leerlingen ASO en TSO 14,56% van de bevraagde leerlingen een echtscheiding heeft meegemaakt. Daar staat tegenover dat 82,36% van de bevraagde jongeren bij gehuwde ouders woont. Een klein aantal (1,33%) van de leerlingen antwoordt dat hun ouders ervoor hebben gekozen om ongehuwd samen te wonen.
Zijn je ouders...
N=1202
1:gehuwd=990 (82,36%)
2:gescheiden=175 (14,56%)
3:ongehuwd samenwonend=16 (1,33%)
4:andere=21 (1,75%)
Het is duidelijk dat het geloof van de moeder een belangrijke rol speelt in het al dan niet gelovig zijn van het kind.
Opmerkelijk meer moeders dan vaders blijken bovendien gelovig te zijn volgens de jongeren. Tegenover 31,55% uitdrukkelijk gelovige vaders staan 47,56% gelovige moeders. En waar net geen kwart van de vaders ongelovig is, staat daar 'slechts' 15% van de moeders tegenover.
Noemt je vader zich...
Noemt je moeder zich...
Noem je jezelf gelovig?
N=1223
1:ja=311 (25,43%)
2:neen=464 (37,94%)
3:ik twijfel=448 (36,63%)
25,43% van de leerlingen noemt zich uitdrukkelijk gelovig, het grootste deel onder hen (37,94%) noemt zich ongelovig, maar een nauwelijks kleiner deel (36,63%) twijfelt en blijft in de keuze onbeslist.
Niettemin heeft nog steeds 92,89% van de jongeren zijn of haar doopsel ontvangen en noemt 43,36% zijn of haar geloof en levensbeschouwing belangrijk tot zeer belangrijk.
In welke mate zijn geloof en levensbeschouwing belangrijk voor jou?
N=1204
1=135 (11,21%)
2=257 (21,35%)
3=290 (24,09%)
4=344 (28,57%)
5=137 (11,38%)
6=41 (3,41%)
gem=3.1777408
Bovendien bidt 42,30% van de leerlingen soms of zelfs dagelijks. Dit staat dan weer in contrast met de kerkgang. Nauwelijks 13,8% van de bevraagde leerlingen zegt immers nog maandelijks of meer naar een religieuze dienst te gaan.
Bid je wel eens?
N=1223
1:nooit=414 (33,85%)
2:zelden=414 (33,85%)
3:soms=258 (21,10%)
4:regelmatig=88 (7,20%)
5:dagelijks=49 (4,00%)
Een aanzienlijk aantal leerlingen kwam tijdens de kindertijd via de ouders in contact met godsdienst door religieuze plaatsen, zoals een kerk, een kerkhof, een moskee te bezoeken. Via de cultuurelementen in de samenleving speelt 'religie' als gegeven een rol voor heel wat leerlingen en hun ouders.
Plaatsen die met godsdienst te maken hebben, bezoeken (kerk, moskee, kerkhof, bedevaartsoord, ...).
N=1223
1: nooit=283 (23,14%)
2: zelden=336 (27,47%)
3: soms=396 (32,38%)
4: regelmatig=178 (14,55%)
5: dagelijks=30 (2,46%)
Geloof blijft wel een topic voor de Vlaamse leerlingen, al praten zij niet zomaar met iedereen over dit thema. Met ouders en grootouders gaan ze nog regelmatig het geloofsgesprek aan, maar er blijft toch vooral een belangrijke rol weggelegd voor de godsdienstleerkracht. Hij of zij is dus de belangrijkste persoon voor het 'spreken over geloof'.
Duid aan in welke mate je over geloof praat/geloof beleeft samen met volgende personen: Godsdienstleerkracht
N=1216
1:nooit=156 (12,83%)
2:zelden=222 (18,26%)
3:soms=382 (31,41%)
4:regelmatig=414 (34,05%)
5:dagelijks=42 (3,45%)
De schoolcontext lijkt de belangrijkste omgeving voor het spreken over geloof. Uit dit onderzoek kunnen we dus concluderen dat het godsdienstonderricht voor jongeren één van de weinige plaatsen is waar geloof nog uitdrukkelijk aan bod komt.
Een kruisje geven/krijgen voor het slapengaan
Lezen uit een bijbel/koran/ander heilig boek (voorlezen of zelf lezen).
3. Hermeneutisch-communicatief concept vakdidactiek godsdienst
Godsdienstonderricht wordt in onze school weinig gewaardeerd.
N=1212
1=283 (23,35%)
2=294 (24,26%)
3=262 (21,62%)
4=201 (16,58%)
5=110 (9,08%)
6=62 (5,12%)
gem=2.7912541
s=1.4574015
In het tweede en het derde deel van het onderzoek ligt de aandacht bij het godsdienstonderricht. Uit een bevraging bij de leerlingen blijkt het godsdienstonderricht in de school redelijk sterk gewaardeerd te worden.
Het godsdienstonderricht dient jongeren uit te dagen om zich een mening te vormen in confrontatie met de opvattingen omtrent het christendom die in de samenleving aanwezig zijn.
N=1212
1=283 (23,35%)
2=294 (24,26%)
3=262 (21,62%)
4=201 (16,58%)
5=110 (9,08%)
6=62 (5,12%)
gem=2.7912541
s=1.4574015
Uit het tweede deel van het onderzoek, rond het hermeneutisch-communicatief model, is gebleken dat, in tegenstelling tot bij de leerkrachten, de hermeneutische verlamming bij de leerlingen hoger is dan de hermeneutische competentie. Dit impliceert dat leerlingen vaak niet in staat zijn de taal, eigen aan de christelijke traditie, te begrijpen. Er ligt dus een uitdaging voor leerkrachten om de leerlingen een vorm van hermeneutische gevoeligheid bij te brengen. Voor de meeste leerkrachten lijkt de vorming van een kritisch interpretatiekader één van de belangrijkste doelstellingen van het godsdienstonderricht te zijn. Dit kunnen we concluderen op basis van de antwoorden van de bevraagde leerkrachten op deze volgende vraag.
Media
Opvallend is dat leerlingen die zeggen te geloven en ook vanuit een geloofskader zijn opgevoed het hoogst scoren op hermeneutische competentie, terwijl leerlingen met geloofstwijfels of leerlingen die thuis vrijzinnig of religieloos worden opgevoed het hoogst scoren op hermeneutische verlamming. Jongeren die van thuis uit al een zekere voeling met een godsdienstige traditie meegekregen hebben, blijken minder problemen te hebben om datgene wat in het godsdienstonderwijs ter sprake komt te integreren in hun eigen interpretatiekader. Terwijl jongeren die van thuis uit niet-godsdienstig zijn opgevoed, veeleer het gevoel hebben dat datgene wat in het godsdienstonderwijs ter sprake komt haaks staat op hun interpretatiekader.
Het onderzoek wijst ook uit dat verschillende vormen van lesmateriaal door de leerkracht worden gehanteerd: handboeken, zelfgemaakte cursussen, tijdschriften, internet, kranten, audio-visuele media en muziek...
Handboeken
Internet
Weekbladen (vb. Humo, Knack, P-magazine, e.d.)
Kranten
N=96
1:nooit=1 (1,04%)
2:zelden=3 (3,13%)
3:soms=18 (18,75%)
4:regelmatig=32 (33,33%)
5:vaak=26 (27,08%)
6:zeer vaak=16 (16,67%)
gem=4.3229167
s=1.1191613
Het gebruik van verschillende leermiddelen, waarin ook de actualiteit ter sprake komt, blijkt een aan te moedigen realiteit, want het gebruik van kranten, muziek en internet blijkt een positieve invloed te hebben op het verwerven van hermeneutische competentie bij de leerlingen.
De komst van het nieuwe leerplan is een verademing voor het godsdienstonderricht.
N=98
1=7 (7,14%)
2=6 (6,12%)
3=7 (7,14%)
4=32 (32,65%)
5=34 (34,69%)
6=12 (12,24%)
gem=4.1836735
s=1.3342973
In het onderzoek werd eveneens aandacht besteed aan het nieuwe leerplan. De nieuwe leerplannen zijn al vanaf 2000 beschikbaar en worden vanaf september 2004 bindend, dus leek 2002 een ideaal jaar om een stand van zaken te maken. De meerderheid van de leerkrachten neemt een positieve houding aan ten opzichte van het nieuwe leerplan.
4. Interreligieus leren
Zowel de leerkrachten als de leerlingen staan positief tegenover andersgelovigen; er is een duidelijke wil tot dialoog aanwezig. Dit vormt een belangrijk uitgangspunt voor de implementatie van interreligieus leren in het curriculum van de lessen godsdienst. Het louter kennis vergaren en opdoen van informatie mag, volgens de leerlingen, worden overstegen. Dit kunnen we afleiden uit de antwoorden op de stelling 'Ik vind het persoonlijk erg belangrijk om andere godsdiensten en mensen met een ander geloof dan ikzelf te leren kennen en met hen in dialoog te treden'. Hier ligt een kans voor de leerkracht om van de dialoog een leermiddel in het leerproces te maken.
Ik vind het persoonlijk erg belangrijk om andere godsdiensten en mensen met een ander geloof dan ikzelf te leren kennen en met hen in dialoog te treden.
N=1210
1=163 (13,47%)
2=187 (15,45%)
3=226 (18,68%)
4=335 (27,69%)
5=193 (15,95%)
6=106 (8,76%)
gem=3.4347107
s=1.4864545
Het is de leerlingen echter nog niet helemaal duidelijk wat de voordelen kunnen zijn van ontmoetingen met andersgelovigen. Iets meer dan de helft van de leerlingen antwoordt positief op de vraag of het zinvol kan zijn om met mensen uit andere godsdiensten in dialoog te treden.
Het zou zorgen voor meer diepgang wanneer de leerkracht op zo'n moment [in een les interreligieus leren] werd bijgestaan door vertegenwoordigers uit de respectievelijke religies.
Ik vind het belangrijk dat we ook persoonlijke ontmoetingen hebben, niet alleen met bv. de moslimleerlingen die we in onze klas hebben, maar ook met officiële vertegenwoordigers van de verschillende andere wereldgodsdiensten.
Naar mijn mening dienen alle godsdiensten aan bod te komen in de godsdienstlessen.
Interreligieus leren is zinloos als er geen leerlingen met een ander geloof in de klas aanwezig zijn. (bevraging bij leerlingen)
Interreligieus leren dreigt voor een overbelasting te zorgen voor ons als godsdienstleerkrachten. Zowel praktisch als intellectueel overvraagt dit project ons.
N=95
1=18 (19,57%)
2=26 (28,26%)
3=15 (16,30%)
4=16 (17,39%)
5=13 (14,13%)
6=4 (4,35%)
gem=2.9130435
s=1.4873250
De antwoorden op de vragen wijzen dus op een bepaalde onzekerheid bij de leerlingen over een nieuwe en onbekende didactische werkwijze in de godsdienstlessen, maar eveneens op een openheid, een bereidheid om interreligieus leren het voordeel van de twijfel te geven, of misschien beter uitgedrukt: een kans te geven. Leerkrachten blijken er van overtuigd te zijn dat interreligieus leren haalbaar is. Zowel praktisch als intellectueel worden ze door deze nieuwe aanpak niet overvraagd, menen ze zelf.
Ik kan interreligieus leren praktisch en intellectueel niet alleen aan.
Leerlingen beschikken niet over genoeg 'bagage' om de dialoog met andere godsdiensten aan te gaan, deze aanpak zal enkel verwarrend voor hen zijn.
Ik voel me in staat om, vanuit mijn eigen geloofsovertuiging en met de kennis die ik reeds heb opgedaan over godsdiensten, in dialoog te treden met andere godsdiensten of mensen met een ander geloof.
N=1204
1=144 (11,96%)
2=190 (15,78%)
3=324 (26,91%)
4=320 (26,58%)
5=171 (14,20%)
6=55 (4,57%)
gem=3.2898671
σ=1.3411563
De leerlingen zelf aarzelen eveneens, en stellen niet uitgesproken dat ze over voldoende kennis beschikken om de dialoog aan te gaan. Niettemin menen ze overwegend toch dat het dialogeren met andersgelovigen misschien wel kan lukken.
Samengevat wijzen deze resultaten er op dat zowel bij leerkrachten als leerlingen nog enig voorbehoud is tegenover het nieuwe onderwijsmodel, maar dat ze er niettemin voor openstaan en het een kans willen geven. Het lijkt er dan ook sterk op dat voldoende factoren aanwezig zijn om IRL te implementeren in het leerplan van het godsdienstonderwijs en het project op te starten.
Bestel dit boek online of door een mailtje te sturen naar één van de medewerkers.
D. Pollefeyt, D. Hutsebaut, H. Lombaerts, M. De Vlieger, A. Dillen, J. Maex, W. Smit, Godsdienstonderwijs uitgedaagd. Jongeren en (inter)levensbeschouwelijke vorming in gezin en onderwijs. Opzet, methode en resultaten van empirisch onderzoek bij leerkrachten rooms-katholieke godsdienst en leerlingen van de derde graad secundair onderwijs in Vlaanderen, Leuven, Peeters, 2004.




.jpg)























