De uitdaging van de holocaust voor het onderwijs: achtergronden, lesimpulsen en didactische werkvormen
Startpagina
Deel 1
There is no future without memory. History itself is memoria futuri (We Remember, Vaticaan, 1998)
1. Theoretische onderbouw
Auschwitz tussen verleden en heden
De hedendaagse mens is een mens die leeft in een wereld na Auschwitz, na Hiroshima en Nagasaki, na Ruanda, na de Goelag. Alle onderdelen van deze opsomming zijn onloochenbare belichamingen van extreem geweld –en misdadigheid Alle elementen roepen elk voor zich ernstige vragen op inzake de uitbouw van de toekomst van mens en wereld. Ze vormen evenzeer een stuk verleden dat ons niet loslaat, ook al zouden we dat zelf willen. We blijven er mee in de maag gesplitst. We komen er maar niet mee in het reine. Deze specifieke, hermeneutische focus op het “wereldkwaad”, geconcretiseerd in Auschwitz- zal ons confronteren met extreme vormen van kwaad, doch we zullen altijd de band met het “alledaagse kwaad” trachten aan te halen. De kennis en de vaardigheden die binnen deze communicatie ontwikkeld worden, kunnen op hun beurt impulsen vormen voor de latere lespraktijk wanneer we leerlingen confronteren met dergelijke vormen van kwaad (het extreme kwaad en het kwaad van elke dag). Enkele belangrijke en oriënterende vragen binnen dit gezamenlijk leer-en leefproces zijn: “welke les kan ik er als mens uit trekken vooraleer ik er als leerkracht les over geef? In welke mate is het worstelen met de verschillende visies op het kwaad in mijn eigen levensbeschouwelijke autobiografie vervat, vooraleer we de leerlingen dit hermeneutisch knooppunt aanreiken, met het oog op hun eigen levensbeschouwelijke groei. Voor het theoretisch kader zijn we integraal schatplichtig aan het denken van de Leuvense theoloog en Holocaustexpert Didier Pollefeyt. Hij bracht een drievoudige ordening aan binnen de verschillende visies op het kwaad en de boosdoener. We trachten in zijn spoor de voordelen, maar vooral de tekorten, ja zelfs de onhoudbaarheid van elk denkschema (paradigma) op het spoor te komen, na te denken over de (on)mogelijkheid van vergeving en verzoening om tenslotte te komen tot een alternatieve, uitgebalanceerde visie. Het spreekt voor zich dat onze gezamenlijke “be-sluiten” geen “afsluiten” zijn. De aangesneden onderwerpen en de beschouwingen die er uit voortvloeien blijven altijd “under construction”: zolang we als mens open staan en blijven groeien, zullen ook de standpunten die we innemen veranderen, verdiepen… .
1.1. De diabolisering
Als eerste paradigma schuiven wij op basis van Pollefeyt de diabolisering naar voor. Om de diabolisering ten volle te begrijpen moeten we ons concentreren op het slachtoffer. We zijn net als het slachtoffer geschokt door de (gruwel)daden van de boosdoener. We willen onze morele verontwaardiging uitschreeuwen, we koken van woede en willen dit in taal en teken vertolken. We willen de dader(s) de ontoelaatbaarheid van hun daden “aan den lijve” laten aanvoelen. Diabolisering is een zeer menselijk gebeuren, in die zin dat het een instinctieve, impulsieve reactie is op de confrontatie met het kwaad. Men moet er niks voor doen, het gaat er gewoon om de verontwaardiging, de woede vrij spel geven. Zoals Jan Bool zegt tegen de later gedeporteerde en omgekomen Etty Hillesum: “Het is ook zo goedkoop, die wraakgevoelens naar buiten. Alleen maar toeleven naar dat ene moment van wraak, daar moeten we het toch ook niet van hebben”. Jan Bool was recentelijk te weten gekomen dat een (joodse) kennis doodgemarteld was door de Duitsers en verscheidene van zijn professoren in kampen voor politieke gevangenen vast zaten.
De maar al te menselijke verontwaardiging kan door middel van de wraak al vlug uitmonden in een ‘onmenselijke’ reactie. De nazi is een duivel (diabolos), een sadistisch monster dat moet uit de weg geruimd worden. Juist omwille van onze toorn, onze woede gaan we de vaak ingewikkelde realiteit vereenvoudigen tot een tweegevecht van “belle en het beest”. Wij scharen ons met het slachtoffer achter de banier van het goede en trekken, wellicht met de beste intenties, ten strijde tegen het kwade. Het diaboliseringsparadigma werkt dus met zwart-wit-mechanismen: wij zijn helemaal goed en de ander is helemaal slecht. Deze houding heeft echter verregaande gevolgen voor vergeving en verzoening. Vermits de boosdoener door en door slecht is, kunnen we ons enkel even hard en onbarmhartig opstellen, net zoals de Duitsers niet luisterden naar de smeekbeden van de joden. Het grote gevaar van de diabolisering is dus het herhalen van het kwaad. Net zoals de joden voor de Duitsers geen mensen, maar ongedierte, bacillen, on-mensen (Untermenschen) waren, die moesten verdelgd worden, zo waren de Duitsers geen mensen, maar sadisten, monsters, duivels die moesten uit de samenleving verwijderd worden (terechtstellen zoals bijvoorbeeld gebeurd is met Eichmann). Net zoals de joden geen mensen waren, maar pestbacillen of ratten, zullen ook de nazi’s omschreven worden als ratten (zie illustraties). We stellen vast dat de diabolisering maar al te vlug leidt tot een spiraal van geweld. Voor vergeving is geen plaats binnen dit paradigma. Vergeving zou men interpreteren als een verraad aan het lijden van de slachtoffers, als een meeheulen met de vijand.
Het is voor de aandachtige lezer meer dan duidelijk, dat ondanks de grote populariteit van dit model, er zware tekortkomingen aan gekoppeld zijn. We hebben al gesteld dat men heel ingewikkelde situaties te eenvoudig gaat voorstellen met zwart-wit-mechanismen. Eveneens hebben we vermeld dat deze visie wel eens de motor kan vormen voor een beweging van geweld. Een derde probleem van de diabolisering is het feit dat dit paradigma ons niet verontrust. Het plaatst ons in een comfortabele positie doordat wij het kwaad buiten onszelf plaatsen. Geen enkel mens herkent zichzelf in een sadistisch, monsterlijk beeld. Auschwitz wordt dan net als een horrorfilm op de beeldbuis. Bij dat soort films denken we ook niet: “dat kon ik ook gedaan hebben”, “dat kan mij ook overkomen”. Auschwitz kan ons dan niks meer zeggen, want het is een andere taal, uit een andere tijd, uit een andere wereld. Een wereld die helemaal anders is dan onze samenleving die eerlijk rechtvaardig is. Een wereld die anders is dan mijn wereld waarbinnen ik tracht het goede te doen. Als Auschwitz ons echter niks kan zeggen, ons niet kan bevragen of bekritiseren, sterven de vermoordde joden dan niet een tweede dood?
1.2. De banalisering
Wetenschappelijk onderzoek rond de getuigenissen van overlevenden van de Holocaust heeft aangetoond dat werkelijk sadisme (beleven van genot bij het opwekken of vaststellen van pijn bij de ander) slechts minimaal aanwezig was bij het Duitse kamppersoneel (5 à 10 %). We kunnen dus met de diabolisering niet verklaren waarom een gans volk (treinbegeleiders, artsen, rechters, boeren, soldaten, fabrieksarbeiders…) jaren aan een stuk heeft meegewerkt aan de uitroeiing van de joden, zonder maar één moment op te houden zichzelf als ethisch hoogstaande wezens te voelen. Zo schreef Rudolf Höss, de kampcommandant van Auschwitz-Birkenau kort voor zijn terechtstelling in 1947: “De openbaarheid mag gerust in mij voortaan het bloeddorstig beest, de wrede sadist, de moordenaar van miljoenen zien- want anders kan de grote massa zich de commandant van Auschwitz immers niet voorstellen. Die zou toch nooit begrijpen, dat hij ook een hart had, dat hij niet slecht was”. Uit de Tischgespräche van Hitler vinden we gelijkaardige uitspraken: “God zij dank heb ik altijd vermeden om mijn vijanden te vervolgen”. “Men kan zijn wil niet door geweld aan anderen opdringen, en ik heb een afkeer van mensen die er genoegen in scheppen het lichaam van hun medemensen te pijnigen of hun geest te tiranniseren”.Sommige denkers stelden dat de Holocaust in het algemeen en de beweegredenen van de Duitsers in het bijzonder niet konden verklaard worden op basis van het sadistische motief. Zo kwam ook ondermeer de joodse filosofe Hannah Arendt tot deze conclusie wanneer ze zag hoe Adolf Eichmann zich verdedigde op zijn proces in Jeruzalem in 1962. Eichmann was één van de belangrijkste figuren voor de organisatie en coördinatie van de jodenuitroeiing. Hij wist bij de val van het Dritte Reich de dans te ontspringen en vluchtte met zijn gezin naar Argentinië. Een speciale joodse elite-eenheid arresteerde Eichmann (cfr. infra) en transporteerde hem naar Israël, waar hij in Jeruzalem terecht stond (zie “Eichmann in Jerusalem”). Gideon Hausner schilderde Eichmann af als een aartsmonster. We zien echter geen breedgebouwde beul met sadistische trekjes, maar een doodgewoon burgermannetje, die op een zielig wijze uitlegt wat zijn plaats in het systeem is. Hannah Arendt wijst duidelijk op de middelmatigheid van Eichmann. Vandaar spreken we ook over het paradigma van de banalisering. Het kwaad is niet banaal, maar de boosdoener. Hij is een mens zoals u en ik, als Jan in de straat. Hannah Arendt heeft dus nooit het kwaad gebanaliseerd, al was dit vaak de perceptie
Wat is dan de schuld van Eichmann binnen deze denkwijze? Hij antwoordt zelf: “mijn schuld is mijn gehoorzaamheid”. “Ik deed het omdat ik het moest doen, ik was maar een tandwieltje in het nazistisch rad. Ik gehoorzaamde wat men mij opdroeg”. Heel belangrijk binnen dit derde paradigma is de verontschuldiging (deculpablisering). Een mens kan niet verantwoordelijk gesteld worden voor iets als er geen sprake van vrijheid is. Maar wanneer is een mens vrij? Freud leerde ons de macht van het onbewuste, de driften, de biologie leerde ons dat de mens geboeid is in DNA-ketens, de sociologie vertelt ons dat de afkomst bepalend is…. . De dader wordt nu zelf slachtoffer. Hij is misbruikt geweest door de machthebbers. De dader was ter goeder trouw, maar zijn oversten hebben zijn trouw misbruikt. In het tweede paradigma neemt de perverterende kracht van de cultuur plaats op de beklaagdenbank en niet de daders.
Het probleem is weerom de vergeving. Hoe kan je nu nog spreken over vergeving als de dader niet eens duidelijk schuld bekent of draagt. Hij is zelf slachtoffer, hem treft geen schuld, wel de samenleving, zijn godsdienst… . Er is weerom geen sprake van vergeving, hier omdat er niks te vergeven valt: de dader treft geen schuld (sic). Het tweede probleem is de denkfout die dit schema verbergt. Men vergeet het keuzemoment van de dader. Hij heeft bewust gekozen om bepaalde daden te stellen en kan daar in een zekere hoogte voor verantwoordelijk worden gesteld.
1.3. De ethisering
We hebben in de vorige paragraaf vastgesteld dat we op basis van de banalisering wel bepaalde inzichten verwerven, maar dat deze laatste toch gebukt gaat onder serieuze tekortkomingen. De mens is niet louter een machine die geprogrammeerd en onderhouden wordt door leiders. Het gaat om mensen met een eigen wil, die zelf beslissingen maken. Het dient ook gezegd te worden dat heel wat nazi’s zich maar al te graag van hun taak gekweten hebben. Ze hebben dus niet louter gehandeld omwille van de druk van bovenaf. De historicus Hillberg maakt ook duidelijk dat de bevelen uit Berlijn verre van duidelijk waren. De lagere functionarissen dienden met veel toewijding en creativiteit deze abstracte berichten toe te passen op hun concrete situatie. Ze deden het (vaak) niet tegen hun zin, maar gepassioneerd, met volle overgave. Dan rijst onmiddellijk de vraag: “Waar komt die geestdrift vandaan?”. Ze deden het niet vanuit hun lust naar pijn, kwaad (1e paradigma), niet omwille van het systeem dat verdoofde (2e paradigma), maar vanuit de idealen, waarden, overtuigingen die voortvloeiden uit de nazistische ethiek. De nazi was dus niet immoreel (onethisch) zoals het eerste paradigma dat stelt, niet a-moreel (niet in staat om ethisch te zijn) zoals in het tweede paradigma, maar had een heel eigen ethiek. De nazi’s dachten nu eenmaal dat zij het goede deden. Je merkt dat het derde paradigma zich tracht in te leven in de wereld van de dader, zich tracht invoelend op te stellen. Heel wat Duitsers vonden namelijk dat de NSDAP (Nationaal-Socialistische Arbeiderspartij) heel wat te bieden had. Voor de Duitsers viel het Hitler-regime immers niet samen met de judeocide (uitmoorden van de joden). Het uitroeien was gewoon een onderdeel van het nazi waardepakket. Hitler haalde het land uit een politieke, economische crisis, gaf iedereen hoop, een ideaal, werkzekerheid, een land om trots op te zijn, een bloeiende cultuur. Het waren niet altijd verre idealen, maar concrete doelen die werden voorop en ten toon gesteld: voor iedereen een VW, iedereen moet op reis kunnen. Zo had de “vrijetijdsafdeling van de nationaalsocialistische gemeenschap, Kraft durch Freude” (NSG KdF) in de periode tussen de machtovername van Hitler en de het uitbreken van de oorlog maar liefst acht miljoen toerpakketten aan een belachelijk lage prijs verkocht. Meer dan 45 miljoen mensen kregen de mogelijkheid om te reizen, zelf om luxueuze cruises te maken. Er werden overal grote autobanen aangelegd, een imponerend olympisch stadion werd in Berlijn opgericht, grote en indrukwekkende regerings-en partijgebouwen werden in neoklassieke stijl opgetrokken, de stadsparken en plantsoenen werden aangelegd en onderhouden. Met al dit goeds dat ze brachten, eigenden de nazi’s zich ook het recht toe te bepalen wat goed en slecht was. Er ontwikkelde zich een nazistische moraal, met elementen die gekend waren. Het Nazisme leende wat van de religieuze afkeer (jammer genoeg ook van christelijke origine) ten aanzien van de joden, van het nationalisme dat overal opkwam, van de rassentheorieën die al een paar decennia opgang maakten en men voegde er dromen, idealen en waarden aan toe. Men wou een duizendjarig rijk vestigen, de Teutoonse waarden van weleer in ere herstellen. Heel concreet waren gehoorzaamheid, moed, trouw, doorzettingsvermogen, burgerplicht, natiebewustzijn, kampgeest, onbarmhartigheid belangrijke pijlers van het naziereferentiekader. Het moorden was nu eenmaal niet aangenaam, maar men deed het in de naam van het goede, zelf in de naam van God (Gott mit uns). De nazi was dus eigenlijk een idealist.
Dit model stelt ook duidelijke problemen als men het wil hebben over schuld en vergeving. Het is zeer moeilijk om vergeving ter sprake te brengen binnen het derde paradigma, daar de daders eigenlijk het goede nastreefden. Het enige wat je dan nog kunt zeggen: “kijk, wij verschillen in onze visie op wat goed en kwaad is”. Het is alsof we een andere ethische taal spreken en we alleen kunnen vaststellen dat we elkaar niet verstaan. Je kan elkaar niet beschuldigen, je kan je geen schuld toe-eigenen. Waar geen schuld is, is geen verantwoordelijkheid, waar geen schuld en verantwoordelijkheid is kan geen vergeving zijn, waar geen vergeving kan zijn, kan geen verzoening zijn. We dienen ook de denkfout van het derde paradigma te onderlijnen. Net alles kun je “goed” noemen, niet alles is ethiek. Als alles ethisch is, is niks nog ethisch. Dat wil zeggen: als iedereen zelf kan bepalen wat juist en fout is; dan is niks nog echt goed, zuiver, ethisch. De nazie-ethiek kun je geen ethiek noemen, integendeel, het is een verkrachting van de term ethiek.
1.4. Voorbij de paradigmatische valkuilen
De visie die wij op basis van Pollefeyt onderschrijven is een visie die tracht recht te doen aan dader én slachtoffer. Het is een visie die ons eveneens gesprekspartner maakt en ons duidt op onze verantwoordelijkheid. Eigenlijk is het basisinzicht dat de treinen naar Auschwitz vertrokken uit de tuinen van alledaagse mensen. Auschwitz is mogelijk door kleine ondeugden van elke dag. Het lijkt wat banaliserend (2e paradigma), maar dat is het niet. Het zijn kleine ondeugden die op grote schaal, op lange termijn en door een ganse natie werden gerealiseerd. Het zijn allemaal kleine beslissingen van kleine mensen die samen verantwoordelijk zijn voor dat grote kwaad dat Auschwitz is. Over welke kleine ondeugden gaat het ondermeer:
1.4.1 Fragmentatie
Fragmentatie is de moeilijkste ondeugd. Het gaat om een innerlijk proces. Men wordt geraakt door iets, maar men sluit dit gevoel af, zodat het niet de hele psyche doordringt. Je kunt het vergelijken met een duikboot waar water in loopt. Men kan een tussenschot sluiten, waardoor het water niet de hele duikboot beschadigt. Men kan wellicht gewoon doorvaren. Kennen we dat gevoel ook niet, dat je aangeraakt wordt door het lijden van de ander, maar dat we deze vraag verhinderen door te breken? Wat met die bedelaar die je tegenkomt? Sluit je zijn vraag niet vlug af met het idee: “hij zou het geld toch maar opdrinken”, “het is niet aan mij om hem te helpen, er moet structurele hulp komen”? Eigenlijk is het een vorm van zelfbedrog. Je kan maar bewust je ogen sluiten als je iets gezien hebt. Dat kleine stemmetje van het geweten heb je het zwijgen opgelegd, heb je weggeredeneerd… .
Ook de Duitsers konden zich, net als ons, fragmenteren. Ze fragmenteerden, distantieerden zich van het kwaad dat ze zagen en deden. Ze lieten hun geweten niet doorbreken, maar legden het het zwijgen op. Het was pas gevaarlijk als een jood die persoonlijke barrière doorbrak. Je mocht daarom nooit een bewaker in de ogen kijken. Stel je voor dat hij ontdekte dat er een mens tegenover hem stond, dat hij een mens aan het vermoorden was. Dat ethisch besef zou de bewaker doen instorten en zijn werk onmogelijk maken.
1.4.2. Depersonalisatie
Depersonalisatie gebeurt wanneer je een mens niet meer ziet als een individu, als een unieke persoon, maar als een nummer, een vervangbaar element. Elke dag maken wij van unieke mensen een nummer, een abstract iets. Wat met de leerlingen in je klas, zijn ze uniek of een getalletje in een lijst? Wat met dat ‘probleemgeval’ (die leerling die het je moeilijk maakt), wat met dat dossier X (een leerkrachtenrapport bijgehouden door de directie)? Auschwitz kon ook maar gebeuren doordat het menselijke werd ontmanteld. Al wat identiteit gaf, werd afgenomen: de familie, de geloofspraktijk, de kledij, het haar, de naam… . De opzichters gaven bijna geen eten, zodat de gedeporteerden zich (zouden moeten) gedragen als beesten. Men had geen privé-leven, geen persoonlijke hygiëne. Een gedeporteerde kreeg geen persoonlijke dood als een executie, neen, men kreeg een kille massamoord en een massagraf.
1.4.3. Machtswellust
De Duitsers bezondigden zich aan hun drang naar machtswellust. Als we in eigen boezem kijken, kunnen wij ons niet vrijpleiten van deze kleine ondeugd. Wat met de “schachtentemmer” die zichtbaar geniet van de kruipende, gehoorzamende groentjes? Wat met een manager die ‘kickt’ op zijn macht? Wat met de leerkracht die iets teveel plezier schept in het geven van bevelen? Kan een leerkracht niet te ver gaan in zijn eisen en zijn gebod om gehoorzaamheid?
2. Lesondersteunende schema's (bord of projectie) en illustraties
2.1. Lesondersteunende schema's
2.1.1. Diabolisering
Schema 1: (mogelijke) imitatie van het kwaad bij de diabolisering
|
verdelging |
vergelding |
Verdelging |
|
De “duivelse” joden
Zwart-wit-denken:
|
Wraakroepende onrechtvaardigheid “recht” trekken |
De “duivelse” nazis
Zwart-wit-denken
|
Schema 2: opdeling goed versus kwaad + gevolgen
Opdeling
| Goed | Kwaad |
| Slachtoffer + wij (toeschouwers) | Dader |
| Engel | Duivel |
| Wit | Zwart |
Gevolgen
| Wij voelen ons anders en veilig | Geen genade |
| Laten ons niet bevragen (door het kwaad) | Geen vergeving Geen verzoening |
2.1.2. Banalisering
Schema over de banalisering
Geen vrijheid => geen verantwoordelijkheid => geen schuld => geen vergeving
2.1.3. Algemeen overzicht
|
Diabolisering |
banalisering |
ethisering |
|
|
De moraliteit van de dader |
De immoraliteit van de dader De dader wil het slechte |
De a-moraliteit van de dader De dader wilt niet, de leider of het systeem wilt |
De alternatieve moraliteit van de dader |
|
Het beeld van de dader dat opgetrokken wordt |
De dader als duivel (diabolos), als sadistisch beest |
De dader als tandwieltje in een systeem |
De dader is een idealist |
|
Positie? |
Komt tegemoet aan (de ver- |
Komt op voor de dader |
Komt op voor de dader (ook hij tracht zich te richten naar het goede) |
|
Mogelijkheid op vergeving en verzoening |
Je KAN en MAG de dader niet vergeven. Zijn daden zijn ONVERGEEFLIJK Verzoening is onmogelijk |
Je KAN de dader niet vergeven. Verzoening is onmogelijk |
Je KAN de dader niet vergeven Verzoening is onmogelijk |
|
Waarom is dit denkschema gevaarlijk? |
Herhaling van het kwaad: men wreekt het kwaad en start een spiraal van geweld |
Minimaliseren van het kwaad: |
Camoufleren van het kwaad: |
2.2. Illustraties ter ondersteuning
2.2.1. Het eerste paradigma: Illustraties m.b.t. tot de imitatie van de logica van het kwaad
Het motief van de vuist
Het motief van de duivel/satan
Op de linkerkant van de slide vinden we een voorpagina van “Der Stürmer” en een uitvergroting van de foto op de voorpagina. “Der Stürmer” was een sterk antisemitisch blad, uitgegeven door de rabiate jodenhater Julius Streicher. Het aanwakkeren van de haat tegenover de joden, resulteerde in de veroordeling van Streicher tot de doodstraf op de Neurenbergprocessen (’46). De illustratie op de voorpagina bestempelde de jood als zijnde satan. We zien op de “cartoon” uit de nazipropaganda hoe de duivel als een jood wordt voorgesteld (lange neus). Aan de rechterzijde zien we “een eierdopje tegen het nazisme”. We zien de (neo)nazi afgebeeld als een demonische figuur. Het is een item uit de campagne “Laut gegen Nazis”, en hoewel de initiatiefnemers stellen dat men via dit eierdopje symbolisch de geest van de nazi uit de hoofden van de mensen wil verdrijven, moet men het toch wel doen door de neonazi de kop in te slaan. Rechts onderaan is er een antinazistische poster van 1942 uit Amerika. De auteur Thomas Hart Benton was van mening dat je ofwel moet vechten, ofwel de bloedige realiteit van de oorlog kenbaar moet maken aan het thuisfront. Hij beeldde het “barbaarse fascisme” af als monsterlijke krachtpatsers die dood en vernieling zaaien.
Het motief van de rat
Aan de rechterzijde zien we de ondertussen bekende slogan “Nazis raus”. We kunnen deze slogan naadloos overzetten naar een slogan uit het Dritte Reich als we het woord “Nazis” door “Juden” zouden vervangen. Het werd meer dan eens geklad op de uitstalramen van joodse winkeliers, was meer dan eens een element van de Duitse propaganda. Het gaat binnen deze vergelijking niet alleen om de bewoording, ook het motief van de rat komt onrechtstreeks in beide kampen voort. Joden werden door de nazi’s immers beschouwd als één van de laagste levensvormen op aarde, gelijkgesteld aan bacillen, ongedierte. Is het niet bijzonder frappant dat hun uitroeiingstechniek voordien gebruikt werd om huizen te ontdoen van ongedierte, zoals mutatis mutandis het land zich kon ontdoen van de “joodse parasieten (sic)”. Een middel om onderzeeërs, barakken, kampen te ontdoen van de luizen die tyfus voortbrengen, werd gebruikt in kampen om een natie te ontdoen van de tyfus die de joden waren (sic). Dit motief werd ook expliciet gebruikt in een tijdschrift dat viel onder de nationale, Amerikaanse associatie van pesticiden en desinfectanten, waarbij de boodschap was dat zowel “de nationale als insectachtige vijanden ‘annihiliation’ verdienden”. De Japanse, Duitse en Italiaanse vijanden worden dus afgebeeld als kakkerlakken.
Het motief van de slang:
Het motief van de sluipende dreiging of samenzwering
De mythe van een joodse samenzwering was reeds in de Middeleeuwen gekend. Joden werden er van verdacht een ondergrondse aanval op de christene samenleving uit te werken. Dit motief werd op het einde van de negentiende eeuw in Parijs door een onbekende Russische schrijver concreet uitgewerkt in de “zogehete “Protocollen van de Wijzen van Zion”. Het werk beïnvloedde de houding van het Russisch regime ten opzichte van de joden, zowel tijdens het tsaristisch regime als de jaren van revolutie. Vele pogroms beriepen zich op die eerder genoemde geschriften. Het werk werd in alle talen in grote oplagen verspreid, ondermeer in Amerika door Henry Ford. Het werk en het motief werd uiteraard ook binnen het nazistische kamp gebruikt (zie linkerzijde). Het motief van de “imminent threat”, de sluipende bedreiging of samenzwering werd tijdens de oorlogsjaren eveneens gehanteerd aan Amerikaanse zijde.
2.2.2. Het tweede paradigma
Illustratie van perverterende rol van de cultuur en het accent op het gehoorzaamheidsaspect door middel van een Amerikaanse tekenfilm
Eichmann: een dader gebanaliseerd
Allles wat we weten over Adolf Eichmann
Ogen: doorsnee
Haar: doorsnee
Gewicht: doorsnee
Lengte: doorsnee
Bijzondere kenmerken: geen
Aantal vingers: tien
Aantal tenen: tien
Intelligentie:doorsnee
Wat verwachtte u?
Klauwen?
Te grote snijtanden?
Groen speeksel?
Krankzinnigheid?
Leonard Cohen
2.2.3. Het derde paradigma
Het nazisme bracht niet louter kommer en kwel. Het slaagde er in een militair en economisch gebroken land recht te helpen. Het verhielp de armoede (zie bijvoorbeeld de winterhulp). Het “nazi-bouwpakket” bevatte heel wat waarden (de familie, de natie, de natuur) met de deugden erbij geleverd om ze te realiseren (moed, kracht, eerbied, gehoorzaamheid, doorzettingsvermogen …)
3. Verwerkingsmateriaal bij het theoretisch gedeelte
3.1. Inoefening van de drie paradigma's door middel van een focus op Adolf Eichmann (1906-1962)
3.1.2. Verwerkingsopdracht
Hier volgt de weerslag van enkele getuigenissen en redevoeringen die gebracht werden tijdens het Eichmann-proces. Sorteer het tekstfragment onder het passende paradigma of het alternatief, door de letter in de juiste kolom te plaatsen.
-
Eichmann: (...) “En ik was er me van bewust dat sommige van deze mensen in de kampen werden vermoord. Dat moet ik naar waarheid toegeven”. (men vraagt of hij zich in dit verband schuldig voelde?) “Wat eens juist was, was dat nu niet meer”, antwoordde hij.
- In de openingstoespraak van het proces beweerde de openbare aanklager Gideon Hausner te spreken “namens zes miljoen aanklagers aan het adres van één dader.”
- Hausner vroeg Eichmann of hij dacht dat Göring en andere leiders die door het Neurenbergproces tot de strop veroordeeld waren, dit lot verdienden. Eichmann antwoordde: “Ja, maar zij waren mensen die werkelijk de bevelen gaven. De mensen die de bevelen gaven waren verantwoordelijk, niet zij die ze ontvingen.”
- “Eichmann heeft zich door de gruwelijkheid van zijn daden buiten de gemeenschap gesteld. Hij was geen mens meer en een vijand van de menselijke soort geworden. Zonder berouw, nog steeds overtuigd, verdiende hij geen medelijden. Aangezien er geen passende straf voor zijn misdaden bestond, was de doodstraf wel het minste wat kon worden geëist” (Hausner).
- Eichmann: mijn schuld is mijn gehoorzaamheid.
- Eichmann: “Ik moest de eenheid van ethiek inruilen voor verschillende vormen van moraal”.
- Rechter Halevi vraagt Eichmann naar een ‘innerlijk conflict”. Eichmann antwoordde dat “het beter zou zijn van een staat van gespletenheid te spreken, een soort gespletenheid waar men van de ene kant naar de andere vlucht en omgekeerd”.
- Hannah Arendt: “Eichmanns misdaden waren niet het gevolg van ‘een boosaardige inborst’ maar van ‘pure gedachteloosheid’”.
|
Paradigma
|
Alternatief (ondeugden)
|
||
| Diabolisering | Banalisering | Ethisering | |
3.1.1. Eichmanns biografie als achtergrond
De Oostenrijker Adolf Eichmann, Zoon van Adolf Karl en Maria Eichmann, klom op binnen de SD (Sicherheitsdienst, inlichtingendienst). Dit laatste orgaan werd op 27 september 1939 overkoepeld door de RSHA (Reichssicherheitshauptambt). Eichmann werd in december ’39 hoofd van het vierde departement (IVD 4), dat vanaf maart 1940 de titel “Evacuatie en emigratie” kreeg. In eerste instantie was hij bevoegd voor het “herhuisvestingsbeleid” (oa Polen; Nisko) en de emigratiepolitiek (Palestina, het Madagascarplan en het plan om de joden te deporteren naar de Russische gebieden). In maart ’41 werd het bureau aangepast tot IVB4, “Joodse Aangelegenheden en Evacuatie”. De toon werd echter grimmiger en de gedwongen migratie ontpopte zich tot de fysieke vernietigen van de joden. Eichmann werd uitgezonden om de efficiëntie van verschillende methoden vast te stellen. Hij zag hoe in Chelmno mensen zich moesten uitkleden en instappen in een vrachtwagen. Terwijl de vrachtwagen rondreed werden de uitlaatgassen naar het laadruim geleid. Eichmann kon niet tegen het gegil en de aanblik van de lijken. Hij spoedde zich daarna naar Minsk, waar hij een einsatzkommando (een mobiele moordeenheid) in actie zag. Hij nam waar hoe de joden in een kuil werden doodgeschoten en viel daarna flauw. Er moesten meer humane vernietigingsmethodes ontwikkeld worden, waarbij het humane vooral de bevordering van de gemoedstoestand en werkomstandigheden van de nazi’s besloeg. Na de Wannseekonferenz van 20 januari 1942, waarbij een vijftiental hooggeplaatsten in een Berlijnse, riante villa aan een meer, bij een knetterend haardvuur uitkijkend op een besneeuwd landschap, nippend van een glaasje cognac de krijtlijnen uittekenden voor “die Endlösung der Judenfrage”, (The Final Solution, de definiteve oplossing voor het joodse vraagstuk). Datgene wat fragmentair en ongeordend aan joodse uitroeiing verricht was, zou vanaf dan systematisch en op Europese schaal georganiseerd worden. Men opteerde voor Zyklone B, een gifgas dat initieel gebruikt werd om ongedierte uit een woning te krijgen. Eichmann organiseerde de transporten, maakte afspraken op hoog niveau met verantwoordelijken van de overwonnen gebieden, controleerde of de quota (= aantal joden dat opgepakt en gedeporteerd moest worden) bereikt waren. Hij deed dit alles met de vurigste ijver, en de grootste zin voor organisatie. Zo kon hij furieus tekeer gaan wanneer onvoorziene omstandigheden een transport verhinderden of wanneer de vooropgestelde planning niet behaald werd.
Aan het eind van de oorlog (mei ’45) werd Eichmann in de Oostenrijkse bergen gevangen genomen. Hij liet zich registreren als een SS-officier onder een andere naam. Uit vrees ontdekt te worden bij de startende Neurenbergprocessen, ontsnapte hij uit het krijgsgevangenkamp. Hij verbleef een poosje werken als een houthakker en kippenfokker, om dan voorgoed te vluchten via de zogehete “rattenroute” over Italië naar Argentinië, een gekende thuishaven voor hooggeplaatste, gevluchte nazi’s. Hij leidde er met zijn gezin een teruggetrokken leven als Ricardo Klement. Op woensdag 11 mei 1960 werd Eichmann door een gewaagde, doch vaak klungelachtige opgezette actie van de Israëlische Geheime Dienst (Mossad) ontvoerd, naar een schuilhuis gebracht, om vervolgens overgevlogen te worden naar Israël. Hij werd er berecht d.m.v. een proces dat nog steeds ter discussie staat. Hij werd ondermeer veroordeeld voor misdaden tegen het Joodse volk, misdaden tegen de mensheid. Hij werd op 1 juni opgehangen en zijn assen werden uitgestrooid in de Middellandse Zee.
Artikel over de film 'Un spécialiste', de film van het proces Eichmann
3.2. Herkenning van de drie paradigma's in de film
3.2.1. Der Untergang
Achtergrond
Regisseur: Oliver Hirschbiegel
Producer: Bernd Eichinger
Hoofdrollen: Bruno Ganz en Alexandra Maria Lara
Jaar release: 2005
Deze film belicht de laatste dagen van het nazistisch bewind. Er wordt getracht de illusie van de onoverwinnelijkheid, de belofte van de eindzege met gehoorzaamheid en trouw gaaf te houden en de barsten in deze illusie te maskeren met drinkgelagen en feesten. De feiten kunnen echter niet ontkend worden: de val van Berlijn is nakend. Buiten woedt de strijd onverminderd voort, maar in de führersbunker laait het conflict tussen de militaire ondergang en de ideologie van de superioriteit op tot ongeziene hoogte. Het doek valt als in een Shakespeare-toneelstuk, als alle protagonisten van het Dritte Reich het leven laten.
- Welke paradigma’s zie je aan het werk in “Der Untergang” als “verklaringsmechanisme” voor het nazistische kwaad.? Beschrijf uitvoerig.
- De film lijkt het eerste paradigma te nuanceren, maar valt uiteindelijk toch in een paradigmatische valkuil. Leg uit.
- Houdt de film de kijker een spiegel voor? Motiveer je antwoord.
3.2.2. Dead man walking
Achtergrond
Regisseur: Tim Robbins
Producer: Tim Robbins
Hoofdrollen: Sean Penn en Susan Sarandon
Jaar release: 1996
De film verhaalt het levenseinde van Mathew Poncelet, een man die ter dood veroordeeld wordt voor twee gruwelijke moorden en een verkrachting. Hij vraagt geestelijke bijstand aan Helen Prejean, een zuster uit de katholieke congregatie Sisters of St-Joseph of Medaille. De evangelische nabijheid van Helen verandert zowel dader als slachtoffer (Lloyd LeBlanc)ten diepste.
- Opdracht
- Toon aan welke paradigma’s actief zijn en verklaar waarom ze vergeving, genezing in de weg staan.
- Je bent adviseur van de minister van justitie. Formuleer enkele aanzetten voor een rechtssysteem dat zijn doel niet voorbijschiet, dat niet “getackeld” wordt door de paradigma’s.
- Lees het interview van Lucette Verboven met Helen Prejean en ontdek de visie van Helen op de doodstraf, geschraagd door haar christelijke inspiratie. Hoe staat deze inspiratie ten opzichte van jouw positie? Wat zou je haar vragen?
- Ter informatie: bekijk de website rond het schooltoneel rond “Dead Man walking”, opgezet door Tim Robbins (regisseur) en Helen Prejean: http://dmwplay.org/home.html
4. Auschwitz in de klas?
4.1. Auschwitz: Hoe krijg ik het gezegd? Reflectie rond beeldvorming en benoeming
4.1.1. De pedagogische waarde van het holocaustonderricht
Les geven rond de Holocaust is geen gemakkelijke opdracht. Het is dus niet ongewoon dat de leerkracht enige drempelvrees vertoont. Men begeeft zich als leerkracht immers op een “geladen” terrein, wat ten minste dwingt tot behoedzaamheid, bezonnenheid. Samen met de leerlingen op weg gaan naar Auschwitz is een ontwijken van valkuilen, niet blijven haperen aan de overblijvende prikkeldraad. Toch mag deze bewustwording de leerkracht niet tegenhouden om die weg te gaan. Een goed uitgewerkte lessenreeks rond de Holocaust, liefst vakoverschrijdend aangepakt, lijkt ons een onontbeerlijk onderdeel van het curriculum. Enkele argumenten om deze stelling te staven:
- Er blijft een grote onwetendheid of weinig genuanceerde kennis aanwezig bij de leerling met betrekking tot het thema Holocaust, ondanks het feit dat het aanbod op de markt qua films, literatuur en musea nog nooit zo groot was.
- Auschwitz installeert een breuk in onze Westerse geschiedenis: nog nooit werd zo dichtbij, zo systematisch, op zo’n dergelijke schaal een gehele bevolking geviseerd en geëlimineerd. Het gaat niet om een ver-van-mijn-bed-show, maar om pure realiteit uit onze eigen achtertuin.
- Elk geweten in opbouw dient zich ten minste te confronteren met de feitelijkheid van deze genocide.
- Het kracht van de erfenis van Auschwitz schuilt ondermeer in zijn hermeneutisch potentieel: het herbergt een knooppunt aan interpretatiemodellen die op hun beurt gevolgen hebben voor de visie op mens en wereld.
- Het viseren van de joden in Wereld Oorlog II treedt vaak op de voorgrond in de actualiteit, in een positieve zin gerealiseerd door musea (Joods Museum voor Deportatie en Verzet), literatuur en film, in een negatieve zin bewerkstelligd door het neonazisme dat ook in West-Europa weid verspreid is.
- Auschwitz kan de toetsteen worden voor onze visie op schuld, misdadiger, vergeving.
- Auschwitz kan ons appelleren, kan ons een spiegel voorhouden m.b.t. het ontwikkelen en uitoefenen van onze dagelijkse deugden en ondeugden.
- De “existentiële worsteling” van de student/leerling met Auschwitz is een voorbereiding op het omgaan met het eigen pijn en leed.
- De studie en het onderwijs rond Auschwitz biedt vele mogelijkheden voor projectwerk, vakoverschrijdend werk, vrije ruimte, excursies ... .
4.1.2. Hoe begin ik met “Die Endlösung”?
We kunnen wel verklaringsmodellen aanbrengen rond het “waarom” van Auschwitz, toch worden deze modellen steeds voorafgegaan door het “wat” van Auschwitz gruwel. De grote vraag die hierbij reist is hoe we adequaat en respectvol deze feitelijkheid kunnen brengen. Volgens ons is niemand gebaat bij een verbloeming van de gruwel, in het minst de jongeren, die recht hebben op de waarheid. Dit stelling is totaal verschillend van een zogezegde “honger naar de ultieme grens” of een soort “pornografie van het geweld”, waarbij leerlingen vragen naar foto’s van lijken. Naast het belang van de leerling is het respect voor de slachtoffers en de nabestaanden de belangrijkste scheidrechter in het aanschouwelijk maken van de Holocaust.
Verder willen we enkele valkuilen aanstippen in het presenteren van Auschwitz, om vervolgens in groep te oordelen over de toelaatbaar-, wenselijk- of haalbaarheid van bepaalde approaches. Wij willen hierbij echter vermelden dat dé correcte aanpak niet bestaat. De leerkracht mag niet pretenderen “de totale waarheid” over de Holocaust meegedeeld te hebben. De Holocaust heeft altijd iets onbepaalds en elke informatie over Auschwitz heeft altijd iets tekort. Daardoor kunnen we dit verleden nooit afsluiten of opbergen. Het is een pijnlijke plaats die we als leerkracht, als student en als leerling zullen blijven meedragen. Leerlingen in aanraking brengen met Auschwitz, is leerlingen niet confronteren met een verleden, maar met een actualiteit. Een godsdienstdidactiek van de holocaust biedt geen “cleane” analyse om van buiten te leren maar een worsteling die van binnen begint te leven.
Wat is te vermijden bij een voorstelling van Auschwitz:
- Een aanpak die te sterk historiserend werkt. Auschwitz is meer dan getallen, historische oorzaken en gevolgen.
- Een aanpak die te choquerend of traumatiserend werkt: leerlingen worden geconfronteerd met extreem gruwelijke beelden waardoor het thema eerder afgestoten en afgesloten wordt. Het zou een tweede vernedering van de slachtoffers kunnen betekenen.
- Een te vage, abstracte voorstelling. Auschwitz werd gerealiseerd door concrete mensen van vlees en bloed en het was het graf voor concrete mensen van vlees en bloed.
- Een voorstelling waarbij Auschwitz een afzonderlijke, vreemde wereld in onze wereld wordt. Auschwitz is geen aquarium maar een spiegel (Pollefeyt).
- Een voorstelling die te sterk gekleurd is volgens een bepaald paradigma (diabolisering, banalisering en ethisering).
Wat is aan te bevelen bij een voorstelling van Auschwitz:
- Tracht te werken met concrete mensen, met een concrete naam en gezicht, niet de anonimiteit van massagraven, massa-executies. Het personaliseren van de slachtoffers is een herstel van de waardigheid van de slachtoffers. Het verbindt het slachtoffer met zijn identiteit, zijn afkomst, zijn gemeenschap.
- Geef de nodige context bij een gebracht verhaal. Probeer naast het globale overzicht ook de link te maken met de betrokkenheid van de eigen gemeenschap, het eigen land bij de Holocaust.
- Geef leerlingen toegang tot primaire bronnen.
- Durf een verhaal of een kunstwerk gebruiken. De kracht van de verbeelding is vaak groter dan de naakte realiteit. Aanschouwelijkheid kan het inlevingsvermogen vergroten, maar aanschouwelijkheid beperkt zich niet tot een foto of een video.
- Geef de nodige ruimte voor de emoties van leerlingen of studenten, zonder deze emoties aan te wakkeren. Tracht ze in de mate van het mogelijke te kanaliseren, maar stel paal en perk aan antisemitische of racistische opmerkingen.
- Probeer een correcte terminologie te gebruiken. Niet elk kamp is georganiseerd om mensen te elimineren. Er zijn eveneens werkkampen, doorgangskampen (Dossinkazerne).
- Werk gedifferentieerd en hou maximaal rekening met de beginsituatie, achtergrond van de particuliere klas. Hou er mee rekening dat de familiegeschiedenis van de leerlingen voor onuitgesproken gevoeligheden kan zorgen (een grootvader die gestorven is in de Duitse werkkampen, actief als oorlogsburgemeester, lid van het Vlaams Legioen ... .)
- Durf ook te verwijzen naar de andere slachtoffers van het nazi-regime: zigeuners, homoseksuelen, andersvaliden, geesteszieken, politieke slachtoffers…
- Maak een duidelijke onderscheid tussen het actuele Duitsland en het Duitsland onder het nazi-bewind. Niemand is gebaat met het opwekken van een polarisatie. Duitsland is een land dat net als België in het reine moet komen met zijn oorlogsverleden, net zoals bijvoorbeeld de Kerk zich bezint. Zelfs de joodse zijde dient naast de herdenking van de slachtoffers ook te reflecteren (o.a. omwille van de medewerking van de “Judenräte” aan de deportatie).
- Het bezoeken van een site of het uitnodigen van een getuige, overlevende heeft een beklijvend effect bij de leerlingen. (zie figuur)
4.1.3 Verwerkingsmateriaal
Bekijk aandachtig het materiaal dat achtereenvolgens gepresenteerd wordt. Beoordeel de bruikbaarheid (plaats een kruisje in de kolom ‘ja’ als je dit materiaal zou gebruiken, indien niet, kruis ‘nee’ aan) van het materiaal. Beargumenteer je keuze (specificeer desnoods de doelgroep die je voor ogen hebt). Vul deze lijst aan met voorbeelden die jij ter beschikking hebt (muziekfragmenten, kunstwerken, poëzie ...)
|
Beoordeling |
Argumentatie |
||
| Nr. | Ja | Nee | |
4.1.3.1. Het gebruik van strips:
- Maus:
- Duitsers: katten
- Joden: muizen
- Polen: varkens
- Amerikanen: honden
- Fransen: kikkers
- Croci
4.1.3.2. Het gebruik van videobeelden:
De opening van de kampen, video-opname door de Gealieerden (Les camps de concentration nazis-Le cinéma de l'histoire).
Achtergrond Bergen-Belsen
Bergen-Belsen was eerst en vooral een kamp voor krijgsgevangenen (41-45). De eerste krijgsgevangenen waren trouwens Belgen en Fransen. Het functioneren als een concentratiekamp was tussen de periode 43-45. Bergen-Belsen had ongeveer een capaciteit van 10 000 gevangenen, maar op het einde van e oorlog waren er algauw 60 000 en meer ondergebracht. Door het oprukken van de geallieerden werden heel wat andere gevangen van andere kampen overgebracht en dit met verschroeiende “dodenmarsen”. Door de overbezetting woedden er vele epidemieën (ondermeer tyfus). Ook Anne Frank en haar zus Margot stierven er aan tyfus.
Propaganda voor de Waffen-SS(Sieg Heil-Viktoria)
Waffen ss march
![]() |
Ade, mein liebes Schätzelein,
Ade, ade, ade, Es muß, es muß geschieden sein Ade, ade, ade, Es geht um Deutschlands Gloria, Gloria, Gloria, Sieg Heil! Sieg Heil! Viktoria! Sieg Heil! Viktoria! Visier und Ziel sind eingestellt Wir ruhen und wir rasten nicht Reich mir die Hand zum Scheidegruß |
| *Klik op de afbeelding om de video af te spelen | |
Disco dancing dictator
![]() |
A. Hitler op het ritme van Gloria Gaynor - I Will Survive |
| *Klik op de afbeelding om de video af te spelen | |
Auschwitz-museum
![]() |
The Auschwitz: Oswiecim, Poland |
| *Klik op de afbeelding om de video af te spelen | |
4.1.3.3. Het gebruik van (levens)verhalen:
a. Pat O' Leary: “Een kerstverhaal”
(Krijgsgevangene Pat O’Leary vertelde over Mathausen aan de historicus Vincent Brome. O’Leary was in Mathausen verantwoordelijk voor het onderhoud van barak 5, waar nog zeven joden ondergebracht waren)
“De Kapo (de barakopzichter) had tegen de zeven mannen gezegd dat ze allen moesten sterven vòòr Kerstmis. De skeletachtige mannen werden elke ochtend uit de barak gejaagd om te gaan werken in een steengroeve. Zwijgend, de blik naar de grond gericht, vertrokken ze, sommigen met tranen in de ogen, anderen zachtjes tegen zichzelf pratend, een paar met de blik van een opgejaagd dier. De Kapo had hen gezegd: ‘jullie moeten allen sterven voor kerstmis. Kies zelf maar wie er het eerst dood moet”. Toen in de loop van de week niemand als eerste wilde sterven, zei hij; ‘als jullie niet kiezen, doe ik het.’
De volgende dag waren de zeven skeletten aan het werk in de groeve, sleurend aan stenen die meer wogen dan zij zelf. Sneeuwvlokken drongen door hun dunne kleren en ze likten de sneeuw op om hun dorst te lessen. Plots stortte de Kapo zich op één man, sleurde hem naar beneden en sloeg zijn schedel in stukken met een houweel, terwijl de kreten van de man echoden in de groeve.
In de tweede week bood zich nog altijd niemand aan om te sterven. Het haveloze rijtje van nauwelijks menselijke wezens, die groot leken omdat ze nog louter skeletten waren, wier ogen diep weggezonken waren in hun doodshoofd, wier stemmen nog slechts een fluistering van zwakte waren, strompelden weer naar buiten in de ijzige ochtendlucht. Maar niemand was bereid om te sterven.
Twee van hen waren vader en zoon. De zoon was een jongen van negentien die dikwijls weende, en de vader een man van vijfenveertig die er zeventig uitzag. Ze bleven zoveel mogelijk samen, ze sliepen samen, en soms hoorde O’ Leary tot laat in de nacht de trage, droefgeestige stem van de vader die probeerde woorden te vinden om de angst van zijn kind te verzachten.
Rond het einde van november sprak de Kapo hen opnieuw aan. Hij zei dat ze niet snel genoeg stierven. ‘Het is nochtans gemakkelijk’, zei hij. ‘Je loopt in de verboden zone en je wordt doodgeschoten. Je loopt op de elektrische afsluiting en je wordt onmiddellijk gebraden. Maar schiet op, jullie hebben niet veel tijd meer.’
De volgende dagen bleven ze allen in leven; maar de avond daarop keerden ze maar met vijf terug uit de groeve en ze vertelden Pat O’ Leary in paniek over de kreten die ze hadden gehoord. Terwijl ze de honderd treden afdaalden die naar de groeve leidden, had de Kapo als een razende een van de uitgemergelde lichamen met zijn houweel aan stukken gehakt.
Drie dagen later waren er nog altijd vijf joden in leven. Elk van hen scheen nog alleen aan zichzelf te denken, vechtend om in leven te blijven met een wanhopige sluwheid. In het begin van december was de sneeuw diep geworden, de wind ijzig en de koude belette de joden om nog veel te slapen. Op een dag in de tweede week van december keerden er maar vier joden terug uit de groeve. Die avond hoorde O’Leary de oude jood tegen zijn zoon zeggen: ‘Er is geen hoop. We kunnen maar beter sterven. We zullen in de draad lopen’. De zoon begon te wenen, maar ze deden niets… .
“In de vroege ochtend van 23 december was O’Leary bezig de slaapbanken van barak 5 te kuisen toen hij zag hoe de oude jood de zoon zachtjes naar de deur geleidde. De jongen huilde en er stonden tranen in de ogen van de vader. De oude man begon te lopen, met strompelende passen, zijn arm rond de schouders van zijn kind geklemd. Ze hadden de kracht niet meer om echt te rennen. Ze struikelden in de elektrische draden… de twee lichamen lagen dooreengestrengeld en snokkend op de grond tot ze verstijfden.
Die avond was het buitengewoon stil in de barak. De twee overgebleven joden waren als in elkaar gedoken dieren. Eén van hen beefde oncontroleerbaar. De volgende dag was het de 24e december en één van hen moest sterven. Ze spraken geen woord…. .
De volgende ochtend was koud, grijs en mistig. Ze konden zich nog maar nauwelijks overeind houden toen ze naar de steengroeve vertrokken, maar niets telde dan nog één dag langer te leven. De man die alleen terugkwam, was als een spook, met starende ogen en bevende lippen. Hij trachtte iets te zeggen tegen O’Leary, maar bracht alleen onverstaanbare geluiden voort. Elk spoor van menselijkheid was verdwenen. Een dier staarde uit de gevangenis van verschrompeld vlees –een dier dat zinloos jankte.
Op kerstavond moest de Kapo hem bijna wegdragen uit zijn barak. Die nacht, terwijl het ‘Heilige Nacht’ uit één van de andere barakken klonk, stond barak 5 leeg.”
4.1.3.4. Het gebruik van poëzie: Todesfuge van Paul Celan
Schwarze Milch der Frühe wir trinken sie abends
wir trinken sie mittags und morgens wir trinken sie nachts
wir trinken und trinken
wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng
Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt
der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland
dein goldenes Haar Margarete
er schreibt es und tritt vor das Haus und es blitzen die Sterne
er pfeift seine Rüden herbei
er pfeift seine Juden hervor läßt schaufeln ein Grab in der Erde
er befiehlt uns spielt auf nun zum Tanz
Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts
wir trinken dich morgens und mittags wir trinken dich abends
wir trinken und trinken
Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt
der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland
dein goldenes Haar Margarete
Dein aschenes Haar Sulamith
wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng
Er ruft stecht tiefer ins Erdreich ihr einen ihr andern singet und spielt
er greift nach dem Eisen im Gurt er schwingts seine Augen sind blau
stecht tiefer die Spaten ihr einen ihr anderen spielt weiter zum Tanz auf
Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts
wir trinken dich mittags und morgens wir trinken dich abends
wir trinken und trinken
ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete
dein aschenes Haar Sulamith er spielt mit den Schlangen
Er ruft spielt süßer den Tod der Tod ist ein Meister aus Deutschland
er ruft streicht dunkler die Geigen dann steigt ihr als Rauch in die Luft
dann habt ihr ein Grab in den Wolken da liegt man nicht eng
Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts
wir trinken dich mittags der Tod ist ein Meister aus Deutschland
wir trinken dich abends und morgens wir trinken und trinken
der Tod ist ein Meister aus Deutschland sein Auge ist blau
er trifft dich mit bleierner Kugel er trifft dich genau
ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete
er hetzt seine Rüden auf uns er schenkt uns ein Grab in der Luft
er spielt mit den Schlangen und träumet der Tod ist ein Meister aus
Deutschland
dein goldenes Haar Margarete
dein aschenes Haar Sulamith
4.2. Wat Auschwitz mij zegt Reflectie rond het profiel van een leerkracht en een school na Auschwitz
In de volgende paragrafen gaan we na welke verrijking de reflectie rond Auschwitz kan bieden voor het concrete schoolleven.
Auschwitz geeft ons als leerkracht en als mens te denken over gehoorzaamheid:
Auschwitz leerde ons dat absolute gehoorzaamheid gevaarlijk kan zijn
We dienen ons niet te verstoppen achter de hiërarchie van een school. We dienen onszelf als leerkracht niet te zien als uitvoerders van wensen (of bevelen) van hogerhand (directie, inspectie). We roepen zeker niet op tot ongehoorzaamheid, enkel tot een “nadenkende loyaliteit”. Dit houdt in dat we ons trachten te verbinden met een beleid dat gevoerd wordt, zonder dat we een blinde uitvoerder worden. We trachten het opvoedingsproject, de visie van een school persoonlijk te ondersteunen met onze eigen (christelijke) waarden, onze ethische principes. Bij conflictsituaties trachten we beredeneerd ons standpunt te vertolken, altijd met respect voor het ambt en de persoonlijkheid van de ander die we in de dialoog ontmoeten. Toch kan een (godsdienst)leerkracht een zeker profetisch gehalte hebben en bepaalde zaken aanklagen, niet in eigen naam, maar in naam van een pastorale bewogenheid. Het is een pendelen tussen verzet en overgave.
Auschwitz geeft ons te denken over de uniciteit (het uniek zijn) van elke mens, elke leerling.
Auschwitz leerde ons dat mensen niet langer nummers mogen zijn
We zouden eveneens kunnen pleiten voor de bescherming van de individuele leerling. Elke leerling is in een zekere zin uniek en bijgevolg onvervangbaar. Dit kan pedagogisch-didactisch vertaald worden in een gedifferentieerde benadering van de leerling, het zogehete leerling-gericht werken. We gaan rekening houden met zijn talenten, rijkdommen alsook zijn “aandachtspunten” om een maximale groei te bewerken. Dit houdt eveneens in dat wij de leerling niet behandelen als een nummer, als een “dossier” (in geval van probleemsituaties). Het schoolsysteem dient zoveel mogelijk het respect voor de eigenheid en welzijn van de individuele leerling te behartigen.
Auschwitz geeft ons te denken over onze raakbaarheid
Auschwitz leerde ons dat de mens het kwaad vrij spel geeft als hij zich afsluit van het lijden en de noden van de ander. Auschwitz roept ons op raakbaar te blijven voor de broosheid van de mens. Nooit meer mag er een radicale en absolute scheiding komen tussen de “werkethiek” en de “private ethiek”.
Een goede leerkracht beheerst zijn vak maakt het maatschappelijk relevant . Hij bezit leerkrachtelijke attitudes als flexibiliteit, leergierigheid. Verder weet hij te evalueren, observeren, adviseren, organiseren, communiceren… .Hij staat echter niet alleen als “professional” voor de klas, maar eveneens als mens. Hij laat zich als mens raken, zonder dat hij aan professionaliteit moet inboeten. Hij houdt niet alleen zijn hoofd bij het lesgebeuren, maar ook zijn hart. Dit is geen pleidooi voor storende emotionaliteit of misplaatste “closeness”, wel voor een diepmenselijke aanwezig zijn van de leerkracht in de leef- en leeromgeving die een school vormt.
Auschwitz geeft ons te denken over een opvoeding in vrijheid en een opvoeden tot vrijheid
Auschwitz leerde ons hoe de menselijke geest kan gestuurd en gemanipuleerd worden door sluwe leiders. De jeugd, waar de referentiekaders nog in volle ontwikkeling zijn, werd de Arische idealen met de paplepel ingelepeld (Zie video: In naam van de Führer). Kinderen baden letterlijk: “handen vouwen, hoofdje zwenken en aan Adolf Hitler denken, hij die ons redt uit alle nood”. Willen wij het vrijheidsdenken van de toekomst beschermen, moeten we de jeugd van vandaag opvoeden in vrijheid en opvoeden tot vrijheid. We moeten ze niet onder dwang een bepaalde ideologie, een bepaalde levensbeschouwing opleggen. We moeten de jongeren die werktuigen aanreiken die ze nodig hebben om hun vrijheidsstreven uit te bouwen.
Leerkrachten moeten jongeren opvoeden in vrijheid. Ze moeten niet hun eigen levensbeschouwing programmeren in de geest van de leerling. Men moet leerlingen niet dwingen in een bepaalde denkrichting. Men dient leerlingen ruimte en vrijheid te geven, zodat ze zonder dwang hun eigen identiteit kunnen ontdekken. Een leerkracht moet leerlingen echter ook opvoeden tot vrijheid, opvoeden tot burgers die de vrijheids hoog in het vaandel voeren. Hij dient zijn leerlingen te leren omgaan met het verschil: datgene wat anders is, hoeft niet bedreigend te zijn. Het anders-zijn van de andere is een mogelijkheid tot dialoog, is een bron van verrijking. Het respect voor de eigen identiteit sluit het respect voor de vreemde identiteit niet uit, integendeel, door het durven ‘in den vreemde’ te gaan, komen we vaak thuis in onszelf. Door de respectvolle confrontatie met datgene wat anders is, komen we misschien duidelijker de eigen contouren, de eigen identiteit tegen.
Auschwitz geeft ons te denken over het kleine én het grote kwaad
Auschwitz was slechts mogelijk door het kleine kwaad op grote schaal te systematiseren. Auschwitz wordt onmogelijk door de kleine ondeugden in ons eigen leven te bestrijden en de kleine deugden te cultiveren.
Een ‘schoolcultuur na Auschwitz’ is er één van waakzaamheid. Deze cultuur (h)erkent het kwaadaardig potentieel van zogehete onschuldige, vrijblijvende stereotiepen. Het hanteren van stereotiepen deelt mensen echter op in categorieën van slimmer of dommer, beter of slechter, net zoals mensen onder Hitler gerangschikt waren in sociale categorieën.
Het viseren en afbeelden van uiterlijke kenmerken door pestkoppen doet ons denken aan de stereotiepe afbeelding van de jood in de Duitse propaganda.
Illustratie: Freedom Writers
Regisseur: Richard LaGravenese
Producent: Danny DeVito, Michael Shamberg en Stacey Sher
Hoofdrolspeler: Hilary Swank
Jaar release: 2007
Verwerkingsmateriaal:
5. Van het verstaan van de wereld van Auschwitz naar het verstaan van de wereld vanuit Auschwitz
We hebben ondermeer gekozen voor dit thema omwille van zijn hoge actualiteitswaarde. De Shoah blijft mensen bezighouden, jammer genoeg zijn de verschijningsvormen van deze interesse niet altijd even lovenswaardig (Cf. infra).
We kunnen ten eerste vaststellen dat in de academische wereld een grote belangstelling is voor de Holocaust-studies. Er zijn ontzaglijk veel publicaties op de markt, doch weerom dient gesteld te worden dat er een groot verschil is tussen de kwaliteit van de verschillende onderzoeken. Auteurs als Cornwell (Hitlers Pope) en Goldhagen (Hitlers Willing Executioners) vormen illustraties van bedenkelijk, wetenschappelijk onderzoek. Ten tweede is ook het grote publiek geïnteresseerd in deze duistere pagina’s van de mensheid. Steeds meer herdenkingscentra worden opgericht. Ook België is onderhevig aan deze trend. Zo is er ook de komst van een holocaustmeuseum in de Dossinkazerne in Antwerpen. Sommige auteurs vinden herdenking zo fanatiek en alomtegenwoordig, dat ze zelfs van de komst van een “religie rond Auschwitz” spreken. Ten derde blijft de Shoah actueel door de hardnekkige aanwezigheid van antisemitisme, ondermeer geleverd door neonazistische groeperingen.
We willen echter in dit tweede punt niet zozeer ingaan op de wijze waarop Auschwitz herdacht wordt in het heden, maar wel nagaan of we naar het heden kunnen kijken op basis van de lessen die we uit Auschwitz getrokken hebben. Anders gesteld gaat het niet om een hedendaagse sleutel om de deur naar de realiteit van Auschwitz te openen, maar om met de sleutel van Auschwitz de deur van de hedendaagse realiteit te openen. Kan ik op basis van de geziene paradigma’s zicht krijgen op datgene wat zich in het heden afspeelt?
Zo willen we nagaan of de diabolisering ons inzicht kan verschaffen in het militair conflict in Irak. We kunnen op basis van primaire bronnen (toespraken van President Bush en zijn naaste medewerkers) en secundaire bronnen vaststellen dat er in de aanloop naar de oorlog in Irak duidelijke zwart-wit-beelden in gebruik waren. Er was ofwel het goede ofwel het kwade. Ofwel werk je mee tegen het terrorisme ofwel ben je zelf een terrorist. Amerika aarzelde niet om de scheiding tussen goed en kwaad zelf te trekken. (an axis of evil, een as van het kwaad). Saddam was het aartsmonster, een duivel die in zijn ééntje 12 jaar lang de wereld wist te bedriegen.” Het ‘diaboliseren’ werd ook tijdens de oorlog in Irak aangehouden: “Saddam’s thugs” gebruikten kinderen en vrouwen als menselijk schild, vermoordden de Irakezen die de coalitietroepen verwelkomden, vochten onder een witte vlag en gebruikten bevolkte, openbare gebouwen zoals hospitalen en scholen als een uitvalsbasis voor hun gewapend verzet. “In sterk contrast, komen de burgers van Irak te weten welke soort mensen we gezonden hebben om hen te bevrijden”. Moed, eerbaarheid, respect, achtenswaardigheid kwalificeren de Amerikaanse strijdkrachten. Ze brengen niet alleen hulp, ze brengen hoop. Het gaat duidelijk om een scheiding tussen wit en zwart, tussen belle en het beest, the bold en the beautiful. Er was helemaal geen ruimte meer voor grijstinten, voor nuanceren. Bush zegt het zelf: “in Texas, we don’t do nuance” en “Mixed signals are the wrong signals”. Enkel op basis van een dergelijke propaganda kun een staat ten strijde trekken, tegen de wereldopinie in. Is het dan nog verwonderlijk dat men met het cultiveren van de diabolisering misdaden krijgen in de gevangenissen van Abu Graib en Guantanamo Bay, waar vermeende terroristen worden gefolterd en gekweld, zonder maar een greintje respect voor de menselijke waardigheid?
De diabolisering is eveneens van toepassing voor die staten waar de doodstraf toegepast wordt. Men tracht de dader als het ware voor eeuwig vast te kleven aan zijn daad. Niet alleen de daad wordt verworpen, ook de mens die de verwerpelijke daad voortbracht. Voor vergeving is sowieso weinig plaats binnen juridische middens, maar bij het toepassen van de doodstraf sluit men ook elke kans tot herstelbemiddeling toe. Wordt het geleden kwaad werkelijk gelenigd door de dood van de dader? Voelen we ons werkelijk “hersteld” door het leven van de ander te nemen? Wordt het slachtoffer niet voor eeuwig opgesloten in een gevangenis van scherven?
6. Christelijk liturgisch materiaal
Achtergrond: Dachau
Dachau was een concentratiekamp in de nabijheid van München. Het was één van de eerste kampen. Het kamp was ook gekend omwille van de experimenten die uitgevoerd werden op de gevangenen (hoe reageren mensen op lage temperaturen, op hoge druk, op extreem lage temperaturen…). De discussie is nog vandaag de dag bezig of men deze resultaten al dan niet mag gebruiken. Dachau was vooral een kamp voor politieke dwarsliggers, andersdenkenden, “criminelen” (zij die zich niet hielden aan de wet van het Dritte Reich), religieuzen. Zo hebben ondermeer Dietrich Bonhoeffer en Martin Niemöller in Dachau verbleven, in het zogehete Pfarrerblock. Zo is er ook het opmerkelijke verhaal van Karl Leisner, een seminarist uit Münster, die eens losweg had gezegd bij het vernemen van de mislukte aanslag op Hilter: “Jammer”. Hij werd daarvoor gearresteerd en naar Dachau gedeporteerd. Leisner kreeg zijn priesterwijding in het kamp van Dachau door de handoplegging van een gearresteerde, Franse bisschop. Leisner was zo uitgeput door de geleden ontberingen, dat hij kort na de bevrijding overleed. Hij werd in 1996 door Paus Johannes Paulus heilig verklaard.
Deel 2
1. Duitse economie in het dritte Reich: surfen op een golf van dood en vernieling
Duitsland als rijzende economische ster
Men spreekt soms van het eerste Duitse Wirtschaftswunder, omdat na de machtsovername in 1933 de nazi’s de economie uit een zware crisis kregen: in minder dan vier jaar werd het werklozenaantal van 6 miljoen omgebogen tot een volledige werkgelegenheid. Een natie, gevloerd door de Eerste Wereldoorlog en het Verdrag van Versailles, maakte een ongelofelijke economische opgang. Na de zwarte jaren van de crisis (inflatie), de hongersnood kwamen de vette jaren: nieuwe overheidsgebouwen, honderden “eerste steenleggingen”, opbloei van de cultuur, de industrie herleefde... . De vraag die rijst: wie heeft de brandstof gegeven voor die opwaartse beweging?
Het leegzuigen van de veroverde gebieden
Het derde rijk werd pas echt rijk op de rug van een ander. In het totaal werd onder het nazi-regime tussen de 230 en 320 biljoen dollar gestolen aan vermogen. Verder werden de overwonnen landen beroofd van hun grondstoffen. Duitsland haalde de korenschuren van Oekraïne binnen, evenals de kolen, het staal en het nikkel dat het land voortbracht. Polen injecteerde de oorlogsindustrie met kolen, ijzererts, koper, zinkertsen. Hongarije leverde het bauxiet voor de aluminiumproductie aan, terwijl Roemenië tot aardolieleverancier werd gepromoveerd. België, Frankrijk en Nederland zagen zestig procent van hun totale industriële productie aangeslagen worden door het nazi-Duitsland… . Het nalatenschap van twaalf jaar oude “duizendjarige rijk” was een ontredderd Europa dat door de “jarenlange brutale roof, plundering en uitbuiting”, door een immer voortschrijdend slagveld, herleid was tot puinhopen en verdriet.
Een onbetaalbaar en kosteloos menselijk kapitaal
Het aantal buitenlandse arbeidskrachten, bestaande uit burgers, krijgsgevangen en gedeporteerden uit de concentratiekampen, varieert tussen de 10 en 15 miljoen, afhankelijk van de gemaakte studie. Of men van dwangarbeid, slavenarbeid of erger moest spreken, hangt af van de achtergrond van de arbeider: Oost-Europese en Italiaanse krachten werden extreem uitgebuit, maar de economische rationaliteit gaf hun lichaam nog een waarde, wat niet kan gezegd worden van vele Russische en joodse arbeiders, waar men zich kan afvragen of “werk de doelstelling en vernietiging het gevolg was of vernietiging de doelstelling en werk het middel daartoe”. De vergoedingen aan de arbeiders kwam maar vele jaren later, na veel juridisch getouwtrek. Zo kreeg bijvoorbeeld Anna Snopzcyk, een oorspronkelijk Poolse dame die 4 jaar gedwongen arbeid had verricht in VW Duitsland, een som van 400 dollar uitbetaald als vergoeding voor de geleverde arbeid en de geleden ontberingen.
De dodelijke samenwerking
Wanneer de legerleiding, de partijtop en de industriële leiding samenwerkingsverbanden maakten, onstond letterlijk en figuurlijk dodelijkste cocktail ooit. Dit was zeker het geval van IG Farben en Degesch. IG Farben stelde het dodelijke Zyklone B samen in een afdeling in Leverkusen, maar het was het bedrijf Degesch (Deutsche Gesellschaft für Schaedlingbekampfund) dat reeds in 1920 het cyanidederivaat Zyklone A (vloeibaar HCN) en dan later in 1924 de verbeterde versie Zyklone B (vast HCN) ontwikkelde. Het gifgas werd op grote schaal geproduceerd door Degesch, waar IG Farben 42,5% van de aandelen van bezat. Degesch leverde Auschwitz genoeg gifgas om miljoenen mensen (5,6 miljoen) uit te moorden. Het uitroeien van mensen verdubbelde in elk geval de uitgekeerde winst aan de aandeelhouders. IG Farben gebruikte de gedeporteerde joden ook in hun testprogramma’s, nadat ratten en apen inadequate proefdieren bleken te zijn.
2. Naar een houdbaar en vruchtbaar verklaringsmodel
Wanneer de feitelijke dimensie van de holocaust tot ons doordringt, volgt onlosmakelijk de vraag naar het waarom. Hoe kon de Duitse economie zich laten spannen voor een karos vol dood en vernieling? Hoe kan een bedrijf, dat we zien als een collectief van gewetensvolle mensen, een aanbod aanleveren op de vraag naar de dood van miljoenen joden, net zoals er een grote vraag was naar oorlogsmaterieel. Vroeger (en nog steeds) kon een economie over lijken gaan om winst te maken, als een ongewenst neveneffect. Toen, in het Dritte Reich, waren die lijken geen neveneffect, maar een doel op zich. Deze vragen kondigen de noodzaak aan van een houdbaar en vruchtbaar verklaringsmodel. Het moet ten eerste houdbaar zijn: het mag de feitelijke (historisch-economische) dimensie niet ontkennen. Het verklaringsmodel moet ten tweede vruchtbaar zijn. Auschwitz is geen afgesloten hoofdstuk van een boek dat door de jaren heen steeds meer bedekt wordt met lagen stof. Auschwitz is geen privaat domein van academici, zelf niet van de slachtoffers en hun nabestaande. De wereld van Auschwitz is onze wereld, waar we elke dag in opstaan, werken, leven, gaan slapen. De wereld na Auschwitz is een wereld waar we anders opstaan, anders werken, anders leven en anders gaan slapen. Dit kan alleen als Auschwitz een persoonlijk appèl in zich draagt, als Auschwitz ons een spiegel voorhoudt. Dit is enkel mogelijk als het verklaringsmodel niet vastloopt in 3 paradigmatische valkuilen: het paradigma van de diabolisering, de banalisering en de ethisering. We steunen, net zoals in het deel voor opleidingen tot bachelors in het secundair onderwijs, op het model van Pollefeyt, enkel wordt hier het bedrijfsperspectief centraal gesteld. Het model van Pollefeyt verklaart de weg naar Auschwitz als een spoor van “dagelijkse ondeugden”, zij het op grote schaal, op lange termijn en op systematische wijze georganiseerd. Het nettoresultaat blijft hier behouden: het is een theorie die zich laat vertalen naar ons leven van elke dag. Het is een theorie die houdbaar en vruchtbaar is, vermits ze de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek niet ontkent, maar in tegendeel opneemt en honoreert. Het is ten tweede vruchtbaar omdat ze het zaad van het verleden laat wortelen in de aarde van het heden, met het oog op de vruchten van de toekomst: de feitelijke dimensie van gisteren ontkiemt in onze achtertuin tot een groeiende herinnering, waar men de vruchten van zelfkritiek, weerbaarheid en waakzaamheid mee kan oogsten. Elk paradigma stemt ook overeen met een specifieke visie op het bedrijf als instelling en ondernemen als dynamiek. Elke visie gekoppeld aan het paradigma, heeft een zekere tekortkoming. Bij elk onderdeel zal aangetoond worden waar de visie tekort schiet.
2.1. Enkele gebrekkige verklaringsmodellen
De diabolisering
Binnen dit perspectief worden de bedrijven die een aandeel hadden in de realisatie van de Holocaust gezien als geperverteerde organisaties, als verzamelingen van immorele personeelsleden. Zo omschrijft Josiah Dubois, hoofd van de Raad voor Oorlogsmisdaden in de zaak tegen IG Farben in ’47-48, de genoemde onderneming als een verzameling van “duivelse chemici”. Binnen dit paradigma zou het “streven naar winst” slechts het laagje verf zijn op de monsterlijke, ware identiteit van het bedrijf. Het is duidelijk dat binnen dit paradigma de immoraliteit van het bedrijfsleven centraal staat. Als we deze visie overzetten naar de context van vandaag, zouden we deze perceptie van de bedrijven kunnen toeschrijven aan de hyper-sceptische consument. Het is een consument die zijn koopgedrag baseert op een fundamenteel wantrouwen. Voor hem is alle productinfo een masker op een gedrochtelijke miskoop, hooggehouden door zeer kleine lettertjes. Het eerste paradigma geeft ons inziens geen juist beeld van wat een onderneming kan zijn. Het ondernemen kan een zinvolle, betekenisvolle uitdrukking zijn van een persoonlijke of collectieve (bedrijfs)identiteit, gedragen door een werkgemeenschap.
De banalisering
Binnen het paradigma van de banalisering gaan de interpretaties de nadruk leggen op het ondergeschikt zijn van de economie aan de politiek. Heel veel auteurs leggen de nadruk op het feit dat de economie dienstmaagd was van het belang van het Duitse volk, wat in concreto de partijbelangen betekenden. Een econoom, van Capelle, verwoordt het als volgt:
“Wat betreft vraag 1, in hoeverre Hitler zich geïnteresseerd heeft voor economische kwesties kunnen wij opmerken, dat hij zich daarvoor slechts interesseerde, voor zover deze hem van dienst konden zijn in zijn niet aflatende strijd om macht. Nadat hij die in 1933 eenmaal had veroverd, zag hij de economie als een van de vele hulpmiddelen, zij het weliswaar een belangrijke, ter verwezenlijking van zijn “lebensraum”-imperialisme en antisemitisme”.
In dit paradigma zal men de minimale autonomie van de bedrijven belichten: afhankelijkheid van de staatscontracten, het vastleggen van de prijzen, het verbieden van samenscholingen van werknemers buiten partijverbonden organen, de ver doorgedreven regelgeving om de bewapeningswedloop te bevorderen... . Als de vrijheid van een bedrijf beperkt is, zo dan ook meteen de ruimte van de ethiek. In het tweede paradigma staat niet de immoraliteit, maar de a-moraliteit centraal. Zo beweert Siemens dat het zich gedwongen voelde om de slavenarbeid toe te staan en dat men slechts uit vrees toestemde voor de inzet van slavenarbeiders.
Als we deze visie overzetten naar een gangbare visie op bedrijfsleven, dan wordt een bedrijf gezien als een grote ladder, waarbij de top-down beweging de enigste dynamiek is. Dit zou het beeld kunnen zijn van een werknemer, die zich gevangen voelt in de ijzeren kooi van het management, op hun beurt opgesloten door de constante eis van de aandeelhouders om op elke kwartaalbalans steeds hogere winsten te boeken. Het positieve van dit paradigma is de waarschuwing van radicale gehoorzaamheid of een gevoeligheid opbrengen voor totalitaire strategieën van een bedrijf (cfr. infra).Net zoals het eerste paradigma, doet deze visie geen recht aan de ethische slagkracht van het individu en het bedrijf als collectief. Een bedrijf kan werken aan de ontwikkeling van wat Michel Falise zou noemen “espace de liberté”.
De ethisering
Buchheim en Scherner gaan niet akkoord met de idee dat de bedrijven in het Dritte Reich marionetten waren van de politiek. Ze tonen aan dat er een zekere vorm van creativiteit mogelijk was, dat er een zekere vorm van “entrepreneurial autonomy” bleef bestaan. Zo waren slechts weinig bedrijven genationaliseerd, in tegenstelling tot het communistische systeem. Mensen die werkten in de metaalindustrie en scheepbouw (Krupp), de vliegtuigbouw (Messerschmidt), de auto- en wapenindustrie (VW) de chemische sector (IG Farben, Degesch), de elektromechanica (Siemens) waren niet allemaal slaafse uitvoerders. Het derde paradigma zal zeggen dat deze ondernemingen het goede voor ogen hielden en zich vol passie en gedrevenheid voor de goede zaak hebben ingezet. De bouwstenen van de Duitse ondernemingen in het Dritte Reich waren de onwrikbare naziwaarden: trouw, kracht, doorzettingsvermogen, standvastigheid, onbarmhartigheid. De bedrijfsleiders (industriëlen en bankiers als Krupp von Bohlen, Friedrich Flick, Georg von Schnitzler, Carl Bosch ...) hielpen Hitler mee aan de macht, de bedrijfsleiders vormden de industriële motor voor de constructie van het Duitse “Lebensraum”. De bedrijven waren dus niet immoreel of a-moreel, zoals respectievelijk gesteld in het eerste en tweede paradigma, maar beschikten over een ander ethiek. Binnen deze ethiek was er geen moreel bezwaar tegen het inzetten van joden en andere gevangenen, en dit in dodelijke, mensonterende omstandigheden. Binnen dit paradigma kan men moeilijk van schuld spreken, omdat men eenvoudigweg een andere ethische taal sprak waar goed en kwaad een andere invulling kregen. Het problematische van dit derde verklaringsmodel is het misbruik van de term ethiek. De zogehete “nazi-ethiek” is geen ethiek, maar wezenlijk een pervertering, een verkrachting van de ethiek.
Wanneer we dit paradigma overzetten naar de bedrijfsrealiteit, zouden we gewag kunnen maken van ethisch micro-klimaat dat heerst binnen een bedrijf. Het is een geheel van waarden, een impliciete of expliciete code die heerst binnen een bedrijf. Zaken die in de buitenwereld of de privé-sfeer “not done” zijn, kunnen binnen de ethische zeepbel plots wel. Meer dan eens laten klokkenluiders deze zeepbel openspatten door de “alternatieve ethische code” van het bedrijf in het openbaar te brengen.
2.2. Voorbij de valkuilen van de paradigma's
Er werd aangetoond hoe de drie uitgewerkte paradigma’s tekortschoten in het aanbrengen van een houdbaar en vruchtbaar verklaringsmodel. Net zoals in het uitgewerkte deel voor de lerarenopleiding, vallen we terug op het alternatieve antwoord van Didier Pollefeyt. Deze laatste stelt dat de treinen naar Auschwitz vertrokken uit de achtertuinen van gewone mensen, zoals u en ik. Auschwitz was echter maar mogelijk door kleine ondeugden, die systematisch, op grote schaal en lange termijn werden gerealiseerd. Het was een voorschrijdend, schrijnend proces dat eindigde in Auschwitz. Iedereen heeft in zijn achtertuin een paar treinbilzen liggen. Het word pas catastrofaal en genocidaal als deze naast elkaar gelegd worden, gebruikt worden.
Eerste ondeugd: depersonalisatie
Binnen een depersonaliserende strategie worden mensen ontdaan van deze kenmerken die hen uniek en onvervangbaar maken. Men doet hierbij onrecht aan iemands verleden, toekomst, achtergrond, identiteit. De mens kan bijvoorbeeld verglijden tot een “human resource of asset”, een menselijk productie onderdeel binnen een radarwerk van doelstellingen, missies... . Het Human Capital Management, als een deeltak van het HRM, beschouwt het vormingsproces van werknemers daadwerkelijk als een evolutie van de mens van grondstof tot kapitaal. De waarde van een personeelslid stijgt door de input van training en opleiding, net zoals levensloze objecten als gebouwen en machines in waarde kunnen toenemen. De waarde van een personeelslid kan ook devalueren. Binnen deze antropologie is de mens een tandwieltje binnen de bedrijfsmachine, zoals Chaplin het weergaloos uitbeeldde in de film ‘Modern Times’. Dat dit geen loze metafoor of beeldspraak is, blijkt uit de geijkte formule “reengeneering the corporate machine”: wanneer de motor (lees de mensen) de permanente eis tot maximale resultaten niet aankan , moet de motor eenvoudig weg afgesteld worden (lees:moeten mensen afvloeien). Bepaalde auteurs als Greenwood, een researcher in management ethics, vragen zich in dit licht af of HRM als methodologie überhaupt wel ethisch kan zijn. Volgens haar definitie beslaat HRM “het effectieve management van mensen met als doel het bereiken van bedrijfsmatige doelstellingen”, waarbij management geïnterpreteerd wordt als een eufemisme voor het gebruiken van mensen. Greenwood stelt dat bij de evaluatie van HRM in het algemeen blijkt dat men niet aan minimale ethische standaarden kan tegemoet komen.
Tweede ondeugd: de machtswellust
Een tweede ondeugd wordt door Pollefeyt omschreven als machtswellust. Machtswellust is iets wat de kop durft op te steken wanneer mensen plots opschuiven binnen de hiërarchie van een bedrijf: de asymmetrie in de relaties wordt plots iets waar men deugd aan heeft, iets dat men zelfs mogelijk kan uitbuiten (ongewenste intimiteiten). Koffie laat men vanaf dan komen, kopieën kan men vanaf dan laten maken, agenda’s worden beheerd voor jou. Het soortelijk gewicht van een mening neemt plots toe, waardoor vergaderingen zich anders afspelen. Delegeren is geen misdaad, het is zelf meestal noodzakelijk, maar de vraag is altijd hoe het gebeurt en wie er centraal staat: het welzijn van het bedrijf of de meerdere glorie van de opdrachtgever.
Derde ondeugd: de fragmentatie
Een derde ondeugd wordt fragmentatie genoemd, waarbij men zich fragmenteert van de ethische impuls die men ontvangt. Men wordt enerzijds geraakt, maar men gaat anderzijds verhinderen dat dit geraakt worden doorbreekt in reflectie en handelen. Het gaat in een zekere zin om een zelfbedrog. Zo kunnen bedrijfsleiders zich fragmenteren van de ethische impulsen die ontstaan wanneer er ontslagen moeten vallen, wanneer hun productie een lokale bevolking in miserabele toestanden brengt (zoals bijvoorbeeld de gigantische kopermijnen in Chili zeer veel water nodig hadden bij hun ontginnings- en verwerkingsproces, waardoor de omringende gebieden met watertekort kampten).
3. Auschwitz als een waarschuwing voor elke vorm van totalitarisme - ook economisch
Als het leed van Auschwitz een grote heilzame kracht in zich draagt, dan is het zijn potentieel om de toekomst te behouden van een dergelijke genocide. Als we daad-werkelijk een “herdenking voor de toekomst” willen realiseren, dan moet Auschwitz zich ontwikkelen als een waarschuwing voor de toekomst. Het betreft een waakzame blik en een adequaat verzet tegen elke vorm van totalitarisme, van welk aard dan ook. In het volgende gedeelte trekken we een parallel tussen de totalitaire strategieën van het nazisme en totalitaire allures van bepaalde bedrijven
Totalitaire bedrijven en totalitaire regimes: een concordans
De marketisation of life, de alleroverheersende economische ideologie vertoont sterke parallellen met de totalitaire, politieke argumentatiestrategieën, waar de opgave van de partij bestaat in het vestigen van het partijgedachtegoed in alle levensgebieden. We zullen verder deze vergelijking uitwerken.
Totalitaire bedrijven en totalitaire regimes hanteren ten eerste beiden een high-commitment-standaard en leven beide van afhankelijkheidsrelaties. De beginselverklaringen van de NSDAP bijvoorbeeld stellen duidelijk dat “het programma (van de partij) je dogma is en dat je complete toewijding aan de beweging vereist wordt”. “Trouw en onbaatzuchtigheid zijn je supreme geboden”. De toewijding van bepaalde CEO’s of andere directieleden in bedrijven neemt evenzeer buitenmenselijke proporties aan. Formuleringen als “trouw, offervaardigheid, zwijgzaamheid zijn de deugden die een groot volk nodig heeft”, laten zich gemakkelijk transcriberen naar een economische setting: trouw, offervaardigheid, zwijgzaamheid zijn deugden die een grote onderneming nodig heeft. Zo dient er volgens Winstanley, Woodall en Heery, die de ethiek van Human Resource Management onderzochten, moreel bezwaar aangetekend te worden bij de managements- en HRM-technieken die tot doel hebben ultra toegewijde werkkrachten te genereren. Er wordt een parallel getrokken met “utopische, religieuze en politieke sekten” die maar al te gretig inspelen op de toewijding van hun leden en eveneens intolerant staan ten aanzien van concurrerende identificatiebronnen. De hoge toewijding die een totalitaire onderneming en een totalitair regime claimen, impliceert niet louter een input van energie, tijd. Het vereist de inzet van de ziel, net zoals in de Faust van Goethe. Een vacature van Euronics Belgium, de holding company van Selexion en Action shop, illustreert deze gedachte. De boodschap die ze hebben voor de vijf toekomstige product managers: “inkopen begint met verkopen. Van uzelf”. In dit licht stellen Verstraeten en Nicole Aubert dat na de instrumentalisering van het lichaam, de instrumentalisering van de ziel zijn opwachting maakt. Het betreft een “captation de l’être” ten dienste van de productieschemata. Zo kan bijvoorbeeld een specifieke en bewuste incentive de ontvanger afhankelijk maken van de zender van de incentive. Zo is in de bedrijfswereld erkenning als een “an intraorganizational reward” voordeliger dan een financiële stimulus, omdat de incentive als beloning voor een gewenst gedrag, binnen de onderneming wordt verzilverd. Deze manipulatie van de ziel doet denken aan de freudo-marxist Herbert Marcuse. Marcuse stelt dat de consumptiemaatschappij gebruikt maakt van ‘Humantechnologie’, een technische kennis die er op gericht is de mens te manipuleren. De mens wordt zo geconditioneerd door de consumptiemaatschappij dat hij het waardepatroon van deze laatste volledig interioriseert. Mensen worden daardoor niet alleen financieel, maar ook relationeel, psychologisch afhankelijk van de onderneming of de partij. Heel het menselijke bestaan en de menselijke zingeving wordt onlosmakelijk verbonden met die particuliere, eendimensionale gemeenschap. Als het individu zijn bestaan en betekenis ontleent aan het collectief, stort ook het individu ineen bij de ondergang van het collectief. Zo nam mevrouw Goebbels haar hele gezin (6 kinderen) mee in de ondergang van het Nazisme. Ze expliceerde in haar afscheidsbrief dat ze haar kinderen niet kon laten opgroeien in een wereld zonder het nationaal-socialisme. Zonder deze prachtige idealen (sic) was het leven niet meer waardig om geleefd te worden. Zo ook de piloot van Sabena die zich van het leven ontnam toen Sabena failliet ging. Dit voert ons naar de vraag naar de verhouding van het deel ten opzichte van het geheel.
Een tweede karakteristiek van totalitaire bedrijven en regimes is de geperverteerde relatie individu-collectief. Het belang van het individu is een ‘quantité négligeable’. Wat de joodse filosofe Hannah Arendt identificeerde als terreur was juist de opoffering van het deel voor het geheel. In de corporate cult zijn de doelstellingen en principes van de werknemer altijd ondergeschikt aan de doelstellingen van de onderneming. Het geheel moet operationeel blijven, zelf al houdt dit een downsizing in. Met een technische nuchterheid kunnen we immers niet anders dan accepteren dat elke (concurrentie)strijd ‘casualties of war’ impliceert. De geperverteerde relatie van het individu met het collectief schuilt niet alleen in de subordinatie, maar ook in de fusie van het individu en het collectief. Net zomin het individu in de politieke sfeer te differentiëren is van de partij, zijn de onderneming en de enkeling niet langer gescheiden entiteiten: “opdat de werknemer niet tegen de onderneming is, is het nodig dat hij ophoudt tegenover haar te zijn; het volstaat niet dat hij met haar is, het is vanaf nu aan nodig dat hij zich versmelt in haar. Het is nodig dat hij onderneming wordt”.. Een derde punt van de geperverteerde relatie tussen het individu en het collectief schuilt in de inconsistente argumentatiestrategie. Er is een ogenschijnlijk primaatschap van het collectief, zowel in het totalitaire regime als in het totalitaire bedrijf. Een bedrijf is een geheel dat als een corpus moet functioneren, wil het zich wapenen tegen de concurrentiestrijd. Niettegenstaande het geheel het welslagen van de onderneming verzekert, ligt de leiding en het bestuur in de handen van het individu of een selecte groep. Zo is het vaak dat binnen de Angelsaksische bedrijfsorganisatorische realiteit er een versmelting is van het management en de raad van bestuur. Hetzelfde management verwerft een grote invloed in de aandeelhoudersvergadering door de aandelenpakketten die het salaris van een manager vergezellen. De werknemer, nochtans de hoeksteen van het goed functionerend collectief, komt binnen deze Angelsaksische organisatie niet voor in de ondernemingsraden of de raad van commissarissen. Een parallelle inconsistentie komt ook aan de oppervlakte in het nazisme waar het (Duitse) volk de bestaansoorzaak is van Das Volk Toch kunnen zij als volk de geest van het Volk enkel cultiveren door de mediatie van de Führer. Het collectief laat zich met andere woorden enkel realiseren door de enkeling. Het gaat hem de facto niet om het primaat van het collectief, maar om de vergoddelijking van de Führer en de reïficatie van de volgelingen, mutatis mutandis de deïficatie van de CEO (PDG) en de depersonnificatie van de werknemer. Er is een onoverbrugbare afstand tussen de supra-humane bedrijfsleider en de infra, zelfs non-humane werkkracht (workforce). Deze laatste wordt gedegradeerd tot resource, een tandwieltje binnen het corporate engineerings-proces. De bedrijfsleider hanteert wel de proximiteit in zijn populistische retoriek (één bedrijf, één missie, één waarderingsschaal) met het oog op de verhoging van de productiviteit, maar in realiteit troont de bedrijfsleider torenhoog uit boven zijn (werk)volk.
Ten derde floreren de totalitaire onderneming en de totalitaire staat bij een opofferingsbereidwilligheid. Deze opofferingsbereidwilligheid wordt –contradictio in terminis- gecultiveerd als plicht. Zo staat te lezen in Mein Kampf:
Een vierde punt binnen onze concordans situeert zich in het verwerpen van de sinistere kant van het collectief. De onderneming kan zichzelf het fantasme aanmeten de perfectie te incarneren. De onderneming wordt “l’idéal de l’organisation” een organisatorische uitvergroting van de Freudiaanse “l’idéal du moi”, een regressie naar de oorspronkelijke fusie met de moeder, de totale symbiose. Het ideaalbeeld wordt gevoed vanuit de angst voor onmacht, beperkingen, eindigheid, eenzaamheid, de imperfectie van de leden van het bedrijf en de dolende consumenten. De leden gaan op in het lichtende, organisatorisch ideaal. Spontaan rijst dan ook de vraag: wat te doen met het gebrokene, imperfecte; duistere, de twijfel en de onzekerheid? Een bedrijf dat markteconomische excellentie als basisassumptie neemt, moet al datgene wat gebrekkig, imperfect is, afstoten, net zoals Hitler stelt in Mein Kampf dat men mag hopen “dat de beweging door alle versplinterende en onzekerheid opwekkende gebeurtenissen op een aftstand te houden, de vereiste kracht voor zijn voorvechten behoudt.Het persoonlijk échec wordt geëxternaliseerd en geprojecteerd in de andere, die onherleidbaar is tot het ideaalbeeld. Het geëxterioriseerde kwaad wordt bestreden als een kruistocht tegen het kwaad. “La dimension sinistre” wordt gelokaliseerd in de diabolische andere. Arnott zal in een parallelle denkstrategie een dergelijk “economisch manicheïsme” toeschrijven aan de corporate cult. Het goede wordt belichaamd door de eigen onderneming, het kwade wordt gelokaliseerd in de concurrentie die ze bestrijden. .Howard Schwartz vergelijkt deze idealisering van de organisatie en de diabolisatie van de andere terecht met het politiek totalitarisme. Ook Hitler bediende zich maar al te vaak van deze gepolariseerde reductie van de werkelijkheid. De verloedering van de kunst, de economische chaos, de opkomst van het communisme, het verliezen van de Eerste Wereldoorlog, het was allemaal te herleiden tot de joden.
In een vijfde punt baseren we ons op Francis Sejersted, professor economie en sociale geschiedenis aan de Universiteit van Oslo. Francis Sejersted gaat expliciet de link leggen tussen totalitaire regimes en het managementsdenken. Hij stelt dat sterk ideologische regimes, zelf het totalitaire communisme, bijzonder geïnteresseerd waren in managementresearch. In bepaalde opvattingen rond management, is er volgens Sejersted net zoals binnen de totalitaire regimes weinig ruimte voor kritiek. De discussie wordt het zwijgen opgelegd door het dictaat van de consensus.
4. Auschwitz als vorm van grensbewaking
Binnenkort zal gevraagd om marktstrategieën te ontwikkelen, boekhouding te verzorgen, risico’s te verzekeren.... . De eerste vraag blijft altijd wat het onderwerp is van de activiteit. De tweede vraag polst altijd naar de graad van toelaatbaarheid.
Wat denk je als je de volgende illustraties bekijkt?
Houseparty
Reclamecampagne pizza:
Bedrijf na Auschwitz
Raadpleeg de mission statements van een aantal grote bedrijven.
Stel nu zelf een mission en een vision op voor een fictief bedrijf. Zorg ervoor deze gestoeld zijn op de kennis die je hebt opgedaan rond Auschwitz onder de vorm van opmerkzaamheid, bedachtzaamheid, anticipatie.
Dit dossier werd inhoudelijk uitgewerkt door Johannes Claeys.
Christelijk liturgisch materiaal voor de herdenking van de holocaust 27 januari 2008


.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)




.jpg)
.jpg)
.jpg)