Als er sprake is van lijden, zijn er steeds mensen slachtoffer. Maar soms zijn mensen ook dader van het lijden. Aan de zijde waar mensen enkel slachtoffer zijn vinden we lijden dat voortkomt uit de eindigheid, de beperktheid van het bestaan.
Cursustekst
A. Lijdende mensen
Doelstellingen van dit onderdeel
- verschillende vormen van lijden kunnen onderscheiden naargelang de menselijke verantwoordelijkheid voor het lijden
- de begrippen fysisch, psychisch, sociaal, ethisch, moreel en spiritueel lijden kunnen toelichten
- verschillende dimensies van lijden kunnen onderscheiden en toelichten
- de verschillend verwerkingsstadia van het stervensgebeuren volgens E. Kübler-Ross kunnen weergeven en kunnen herkennen in situaties van lijden
- een kritisch-bewuste houding aannemen ten opzichte van de specifieke manier waarop vandaag in onze samenleving met lijden en dood wordt omgegaan
I Vele vormen van lijden 2
1.1 De mens, dader en slachtoffer
Overstromingen doden drie kinderen in Bangladesh,
het laatste nieuws 24 augustus 2008
Als er sprake is van lijden, zijn er steeds mensen slachtoffer. Maar soms zijn mensen ook dader van het lijden. Aan de zijde waar mensen enkel slachtoffer zijn vinden we lijden dat voortkomt uit de eindigheid, de beperktheid van het bestaan: ziekte, het feit dat iedere mens moet sterven, hongersnood als gevolg van langdurige droogte, … Het kwaad dat oorzaak is van een dergelijk lijden wordt ‘natuurlijk kwaad’ genoemd. Daarnaast is er heel wat lijden dat het gevolg is van menselijk kwaad, ‘moreel kwaad’. Mensen kunnen elkaar veel leed aandoen, door pesterijen, uitbuiting, diefstal, allerlei vormen van geweld, … Mensen kunnen ook zichzelf leed aandoen, door hun lichamelijke of geestelijke gezondheid te schaden.
Tussen het lijden waar mensen louter slachtoffer zijn, en lijden veroorzaakt door menselijke schuld, vinden we ook gestaltes van het menselijk leed die een soort mengvorm inhouden van menselijke onwil en onmacht, zoals bepaalde vormen van verslaving. Ook is er een heel gamma aan lijdensvormen waar mensen misschien geen dader van zijn, maar wel een zekere verantwoordelijkheid hebben: overstromingen staan niet altijd los van ontbossing of slecht bouwbeleid, het aantal slachtoffers bij een aardbeving houdt ook verband met de kwaliteit van de huizen, er wordt onevenredig geïnvesteerd in het onderzoek naar ‘westerse’ ziekten in vergelijking met ‘zuiderse’ ziekten, … Het lijden is hier het gevolg van menselijke structuren, maar niet van bewuste individuele keuzes: het lijden is niet intentioneel.
1.2. Verschillende soorten van lijden
1.300 vermisten na overstromingen en
aardverschuivingen China, Het belang van Limburg,
09 augustus 2010
Men kan nog op andere manieren verschillende vormen van lijden onderscheiden. Omdat lijden per definitie verbonden is met een persoonlijke ervaring, moeten we ervoor beducht zijn deze ervaring van anderen te omschrijven en in te delen in categorieën. Toch kunnen onderscheidingen soms behulpzaam zijn om nuances mogelijk te maken.
Het meest opvallende lijden is het lijden van fysieke aard: ziekte en gebrek. Mensen kunnen ook geraakt worden door allerhande vormen van psychisch leed. Zo kunnen mensen bijvoorbeeld erg treuren om het verlies van een geliefde. Vasalis dicht in Sotte Voce: “Zoveel soorten van verdriet, ik noem ze niet. Maar één, het afstand doen en scheiden. En niet het snijden doet zo’n pijn, maar het afgesneden zijn.” Voorts is er ook het sociale lijden. Sommige mensen zijn maatschappelijk zeer kwetsbaar. Ook in onze samenleving vallen nog heel wat mensen tussen de mazen van het net. Echt arme mensen zitten in geldnood, maar ze zijn vooral ook relationeel arm, hebben een tekort aan positieve relaties. Als we de problematiek van het lijden vanuit een maatschappelijke invalshoek bekijken, dan denken we aan het gebrek aan achting, het niet bereiken van sociale identiteit, concurrentie, vernedering, discriminatie... Dorothee Sölle schrijft in haar boekje ‘Lijden’3 dat bij lijdenservaringen het sociale aspect een belangwekkende factor is: wanneer mensen er sociaal niet goed voor staan, wordt elk leed dubbel zo zwaar om te dragen.
Bovendien moeten we ook gewagen van het morele of ethische lijden: de pijn om de miskenning van mensenrechten, lijden om allerlei vormen van apartheid, onmacht bij structureel onrecht, het kwellende besef van eigen schuld, … Ten slotte vermelden we het ‘spirituele’ lijden, de afkalving van zin van binnenuit, lijden dat aan de grond van het bestaan zelf kleeft. De diepste angst is vandaag allicht die van angst voor leegte en zinloosheid4.
Deze soorten lijden zijn te onderscheiden, maar in de praktijk niet zomaar te scheiden. Wie ziek is, zegt niet: “Ik heb het 39 graden warm”, maar: “Ik voel me niet goed.” Bijna elk fysiek lijden roept meteen ook psychisch, sociaal, ethisch en spiritueel lijden op.
II. Lijden, een ervaring met verschillende dimensies
Hoe verschillende vormen van lijden met elkaar verweven zijn, blijkt bijvoorbeeld wanneer een mens ziek is. Bij fysiek lijden gaan immers een aantal vanzelfsprekendheden wankelen en worden een aantal voorheen vanzelfsprekend beleefde verhoudingen conflictueus 5 . Ook de relatie tot de eigen eindigheid is niet langer evident. Allerlei zin-vragen duiken op. Gezond zijn, ziekte en genezing zijn dus totaalmenselijke belevingen en veel meer dan puur medische verschijnselen 6.
2.1 Een andere verhouding tot het lichaam
Wie gezond is, is zich niet echt bewust van de eigen lichamelijkheid. Het lichaam is een instrument dat vanzelfsprekend meewerkt. In ziekte kan men dan plots bruut geconfronteerd worden met deze lichamelijkheid. In plaats van de onnadenkende verhouding treedt nu het volle besef van het ‘ik heb een lichaam’ naar voren. Terwijl men gewoon is gedachten rechtstreeks via de arm op papier kan toevertrouwen, wordt die doorgang geblokkeerd voor iemand met een gebroken arm. Bij een verminking kan de vrees kan ook opkomen dat anderen, de partner, je anders gaan bekijken, misschien niet meer van je gaan houden. Deze gewijzigde relatie tot het lichaam kan aanvoelen als een communicatiestoornis, soms zelfs een strijd; maar in elk geval is het een ontgoocheling.
2.2 Een andere verhouding tot de wereld van de dingen
Bij ziekte schrompelt iemands territorium volledig in elkaar. De wereld beperkt zich tot de eigen kamer. Al wat zich daarbuiten afspeelt, is voor de zieke iets waar hij of zij zelf geen deel aan heeft. Voor een bedlegerige is al wat niet binnen armbereik ligt, onbereikbaar. Deze inschrompeling wordt in de totaal vreemde omgeving van een ziekenhuis nog vergroot. Bovendien dringt iedereen wat er nog rest van je territorium binnen. In een ziekenhuis is die ineenschrompeling nog groter: in een totaal vreemde omgeving dringt iedereen wat er nog rest van je territorium binnen: “je wordt gewekt als men het wil, je eet als men het wil, …. ”7
2.3 Een andere verhouding tot medemensen
“Eén van de elementen van gezondheid is het vanzelfsprekend opgenomen zijn in een net van relaties. Bij een zieke wijzigt dit patroon. Terwijl het leven verder gaat, blijft de zieke achter 8. Hij of zij hoort er niet meer bij: gedragsverandering, hulpeloosheid, afhankelijkheid. […] In het ziekenhuis kan het bezoekuur kan zo een moeilijk moment worden: ‘Zelfs tegen mijn eigen vrouw wist ik niet meer wat gezegd. Wij hebben vroeger ook nooit op commando met elkaar gepraat. En nu moet het: van twee tot acht.’9” In het begin is er vaak veel bezoek, soms zelfs te veel. De zieke krijgt voortdurend nieuws over het werk, familie, thuis. Maar terwijl de zieke in het begin belangstelling heeft voor dit nieuws, plooit hij of zij zich later op zichzelf terug. En ook het aantal bezoekers vermindert. Of ze zwijgen over het werk omdat de zieke daar nu al zo lang weg is, dat zou te pijnlijk zijn. De zieke kan zich ook vervangen weten: “ ‘Ja, we rooien het uitstekend thuis.’ Natuurlijk liegt de bezorgde echtgenoot, maar de vrouw voelt zich nog meer overbodig voelen.”10 Het is erg ver “van de staande naar de liggende mens” .11
2.4 Een andere verhouding tot de eigen eindigheid
“Gezonde mensen stellen zich ook wel eens vragen over de broosheid van het leven. Zeker ‘als de hakbijl in het bos vlakbij hoorbaar is’ (François Mauriac). Maar vrij snel keren ze terug tot de orde van de dag. Maar een zieke doet een acute eindigheidervaring op, zelfs al is hij of zij niet stervensziek. Er wordt heel wat afgedacht ’s nachts en in de uren voor en na het bezoek. Sterven wordt een existentiële mogelijkheid. Een volledige narcose betekent in zekere zin je leven volledig in de handen van anderen geven. Voorheen drukten werkritme en promotiedrang de eindigheid voor zich uit. Een gezond mens heeft een rustig besef van relatieve onvervangbaarheid en uniciteit. Bij ziekte wankelt dit besef. En de vervangbaarheid roept de radicale eindigheid op. […] Hier zitten we zitten vlak bij religieuze vragen – ‘religieus’ in de ruimste zin van dat woord: al wat de grond van mijn bestaan raakt in zijn uiteindelijke verbindingen (vgl. het Latijnse religare: verbinden); waarom-vragen die een veel dieper conflict verraden onder de gewijzigde verhouding tot het lichaam, de dingen of de medemensen.”12
2.5 Genezing
Zoals ziek-zijn niet enkel iets is dat speelt op het fysieke niveau, zo is genezing ook niet beperkt tot het medisch genezen. Wie fysiek genezen is, blijft immers getekend door de harde confrontatie met het eigen lichaam, de wereld van de dingen, de relatie tot anderen en de eindigheid waartoe de ziekte leidde. Als men geen manier vindt om hiermee om te gaan, kan de lijdenservaring dan ook blijven duren. Sommigen komen deze confrontatie nooit meer te boven.
Omgekeerd is er een zekere “genezing” mogelijk zonder dat men daarom lichamelijk geneest. Reeds in het fysieke lijden is het mogelijk te komen tot een nieuwe verhouding met lichaam, wereld, anderen en eindigheid. Het lichaam kan een partner worden: iemand die erg vertrouwd is, maar waarmee je niet samenvalt. Ook met de wereld van de dingen kan een nieuwe harmonie groeien: het alledaagse kan met andere ogen verrassend nieuw worden; kleine dingen worden groot, wat vroeger heel groot was, wordt pietluttig. Ook menselijke verhoudingen wijzigen: het verlies van veel zakenrelaties biedt de kans tot diepere ontmoetingen. Gaandeweg wordt “aanvaarding” van de gewijzigde verhoudingen mogelijk. Misschien is er geen sprake van medisch genezen, maar door de persoonlijke groei die beleefd wordt, kunnen we wel spreken van “volmenselijk genezen” (K. Depoortere).13
III. Verwerking van zwaar lijden: E. Kubler-Ross over het stervensgebeuren
“Veel auteurs hebben het proces van verwerking van lijden en naderend sterven op een (diepte)psychologische manier onderzocht. Vanaf 1965 heeft Elizabeth Kübler-Ross baanbrekend werk verricht over het stervensgebeuren.15 […] Globaal stelt zij vijf fasen voor in het stervensproces: ontkenning, ergernis en woede, marchanderen, depressief reageren en tenslotte aanvaarding. Ze maakt zelf reserves tegen een te strakke schematisering. Deze fasering komt immers niet bij iedereen voor, het verloop is niet steeds continu, en na een aanvankelijke verwerking kan men soms het hele proces van meet af moeten herbeginnen. […] Ook Manu Keirse en Jan Peers maken kanttekeningen bij een te rechtlijnig evolutief schema, dat direct gericht is op hét einddoel: de aanvaarding. In de plaats van een lijnschema, stellen zij een golvende ellips voor rond het centrum: de aanvaarding.”16
In elk geval is Kübler-Ross dé referentie geworden voor de verwerking van het lijden. Haar stadia, die ze ontwikkelde in de context van het terminale lijden, worden vandaag dan ook op allerlei vormen van ingrijpend lijden toegepast.
3.1 Ontkenning
“De zieke hanteert de ontkenning van zijn toestand, telkens als hij of zij de werkelijkheid niet goed aankan. Ontkennen is het even rustiger aan doen, om daarna weer verder te verwerken. Ontkennen is dus niet louter negatief. Het is een conflict tussen verslagenheid en levensmoed. Die ontkenning kan veel vormen aannemen: verbaal of vitaal, bijvoorbeeld veranderen van arts of van geneeswijze, gebrek aan eetlust louter aan de medicatie wijten, ...”17
Begeleiding
“Voor de begeleiding passen hier geen tegenargumenten om de zieke te laten inzien dat haar situatie slechter is dan zij denkt. Met haar ontkenning laat de zieke weten dat zij nu niet wenst te (kan) praten over haar toestand. Even ongelukkig is het bevestigen in de ontkenning. Het zal de zieke verhinderen na haar “rustpauze” verder te verwerken. Patiënten-in-ontkenning doen vaak alsof er geen vuiltje aan de lucht is. Toch is ook dit een roep om nabijheid. Een invoelende vraag (‘Hoe gaat het met je vandaag? Heb je nog veel pijn?’) helpt de zieke soms al een beetje naar de realiteit toe. Zo’n oprechte vraag biedt immers een relatie aan en daarin kan de zieke haar angst bij name noemen.”18
3.2 Woede en protest
“De werkelijkheid dringt zich op aan de ontkennende patiënt. Gevoelens van ergernis, opstandigheid, afgunst en wrok richten zich op alles en op iedereen. Medepatiënten, verpleegkundigen, artsen, pastores, familie, God: allemaal één pot nat.
En toch is die agressie niet louter negatief. Ze is veeleer een heen en weer geslingerd zijn tussen ontgoocheling en waardering. En precies in hun protest zijn de zieken op zoek naar waarden, die zo echt zijn, dat ze ook deze storm weerstaan. Op zoek ook naar mensen die, ondanks alles, trouw blijven. Daarom zal hun agressie zich ook zo vaak richten op diegenen, die hun het meest dierbaar zijn. Het lijkt een toetsen op betrouwbaarheid.” 19
begeleiding
“Voor familie en begeleiding is dit een zware periode. […] Afstoten én vastklampen, dat doet de zieke. Zo’n gedrag is voor velen ondoorzichtig. Begeleiders neigen nu eens naar contra-agressie, dan gaan ze over tot zelfverdediging of autoritair tot de orde roepen, en daarna trachten ze de patiënt te kalmeren met vriendelijkheid. Het komt erop aan de patiënt te bevestigen, maar niet in zijn agressie. De patiënt is zijn agressie niet. En dat weet hij. Hij weet dat hij onredelijk is. Maar het is hem allemaal te veel.
Tijd van betijen geven dus, niet door links te laten liggen, maar door trouw te blijven staan. Als de begeleider zich laat vangen door de agressie van de zieke, krijgt de zieke gelijk: er is niemand meer die van hem houdt. En zo heeft hij na de storm geen gesprekspartner meer over.”20
3.3 Onderhandelen
“Onderhandelen is een […] volgend stadium. Als verdedigingsmechanismen te pletter lopen, gaan zieken (soms) loven en bieden om tot een aanvaardbaar compromis te komen. Zij gaan plannen maken, beloften doen, zichzelf enigszins onmisbaar maken naar de toekomst toe. Ook de familie, die zich niet makkelijk neerlegt bij de onherroepelijkheid, doet mee: ook zij willen “alles” proberen.
Dit gevoelen is bipolair: tussen aanhalen en loslaten. De negatieve kracht klampt zich vast aan wat rest. De positieve kracht heeft al ergens een vermoeden van het feit dat je pas iets “ontvangt”, als je iets anders “loslaat”. Religieuze beloften moeten in dit stadium zeker niet op hun theologische exactheid getoetst worden. Ze zijn veeleer een roep om nabijheid: een bedevaart van de familie vormt een uiting van solidariteit; een heiligenprentje vorm een beschermende kring. De diep-menselijke (en dus ook religieuze) betekenis van dit ales is duidelijk: het is een laatste poging om aan de bedreiging te ontsnappen en tegelijk een laatste aarzeling om over de drempel te stappen en zich toe te vertrouwen.”21
3.4 Depressie
“Depressiviteit is niet zonder meer de laatste ‘fase’ voor de aanvaarding. Ze ligt permanent op de loer in het lijdensgebeuren, telkens de fatale afloop zich opdringt. Men wordt depressief, als men de werkelijkheid niet ontvlucht, ontkent of verdringt, maar ze even binnenlaat. Dan weet de zieke zich van mens en God verlaten. En tegelijk bestendigt zij zich een stuk in die verlatenheid door contacten af te wijzen.”22
Begeleiding
“Begeleiden betekent hier: door zijn houding tonen dat verdriet toegelaten is. Als de zieke van de idee afgeraakt dat zij ons moet sparen, kan haar verdriet ‘ter sprake’ komen. Als zij spijt uitdrukt om gemiste kansen in het voorbije leven, laten we haar rustig uitspreken, zonder een wegwuivend ‘Je hebt het toch allemaal goed bedoeld’. De zieke weet wel beter. Als de zieke merkt dat zij mag vertellen en na haar verhaal nog aanvaard wordt, zal zij zelf wel verzachtende omstandigheden vinden.”23
3.5 Aanvaarding
“Aanvaarding is iets anders dan berusting. Berusting is te passief. Aanvaarding is zo actief dat ze het biologisch sterven omvormt tot menselijk sterven. Het uit handen geven van het leven krijgt de overhand op het uit handen genomen worden ervan. Het is een beetje alsof de strijd gestreden is. De zieke is zich bewust van zijn sterven en wenst afscheid te nemen. Hij wordt dankbaar om iedere attentie.
De aanvaarding komt soms even op om dan weer te verdwijnen. Soms is ze een bereikt stadium, met nog slechts lichte ups en downs. Eén enkele keer is de aanvaarding quasi volledig. Een bezoek bij zo eenn zieke is een genade. Je hoeft hem niet te troosten. Hij troost jou.”24
IV. Lijden in de samenleving
Onze samenleving lijkt het moeilijk te hebben met zoiets als lijden. Het lijden wordt sterk bestreden, en dat is natuurlijk goed. Maar wat met het lijden van mensen dat er toch nog blijft? Is er voldoende ruimte en plaats voor dat lijden en de verwerking ervan? Is er inderdaad geen tendens te merken waarbij mensen zich vooral willen afschermen tegen het lijden of er zelfs voor op de vlucht zijn? D. Sölle schrijft indringend:
Men moet zich afvragen wat er van een maatschappij zal terechtkomen, waarin bepaalde vormen van lijden moeiteloos worden vermeden [...], waarin een ondraaglijk gebleken huwelijk snel en glad beëindigd wordt, […] waarin rouwtijden knap kort zijn, waarin de gehandicapten en zieken snel uit het huis [...] zijn…
Een dergelijke blindheid is mogelijk in een maatschappij [...] waarin het vanzelfsprekend is dat men niet lijdt… Er worden tussen het subject, dat ervaringen opdoet, en de werkelijkheid muren opgericht, men ervaart het lijden van anderen slechts indirect, men ziet verhongerende kinderen op het beeldscherm, en deze manier om anderen bij het lijden te betrekken is karakteristiek voor onze gehele waarneming.
4.1. Gezondheid en ziekte in de samenleving
Gezondheid is één van de absolute topwaarden in onze maatschappij. Er lijkt zelfs een tendens te bestaan die fysieke gezondheid en ultiem heil gelijkstelt. Helemaal nieuw is dat niet. Er waren artsen in de tijd van Plato en Aristoteles die de gezondheid beschouwden als het hoogste goed. Ze ontwikkelden hele dieet- en trainingsprogramma’s. In antwoord hierop stelden de filosofen dat gezondheid en geneeskunde weliswaar te maken hebben met een belangrijk, maar dan toch wel relatief doel van de mens. Het hoogste goed van de mens ligt elders, zeiden ze.
In elk geval is duidelijk dat het belang van gezondheid in onze samenleving uiterst groot is. De gezondheidszorg is sterk uitgebouwd. Producenten spelen via reclame ook handig in op nieuwe gezondheidsrages. Er bestaat een trend die de gezondheid quasi-religieuze allures toekent. “Artsen worden dan beschouwd – ook al omdat een hele cultuur dat wil – als ‘priesters van de nieuwe magie’, die ons moeten behoeden voor lijden en dood.”27 We kunnen gewagen van een “medicalisering” (I. Zola) van het leven. Ziekte en lijden worden als dé vijanden van de mens worden beschouwd. Ze staan immers haaks op het prestatiegerichte zelfontplooiingideaal. Ze herinneren de mens aan zijn sterfelijkheid en begrenzing. Juist daarmee kunnen mensen in onze samenleving blijkbaar heel moeilijk omgaan. In die zin kunnen we ons afvragen of een dergelijke visie op gezondheid nog wel ‘gezond’ is. Uiteraard is gezondheid een heel kostbare waarde, maar toch kunnen kritische bedenkingen gemaakt worden bij een verabsolutering van deze waarde.
4.2 Dood in de hedendaagse samenleving
Terwijl men op het normatieve niveau kan vaststellen hoe ziekte zo veel mogelijk moet worden uitgebannen in onze samenleving en gezondheid als het hoogste goed wordt beschouwd, merkt men op het descriptieve niveau dat het lijden dat toch aanwezig is zo veel mogelijk verdrongen wordt. Dit wordt duidelijk wanneer we zien hoe op korte tijd de houding ten opzichte van de dood fundamenteel gewijzigd is in onze samenleving. In zijn monumentaal overzicht beschrijft Philippe Ariès hoe in de loop van enkele decennia de dood, die eeuwenlang een sociaal en publiek gebeuren was, is verworden tot een privéaangelegenheid . Terwijl men vroeger de lijkstoet door de straten zag en hoorde trekken, familie en vrienden thuis werden ontvangen om te rouwen, zichtbare rouwkledij werd gedragen, is er vandaag in de publieke ruimte nog slechts weinig te merken van een overlijden. Een overlijden is nu in de eerste plaats een familiaal gebeuren – al verdwijnt ook dat familiaal karakter door de toenemende hospitalisatie van terminale patiënten. En zelfs in het ziekenhuis wordt amper plaats geruimd voor de dood: “De dood mag geen plaats hebben in dit oord van genezing. Ook voor de stervende zelf zoekt men de dood te camoufleren. De arts geeft morfine; zeker: tegen een al te pijnlijk einde, toch bewerkt hij daarmee ook wat iedereen heimelijk wil: dat de dood de zieke in een staat van onbewustheid overwint.” Volgens Jan van den Berg is dit een gevaarlijke evolutie. Op die manier worden ziekte en dood immers verborgen bedreigingen die ons totaal onvoorbereid kunnen overkomen. Net zoals de Siddharta Gautama, de latere Boeddha, die lange tijd geen enkel contact had met menselijk leed, wordt de moderne mens des te kwetsbaarder wanneer de ruwe werkelijkheid dan toch het paradijs binnendringt.
Verwerkingsvragen
- Ben je het eens met de stelling van J.B. Brantschen: “Onze samenleving lijdt aan de ziekte niet te kunnen lijden”. Waarom wel/niet
- Dat ziekte, lijden en dood vaak verdrongen worden in onze samenleving is geen op zich staand gegeven. Met welke eigenschappen van onze maatschappij zou dit kunnen samenhangen?
- ‘Lijden’ is veel meer dan ‘pijn’. Kan je dat zelf erkennen en illustreren?
- Kan je uit je eigen ervaring of je omgeving een voorbeeld geven van de verwerkingsfasen van Kübler-Ross?
B. Zinvragen vanuit lijdenservaringen
In het lijden blijft men bij de pijn stilstaan en wordt deze geïnterpreteerd als een tekort. Niet zelden wordt deze interpretatie bepaald door zinvragen. Bij lijden dringen immers verschillende vragen zich op aan de menselijke persoon: vragen over menswaardigheid, schuld, zingeving en soms ook over God.
Doelstellingen bij dit onderdeel
- kunnen aangeven welke zinvragen door lijdenservaringen worden opgewekt
- de complexe relatie tussen lijden en menswaardigheid kunnen verhelderen aan de hand van verschillende standpunten (onder andere van M. Desmet) en een eigen bereflecteerde positie omtrent menswaardigheid in het lijden kunnen innemen
- kunnen verklaren hoe de mogelijkheid van euthanasie samen hangt met een bepaalde visie op menswaardigheid in het lijden
- verschillende visies in het euthanasiedebat kunnen koppelen aan verschillende mensbeelden
- kunnen toelichten hoe de band tussen lijden en schuld diep verankerd lijkt in de menselijke geest
- de moeilijke relatie tussen zingeving en lijden kunnen kaderen vanuit het onderscheid tussen ‘a priori’ en ‘a posteriori’ zin geven
- kunnen toelichten hoe de vaststelling van het leed in de wereld het godsgeloof in vraag stelt
I. Is lijden mensonwaardig?
We volgen hier verder enkele van de reflecties van arts M. Desmet. Meer bepaald laten we eerst zijn probleemstelling klinken. Daarna laten we zien hoe volgens hem ook in het lijden steeds nog menswaardigheid mogelijk blijft.
1.1 Probleemstelling. Lijden en menswaardigheid: twee gescheiden wegen?
Marc Desmet, arts en jezuïet, roept de vraag naar menswaardigheid in het lijden op als volgt:
"Dokter, vindt u dit nog menswaardig?" Deze retorische vraag [...] heb ik als arts wel eens aanhoord. [...] Controle van pijn en andere symptomen krijgt tegenwoordig meer aandacht dan vroeger en lukt op een aantal plaatsen vrij goed, hoewel zelden volmaakt. […] Maar ook al slagen die pijn- en symptoomcontrole aardig, toch takelen talloze zieken af. De ongecontroleerde aftakeling lokt in onze dagen dikwijls verontwaardiging uit, niet zozeer van de kant van de patiënt, als wel van de omgeving – zowel familieleden als zorgverleners. […] ‘
Ver-ont-waardiging’ lijkt me het goede woord voor wat mensen hier ervaren: deze mens wordt blijkbaar in zijn waardigheid aangetast. Dit lijden klopt niet met het – meestal maar ten dele bewuste – beeld dat men heeft van menselijke waardigheid. Men ervaart een soort ont-waarding, een onverdraaglijke devaluatie van deze geliefde mens. Dit kan gepaard gaan met gevoelens van agressie of soms zelfs met dreigende woorden. 31
Ondanks de nog steeds verder schrijdende medische vooruitgang, zullen gebrek en lijden altijd blijven bestaan. En zelfs indien er medisch heel wat mogelijk is, zijn in de zorg zelf nog heel wat bronnen van lijden aanwezig (bv. afhankelijkheid). Zeker wanneer er geen perspectief op beterschap is, lijkt dit lijden soms te zwaar voor een mens om te dragen; het ontneemt hem alle menselijke waardigheid. Vaak is niet de dood de grote zorg, maar het lijden dat er aan vooraf gaat. Niet alleen voor de patiënt is dit moeilijk, ook de omgeving heeft soms moeite waardigheid bij de patiënt te onderkennen.
Leven met kanker, is leven met verlies, Elisabeth
1.2 De mogelijkheid van het erkennen van menswaardigheid in het lijden
Volgens Marc Desmet is er in deze gevallen waarin lijden de waardigheid van een persoon lijkt teniet te doen, sprake van een “inflatie van het woord "menswaardigheid"” 32. Hij staat dan ook niet onverdeeld positief tegenover een omgang met het lijden die enkel op de eliminatie en controle ervan is gericht. Volgens hem kan er ook nog in het lijden menswaardigheid gevonden worden:
Wat zegt die houding van loutere lijdenseliminatie bijvoorbeeld over onze waardering voor bejaarden, demente mensen, psychiatrische patiënten, gehandicapten? Wat zegt ze over de waardering voor hen die de dagelijkse zorg hebben voor zovelen die een "minderwaardig" leven "lijden"? […] Bestaat er dan geen menswaardigheid in het lijden? Sterker nog: is de mens juist niet door het soort waarden dat hij koestert, zoals verbondenheid en liefde, het levende wezen dat meer dan welk ander levend wezen lijdt? En duikt niet juist in het lijden een menselijke waardigheid op die we enkel dáár vinden? Kortom: is er nog plaats voor het lijden in onze maatschappij en kun je dat werkelijk vruchtbaar bestrijden zonder het tegelijkertijd ergens een plek te geven? Moeten we het lijden niet zowel bestrijden als toelaten? Moeten we niet zowel het lijden bestrijden als de waardigheid van de lijdende ontvangen? [...] Zijn we niet bezig ons te ontwikkelen naar een cleane "stralende" maatschappij – zonder al te veel afgetakelde personen, zonder mongooltjes – die tot haar eigen verwondering vroeg of laat ontdekt dat de levensvreugde verdwenen is? 33
Ook Etty Hillesum, een Nederlandse joodse vrouw, erkent in haar nagelaten geschriften, genoteerd tijdens de Duitse bezetting en de jodenjacht de mogelijkheid van menswaardigheid in het lijden. Op 2 juli 1942 schrijft ze: “Lijden is niet beneden de menselijke waardigheid. Ik bedoel: men kan menswaardig lijden en onmenswaardig. Ik bedoel: de meeste westerlingen verstaan de kunst van het lijden niet en ze krijgen er duizend angsten voor in de plaats. Dit is geen leven meer wat de meesten doen: angst, resignatie, verbittering, haat, wanhoop.”34
Desmet benadrukt dat deze waardigheid niet louter wordt bepaald door de lijdende zelf. De waarde van een persoon is immers niet gebaseerd op bepaalde eigenschappen of vermogens, maar op de uniciteit van de menselijke persoon die via een relationeel netwerk verbonden is met anderen en de bredere gemeenschap 35. De wijze waarop naar de lijdende wordt gekeken en gesproken, bepaalt dan ook mee zijn waardigheid. Hoewel we met onze zintuigen verschrikkelijke dingen kunnen waarnemen, is dit geen uiting van een gebrek aan waardigheid: “Het wezen van mensen is niet in het zintuiglijke te vatten of te vangen. […] Door waarderend te leren kijken en te spreken kunnen wij met onze zintuigen tot zin-getuigen worden te midden van het verschrikkelijke. In de ogen van de aftakelende persoon staat de vraag: "Ben ik in jouw ogen nog de moeite waard?" En in onze ogen staat het antwoord.36”
Desmet benadrukt daarom het belang van de houding van de omgeving. Als palliatieve arts ziet hij hoe lijden kan veranderen in een gemeenschap. Op een palliatieve afdeling 37, waar men een meer familiale sfeer probeert te creëren, blijkt vaak dat de verandering van omgeving op zichzelf al een gunstig effect heeft op de patiënt: symptomen als pijn, misselijkheid, rusteloosheid, … verminderen: “De huiselijke materiële ruimte, maar meer nog de menselijke ruimte van vriendelijkheid en openheid voor een gesprek in waarheid, schept een omgeving waarin het lijden niet vermindert, maar verandert. Geloven in de rol van een gemeenschap en zoeken naar de manier waarop we die kunnen vormgeven, vormen ongetwijfeld een belangrijke verbindingsweg tussen lijden en menswaardigheid.38”
Holocaust, Fountaindale Library Teens’ Blog
1.3 Als lijden en menswaardigheid conflicteren: euthanasie?
Niet iedereen deelt echter de visie dat zelfs in het ergste lijden nog plaats is voor menswaardigheid. Voor hen kunnen sommige situaties van lijden alle menswaardigheid uitsluiten. De dood lijkt dan waardevoller dan het lijden. Zo kan de vraag naar euthanasie opduiken. Euthanasie kan omschreven worden als “het opzettelijk levensbeëindigend handelen door een andere dan de betrokkene, op diens verzoek"39. Daarmee wordt euthanasie duidelijk onderscheiden van het afzien van of stoppen met een curatieve of levensverlengende behandeling, van behandelingen (bv. pijnstillers) die als bijwerking levensverkortend kunnen zijn, van hulp bij zelfdoding en van levensbeëindiging zonder verzoek 40.
Sinds 2002 is euthanasie in België gelegaliseerd bij handelingsbekwame meerderjarigen. Hiertoe moet de patiënt een vrijwillig, overwogen en herhaald verzoek uiten en zich bevinden in “een medisch uitzichtloze toestand van aanhoudend en ondraaglijk fysiek of psychisch lijden dat niet gelenigd kan worden, en dat het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening”. Daarnaast is het mogelijk dat een handelingsbekwame persoon een wilsverklaring opstelt voor in het geval hij of zij niet meer in staat is zijn of haar wil te uiten. Deze wilsverklaring wordt pas in praktijk gebracht wanneer de persoon lijdt aan een ernstige en ongeneeslijke aandoening, niet meer bij bewustzijn is en deze toestand (volgens de stand van de wetenschap) onomkeerbaar is.
In haar advies omtrent de “Zorg voor een menswaardig levenseinde” uit Zorgnet, een christelijk geïnspireerd netwerk in gezondheids- en ouderenzorg, bedenkingen bij de Belgische euthanasiewetgeving 41. Het advies stelt dat de wetgeving gebaseerd is op een eenzijdige waardering van de autonomie. Alle beslissingsrecht wordt bij de patiënt gelegd die autonoom over zijn levenseinde moet kunnen bepalen. Vanuit een personalistische 42 achtergrond wordt benadrukt dat mensen ook steeds verbonden zijn; dat deze verbondenheid precies de grond van de menselijke waardigheid is. Een eenzijdige nadruk op de autonomie van de patiënt, zonder aandacht voor de omgeving waarmee hij of zij verbonden is, doet dan precies zelf onrecht aan de menselijke waardigheid. Op deze basis wordt gepleit voor een “palliatieve filter”. Vaak is een vraag om euthanasie immers een verdoken vraag om aandacht, om pijn-verminderen. Door goede palliatieve zorgen en uitvoerig aandacht te besteden aan de vraag van de patiënt, kunnen reeds veel euthanasieverzoeken voorkomen worden. Enkel indien de vraag uitdrukkelijk blijft aanhouden ondanks de beste zorgen komt het respect voor de autonomie van de persoon in conflict met de eerbied voor het leven en kan er voor euthanasie geopteerd worden. Euthanasie bij niet-terminale of wilsonbekwame patiënten of psychisch lijden vindt Zorgnet ethisch echter niet toelaatbaar.
Reactie Belgische Bisschoppenconferentie op de euthanasiewet
De Belgische Bisschoppenconferentie reageerde op deze legalisering met de tekst “Palliatieve zorg: ja. Euthanasie: nee”. Volgens hen is euthanasie in strijd met de eerbied voor het menselijke leven, en in het bijzonder dat van de meest kwetsbaren. Zij hekelen dat door de euthanasiewet de waarde van het menselijke leven niet meer gekoppeld wordt aan het bestaan zelf, maar aan de “kwaliteit” van het leven. Bovendien vreest de Bisschoppenconferentie de mogelijkheid dat patiënten of artsen onder druk komen te staan om euthanasie te (laten) plegen. Tegelijk verwerpen de bisschoppen het nodeloos verlengen van het leven (“therapeutische hardnekkigheid”). Als alternatief pleiten de bisschoppen voor het verder uitbouwen van de palliatieve zorg om zo leven en sterven op een zo pijnloze en menselijke mogelijke wijze te laten verlopen.
II. Vragen naar schuld
Schilderij ‘Oude man’ (V. Van Gogh, 1890)
In situaties van zwaar lijden komen vaak allerhande beschuldigingen op. Ook bij vormen van lijden waar mensen enkel slachtoffer zijn, duiken allerlei schuldmechanismen op 43. Mensen kunnen moeilijk aanvaarden dat er dingen gebeuren zonder reden en zoeken daarom spontaan naar een soort reden, naar een ‘zin’ of rechtvaardiging voor het zinloze lijden dat hen overvalt. De band tussen lijdenservaring en schuld zit heel diep en taai verankerd in de menselijke geest.
Die schuld kan grosso modo in twee richtingen uitgaan. Vooreest kunnen lijdende mensen een ander beschuldigen en zichzelf rechtvaardigen. “Het is allemaal de schuld van mijn werk; ik zal het bedrijf nooit kunnen vergeven dat ik met al die giftige producten moest werken waardoor ik nu leukemie heb.44” Ten tweede zien we het ook vaak gebeuren dat lijdende mensen zichzelf beschuldigen. Dat kan heel concreet zijn, “was ik maar sneller naar de dokter geweest”, “had ik maar gezonder geleefd”, maar heel vaak betreft het een veel existentiëler gevoel en gaat men op zoek naar een morele schuld. In feite wordt daarmee een morele oorzaak gegeven voor een natuurlijk proces 45. Ook bepaalde religieuze duidingen maken de link tussen lijden en schuld mogelijk 46.
Dit zoeken naar een oorzaak is een hardnekkige menselijke reflex die tracht het kwaad te beheersen door er een zin aan te geven. Deze pogingen om een schuldvraag te beantwoorden lopen uiteindelijk echter dood en creëren geen echte ‘zin’. Als het werkelijk gaat om lijden waar mensen het slachtoffer van zijn, dan dient er geen reden of uitleg gezocht te worden in schuld. Harold Kushner schrijft:
Kunt u het denkbeeld aanvaarden dat sommige dingen geen reden hebben, dat in het universum het toeval een rol speelt? Sommige mensen kunnen met dat idee niet uit de voeten. Ze zoeken naar verbanden en proberen wanhopig een zin te zien in datgene wat gebeurt. Ze vertellen zichzelf liever dat God wreed is, of dat zij zondaars zijn, dan dat ze het toeval accepteren. Soms, als ze erin geslaagd zijn negentig procent van alles wat ze weten te begrijpen, gaan ze er van uit dat de overige tien procent ook verklaarbaar is en alleen maar hun verstand te boven gaat.
Maar waarom moeten we per se volhouden dat alles redelijk is? Waarom moet er voor alles wat er gebeurt een specifieke reden zijn? 47
Anderzijds is het voor de concrete begeleiding van lijdende mensen wel heel belangrijk om hun beleving ernstig te nemen, ook al zijn we het er niet mee eens. Hoe belangrijk ‘deculpabiliseren’ ook is, wie lijdende mensen begeleidt dient respectvol allerhande schuldvragen te laten boven komen.
III. Zingeving in het lijden?
Mensen zijn voortdurend op zoek naar zin, zeker ook bij lijden. We moeten echter wantrouwig staan tegenover elke vorm van zingeving die het lijden bagatelliseert of de strijd tegen het lijden dreigt te blokkeren. Bepaalde religieuze zingevingsystemen riskeren in de valkuil te lopen van zingeving die het concrete lijden veronachtzaamt en er de tragiek van wegneemt. Dit protest tegen een zingevingsysteem dat het lijden van mensen bagatelliseert komt op iconische wijze tot uiting in de beroemde passage uit “De Gebroeders Karamazow” van Dostojewski. Iwan richt zich tegen een verklaringsmodel - in de trant van de filosoof Leibniz (18e eeuw) - dat stelt dat het lijden in de wereld de onvermijdelijke prijs is voor een hogere harmonie:
De eeuwige harmonie is niet een enkel traantje van zo’n gekweld kind in die stinkende wc waard, het meisje dat zich met haar kleine vuistjes op de borst sloeg en met haar ongewroken traantjes ‘Lieve-Heertje’ om hulp smeekte. Het feit dat deze tranen ongewroken bleven, maakt die hele harmonie waardeloos […] Als het lijden van de kinderen de noodzakelijke aanvulling vormt van het totaal aan leed nodig om de waarheid te bereiken, dan verklaar ik van tevoren dat die hele waarheid zo’n prijs niet waard is. […] Ik wil geen harmonie en het is uit liefde voor de mensheid dat ik die niet wil […]
Die harmonie is te duur, dat entree kan onze portemonnaie niet dragen. En daarom haast ik me mijn toegangskaartje terug te geven 48.
Toch kan zinloos lijden, mede vanuit een bepaalde levensbeschouwing of spiritualiteit, een zekere bescheiden zin ontvangen door de manier waarop de betrokken personen ermee omgaan. Er bestaan hier evenwel geen algemene en universeel geldende schema’s. Het gaat om een persoonlijke ontdekking. Harold Kushner drukt het als volgt uit:
Ik zou willen beweren dat het kwaad dat ons in ons leven overkomt zinloos is op het moment dat het ons overkomt. Maar wij zelf kunnen er een zin aan geven. We kunnen deze tragedies boven hun zinloosheid uittillen door er een zin aan te geven. De vraag die we zouden moeten stellen luidt niet: “Waarom is mij dit overkomen? Wat heb ik gedaan, dat ik dit heb verdiend?”
Die vraag is niet te beantwoorden, dit is er volkomen naast. Een betere vraag zou zijn: “Nu mij dit is overkomen, wat ga ik eraan doen?” 49
A priori, op voorhand, blijft het lijden iets negatiefs waar geen zin aan gegeven kan worden. Lijden op zich is nooit zinvol en roept terecht allereerst verzet op. Dit verhindert echter niet dat sommigen a posteriori, achteraf, toch een betekenis kunnen geven aan het lijden dat hen overkomt. Het zinloze lijden – dat zelfs met de meest intensieve zorgen nooit zal verdwijnen - kan op een menswaardige, ‘zinvolle’ manier gedragen worden en zo een zin krijgen. Kris Depoortere benadrukt dat als het tot de waardigheid van de mens behoort het lijden te bestrijden, het eveneens tot zijn waardigheid behoort de realiteit van het lijden te aanvaarden en onder ogen te zien. Er is verzet én overgave, protest én aanvaarding nodig:
Aanvaarding is iets anders dan berusting of resignatie. In de aanvaarding steekt nog levenslust en verzet tegen de dood. En precies het ‘aantekenen van protest’, maakt de aanvaarding echt menselijk. Zo moeten we zeggen: lijden is een te bestrijden werkelijkheid.50 Maar misschien moeten we nu nog een stap verder zetten. ‘Zonder meer’ zeggen dat het lijden zinloos is, is [...] een riskante onderneming. Het risico heet wanhoop of verlamming. Het is net als met de verwerking van het sterven. Protest en aanvaarding houden elkaar gezond. Ook tegenover het lijden in het algemeen: de overgave houdt het verzet gezond en menselijk. Tegen alles in een “en toch” durven uitspreken behoedt de lijdende mens voor de wanhoop.51
IV. Lijden en de godsvraag
In het lijden sneuvelen een aantal vanzelfsprekendheden. Allerlei zin-vragen rijzen op. Zo worden ook ‘religieuze’ vragen gesteld, vragen die te maken hebben met de grond van ons bestaan. Voor sommige mensen is deze grond van het bestaan een persoonlijke God. Het geloof in een persoonlijke God is echter allesbehalve evident in de aanblik van leed.
4.1 Het lijden als de rots van het atheïsme
De negentiende-eeuwse schrijver Georg Büchner noemde het lijden “de rots van het atheïsme”.52 Hiermee verwees hij naar het feit dat heel wat mensen ongelovig zijn geworden omwille van het onnoemelijke menselijke leed, in hun omgeving of in de wijdere wereld 53. “Een God die zoiets zou willen of toelaten, kan toch niet bestaan”, luidt de redenering. Het lijden stelt de vraag naar Gods bestaan. De hele godsrelatie wordt geschokt door het lijden. In Ik denk aan God roept Marnix Gijsen de jodenvervolging op en kan niet anders dan God daar op een zeer cynische wijze in vraag te stellen. De schrijnende gebeurtenissen in Auschwitz betekenen dan ook een breuklijn in het denken over God en het lijden. Maar niet enkel Auschwitz, maar de vele wreedheden uit de twintigste eeuw stellen God in vraag. De vele ontluisterende en zinloze massale dodingen van mensen, zoals de genocide in Rwanda, doen mensen twijfelen aan het bestaan van God. Dit is alvast ook de bevinding van de Franse filosoof André Glucksmann, die het heeft over “de derde dood van God” 54
Illustratie: Protest-athe
In het ‘protest-atheïsme’ klinkt de revolte tegen het lijden en tegen een God. Een scherpe verwoording hiervan vinden we bij Albert Camus. Onder andere in zijn boek La Peste (1947) vinden we die gedachte van de absurditeit van leven – vooral door het lijden – terug: De stad Oran is door een pestepidemie van de wereld afgezonderd. De hoofdfiguren zullen noodgedwongen stelling moeten nemen tegenover dit lijden. Er is pater Paneloux, die in zijn preek duidelijk maakt dat de pest een gesel Gods is, een verdiende straf voor de zondige mensen, die hen tot inkeer en zo terug tot God kan brengen. Dokter Rieux verwijt hem dat hij ‘un résigné’ is, omdat hij vanuit de hoop op het hiernamaals niet strijdt tegen het lijden. Hij verwerpt een Schepper die aan de bron van zo’n wereld vol lijden en ellende ligt. die zoiets laat gebeuren. Wanneer Paneloux vrijwillige geneeskundige dienst gaat verrichten en zo direct in aanraking komt met de pest-patiënten, vooral wanneer hij getuige is van het sterven van een kind, is echter ook Paneloux’ geloof geschokt. Ook hij kan dit onschuldige lijden niet in verband brengen met God. De tweede preek die in het boek beschreven wordt, verschilt sterk van de eerste: van goedpraten naar protest, van theorie naar inzet. Ook dokter Rieux vecht verder te midden van de absurditeit: er is geen God, dus kan ik geen heilige zijn; laat ik dan tenminste arts zijn.” 55
4.2 Het godsgeloof verscherpt de lijdensvraag
Voor wie doorheen het lijden toch blijft vasthouden aan het godsgeloof is dit niet altijd – in tegenstelling tot wat men soms denkt – een makkelijke manier om betekenis en steun te vinden in het lijden. Terwijl niet-gelovigen de zinloosheid kunnen aanvaarden, versterkt het geloof in God de vraag naar zin in het lijden. Als God inderdaad de machtige Schepper is van al wat leeft en als Hij zo liefdevol en goed is, zoals men beweert, waarom dan deze onmetelijke woestijn van menselijke miserie? In de oudheid werd het dilemma reeds door de filosoof Epicurus (4de-3de eeuw voor Christus) geformuleerd:
Ofwel wil God het kwaad uit de wereld wegnemen, maar kan Hij het niet. Ofwel kan Hij het, maar wil Hij het niet wegnemen. Ofwel wil Hij het niet en kan Hij het niet. Ofwel wil en kan Hij het. Indien Hij wil en niet kan, is Hij onmachtig. Indien Hij kan en niet wil, heeft Hij ons niet lief. Indien Hij wil noch kan, is Hij niet de goede God, en bovendien onmachtig. Indien Hij wil en kan – en dat is het enige dat Hem als God toekomt –, vanwaar komt dan het feitelijk kwaad, en waarom neemt Hij het niet weg? 56
Epicurus – en veel hedendaagse atheïsten met hem – besloot hieruit dat God – als een goede en almachtige god – niet kan bestaan. Het leed in de wereld is hier immers theoretisch niet mee verzoenbaar. Christenen daarentegen zijn traditioneel blijven vasthouden aan hun geloof in een goede en almachtige God. Men heeft op verschillende manieren getracht dit geloof te verzoenen met de werkelijkheid van het lijden in de wereld. Uiteindelijk gaat het niet zozeer om een theoretisch probleem – hoe kan een goede en almachtige God samen met het lijden bestaan – als wel om een praktisch probleem: hoe kan men blijven geloven in een wereld die getekend is door zoveel leed?57
Verwerkingsvragen
- Kan je de volgende teksten uit het dagboek van Etty Hillesum, een jonge joods-Nederlandse vrouw, die geschreven werd onder de nazi-verschrikking begrijpen:
“Ik vind het leven zo mooi en zinrijk. Jawel, mooi en zinrijk, terwijl ik hier sta aan het bed van mijn dode vriend.”
"God, ik blijf alles onder ogen zien en wil voor niets weglopen en van de ergste misdaden tracht ik iets te begrijpen en te doorgronden en ik tracht altijd weer de naakte, kleine mens op te sporen, die dikwijls niet terug te vinden is. Midden in de monstrueuze ruïnes van zijn zinloze daden… Ik zit oog in oog met jouw wereld, God, ontvlucht de realiteit niet in schone dromen – ik meen dat er plaats is voor schone dromen naast de wreedste realiteit – en ik blijf je schepping prijzen, God – ondanks alles!” (26/05/1942) Vind je hierin elementen van protest en aanvaarding in terug? Is er één van beide aspecten dat zwaarder lijkt door te wegen?
- Hoort lijden bij het mens-zijn?
- Zijn er volgens jou vormen van lijden die elke menswaardigheid uitsluiten? Hoe kijk je hier dan tegen aan?
- Wat vind je van de stelling van Leibniz die zegt dat we in de best mogelijke wereld leven en dat het lijden de noodzakelijke prijs is voor een hogere harmonie?
- Kan er sprake zijn van zingeving bij lijden? Waarom wel/niet?
- Bespreek volgende bede: “Geef mij de kracht om te aanvaarden wat ik niet kan veranderen. Geef mij de moed om te veranderen wat ik kan veranderen. Geef mij de wijsheid om het onderscheid tussen beide te maken.” (J. Fischer)
- Sluit het lijden in de wereld volgens jou het geloof in God uit?
C. Christelijke visie op God en lijden
Kristiaan Depoortere benadrukt dat in het licht van het lijden in de wereld, de eerste vraag vanuit christelijke perspectief is hoe te strijden tegen het lijden. “En de voorkant van die vraag is: wat doen we voor het leven en voor het geluk van mensen?” En verder: “Waar en hoe helpen we het onontkoombare lijden dragen?”58
Toch hebben theologen de theoretische vraag omtrent het samengaan van het bestaan van een goede en almachtige God en het bestaan van lijden en kwaad nooit kunnen ontwijken. We gaan hier eerst in op drie traditionele modellen om het samengaan van God en het lijden te denken. Ze klinken niet helemaal vreemd, want tot op vandaag zijn er christenen die hun lijden zo opvatten. Deze modellen proberen God (Gr.: theos) vrij te pleiten van schuld. Ze proberen Hem te rechtvaardigen (Gr.: dikein) ten overstaan van het lijden en het kwaad in de wereld. Deze betrachting wordt ‘theodicee’ genoemd.
Daarna gaan we in op enkele meer hedendaagse benaderingen. Tot slot bespreken we nog een “antwoord” vanuit het Christusgebeuren. Daarmee gaan we in op de gedachte van Kristiaan Depoortere dat het vanuit christelijk standpunt belangrijker is op een gepaste wijze te leven te midden van een wereld vol lijden, dan een theoretische verklaring te vinden voor dat lijden.
Bij dit alles mogen we niet uit het oog verliezen dat er ook nog andere christelijke visies op het lijden zijn. Verschillende christenen leggen verschillende accenten in hun godsbeeld, wat ook implicaties heeft voor hun visie op de plaats van God in het lijden 59.
Doelstellingen van dit onderdeel
- kunnen aangeven dat er ook binnen het christelijk geloof zeer veel posities mogelijk ten aanzien van het lijden
- verschillende modellen om te denken over God en het lijden (God als rechtvaardige rechter, God als wijze pedagoog, Gods ondoorgrondelijke goedheid, de meelijdende God) kunnen herkennen in spreken en schrijven over God en het lijden en deze modellen kritisch kunnen bespreken
- kunnen toelichten hoe het Christusgebeuren mensen die lijden kan ondersteunen in hun lijden en mensen kan motiveren om zich tegen het lijden te verzetten
- kunnen weergeven hoe vanuit het geloof in het Christusgebeuren kan worden omgegaan met de idee dat God aan de oorsprong van de schepping, die ook lijden in zich draagt, staat
I. Enkele klassieke modellen
1.1 God als rechtvaardige Rechter
1.1.1 Toelichting
Een eerste klassiek antwoord ziet God als rechtvaardige Rechter. Hij zendt het lijden in de wereld of laat het althans toe als straf voor de zonde. Centraal staat hier de idee van vergelding. God is de ultieme garantie van rechtvaardigheid in de wereld: wie schuld heeft, lijdt en wie lijdt, heeft schuld. Dat het lijden het resultaat zou zijn van menselijke schuld, is een oeroude idee. Ook in de menselijke geest lijken lijden en schuld heel taai met elkaar verweven. Zo hoor je vaak de vraag “waaraan heb ik dit verdiend?”. Wanneer bij bepaalde natuurrampen, zoals een tsunami, aardbeving of overstromingen, soms gesteld wordt dat dit een straf is voor het zondige gedrag van de mens, baseert men zich op deze koppeling van lijden en schuld.
Deze benadering kunnen we ook terugvinden in het oudtestamentische boek Job. In dit Bijbelboek neemt het lijden een centrale plaats in. Het kaderverhaal (hoofdstukken 1,2,42 en 7 tot 17) verhaalt hoe God de satan vertelt over zijn meest rechtschapen dienaar, Job. De satan echter, beweert dat het geloof van Job, een rijk man, niet oprecht en belangeloos, maar voortkomt uit de vrees zijn bezit kwijt te raken als hij God niet eert. Om dat te bewijzen vraagt hij Gods toestemming om Job te testen. God geeft toe en Job wordt getroffen door de ene ramp na de andere, geraakt al zijn bezittingen en zijn kinderen kwijt en wordt ten slotte zwaar ziekt. Job verliest zijn geloof echter niet en op het einde van het kaderverhaal geeft God alles dubbel terug 61.
Tussen dit kaderverhaal (hoofdstukken 3-41) vinden we een ander verhaal, niet in proza, maar een gedicht. Dit dichtwerk geeft de worsteling van Job weer met zijn lijden en Godsgeloof. Job weet niet hoe hij beide kan verzoenen. Hij wordt bovendien uitgedaagd door zijn vrienden Elifaz, Bildad en Sofar (hoofdstukken 4-27). Zij verdedigen de visie dat God een rechtvaardige God is en dat het lijden Job enkel overkomt omdat hij schuldig is. Eerst komt Elifaz aan het woord:
Vertel mij: is ooit een schuldeloze verloren gegaan?
Waar zijn ooit rechtvaardigen omgekomen?
Mijn ervaring is: onheil ploegen en zaaien,
doet onheil maaien (Job 4,7-8).
Job aanvaardt deze verklaring niet en is ontgoocheld door de theorieën van zijn vrienden. Maar ook Bildad en Sofar houden aan dezelfde visie vast. En als Job denkt zelf niet schuldig te zijn, draagt hij misschien nog de schuld van zijn voorouderen, of kent hij zichzelf niet zo goed als God hem kent.
1.1.2 Bezwaren
Tegen deze traditionele vergeldingsleer zijn verschillende bezwaren geuit. Reeds in het Bijbelboek zelf zet Job zich af tegen deze idee dat het lijden een straf voor de zonde is. Na een lang gewetensonderzoek besluit hij immers dat hij nergens onrecht deed aan God of aan andere mensen en er dus geen reden is om hem te straffen (Job 31). In zijn verzet tegen de vergeldingsleer sluit Job ook aan bij de dagdagelijkse ervaring dat wie goed leeft niet minder gespaard blijft van lijden dan wie kwaad doet:
Waarom leven goddelozen lang,
tot in hun ouderdom welvarend en gezond?
Zij leven en ze zien hun kinderen gedijen,
en zelfs de kinderen van hun kinderen.
In hun huis heerst vrede zonder vrees,
ze worden niet getroffen door Gods gesel. (21,7-9)
De vergeldingsleer aanvaarden zou dan ook betekenen dat wie lijdt, daarnaast ook nog eens de last van een schuldgevoel moet torsen. Bovendien maakt een dergelijke visie elk verzet tegen menselijk lijden onmogelijk: het lijden is immers verdiend en kan niet ontlopen worden. Daarnaast wordt, vooral vanuit het Nieuwe Testament, benadrukt dat God niet zomaar naar menselijke normen handelt. Het is een vergevende God, die mensen steeds opnieuw laat beginnen: “God handelt niet zoals een menselijke boekhouder. Hij is ánders.”62
In het boek Job zien we trouwens hoe God zelf de vergeldingsuitleg van de vrienden van Job verwerpt: “Na zijn woorden tot Job richtte de Heer zich tot Elifaz: ‘Zeer ontstemd ben Ik over u en uw beide vrienden, want u hebt van Mij niet zo‘n zuiver beeld gegeven als mijn dienaar Job.’ ”(Job 42,7).
1.2 God als wijze pedagoog
1.2.1 Toelichting
Ten tweede is God meermaals opgevat als een wijze Pedagoog. Hij laat het lijden toe of zendt het zelfs als een soort medicijn omdat het ons als mens wijzer en sterker maakt, omdat we daardoor gevoeliger door worden voor het lijden van anderen, omdat het ons tot inkeer en dichter bij God kan brengen. Is het niet zo, wordt dan gezegd, dat weerstanden onze vindingrijkheid en weerbaarheid stimuleren? En wordt onze enge en soms eigengereide menselijke horizon niet veelal door lijdenservaringen opengebroken en verbreed? Sommige godgelovigen getuigen dat hun leven en geloof een diepere wending hebben gekregen door een lijdenservaring. C.S. Lewis (1898-1963) gebruikt het beeld van de megafoon:
God fluistert tot ons in onze genietingen; Hij spreekt in ons geweten; maar Hij roept luid in ons lijden. Dat lijden is Zijn megafoon om een dove wereld wakker te roepen. Een slecht mens die zich gelukkig voelt, heeft er geen idee van dat zijn handelen niet ‘klopt’, dat hij niet in harmonie is met de wetten van het heelal. […] Ongetwijfeld is het lijden als megafoon een gevaarlijk instrument: het kan leiden tot opstand en verharding. Maar het is de enige kans voor een slecht mens om een beter mens te worden. Het prikt onze illusies door. Het plant de banier van de waarheid in de vesting van de opstandige ziel. 63
1.2.2 Bezwaren
Er zijn inderdaad mensen die groeien door een lijdenservaring, maar er zijn ook mensen die er door verbitterd raken. Soms helpt het lijden groeien – of: groeit men door het lijden heen – maar het risico op niet groeien en kapot gaan is minstens even groot. Dat mensen groeien doorheen hun lijden en er sterker uit komen kan dan ook niet zomaar als algemene regel vooropgesteld worden. Het lijden kan dus niet zomaar op die manier gerechtvaardigd worden. Kris Depoortere merkt ook op dat dit gepaard zou gaan met een onwenselijk godsbeeld: “Dan is God geen God, maar een afstandelijke meester, bijna een beul, een directeur van een marionettentheater.”64 Bovendien is er al te vaak een disproportie tussen het lijden en de menselijke groei die er uit kan voortvloeien: de dood van een kind kan niet gerechtvaardigd worden door de verbeterde familierelaties die er het gevolg van zijn. De notie van lijden als loutering of opvoedkundig middel stoot op de grens van bepaalde ervaringen van absurd, onschuldig lijden:
Lijden als menswording […] gaat op bij een normale dood na een welgevuld leven. Maar het gaat niet op bij de dood van een kind of bij een gewelddadige dood. Het geldt voor normale eenzaamheid, maar niet voor in de steek gelaten oude mensen, of verlaten kinderen of vrouwen. Het geldt voor normale beperktheden, maar niet voor ondervoede mensen, onderdrukte minderheden of gehandicapten. Het geldt voor normale angst, maar niet voor angst voor kernwapens, of angst die tot wanhoop of zelfmoord leidt. Het gaat op voor pijn die ons waarschuwt dat er iets mis gaat, maar niet voor een overmaat aan pijn. 65
Lijden kán dus soms een heilzame waarde hebben en een stimulans zijn in het leven, maar dit is zeker niet altijd het geval.
1.3 Gods ondoorgrondelijke goedheid
1.3.1 Toelichting
Een derde visie benadrukt het anders-zijn van God en stelt dat de mens Gods redenen voor het lijden niet kan begrijpen. Ze houdt vast aan een sterk geloof in Gods goedheid, maar gaat ervan uit dat God beter dan de mens weet wat deze goedheid inhoudt. In vergelijking met de twee vorige visies, wordt Gods goedheid hier dus minder concreet ingevuld. Soms gebruikt men voor deze visie het beeld van een tapijt, waarvan wij alleen de achterkant zien, terwijl God de mooi geweven voorkant kent. We vinden deze visie ook terug in de slothoofdstukken van het boek Job. Zijn slotwoorden:
Inderdaad, U kunt alles;
voor U is niets onuitvoerbaar.
Hoe durft onze kortzichtigheid uw plan te verdoezelen?
En ik maar spreken zonder iets te weten,
over wondere dingen die ik niet begreep,
en dan nog in de trant van: luister, ik zal spreken,
ik stel vragen, probeer eens te antwoorden.
Alleen van horen zeggen kende ik U,
nu heb ik U gezien met eigen ogen.
Alles herroep ik, over alles heb ik spijt,
zittend in stof en as. (Job 42,2-6)
Kristiaan Depoortere omschrijft deze houding als “een bescheiden visie van zich toevertrouwen aan God, die zo veel groter is dan alle menselijke besef. Fundamenteel is het geloof in een dragende God, die het op een voor mensen onvatbare manier toch goed voor heeft met ieder van hen.”66
De sterkte van deze visie ligt erin dat ze radicaal afrekent met een nuttige God: “Job bewijst, tegen de verdachtmaking van de satan in, dat het hem in het geloof niet gaat om persoonlijk voordeel, om de garantie van aards geluk, ook niet om een moreel houvast, om de instandhouding van law and order of omgekeerd om verandering van de maatschappelijke verhoudingen, kortom om zich-gelukkig-voelen, maar alleen om het ware zijn, en dat betekent voor hem: om de ervaring van Gods aanwezigheid in de wereld. God ervaren zoals Hij werkelijk is – daarop komt het bij Job aan.” 67
1.3.2 Bezwaren
Ook bij deze visie rijzen verschillende bezwaren. Opnieuw kunnen mensen het gevoel krijgen dat het lijden niet bestreden moet worden; hoewel we het niet begrijpen, is het lijden er immers met een goede reden. De lijdenservaring dreigt zo geminimaliseerd te worden. Bovendien blijft de God die met deze visie gepaard gaat, de God van het boek Job “de verre, afstandelijke, een beetje autoritaire Schepper, degene die, tout compte fait, ‘boven’ het menselijk lijden blijft staan en niet écht antwoordt.”68 Precies tegen een dergelijk Godsbeeld, dat niet lijkt de stroken met de God die naar voren komt in het Nieuwe Testament, zetten recente theologen zich af aan de hand van de idee van de meelijdende God.
II. een nieuw antwoord: de meelijdende God
De voorgaande klassieke antwoorden trachten dus een soort antwoord te bieden op de vraag naar het ‘waarom’, naar de zin van het lijden. In deze modellen wordt Gods almacht geenszins opgegeven. Wel wordt opgeworpen dat deze modellen Gods goedheid aantasten. God wordt op de een of andere manier met de oorsprong van het lijden verbonden: Hij laat het toe of zendt het. 69
Hierop inspelend, is er vooral in de laatste decennia onder christenen een nieuw antwoord opgedoken, dat courant en populair is geworden: God wil het lijden niet, Hij laat het ook niet toe, maar Hij reageert op het lijden van mensen en lijdt met hen mee. In dit nieuwe antwoord wordt God doorgaans niet langer gezien als oorzaak van het lijden en probeert men de volle nadruk te leggen op de goedheid van God. Bovendien wil deze visie volop recht doen aan het onverdiende lijden, aan de mens als slachtoffer van het kwaad. God wordt gezien als de lijdende lotgenoot, ‘de lijdende metgezel die ons verstaat’ (A.N. Whitehead)
Het courante spreken over een God die met mensen mee lijdt, is een vrij recent fenomeen. Het maakte opgang na de ervaring van de Holocaust, waar het lijden zo intens en overweldigend was dat het niet meer met God verbonden kon worden zonder radicaal afbreuk te doen aan zijn goedheid. Vaak wordt de idee van de lijdende God verbonden met Elie Wiesels De nacht: “ ‘Waar is God?’ … ‘Hier, aan deze galg’ ”.
De grote verdienste van dit nieuwe, actuele antwoord is heel zeker dat het Gods nabijheid in het lijden, Gods verbondenheid met de (onschuldig) lijdende mens sterk beklemtoont. Jezus Christus – volgens christenen Gods mensgeworden Zoon – heeft ons lot gedeeld en werkelijk geleden. Zijn solidariteit met mensen die leven in godverlatenheid, is onvergetelijk.
Elie Wiesels
‘De drie ter dood veroordeelden klommen tegelijk op hun stoelen. De drie nekken werden tegelijk in de stroppen gestoken. ‘Leve de vrijheid!’ riepen de twee volwassenen. Maar het kind zweeg.
‘Waar is de Goede God, waar is Hij?’ vroeg iemand achter mij. Op een teken van de commandant werden de stoelen weggenomen. Er heerste een doodse stilte in het kamp. Aan de horizon ging de zon onder.
‘Hoofden ontbloten!’ schreeuwde de commandant. Zijn stem klonk schor. En wij, wij huilden. ‘Hoofden bedekken!’
Toen begon het defilé. De twee mannen leefden niet meer. Hun tong hing uit hun mond, dik en blauw, het derde touw bewoog nog: het kind, dat zo licht was, leefde nog…
Langer dan een half uur bleef hij hangen tussen leven en dood, stervend onder onze ogen. En wij moesten hem recht in zijn gezicht kijken. Toen ik langs hem ging leefde hij nog. Zijn tong was nog rood, zijn ogen nog niet gebroken.
Achter mij hoorde ik dezelfde man vragen:
‘Waar is God toch?’
En binnen in mij hoorde ik een stem die antwoordde: ‘Waar is Hij? Hier – Hij is hier opgehangen – aan deze galg…’ 70
Illustratie: Oscar en oma Rozerood
In Eric-Emmanuel Schmitts ‘Oscar en oma Rozerood’ schrijft de tienjarige ongeneeslijk zieke Oscar vanuit brieven aan God. Hij doet dit op aanraden van oma Rozerood, een dame die hem regelmatig bezoekt. Oscar raakt meer en meer nieuwsgierig naar wie God is en oma Rozerood stelt voor Hem eens te gaan opzoeken:
“‘Zullen we God eens gaan opzoeken?’
‘Ah, eindelijk, hebt u zijn adres dan?’
‘Ik denk dat hij in de kapel is.’
Oma Rozerood kleedde me aan alsof we naar de Noordpool gingen, ze tilde me op en droeg me naar de kapel die achter in de tuin van het ziekenhuis staat, achter het bevroren grasveld – nou ja, ik hoef jou niet uit te leggen waar het is, want het is jouw huis.
Ik schrok wel toen ik je beeld zag, ik bedoel, toen ik zag hoe je er aan toe was: bijna helemaal naakt, zo mager aan dat kruis, met overal wonden, met je hoofd dat bloedde vanwege de doornen, en dat je niet eens meer rechtop kon houden. Het deed me aan mezelf denken. Ik werd er opstandig van. Als ík God was, zoals jij, dan had ik mezelf niet zo laten toetakelen.
‘Even serieus, Oma Rozerood: u bent worstelaarster, u bent een beroemde kampioene geweest, dan gaat u toch zeker niet in zoiets geloven?’
‘Waarom niet, Oscar? Zou je meer geloven in God als je een bodybuilder zag met een getraind lijf, dikke spierbundels, z’n huid glimmend van de olie, kortgeknipt haar en een flatteus minislipje?’
‘Eh…’
‘Denk eens na, Oscar. Wie staat er dichter bij je, naar je gevoel? Een God die geen beproevingen doorstaat, of een God die pijn lijdt?’
‘Een God die pijn lijdt natuurlijk. Maar als ik hem was, als ik God was, als ik net als hij de mogelijkheden had, zou ik ervoor hebben gezorgd dat ik geen pijn hoefde te lijden.’
‘Niemand kan ervoor zorgen dat hij geen pijn hoeft te lijden. God net zomin als jij. Je ouders net zomin als ik.’” 72
2.2 Bezwaren
Niettemin kunnen ook enkele vraagtekens geplaatst worden bij een te vlot en te letterlijk toeschrijven van (mee)lijden aan God. Zou God werkelijk zelf afzien, smart ondergaan en in die zin ‘lijden’, wanneer mensen door lijden worden getroffen? Het is daarom allicht beter te spreken van Gods ‘medeleven’ dan van een letterlijk ‘mee-lijden’. Lijden hoort tot de eindige, beperkte menselijke conditie en daaraan is God niet onderhevig. Bovendien rijst de vraag of een lijdende God nog wel een God is die de wereldgeschiedenis ten goede leidt. Is Hij de Heer en Schepper, Degene die met ons kan strijden tégen het lijden en ons uiteindelijk kan bevrijden uit het lijden? Kan een lijdende God echt troost bieden? 73
III Een "Antwoord" vanuit het Chirstusgebeuren
Christenen halen best hun ‘antwoord’ vanuit het gebeuren van en met Jezus Christus. Dat ‘antwoord’ kan nooit een sluitende verklaring zijn. Het laat vele waarom-vragen onbeantwoord. Wel kan het een stukje verheldering bieden en een stimulans betekenen tot een groter vertrouwen en radicalere inzet voor lijdende medemensen.
3.1 Een God die mensen draagt doorheen het lijden
3.1.1 Die ons bij-staat
De bijbelse godsnaam ‘JHWH’ is veelbetekenend. Het wordt meestal vertaald met “Ik ben die is”, als een vorm van het werkwoord haja (zijn) 75. Cruciaal is dus het aanwezig-zijn 76. In de Bijbel kan gelezen worden hoe mensen uit het volk Israël in allerlei situaties God hebben erkend en beleefd als ‘degene die bij-staat’, als degene die zegt en doet: “Ik zal er zijn voor u!” De Bijbelse God is een God die zich associeert met de meest broze en breekbare mensen. Christenen kunnen toegroeien – doorheen periodes van verzet en troosteloosheid – naar het vertrouwen dat de onzichtbare God mensen nooit loslaat, dat Hij ons wil bij-staan en dragen, ook in duisternis en pijn.
Voor christenen heeft de Onzichtbare op ongeëvenaarde manier zijn gelaat getoond in Jezus van Nazareth 77. Als zij zich de vraag stellen waar God te vinden is als mensen lijden, dan kijken en luisteren ze dus best naar Jezus. Reeds van bij de aanvang van zijn openbaar optreden kondigt Jezus aan dat Hij een goede, vreugdevolle boodschap heeft voor arme, berooide, gekwetste mensen. Dit komt zeer sterk naar voren in de zaligsprekingen (Mt 5,3-12; Lc 6,20-23). In woord én daad staat Jezus concrete arme, zieke en gebroken mensen bij. In hem wordt de bekommernis weerspiegeld van een God die het opneemt voor wie het moeilijk heeft. Gods toewending tot lijdende mensen wordt in Jezus vlees en bloed, heel concreet.
Het mededogen van God met gekwetste mensen bereikt een climax in Jezus’ eigen lijden en dood. Jezus is niet alleen daadwerkelijk geïnteresseerd in broze, gekwetste mensen. Hij heeft er zich uiteindelijk ook mee geïdentificeerd 79. De Franse schrijver Paul Claudel zegt het ergens als volgt: “Jezus is niet gekomen om het lijden uit te leggen of om alle lijden weg te nemen. Hij is gekomen om het lijden met zijn aanwezigheid te vullen.” Niet alleen in zijn actie, maar ook in zijn passie openbaart Jezus de liefde van God. Jezus’ kruisdood geeft christenen weliswaar geen bevredigende uitleg of verklaring over de relatie tussen God en het lijden, maar kan voor wie gelooft wél aan het licht brengen dat God zelfs in het Golgota, dit is in de meest duistere uithoek van het menselijk bestaan, is afgedaald en steunend nabij blijft. In de kruisweg van Albert Servaes kan deze idee teruggevonden worden in de totaal uitgemergelde Christus die sterk doet denken aan het onmenselijke lijden waarmee Servaes geconfronteerd werd in de eerste wereldoorlog 80.
Dat God degene is die mensen bij-staat, kan je volgens de christelijke overtuiging bovendien op het spoor komen via mensen hier en nu die je vriendelijk en zorgzaam blijven omringen in uren van nood. In de tochtgenoot, de vriend van lijdende mensen kan een afglans van Gods barmhartigheid ontdekt worden. In mensen die zieken, eenzamen, treurenden helpen, omarmen en troosten, kan een glimp van Gods goedheid oplichten. Zij kunnen iets doen vermoeden van de Onzichtbare die mensen nooit laat vallen.
3.1.2 Een weg door het lijden heen. God heeft het laatste woord
Volgens de evangeliën verdwijnt Jezus’ leven in zelfvergeten goedheid niet in een totale leegte, maar mondt uit in Gods eeuwigheid. Het Jezusverhaal valt niet definitief stil op Goede Vrijdag. Op de derde dag werd Jezus door zijn Vader uit de dood opgewekt. Dit houdt voor alle gelovigen de belofte in dat lijden, kwaad en dood niet het laatste woord zullen hebben. Net zoals voor Jezus, is er voor mensen geen weg beloofd zonder lijden, maar wel een weg daardoor heen. Of nog anders uitgedrukt: God heeft Jezus niet behoed voor het lijden, maar in het lijden (R. Michiels). Dit heeft ook alles te maken met de betekenis van ‘Pasen’ of ‘Pascha’: doortocht, passage. Er is een mogelijkheid doorheen het lijden.
Dat Jezus ‘op de derde dag’ door zijn Vader uit de dood is weggeroepen, stelt beloftevol in het vooruitzicht dat ook voor mensen ooit dé ‘Derde Dag’ zal aanbreken, de dag waarop alle lijden, kwaad en dood voorgoed voorbij zullen zijn. Christenen zijn mensen van hoop 81.
3.1.3 ... maar God heeft ook het eerste woord
In de christelijke optiek heeft God dus het laatste woord. Maar als Schepper, als Bron van alle leven, heeft Hij ook het eerste. En hier komt de moeilijke vraag naar God en het lijden in alle scherpte opnieuw naar boven. Als God het eerste woord heeft, als Hij de Schepper is, vanwaar komt dan het lijden en het kwaad in de wereld?
Een aanzet kan gegeven worden door terug te verwijzen naar het onderscheid tussen moreel kwaad en het lijden dat daarvan het gevolg is, en natuurlijk kwaad en het daaruit voortvloeiende lijden. Het morele kwaad is het gevolg van de vrijheid van de mens. Als God uit liefde het andere dan zichzelf in het leven roept en vrije schepselen laat bestaan, dan ligt de mogelijkheid van het morele kwaad daarin besloten. Maar zonder het geschenk van de vrijheid is er geen echte liefdescommunicatie mogelijk. En daar is het God juist om te doen.
Wat betreft het natuurlijke kwaad kan verwezen worden naar de relatieve zelfstandigheid van de natuur. De kosmos heeft een eigen wetmatigheid en dynamiek, die God niet zomaar van bovenaf doorbreekt of onderbreekt. Dat er zich in dit wereldproces ook negatieve processen en fenomenen voordoen, is onvermijdelijk. Lijden hoort klaarblijkelijk tot ons eindig menselijk leven, met zijn vele mogelijkheden, maar ook met zijn pijnlijke grenzen en beperkingen. Had God het niet allemaal wat beter kunnen ‘regelen’, had Hij niet een heel andere wereld kunnen scheppen waarin al die ellende niet voorkomt? Ook christenen blijven het antwoord hierop schuldig. We kennen enkel déze eindige wereld 82.
De hele vraag is dan of het de moeite waard is om als mens in déze wereld te leven. Is het beter in deze wereld te bestaan dan helemaal niet te bestaan? Het leven kent veel raadsels, pijn en verdriet, maar draagt ook bronnen mee van oprechte goedheid, schoonheid en vreugde. Weegt één moment van echte liefde of genegenheid op tegen het lijden dat we meemaken? Niemand kan hierop een antwoord geven in de plaats van een ander. Augustinus zegt het als diepgelovige christen met de hand op het hart: “Met al ons ongeluk, houden we toch van het leven”83. Maar het is goed te begrijpen als mensen die de ene tegenslag na de andere moeten verwerken of die te kampen hebben met een afschuwelijke pijn of een hemeltergend onrecht, niet tot die beaming komen.
3.2 Consequenties naar de beleving toe
Het lijden daagt mensen niet enkel uit tot het vormen van een levensvisie, maar ook tot een zekere ‘spiritualiteit’ of concrete zin-beleving. Een visie op het lijden vanuit het Christusgebeuren heeft belangrijke implicaties naar de beleving van geloof en leven toe.
3.2.1 God blijven aanspreken
Het is van vitaal belang voor christenen dat ze zich blijven richten tot God, ook al lijkt Hij ver weg en zien ze ‘het’ of Hem niet meer ... Je mag roepen of schreeuwen tot God, je mag zeggen dat je het niet meer weet, maar belangrijk is dat je hem blijft aanspreken. Het blijven aanspreken van God is essentieel voor de relatie tussen de gelovige en God 84. Dat is ook de houding van Job; in de grootste ellende, in zijn grootste woede, houdt hij niet op God aan te spreken, aan te roepen:
Hoe talrijk zijn mijn misstappen, mijn zonden?
Leer ze mij kennen.
Waarom keert U zich af van mij
en behandelt U mij als uw vijand?
Wilt U een neergewaaid blad opschrikken,
achter een dorre strohalm aanzitten?
Waarom vraagt U anders zoveel rekenschap over mij,
verhaalt U mijn jeugdzonden op mij,
doopt U mijn voeten in de kalk,
bewaakt U mijn gaan en staan,
en loopt U al mijn sporen na? (Job 13,23-27)
De godsrelatie wordt concreet in het gebed. In het bijbelboek van de Psalmen vinden we heel wat smeekgebeden. Zo lezen we hoe mensen vanuit hun nood God klagend en smekend aanspreken (zie bv. Psalm 130). Jezus zelf heeft zijn ellende en godverlatenheid op het kruis uitgeschreeuwd met de woorden van Psalm 22: “Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?” In hun noodkreet vertrouwen gelovigen erop dat ze niet tegen een muur roepen als ze zich richten tot de Onzichtbare. Door pijn, moeite en protest heen kan het gebeuren dat gelovigen door-groeien naar overgave en in hun geloof een grote energiebron vinden om het lijden te dragen 85. Geloven is steeds een ‘ja, ondanks de pijn’, een ‘ja, doorheen de pijn’, een ‘vertrouwen, ondanks’. Zoals Jezus, die aan het kruis niet alleen verzet tegen het lijden, maar ook vertrouwvolle overgave toonde: “Vader, in uw handen beveel ik mijn geest” (Lc 23,46) Het geloof maakt echter niet immuun voor het lijden. Ook voor christenen die op God vertrouwen, blijven veel waarom-vragen onopgehelderd. Bijbels-christelijk geloven is zich blijven hechten aan een liefdevolle God, ook al is daar ogenschijnlijk weinig reden toe.
Hier zijn geen standaard-antwoorden, alleen getuigenissen, zoals bijvoorbeeld deze van een zuster-missionaris die de verschrikkingen tijdens de genocide in Rwanda heeft meegemaakt; ze vertolkt haar gelovige verwerking van deze gruwel in een dialoog tussen mens en God:
Waar was Je, God, Jij van wie onze wijzen zeggen dat Je de nacht doorbrengt tussen de duizend heuvelen, terwijl je overdag de aarde doorkruist? Waar was Je toen de hel losbrak en de eeuwenoude Kaïn duizendvoudig toesloeg? Waar was Je toen de herders van uw volk vermoord werden en samen met hen ontelbaar veel kinderen, vaders en moeders? Wij zoeken vertwijfeld jouw aangezicht en klampen ons vast aan het geloof dat Jij, zoals eertijds in Egypte, het geweeklaag van jouw volk hebt gehoord.”
“Toch bleef Ik heel die tijd tussen de duizend heuvelen. Mijn Vaderhart trilde bij elke doodskreet. Zo dikwijls stierf mijn Zoon opnieuw. Wat geen televisiecamera ontdekte, zag Ik gebeuren: mensen die het evangelie beleefden door biddend de dood tegemoet te gaan, mensen die hun leven riskeerden om anderen te redden uit honger en vernietiging, mensen die wonden heelden, verminkte gezichten toespraken en vluchtelingen herbergden. Ik bleef … dankzij hen.”86
3.2.2 Naaste worden
Christenen kunnen niet zomaar neutraal en vrijblijvend over het lijden spreken en nadenken. Het lijden van andere mensen daagt hen uit om in het spoor van Jezus Christus te strijden tegen ophefbaar lijden, om te protesteren tegen onrecht, om zich te laten raken door broze mensen en hen aandachtig en barmhartig tegemoet te treden, om hen te troosten en effectief te steunen. Het grote devies van Jezus luidt: “Wees barmhartig zoals je Vader barmhartig is” (Lc 6,36)87 . Jezus’ parabel van de barmhartige Samaritaan (Lc 10,25-37) blijft tot op vandaag mensen inspireren 88. Tevergeefs zullen we in de evangeliën zoeken naar grote theorieën over naastenliefde. Wel lezen we er hoe Jezus heel concreet de naaste is geworden van noodlijdenden. Dit mededogen ten opzichte van kwetsbare en gekwetste mensen vraagt hij ook van zijn leerlingen 89. Ook al kost dit mededogen hen iets. Wie liefheeft, is bereid de prijs van de liefde te betalen.
Verwerkingsvragen
Becommentarieer volgende stellingen. Welk gods- en wereldbeeld spreekt er uit:
- “Het lijden brengt iets goeds voort. We zien het nu nog niet, maar later zullen we het ontdekken”.
- “God zendt ons het lijden. Het is een teken dat we toch iets verkeerd moeten hebben gedaan. Het is een straf.”
- “Het lijden is een geschenk, wat het kan ons dichter bij God brengen. Het kan ons doen groeien in geloof.”
- “God wil het lijden niet, Hij stuurt het ons niet. Het gebeurt gewoon. We moeten er het beste van maken en kunnen Hem bidden om hulp.”
- “Ik geloof dat God kan tussenkomen. Maar waarom doet Hij het dan niet?”
D. Lijden in andere religies en levensbeschouwingen
Verschillende religies en levensbeschouwingen hebben andere opvattingen over de principes van de werkelijkheid, over god(en), over de verhouding tussen de goddelijke en de menselijke wereld, menselijke verantwoordelijkheid, … Op basis daarvan staan ze ook heel anders ten opzichte van het lijden in de wereld. Zowel met betrekking tot de oorsprong van het lijden, de geoorloofde houding in het lijden als de bestrijding van het lijden lopen de houdingen in de verschillende religies en levensbeschouwingen erg uiteen. Wanneer we hieronder een zeer summier overzicht geven van de verschillende posities ten aanzien van lijden in andere dan de christelijke levensbeschouwingen, mag niet uit het oog verloren worden dat er ook binnen eenzelfde levensbeschouwing verschillende gods- en wereldbeelden bestaan en dus ook verschillende houdingen ten aanzien van het lijden. Deze diversiteit is overigens niet minder terug te vinden in het christendom.
Doelstellingen van dit onderdeel
- zich rekenschap kunnen geven van het verband tussen iemands mens-, wereld- en Godsbeeld en diens visie op en houding in het lijden
- beknopt kunnen aangeven hoe in het jodendom, de islam, het hindoeïsme, het boeddhisme en het humanisme wordt aangekeken tegen het lijden
I. Mythologie en dualisme
De filosoof Paul Ricoeur onderscheidt verschillende visies op het kwaad in de traditionele mythologie 90. Deze visies zijn telkens een variant op het dualisme, dat zowel een goed als een kwaad beginsel vooropstelt. We kunnen drie types onderscheiden 91. In een eerste type gaat men uit van een goede en een kwade godheid. Goed en Kwaad zijn in strijd met elkaar. Omdat geen van beide de overhand haalt op de ander, is de wereld vervuld van goed zowel als kwaad. Een voorbeeld van een dergelijk dualisme is terug te vinden in de Babylonische scheppingsmythe Enuma Elish 92. In die mythe is er vanaf het begin van de schepping chaos; het kwaad ontstond samen met de goden. Ook het zoroastrisme gaat uit van een goede en kwade god 93.
Een tweede variant van het dualisme situeert beide beginselen van goed en kwaad in de godheid zelf. Dit is vooral terug te vinden in de Griekse mythologie en tragedies. Prometheus, die het vuur van de goden steelt nadat Zeus het uit woede en jaloezie van de mensen heeft weggenomen, doet goed aan de mensen, maar wordt door Zeus gestraft omdat hij kwaad doet aan hem. Precies omdat goed en kwaad vermengd zijn in de godheid, omdat Zeus zowel genereus als jaloers is, is het zuiver goede onmogelijk. Het kwade is op tragische wijze onvermijdelijk met het bestaan vervlochten.
In een derde type van dualisme wordt de dualiteit tussen goed en kwaad in de mens zelf gesitueerd. Vaak ziet men dan het lichaam als bron van kwaad, die de ziel, vonk van goedheid, gevangen houdt en misleidt. Deze visie vindt men onder ander terug in de reïncarnatiegedachte, maar vooral ook in de gnostiek, die een sterke invloed had op het christendom (zie bv. ook e middeleeuwse katharen).
Door zowel goed als kwaad aan de oorsprong van de werkelijkheid te plaatsen besteedt het dualisme veel aandacht aan de onontkoombaarheid van het kwaad en lijden in de wereld. Kwaad en lijden zijn structureel; er is dus geen wereld denkbaar zonder lijden. Hierdoor worden lijdenservaringen zeer ernstig genomen. Tegelijk echter ontslaat het de mens van verantwoordelijkheid: het lijden is niet de schuld van de mens, maar inherent aan de wereld. Of zoals Augustinus zei: “Niet ik handel, maar het kwaad in mij.”
Beknopte vergelijking met het christendom
Het dualisme lost het probleem van het samengaan van een goede god met het lijden in de wereld op door te stellen dat een andere, kwade, god verantwoordelijk is voor het lijden, ofwel door te ontkennen dat de godheid zuiver goed is. Bij de positie dat er twee godheden zijn, één ten goede en één ten kwade, die met elkaar in strijd zijn, wordt wel de almacht van de (goede) god opgegeven. Het christendom daarentegen houdt vast aan één, algoede en almachtige, God. Het lijden in de wereld is voor het christendom dan ook veel moeilijker te verklaren. Tegelijk echter hebben christenen meer redenen om hoopvol te zijn. Het goede is volgens christenen oorspronkelijker en uiteindelijker dan het kwaad. De liefdevolle, scheppende God heeft het eerste en het laatste woord. Ook ziet het christendom de mens als een unieke eenheid van geest en lichaam. Het Bijbelse scheppningsgeloof bevestigt dat ‘God zag dat het goed was’, ook het menselijk lichaam.
II. Hindoeïsme en Boeddhisme
Zowel het hindoeïsme als het boeddhisme hebben een cyclisch wereldbeeld 94. Het bestaan is een kringloop van leven, sterven en weer geboren worden. Deze kringloop wordt samsara genoemd. Samsara is het gevolg van de vergankelijkheid die centraal staat in het hindoeïstische en boeddhistische mens- en wereldbeeld. De dood, als bewijs van vergankelijkheid, maakt dan ook fundamenteel deel uit van het bestaan. Omdat de dood ook altijd een nieuw begin is door de wedergeboorte, is kan de dood echter geen verlossing uit het lijden bieden. Verlossing uit het lijden is dus maar mogelijk door te ontsnappen aan de kringloop van sterven en wedergeboorte. Deze verlossing noemt men moksha (hindoeïsme) of nirvana (boeddhisme).
De oorzaak van deze kringloop wordt gesitueerd in karma, de wet van oorzaak en gevolg. Dit betekent dat wie goed doet, ook het goede overkomt en dat wie slecht doet het slechte overkomt. Ziekte en lijden kunnen ook veroorzaakt worden door slecht karma. De uiteindelijke oorzaak van zowel goede als slechte handelingen is echter de begeerte. In de oudste Upanishaden, die deel uitmaken van de Veda, de geopenbaarde traditie van het hindoeïsme uit het hindoeïsme vindt kan men het volgende lezen: “En hier zegt men dat een mens bestaat uit verlangens. En zoals zijn verlangen is, zo zal zijn wil zijn; en zoals zijn wil is, zo zal zijn daad zijn; en naar gelang de daden die hij stelt zal hij vruchten plukken”. Nog dieper dan het verlangen ligt de oorzaak van karma en samsara echter in de onwetendheid, het gebrek aan inzicht in de diepste werkelijkheid. Enkel door inzicht kan het heil bereikt worden.
2.1 Hindoe
Omdat het bestaan een eeuwige kringloop is van sterven en geboren worden, maken lijden en dood er volgens hindoes wezenlijk deel van uit. Het heeft dan ook niet veel zin om hierover bedroefd te zijn: “De dood is een zeker feit voor degene die wordt geboren en ook is geboorte zeker voor hen die sterven; het zijn onvermijdelijke zaken die het dus niet verdienen om over te weeklagen.” (Bhagavadgita).
Verlossing uit het lijden is dus enkel maar mogelijk in het moksha, wanneer men ontsnapt aan de kringloop van sterven en geboren worden. Dit is uiteindelijk maar mogelijk door kennis: de mens moet tot inzicht komen in zijn diepste zelf (atman). Dit diepste zelf moet onderscheiden worden van het ego, het ‘kleine ik’ dat wordt aangedreven door verlangens en waar de mens zich doorgaans mee vereenzelvigt. Ascese, yoga en meditatie kunnen helpen tot dit inzicht te komen. Ook goeroes of spirituele meesters spelen een belangrijke rol om tot dit inzicht te komen. Enkel bij een volledig inzicht in het zelf, kan het atman samenvallen met het fundamentele principe van het universum (brahman) en ontsnapt het zelf aan de eeuwige kringloop van sterven en geboren worden – en dus aan het lijden.
2.2 Boeddhisme
In het boeddhisme95 neemt lijden een centrale plaats in. Siddharta Gautama, de latere boeddha (‘verlichte’) was een prins die in een luxueus paleis woonde terwijl zijn vader met alle macht wou verhinderen dat Siddharta in contact kwam met de buitenwereld en het lijden dat daar in voorkwam. Toch ontdekt Siddharta de echte wereld achter de ommuurde paradijselijke tuin. Hij ziet daar achtereenvolgens een zieke man, een oude man en een dode man en verneemt dat dit ieders lot is, dat de wereld vol lijden is, wat hem ten diepste schokt. Siddharta kan deze ervaring van het lijden niet negeren en zal het hofleven de rug toe keren, de wereld intrekken en als monnik gaan leven.
Na verschillende omzwervingen bereikt Siddharta de verlichting en verlossing uit het lijden via meditatie en inzicht. De eerste ‘edele waarheid’ van het boeddhisme stelt dat het lijden onontkoombaar is in de wereld. Volgens de woorden van de Boeddha: “Geboorte is lijden, ouderdom is lijden, ziekte is lijden, dood is lijden, gejammer en geklaag, pijn en verdriet zijn lijden, het verbonden zijn met datgene waarmee we niet verbonden willen zijn is lijden, gescheiden te zijn van hetgeen we liefhebben is lijden, het niet in vervulling gaan van wensen is lijden; kortom, de factoren waaruit het leven is opgebouwd zijn lijden.” Om te weten hoe de mens in deze situatie toch geluk kan vinden gaat hij op zoek naar de oorsprong van het lijden. Volgens de Boeddha is alle lijden het gevolg van gehechtheid en verlangen. Enkel wie verlangt, kan lijden onder het gebrek aan zijn object van verlangen. Dit geldt niet alleen voor ziekte, ouderdom en dood, maar ook voor de vele kleine dingen waar we ons dagelijks aan vastklampen en die een bron worden van ons ongelukkig-zijn. De mens kan pas voldoening bereiken, niet door de werkelijkheid te ontvluchten, maar door deze ten volle te aanvaarden, door overgave aan de realiteit. Wanneer de mens alle verlangens loslaat, en dus ook het (fictieve) ik, dat slechts het knooppunt is van al deze verlangens, kan hij de verlichting en het nirvana bereiken. In tegenstelling tot bij het hindoeïsme is er in het boeddhisme geen sprake van een zelf, het atman, maar van een niet-zelf, het anatman. Verlossing uit het lijden bestaat dus niet enkel uit het opgeven van verlangens, maar uit het opgeven van het ik zelf.
III. Abrahamitische godsdiensten
Het jodendom, het christendom en de islam zijn Abrahamitische godsdiensten: ze verwijzen naar Abraham als hun stamvader. Door hun geloof in een persoonlijke God hebben ze een eigen benadering van het lijden, die sterk verschilt van deze in de oosterse godsdiensten
3.1 Jodendom
Joden96 hebben hun heilige Schrift deels met christenen gemeenschappelijk 97. Verschillende visies op God en het lijden die we bij christenen terug vinden, vinden we dan ook bij joden terug 98. In verschillende klaag-Psalmen en in het boek Job (dat elders reeds uitvoerig aan bod kwam), wordt God ter verantwoording geroepen. Anderzijds benadrukt het jodendom vaak de leidende rol van God in de geschiedenis. Zo kan je in de Bijbel – naast diverse andere interpretatiemodellen – de visie vinden dat het lijden de wil van God is. Dit kan dan bijvoorbeeld verbonden worden met de zonde van de mens. Zo zegt koning Saul wanneer het joodse kamp in de oorlog plots met verliezen wordt geconfronteerd: “Aanvoerders van het volk, kom allemaal hierheen en breng aan het licht welke zonde er vandaag heeft plaatsgevonden.” (1Sam 14,38 99). God kan het lijden ook toestaan als een beproeving van de mens. Het jodendom kent wel een grote solidariteit in het lijden. Bovendien hecht het jodendom enorm belang aan recht en gerechtigheid. Lijden dat het gevolg is van onrecht is sowieso een aanfluiting van de God van de gerechtigheid. De profetische boeken vertolken dit scherp.
Net zoals in andere religies, bestaan in de joodse Schrift en in het hedendaagse jodendom verschillende manieren om naar het lijden te kijken. Zo gaat in het beroemde boekje Als ‘t kwaad goede mensen treft de rabbijn Harold Kushner in tegen de stellingen van het orthodoxe jodendom. Hij houdt daarin sterk vast aan Gods goedheid ten koste van zijn almacht. Volgens Kushner wil God het kwaad niet, maar is hij ook niet in staat het tegen te gaan. Ook de recente ervaring van de Holocaust hebben een diepe invloed gehad op het joodse denken over God en lijden. In de film God on Trial (2008) wordt dit indrukwekkend tot uiting gebracht door een groep joodse gevangen die in een concentratiekamp God voor het gerecht voert en daarbij verschillende mogelijke argumenten aanhaalt.
3.2 Islam
In de islam100 speelt Gods almacht en voorzienigheid een belangrijke rol. Alles wat de mens overkomt, ook het leven zelf, komt van God. Het lijden wordt eveneens in dit perspectief van de voorzienigheid geplaatst. Niet alleen de goede dingen, maar ook de slechte dingen zijn immers van God afkomstig. De mens moet zich naar deze wil van Allah schikken (cf. de betekenis van ‘islam’: overgave). Het is immers niet omdat de mens het lijden niet begrijpt, dat God er geen redenen voor heeft (vgl. Koran 2:216: “Maar het kan zijn, dat gij tegenzin hebt in iets terwijl het goed voor u is en het kan zijn, dat u iets behaagt terwijl het slecht voor u is. Allah weet het en gij weet het niet.”) Met het lijden stelt God de mens ook op de proef: het is uit het geduldig aanvaarden van Allahs wilsbeschikking dat de geloofshouding van de moslim bestaat. Toch leidt deze visie op Gods voorzienigheid niet tot een fatalistische levenshouding. Hoewel genezing maar mogelijk is als een geschenk van God (vgl. Koran 6,17: “En als Allah u door schade treft, is er niemand die dit kan afwenden dan Hij […]), ontslaat dit de mens niet van de plicht genezing te zoeken. Dat het lijden van God komt kan voor de moslim echter ook een geruststelling betekenen: Allah heeft me gezien 101. Bovendien legt God nooit een last op die de mens niet kan dragen: “God legt niemand meer op dan Hij hem gegeven heeft […]” (vgl. Koran 65,7).
Uit de islamitische traditie blijkt een grote vertrouwdheid met sterven en de dood 102. De dood is voor moslims ook niet het definitieve einde van het bestaan. Het leven op aarde is immers een voorlopige fase, waarna wordt overgegaan naar een volgende fase, het leven na de dood. In het stervensproces mag de moslim zich dan ook niet te veel richten op het leven dat hij achterlaat op aarde. Eerder blikt de gelovige moslim vooruit naar de toekomst, naar het ware leven na de dood.
IV. Humanisme
Volgens het vrijzinnig-humanisme is er geen objectieve zin terug te vinden in het universum of in een mensenleven. Wel kan de mens zelf zin geven aan zijn leven. Vanuit die visie moet ook het lijden bekeken worden. Het lijden is zinloos en moet zoveel mogelijk bestreden worden. Wel is het mogelijk dat de mens zelf zin geeft aan zijn lijden, bijvoorbeeld omdat het hem tot nieuwe inzichten heeft gebracht. We kunnen binnen dit beperkte bestek helaas niet dieper ingaan op deze visie, maar vinden die wel raak verwoord terug in deze uitspraak van L. Moulin: “Ongelovig zijn betekent zonder enige restrictie te aanvaarden een kort, precair, ongetwijfeld accidenteel leven te leiden, dat geen andere zin heeft dan die welke men eraan al werkend geeft – voor wie? waarvoor? – en waarvan men weet, in volle klaarheid van bewustzijn, dat het zal eindigen in een absurd gat, de dood.”103
Presentatie
Presentatie
presentatie Lijden
Lessuggesties
Suggesties voor een les(senreeks)
Impulsen
Impulsen voor deel A ("lijdende mensen")
1. Getuigenissen van lijdende mensen
Artikels uit I CORNU & J. VAN DER VLOET, Waarom toch? Omgaan met kwetsbaarheid en lijden, Halewijn, 2009.
→ Aan de hand van deze artikels kunnen verschillende elementen van een lijdenservaring worden geïllustreerd.
Impulsen voor deel B ("Zinvragen vanuit lijdenservaringen")
1. Lijdensthematiek in de moderne (religieuze) kunst
Om de thematiek van de existentiële vragen die lijdenservaringen kunnen oproepen aan te brengen, kan gebruik gemaakt worden van een kunstwerk. Voor een korte bespreking van verschillende moderne kunstwerken die de lijdensproblematiek behandelen (E. Munch: De schreeuw; K. Kollwitz, Treurende ouderpaar; P. Picasso, Guernica, S. Dalí, Christus van Sint-Jan van het Kruis, F. De Boeck, Zelfgave), zie H.E. MERTENS, Lijdensthematiek in de moderne (religieuze) kunst, in D. POLLEFEYT en J. BULCKENS, Niet lijdzaam toezien! Godsdienstige verwerking van lijden in de huidige (jongeren)cultuur, Leuven, Acco, 1995, 269-291.
Impulsen voor deel C ("Christelijke visie op het lijden")
1. Film "God on Trial"
- In deze film dagen enkele joodse gevangen in Auschwitz God voor het gerecht. Verschillende argumenten om God schuldig of onschuldig te verklaren aan het leed dat het joodse volk overkomt komen aan bod. De joodse setting belet niet dat de discussies, worstelingen en vragen van de verschillende personages een goed inzicht kunnen bieden in de moeilijke theodiceeproblematiek uit de christelijke traditie (materiaal overgenomen van www.godsdienstonderwijs.be)
- Op het einde van de film God on trial gaan de gevangenen biddend de gaskamers tegemoet. In deze context kan eventueel ook verwezen worden naar Schönbergs ‘A survivor from Warsaw’, waarin in een situatie vol leed het Shema Israël blijft gezongen worden (voor achtergrondinformatie: zie P. DE MEY, Een eigenzinnig huwelijk tussen kunst en religie: de ‘roeping’ van Arnold Schönberg, in Kultuurleven 63/2 (1996) 62-65, p. 65).
2. Kan wel op een theoretische wijze over God en het lijden gedacht worden?
Elie Wiesel zei in een interview in 1989:
Ik geloof niet dat wij na Auschwitz over God kunnen spreken. We kunnen enkel nog tot God spreken. Ik probeer dit tenminste. En zelfs wanneer ik tegen hem spreek, spreek ik tot hem. En zelfs wanneer ik vertoornd ben op God, probeer ik hem mijn toorn te tonen. Precies daarin ligt mijn geloofsbelijdenis, het is geen godsontkenning.
Een theologie na Auschwitz of een theologie over Auschwitz is onmogelijk. Want al wat we zeggen, volstaat niet. Men kan deze gebeurtenis nooit met God begrijpen; men kan ze echter ook niet zonder God begrijpen.”
Deze woorden kunnen ook gelinkt worden aan Wiesels Proces van Shamgorod (toelichting in document), waarin de verdediger van God de satan blijkt te zijn.
→Op basis hiervan kan er met de studenten een reflectie ontstaan over de mogelijkheid en wenselijkheid van een theoretische reflectie omtrent het lijden.
3. Lijden in het christusgebeuren: Het Agnus Dei uit B. Brittens War Requiem
Het Agnus Dei uit Benjamin Brittens War Requiem kan een aanzet vormen van een reflectie/discussie over lijden in (passieve) navolging van Christus, of Christus’ lijden in solidariteit met de mens. Zie hiertoe P. DE MEY & K. SCHILTZ, Ten strijde tegen het onverstoorde verrijzenisgeloof. Een musico-theologische ontleding van het War requiem van Benjamin Britten (1913-1976), In B. RAYMAEKERS & G. VAN RIEL, Wetenschap op nieuwe wegen (Lessen voor de eenentwintigste eeuw), Leuven, Universitaire Pers, 2003, 55-76, p. 67-70.
4. God blijven aanspreken
Bij de verwijzing naar Jezus roep met de woorden van Psalm 22, kan naar de betreffende passage uit Bachs Matteüspassie geluisterd worden (“Und von der sechsten Stunde an”).
Impulsen voor deel D ("Het lijden in andere levensbeschouwingen")
1. Film God on Trial
Daar de film zich eigenlijk in een joodse setting afspeelt, kan deze ook gebruikt worden om de problematiek van het lijden in het jodendom en de verschillende manieren om daarmee om te gaan te schetsen.
Werken met didactisch materiaal buiten de cursustekst
Materiaal bij deel A ("Lijdende mensen")
1. Toepassing fasen rouwverwerking
fragmenten uit J. DIJKSTRA, Gespreksvoering bij geestelijke gespreksvoering. Een methodische ondersteuning om betekenisvolle gesprekken te voeren, Soest, Nelissen, 2007.
→ De studenten kunnen aan de hand van het schema van Kübler-Ross verschillende fasen van rouwverwerking analyseren in de gesprekken.
Materiaal bij deel B ("Zinvragen vanuit lijdenservaringen")
1. Euthanasie
Indien men, bij groepen die geen specifiek OPO ethiek hebben, dieper wil ingaan op de problematiek van euthanasie, kan dit gebeuren door het lezen van verschillende standpunten betreffende euthanasie (cf. Zorgnet, Belgische Bisschoppenconferentie, P. Singer, humanistische positie van H. Van den Enden). Binnen de context van RZL kan dan specifiek de aandacht gericht worden op de verschillende levensbeschouwelijke vooronderstellingen die aan de teksten ten grondslag liggen
Materiaal bij deel C ("Christelijke visie op het lijden")
1. Job
- Het boek Job kan verder besproken worden aan de hand van een of meerdere voorbeelden van de receptie van het boek in de kunsten: zie H. AUSLOOS & I. BOSSUYT (red.), Job tussen leven en lijden. In beeld, woord en klank, Leuven, VBS - Acco, 2010.
- Eventueel (reële kans dat studenten het reeds in het secundair onderwijs hebben gezien) kan ook verwezen worden naar de herinterpretatie van het boek Job door Stef Bos (zie document afkomstig van Thomas-website met onder andere een bespreking door P. Van Hecke)
2) Lijden in het christusgebeuren:
Bij het spreken over het menselijke lijden van Christus kan verwezen worden naar de realistische voorstelling daarvan in de kruisweg van Albert Servaes (zie H.E. MERTENS, Lijdensthematiek in de moderne (religieuze) kunst, in D. POLLEFEYT en J. BULCKENS, Niet lijdzaam toezien! Godsdienstige verwerking van lijden in de huidige (jongeren)cultuur, Leuven, Acco, 1995, 269-291, p. 282-283). Eventueel kan deze voorstelling gecontrasteerd worden met andere voorstellingen van Jezus aan het kruis, waarbij zijn lijden veel minder uitgesproken is (zie bv. de kruisiging door Velazquez en Gauguin). Ook kan aan Servaes’ tekening de bundel van Marc Dejonckheere gekoppeld worden: “Kruisweg. In Flanders Fields is het verlate debuut van Marc Dejonckheere. Het combineert twee van zijn passies: poëzie en de Eerste Wereldoorlog. De bundel bevat 14 gedichten/kruiswegstaties die oorspronkelijk zijn geschreven bij de Getekende Kruisweg van Albert Servaes (1883-1966). In deze geniaal getekende kruisweg uit 1919 beeldt Servaes het lijden van Christus uit. In het verraad, de vernedering en de kruisdood ging de mens Christus tot het uiterste.
Mijn licht wordt tegenlicht. Zie hier
de mens, zijn wereldloze lichaam
en zijn vermeende aangezicht.
(Laatste vers van gedicht I, geschreven bij Kruiswegstatie I)
Dejonckheere plaatst in deze bundel zijn gedichten in het licht van de Eerste Wereldoorlog. De parallel is treffend. De gedichten in Kruisweg. In Flanders Fields zijn geïllustreerd met nooit eerder gepubliceerde foto‘s van geborgen soldatengraven op het slagveld van WO I in Boezinge (Ieper). Kruisweg. In Flanders Fields wordt op die manier een beklijvende portrettenreeks.” (http://www.poeziecentrum.be/uitgeverij/Poeziecentrum%20-%20Eigen% 20uitgaven%202006_bestanden/De%20Kruisweg%20-%20Marc%20Dejonckheere.htm; toegang 14/07/2010)
3) De interpretatie van Jezus
Het thema van de betekenis van Jezus’ lijden kan verder uitgediept worden aan de hand van enkele Jezusfilms. Zie R. BIERINGER, Lijden en zingeving. Jezusfilms en hun interpretatie van Jezus’ lijden, in ID., Dialoog en participatie. Over hedendaagse uitdagingen van het christelijk geloof, Leuven, Acco, 2010, 109-126 (Zie ook R. BIERINGER & D. POLLEFEYT, Wie zeggen de films dat ik ben? Over mogelijkheden en risico’s van Jezusfilms in de geloofscommunicatie met speciale aandacht voor de presentatie van het lijden en de dood van Jezus, in Collationes 36 (2006) 31-64).
4) Reportages KTRO Les communaut
Fragmenten uit de reportage kunnen in de les gebruikt worden als illustratie van een bepaalde manier van omgaan met het lijden in de samenleving vanuit een bepaalde levensbeschouwelijke instelling. Men kan studenten ook zelf, thuis, de reportage laten bekijken en hen dan bijvoorbeeld laten reageren op een elektronisch discussieforum. Volgende aspecten kunnen daarbij aan bod komen:
- Hoe wordt er in onze samenleving omgegaan met lijdenden? Biedt de leefwijze in de Ark daar een adequaat antwoord op?
- Hoe speelt de christelijke visie een rol in hoe men in de Arkgemeenschappen omgaan met personen met een handicap?
- In welke mate kan religie van invloed zijn op onze (visie op) de omgang met lijdenden? In welke mate kan religie de personen die in een Arkgemeenschap leven verrijken of beperken?
- Hoe belangrijk is het het lijden te aanvaarden? Mag lijden wel aanvaard worden? Kan het ook bevrijdend werken (cf. de vergelijking met de wijnrank: maakt dat lijden noodzakelijk om tot volle mensheid te komen?)
Suggesties voor specifieke studierichtingen
Bij studenten uit de medische of verzorgende richtingen (geneeskunde, verpleegkunde, …) is het raadzaam te wijzen op het bestaan en de functie van pastorale diensten en eventueel ook de betekenis van de ziekenzalving toe te lichten. Zie hiervoor de beschikbare teksten, alsook de toegankelijke informatie op de Elisabeth-website: www.pastoralezorg.be
Suggesties examenvragen
A. Lijdende mensen
- Omschrijf bondig de betekenis van volgende begrippen:
- natuurlijk kwaad
- moreel kwaad
- Geef een voorbeeld van een vorm van kwaad waarin de mens zowel dader als slachtoffer is. Bespreek.
- Ziek-zijn is niet enkel een medisch fenomeen, maar verstoort ook andere menselijke verhoudingen. Licht toe en geef aan welke verschillende vormen van lijden hiermee gepaard gaan.
- Bespreek de visie van E. Kübler-Ross op het stervensgebeuren.
- Welke waarde heeft ‘gezondheid’ in onze samenleving? Welke kritische kanttekeningen kan men hierbij plaatsen? Ga je akkoord met deze bedenkingen?
- Ga je akkoord met de stelling van J.B. Brantschen: "Onze samenleving lijdt aan de ziekte niet te kunnen lijden"? Motiveer je antwoord.
- Bespreek de stelling van J.H. van den Berg: “De dood mag geen plaats meer hebben in dit oord van genezing. Ook voor de stervende zelf zoekt men de dood te camoufleren. (..) Het kerkhof bevindt zich in de meeste landen niet meer midden in de stad”. Ben je het eens met de kritische bedenkingen die van den Berg heeft bij deze vaststelling?
- Bespreek: Pijnstillers kunnen lang niet alle lijden van mensen oplossen
B. Zinvragen vanuit lijdenservaring
- Omschrijf bondig de betekenis van volgende begrippen:
- palliatieve zorg
- therapeutische hardnekkigheid
- deculpabiliseren
- “het lijden als de rots van het atheïsme”
- Op welke manier is er volgens Marc Desmet menswaardigheid mogelijk in het lijden?
- Hoe hangt de visie op menswaardigheid in het lijden samen met de vraag naar euthanasie?
- Welke bedenkingen zijn er vanuit een personalistische visie mogelijk bij de euthanasiewet?
- Welke verschillende zinvragen kunnen lijdenservaringen oproepen? Licht deze vragen kort toe.
- Geef een eigen voorbeeld dat laat zien hoe de band tussen lijden en schuld diep verankerd is in de menselijke geest.
- Welke kansen en gevaren zijn er verbonden aan het zin verlenen aan het lijden? Betrek in je antwoord het verschil tussen ‘a priori’ en ‘a posteriori’ zin geven aan het lijden.
- Op welke manier verscherpt het godsgeloof de lijdensvraag?
- Bespreek volgende bede: “Geef mij de kracht om te aanvaarden wat ik niet kan veranderen. Geef mij de moed om te veranderen wat ik kan veranderen. Geef mij de wijsheid om het onderscheid tussen beide te maken.” (J. Fischer)
- Kan er sprake zijn van zingeving bij lijden?
- Bespreek de uitspraak van Etty Hillesum, die onder de naziverschrikking schrijft: “Ik vind het leven zo mooi en zinrijk. Jawel, mooi en zinrijk, terwijl ik hier sta aan het bed van mijn dode vriend”
- “Lijden sluit menswaardigheid niet uit.”
- “Na Auschwitz kunnen we niet meer in God geloven.” Ga je akkoord met deze stelling? Beargumenteer
- “Lijden hoort bij het mens-zijn.” Ben je het eens met deze stelling? Beargumenteer.
C. Christelijke visie op God en lijden
- Omschrijf bondig de betekenis van volgende begrippen:
- theodicee
- “het lijden als megafoon” (C.S. Lewis)
- Bespreek het theodiceemodel van God als rechtvaardige Rechter. In welke zin rekent het boek Job af met dit model? Welke theologische bedenkingen kunnen er tegenover dit antwoord geformuleerd worden?
- Bespreek het theodiceemodel van God als wijze Pedagoog. Welke theologische bedenkingen kunnen er tegenover dit antwoord geformuleerd worden?
- Welk theodiceemodel vind je terug in de slotwoorden van het boek Job [Inderdaad, U kunt alles; - voor U is niets onuitvoerbaar. - Hoe durft onze kortzichtigheid uw plan te verdoezelen? - En ik maar spreken zonder iets te weten, - over wondere dingen die ik niet begreep, - … - Alles herroep ik, over alles heb ik spijt, - zittend in stof en as. (Job 42,2-6)]? Wat zijn de sterke en zwakke kanten van dit model?
- Bespreek het model van de mee-lijdende God. Op welke problemen uit de klassieke vergeldingleer tracht dit model een antwoord te bieden?
- Welk antwoord kan men vanuit het Christusgebeuren formuleren op de lijdensvraag?
- Verklaar hoe het Christusgebeuren mensen kan motiveren om zich tegen het lijden te verzetten.
- Bespreek: volgens de christelijke visie heeft het lijden niet het laatste woord, maar heeft God het laatste woord. Dat God het ‘eerste woord’ heeft, stelt christenen ook voor de vraag naar de oorsprong van het kwaad. Hoe kunnen christenen daarmee omgaan?
- Wat vind je van de stelling van Leibniz die zegt dat we in de best mogelijke wereld leven en dat het lijden de noodzakelijke prijs is voor een hogere harmonie?
- Welk theodiceemodel kan je terugvinden in dit [recente krantenartikel]? Waaruit leid je dit af?
- Becommentarieer deze stellingen. Welk beeld over God en het lijden kan je hierin herkennen?
- “Het lijden brengt iets goeds voort. We zien het nu nog niet, maar later zullen we het ontdekken”.
- “God zendt ons het lijden. Het is een teken dat we toch iets verkeerd moeten hebben gedaan. Het is een straf.”
- “Het lijden is een geschenk, wat het kan ons dichter bij God brengen. Het kan ons doen groeien in geloof.”
- “God wil het lijden niet, Hij stuurt het ons niet. Het gebeurt gewoon. We moeten er het beste van maken en kunnen Hem bidden om hulp.”
- “Ik geloof dat God kan tussenkomen. Maar waarom doet Hij het dan niet?”
D. Lijden in andere religies en levensbeschouwingen
- Omschrijf bondig de betekenis van volgende begrippen:
- dualisme
- samsara
- karma
- TeNaCh
- Gods voorzienigheid
- Wat is het verschil tussen een dualistische visie op lijden en kwaad en de visie vanuit het christelijke scheppingsgeloof.
- Welke visie heeft men in het hindoeïsme op het lijden? Verklaar hoe dit samenhangt met de ideeën van samsara en karma.
- Welke visie heeft men in het boeddhisme op het lijden? Verklaar hoe dit samenhangt met de ideeën van samsara en anatman.
- Welke visie heeft men in het jodendom op het lijden? Verklaar hoe dit samenhangt met het mens- en wereldbeeld in deze religie.
- Welke visie heeft men in de islam op het lijden? Verklaar hoe dit samenhangt met de betekenis van ‘islam’.
- Welke visie heeft men in het humanisme op het lijden? Verklaar hoe dit samenhangt met het mens- en wereldbeeld in deze levensbeschouwing.
Didactisch materiaal
Impulsen
Impulsen Deel B - Lijdensthematiek in de moderne (religieuze) kunst (H.E. MERTENS)
De paradox van de "Terrible Beauty"
“Als kunst met schoonheid heeft te maken, hoe kan het lijden dan thema zijn van kunst? Mooi is wat behaaglijk is om te zien, aldus Thomas van Aquino: ‘id quod visum placet’ (ST I, q. 5, a. 4). Hoe kan het lelijke, het wanstaltige, het absurde, aanleiding geven tot ethetisch genot? Hoe zou men graag kunnen kijken naar het afzichtelijke? – wat een innerlijke tegenspraak! De afbeelding van een galg, een kruis, een slagveld, een concentratiekamp, een verminkt lichaam, een uitgemergelde baby, een pestlijder, een stervende mens, enzovoort kan zeer aangrijpend zijn, maar mooi is anders. Job op de mestvaalt, Christus op de koude steen, Guernica, Auschwitz, enzovoort. Menselijke misère in geuren en kleuren. Misschien schoon maar triestig. De weergave mag dan technisch perfect zijn, werkelijkheidsgetrouw naar inhoud en expressief van vorm, het voorgestelde wordt er niet minder afschuwelijk om. Misschien zelfs integendeel.
Natuurlijk is het denkbaar dat de kunstenaar die zelf beproefd wordt door lijden of slachtoffer is van mishandeling zich afreageert in zijn artistieke activiteit. Zijn kunst kan een katharsis-effect bewerken, een psychologische verlossing uit verdriet betekenen. Maar een eigenlijke remedie tegen het kwaad en zijn gevolgen is kunst allerminst. Zij biedt geen oplossing voor het probleem van het lijden. Evenmin als de filosofie of de theologie een bevredigend antwoord kan bieden.
[…]
Zoals gezegd is [de artistieke expressie van lijden en kruis] geen verzachtende zalf op de brandende wonden. Dostojevski’s bekende uitspraak ‘Schoonheid zal de wereld redden’ moet sterk genuanceerd worden. ‘Poëzie is niet in staat hongerigen te voeden en daklozen te behuizen’ (A. Sheppard) Het gevaar van een vlucht uit de harde werkelijkheid en van een opiumachtig alibi is reëel. Maar anderzijds kan de kunst op aangrijpende wijze het menselijke leed vertolken, middel zijn tot psychologische verwerking van verdriet en tot uitzing van verzet. Omgekeerd kan de kunstcreatie een beheersing zijn van de emoties. John Donne heeft dit mooi geformuleerd: ‘He tames his grief that fetters it in verse’. Bovendien kan kunst en als uitdrukking en als beheersing aanstekelijk werken: zij kan de gefascineerde bewonderaar (niet de afstandelijke toeschouwer) zo diep ontroeren dat deze tot mede-lijden en tot mede-verzet wordt bewogen. Maar of kunst als dusdanig (dus: ‘qua kunst’) daarvoor wordt gecreëerd is zeer de vraag.
[…]
Kan het inhoudelijk lelijke via de vorm mooi worden? Kan een artistieke expressie van lijden bron zijn van kunstgenot: ‘A joy for ever’? Een tegenvraag brengt ons misschien op het goede spoor: liggen het schone en het weerzinwekkende zo ver uit elkaar? Sluiten zij elkaar zonder meer uit?
[…]
In dit ondermaanse verschijnt het schone nooit in zijn puurste en volmaakte vorm. Naast het licht is er de schaduw. Op iedere dag volgt de nacht. Vreugde en verdriet wisselen elkaar af. Er is veel liefde en veel haat. Wat leeft wordt door de dood belaagd. Dat is nu eenmaal ons lot. Niet dat het per se zo moet en niet anders kan. Geen kwestie van het negatieve te vergoelijken of te bagatelliseren. Het is de harde werkelijkheid en de kunstenaar is allerminst geroepen om de schijn te redden en de bittere pil te vergulden. Zich helemaal onttrekken aan het werkelijke gegeven van onze ‘condition humaine’ kan hij onmogelijk. Hoezeer de kunstenaar ook op alternatieven zint, deze inhoud en vorm geeft, op betoverende wijze invult en inkleurt, hij/zij blijft op deze feitelijke werkelijkheid betrokken, zij het bij wijze van verzet.
De relatie kunst- schoonheid moet in die zin genuanceerd en gecomplementeerd worden dat het esthetische meer omvat dan alleen het schone. Op een of andere manier heeft zij ook met ‘waarheid’ te maken, of misschien juister: met het werkelijke ‘leven’. Vandaar dat een kunstwerk niet noodzakelijk onze zintuigen moet strelen en ons moet opvrolijken. Het kan ons ook droef te moede maken, ons zelfs choqueren. Uitgerekend omdat het lijden nu eenmaal bij het leven hoort en het kwaad uit de wereld onmogelijk is weg te denken, kan ook het lelijke, het absurde, onderwerp zijn van kunst.
[…]
Als kunst niet alleen met schoonheid maar ook met het leven heeft te maken, dan krijgt de menselijke ellende er normaliter haar plaats in. […] Ter illustratie volgen enkele treffende voorbeelden.
H.E. MERTENS, Lijdensthematiek in de moderne (religieuze) kunst, in D. POLLEFEYT en J. BULCKENS, Niet lijdzaam toezien! Godsdienstige verwerking van lijden in de huidige (jongeren)cultuur, Leuven, Acco, 1995, 269-291, p. 274-280
"De Schreeuw" van Edvard Munch
“Aan de oorsprong van dit zijn wellicht meest bekende werk lag een persoonlijke ervaring van de kunstenaar. Op een avond, slenterde hij, moe en terneergedrukt op de brug over een fjord. Kijkend naar boven, de wolken, en naar onder, het water, werd hij getroffen door de weerkaatsing van zijn sombere gemoedsstemming in de natuur. Een indruk die hij heeft vastgelegd in zijn schildering.
[…]
Het onheilspellende natuurgebeuren is meer dan een aangepaste achtergrond, het vormt een schrikwekkend geheel met de van angst schreeuwende mens. Op de brug merkt men nog twee wandelaars. Louter figuranten? Van contact met het hoofdpersonage valt weinig of niets te bespeuren. Geen reactie op de angstkreet. Alleen met de hem omgevende natuur heeft de vereenzaamde mens blijkbaar voeling.”
H.E. MERTENS, Lijdensthematiek in de moderne (religieuze) kunst, in D. POLLEFEYT en J. BULCKENS, Niet lijdzaam toezien! Godsdienstige verwerking van lijden in de huidige (jongeren)cultuur, Leuven, Acco, 1995, 269-291, p. 280-281
Het
“Deze door de beide oorlogen zwaar beproefde vrouw [Käthe Kollwitz] was een sterk maatschappelijk en politiek geëngageerde kunstenares. Op 22 oktober 1914 viel haar zoon op het slagveld bij Diksmuide. Op 2 september 1942 sneuvelde haar kleinzoon Peter in Rusland. Op 23 november 1943 bij een bomaanval ging het Kollwitz-Haus te Berlijn in de vlammen op.
Het herinneringsmonument ter nagedachtenis aan haar zoon Peter, - ‘de vader en de moeder’ – dateert van 1931. Sinds 1955 staat het te Esen op het Duitse soldatenkerkhof Vladslo. Dit wereldbekend beeldhouwwerk is niet gemaakt op bestelling of voor een wedstrijd, ‘es entstammt tiefeigenster Notwendigkeit: es ist das für Käthe Kollwitze notwendigste ihrer Werke’ (C. Krahmer). Het is de worsteling van de kunstenares om haar eigen ouderlijk leed en dat van ontelbare andere vaders en moeders beeldend uit te drukken.
Twee geknielde figuren: de vader met gekruiste armen, de moeder met gebogen hoofd. Sober, indrukwekkend. Versteend verdriet. Beide beelden beheersen het hele soldatenkerkhof met zijn vele grafkruisjes. Zij ademen stilte. Wie de dodenakker betreedt en naar deze stoere beelden blikt verkilt, huivert, verstomt. Bij deze indringende aanklacht tegen het brutale oorlogsgeweld is ieder commentaar overbodig.”
H.E. MERTENS, Lijdensthematiek in de moderne (religieuze) kunst, in D. POLLEFEYT en J. BULCKENS, Niet lijdzaam toezien! Godsdienstige verwerking van lijden in de huidige (jongeren)cultuur, Leuven, Acco, 1995, 269-291, p. 284
“Dit enorm grote doek (3,65x7,90 m) in zwart-wit-grijze kleuren is een reactie op het bombardement van het Baskische stadje Guernica tijdens de Spaanse burgeroorlog op 29 april 1937. Op één nacht werden 1654 ongewapende burgers gedood door de Franco-gezinde troepen. Twee dagen later, op 1 mei, begon Picasso aan het schilderij bedoeld als protest tegen deze grenzeloze barbaarsheid en als uiting van solidariteit met de Baskische slachtoffers.
[…]
Dit schilderij is eigenlijk een apocalyptisch, angstaanjagend tableau. Gruwelijke beelden, vreemde symbolen. Alles schreeuwt van terreur en paniek. Bovenaan rechts ziet men een vrouw met verschrikt hoof en opgeheven armen springend uit het vensterraam van een brandend huis; daarnaast een hoofd en een arm meteen kleine olielamp: daaronder een vrow in kruipende houding lopend naar het midden van het schilderij waar men een stervend paard ziet met een wapen in zijn verwrongen muil en tussen zijn benen het lijk van een soldaat met in de hand een gebroken zwaard. Links onderaan ligt eenv rouw met een dood kind in haararmen, kijkend naar een stier, die het hele chaotisch tafereel bekijkt met een triomferende blik. Tussen de stierekop en de paardekop vliegt een vogel met een open bek.
Zelden heb ik iemand ontmoet die bij een eerste aanblik ontroerd was en zich liet ontvallen: ‘hoe mooi’! Integendeel: sombere tonaliteit, verschrikkelijke beelden, raadselachtige figuren , ongewone en zelfs onontwarbare symbolen… zo gaan meestal de spontane reacties. Zelfs wanneer wordt verduidelijkt dat het stervend paard heet symbool is van vruchteloos protest en de stierekop dat van het Franco-Spanje dan nog blijven vele vragen. Een cynicus zou zeggen: de lijdensthematiek op haar best. Maar mooi? Is de ‘Guernica’ meer dan een ingenieus uitgedachte en technisch volmaakt uitgevoerde politieke prent? Echte kunst? Zo ja, kan dit doek dat slechts spreekt van geweld ‘religieus’ worden ervaren?
Toch wel. Natuurlijk niet in de gebruikelijke zin van ‘religieus’ als synoniem van ‘godsdienstig’. Er is trouwens geen spoor van conventioneel godsdienstige of bijbelse symboliek. Maar ‘religieus’ in de zin van een diep ingrijpende existentiële ervaring, dat wel. Ik denk aan de overlevenden van het bombardement in Guernica, aan hun nabestaanden en aan deze van de dode slachtoffers, aan hen die het gruwelverhaal hebben beleefd of van getuigen hebben vernomen. Ik denk ook aan de talloze anderen die ooit aan den lijve hebben ondervonden wat oorlog meebrengt: dood, verminking, vernieling, angst, pijn, verdriet, kortom: onvoorstelbare ellende. Picasso’s ‘Guernica’ zal allicht deze betrokkenen op een heel bijzondere wijze aanspreken en diep treffen, hen ‘religieus’ beroeren.
H.E. MERTENS, Lijdensthematiek in de moderne (religieuze) kunst, in D. POLLEFEYT en J. BULCKENS, Niet lijdzaam toezien! Godsdienstige verwerking van lijden in de huidige (jongeren)cultuur, Leuven, Acco, 1995, 269-291, p. 285-287
Verhaal 140: Guernica
"Zelfgave" van Felix De Boeck
Theopraxis: Zelfgave
“In de zelfgave is er de hand en daarachter een bijna verslindend licht. De hand maakt deel uit van een lichaam, maar dat zie je maar daarna, alsof de schilder dat minder belangrijk vindt. En dat geeft De Boeck ook toe: ‘In mijn werk is de aandacht vaak op de hand of op het gelaat geconcentreerd. De rest zie ik niet’. (H. van Daele & L. Dusar)
Steeds gaat het de diepgelovige schilder om het strijdend uitleven van zijn verdriet en om het hartstochtelijk en vreugdevol zoeken naar de transcendente kern, begin en einde van alle werkelijkheid. Hij laat zich hierbij inspireren door Blaise Pascal: ‘Dieu est un cercle dont le centre est partout et la circonférence nulle part.’
[…] Het lijden op zich is en blijft absurd, maar de ‘zelfgave’ is een zinvolle houding ondanks deze absurditeit. ‘Zelfgave’ zegt vrijheid en gemeenschap; dus alles behalve louter passieve berusting of willoze gelatenheid, laat staan laffe vlucht. Integendeel, ‘zelfgave’ is het meest subliem én onweerstaanbaar ‘neen’ tegen lijden en kwaad. Alleen kunst kan de geëigende uitdrukking zijn van deze mooie menselijke attitude.”
H.E. MERTENS, Lijdensthematiek in de moderne (religieuze) kunst, in D. POLLEFEYT en J. BULCKENS, Niet lijdzaam toezien! Godsdienstige verwerking van lijden in de huidige (jongeren)cultuur, Leuven, Acco, 1995, 269-291, p. 290-291
Impulsen Deel C: Christelijke visie op het lijden
Film
Meer informatie over deze film kan gevonden worden in de filmfiche "God on trial" op Thomas
A. Sch
“Een monumentale ode aan de slachtoffers van de Duitse waanzin is het bewust in het Engels geschreven werk uit 1947, A Survivor from Warsaw. Schoenberg laat een overledende zijn herinnering beschrijven aan een ochtendappèl in het concentratiekamp. Terwijl de Feldwebel – zijn instructies worden in het Duits geschreeuwd – tellend de slachtoffers selecteert die naar de gaskamers zullen worden gebracht, beginnen de joodse gevangenen unisone met het Sjema Israel, hun geloof in de ene God te belijden, op wie ze ondanks alles blijven vertrouwen. […] A Survivor from Warsaw laat niemand onberoerd, door de intensiteit van de voordracht door de spreekstem, maar vooral door het homofone mannenkoor dat in een situatie van onnoemelijk leed onverschrokken de naam van God blijft belijden.”
P. DE MEY, Een eigenzinnig huwelijk tussen kunst en religie: de ‘roeping’ van Arnold Schoenberg, in Kultuurleven 63 (1996/2) 62-65, p. 64-65
A Survivor from Warsaw Op. 46 (1947)
I cannot remember ev’rything.
I must have been unconscious most of the time.
I remember only the grandiose moment
when they all started to sing as if prearranged,
the old prayer they had neglected for so many years
the forgotten creed!
But I have no recollection how I got underground
to live in the sewers of Warsaw for so long a time.
The day began as usual: Reveille when it still was dark.
Get out! Whether you slept or whether worries kept you awake the whole night.
You had been separated from your children, from your wife, from your parents;
you don’t know what happened to them how could you sleep?
The trumpets again –
Get out! The sergeant will be furious!
They came out; some very slow: the old ones, the sick ones;
some with nervous agility.
They fear the sergeant. They hurry as much as they can.
In vain! Much too much noise; much too much commotion – and not fast enough!
The Feldwebel shouts: „Achtung! Stilljestanden! Na wirds mal? Oder soll ich mit dem Jewehrkolben nachhelfen? Na jutt; wenn ihrs durchaus haben wollt!“
The sergeant and his subordinates hit everybody:
young or old, quiet or nervous, guilty or innocent.
It was painful to hear them groaning and moaning.
I heard it though I had been hit very hard,
so hard that I could not help falling down.
We all on the ground who could not stand up were then beaten over the head.
I must have been unconscious.
The next thing I knew was a soldier saying:
„They are all dead“,
whereupon the sergeant ordered to do away with us.
There I lay aside halfconscious.
It had become very still – fear and pain.
Then I heard the sergeant shouting: „Abzählen!“
They started slowly and irregularly:
one, two, three, four
„Achtung!“ the sergeant shouted again,
„Rascher! Nochmal von vorn anfangen!
In einer Minute will ich wissen,
wieviele ich zur Gaskammer abliefere!
Abzählen!“
They began again, first slowly: one, two, three, four,
became faster and faster, so fast
that it finally sounded like a stampede of wild horses,
and all of a sudden, in the middle of it,
they began singing the Shema Yisroel.
[Luister, Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige! Heb daarom de HEER lief met hart en ziel en met inzet van al uw krachten. Houd de geboden die ik u vandaag opleg steeds in gedachten. Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat. (Deut 6, 4-7)]
E. Wiesel, het proces van Shamgorod
Alleen de duivel zelf behoudt het beeld van een wrekende god, verdedigt Elie Wiesel in het stuk Het proces van Shamgorod: “Na een zinloze afslachting van een joodse gemeente stellen de diepgeschokte overlevenden voor om in een plechtig spel de levende God een proces aan te binden. Alle rollen zijn verdeeld, alleen de verdediger ontbreekt nog. – ‘Wil dan niemand Gods verdediging op zich nemen?’ Tenslotte staat er een vreemdeling op. Hij verdedigt God zo handig en meesterlijk dat alle deelnemers vol bewondering zijn. Zij smeken deze geweldige advocatus Dei om voortaan, daar hij God zo goed kent en zich erop beroemt in diens nabijheid te leven, een goed woordje voor hen bij God te doen en Hem om erbarmen te smeken, want het gevaar was nog niet voorbij, de vijanden loerden nog steeds voor de poorten van de stad en bereidden hun volgende aanval voor. Op het cruciale moment, wanneer het geschreeuw van de vijanden weer dichterbij komt en al tot in de zaal doordringt, ontpopt zich deze meesterlijke verdediger van God als de satan. Alleen hij brengt de moed op om God in bescherming te nemen en te verdedigen tegenover menselijk lijden.” (J.B. BRANTSCHEN, Laat God ons lijden?, Brugge, Tabor, 1986, p. 19).
B. Britten, War Requim, Agnus Dei
Op 30 mei 1962 ging het War Requiem, op. 66 van [de Engelse componis] Benjamin Britten [1913 – 1976] in première. Het was een opdrachtwerk, geschreven naar aanleiding van de herinwijding van de St. Michael’s Cathedral in Coventry, die op 14 november 1940 tijdens bombardementen was vernield. Gedreven door een sterke pacifistische bezieling – die zowat de rode draad vormt doorheen Brittens leven en in talrijke composities gethematiseerd wordt – is zijn monumentale werk immers zowel een klaagzang als een aanklacht, zowel een herdenking als een waarschuwing. […]
Britten opteert voor een – op het eerste gezicht vreemde – combinatie van twee soorten teksten, met name de Latijnse dodenliturgie (het requiem) en de eigentijdse, Engelstalige oorlogspoëzie van Wilfred Owen (1893-1918). Owen was op 25-jarige leeftijd tijdens de Eerste Wereldoorlog gesneuveld, enkele dagen vóór Wapenstilstand. In zijn gedichten staat de oorlog in al zijn facetten centraal, wat voor Britten natuurlijk een ideaal aanknopingspunt vormt. Meer bepaald hanteert hij Wilfred Owens poëzie als een soort van middeleeuwse tropen, die commentaar geven op de eeuwenoude Latijnse requiemtekst, en er een verregaande dialoog mee aangaan.
[…]
[Het Agnus Dei is] het enige moment in de compositie waarbij de Latijnse dodenliturgie en de poëzie van Owen het inhoudelijk min of meer met elkaar eens zijn. Het tertium comparationis vormt meer bepaald Christus. Hij is het Lam van God, dat volgens de requiemtekst de zonden der wereld wegneemt en gesmeekt wordt om de doden rust te gunnen. En precies dit gebeurt in het gedicht At a Calvary near the Ancre, waarin Owen zich bedient van een beeld dat vele oorlogsdichters en -schilders hanteren. Volgens deze opvatting is Christus aanwezig op het slagveld, waar hij boet voor de zonden van de mensheid door de wonden van de slachtoffers te dragen. […] Ook in de muziek wordt deze eensluidendheid duidelijk gestalte gegeven, en dit zowel op formeel als op motiefinhoudelijk vlak. Niet alleen valt de laatste maat van de ene groep systematisch samen met de eerste maat van de andere, maar voor één keer stapt Britten ook af van het stilistisch onderscheid tussen de koor- en soli-passages en laat hij beiden logisch in elkaar overvloeien.
[…]
Het Agnus Dei is het meest intieme gezang onder de vaste gezangen van de gregoriaanse mis omdat degene die wordt aangesproken als ‘Lam van God’ echt aanwezig is in de gedaante van het brood en de wijn. Wanneer iets verderop in de viering de priester het eucharistische brood aan de gelovige gemeenschap toont, wordt dan ook de openingsbede van dit gezang hernomen, met een indringend ‘zie’: “Zie het Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld.” Het eeuwenoude liturgische gebruik om tijdens dit gezang het eucharistische brood te breken, benadrukt dat de herinnering aan de zelfgave van de Verlosser tegelijk een oproep is om gebroken brood te worden voor elkaar. “Het brood dat wij breken, geeft ons gemeenschap met het lichaam van Christus” (1 Kor 10,16). De kerngedachte uit het gedicht van Owen dat Britten als commentaarstuk heeft uitgekozen, versterkt dit nog: “Zij die de grotere liefde beoefenen, leggen hun leven neer” (“They who love the greater love lay down their life”).
Het gedicht van Owen bezingt de solidariteit van het op hun dood toesnellende gedweeë voetvolk met de gekruisigde Christus. Het gaat om een passieve vorm van solidariteit, een solidariteit in het lijden, geen positieve keuze om het voorbeeld van Christus na te volgen: “Vandaag lijden de soldaten met Hem mee” (“And now the Soldiers bear with Him”). Dit houdt meteen een kritische kanttekening in tegenover de in de broodbreking uitgedrukte opdracht om Jezus na te volgen. Het zou van een pervers dolorisme getuigen om lijdenservaringen actief op te zoeken. Christenen moeten zich in de eerste plaats inspannen om nutteloos lijden te voorkomen. Wie echter met tegenslag wordt geconfronteerd, kan het lijden op een waardige wijze dragen en hoeft niet in haat tegenover alles en allen te vervallen (“they do not hate”).
De soldaten op het slagveld tonen wie de echte leerlingen van Jezus zijn, niet de groep volgelingen waarvan de evangelies vermelden dat ze bang wegvluchten (“But His disciples hide apart”), niet de legeraalmoezeniers die steevast in de omgeving van de Schedelplaats rondslenteren maar nooit ‘on the spot’ te vinden zijn (“Near Golgotha strolls many a priest”) –, niet de legeradministratie en de bevelhebbers die oproepen tot vaderlandsliefde (“The scribes on all the people shove and bawl allegiance to the state”). Het commentaar van Owen werkt hier storend ten aanzien van de vruchten van het verrijzenisgeloof. Hoeveel kerkmensen nemen het er niet liever van dan dat ze bereid zijn Jezus’ gevende houding na te volgen? Zijn de onvrijwillig in de oorlogslogica van anderen meegesleurde subjecten niet de eigenlijke volgelingen van Christus?
[…]
At a Calvary near the Ancre, dit zeldzame gedicht waarin Owen niet de behoefte voelt om de bijbelse verhalen op hun kop te zetten, maar onder de indruk is van de gelijkenis tussen het bijbelse passieverhaal en het gruwelijke lijden dat zijn dagelijkse realiteit uitmaakt, werd ingegeven door de visuele impuls van een door een bom geamputeerd kruisbeeld (“One ever hangs where shelled roads part. In this war He too lost a limb”).
[…]
Door de teksten uit de gregoriaanse dodenmis in dialoog te brengen met capita selecta uit Owens oorlogspoëzie, geeft Britten te kennen dat het geloof in de verrijzenis van de doden nooit een vanzelfsprekendheid is. Hij vreest dat de teksten uit de traditie, aan zichzelf overgelaten, tot een soort opium voor het godsvolk kunnen worden. Door alleen het verhaal van Christus’ overwinning uit de dood te horen verkondigen, lopen christenen gevaar de ogen te sluiten voor de realiteit van het lijden. De spiritualiteit van Owen en Britten is die van het bijbels geïnspireerde pacifisme. Christenen mogen het gregoriaanse requiem blijven zingen of beluisteren, maar hun hoop op Gods belofte van eeuwig leven mag hen niet doen vergeten dat het brengen van mensenoffers op geen enkele manier kan worden voorgesteld als Gods wil.
P. DE MEY & K. SCHILTZ, Ten strijde tegen het onverstoorde verrijzenisgeloof. Een musico-theologische ontleding van het War requiem van Benjamin Britten (1913-1976), In B. RAYMAEKERS & G. VAN RIEL, Wetenschap op nieuwe wegen (Lessen voor de eenentwintigste eeuw), Leuven, Universitaire Pers, 2003, 55-76, p. 58-59; 66-76.
Agnus Dei
Tenor-solo:
One ever hangs where shelled roads part.
In this war He too lost a limb,
But His disciples hide apart;
And now the Soldiers bear with Him.
Koor:
Agnus Dei, qui tollis peccata mundi,
dona eis requiem.
Tenor-solo:
Near Golgotha strolls many a priest,
And in their faces there is pride
Thay they were flesh-marked by the Beast
By whom the gentle Christ’s denied.
Koor:
Agnus Dei, qui tollis peccata mundi,
dona eis requiem.
Tenor-solo:
The scribes on all the people shove
And bawl allegiance to the state,
Koor:
Agnus Dei, qui tollis peccata mundi,
Tenor-solo:
But they who love the greater love,
Lay down their life; they do not hate.
Koor:
Dona eis requiem sempiternam.
Tenor-solo:
Dona nobis pacem.
God blijven aanspreken
J.S. Bach, Matthäuspassion, Und von der sechsten Stunde an
Verwerking
Deel A ("lijdende mensen")
De volgende fragmenten zijn overgenomen uit: J. DIJKSTRA, Gespreksvoering bij geestelijke gespreksvoering. Een methodische ondersteuning om betekenisvolle gesprekken te voeren, Soest, Nelissen, 2007.
| Man: | Ik liep verdwaasd zijn kamer uit, kwam mijn collega op de gang tegen, vertelde dat ik ontslagen was en zei er direct achteraan: ‘Maar ik weet zeker dat hij me morgen opbelt om te vertellen dat hij een grote fout heeft gemaakt en of ik alsjeblieft weer terug wil komen’. En met dat idee ben ik naar huis gereden en heb ik het ook zo aan mijn vrouw verteld. |
|
Vrouw: |
Ik begrijp helemaal niks meer van hem. Hij is nooit zo geweest… |
| GV: | Wat begrijpt u niet? |
| Vr: | (Huilend) Gisteren was hij zo kwaad op mij… Hij ging tekeer… ik kon niks goed doen… Dat we nou zo moeten eindigen, in ruzie en onmin. |
| GV: | Ja… dat is heel verdrietig… Hebben jullie het altijd goed gehad… en nu op het laatst gaat het zo raar allemaal… |
| Vr: | …Zeg dat wel… zo ken ik hem niet… Hij was altijd de vriendelijkheid zelve.. begripvol… ik ben er helemaal mee aan.. zo kan het toch niet doorgaan en dan zo bij elkaar weg? |
| GV: | Hoe zou het toch kunnen dat hij zo boos is?… |
| Vr: | Ik weet het ook niet… Misschien heeft hij toch wel pijn… |
| GV: | Misschien wel… misschien wel omdat hij u los moet laten… |
| Vr. | Zou het?… |
| GV: | Zou kunnen… als je zolang van iemand gehouden hebt en je moet dat verbreken… |
| Vr: | Zo kan het ook, ja… ik zal het hem eens vragen… Misschien vindt hij het wel moeilijk allemaal… |
| Vr: | En ik werd me toch kwaad om mijn man: ‘Verdomme man, waarom heb je me dan ook in de steek gelaten?’… (Begint weer te huilen)… Daarna voelde ik me zo rot… Verdrietig en schuldig dat ik zulke stomme dingen zeg… Hij wilde natuurlijk ook bij ons blijven… en toch was ik zo kwaad op hem |
| Vrouw: | Het is vreemd, maar ik besef eigenlijk niet dat hij er niet meer is. Hij heeft zo vaak in het ziekenhuis gelegen en kwam elke keer weer thuis. Zo leef ik nu eigenlijk ook, realiseer ik me. Hij komt wel weer thuis. |
| Man: | Eigenlijk ben ik kwaad op God, dat Hij het heeft toegestaan dat mijn zoon is verongelukt… Maar ik durf niet… |
| Gv: | Wat houdt je tegen?… |
| Man: | Ja… wat houdt me tegen… Ik schaam me om het te zeggen… maar ik ben ervan overtuigd dat mijn zoon in de hemel is, en als ik kwaad word op god, wordt Hij misschien wel boos en zet Hij hem eruit… |
| GV: | Een dilemma. |
| Man: | Hmm… En daar komt nog bij… dat ik ook veel steun van God ondervind… En ik ben kwaad.. en ook teleurgesteld en verdrietig, want ik heb mijn hoop altijd op God gevestigd en Hij heeft ons altijd beschermd… Wat moet ik nou? … |
| Vriend: | En dan ben je zo onredelijk naar mij en de kinderen. Dan is er geen land mee te bezeilen. We zijn al twee keer uit elkaar gegaan, omdat ze me het huis uit stuurde. |
| Vrouw: | Ik weet het ook niet meer… |
| GV: | Hebben jullie een relatieprobleem? |
| Vrouw: | Dat weet ik niet… ik geloof het niet… Ik houd heel veel van hem… maar hier vanbinnen… (Wrijft over haar maag) … Soms wil ik alles wel kort en klein slaan… hij is niet de vader van mijn kinderen; die zit ergens anders die kl… (Begint te huilen) |
| GV: | Zo te horen lijkt het wel dat je ontzettend boos bent op je ex… |
| Vrouw: | Ja, dat ben ik ook… Hij heeft me zo laten zitten met mijn kinderen… En hij maar mooi weer spelen als hij ze een weekendje heeft… Ik kan het niet verdragen als ze na zo’n weekend thuiskomen met prachtige verhalen van hoe leuk het wel was bij papa… Laat hij ze maar eens twee weken nemen… dan piepen ze wel anders… Kwaad ben ik ja… en daar wil ik wel eens vanaf… Ik kom maar niet los van die vent… |
| GV: | Uw vrouw belde me dat u de uitslag van het onderzoek hebt gekregen |
| Man: | Dat was gisteren, ja. We moeten maar even afwachten… |
| GV: | Het ziet er niet zo best uit, heb ik begrepen van uw vrouw… |
| Man: | Mijn vrouw is wat overhaast met haar conclusie… Ik heb er nog eens over nagedacht… Ik weet namelijk bijna zeker dat de scan even haperde; ik hoorde een vreemd geluid, en de andere mogelijkheid is dat ze de foto verwisseld hebben… Dus we moeten nog maar even afwachten… misschien valt het wel mee… |
| GV: | Nou, ik denk als de scan hapert, er vast wel een signaal afgaat. Dat lijkt me niet waarschijnlijk… En foto’s verwisselen… Nee, ik weet hoe het systeem werkt, dat is onmogelijk... |
| Vrouw: | Nu, na twee jaar ben ik erachter waarom ons kindje moest sterven. |
| GV: | Je hebt de zin ervan gevonden? |
| Vrouw: | Tussen mijn man en mij gaat het veel beter dan voor het overlijden van A. We zijn gelukkiger. |
| GV: | En het overlijden van A. heeft daarvoor gezorgd? |
| Vrouw: | Ja, dat weet ik zeker... Hij heeft zich in deze moeilijke periode van een kant laten zien die ik voorheen nooit had gezien… |
| GV: | Hoe bedoel je dat? … |
| Vrouw: | Voor die tijd was hij hard en stug… de afgelopen twee jaar heb ik hem zien huilen... Hij heeft mij getroost als ik het zwaar had… en ik mocht hem troosten als hij het nodig had.. We zijn veel dichte bij elkaar gekomen… |
Deel B Euthanasie
Wet betreffende de euthanasie (28 mei 2002)
Art. 3. § 1. De arts die euthanasie toepast, pleegt geen misdrijf wanneer hij er zich van verzekerd heeft dat :
- de patiënt een meerderjarige of een ontvoogde minderjarige is die handelingsbekwaam en bewust is op het ogenblik van zijn verzoek;
- het verzoek vrijwillig, overwogen en herhaald is, en niet tot stand gekomen is als gevolg van enige externe druk;
- de patiënt zich in een medisch uitzichtloze toestand bevindt van aanhoudend en ondraaglijk fysiek of psychisch lijden dat niet gelenigd kan worden, en dat het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening;
en hij de in deze wet voorgeschreven voorwaarden en procedures heeft nageleefd.
Utilitaristisch perspectief (Peter Singer)
“Undoubtedly, the major objection to voluntary euthanasia is the rule that it is always wrong to kill an innocent human being.
[…] The idea that it is always wrong to kill an innocent human being gains its strongest support from religious doctrines that draw a sharp distinction between human beings and other sentient beings. Without such religious ideas, it is difficult to think of any morally relevant properties that separate human beings with severe brain damage or other major intellectual disabilities from other beings at a similar mental level. For why should the fact that a being is a member of our species make it worse to kill that being than it is to kill a member of another species, if the two individuals have similar intellectual abilities, or if the non-human has superior intellectual abilities?
[…] I can think of only one non-religious reason that has any plausibility at all, as a defence of the view that the boundary of our species also marks the boundary of those who it is wrong to kill. This is a utilitarian argument, to the effect that the species boundary is sharp and clear, and if we allow it to be transgressed, we will slide down a slippery slope to widespread and unjustified killing.
[…]This argument effectively admits that there is no intrinsic reason against attributing similar rights to life to humans and non-humans with similar intellectual capacities, but warns against the likely consequences of doing so. For our present inquiry into the underlying reasons against killing human beings, this is enough to show that one cannot simply assume that to be human is to give one a right to life. We need to ask, not: what is wrong with killing a human being; but rather, what makes it wrong to kill any being? A consequentialist might initially answer: whatever goods life holds, killing ends them. So if happiness is a good, as classical hedonistic utilitarians hold, then killing is bad because when one is dead one is no longer happy. Or if it is the satisfaction of preferences that is good, as modern preference utilitarians hold, then when one is dead, one’s preferences can no longer be satisfied. These answers suggest their own limits. […] If the future life of the being killed would hold more negative elements than positive ones – more unhappiness than happiness, more frustration of preferences than satisfaction of them – then we have a reason for killing, rather than against killing. […]
The nineteenth century utilitarian John Stuart Mill argued that individuals are, ultimately, the best judges and guardians of their own interests. So, in a famous example, he said that if you see people about to cross a bridge you know to be unsafe, you may forcibly stop them in order to inform them of the risk that the bridge may collapse under them, but if they decide to continue, you must stand aside and let them cross, for only they know the importance to them of crossing, and only they know how to balance that against the possible loss of their lives. […] The conclusion we can draw from this is as follows: if the goods that life holds are, in general, reasons against killing, those reasons lose all their force when it is clear that those killed will not have such goods, or that the goods they have will be outweighed by bad things that will happen to them. When we apply this reasoning to the case of someone who is capable of judging the matter, and we add Mill’s view that individuals are the best judges of their own interests, we can conclude that this reason against killing does not apply to a person who, with unimpaired capacities for judgement, comes to the conclusion that his or her future is so clouded that it would be better to die than to continue to live.
[…]
Undoubtedly the most widely invoked secular argument against the legalisation of voluntary euthanasia is the slippery slope argument that legalising physician-assisted suicide or voluntary euthanasia will lead to vulnerable patients being pressured into consenting to physician-assisted suicide or voluntary euthanasia when they do not really want it. Or perhaps, as another version of the argument goes, they will simply be killed without their consent because they are a nuisance to their families, or because their healthcare provider wants to save money. What evidence is there to support or oppose the slippery slope argument when applied to voluntary euthanasia? A decade ago, this argument was largely speculative. Now, however, we can draw on evidence from two jurisdictions where for several years it has been possible for doctors to practice voluntary euthanasia or physician-assisted suicide without fear of prosecution.
[…]
There is no evidence to support the claim that laws against physician-assisted suicide or voluntary euthanasia prevent harm to vulnerable people. It is equally possible that legalising physician-assisted suicide or voluntary euthanasia will bring the issue out into the open, and thus make it easier to scrutinise what is actually happening, and to prevent harm to the vulnerable. If the burden of proof lies on those who defend a law that restricts individual liberty, then in the case of laws against physician-assisted suicide or voluntary euthanasia, that burden has not been discharged.”
P. SINGER, Voluntary Euthanasia. A Utilitiarian Perspective, in Bioethics 17 (2006) 526-541.
Zorgnet
De nieuwe wet laat euthanasie onder bepaalde voorwaarden toe. Dit betekent niet dat euthanasie zonder meer ook ethisch gelegitimeerd wordt. Juridische en ethische normen vallen immers niet samen. Ethische normen willen gevoelig maken voor waarden die de mens tot grotere menswaardigheid leiden of wijzen onwaarden af die hem daarvan weerhouden. Deze ethische normen staan prioritair in dit ethisch advies.
De onvoorwaardelijke bevestiging van de waardigheid van de menselijke persoon, opgevat als relationeel wezen, vormt het uitgangspunt van dit advies. De menselijke waardigheid kan niet worden verspeeld, ook niet door ziekte, handicap of een nakende dood. Met andere woorden, ieder mens blijft ten einde toe een persoon en moet als dusdanig worden benaderd. Het persoon-zijn (en het daaruit afgeleide respect) kan niet afhankelijk gemaakt worden van de beschikking over bepaalde vermogens, bijvoorbeeld de vermogens van verstand en geest, maar is gegrond in het feit dat ieder mens een uniek wezen is (individueel), dat met en door de relatie met andere mensen steeds meer mens wordt (relationeel), en als zodanig deel uitmaakt van de samenleving als geheel (sociaal).
De commissie bekritiseert de in de wet aanwezige tendens om slechts één aspect (nl. de vrijheid zelf keuzen te maken, zonder inmenging van derden) van het mens-zijn te willen benadrukken. De eenzijdige nadruk op autonomie als individuele zelfbeschikking komt het volle mens-zijn niet ten goede. Naast de opvatting van de mens als een individu dat zijn autonome wilsuitingen uitdrukt en realiseert, moet de mens steeds ook beschouwd worden in zijn relatie met anderen (mens-zijn is mede-mens-zijn) en in zijn verantwoordelijke participatie aan de mensengemeenschap (sociale verantwoordelijkheid). In tegenstelling tot de voorstanders van een individualistische visie op de mens waarin autonomie en zorg voor anderen zich nauwelijks laten verbinden, opteert de commissie voor ethiek voor een opvatting van autonomie waarbij de relatie tussen mensen in termen van verbondenheid en verantwoordelijkheid integraal deel uitmaakt. […]
Kwetsbare afhankelijkheid en zelfredzame autonomie moeten dan ook als gelijkwaardige en elkaar doordringende aspecten van het menselijk bestaan worden beschouwd. De interpretatie van autonomie als een waarde die in een relationele context pas ten volle tot ontwikkeling
kan komen, houdt rekening met het feit dat er bij autonomie altijd sprake is van gradaties (niemand is volstrekt autonoom) en dat mensen in overleg met andere mensen keuzen maken. […]
De relationele opvatting van autonomie impliceert dat mensen hun verantwoordelijkheid voor elkaar opnemen.
[…]
Wanneer genezing niet meer mogelijk is, of wanneer er een wanverhouding ontstaat tussen inspanningen om het leven in stand te houden en menswaardigheid, dan is het belangrijk dat men zich richt op de ethisch verantwoorde en de deskundige medisch-verpleegkundige begeleiding van de stervende mens. Daarbij gelden als uitgangspunt - naast de noden die alle zieken hebben, nl. nood aan veiligheid, waardigheid en fysiek comfort - ook de specifieke noden omwille van de naderende dood: angst voor het sterven, nood aan aandacht voor de zinvragen, waarmee stervenden onvermijdelijk geconfronteerd worden, nood aan nabijheid en relatie met de naasten. […].
[…] Overigens blijkt uit onderzoek dat de vraag naar actieve levensbeëindiging via palliatieve zorg grotendeels kan voorkomen worden. De vraag naar euthanasie is immers vaak een oneigenlijke vraag. Deze oneigenlijke vraag kan gebaseerd zijn op het feit dat de patiënt/bewoner aanhoudend en ondraaglijk lijdt en (ten onrechte) van mening is dat deze pijn niet onder controle te brengen is (Broeckaert 2000a). De behandelend arts zal daarom in een zeer vroeg stadium een beroep doen op de deskundigheid van het gespecialiseerde palliatief support team om in overleg met alle betrokkenen alle palliatieve mogelijkheden te bespreken en toe te passen teneinde de pijn en de nood van de patiënt/bewoner die om euthanasie vraagt zoveel mogelijk weg te nemen.
[…]
Het komt voor dat de patiënt/bewoner de vraag naar euthanasie stelt en duidelijk te kennen geeft dat hij op deze wijze wil sterven. De hulpverlener die met de vraag naar euthanasie geconfronteerd wordt, moet ten minste bereid zijn de vraag aandachtig te beluisteren. Dit impliceert dat men de mogelijkheid creëert om de gevoelens van de patiënt/bewoner en zijn omgeving aan bod te laten komen, evenals de onzekerheden en praktische vragen.
[…]
De commissie erkent dat - ondanks de nauwkeurige toepassing van de “palliatieve filter”-procedure - de behandelend arts en de andere leden van het hulpverlenend team zich in uitzonderlijke en uiterst zeldzame gevallen voor een gewetensconflict geplaatst kunnen weten, wanneer het lijden (en de hiermee verband houdende euthanasievraag) niet verdwijnt. Precies hier heeft het geweten de uiterst belangrijke taak om te wikken en te wegen, enerzijds bewogen door fundamentele waarden zoals “respect voor de autonomie van de patiënt/bewoner” en “eerbied voor het leven”, anderzijds vanuit het conflict oordelend op welke manier deze waarden het best kunnen worden waargemaakt (Burggraeve 1994). De commissie respecteert in deze gevallen de gewetensbeslissing van de arts en van de leden van het hulpverlenend team om tot euthanasie over te gaan, ervan uitgaande dat de arts vertrekt van de keuze voor het meest menselijk mogelijke (Schotsmans 2000; Caritas Vlaanderen 2000). Het meest menselijk mogelijke bestaat in deze particuliere omstandigheden in de totstandkoming van een evenwicht tussen waarden die het respect voor de menselijke waardigheid tot uitdrukking brengen. Concreet betekent dit dat er een evenwicht moet tot stand komen tussen de wil van de patiënt en de toetsing van het euthanasieverzoek aan de hand van klinische criteria (o.a. terminale toestand, fysieke verankering van het lijden, palliatieve mogelijkheden).
De situatie van niet-terminale patiënten/bewoners en van patiënten/ bewoners die aan een zuiver psychische en existentiële nood lijden, valt volgens de commissie voor ethiek, buiten de eigenlijke euthanasieproblematiek. De commissie benadrukt de zorgverantwoordelijkheid die de samenleving heeft ten aanzien van deze groep van patiënten/bewoners. De impact van levensbeëindigend handelen bij niet-terminale patiënten/ bewoners is te onevenredig groot om als ethisch geoorloofde praktijk te kunnen worden beschouwd. Hulpverleners moeten deze patiënten/bewoners de garantie geven dat zij op alle mogelijke kwaliteitsvolle zorgen een beroep kunnen doen en dat zij hierin op geen enkele manier tekort zullen gedaan worden. De samenleving moet de ruimte creëren om de kwaliteitszorg voor deze mensen uit te bouwen en te garanderen (Schotsmans 2000).
VERBOND VERZORGINGSINSTELLINGEN, Advies 1: Zorg voor een menswaardig levenseinde, 2002
Verklaring bisschoppen
“We herhalen nog eens met klem dat wij en heel veel mensen dit principieel in strijd vinden met wat tot de kern van een menswaardige samenleving en een lange beschavingsgeschiedenis behoort, namelijk de fundamentele eerbied voor het menselijk leven en in de eerste plaats nog dat van de meest kwetsbare mens. De kern van de nu gestemde euthanasiewet is het feit dat de waarde en de waardigheid van een mens niet langer is gebonden aan het basisfeit dat hij bestaat, maar aan wat genoemd wordt de kwaliteit van zijn leven.
[…]
Men zal zeggen dat de wet toch niemand verplicht om euthanasie te plegen. Uiteraard niet. Maar er is een gewettigde vrees dat de zieke in bepaalde gevallen onder zware druk kan komen te staan vanwege verzorgers of familie – of beide – opdat ze euthanasie zouden laten plegen.
[…]
We hebben eens te meer moeten vaststellen dat in het euthanasiedebat de katholieke Kerk wordt verweten mensen onnodig en nutteloos te willen laten lijden. Dit is uiteraard niet waar en het treft ons diep. De christelijke gemeenschap heeft doorheen de eeuwen heel veel gedaan om het lijden te verzachten. De Kerk heeft zich ook herhaaldelijk uitgesproken tegen het nodeloos verlengen van het leven, de zogenaamde therapeutische hardnekkigheid. Zeker is dat mensen ervoor moeten zorgen dat ze elkaar niet doen lijden en elkaars lijden zoveel mogelijk moeten lenigen. De vraag is of ze dat mogen doen door te doden. De hele ethische traditie van de mensheid heeft daarop altijd ‘neen’ geantwoord. Nu ‘ja’ zeggen op deze vraag is een breuk in die ethische traditie.
[…]
We verwachten veel van de verdere ontwikkeling en uitbouw van de palliatieve zorg.
Daardoor krijgen we de gelegenheid ervoor te zorgen dat onze geliefden op fysiek draaglijke en menselijke wijze van ons kunnen weggaan, in plaats van ze te moeten doden of ze te laten doden, omdat ze het niet meer kunnen dragen of wij het niet meer kunnen aanzien. Er moeten in de toekomst veel meer middelen worden uitgetrokken voor onderzoek en de behandeling in de sector van de pijnbestrijding.
De goedkeuring van het wetsvoorstel is geen eindpunt. Het ontslaat ons niet van de plicht en het recht om op te komen voor een van de basisprincipes van onze ethiek en onze geschiedenis: “Gij zult niet doden”. We roepen alle christenen op om te leven en te handelen ten aanzien van de wereld in een volstrekte eerbied voor alle leven. We zijn er trouwens van overtuigd dat ook vele niet christenen deze overtuiging met ons delen. De vele klanken in hoorzittingen wijzen onmiskenbaar in die richting. Een ideologische profilering heeft deze stemmen helaas verdrongen. Maar de ethiek is verankerd in de waarheid die rust in het hart van de mens, niet op andere motieven van welke aard dan ook. Christenen - samen met vele andere mensen - hebben hier een profetische rol die ze met deemoed, maar beslist willen blijven vervullen, ondanks een politieke beslissing op een bepaald moment.”
Bisschoppen van België, Palliatieve zorg: ja, euthanasie: nee.
Verklaring n.a.v. de legalisering van euthanasie, Brussel, 16 mei 2002
Deel C Christelijke visie op het lijden
JOB
Job in de beeldende kunsten
“De kleurrijke en dromerige interpretaties in Chagalls werk zijn ook terug te vinden in de tekening waarin Job plots in de verte de engel opmerk. Het betreft een uiterst emotionele momentopname waarin Job zich realiseert dat de engel hem misschien komt verlossen. De emotionele bewerking van dit motief doet denken aan Abraham, die door de engel verlost wordt uit het vreselijkst denkbare dilemma: het offer van de eigen zoon voor God. Het is bekend hoe in de naoorlogse joodse exegese deze passage uit het boek Genesis een breekpunt is geworden met betrekking tot de Holocaust. Er was geen engel, geen God die de slachting van het uitverkoren volk heeft tegengehouden. Naar analogie is ook het boek Job na de Holocaust in een ander dramatisch licht komen te staan. Want elke 20ste eeuwse jood is op één of andere manier daar geweest, bij Jobs lijden. Job wordt de personificatie van een getroffen volk.”
B. BAERT, Job of de schreeuw naar God in de beeldende kunsten, in H. AUSLOOS & I. BOSSUYT (red.), Job tussen leven en lijden. In beeld, woord en klank, Leuven, VBS - Acco, 2010, 60-104, p. 99.
“In Stockholm realiseerde de Zweedse beeldhouwer een bronzen beeld dat geïnspireerd werd door het vers: ‘De hand van God heeft me aangeraakt’ (Job 19,21). Een reusachtige hand Gods draagt een schriele en geknakte Job. Hij kijkt op naar de hemel. Maar de schreeuw naar God wordt een reikhalzen en een wederom omhelzen, een opgetild worden vanuit het diepst mogelijke.”
B. BAERT,
Job of de schreeuw naar God in de beeldende kunsten, inH. AUSLOOS & I. BOSSUYT (red.),
Job tussen leven en lijden. In beeld, woord en klank, Leuven, VBS - Acco, 2010, 60-104, p. 100-101.
In een ander licht (Stef Bos)
Dossier In een ander licht.
Lijden in het Christusgebeuren
“De ernst van het kruisdrama mag door het paasgeloof geenszins gebagatelliseerd worden. Jezus’ lijden was brutale werkelijkheid. Geen schijndood. Natuurlijk lijdt de verheerlijkte nu niet meer, tenzij in het lijden van de getormenteerde mensheid. Na de catastrofe van 1914-1918 tekent Servaes zijn kruisweg, expressionistisch. Zijn deerniswekkende skeletachtige Christus gelijkt zo sterk op de uitgemergelde lichamen van de uitgehongerden en gefolterden op ons dagelijks TV-scherm.”
H.E. MERTENS, Lijdensthematiek in de moderne (religieuze) kunst, in D. POLLEFEYT en J. BULCKENS, Niet lijdzaam toezien! Godsdienstige verwerking van lijden in de huidige (jongeren)cultuur, Leuven, Acco, 1995, 269-291, p. 283.
De interpretatie van het lijden van Jezus in enkele Jezusfilms
Jesus Christ Superstar
Toerisme Langedijk:
Jezus Christ Superstar
Norman Jewison, 1973
“Jesus Christ Superstar beoogt een dynamisch-equivalente voorstelling van het Jezusgebeuren. In de presentatie wordt gebruik gemaakt van hedendaagse uitdrukkingsvormen waarbij men bij de toeschouwers van vandaag hetzelfde tracht op te roepen als bij de deelnemers aan het gebeuren in het verleden. […] De sfeer rond Jezus is vlot, speels, opgewekt, ontroerend en vaak zelfs opzwepend, en ademt daarmee het ongedwongen zoeken van de jaren zestig en zeventig uit. […] Het valt op dat in deze voorstelling de kruisweg en het daarmee verbonden geweld niet rechtstreeks getoond worden. Als men dit vergelijkt met The passion of the Christ dan huppelt Jezus hier als het ware met het kruis naar de Calvarieberg. […] Het risico rijst hierbij dat het kwaad en het lijden onvoldoende ernstig genomen worden. De vraag die hierbij gesteld kan worden is of men het lijden wel kan herdenken in de vorm van een verheffende zang zoals in de rockmuziek het geval is? In deze film is het niet duidelijk waarom Jezus nu precies moest sterven aan het kruis, niet alleen voor de toeschouwer, maar blijkbaar ook niet voor Jezus zelf […]. Jezus wordt vooral van zijn menselijke kant getoond. […] De filmt eindig dan ook open, niet met de verrijzenis, maar met het kruis en de ondergaande zon, en de apostelen die in stilte het toneel verlaten. De vraag naar de zin en de betekenis van Jezus’ lijden en sterven blijft daardoor fundamenteel open.”
R. BIERINGER, Lijden en zingeving. Jezusfilms en hun interpretatie van Jezus’ lijden, in ID., Dialoog en participatie. Over hedendaagse uitdagingen van het christelijk geloof, Leuven, Acco, 2010, 109-126, p. 113.
The Last Temptation of the Christ
Amazon:
The Last Temptation of Christ
Martin Scorsese, 1988
“In vergelijking met Jesus Christ Superstar wordt het lijden in deze film veel scherper en duidelijker in beeld gebracht. De doornkroon is puntiger geworden en het doorboren van de handen van Jezus met nagels wordt getoond. […] Theologisch gezien neemt de interpretatie vanScorsese wel een merkwaardige vorm aan doordat hij de menselijkheid en de goddelijkheid van Jezus heel zwaar tegen elkaar uitspeelt. De bekoring (temptation) bestaat er immers in dat de kruisdood van Jezus eigenlijk niet nodig is/was, dat Jezus niet hoefde te sterven aan het kruis. En de boodschap van de film is dat Jezus zich uitiendleijk niet laat bekoren door die menselijke overweging en daarom aan het jruis haast triomfantelijk zegt: “Het is volbracht.” […] In zekere zin wordt de positie van Jesus Christ Superstar , waarin geweigerd wordt aan het lijden van Christus een theologische betekenis te geven, in The Last Temptation of Christ als een duivelse bekoring afgewezen. De theologie die in de film voorondersteld wordt, is dat het zoenoffer van Christus rechtstreeks door God gewild is en dat Jezus alleen door de zoenofferdood op het kruis Messias kan zijn. […] De dood van Jezus is zonder meer de wil van God, en geen executie ten gevolge van menselijk kwaad. […] Jezus wordt in deze voorstelling een soort van marionet in het plan van God.”
R. BIERINGER, Lijden en zingeving. Jezusfilms en hun interpretatie van Jezus’ lijden, in ID., Dialoog en participatie. Over hedendaagse uitdagingen van het christelijk geloof, Leuven, Acco, 2010, 109-126, p. 114-115.
The Passion of the Christ
Koffiebar Loosdrecht:
The Passion Of the Christ
Mel Gibson, 2004
“De centrale vraag van de film betreft de betekenis van het lijden van Jezus in relatie tot de redding van de mens. In de film van Gibson is het enige element in het leven van Jezus dat echt van tel is voor de redding van de mensheid diens lijden en sterven. Jezus’ publieke optreden en zijn verrijzenis worden naar de tweede plaats verwezen. Gibson suggereert een rechtstreeks band tussen de hoeveelheid en de intense aard van het lijden en de rechtstreeks band tussen de hoeveelheid en de intense aard van het lijden en de redding van de wereld. Hoe meer lijden, hoe meer redding van de wereld, lijkt het wel. Gibson grijpt terug naar heel oude theologische schema’s die bij de kerkvaders Ireneus, Origenes en Augustinus terug te vinden zijn. […] Voor de toeschouwer die niet vertrouwd is met deze theologische achtergrond blijven grote delen van de film onbegrijpelijk. Na twee uur kijken heeft deze toeschouwer nog steeds geen idee wie Jezus is, wat hem beweegt en waarom hij zo’n onwaarschijnlijke extreme wreedheid oproept en ondergaat.”
R. BIERINGER, Lijden en zingeving. Jezusfilms en hun interpretatie van Jezus’ lijden, in ID., Dialoog en participatie. Over hedendaagse uitdagingen van het christelijk geloof, Leuven, Acco, 2010, 109-126, p. 120-121.
Literatuursuggesties
Literaartuursuggesties
Depoortere, K., God anders. Een christelijke visie op het lijden (Leuven, Acco, 2000);
Steen, M., Abba, Vader (Tielt, Lannoo, 1998)
Arts, H., Waarom moeten mensen lijden?, Leuven, Davidsfonds, 1985.
H. Ausloos & I. Bossuyt (red.), Job tussen leven en lijden. In beeld, woord en klank, Leuven, VBS - Acco, 2010.
B. Baert, Job of de schreeuw naar God in de beeldende kunsten (p. 60-104)
H. Bloemen, Het einde van de vergelding? Job in de westerse literatuur (p. 105-144)
I. Bossuyt, “Parce mihi, domine”. Job in de west-Europese muziek (p. 145-193)
R. Bieringer, Lijden en zingeving. Jezusfilms en hun interpretatie van Jezus’ lijden, in Id., Dialoog en participatie. Over hedendaagse uitdagingen van het christelijk geloof, Leuven, Acco, 2010, 109-126.
Brantschen, J., Laat God ons lijden?, Brugge, Tabor, 1986.
Burggraeve, R., Het boek Job geeft te denken over het lijden, in De Bijbel geeft te denken, Leuven, 1996, blz. 85-126
Cornu I. & Van der Vloet, J., Waarom toch? Omgaan met kwetsbaarheid en lijden, Halewijn, 2009.
Zeer leesbaar magazine uitgegeven in opdracht van de Nederlandse en Vlaamse bisschoppenconferentie.
Danneels, G. & Driessen, I., Richt ons weer op. Als leven pijn doet, Tielt, Lannoo, 2008.
De Lange, A. & O.K. Zijlstra (red.), Als ik Job niet had: tien denkers over God en het lijden, Zoetermeer, 1997
Desmet, M., Is lijden mensonwaardig?, Tielt, Lannoo, 2000.
Goetghebuer, J.P. & C. Verhamme, De zieke mens nabij. Een zoektocht naar de binnenkant van het lijden, Tielt, 1985.
Keirse, M., Wat meer is in de mens. Over zingeving aan het ziekbed, Leuven, Acco, 1985.
Keirse, M., Omgaan met ziekte. Een gids voor de patiënt, het gezin en de zorgverlener, Tielt, Lannoo, 2005.
Kushner, H., Als ’t kwaad goede mensen treft, Baarn, Ten Have, 1986.
Harold S. Kushner (1935) is emeritus-rabbijn van Temple Israël in Natick, Massachussetts. Als theologiestudent werkte hij op het boek Job. Echt persoonlijk werd hij slechts geconfronteerd met het lijden toen hij de diagnose vernam over zijn driejarige zoon Aäron: progeria, een snelle en dodelijke verouderingsziekte. Aäron stierf toen hij net veertien was. Uit die beleving schreef Kushner in 1981 When bad things happen to good people (Schocken Books, New York). Kushner tracht hierin de goddelijke almacht te schrappen ten voordele van de goddelijke algoedheid.
Lambrecht, J. (ed.), Hoelang nog en waarom toch? God, mens en lijden (Nikè-reeks 18), Leuven – Amersfoort, Acco, 1988.
M. Steen, Het actuele thema van de “lijdende” God. Een terreinverkenning
T.J. Van Bavel, Zinloosheid van lijden en pogingen tot interpretatie
T.J. Van Bavel, Waar is God als de mens lijdt?
K. Depoortere, Godsbeeld en lijdensverwerking. Pastoraaltheologische reflectie
Mertens, H-E.,Niet het kruis, maar de Gekruisigde. Schets van een christelijke bevrijdingsleer (Nikè-reeks), Leuven - Amersfoort, Acco, 1990.
Pollefeyt, D. & J. Bulkens (ed.), Niet lijdzaam toezien! Godsdienstige verwerking van lijden in de huidige (jongeren)cultuur (Nikè-reeks 34) Leuven, Acco, 1995, 59-110.
H.E. Mertens, Lijdensthematiek in de moderne (religieuze) kunst (p. 269-291)
Sölle, D., Lijden, in Mystiek en verzet: Gij stil geschreeuw, Baarn, Ten Have, 1998, 191-221.
Stap, D. Ziek zijn en God, Tielt, Lannoo, 2005.
Steen, M., Een God die met ons lijdt?, in Collationes 21 (1991) 37-56.
Uleyn, A., Ziek-zijn en schuldgevoelens, in Speling 32 (1980) nr. 1, 47-53.
Vergote, A., Het meerstemmige leven. Gedachten over mens en religie, Kapellen, DBN/Pelckmans, 1987, p. 64 vv.
Zahrnt, H., Hoe kan God dat toelaten? Job – de mens en het lijden (Wie kann Gott das zulassen? Hiob – Der Mensch im Leid, München, R. Piper GmbH & Co, 1985), Baam, Ten Have, 1986.
Johannes-Paulus II, Het Lijden, Salvifici Doloris (Wereldkerkdocumenten 12), Brussel, Licap, 1984.













.jpg)