In deze module wordt ingegaan op de verschillende opvattingen over levensbeschouwing in de publieke ruimte.
Cursustekst
Vooraf
In deze module wordt ingegaan op de verschillende opvattingen over levensbeschouwing in de publieke ruimte. Hiertoe worden eerst (deel A) enkele historische ontwikkelingen achter het debat geschetst. Daaruit blijkt hoe het theoretische denken over de verhouding tussen kerk en staat sterk beïnvloed is door historische gebeurtenissen. Deze historische achtergrond wordt verder geconcretiseerd aan de hand van het voorbeeld van Thomas More, die in zijn schets van de ideale samenleving, Utopia, veel belang hecht aan godsdienstvrijheid en tolerantie.
In het tweede, meer systematisch deel (B) zullen de twee houdingen tegenover levensbeschouwelijke diversiteit die men vandaag doorgaans onderscheidt, toegelicht worden. Levensbeschouwingen hebben zelf ideeën over de theologische waarde van andere levensbeschouwingen. Dit is echter een ander perspectief dan wanneer men nadenkt over hoe men in de publieke ruimte met verschillende levensbeschouwingen moet omgaan. Vanuit dit, maatschappelijk, perspectief worden doorgaans twee visies onderscheiden: passief en actief pluralisme.
Tot slot (deel C) worden enkele concrete voorbeelden geschetst waaruit zal blijken dat de discussie over het passief of actief pluralisme nog verre van beslecht is – en dat zelfs als deze beslecht kan worden, de concrete betekenis daarvan niet altijd duidelijk zal zijn.
Deze module werd opgesteld in samenwerking met prof. W. François, docent geschiedenis van kerk en theologie aan de Faculteit theologie en religiewetenschappen, K.U.Leuven, en met dr. M. Moyaert, postdoctoraal onderzoeker binnen het Interdisciplinair centrum voor religiestudie en interlevensbeschouwelijke dialoog aan de Faculteit theologie en religiewetenschappen.
Inleiding
In 2005 bracht sp.a-politicus Steve Stevaert het boek Ander geloof. Naar een actief pluralisme in Vlaanderen uit 1. Thema van het boek is de plaats van levensbeschouwingen op het publieke forum. Traditioneel worden er in deze discussie twee hoofdstrekkingen onderscheiden. Het ‘passief pluralisme’ vertrekt van het uitgangspunt dat ieder de vrijheid heeft om zijn eigen levensbeschouwing te kiezen. Het ondersteunt daarom sterk het individuele recht op godsdienstvrijheid, maar zal, om conflicten in de publieke sfeer te vermijden, levensbeschouwing zo veel mogelijk tot de privésfeer beperken. Dit passief pluralisme steunt op de moderne traditie van tolerantie en godsdienstvrijheid die voortvloeide uit de ervaring van de vele conflicten tussen verschillende christelijke denominaties en tussen gelovigen en vrijzinnigen die Europa teisterden vanaf de zestiende eeuw. Het boek Ander geloof voert echter een pleidooi voor wat men ‘actief pluralisme’ noemt. Deze strekking plaatst vraagtekens bij het eenzijdig inzetten op godsdienstvrijheid en het vermijden van levensbeschouwelijke confrontaties. Volgens Stevaert zijn levensbeschouwingen een bron van rijkdom en kunnen ze een belangrijke maatschappelijke bijdrage leveren. Bovendien kan een te sterk verdringen van levensbeschouwing naar de privésfeer leiden tot onverschilligheid, onbegrip of wantrouwen, wat uiteindelijk opnieuw zou kunnen uitmonden in conflicten. Het actief pluralisme meent dan ook dat de zichtbaarheid van en het debat tussen de levensbeschouwingen vanuit de politiek moet worden bevorderd:
Het beleid [moet] gericht zijn op het ontwikkelen van de nieuwsgierigheid naar de ander. Vanuit die nieuwsgierigheid ontstaan twee belangrijke houdingen die nodig zijn om tot een actief pluralisme te komen: een houding van openheid en een afnemende houding van verstarring. Dan zullen de veranderingen in de manier waarop we tegen andere levensbeschouwingen aankijken veeleer interessante mogelijkheden bieden dan beschouwd worden als een bedreiging. [...] Dan zal de echte dialoog van start kunnen gaan. Het begrip voor de ander vormt dan de basis voor de verdere ontwikkeling van een actief-pluralistische samenleving waarin appreciatie voor de standpunten van de ander het wantrouwen zal kunnen verdringen. De verschillen tussen de religies worden eerder de norm en een bron van culturele rijkdom dan een probleem 2.
Het actief pluralisme wil geen afbreuk doen aan de waarde van het passief pluralisme, maar meent dat het passief pluralisme alleen niet voldoende is. Daartoe laat het zich mede inspireren door enkele vroegmoderne denkers zoals Desiderius Erasmus (1469-1536) en Thomas More (1478-1535) die reeds aanzetten gaven tot het nadenken over tolerantie en een redelijke dialoog tussen verschillende levensbeschouwingen.
Sinds de publicatie van Ander geloof lijkt het begrip‘actief pluralisme’ gemeengoed geworden te zijn. Het is een term die “door bijna iedereen moeiteloos begrepen wordt en die als vanzelf de instemming van de democratisch ingestelde burgers moet wegdragen: we leven nu eenmaal in een meervoudige (pluralistische) maatschappij, een historische en sociologische realiteit die we beter actief zouden beheren dan passief ondergaan. 3” Iedereen die zichzelf graag profileert als ‘open’, schaart zich dan ook makkelijk achter het pleidooi voor interlevensbeschouwelijke dialoog. Dit heeft tot gevolg dat actief pluralisme vaak een vaag begrip is waarvan het niet duidelijk is welke lading het dekt 4. De concrete uitwerking en de mogelijke problemen die daarmee gepaard kunnen gaan, komen niet altijd aan bod.
Het pleidooi voor actief pluralisme heeft echter wel tot gevolg gehad dat de plaats van religie en levensbeschouwing in de publieke ruimte weer uitdrukkelijk op de agenda werd geplaatst. Bovendien werden er vraagtekens geplaatst bij de hedendaagse tendens de publieke sfeer zo veel mogelijk te vrijwaren van levensbeschouwelijke invloed. Het actief pluralisme is daarom een goede aanleiding om te reflecteren over de aanwezigheid van levensbeschouwing in de publieke ruimte. Opvattingen daarover hebben te maken met ideeën omtrent het staatsbestel zelf, omtrent de waarde en functie van religie, maar staan ook niet los van de wijze waarop religie feitelijk functioneert in concrete individuele levens.
Voor een goed begrip van deze hedendaagse discussie is het belangrijk eerst inzicht te verwerven in de historische ontwikkeling van het tolerantiedenken. Dit denken over tolerantie, dat mee bepaalt hoe vandaag tegen de aanwezigheid van diverse levensbeschouwelijke stromingen wordt aangekeken, is immers sterk beïnvloed door historische ontwikkelingen in samenleving en religie.
A. LEVENSBESCHOUWELIJKE DIVERSITEIT EN TOLERANTIE: EEN HISTORISCHE BENADERING
Doorheen de geschiedenis van West-Europa is er altijd al levensbeschouwelijke diversiteit geweest binnen de samenleving. Tijdens de eerste eeuwen van zijn bestaan, moest het christendom zich illegaal trachten te handhaven te midden van een veelheid aan religieuze strekkingen zoals de antieke cultus, gnostische stromingen, … Toen door het Edict van Milaan (313) godsdienstvrijheid werd toegekend aan de christenen rekende naar schatting 10% van de bevolking zich tot het christendom. Daarna nam het christendom echter een hoge vlucht. Op het einde van de vierde eeuw, onder keizer Theodosius, verkreeg het christendom meer en meer privileges en ontwikkelde het zich de facto tot de staatsreligie.
In de middeleeuwen was het christendom dan ook de dominante religie. Dit betekent echter niet dat men niet in contact kwam met andere religies. Intern werd de christelijke eenheid onder andere geconfronteerd met groepen joden waarmee het samenleven niet altijd even vredevol verliep.
Aan haar zuid-westelijke grenzen werd de West-Europese christelijke samenleving van de achtste tot de vijftiende eeuw geconfronteerd met de islamitische Moren op het Iberische schiereiland. In het zuidoosten werd Europa in het Balkan- en Donaubekken geconfronteerd met de islamitische Ottomanen, die doorstootten tot aan de poorten van Wenen. Intussen had de Reformatie in West-Europa zelf echter een periode van grote verdeeldheid binnen het christendom ingeluid.
Naast – maar uiteraard niet los van – deze wijzigingen inzake de feitelijke aanwezigheid van levensbeschouwelijke diversiteit in de samenleving, zijn er in de loop van de geschiedenis ook verschillende houdingen ten aanzien van deze diversiteit ontstaan. Doorheen de geschiedenis zijn er verschillende ‘golven’ van pluralisme en tolerantie waar te nemen. In deze module focussen we op de ontwikkelingen in het denken over tolerantie vanaf de moderniteit. Aan het begin van de zestiende eeuw vinden we verdedigingen van een vorm van tolerantie bij onder andere Desiderius Erasmus (1469-1536) en Thomas More (1478-1535). Na het ontstaan van verschillende christelijke strekkingen onder invloed van de Reformatie in de zestiende eeuw, laaide het religieus geweld in veel streken in West-Europa echter hoog op en wordt dit prille tolerantiedenken in de kiem gesmoord. Pas na decennia van bloedig religieus geweld ontstaat in Duitsland een eerste – zeer beperkte – vorm van geïnstitutionaliseerde godsdienstvrijheid waarbij de officiële religie afhankelijk was van de keuze van de heerser. In Frankrijk en de noordelijke Nederlanden vond men eigen manieren om met levensbeschouwelijke verschillen om te gaan. Deze en andere ontwikkelingen mondden tenslotte uit in de idee van individuele godsdienstvrijheid zoals we die vandaag nog kennen.
Deze verschillende golven vormen een belangrijke achtergrond bij het hedendaagse debat omtrent levensbeschouwelijke diversiteit. Ze laten zien hoe het hedendaagse denken omtrent pluraliteit sterk beïnvloed is door verschillende gebeurtenissen en visies uit het verleden. Dat kwesties als godsdienstvrijheid en tolerantie niet alleen samenlevingen kunnen verscheuren, maar ook voor individuen niet altijd eenvoudig zijn, kan blijken uit het voorbeeld van Thomas More. Deze humanist, die in zijn Utopia één van de eerste pleidooien hield voor godsdienstvrijheid en tolerantie, ontpopte zich later zelf tot een notoir ketterjager.
Doelstellingen van dit onderdeel
- de ontwikkeling van de tolerantiegedachte in West-Europa kunnen schetsen
- het belang van enkele moderne denkers (Erasmus, More, Cleynaerts) voor het hedendaagse debat over tolerantie kunnen toelichten
- kunnen aangeven wat het verschil is tussen ‘laatste’ en ‘voorlaatste’ vragen (Vanheeswijck) en hoe dit onderscheid een rol heeft gespeeld in de historische ontwikkeling van het tolerantiedenken
- kunnen toelichten hoe de ontwikkeling van het tolerantiedenken tijdens de ‘eerste moderniteit’ ook plaatsvond binnen het leven en denken van één van de protagonisten van deze eerste moderniteit, Thomas More
I. GOLVEN VAN PLURALISME EN TOLERANTIE
1.1 De eerste geboorte van de moderniteit: een doodgeboren kind?
Aan het begin van de zestiende eeuw staan er enkele figuren op die vanuit een oprecht zoeken naar de bronnen van het menselijke kennen (humanisme) een grote tolerantie voorstaan. In hun streven naar het beter verstaan van de bronteksten van wijsheid en geloven 5, aarzelen zij niet te overleggen met personen met andere overtuigingen, zelfs met personen uit andere religieuze tradities.
Een centrale figuur uit dit zestiende-eeuws literair humanisme is Desiderius Erasmus (ca. 1469-1536). Zijn bekendste werk, Lof der zotheid, is allereerst een aanklacht tegen allerlei mistoestanden in kerk en samenleving. In het bijzonder richt hij zijn pijlen op de zelfgenoegzaamheid van koningen, pausen en geleerden. Op een fijnzinnige wijze is Lof der zotheid dan ook een pleidooi vóór intellectuele eerlijkheid en nederigheid.
Het [de theologen] is namelijk een bijzonder streng en prikkelbaar mensensoort dat mij [de zotheid] wel eens in horden met duizenden gevolgtrekkingen zou kunnen aanvallen en tot een herroeping dwingen en dan, als ik dat zou weigeren, maar meteen de kreet ‘Ketterij!’ zou aanheffen. Want zij hebben de gewoonte onmiddellijk met deze bliksem te dreigen als ze iemand niet erg mogen. […] Terwijl ze dankzij hun eigenliefde gelukkig zijn en zelfs als het ware de derde hemel bewonen, kijken ze vanuit de hoogte neer op alle andere mensen als op over de grond kruipend gedierte, en ze hebben haast medelijden met hen. Ze zijn omringd door een zo grote schare professorale definities, conclusies, consequenties, uitdrukkelijke en stilzwijgende stellingen, ze beschikken over zo’n massa uitwijkmogelijkheden dat, ook al zouden ze nog zo in Vulcanus’ netten verstrikt raken, ze toch zouden ontkomen door hun fijne nuances waarmee ze alle knopen zo gemakkelijk doorhakken […]; zozeer wemelen ze van pas bedachte woordjes en wonderbaarlijke uitdrukkingen. […]
Denkt u eens in wat een heerlijkheid dat is wanneer ze de woorden van de Heilige Schrift naar willekeur kneden en herkneden als waren ze van was […]. Met als gevolg dat niet meer doop, evangelie, Paulus of Petrus, noch de heilige Hiëronymus of St-Augustinus, zelfs niet Thomas, de meest Aristotelische, iemand tot christen maakt, als daar niet bij komt, de goedkeuring der afgestudeerde theologen, want die hebben zo’n verfijnd oordeel! 6
Erasmus verzet zich sterk tegen het al te vlug willen vastleggen van geloofsdefinities op basis van macht of geweld en stelt daarentegen overtuiging op basis van redelijkheid centraal. Erasmus leverde zelf een belangrijke bijdrage aan dit ideaal van het terugkeren naar de bronnen van de (antieke) kennis en de Schrift door de oprichting van het collegium trilingue aan de universiteit van Leuven. Door de kennis van het Hebreeuws, Grieks en Latijn te ontwikkelen was men immers in staat de teksten uit de klassieke oudheid opnieuw te bestuderen en de bestaande (Latijnse) Bijbelvertalingen kritisch onder de loep te nemen.
Naast Erasmus is ook Thomas More (1478-1535) een belangrijke figuur uit deze eerste periode van de moderniteit. Hij uitte zijn beklag over de bestaande maatschappelijke wantoestanden door een beeld te schetsen van de niet-bestaande, maar ideale, samenleving: Utopia. In deze ideale samenleving is tolerantie een hoog goed. Ieder mag de godsdienst van zijn of haar keuze belijden. Men mag ook zijn of haar godsdienst verkondigen aan anderen, maar enkel “rustig en bescheiden”, zonder de ander af te breken, te vervallen in scheldwoorden of geweld (cf. infra).
In dezelfde rij van renaissance-humanisten kan ook Nicolaes Cleynaerts (1493-1542) geplaatst worden. Hij studeerde eerst aan het Leuvens collegium trilingue en legde zich later toe op de studie van het Arabisch. In Spanje en Marokko verdiepte hij zich in de studie van de Koran, teneinde een vreedzaam debat met de islam te kunnen voeren 7.
Tot slot kan ook Pieter Gillis (1486-1533) vermeld worden. Deze Antwerpse stadsgriffier publiceerde niet alleen humanistische geschriften, maar maakte in zijn huis ook ruimte voor talrijke ontmoetingen tussen vele andere humanistische geleerden, waaronder Erasmus en More. Op die manier leverde hij een belangrijke bijdrage aan de sfeer van dialoog en debat die er bij de eerste humanisten heerste.
Volgens Guido Vanheeswijck baarde deze eerste moderniteit echter een “doodgeboren kind” 8. De goede bedoelingen en ideeën van de humanisten ten spijt heeft de tolerante en dialogerende houding het niet gehaald. Guido Vanheeswijck legt hier het verband met het Concilie van Trente (1545-1563) 9. Tijdens dit concilie reageerde de katholieke kerk op het sterk opkomende protestantisme door bepaalde mistoestanden in haar organisatie, zoals het cumuleren van verschillende ambten, de desinteresse van bisschoppen voor het geloofsleven in de parochies van hun bisdom en de politiek geïnspireerde kerkelijke benoemingen, aan te pakken en hiermee het begin van de Contrareformatie 10 in te luiden. Tegelijk positioneerde de katholieke kerk zich opnieuw door verschillende leerstellingen van het protestantisme te veroordelen. Dit gebeurde overigens niet alleen door de katholieke kerk: in de tweede helft van de zestiende eeuw benadrukten al de verschillende confessies meer en meer hun eigen identiteit en trachtten ze zich duidelijk te onderscheiden van andere confessies, onder andere door het opstellen van geloofsbelijdenissen (‘confessionalisering’). De theologische disputen bleven echter niet beperkt tot intellectuele debatten, maar leidden als snel tot reëel geweld, religieuze vervolgingen en oorlogen.
Uitbreiding: Tolerantiedenken voor de Reformatie: Nicolaas Cusanus
De koppeling van de start van het moderne tolerantiedenken aan enkele zestiende eeuwse figuren, betekent niet dat er vóór de zestiende eeuw in geen enkel opzicht sprake was van denken over tolerantie. Aan de vooravond van de moderniteit, besteedde Nicolaas Cusanus (1401 - 1464 ) 11 reeds aandacht aan het omgaan met andere religies, in het bijzonder de islam. Wanneer na de val van Constantinopel (1453) de dreiging van de islam reëel wordt, is Cusanus één van de weinigen die een vreedzame visie voorstaat. In De pace fidei (Over de godsdienstvrede, 1453) roept hij op tot een bijeenkomst van de vertegenwoordigers van de godsdiensten waarin op zoek gegaan wordt naar de gelijkenissen, eerder dan naar de verschillen.
Cusanus’ verdediging van tolerantie is deels gebaseerd op pragmatische argumenten. Intolerantie leidt immers tot geweld, oorlog en instabiliteit. Na de bevestiging van deze stelling door de godsdienstoorlogen vanaf het midden van de zestiende eeuw, speelde dit pragmatische argument een cruciale rol in de verdere ontwikkeling van het tolerantiedenken.
Cusanus’ pleidooi voor tolerantie steunt echter ook op zijn theologische basisideeën. Cusanus bepleit een negatieve (‘apofatische’) theologie. Terwijl de positieve theologie manieren zoekt om God te omschrijven (bv. God als almachtig, algoed, alwetend, …) benadrukt de negatieve theologie dat menselijke categorieën steeds te kort schieten om de transcendente God te omschrijven. God is niet-machtig, niet-goed, niet-wetend; niet omdat Hij onmachtig, slecht of onwetend is, maar omdat God de menselijke categorieën machtig, goed en wetend overstijgt. Omdat God nooit volledig gevat kan worden door menselijk spreken, kan geen enkel spreken over God aanspraak maken op de absolute waarheid. Daarin schuilt Cusanus’ theologische legitimering van tolerantie. Godsdiensten kunnen geen aanspraak maken op absolute geldigheid, maar zijn hypothesen die voortdurend dienen te worden verbeterd
12. Cusanus benadrukt daarom het belang van het zich individueel richten op de transcendente God. Volgens hem kan God het best benaderd wanneer men zich in de eerste plaats innerlijk op hem richt. Tradities, riten, godsbeelden (‘uitwendige religie’) zijn menselijke constructies die de opgang naar God vaak meer bemoeilijken dan vergemakkelijken. Om tot God de naderen moet de geest daarom zo veel mogelijk van deze menselijke beelden loskomen. Het relativeren van de eigen ‘uitwendige religie’ is voor Cusanus tegelijk de mogelijkheidsvoorwaarde voor het tolereren van andere (uitwendige) religies.
1.2 'Cuius regio illius et religio'. De onderschikking van het religieuze domein aan het politieke gezag
Na de eerste decennia van religieus geweld, met onder andere de Schmalkaldische oorlog tussen het protestantse Schmalkaldische verbond en de katholieke keizer van het Heilige Roomse Rijk (1546-1547), werd in 1555 de Vrede van Augsburg getekend. Dit verdrag ging uit van het principe cuius regio, illius et religio. Dit principe stelt dat de rijksvorst bepaalt welke godsdienst er in zijn gebied aangehangen wordt. Mensen kregen de mogelijkheid om te verhuizen naar een gebied waar hun godsdienst (rooms-katholiek, lutheraans of gereformeerd) beleden kon worden. Binnen een gebied bleef men voor de vrijheid van religieuze beleving echter overgeleverd aan de politieke machthebbers. De vrede van Augsburg betekende dus geenszins individuele godsdienstvrijheid. De waarde van het cuius regio, illius et religio-principe ligt dan ook voornamelijk in de onderschikking van het religieuze aan het politieke gezag, aldus Vanheeswijck 13. Door de afhankelijkheid van de religie van de politieke heerser, betekende de Augsburgse vrede tegelijk ook de consolidatie van de verdeeldheid tussen katholieken en protestanten.
Niet veel later laaide het religieuze geweld echter opnieuw op en braken de grote godsdienstoorlogen uit. Vanaf 1568 kwamen de, hoofdzakelijk protestantse, noorderlijke Nederlanden in opstand tegen het heersende, katholieke, Spaanse Rijk. Dit was het begin van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), waarin religie één van de belangrijke motieven was. Enkele decennia later leidde het streven van de keizer van het Duitse Rijk om het katholicisme opnieuw op te leggen in de protestantse gebieden en het verzet daartegen van de protestantse regio’s tot de Dertigjarige Oorlog (1618-1648). Deze gruwelijke oorlog zou het leven kosten van miljoenen mensen in centraal- en West-Europa. In 1648 maakte de Westfaalse Vrede een einde aan zowel de Tachtigjarige als de Dertigjarige oorlog. Het cuius regio, illius et religio-principe werd bevestigd in het Duitse Rijk waardoor verschillende religieuze gebieden gecreëerd werden die relatief vreedzaam naast elkaar leefden. In het licht van de godsdienstoorlogen, werd intern religieus pluralisme echter vaak beschouwd als een bedreiging voor het staatsgezag. Het religieus geweld had duidelijk gemaakt hoe verwoestend religieuze verschillen kunnen zijn. Religieuze aanspraken op waarheid werden vanaf dan geassocieerd met onverdraagzaamheid, conflict en geweld.
Deze ontwikkeling naar meer godsdienstvrijheid en tolerantie werd mede ondersteund door wat de tweede, wetenschappelijk-rationalistische, fase in de ontwikkeling van de moderniteit genoemd wordt. Met de publicatie van Francis Bacons Novum Organum (1620) wordt een nieuw wetenschappelijk paradigma voorop gesteld, gebaseerd op ervaring en experiment. Volgens dit paradigma moet wetenschap niet, zoals tot dan toe meestal gebeurde, vertrekken van speculatieve theorieën, maar moet ze uitgaan van waarnemingen. Al snel blijkt dat deze op experiment en empirie gebaseerde wetenschap erg succesvol is en veel meer vooruitgang boekt dan het vroegere speculatieve denken. Hierdoor gaat men zich meer en meer richten op deze ontwikkeling van kennis van de empirische werkelijkheid. Guido Vanheeswijck ziet hierin de bron van de verminderde aandacht voor levensbeschouwelijke kwesties, die immers niet tot de empirische werkelijkheid behoren en waar men geen vooruitgang in de kennis lijkt te boeken: “de aandacht van de laatste vragen betreffende het ultieme doel van de werkelijkheid verschuift naar de voorlaatste vragen die peilen naar de werking van concrete fenomenen” 14. Naast de godsdienstoorlogen lijkt nu immers ook de wetenschap er op te wijzen dat er geen overeenstemming mogelijk is met betrekking tot de ‘laatste vragen’ (het uiteindelijke funderende kader waarbinnen mensen handelen en denken). In plaats van deze vragen tot voorwerp van debat en geweld te laten blijven, gaat men deze vragen niet langer te stellen en zich te beperken tot vragen waarop, met de nieuwe wetenschap, wel antwoorden kunnen worden gevonden. De vragen over de uiteindelijke zin van de wereld verdwijnen uit het blikveld van het gangbare wetenschappelijke onderzoek en verworden tot louter interne levensbeschouwelijke aangelegenheden.
Dit nieuwe wetenschappelijke paradigma wordt ook filosofisch onderbouwd in het moderne denken, in het bijzonder bij René Descartes (1596-1650). Descartes gaat op zoek naar een onbetwijfelbaar uitgangspunt voor de opbouw van alle kennis. Daarbij hanteert hij de methode van de universele twijfel: alles wat kan betwijfeld worden, wordt overboord gegooid en kan geen grondslag voor het denken zijn. Uiteindelijk zal Descartes bij het cogito ergo sum uitkomen als onbetwijfelbaar uitgangspunt, en van daaruit zal hij de menselijke kennis op rationalistische wijze opnieuw funderen. Het principe van de methodische twijfel betekende echter een enorme culturele omslag, waardoor geloof niet langer als een zekerheid werd beschouwd.
Uitbreiding: Edict van Nantes (Frankrijk)
In Duitsland vond men een manier om met de religieuze diversiteit om te gaan in het principe cuius regio illius et religio. Dit is echter slechts één traditie. Op andere plaatsen in Europa ging men soms op een andere manier om met religieus geweld. In Frankrijk kreeg het protestantisme meer en meer aanhang, ook in vooraanstaande kringen. Hoewel het (katholieke) koningshuis aanvankelijk naar wegen zocht om beide partijen vreedzaam samen te laten leven, kwam het toch tot geweld en conflicten, de zogenaamde ‘hugenotenoorlogen’ (naar de naam waarmee de Franse protestanten werden aangeduid). Dit religieus geweld bereikte zijn dieptepunt op de Bartholomeusnacht in 1572: tijdens de nacht van het huwelijk van de protestantse voorman Hendrik van Navarre en de katholieke Margaretha van Valois, zus van koning Karel IX, dat de vrede tussen beide partijen moest ondersteunen, gaf de koningin-moeder Catharina de Medici de opdracht alle hugenoten te vermoorden. Duizenden protestantse slachtoffers in Parijs en nog eens duizenden in de provincie waren het gevolg. Wanneer Hendrik Van Navarre – die ontsnapt was aan de moordpartij – later koning wordt, vaardigt hij het Edict van Nantes (1598) uit. Volgens dat edict blijft het katholicisme de algemene godsdienst van Frankrijk, maar kregen de de protestanten gewetensvrijheid en op bepaalde plaatsen ook cultusvrijheid. Het edict van Nantes bleef bijna honderd jaar van kracht. In 1685 werd het edict evenwel herroepen door Lodewijk XIV (Edict van Fontainebleau). Duizenden protestanten ontvluchtten toen Frankrijk.15
Uitbreiding: Tolerantie in de noordelijke Nederlanden
De Duitser Johann Jakob Grabner, beschreef in de achttiende eeuw met bewondering over de religieuze situatie in de Republiek der Verenigde Nederlanden 16:
Nee, mijn beste, jij hebt je helemaal geen juist beeld van de Nederlandse tolerantie gemaakt. Zij bestaat geenszins in een algemeen indifferentisme. Nee, zij bestaat daarin dat katholieken, lutheranen, doopsgezinden, remonstranten, hernhutters, quakers en alle christelijke sekten, met uitzondering van de socinianen, net als de joden in de uitoefening van hun godsdienst bijna volledig dezelfde rechten hebben als de zogenaamde heersende kerk, en dat de gereformeerden alleen met het oog op politieke ambten duidelijke voordelen boven de leden van andere godsdiensten hebben.16a
Maakten de katholieken aan het begin van de zeventiende eeuw nog de ruim de helft uit van de bevolking in de noordelijke Nederlanden, dan namen deze aantallen na de Vrede van Munster – toen duidelijk werd dat de Republiek niet zou terugkeren onder het gezag van een katholieke vorst – stelselmatig af. Een deel van de katholieken vluchtte naar de Zuidelijke Nederlanden of naar katholieke delen van Duitsland; anderen gingen over naar het calvinisme. In 1726 bedroeg het aantal katholieken in de Republiek naar schatting 34 %. De katholieken waren daarmee wel de belangrijkste confessionele minderheid , naast talloze andere christelijke minderheden16b.
Omdat de heersende elite, zeker in de steden, was overgegaan tot het calvinisme, kon deze confessie in de praktijk een voorkeurspositie innemen. Het calvinisme werd geen staatskerk – de overheid legde in tegenstelling tot in Duitsland met het cuius regio, illius et religio-principe nooit een confessie dwingend op aan de burgers – maar wel een publieke kerk. Andere confessies werden getolereerd, maar mochten geen publieke rol spelen.
De tolerantie in de Republiek beperkte zich dus tot gewetensvrijheid: er was geen vrijheid van eredienst. Zo werd het katholieke geloofselement zoveel mogelijk buiten de maatschappelijke sfeer gehouden en onderworpen aan de protestantse politieke orde. Katholieken beleefden hun geloof in schuilkerken waarvan nagenoeg de hele bevolking wist waar ze zich bevonden. Vele stadsbesturen duldden echter niet dat katholieke geloofsuitingen al te openlijk zichtbaar werden. Priesters die de katholieken bedienden, moesten zich erg discreet opstellen. Tegen al te grote ‘aanmatigingen’ traden stadsbesturen geregeld op met geweld tegen priesters en zware financiële boetes. Katholieken moesten hun tolerantie vaak afkopen door grote sommen geld. Niettemin waren er grote verschillen: in de steden van Holland (zoals Haarlem, Amsterdam en Delft) en Utrecht waar vaak grote concentraties katholieken leefden, waren de stedelijke overheden milder dan bijvoorbeeld in Overijssel, Drenthe of Groningen.
Niettemin trok het tolerante imago van de noorderlijke Nederlanden verschillende gewetensvluchtelingen uit het buitenland aan. Zo trokken bijvoorbeeld tienduizenden Franse protestanten – vooral uit de culturele en economische elitie - naar de Republiek na de opheffing van het Edict van Nantes (1685). De tolerantie in de Republiek was in eerste instantie dan ook gestoeld op pragmatische, en niet zozeer op ideologische, redenen: tolerantie droeg bij tot welvaart .
In de loop van de achttiende eeuw werd de tolerantiegedachte echter meer en meer ondersteund vanuit ideologische hoek, in het bijzonder na de publicatie van Voltaires Traité sur la tolérance (1763). In 1796, na de Franse inval (1795), resulteerde dit in het opheffen van de priviliges van het calvinisme.
1.3 Individuele godsdienstvrijheid: een mensenrecht
Pas in een latere fase wordt godsdienstvrijheid ook toegekend aan individuen. Het religieuze domein is dan niet langer ondergeschikt aan het politieke gezag, maar wordt ervan gescheiden. Eén van de eerste documenten waarin de godsdienstvrijheid wordt ingeschreven is de Engelse Bill of Rights (1689) die wordt opgesteld na de Glorious Revolution van 1688 17. Ook Engeland kende immers een geschiedenis van religieus geweld, vooral sinds het ontstaan van de Anglicaanse Kerk onder Hendrik VIII (1491-1547) en het latere contrareformatorische optreden van Mary I (1516-1558). Deze koningin kreeg de bijnaam Bloody Mary omwille van de bloedige vervolging van protestanten onder haar bewind. Na de puriteinse machtovername van Oliver Cromwell in 1649 waren het daarentegen de katholieken die vervolgd werden.
In deze evolutie naar individuele godsdienstvrijheid speelde de opkomst van de liberale filosofie een cruciale rol. Centraal in het liberale denken is de prioriteit van het individu. De menselijke persoon heeft natuurlijke, onvervreemdbare rechten, die aan het leven in een gemeenschap vooraf gaan. De staat heeft de taak het individu en diens rechten te beschermen, maar laat de individuen daarbij vrij om zelf een inhoudelijke invulling te geven aan hun levensdoel. De overheid beschouwt personen als burgers van de staat, en maakt daarbij abstractie van hun particuliere kenmerken, zoals ook hun behoren tot een bepaalde levensbeschouwing. Om zoveel mogelijk vrijheid aan de burgers te laten, dient de staat zich neutraal op te stellen zodat ze zelf geen inhoudelijke notie van het goede vooropstelt.
Mede onder invloed van het liberale denken ontstaat langzaam de idee van individuele godsdienstvrijheid. In 1765 verschijnt Voltaires Traîté de la tolérance, waarin hij zich afzet tegen het kerkelijk en koninklijk absolutisme. De daaropvolgende decennia wordt de idee van vrijheid van godsdienst in Europa en de Verenigde Staten langzaam verder geformaliseerd en wettelijk geregeld, evenwel niet zonder slag of stoot. Met de Franse Revolutie wordt de godsdienstvrijheid ingeschreven in de Déclaration des droits de l’homme (1789): “Nul ne peut être inquiété pour ses opinions, même religieuses, pourvu que leur manifestation ne trouble pas l’ordre public établi par la loi” – hoewel de kerken op vele manieren vervolgd werden (bv. door inbeslagname van de kerkelijke goederen) na de Franse Revolutie. Ook in de Amerikaanse Bill of Rights (1789) wordt de vrijheid van godsdienst vermeld. In Engeland wordt geleidelijk aan katholieken (1791) en unitariërs18 (1813) vrijheid van eredienst verleend. Duitsland komt in 1848 tot volledige vrijheid van eredienst. In Spanje en Oostenrijk is er pas op het einde van de negentiende eeuw sprake van vrijheid van eredienst; daarvóór vinden er nog zware vervolgingen plaats tegen protestanten. De Scandinavische landen geven pas in 1870 volledige politieke rechten aan niet-lutheranen, in casu katholieken 19. In 1948, na het dramatische dieptepunt van de jodenvervolgingen in de Tweede Wereldoorlog, wordt de godsdienstvrijheid ingeschreven in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (art. 18):
“Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst;dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven, zijn godsdienst of overtuiging te belijden door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing, door eredienst en de inachtneming van de geboden en voorschriften.”
Het recht op godsdienstvrijheid bestaat dus uit drie aspecten. Ten eerste wordt de gewetensvrijheid beschermd: ieder mag geloven wat hij of zij wil (het ‘interne’ aspect van de religie). Daarnaast beschermt het artikel de vrijheid om van godsdienst te veranderen. Ten derde geeft art. 18 van de UVRM ieder het recht zijn of haar godsdienst te belijden en uit te oefenen (het ‘externe’ aspect van de religie), zowel privé als in het openbaar. Hiermee worden bijvoorbeeld het opdragen en bijwonen van de eredienst bedoeld.
Het recht op godsdienstvrijheid is zoals de meeste rechten geen absoluut recht. Omwille van bepaalde rechtmatige doelen, zoals het beschermen van de openbare veiligheid of de rechten en vrijheden van andere burgers, kan de godsdienstvrijheid ingeperkt worden. De inperking moet dan in verhouding staan tot het beoogde doel.
Uitbreiding: John Lockes A Letter Concerning Toleration
Eén van de bekende vertegenwoordigers van dit nieuwe denken was John Locke. In zijn A Letter Concerning Toleration (1689) voert hij drie argumenten aan om te verdedigen dat staat en religie zich elk tot hun eigen domein moeten beperken. Ten eerste argumenteert Locke dat de zorg voor de ziel – het domein van de religie – niet meer aan wereldlijke heersers is toevertrouwd dan aan andere mensen. Er is dus geen reden waarom zij zeggenschap over anderen zouden hebben op dit domein. Ten tweede stelt Locke dat het innerlijke geloof niet afgedwongen kan worden door de externe dwang waarover burgerlijke magistraten beschikken. Als derde wijst Locke op de enorme religieuze diversiteit onder de heersende staatsleiders. Als slechts de religie van de heerser naar het heil zou leiden, dan zou dat betekenen dat alle mensen die toevallig op een andere plaats geboren zijn, uitgesloten zijn van dit heil.
II. UITGEBREIDE STUDIE: THOMAS MORE EN HET DOODGEKNEPEN KIND VAN MODERNITEIT EN TOLERANTIE
2.1 Inleiding
Terecht heeft Guido Vanheeswijck in zijn boek Tolerantie en actief pluralisme de link gelegd tussen het zestiende eeuwse renaissancehumanisme, een eerste golf van moderniteit en religieuze tolerantie. Het renaissancehumanisme was het tijdperk van de zoektocht naar de bronnen van het menselijke weten en geloven (“ad fontes!”). Vanuit een beroep op deze bronnen werden met grote vrijmoedigheid, soms met humor maar vaak ook met sarcasme bestaande maatschappelijke en religieuze systemen ter discussie gesteld en werd, daaraan gekoppeld, een zekere tolerantie en verdraagzaamheid ten aanzien van andersdenkenden tentoongespreid. We zien dat aanwezig in Erasmus’ Lof der Zotheid (1511), Thomas More’s Utopia (1516) en eerder al in het Narrenschip van Sebastian Brant (1494). Dit sceptisch-tolerante gedachtegoed van het zestiende eeuwse humanisme heeft evenwel nooit de transcendente verankering, de verankering in God prijsgegeven. Men noemt deze periode de ‘eerste geboorte’ van de moderniteit.
Zolang het katholicisme niet fundamenteel werd uitgedaagd, had het nadenken over – zelfs de kritiek op – de eigen levensbeschouwelijke bronnen en het open gesprek met andersdenkenden nog een vrij brede armslag, zo betoogt Vanheeswijck nog. Zodra echter duidelijk werd dat de kritiek leidde tot de oprichting van verschillende concurrerende confessionele systemen, trad er verkramping in, niet enkel in de katholieke Kerk trouwens, maar later ook in de verschillende protestantse kerken. Meer en meer werd de eigen geloofsleer vastgelegd in dogma’s en bakende men de grenzen met andersdenkenden scherp af. Nieuwe leden werden in het eigen geloofssysteem ‘gesocialiseerd’. Later in de zestiende eeuw barstte dit confessionaliseringsproces uit in godsdienstoorlogen, die resulteerden in de consolidering van natiestaten met ieder hun eigen godsdienstpolitiek. De humanistische houding van redelijkheid en verdraagzaamheid heeft het uiteindelijk niet gehaald. De eerste fase van de moderniteit baarde een doodgeboren kind…21
Deze evolutie vinden we als het ware geïncarneerd terug in Thomas More zelf. More was niet alleen een humanist en mede-inspirator van moderniteit en tolerantie, vooral dan door zijn
Utopia, maar ontpopte zich ook tot een notoir ketterjager, die een aantal doodvonnissen eigenhandig heeft ondertekend. Dat Thomas More uiteindelijk zelf als martelaar voor het katholieke geloof is gestorven, maakt het plaatje nog complexer.
2.2 Utopia, het boek: achtergrond en inhoud
Thomas More was een humanistisch geschoolde Engelse jurist en onderschout van Londen toen hij van mei tot december 1515 door koning Hendrik VIII werd ingedeeld in een gezantschap, om in de Lage Landen met vertegenwoordigers van Karel V te onderhandelen over de uitvoer van wol van Engeland naar Vlaanderen. Tijdens een pauze in de onderhandelingen, in juli 1515, trok More naar Antwerpen waar hij de stadssecretaris en humanist Pieter Gillis (1486-1533) ontmoette. Daarna lopen feiten en fictie in elkaar over: na de mis in de O.-L.-Vrouwkerk zou Gillis More in contact hebben gebracht met Raphael Hythlodaeus, een kenner van de Griekse wijsbegeerte en zeevaarder die het eiland Utopia had bezocht. Deze zou dan de ideale samenlevingsvorm op Utopia hebben geschetst, die wordt voorgesteld als helemaal in overeenstemming met de natuurwet die de mens met behulp van de rede kan ontdekken. Op deze wijze plaatst More zich in de lijn van werken van de politieke filosofie, zoals Plato’s Staat, Aristoteles Politika en zelfs Augustinus’ De civitate Dei. Bovendien zijn er duidelijk christelijke invloeden aan te wijzen: de beschrijving van de eerste christelijke gemeenschap zoals te vinden in de Handelingen van de Apostelen en die in More’s tijd werd geactualiseerd in de leefregel van sommige kloosters. More zelf had van 1501 tot 1504 in het kartuizerklooster in Londen gewoond.
De combinatie van klassieke en christelijke invloeden vinden we ook terug in de naam van het hoofdpersonage, de zeevaarder en filosoof Raphaël Hythlodaeus. Raphaël is de katholieke beschermheilige van de reizigers. Hythlodaeus komt van het Griekse huthlos of flauwe grap, en betekent dus letterlijk ‘de praatjesmaker’. Hythlodaeus is in zekere zin het alter ego van Thomas More zelf. Hij dient om uiting te geven aan de vaak tegenstrijdige gedachten en twijfels waarmee de Engelse humanist al jaren worstelde. Daarbij waren de wat meer gewaagde opvattingen op rekening van Hythlodaeus te schrijven, zodat de eigenlijke auteur ervan op de achtergrond kon blijven.
De Utopia bestaat uit twee boeken. Het eerste boek – eigenlijk als laatste (1515/16) geschreven – bevat een gesprek tussen het hoofdpersonage Raphaël Hythlodaeus, de ‘fictionele’ Thomas More en sporadisch ook de Antwerpse humanist Pieter Gillis. Centraal staat de vraag waarom een wijs man als Hythlodaeus niet toetreedt tot de Geheime Raad van de koning 22. Het personage More, helemaal onder de indruk van de ervaring en de wijze inzichten van Hythlodaeus, adviseert de man om in dienst te treden van een of andere vorst, om op deze wijze het bestuur van het land toch enigszins ten goede te keren en, zij het misschien indirect, het welzijn van het land te dienen. Hythlodaeus weigert echter. Koningen zijn volgens hem allereerst bezig met de uitbreiding van hun macht met militaire middelen en niet zozeer met het bestuur van een vredevolle samenleving. Het is weinig waarschijnlijk dat de raadsheer erin slaagt om iets ten goede te keren. Bovendien: als rechtvaardige word je in de raad der vorsten al vlug geneutraliseerd of, in het slechtste geval, gecorrumpeerd.
Hythlodaeus onderbouwt zijn weigering met een vrijmoedige kritiek op de zogenaamd christelijke maatschappijordening van zijn tijd: er is een enorme kloof tussen de massa ‘ellendelingen’ en de kleine elite van rijken. Het welzijn van de burgers kan volgens Hythlodaeus slechts gegarandeerd worden als alle goederen gemeenschappelijk bezit zijn, en ze onder iedereen gelijkmatig en naar behoefte worden verdeeld, zodat niemand nog honger of gebrek moet lijden (‘communisme’). Het is duidelijk dat More Hythlodaeus’ verontwaardiging over de scheefgegroeide maatschappelijke structuren deelt, maar hij lijkt toch geen voorstander te zijn van louter egalitarisme, noch van de afschaffing van het privébezit.
In het tweede boek van de Utopia is Raphaël Hythlodaeus alleen aan het woord en wordt het maatschappelijke leven in Utopia beschreven. Vooreerst worden de instellingen van Utopia voorgesteld, met als spil, alweer, het communisme. Iedereen doet er aan handenarbeid, echter niet meer dan zes uur per dag – een ‘revolutionair’ voorstel in een tijd dat ambachtslui en arbeiders ongeveer twaalf uur per dag werkten. De opbrengsten van de arbeid worden bijeengebracht in grote magazijnen en daaruit krijgt iedereen wat hij nodig heeft. Er is geen privé-eigendom en geen geldverkeer. Iedereen heeft recht op voldoende voedsel, kleding, op een woning, onderwijs (voor jongens en meisjes), verpleging in geval van ziekte, en verzorging wanneer men niet meer in staat is in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Ongeneeslijk zieken die onophoudelijk hevige pijnen lijden, kunnen zelfs euthanasie krijgen.
Naast die zes uur arbeid is er ’s morgens ruimte voor geestelijke en intellectuele ontplooiing, en zijn er voorlezingen over allerlei stichtelijke thema’s. De maaltijden gebruiken mensen samen in grote hallen (waaraan crèches verbonden zijn). En ’s avonds is er gemeenschappelijke ontspanning: muziek, conversaties, stichtende gezelschapsspelen enz.
De verschillende bestuursniveaus worden democratisch verkozen, en alle politieke beslissingen worden genomen in overleg, met het oog op het algemeen belang. Wie buiten dit democratisch overlegmodel om probeert de macht te grijpen, riskeert de doodstraf.
Bij al deze collectivistische tendensen valt wel de strikte huwelijks- en gezinsethiek op. Voorhuwelijkse betrekkingen zijn verboden. Overspel wordt als een zwaar vergrijp ervaren. Het wordt bestraft met de zwaarste slavernij en, bij recidive, met de doodstraf. More had heel weinig geduld met de seksuele zwakheid van de mens. Echtscheiding kan wel. Men kan van zijn partner scheiden met een bewijs dat deze echtbreuk heeft gepleegd, of wanneer er fundamentele onverenigbaarheid van karakters is. Ook bij onderlinge toestemming is echtscheiding mogelijk.
2.3 Utopia en religieuze tolerantie
Vooral op het einde van de Utopia, wanneer de declamatie naar een hoogtepunt groeit, besteedt Hythlodaeus uitvoeriger aandacht aan de godsdienst van de bewoners. Er heerst in Utopia een merkwaardige tolerantie, geënt op religieus pluralisme: iedereen kan en mag de godsdienstige overtuiging van zijn keuze volgen. Eenieder ook kan en mag zijn godsdienst prediken en propageren, zonder evenwel de anderen af te breken in grievende bewoordingen, laat staan zijn religieuze overtuiging met geweld op te leggen. Zo iemand wordt bestraft met verbanning of slavernij. Een aantal mensen in Utopia aanbidt dan ook de Zon, de Maan of een van de andere planeten. Of zij vereren als god een of andere held die in vroeger tijden uitblonk door roem of een deugdzaam leven.
Toen koning Utopos, de (legendarische) stichter van de samenleving, het eiland veroverde, waren de bewoners ervan juist verwikkeld in een oorlog die was veroorzaakt door godsdienstige meningsverschillen. De religieuze tolerantie die hij invoerde, was ingegeven door de opvatting dat God wellicht op velerlei wijzen wenste vereerd te worden en daarom de mensen ook verschillend inspireerde. We vinden hier een echo van de platonische opvatting dat achter de veelheid van religieuze uitdrukkingswijzen een grote en eeuwige realiteit te vinden was, een opvatting die bij neoplatonici in Italië op het einde van de vijftiende eeuw een zekere populariteit genoot.
Bij het religieus pluralisme bestaat er in Utopia toch een soort officieuze religie, die door stichter Utopus was gepropageerd. Het is een religie die op natuurlijke wijze voortkomt uit de intuïtie van redelijke en deugdzame mensen en die niet gebaseerd is op een of andere bijzondere Openbaring. Omdat de natuurlijke religie in overeenstemming wordt geacht met de rede, begint deze voor steeds meer mensen in Utopia aannemelijk te zijn. Onder de elementen van deze religie vinden we vooreerst het geloof in een enkele godheid, die als Schepper van de wereld wordt beschouwd en die de schepping verder begeleidt door zijn Voorzienigheid. Voor de enen is God echter een persoon, voor de anderen een kracht. Op basis van de rede kan een mens wel tot de overtuiging komen dat er een God bestaat, maar hij kan weinig zeggen over wie of wat die God precies is. Een tweede belangrijk punt is het geloof in een onsterfelijke ziel, door God geschapen. Samenhangend met het geloof in de onsterfelijke ziel is er, ten derde, de overtuiging dat de ziel, na dit leven, de beloning voor het deugdzame leven ontvangt en de bestraffing voor de zonden ondergaat.
Het geloof in beloning of straf in het hiernamaals hing vanzelfsprekend samen met een deugdenmoraal. Ook More zelf kon zich niet indenken dat een beschaafde samenleving kon functioneren zonder een deugdenmoraal en zonder vooruitzicht op een daaraan gerelateerd goddelijk oordeel. Hythlodaeus voegde er nog aan toe dat het aan de mensen van Utopia vrijstond om te geloven dat de ziel met het sterfelijke lichaam ten onder gaat, maar dat zij werden gewantrouwd omdat ze tijdens hun leven de instellingen en zeden aan hun laars dreigden te lappen en er enkel op uit waren hun eigen begeerten hier en nu te bevredigen. Ze verwachtten toch geen goddelijke beloning of bestraffing in het hiernamaals. Omdat deze mensen de basis van de sociale moraal niet aanvaardden, werd hen geen openbare eer toegekend, geen staatsambt toevertrouwd enz. Dit geloof mocht ook niet onder het volk worden gepropageerd. Enkel in debatten met priesters en wijze mannen mag over dit geloofspunt gediscussieerd worden 23.
De religieuze tolerantie en de natuurlijke religie hebben bij de Utopiërs een zekere openheid gecreëerd zodat, wanneer Hythlodaeus hen sprak over Christus, velen tot geloof in Hem en zijn Vader kwamen en zich lieten dopen. Daarbij speelden een rol: de prediking en de wonderlijke daden van Christus, de standvastigheid van de martelaren maar ook en vooral het feit dat Jezus aan zijn leerlingen een levenswijze had aanbevolen die sterk overeenkwam met het leven dat de Utopiërs zelf leidden, zoals in de gemeenschap van goederen (een allusie waarschijnlijk op Hand 2,43-47; 4,32-36). Natuurlijke religie wordt met andere woorden aangevuld met de Openbaring van God in de geschiedenis.
More beschrijft ook dat er in Utopia religieuzen zijn (de ‘Buthresken’), die zich volledig aan handenarbeid wijden en zelfs bij voorkeur de meest lastige taken op zich nemen. Zij maken het leven van hun medemensen op deze wijze gemakkelijker en ze hopen God welgevallig te zijn, met het vooruitzicht in het hiernamaals te worden beloond. Uit de beschrijving van hun levenswijze blijkt de kritiek van More, net zoals die van andere humanisten in zijn tijd, op de al te grote groep monniken in zijn tijd die hun levensonderhoud niet verdienden door werk en handenarbeid, zich zogezegd aan de studie wijdden maar intussen door de maatschappij werden onderhouden.
Naast religieuzen waren er in Utopia ook priesters. More’s beschrijving van de priesters in Utopia weerspiegelt zowel zijn ontevredenheid over de ontaarding van de clerus in Europa, als zijn gehechtheid aan het priesterschap als zodanig. In tegenstelling tot de grote groep clerici in Europa, waren er in Utopia slechts dertien priesters, waarvan één hogepriester
24, die rechtstreeks door het volk werden gekozen. Juist omdat er zo’n grote heiligheid van priesters werd verwacht, waren ze zo beperkt in aantal. Taken van de priesters waren onder andere instaan voor de publieke eredienst, toezicht op de goede levenswandel van de mensen en onderwijs van de jeugd.
2.4 Een vooruitgrijpen op de moderne samenleving die zich aandient?
Met Thomas More zitten we helemaal in de eerste geboorte van de moderniteit. De Utopia betekende een vooruitblik op de moderne maatschappij, in verschillende betekenissen van het woord. Met vrijmoedigheid wordt de bestaande zogenoemd ‘christelijke’ maatschappij-ordening in vraag gesteld, met diens kloof tussen de massa ‘ellendelingen’ en de kleine elite van rijken. Deze kritiek is nu eens bitter, dan weer ironisch en sarcastisch. En hoewel More zelf pessimistisch was omtrent de mogelijkheid om de westerse samenleving om te vormen naar het beschreven model, zijn een aantal voorstellen uit de Utopia inmiddels tot het politieke discours of zelfs tot de ‘verworvenheden’ van de moderne maatschappij gaan behoren.
Socialistische en communistische denkers uit de negentiende en de twintigste eeuw verwezen soms naar de Utopia om ideeën over de collectivistische samenleving en de gemeenschap van goederen te onderbouwen. Het communisme als ideologie is vandaag echter ‘verbrand’ en dat maakt de hedendaagse lezer ook argwanend ten aanzien van het communisme dat in de Utopia wordt gepropageerd. Men mag echter niet vergeten dat de afschaffing van de geldeconomie en het gemeenschappelijke bezit van de goederen in de tijd van Thomas More nog een reële optie was, met geloofwaardige antecedenten zowel in de Griekse oudheid als in het christelijke erfgoed. Bovendien vormt de herijking van de maatschappelijke structuren in collectivistische en democratische zin de institutionele achtergrond waartegen ieder mens zijn of haar eigen geluk kan realiseren. Precies dit heeft Louis Dupré in navolging van Jürgen Habermas het moderne van de Utopia genoemd: maatschappelijke instellingen die zodanig georganiseerd zijn dat ze kunnen voorzien in eenieders behoeften, worden er als een noodzakelijke en voorafgaande voorwaarde beschouwd voor de realisering van de deugden en het persoonlijke geluk 25.
‘Gematigde’ socialisten, syndicalisten en christen-democraten duwden verwezenlijkingen door die wel als blijvende verworvenheden in onze maatschappij worden erkend: de vermindering van de arbeidstijd, algemene leerplicht en gratis onderwijs en gezondheidszorg voor iedereen. De democratische bestuursvorm, religieuze tolerantie en andere vrijheden raakten geleidelijk aan ingeburgerd. Vandaag zien we dat ook euthanasie in verschillende Europese landen ingeburgerd raakt (wat liberale geesten gunstig moet stemmen, maar wat toch ook bron van debat blijft). Verder zijn ook een aantal praktische verwezenlijkingen die in de Utopia worden aangeprezen, zoals de crèches, de volkshogescholen enz., inmiddels gemeengoed geworden.
Meer traditionele geesten zullen er echter op wijzen dat in Utopia, naast de collectivistische en liberale ideeën, een traditionele huwelijks- en seksualiteitsmoraal wordt aangeprezen alsook een stevige transcendente verankering. En dat past wellicht minder goed in de moderne opvattingen…
Toch kunnen sommige facetten van de Utopische maatschappij naar ‘moderne’, ‘verlichte’ normen niet moreel hoogstaand worden genoemd. Het ideaal van Utopia was niet de individuele vrijheid, maar de sociale discipline; iedereen wordt verondersteld zijn eigen narcistische ik aan banden te leggen, en in een strak georganiseerd leefpatroon te treden met het oog op het gesmeerd functioneren van het collectief. Was superbia, de perverse drang om beter te willen zijn dan de andere, niet de wortel van alle kwaad? In Utopia is de toewijding van het individu aan het deugdelijk functioneren van het geheel inderdaad opvallend. Voor privacy, laat staan voor een individuele inkleuring van het leven of creativiteit, is er weinig ruimte. Op Utopia heerst er een nagenoeg permanente controle.
Het gevolg is wel dat de Utopiërs als groep een superioriteitsgevoel, ja zelfs een minachting gaan ten toon spreiden voor ‘niet-Utopische’ volkeren. Het criterium daarbij is dat de Utopiërs van zichzelf vinden dat zij er in slagen op een rationele wijze te leven, overeenkomstig de natuurwet, terwijl de andere volkeren daar niet toe in staat zijn. Vooral in de buitenlandse politiek en het oorlogsbeleid leidt dit tot praktijken die niet moreel hoogstaand kunnen worden genoemd: het aanwenden van smeergeld/omkoperij om vijandige vorsten door hun eigen mensen te laten ombrengen, het inzetten van de Zapoleten als huurlingen, om de eigen mensen te sparen, en het recht om ongebruikt grondgebied van vreemde naties in te palmen met het oog op vreedzame kolonisatie.
Maar ook het inzetten van slavernij en dwangarbeid, en de toepassing van de doodstraf, getuigen van een behoorlijke portie realisme (zelfs machiavellisme). Hythlodaeus (en via hem Thomas More?) vond deze maatregelen echter nuttig en noodzakelijk om de Utopische samenleving naar binnen en naar buiten toe te beschermen.
2.5 Ketterjager in 's konings dienst
Toen Thomas More terugkwam uit de Lage Landen, werd hij al vlug geconfronteerd met de vraag of hij wilde toetreden tot de Geheime Raad (de Privy Council) van Hendrik VIII. Al in 1517 zette hij de stap waarvan hij, getuige de Utopia, zeer goed de risico’s kende. Hendrik VIII was wel humanistisch opgevoed maar had zich, sinds hij in 1509 op de Engelse troon was gekomen, ontpopt tot een machiavellistisch heerser die ernaar streefde om zijn centraal staatsapparaat te versterken, die wisselende allianties aanging op het Europese politieke schaakbord en driftig meespeelde in de Europese oorlogen. De koning kon daarbij rekenen op zijn sluwe kanselier, kardinaal Thomas Wolsey. Door toe te treden tot de Geheime Raad van de koning raakte Thomas More onontkoombaar verwikkeld in hun zaakjes.
In 1517 publiceerde Maarten Luther ook zijn beruchte 95 stellingen tegen de aflatenhandel en zette daarmee willens nillens een proces in gang dat de religieuze eenheid van het westerse christendom definitief zou tenietdoen. De schokgolven van de Reformatie bereikten ook Engeland en More schreef in koninklijke dienst een aantal verweerschriften tegen Luther en de reformatoren. Als onvervalste ghostwriter voor Hendrik VIII schreef hij in 1521 de Verdediging van de Zeven Sacramenten. Daarin verdedigde de koning – ironisch genoeg – ook het oppergezag van de paus en hij voerde argumenten aan voor de goddelijke instelling van dit primaatschap. Omwille van dit werk kreeg Hendrik VIII vanwege paus Leo X in 1521 zelfs de eretitel Defensor Fidei, ‘Verdediger van het geloof’. Luther reageerde met zijn Duits antwoord op het boek van Koning Hendrik van Engeland (1522). Daarop schreef Thomas More, onder een pseudoniem, een Antwoord op de smadelijke woorden waarmee Martin Luther Koning Hendrik VIII overladen heeft (1523) . Later volgden in koninklijke dienst nog de Brief aan Bugenhagen en de Brief in Antwoord op Maarten Luther.
Intussen echter, in september 1525, was Thomas More kanselier van het hertogdom Lancaster benoemd en als dusdanig een sleutelfiguur binnen de commissie, ingesteld door kardinaal Wolsey, die de opdracht had ketterse boeken en Bijbels buiten de grenzen van het koninkrijk te houden. Zo is bekend dat hij begin 1527 persoonlijk een razzia superviseerde in de German Steelyard, de wijk waar de Duitse handelaars leefden, die verdacht waren van de import van lutherse boeken in Engeland. Er werd niets gevonden, maar de Duitsers waren gewaarschuwd…
Het was niet alleen zo dat de boeken van de ketters buiten de grenzen van het koninkrijk moesten worden gehouden, bovendien moesten werken worden verspreid waarin hun argumenten werden weerlegd. Pogingen van More om zijn vriend Erasmus ertoe te bewegen nog duidelijker afstand te nemen van Luther, bleken geen succes te hebben. Uiteindelijk begon Thomas More vanaf 1529 zelf, wellicht op vraag van bisschop Cuthbert Tunstall van Londen, met de publicatie van verschillende Engelstalige polemische werken tegen de protestanten, en vooral dan tegen Willian Tyndale. Het eerste en meest bekende werk is de Dialogue concerning Heresies (1528-29). Bij zijn strijd tegen het ‘lutheranisme’ trekt hij vooral van leer tegen Luthers opvatting over de ‘predestinatie’ die als een aanslag op het morele leven wordt beschouwd, tegen zijn huwelijk met een uitgetreden non, tegen de sociale chaos die uit de ketterij voortkomt, en de noodzaak om obstinate ketters te verbranden. Nog verschillende andere werken zouden volgen, in totaal om en bij het anderhalf miljoen vaak bijtende woorden …
In oktober 1529 nam de carrière van Thomas More een verrassende wending. Terwijl de Reformatie ook in Engeland aanhangers had gekregen en More zich inspande om die te beteugelen, was Hendrik VIII steeds meer gericht geraakt op wat hij zijn Great Matter noemde. Vanaf 1527 al wilde hij zijn huwelijk met Catharina van Aragon, zijn eerste echtgenote, in Rome ongeldig laten verklaren. De reden was dat zij de koning geen mannelijke troonopvolger had kunnen schenken (zoals dat toen heette), en hijzelf een passionele liefde had opgevat voor de hofdame Anna Boleyn. Kanselier Wolsey moest Hendrik VIII helpen de zo begeerde nietigverklaring in Rome te verkrijgen. Omdat hij echter niet in zijn opdracht slaagde, viel hij in 1529 in ongenade en hij werd afgezet. Op vraag van de koning werd More in oktober lord kanselier van Engeland, hoewel hij zijn vorst had duidelijk gemaakt dat hij hem inzake zijn huwelijksproblemen niet van dienst kon zijn, en Hendrik VIII hem had beloofd niets van hem te zullen eisen dat indruiste tegen zijn geweten.
Als kanselier zag Thomas More het als zijn voornaamste taak de ketterij verder terug te dringen, een lijn waarvoor de koning zelf vroeger het voorbeeld had gegeven. In juni 1530 vaardigde hij een edict uit waardoor de censuurmaatregelen tegen ketterse boeken werden verscherpt. Verschillende gevallen zijn bekend van boekhandelaars die door More werden gearresteerd voor het bezit van verboden boeken, omgekeerd op een paard werden gezet met hun gezicht naar het achterste van het beest, met bladeren van de gewraakte publicaties op hun kleren, en tijdens de rit door de stad met rot fruit werden bekogeld. Daarna werden de gewraakte boeken openbaar verbrand. More ging ook zelf door met de publicatie van boeken waarin hij de ketterij hard aanpakte, zoals in 1529 de Supplication of Souls, en in 1532 de Confutation of Tyndale’s Answer I-III.
Meest controversieel is More’s aandeel in de opsporing en de arrestatie van mensen die van protestantse propaganda verdacht waren. Als jurist woonde hij meermaals de ondervraging van verdachten bij; soms gebeurde dit zelfs in zijn privéwoning in Chelsea bij Londen. En hoewel More steeds de beschuldigingen van foltering heeft ontkend, mag men zich geen illusies maken over de psychologische druk die hij op de arrestanten uitoefende. Hij verheugde zich en triomfeerde wanneer de ‘ketters’ hun dwalingen herriepen. Maar wanneer ze volhielden, werden ze door de geestelijke onderzoekers schuldig verklaard aan obstinate ketterij, en aan de seculiere overheid overgeleverd die de straf moest uitvoeren. Van de zes doodvonnissen tegen protestanten die onder More’s kanselierschap werden uitgevoerd, heeft hij er zeker drie persoonlijk ondertekend. Het zijn elementen die in een protestantse traditie van geschiedschrijving sterk in de verf worden gezet en die in een schril contrast worden geplaatst met het religieuze pluralisme dat in de Utopia wordt bezongen. Verschillende biografen brengen deze tegenspraak in verband met de psychologische veranderingen in de persoonlijkheid van More, gekenmerkt door een mentale degeneratie die hem van een open en verheven humanist deed verworden tot een grauwe verkrampte ketterjager. Of er wordt gewezen op parallellen met de klassieke revolutionair die, eenmaal aan de macht, reactionair wordt.
Misschien echter is het contrast tussen wat More in de Utopia propageerde en wat hij later als ketterjager deed niet zo groot. Een van de bekendste Engelse katholieke kerkhistorici van het ogenblik, Eamon Duffy, wijst erop dat de officieuze religie van Utopia de nadruk legde op de plicht van de mens om een deugdzaam leven te leiden en op de beloning of bestraffing hiervoor door God in het hiernamaals. Deze beloning werd in Utopia als zo fundamenteel ervaren voor de stabiliteit van de daar geschetste commonwealth, dat dit beginsel niet mocht worden ontkend in de prediking tot de volksmassa’s (zij het dat de persoon die dit privé volhield, niet per se moest worden bestraft).
Luther en de reformatoren ontkenden echter de waarde van de goede werken als voorwaarde voor de verlossing, en zij beklemtoonden dat alleen het geloof in de Zaligmaker noodzakelijk was (‘sola fide’), in wie God de verlossing aan de mens uit puur genade heeft geschonken. More was ervan overtuigd dat het geloof in de rechtvaardiging door het geloof onvermijdelijk tot losbandig gedrag en wetteloosheid leidde. En de realiteit leek deze link tussen protestantisme, seksuele losbandigheid en sociale chaos alleen maar te bevestigen. Met afschuw keek More naar de ontwijding van kerken en altaren, huwelijken van monniken en kloosterzusters – de monnik Luther was zelf met de uitgetreden non Catharina von Bora getrouwd – en vooral naar de boerenopstanden die in Duitsland in 1525 ontelbare slachtoffers hadden gemaakt (en die waren neergeslagen op advies van Luther zelf!). Als verdediger van wet en orde vreesde More dat de chaos en de anarchie die zich in Duitsland hadden gemanifesteerd, zouden overwaaien naar zijn geliefde Engeland, tenzij de ketterij een halt werd toegeroepen, en afstand werd gedaan van de lakse houding die maar al te vaak werd aangenomen.
Nog een ander element mag niet worden veronachtzaamd: More zag met lede ogen aan dat het aanvankelijke kordate optreden van Hendrik VIII tegen de ketterij gecompromitteerd was geraakt door het getouwtrek rond de koninklijke echtscheiding. Omdat hij in Rome geen gehoor vond, zocht hij voor de afwikkeling van de Great Matter vanaf 1530 steun in religieus dissidente hoek, wat hem tot een sterk antiroomse en antiklerikale houding inspireerde en de idee deed rijpen voor een kerk onder koninklijk gezag. Er zijn trouwens aanwijzingen dat de koning religieuze dissidenten die steun konden verlenen aan zijn zaak, uit de greep van More hield.
In ieder geval: in 1531 werd de vergadering van de Engelse geestelijkheid in Canterbury gedwongen om Hendrik VIII als het hoofd van de Kerk van Engeland te erkennen evenwel met de clausule “voor zover het gebod van Christus dit toelaat”. Een jaar later deed de geestelijkheid afstand van iedere kerkelijke wetgeving die niet met het akkoord van de koning was bezegeld (de Submission of the Clergy to the Royal Supremacy). Al deze maatregelen openden de weg voor een regeling van Hendriks huwelijksproblemen op Engels niveau. More was niet akkoord met deze gang van zaken en de dag na de Submission of the Clergy, op 16 mei 1532, nam hij ontslag als lord kanselier.
Zijn carrière ging daarna pijlsnel naar de verdoemenis en de verhouding met Hendrik VIII verzuurde. In de werken die hij daarna publiceerde tegen de religieuze dissidenten (onder andere The Letter against Frith, de Confutation of Tyndale’s Answer IV-VIII en de Apology of Sir Thomas More) voelde hij zich geroepen om het principe van wettelijke vervolging van obstinate ketters, inclusief de doodstraf, te verdedigen, alsook zijn persoonlijk optreden als polemist, vervolger en ondervrager te verantwoorden. Het is een aspect van het beeld dat More van zichzelf schetst, dat nauwelijks in de (katholieke) geschiedschrijving aandacht heeft gekregen. Verder deed More in deze boeken een wanhopige poging om de politieke en kerkelijke leiders te overtuigen van de blijvende nood om ketterij te bestrijden en probeerde hij, zonder de koning hierin openlijk met de vinger te wijzen, aan te tonen hoe het voortschrijdende en officieel gekoesterde antiklerikalisme de ketterse bewegingen in de kaart speelde.
2.6 Martelaar voor het katholiek gevormde geweten
Er begon daarna een nieuwe fase in het leven van Thomas More, waarin hij van vervolger en aanklager tot slachtoffer zou worden. In 1533 hertrouwde de koning met zijn geliefde Anna Boleyn en hij liet zijn nieuwe gemalin in Westminster ook tot koningin kronen. More bleef ostentatief weg van de feestelijkheden. In het voorjaar van 1534 vaardigde het Engelse Parlement de Act of Succession uit, waardoor de troonopvolging werd voorbehouden aan de erfgenamen van Hendrik VIII en Anna Boleyn. Niet veel later vaardigde het Parlement ook de Oath of Succession uit. Iedere onderdaan van de koning kon verplicht worden om zich door deze eedformule bij de Act of Succession aan te sluiten. More weigerde dat echter. Hij had er eigenlijk niets op tegen dat de troonopvolging werd voorbehouden aan de kinderen van Anna Boleyn. Wel had hij juridische en vooral gewetensbezwaren tegen de inleiding van de Act of Succession die Hendriks eerste huwelijk ongeldig verklaarde, en tegen de eedformule zelf die een negatie van de suprematie van de paus inhield.
Thomas More weigert de act of succession te ondertekenen
bron: http://www.traditioninaction.org/SOD/j220sd_ThomasMore_06_22.html
More werd in de tower of London gevangen gezet en schreef er zijn Tower Works, waaronder de Dialogue of Comfort uit 1534. In deze werken legde hij de nadruk op de integriteit van het persoonlijke geweten – de More zoals hij wordt voorgesteld in de beroemde film A Man for All Seasons van Fred Zinnemann uit 1966 – maar hij verdedigde er ook principieel de vervolging van de ketters tot de dood toe, en zijn eigen aandeel daarin. Hij laat in zijn zelfportret niet de minste twijfel over zijn rol als vervolger, aanklager of ondervrager van protestantse verdachten.
In het najaar van 1534 vaardigde het Parlement ten slotte de Act of Supremacy uit, waardoor Hendrik VIII officieel als het hoofd van de Kerk van Engeland werd erkend, zonder enige beperkende clausule. Ook in dit geval weigerde More de bijhorende Oath of Supremacy te zweren. Omdat More de eigenlijke reden van zijn weigering bleef verzwijgen, schakelden de koning en zijn entourage een (valse?) getuige in – niet zomaar de eerste de beste, maar wel de procureur van Wales, sir Richard Rich – die onder ede verklaarde dat More tegenover hem het primaatschap van de koning had ontkend. Op 1 juli 1535 werd More schuldig bevonden aan hoogverraad en op 6 juli onthoofd.
Besluit
Hoewel de katholieke Kerk Thomas More vooral wil herinneren als de staatsman die zijn (katholiek gevormd) geweten tot de dood toe heeft gevolgd en de leerstellige eenheid van de Kerk rond de paus van Rome wilde vrijwaren, was hij onmiskenbaar een dubbelzinnig personage. In de Utopia zien we de moderne ideeën van open debat en tolerantie geboren worden. Maar nauwelijks enkele jaren later ontpopt dezelfde More zich als een notoir ketterjager. Was het omdat de protestanten de deugdenmoraal ondergroeven en niet geloofden in het verdienstelijke karakter van een deugdzaam leven, met het oog op de hemelse zaligheid? Vreesde hij het destructieve karakter van een dergelijk geloof op de orde en de samenhang in de maatschappij? Het is mogelijk, hoewel hij in zijn Utopia nog stelde dat zelfs deze mensen mochten geloven wat ze wilden en dat ze enkel moesten verhinderd worden dit geloof onder het volk te propageren. Wat er ook van zij, More’s leven is exemplarisch voor wat er zich in de ‘christelijke’ samenleving van toen afspeelde: de prille openheid en tolerantie maakten plaats voor een terugplooien op het eigen confessionele gelijk en voor de afwijzing, zelfs tot de fysieke uitschakeling toe, van de andersgelovige. De eerste fase van de moderniteit baarde misschien geen doodgeboren kind, het werd in ieder geval al vlug doodgeknepen.
Appendix: enkele tekstfragmenten van Thomas More over religieuze tolerantie
“Degenen die zelf de christelijke godsdienst niet zijn toegedaan, schrikken niemand er van af of maken het hem lastig wanneer hij ertoe is overgegaan. Slechts één uit onze gemeente moest tijdens mijn aanwezigheid binnen de perken worden gehouden. Toen deze, pas gedoopt, tegen onze raad openlijk een preek hield over de verering van Christus, meer heftig dan verstandig, geraakte hij zo in vuur, dat hij weldra niet alleen ons geloof boven alle andere verhief, maar ook doorging met de rest alle bij elkaar te vervloeken: dat waren geen godsdiensten, de belijders waren goddeloze heiligschenners en moesten in het eeuwige vuur branden, zo tierde hij. Toen hij zijn preek in die trant voortzette, namen zij hem gevangen, klaagden hem aan en lieten hem vonnissen, niet omdat hij hun godsdienst had gehoond maar omdat hij oproer onder het volk stookte. De straf voor de veroordeelde was verbanning. Dit toch beschouwen zij als een van hun oudste en meest eerbiedwaardige instellingen, dat niemand door zijn godsdienst schade lijdt. […]
[Koning Utopus] heeft derhalve dit in de eerste plaats uitdrukkelijk vastgesteld: Ieder mag die godsdienstige overtuiging volgen die hij verkiest. Echter mag hij om ook de anderen tot de zijne te bekeren, slechts in zover een poging aanwenden, dat hij zijn overtuiging rustig en bescheiden met redelijke gronden toelicht, en niet die van de ander met grievende bewoordingen afbreekt. Kan hij hen niet overtuigen door vriendelijke toespraak, dan mag hij volstrekt geen geweld gebruiken en moet zich ook van scheldwoorden onthouden. […]
[Koning Utopus] heeft het aan iedereen vrijgelaten wat hij meende te moeten geloven. Alleen dit heeft hij plechtig en ten strengste afgekeurd, namelijk als zou de waardigheid der menselijke ziel tegelijk met het lichaam te gronde gaan of dat ’s werelds loop louter door het toeval wordt geregeerd met uitschakeling van de voorzienigheid. En daarom geloven de Utopiërs, dat na dit leven straffen voor de zonden zijn bepaald en beloningen voor de deugd zijn vastgesteld. Wie daar anders over denkt, die behoort volgens hen zelfs niet tot de mensen te worden gerekend. […] Zij passen evenwel geen enkele straf op hem toe. […] Zij gebruiken ook niet enig dreigement om hem te dwingen zijn gedachten te verheimelijken. […] Zij verbieden hem alleen zijn gevoelens aan te prijzen en dat verbod betreft slechts een optreden voor het lagere volk.”
Thomas MORE, Utopia. Uit het Latijn vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door A.H. KAN, 7de ed., Rotterdam, Ad Donker, 1979, p. 137-139
“Schrik voor deze wandaden en het onheil dat zich voordoet in het kielzog van dergelijke sekten en ketterijen, en de ervaring die mensen in sommige landen daar effectief mee hebben, zijn er de oorzaak van geweest dat vorst en volk gedwongen werden om ketterijen te gaan bestraffen met een vreselijke dood, terwijl er elders op een meer soepele wijze mee werd omgegaan. Daarom zal ik hier – zoals ik ook aan je vriend meldde – enigszins ingaan op de punten die je aanraakte op je eerste bijeenkomst, toen je stelde dat vele mensen het een harde en onbarmhartige aanpak vonden die de clerus daar voorstond, namelijk om mensen die veroordeeld waren voor ketterij, nu eens te schande te maken, dan weer ter dood te brengen, en dat Christus zonder meer een afschuw had van dergelijk geweld, dat Hij niet wilde dat leden van zijn kudde zouden gaan vechten, niet ter verdediging van henzelf of van iemand anders, zelfs niet ter verdediging van Christus zelf – daartoe juist had Hij Petrus berispt. Neen, eerder zouden we allen, naar zijn voorbeeld, ons lijden geduldig moeten dragen, in die mate, zo menen de mensen volgens jou, dat we zelfs het gevecht niet zouden aangaan ter verdediging van onszelf tegen de Turken en de ongelovigen. Deze opwerpingen zullen weldra worden beantwoord.
[…]
Maar, zoals ik tevoren al heb gezegd: indien de ketters nooit waren begonnen met geweld, ze mochten nog alle mogelijke wegen aangewend hebben om het volk te verleiden door prediking, of ze mochten daarbij nog gedaan hebben zoals Luther nu doet en Mohammed voor hem, namelijk het volk allerlei plezierige opvattingen voorhouden, hen de vrijheid geven om hun wellust bot te vieren, inderdaad, indien ze hun toevlucht maar niet hadden genomen tot geweld, dan zouden goede christenen tot op vandaag minder geweld hebben gebruikt tegen hen dan ze nu doen. En toch is ketterij het waard om even ernstig te worden genomen als gelijk welk ander vergrijp, aangezien er geen enkele misdaad is die een groter belediging voor God inhoudt. Zolang zij zelf van ieder geweld afzagen, werd er tegen hen weinig geweld gebruikt. En zeker, hoewel God in staat zou zijn om, zoals hij in het begin deed, het geloof bij zijn volk te bewaren en te vermeerderen tegen alle vervolging in, vooral vanwege heidenen en joden, toch is dit geen reden dat christelijke prinsen nu zouden verdragen dat de katholieke kudde werd verdrukt door Turken of door ketters nog erger dan de Turken.”
Thomas More, A Dialogue concerning heresies, 4, 13, ed. Thomas M.C. Lawler, Germain Marc’hadour, and Richard C. Marius [The Complete Works of St. Thomas More, 6, 1], New Haven – London, Yale University Press, 1981, p. 406-407)
“Daarbij mogen we zeker zijn dat geen enkel ketter of duivel iets kan doen tenzij bij Gods speciale toestemming, en dat zij beiden nooit in staat zullen zijn het katholieke geloof te vernietigen, noch de overhand zullen krijgen op de katholieke Kerk, en al de ellende die ze bezorgen zal uiteindelijk op hun eigen hoofd terechtkomen. Niettemin staat God toe, wegens onze zonden, dat zij als een soort gesel op sommige plaatsen en tijden de overhand halen. Maar eens de mens zich gebeterd heeft, zal God niet nalaten hierin te verhelpen, zoals een liefhebbende moeder die, nadat ze haar kind een klap heeft gegeven omwille van diens baldadig gedrag, daarna diens oogjes droogt en het overlaadt met kussen, en de roede in het vuur gooit […].”
Thomas More, The Apology, 47, ed. J.B. Trapp [The Complete Works of St. Thomas More, 9, New Haven – London, Yale University Press, 1979, p. 160 l. 23-34).
Besluit
Tijdens de middeleeuwen was de samenleving in west-Europa een organisch geheel dat op allerlei vlakken was doortrokken van religie, in casu het (katholieke) christendom. Het katholicisme bepaalde in belangrijke mate het publieke leven en was op allerlei vlakken verweven met de politiek. Wie niet katholiek was, zoals de joden, werd in het beste geval gedoogd, maar kon nooit ten volle deel uitmaken van de samenleving. Na de Reformatie en de ervaring van het daaropvolgende religieuze geweld werd het religieuze en het politieke domein langzaam en niet zonder moeilijkheden en wapengekletter uit elkaar getrokken. Aanvankelijk werd op sommige plaatsen, zoals in de Duitse gebied, het religieuze domein ondergeschikt aan het politieke domein. Vandaag zijn het politieke en het religieuze echter twee afzonderlijke domeinen. Iemands maatschappelijke positie wordt niet bepaald door de levensbeschouwing waartoe hij of zij hoort. Visies die levensbeschouwingen hebben over leden van andere levensbeschouwingen, hebben geen (directe) impact op hoe men in de publieke ruimte omgaat met deze leden van andere levensbeschouwingen. Deze scheiding van het politieke en het religieuze domein (de ‘scheiding van kerk en staat’) wordt in het vervolg van deze module als uitgangspunt genomen voor de verdere reflectie op levensbeschouwing in de publieke ruimte.
Verwerkingsvragen
- Welke van de ideeën van Erasmus/More/Cleynaerts spelen vandaag nog een belangrijke rol in onze samenleving? Zijn er ideeën van hen waar geen belang meer wordt aan gehecht? Hoe zou dit komen?
- Ben je het eens met Guido Vanheeswijck dat het succes van de natuurwetenschappen (de ‘voorlaatste vragen’) ertoe geleid heeft dat mensen het spreken over levensbeschouwing (de ‘laatste vragen’) verleerd zijn?
- Volgens More is religieuze tolerantie niet werkbaar in een samenleving waarin men niet gelooft in beloning of straffen na de dood voor daden tijdens het leven. Vandaag lijkt er nochtans veel meer religieuze tolerantie te zijn, terwijl minder geloofd wordt in beloningen of straffen na de dood. Is het verband dat More legde niet correct?
B. LEVENSBESCHOUWELIJKE DIVERSITEIT EN TOLERANTIE VANDAAG. EEN SYSTEMATISCHE BENADERING
De historische ontwikkelingen inzake de aanwezigheid van levensbeschouwelijke diversiteit in de samenleving hebben ook hun invloed gehad op het hedendaagse denken over pluraliteit. In dit deel worden de verschillende mogelijke houdingen op een meer systematische wijze onder de loep genomen. Wanneer men uitgaat van de scheiding van het politieke en het religieuze domein, zijn er ruwweg twee posities mogelijk: passief pluralisme en actief pluralisme. Beide erkennen de levensbeschouwelijke veelheid in de samenleving, maar gaan er op een andere wijze mee om.
Het passief pluralisme wil levensbeschouwelijke conflicten voorkomen door levensbeschouwing zo veel mogelijk uit de publieke sfeer weg te houden. Wanneer levensbeschouwingen in de publieke ruimte niet aan bod kunnen komen, kunnen ze immers ook niet met elkaar in conflict komen. In de publieke sfeer is dan ook neutraliteit geboden. Het actief pluralisme daarentegen vindt dat levensbeschouwingen uitdrukkelijk wel een plaats verdienen in de publieke ruimte. Juist op die manier kan men met verschillen leren omgaan. Bovendien vermijdt een dergelijke houding dat mensen zich volledig terugplooien op hun eigen ideeën, maar worden ze gedwongen deze kritisch te confronteren met andere opvattingen. Uiteraard zal dit soms botsen, maar vanuit het actief pluralisme is men ervan overtuigd dat deze houding uiteindelijk tot een harmonieuzere samenleving zal leiden.
We laten deze maatschappelijke perspectieven op pluraliteit echter voorafgaan door een religieus perspectief. Ook religies zelf zijn zich in de loop van de geschiedenis meer en meer bewust geworden van de aanwezigheid van andere levensbeschouwingen. Ook zij hebben tegenover deze veelheid verschillende posities ingenomen. De scheiding van het religieuze en het politieke domein betekent echter dat de positie die men vanuit religieus oogpunt inneemt ten opzichte van andere levensbeschouwingen geen directe impact heeft op de positie die men op maatschappelijk vlak inneemt. Toch is deze scheiding niet radicaal. Mensen zijn immers zowel burgers als aanhangers van een (al dan niet geformaliseerde) levensbeschouwing. De verschillende maatschappelijke ideeën over omgaan met levensbeschouwelijke diversiteit zijn daarom niet altijd vanzelfsprekend voor de subjecten zelf van deze diversiteit, voor de personen met een levensbeschouwelijke overtuiging.
Doelstellingen van dit onderdeel
- de verschillende posities kunnen weergeven die de christelijke theologie ten opzichte van (leden van) andere levensbeschouwingen kan innemen
- kunnen toelichten hoe de ideeën van de katholieke kerk over tolerantie en gewetensvrijheid de afgelopen decennia zijn gewijzigd en welke rol de Leuvense professor Albert Dondeyne daarin gespeeld heeft
- het verband tussen religieus geloof en maatschappelijke tolerantie kunnen toelichten
- kunnen verklaren wat met ‘actief pluralisme’ wordt bedoeld, op welke waarden deze positie steunt en welke kritieken kunnen worden geformuleerd
- kunnen verklaren wat met ‘passief pluralisme’ wordt bedoeld, op welke waarden deze positie steunt en welke kritieken kunnen worden geformuleerd
- kunnen aangeven of bepaalde regels met betrekking tot levensbeschouwing in de publieke ruimte eerder door een passief of door een actief pluralisme zijn geïnspireerd
- een eigen positie omtrent levensbeschouwing in de publieke ruimte innemen en kunnen beargumenteren
I. EEN CHRISTELIJK-THEOLOGISCH PERSPECTIEF OP LEVENSBESCHOUWELIJKE DIVERSITEIT
Vanuit het perspectief van een religie zijn er verschillende houdingen mogelijk ten opzichte van mensen met een ander levensbeschouwelijk profiel. Deze houdingen hangen samen met de theologische visie op andere religies en op de mogelijkheden om het ‘heil’ 26 (redding) te bereiken. In de christelijke theologie onderscheidt men klassiek drie houdingen: exclusivisme, inclusivisme en pluralisme 27.
1.1 Exclusivisme
Het exclusivisme stelt dat enkel christenen gered kunnen worden. Jezus Christus is, als unieke incarnatie (menswording) van God de enige verlosser. Hiervoor wordt onder andere naar Christus’ bekende woorden uit het Johannesevangelie verwezen: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij.”28 Godsdiensten die Christus niet erkennen als de verlosser zijn bijgevolg onwaar; wie zich niet expliciet bekent tot het christendom kan het heil niet bereiken. Vaak is deze positie getypeerd aan de hand van een oud adagium: “buiten de kerk geen heil” 29. Exclusivisten staan dan ook negatief ten opzichte van de religieuze pluraliteit in de samenleving. Andere godsdiensten hebben geen goddelijke oorsprong en zijn een uiting van de zondige poging van de mens om zichzelf te redden. Vanuit een exclusivistische positie is zending en bekering bijgevolg van groot belang: zoveel mogelijk mensen moeten bekeerd worden tot het christendom.
De exclusivistische positie – die vandaag voornamelijk terug te vinden is bij bepaalde evangelisch-protestantse groeperingen – wordt door velen, ook door christenen, onder kritiek geplaatst. Deze positie impliceert immers dat de meerderheid van de mensen, zelfs degenen die nog nooit van Christus gehoord hebben (vandaag, maar ook alle beschavingen voor de verspreiding van het christendom over de wereld, alsook jonggestorven kinderen), niet gered zullen worden. Voor velen is dit idee niet te rijmen met het beeld van een liefdevolle God dat ze terugvinden in het christendom.
1.2 Inclusivisme
Een andere positie is het inclusivisme. Ook deze visie houdt vast aan de unieke reddende rol van Jezus Christus: enkel door Christus kan men gered worden 30. Het inclusivisme trekt hieruit echter niet de harde conclusie dat elkeen die Christus niet als redder erkend heeft, verloren is. Inclusivisten leggen daarvoor de nadruk op Gods universele liefde. Als God alle mensen liefheeft, dan wil Hij ook dat alle mensen gered worden . Christus is wel de Heiland, maar dit betekent daarom niet dat alle religies die Hem niet erkennen volledig onwaar zijn. Volgens een inclusivistische positie is het mogelijk dat ook in andere religies “sporen van waarheid” gevonden worden. Deze waarheid is echter de christelijke waarheid, want enkel in Christus wordt Gods heilsmysterie ten volle geopenbaard. In de mate dat andere religies waardevol zijn is dit dan ook omdat de God van de christenen in hun doorwerkt. Aanhangers van deze religie zijn in zekere zin dus ook (“anonieme”) christenen en kunnen daarom ook worden gered. Sinds het Tweede Vaticaans concilie 31(1962-1965) zijn de standpunten van de katholieke kerk van inclusivistische strekking:
De katholieke Kerk wijst niets af van datgene wat in deze godsdiensten waar en heilig is. Met oprechte eerbied beschouwt zij die gedrags- en levensregels, die – hoewel in veel opzichten verschillend van wat zij zelf houdt en leert – toch niet zelden een straal weerspiegelen van die Waarheid, welke alle mensen verlicht. Zijzelf echter verkondigt en moet zonder ophouden verkondigen de Christus, ‘de weg de waarheid en het leven’ (Joh. 14, 6) in wie mensen de volheid vinden van het godsdienstig leven en in wie God alles met zich heeft verzoend. 32
Ook het inclusivisme wordt bekritiseerd. Door vast te houden aan Christus als unieke heiland, stelt het christendom zich immers voor als superieur aan andere religies. Andere religies worden beoordeeld naar de christelijke maatstaven en niet gewaardeerd in hun eigenheid. Net zoals christenen het meestal niet zullen aanvaarden “anonieme boeddhisten” te worden genoemd, aanvaarden niet-christenen moeilijk dat zij “anonieme christenen” genoemd worden.
1.3 Pluralisme
Het pluralisme33 neemt afstand van de stelling dat Christus de enige middelaar is tussen God en mensheid, dat het heil alleen maar bereikt kan worden via Christus. Volgens het pluralisme bieden alle godsdiensten, ook het christendom, maar een beperkte voorstelling van de goddelijke Werkelijkheid 34. Omdat de ultieme Werkelijkheid het menselijke bevattings- en uitdrukkingsvermogen overstijgt, kunnen godsdiensten slechts een aspect van deze Werkelijkheid laten zien. Vaak wordt hierbij verwezen naar de Indische parabel van de olifant:
Op zekere dag liet de koning van Savatthi alle blindgeborenen uit zijn stad op één plek samenbrengen. Daarna liet hij hen een olifant tonen, waarvan ze elk één lichaamsdeel konden betasten, terwijl hij zei ‘dit is nu een olifant’. Enkele blinden betastten de kop, anderen een oor, nog anderen een slagtand, de slurf, de romp, een poot, het achterwerk, de staart, het behaarde uiteinde van de staart. Daarna vroeg de koning aan de blindgeborenen hoe men zich een olifant moest voorstellen. Wie de kop betast had, zei dat een olifant eruit zag als een grote ketel. Wie het oor had, leek de olifant op een mand om het koren te zeven; wie de slagtand had, op een ploegschaar; wie de slurf had, op een stang aan de ploegschaar; wie de romp had, op een graansilo; wie een poot had, op een peiler; wie het achterwerk had, op een stuk geschut; wie de staart had, op een knuppel; wie het uiteinde van de staart had, op een bezem. 35
Godsdiensten kunnen niet pretenderen dat ze de waarheid in pacht hebben: geen enkele godsdienst is in staat de goddelijke Werkelijkheid volledig voor te stellen. Vanuit pluralistisch perspectief is de interreligieuze dialoog daarom van groot belang. Andere godsdiensten brengen immers andere aspecten van de goddelijke Werkelijkheid naar voren zodat deze verschillende perspectieven samen een beter zicht geven op de Werkelijkheid.
Omdat geen enkele godsdienst de ultieme waarheid bevat, beschouwt het pluralisme alle godsdiensten als evenwaardig. Alle godsdiensten kunnen op hun manier toegang verschaffen tot het heil. Het klassieke beeld hierbij is dat van het heil als de bergtop: de verschillende godsdiensten zijn verschillende wegen naar één en dezelfde top.
Hoewel het pluralisme op het eerste zicht een aantrekkelijke positie is in een multireligieuze wereld, wijzen critici er op dat het pluralisme de eigenheid van de verschillende religies niet ernstig neemt. Zo is het beeld dat verschillende godsdiensten hebben van het heil fundamenteel verschillend: de ‘verschillende paden’ komen niet uit bij dezelfde ‘bergtop’. Terwijl bijvoorbeeld in het boeddhisme mensen verlost worden wanneer ze volledig kunnen loskomen van het ‘ik’ en opgaan in de allesomvattende werkelijkheid, benadrukt het christendom dat alle particuliere en historische kenmerken van een persoon van belang zijn en behouden zullen worden 36.
“Particularisten” bekritiseren het pluralisme in haar idee dat de ervaring van het religieuze waarover de verschillende religies spreken, altijd dezelfde ervaring zou zijn, die telkens op een andere, historisch-cultureel bepaalde wijze, uitgedrukt wordt 37. Deze idee hangt samen met de vooronderstelling dat er één goddelijke Werkelijkheid is waar de verschillende religies verschillende aspecten van uitdrukken. Particularisten stellen echter dat de ervaring van de goddelijke Werkelijkheid niet onafhankelijk is van de religieuze traditie waarbinnen men deze Werkelijkheid ervaart. Zij benadrukken dat een (religieuze) ervaring niet gescheiden kan worden van de interpretatie van deze ervaring. Een hindoe zal niet ‘iets religieus’ ervaren om dat vervolgens te interpreteren als Brahman, maar zal Brahman ervaren, net zoals een religieuze ervaring van een christen altijd een ervaring van de drie-ene God is. De religieuze ervaringen van een christen, een moslim en een hindoe kunnen niet gelijkgesteld worden. De religieuze praktijken en geloofsaanspraken uit één traditie kunnen ook niet zomaar “vertaald” worden naar de praktijken en geloofsaanspraken uit een andere traditie.
Ook de katholieke kerk heeft duidelijk afstand genomen van het pluralisme. De verklaring Dominus Iesus van de Congregatie voor de Geloofsleer benadrukt de unieke rol van Christus en de Kerk in het heilsproces en zet zich expliciet af tegen elk relativistisch denken:
Als remedie tegen deze relativistische mentaliteit die zich steeds verder verbreidt, moet vooral het definitieve en volledige karakter van de openbaring van Jezus Christus worden bekrachtigd. Men moet voor alles vast geloven dat in het mysterie van Jezus Christus, de vleesgeworden Zoon van God, die “de Weg, de Waarheid en het Leven” (Joh. 14, 6) is, de volheid van de goddelijke waarheid geopenbaard is: “Niemand kent de Zoon tenzij de Vader, en niemand kent de Vader tenzij de Zoon en degene aan wie de Zoon het wil openbaren” (Mt. 11, 27). […] “Want in Hem alleen woont werkelijk de hele volheid van God. Door Hem zijt ook gij daarvan vervuld” (Kol. 2, 9-10). 38
INTERMEZZO: RELIGIEUS GELOOF EN MAATSCHAPPELIJKE TOLERANTIE
In het eerste deel van de meer systematische benadering van religieuze diversiteit werd ingegaan op de verschillende religieuze opvattingen die men kan hebben over de leden van andere religies in verhouding tot de eigen religie (‘religieuze ideeën over de veelheid aan religies’). In een volgend deel worden twee grondhoudingen besproken die men als lid van een samenleving kan aannemen ten opzichte van de religieuze en culturele pluraliteit binnen die samenleving (‘maatschappelijke ideeën over de veelheid binnen een samenleving’). In de moderne liberaal-democratische samenleving zijn dit religieuze en dit maatschappelijke perspectief, precies door de historische evolutie naar de erkenning van de godsdienstvrijheid, van elkaar gescheiden. Dat neemt niet weg dat er toch verbanden zijn tussen deze perspectieven.
Zo kan men ook als gelovige, en niet alleen als burger van een samenleving, een visie hebben op religieuze vrijheid en tolerantie in een samenleving. In de katholieke kerk is deze visie in de loop van de geschiedenis sterk gewijzigd. Het is sinds het Tweede Vaticaans Concilie dat de katholieke kerk de omslag naar het erkennen van de individuele godsdienstvrijheid heeft gemaakt – zonder daarbij evenwel de waarheid van de eigen godsdienst te relativeren. Het aanvaarden van de scheiding tussen politiek en levensbeschouwing dat in de politiek voor een groot deel in de 19de eeuw gebeurde, zette zich in de katholieke kerk maar goed en wel door in de tweede helft van de 20ste eeuw. Een niet onbelangrijke rol in deze ontwikkeling werd gespeeld door de Leuvense professor Albert Dondeyne.
Meer op het individuele niveau wordt de link tussen het maatschappelijke en het levensbeschouwelijke perspectief op tolerantie wel eens gelegd door te stellen dat religieus geloof een negatieve impact heeft op maatschappelijke tolerantie. Vele wreedheden uit de geschiedenis, de godsdienstoorlogen, het hedendaagse terrorisme, … zouden aantonen dat godsdienst tot onverdraagzaamheid, geweld en fanatisme leidt. De vraag wordt dus gesteld of iemands religieuze houding wel onafhankelijk is van diens omgaan met pluraliteit binnen een samenleving. Staat het religieuze en het politieke denken over levensbeschouwelijke diversiteit wel helemaal los van elkaar? Godsdienstpsycholoog Dirk Hutsebaut heeft getracht een beter inzicht te verkrijgen in deze materie door het verband tussen iemands geloofshouding en diens verdraagzaamheid te onderzoeken.
1. Mgr. Dondeyne en Vaticanum II over godsdienstvrijheid
Religies hebben vaak niet alleen opvattingen over pluraliteit vanuit theologisch perspectief – zoals in de verschillende strekkingen exclusivisme, inclusivisme, pluralisme – vanuit hun theologische ideeën kunnen ze ook een positie innemen over de maatschappelijk gewenste houding ten opzichte van levensbeschouwelijke diversiteit. Niet alleen de staat heeft iets te zeggen over de verhouding tussen kerk en staat; ook de kerk zelf heeft hierover een opvatting. Deze opvatting wijzigde ingrijpend in de loop van de geschiedenis. De meest belangrijke omslag had wellicht plaats met het Tweede Vaticaans concilie (1962-1965). In haar vernieuwde positie werd de kerk in niet onbelangrijke mate geïnspireerd door de ideeën van de Albert Dondeyne.
De Leuvense professor Albert Dondeyne (1901-1985) speelde een niet onbelangrijke rol in het vernieuwde denken van de katholieke kerk omtrent godsdienstvrijheid39 in maatschappelijk perspectief. Dondeyne was een priester, filosoof en theoloog die bijzondere aandacht had voor de dialoog tussen geloof en cultuur. Dit uitte zich niet alleen inhoudelijk in zijn publicaties, maar ook in zijn inzet voor de vorming van studenten. Die moesten zich volgens hem ontwikkelen tot christelijk geïnspireerde, breed gevormde intellectuelen die hun verantwoordelijkheid konden opnemen voor de maatschappelijke uitdagingen waarmee ze geconfronteerd zouden worden. In dat licht stichtte Dondeyne onder andere universitas, een leef- en studiegemeenschap die veel invloed uitoefende op generaties Leuvense studenten. De inspiratie hiervoor leeft nog steeds verder in het Dondeynehuis aan de K.U.Leuven.
In een tijd waarin spreken over godsdienstvrijheid in katholieke middens absoluut geen evidentie was, publiceerde Dondeyne reeds vanaf 1948 verschillende bijdragen over tolerantie en vrijheid. Omwille van zijn getoonde interesse voor het thema werd Dondeyne in 1960 door de toenmalige bisschop van Brugge, Mgr. De Smedt, om advies gevraagd. De Smedt was als lid van de subcommissie godsdienstvrijheid betrokken bij de voorbereidingen op het Tweede Vaticaans concilie. Op het Concilie zou voor de eerste maal in de geschiedenis van de rooms-katholieke kerk het thema van de godsdienstvrijheid behandeld worden op een openbare vergadering met bisschoppen van over de hele wereld.
In zijn reactie benadrukte Dondeyne het belang van het thema voor de kerk. Volgens hem was de klassieke leer van de kerk niet meer houdbaar. Traditioneel stelde de kerk dat wanneer de meerderheid van een maatschappij zich tot de katholieke godsdienst bekende, de staat de plicht heeft om deze godsdienst aan te hangen en in de wetgeving te implementeren. Burgers die tot andere religies behoren, hebben niet het recht om niet in hun geloof gehinderd te worden. Wanneer katholieken echter in de minderheid zijn in een samenleving, dan diende de staat de katholieke kerk en haar gelovigen de volle vrijheid te verlenen. Dondeyne verwees naar het artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van Mens en stelde vast dat de toenmalige kerkelijke leer daarmee in tegenspraak was. Dondeyne daarentegen verdedigde burgerlijke tolerantie: de staat dient aan al haar burgers de vrijheid van denken, geweten en religie te verlenen. Hij verzette zich echter tegen de idee dat deze verdraagzaamheid zou leiden tot onverschilligheid of relativisme. Burgerlijke verdraagzaamheid heeft geen theologische betekenis, maar laat de staat toe de samenleving zo te organiseren dat ze maximale vrijheid verleent aan haar burgers. Tegelijk benadrukte Dondeyne dat godsdienstvrijheid ook de opgave tot dialoog impliceerde.
De verschillende debatten over het thema van de godsdienstvrijheid op het Concilie – waaraan Dondeyne niet rechtstreeks deelnam, maar die wel sterk beïnvloed waren door zijn publicaties – mondden in 1965 uit in de verklaring Dignitatis Humanae. Daarin wordt, uitgaande van de waardigheid van de menselijke persoon, godsdienstvrijheid bepleit als een mensenrecht. Deze vrijheid wordt niet enkel negatief opgevat, als mag niemand verplicht worden te handelen tegen zijn of haar geweten in, maar ook positief: de staat moet de mogelijkheid creëren dat ieder kan leven overeenkomstig zijn of haar religie (DH 6). Het concilie sprak echter niet alleen over recht, maar ook over plicht: ieder heeft ook de plicht te zoeken naar de waarheid. Daarmee zette het zich resoluut af tegen subjectivisme, relativisme en onverschilligheid. De zoektocht naar waarheid diende te gebeuren door vrij onderzoek en onderwijs, dialoog en debat (DH 3). Het concilie gaf uiteraard de overtuiging dat de eigen kerkgemeenschap de waarheid bezat niet op (DH 1; 14). Hoe dan ook, Dignitatis Humanae laat zien hoe de rooms-katholieke kerk, die steeds afkering had gestaan ten opzichte van de idee van godsdienstvrijheid, sinds Vaticanum II “een volwaardige en respectvolle speler wil zijn waar het gaat om het erkennen van het recht voor alle mensen om hun eigen levensopvattingen te hebben en te ontwikkelen” 40.
2. Leidt godsdienst tot onverdraagzaamheid? Een godsdienstpsychologisch perspectief
In de bijdrage Leidt godsdienst tot onverdraagzaamheid?41 toetst Dirk Hutsebaut vanuit godsdienstpsychologisch perspectief de stelling dat gelovige mensen minder tolerant zouden zijn. Er is inderdaad psychologisch en sociologisch onderzoek dat wijst op een samenhang tussen geloven en intolerantie. Hutsebaut benadrukt echter dat dit enkel betekent dat de kans dat iemand die gelooft intolerant is, groter is dan de kans dat hij of zij tolerant is. “Het betekent niet dat iedereen die gelooft meteen ook intolerant is, en nog minder dat mensen intolerant zouden worden door hun geloof.”
De vraag of godsdienst tot intolerantie leidt, wordt door Hutsebaut beantwoord aan de hand van de door hem, vanuit een christelijk perspectief, ontwikkelde ‘post-kritische geloofsschaal’ (‘PKG-schaal’). Door middel van een vragenlijst42 wordt gepeild naar het al dan niet accepteren van transcendentie (geloof versus ongeloof) en naar de manier waarop men geloofsinhouden beleeft: letterlijk of op een symbolische wijze. De combinatie van deze twee factoren geeft vier verschillende profielen of geloofsstijlen. De positie letterlijk-gelovig wordt door Hutsebaut omschreven als ‘orthodoxie’. Wie op een dergelijke manier gelooft, leest geloofsuitspraken en Bijbelverhalen letterlijk. Deze zijn niet bepaald door tijd en context, maar zijn objectief waar. Het profiel ‘externe kritiek’ leest geloofsuitspraken en Bijbelverhalen eveneens letterlijk. Alleen komt men op basis van deze lezing tot een ongelovige positie: een letterlijke lezing strookt niet met wetenschappelijke inzichten en kan dus niet waar zijn. Naast deze letterlijke lezing is er ook een symbolische lezing mogelijk van geloofsuitspraken en Bijbelverhalen. Hierbij is men zich bewust van de historische en culturele context waarin uitspraken gedaan worden. Geloofsuitspraken moeten niet letterlijk begrepen worden, maar verwijzen naar een diepere symbolische waarheid. Behoudt men op basis van deze symbolische lezing het geloof in een transcendente werkelijkheid, dan wordt dit profiel omschreven als ‘post-kritisch geloof’: het geloof blijft ook na de kritiek op (een letterlijke lezing van) geloofsuitspraken behouden. Met Ricoeur wordt ook van een ‘tweede naïviteit’ gesproken. De transcendente werkelijkheid kan niet volledig door mensen en hun uitspraken en geschriften gevat worden, maar enkel door symbolische bemiddeling. Verhalen en symbolen zijn dus noodzakelijk, maar tegelijk is de transcendentie waarnaar verwezen wordt reëel. Het geloofsprofiel dat een symbolische lezing combineert met ongeloof wordt door Hutsebaut omschreven als ‘relativisme’. Ook hier worden de geloofsuitspraken en verhalen beschouwd als menselijke constructies. Alleen verwijzen deze constructies naar sociale, culturele of psychologische mechanismen, en niet naar een transcendente werkelijkheid.
| letterlijk | ||||
| ORTHODOXIE letterlijk geloof |
EXTERNE KRITIEK | |||
| geloof | ongeloof | |||
| POST-KRITISCH GELOOF tweede naïviteit |
RELATIVISME contingentiebewustzijn |
|||
| symbolisch |
Hutsebaut nu stelt dat niet of iemand gelooft relevant is met betrekking tot diens (in)tolerantie, noch wat men gelooft, maar hoe men gelooft. Centraal hierbij staat de as letterlijk-symbolisch geloof: “Mensen die op een letterlijke manier met geloof omgaan neigen naar intolerantie. Wat nog niet wil zeggen dat alle mensen die op een letterlijke manier met geloof omgaan ook intolerant en onverdraagzaam zijn. Dat geldt niet alleen voor gelovigen die op een letterlijke manier met geloof en geloofsinhouden omgaan of, anders gezegd, voor orthodox-gelovigen maar eveneens voor ongelovigen die vanuit een letterlijke lezing geloof en geloofsinhouden verwerpen, die met andere woorden bijvoorbeeld geloof verwerpen omdat wat in de Bijbel staat historisch of wetenschappelijk gezien niet klopt, de ‘externe-kritiek’-personen. Voor zover ik kan opmaken is dat een nieuw gegeven in de onderzoekstraditie. Tot nu toe werd de intolerantie van een specifiek soort ongelovigen nooit geobserveerd. Men ging er blijkbaar te vanzelfsprekend van uit dat intolerantie enkel samenhangt met geloof en niet met ongeloof. De vraag of ongelovigen intolerant kunnen zijn werd zelfs niet eens gesteld. Mensen, daarentegen, die op een symbolische, hoogsteigen en ondogmatische manier met geloof omgaan, laten zich eerder kenmerken door een tolerante houding tegenover mensen die er andere opvattingen, gebruiken en gewoonten op nahouden. Dat geldt zowel voor mensen die niet geloven als voor mensen die ondanks alle kritiek op religie (bijvoorbeeld dat religie zou berusten op een illusie) toch tot geloof komen. Intolerantie heeft dus niet op de eerste plaats te maken met geloof, maar met de cognitieve stijl die mensen hanteren wanneer ze met geloof en geloofsinhouden geconfronteerd worden:
staat iemand open voor diversiteit en verscheidenheid of niet? We moeten erbij aantekenen dat dit geen automatisch proces is dat gewoon uit de cognitieve stijl voortvloeit. Steeds opnieuw zal men dit moeten verwerken in de eigen manier waarop men met geloof omgaat.” 43
II. MAATSCHAPPELIJKE PERSPECTIEVEN OP LEVENSBESCHOUWELIJKE DIVERSITEIT
In het eerste hoofdstuk van het deel over de hedendaagse omgang met levensbeschouwelijke diversiteit44 werd een overzicht gegeven van de verschillende houdingen die men vanuit christelijk-theologisch perspectief kan aannemen ten aanzien van het ‘heil’ van mensen die tot een andere religie behoren. Naast dit theologische perspectief op het religieuze heil van de ander, kan men ook verschillende posities innemen over hoe men vanuit maatschappelijk perspectief moet omgaan. Precies door, in navolging van de godsdienstoorlogen, het religieuze domein te scheiden van het politieke domein, zijn dit twee onderscheiden discussies (wat niet uitsluit dat er banden tussen beide kunnen zijn, cf. supra, intermezzo). In hedendaagse samenlevingen waarin er geen sprake is van een officiële ‘staatsgodsdienst’ kan men grofweg twee houdingen onderscheiden ten opzichte van de levensbeschouwelijk veelheid in de samenleving. Het ‘passief pluralisme’ benadrukt het recht van gelovigen om niet verstoord te worden in hun religieuze beleving. Het ‘actief pluralisme’ daarentegen zet in op de bevordering en ondersteuning van interactie tussen de verschillende levensbeschouwelijke groepen.
2.1 Passief pluralisme
2.1.1 Toelichting
Het passief pluralisme steunt op het Verlichtingsdenken dat stelt dat meningsverschillen op een redelijke manier, met het woord, en niet door dwang, moeten worden beslecht. Levensbeschouwing mag dus, in tegenstelling tot de ervaring van de godsdienstoorlogen, geen grond zijn van geweld tussen verschillende partijen. Het recht op godsdienstvrijheid staat centraal. Ieder is vrij zich te houden aan zijn of haar persoonlijke overtuiging. Omgekeerd moet men ook de ander de vrijheid laten in zijn of haar overtuiging, zonder deze overtuiging publiekelijk aan kritiek te onderwerpen. Onderliggend speelt bij voorstanders van het passief pluralisme soms ook de gedachte dat levensbeschouwingen potentieel ordeverstorend kunnen zijn en daarom best niet al te sterk op de voorgrond van de samenleving treden.
Om die levensbeschouwelijke vrijheid te garanderen houdt de staat zelf zich ver van levensbeschouwelijke oordelen. De staat waarborgt enkel de vrijheid en biedt levensbeschouwingen de ruimte om zichzelf te organiseren. Centraal staat de neutraliteit en niet-inmenging van de staat. Omwille van die neutraliteit zal men ook levensbeschouwelijke symbolen weren uit publieke instellingen en gebouwen. Als voorbeeld kan hier verwezen worden naar het verwijderen van kruisbeelden uit de rechtbanken in de jaren ’90. De aanwezigheid van de kruisbeelden zou immers de suggestie kunnen wekken dat de rechtspraak zich laat beïnvloeden door het christendom, en dat leden van andere religies dus door de wet anders behandeld worden. Ook het pleidooi voor het verbod op het dragen van levensbeschouwelijke symbolen in loketfuncties aan gemeentehuizen of voor leerkrachten in het gemeenschapsonderwijs komen voort uit dit streven naar neutraliteit van de overheid.
Deze verwijdering van levensbeschouwing uit het publieke domein en de daarbij horende verschuiving van levensbeschouwing naar het private domein wordt mede ondersteund door het succes van de positieve wetenschappen en de idee dat er geen antwoorden mogelijk zijn op de ‘laatste vragen’ (Vanheeswijck). Gezien een consensus niet mogelijk is, en geweld over deze vragen niet geoorloofd is, zal men zoveel mogelijk discussies trachten te vermijden. Omdat het precies in de publieke sfeer is dat verschillende levensbeschouwingen met elkaar in contact kunnen komen, worden, om de hieruit voortvloeiende spanningen te voorkomen, religieuze uitingen zo veel mogelijke tot de private sfeer beperken.
Ook verzuiling kan als een vorm van passief pluralisme worden beschouwd. Hoewel de levensovertuigingen hierbij niet strikt beperkt worden tot de privésfeer, toch zorgt het principe zelf van de ‘zuilen’ ervoor dat de verschillende levensbeschouwingen van elkaar gescheiden blijven op het publieke domein. Er is immers geen echte dialoog tussen de verschillende zuilen en hun respectievelijke levensbeschouwingen. 46
Naast het willen vermijden van conflicten, steunt het passief pluralisme ook op de vaststelling dat er in de hedendaagse samenleving een omvangrijke consensus lijkt te zijn over de belangrijkste morele waarden, ook tussen de verschillende levensbeschouwingen:
Als kinderen van de verlichting noemen we ons zonder voorbehoud voorstanders van gelijke rechten, bepleiten we de vrijheid (van meningsuiting) van elk individu, zijn we gevoelig voor de eis van universele rechtvaardigheid, hechten we een groot belang aan het vermijden van gelijk welke vorm van lijden en discussiëren we niet langer over de onmisbare rol van de mensenrechten in het leven van elk individu. Indien over dit alles – onze morele visies en waarden – een vrij grote eensgezindheid bestaat, waarom ons dan nog druk maken over de onenigheid met betrekking tot de bronnen, waaruit deze algemeen aanvaarde morele gevoeligheid is ontstaan? 46
Hoewel er over de bronnen van onze morele visies onenigheid mogelijk is (zijn onze morele normen gegrond in een door God – welke God? – afgekondigde wet, in de menselijke natuur, in de rede, in de samenleving? wat is het goede leven?), is er in de praktijk weinig discussie over de belangrijkste morele normen. Omdat een verwijzing naar de bronnen van onze morele visies, naar een inhoudelijke idee van het goede, de consensus tussen verschillende partijen in de samenleving alleen maar kan bemoeilijken, tracht men deze levensbeschouwelijke verwijzingen zoveel mogelijk uit te sluiten en in te zetten op de bestaande consensus.
2.1.2 Kritische bedenkingen
Critici wijzen er op dat het passief pluralisme, dat er prat op gaat zich neutraal op te stellen, in feite niet zo neutraal is als het lijkt. Het passief pluralisme gaat uit van een zeker normatief pluralisme dat stelt dat er geen definitieve uitspraken mogelijk zijn over de waarde en waarheid van levensbeschouwingen (cf. supra: theologische perspectieven op levensbeschouwelijke diversiteit). Wie vanuit zijn levensbeschouwelijke overtuiging aanspraak maakt op absolutisme of kritiek uit op andere levensbeschouwingen wordt daarom al snel als intolerant beschouwd.
Door het sterke verdringen van levensbeschouwing tot de privésfeer, dreigt het passief pluralisme ook de eigen aard van religieuze betrokkenheid te miskennen. Religieuze mensen zijn immers betrokken op iets dat voor hen van ultiem belang is (an ultimate concern) en hen overstijgt 47. Gelovigen ervaren hun geloof niet als een autonome keuze, een individuele voorkeur voor één van de vele gelijkwaardige opties. Gelovigen geloven omdat ze zich aangesproken voelen tot iets wat waardevol en betekenisvol is. Wat waardevol en betekenisvol is, is dat niet alleen voor henzelf, maar ook voor anderen. Gelovigen willen dan ook kunnen getuigen van hun geloof en er inhoudelijk over spreken. Wanneer men levensbeschouwelijke discussies tracht te vermijden door levensbeschouwing zo veel mogelijk tot de privésfeer te beperken, beknot men gelovigen dan ook in de uitdrukking van hun geloof. Volgens critici van het passief pluralisme is het beperken van levensbeschouwelijke kritiek en debat daarom geen uiting van tolerantie ten opzichte van levensbeschouwingen, maar eerder van een uitholling ervan.
Bovendien wijzen critici er op dat, precies omwille van het ultieme belang van levensbeschouwing voor mensen, het ook niet mogelijk is dit te beperken tot de privésfeer. Levensbeschouwing is van dergelijk fundamenteel belang, dat de identiteit van mensen er sterk mee verweven is. Daarom kan men dit niet zomaar losmaken van zijn of haar levensbeschouwing wanneer men het publieke domein betreedt. “De eis om dit wel te doen vraagt een mentale acrobatie 48, die moeilijk verenigbaar is met het kloppend hart van het godsdienstig leven” 49. Een verbod op het dragen levensbeschouwelijke symbolen door mensen die een openbaar ambt uitoefenen, betekent voor sommige mensen dan ook dat ze deze ambten niet kunnen uitoefenen; ze kunnen in de openbare ruimte immers niet zomaar hun ‘religieuze zelf’ tijdelijk afstoten.
Een laatste kritiek stelt dat het passief pluralisme haar doel, het vreedzaam samenleven van mensen van verschillende levensbeschouwingen te bevorderen, niet bereikt. Door het beperken van het levensbeschouwelijk debat verwordt passief pluralisme niet zelden tot onverschilligheid en desinteresse ten opzichte van de ander. Ieder blijft op zijn of haar eigen terrein; als de ander mij met rust laat, laat ik de ander met rust. Op die manier kan er echter een steeds grotere kloof ontstaan tussen verschillende religieuze en culturele groepen. Bovendien kan de poging om conflicten te vermijden “als een boemerang terugkeren”:
Dit is zeker het geval voor wat religie betreft. Het droogleggen van de inhoudelijke dialoog over levensbeschouwelijke kwesties, heeft immers ook het draagvlak om op een gepaste wijze om te gaan met religieuze gevoeligheden uitgehold. Omdat westerlingen het verleerd zijn om over de laatste vragen na te denken en te discussiëren, kunnen ze niet echt begrijpen waarover ‘religieuze mensen’ zich soms zo druk maken. Ze missen de finesse om op gepaste wijze om te gaan met religie. Er wordt gelachen, met zaken die niet grappig zijn; er wordt gesproken, waar er gezwegen moet worden. […] Zo werkt de onverschillige tolerantie, die begrepen wordt als de beste strategie om interreligieuze conflicten te vermijden, uiteindelijk conflicten in de hand.
502.2 Actief pluralisme
2.2.1 Toelichting
Het actief pluralisme51 tracht tegemoet te komen aan de kritiek op het passief pluralisme. Het vertrekt vanuit de idee dat het niet mogelijk en wenselijk is het levensbeschouwelijk gesprek naar de privésfeer te verbannen. Het actief pluralisme stapt daarvoor echter niet af van de opvatting dat levensbeschouwing geen reden is tot geweld. Het actief pluralisme erkent daarom ten volle de verdiensten van het passief pluralisme dat niemand mag gehinderd worden in zijn of haar levensbeschouwing. Net als het passief pluralisme neemt het actief pluralisme de godsdienstvrijheid als uitgangspunt.
Godsdienstvrijheid mag volgens voorstanders van het actief pluralisme echter geen eindpunt zijn. Levensbeschouwingen spelen immers een fundamentele rol in het denken, spreken en handelen van mensen en organisaties. Bovendien is men ervan overtuigd dat levensbeschouwelijke groepen een positieve maatschappelijke rol kunnen spelen. Daartoe moet hen echter de kans gegeven worden te “ontsnappen aan de verborgenheid, aan de frustratie en vervreemding van niet gezien en niet gehoord te worden” 52. Door levensbeschouwingen een expliciete plaats toe te kennen, hoopt men dat ze een bijdrage leveren aan de sociale cohesie en de integratie van migranten. Zo stelt Steve Stevaert dat religie vaak de enige bindende factor is bij migrantengroepen. Omdat emancipatie en integratie het best verlopen via groepen, en pas als afgeleide daarvan individuen bereiken, is het belangrijk dat er voldoende ruimte wordt geschapen voor levensbeschouwing in de publieke ruimte53. Een gemeente kan bijvoorbeeld een dag organiseren waarop de verschillende kerken, moskeeën, vrijzinnige ontmoetingscentra, tempels kunnen worden bezocht of er kan een debatavond plaatsvinden waarop vertegenwoordigers van verschillende religies een gesprek aangaan over hoe men kan samenleven. Ook het Belgische systeem van de erkende godsdiensten, waarbij levensbeschouwingen die aan bepaalde voorwaarden voldoen op bepaalde vlakken door de overheid ondersteund worden, wordt geschraagd door de idee dat levensbeschouwingen een belangrijke maatschappelijke rol vervullen 54.
Het actief pluralisme, dat zich voor inspiratie onder andere beroept op het zestiende eeuwse humanisme in de traditie van Erasmus, More en Gillis55, streeft er naar om een echte dialoog tussen deze levensbeschouwingen op gang te brengen. In plaats van iedereen te laten rusten in zijn of haar eigen levensbeschouwing, wil men mensen actief aanzetten tot het expliciteren van de eigen zingevingskaders. Op die manier worden mensen zich weer bewust van de band tussen hun morele visies en de bronnen waaruit ze zijn ontstaan en kan er een fundamenteel debat op gang gebracht worden over en tussen verschillende levensbeschouwelijke kaders. Door leden van een levensbeschouwing te laten uitdrukken wat hen ten diepste drijft, hoopt men tot een beter begrip te komen tussen verschillende bevolkingsgroepen. Ook levensbeschouwingen zelf kunnen dit actief pluralistische ideaal ondersteunen – zonder daarom meteen in een theologisch pluralisme te vervallen. Zo kunnen bijvoorbeeld samenwerkingsverbanden opgezet worden tussen de verschillende levensbeschouwelijke vakken op een school om zo actief het contact tussen en het begrip van de verschillende levensbeschouwingen te bevorderen.
Het actief pluralisme erkent evenwel ook dat zij geen garantie kan bieden op een samenleving zonder conflicten. Het actief pluralisme staat dan ook allesbehalve haaks op het passief pluralisme; het moet gezien worden als een amendering van het passief pluralisme. Het passief pluralisme blijft de basis van het actief pluralisme. Enkel indien gegarandeerd kan worden dat ieder zijn of haar (levensbeschouwelijke) ideeën mag uiten zonder dat hem of haar geweld wordt aangedaan, is er een vrije uitwisseling en reflectie over deze ideeën mogelijk
56. Het actief pluralisme is er echter van overtuigd dat zelfs wanneer het open debat in eerste instantie tot meer conflicten leidt tussen levensbeschouwingen, deze spanningen uiteindelijk vruchtbaar zullen blijken.
2.2.2 Kritische bedenkingen
Zoals men vanuit de hoek van het actief pluralisme zelf toegeeft, leidt de actieve ondersteuning van de dialoog en het debat tussen de verschillende levensbeschouwingen zeker niet automatisch tot een harmonieuze samenleving. Toch is het actief pluralisme ervan overtuigd dat debat en overleg uiteindelijk wel bijdragen aan meer wederzijds begrip en respect. Het gaat ervan uit dat ontmoetingen verrijkend zijn en uiteindelijk zullen leiden tot meer inzicht en begrip voor elkaar.
Is het actief pluralisme hier te optimistisch? De casus van het Antwerpse atheneum, waar in 2009 een hoofddoekenverbod werd ingevoerd, doet in elk geval twijfelen. Nochtans had de school, juist vanuit een uitdrukkelijk actief pluralistisch beleid, jarenlang de hoofddoek toegelaten. Dit leidde echter tot een enorme concentratie van meisjes met een hoofddoek in de school, waardoor er ook sprake was van sociale druk om de hoofddoek te dragen. Het toelaten van de hoofddoek leidde in dit geval tot minder diversiteit en minder respect voor vrije keuzes. Het argument van het actief pluralisme werd uiteindelijk aangewend om een hoofddoekenverbod in te voeren.
Ook zijn er stemmen, in het bijzonder vanuit het particularistische denken, die er op wijzen dat de vreemde ander ontoegankelijk kan blijven, zelfs als we hem begrijpen. “Die ontoegankelijkheid is niet primair cognitief – ik kan die traditie leren kennen en reconstrueren – maar existentieel”
57. “Wat de ander vreemd maakt, is niet zozeer dat we de ander niet kunnen verstaan. We kunnen de vreemde betekenissen wel hermeneutisch ontsluiten, maar daarmee zijn deze vreemde betekenissen voor ons nog niet waardevol”
58. Zelfs al kunnen we vreemde betekenissen cognitief begrijpen, waarom de ander aan iets gehecht is, kunnen we uiteindelijk niet vatten. Zelfs al weet een moslim dat voor christenen Vader, Zoon en Geest eenzelfde goddelijke natuur delen, toch blijft de leer van de Triniteit voor hen een schending van het geloof in de ene God. Onze eigen ‘verworteling’ maakt dat er grenzen zijn aan onze verbeelding en we niet voor elk perspectief empathie kunnen opbrengen.
Verwerkingsvragen
- Waar vind je in je onmiddellijke of ruimere omgeving aspecten van passief en actief pluralisme terug? Welk verschil ervaar je tussen beide?
- Welk principe (passief/actief pluralisme) moet volgens jou de overhand hebben in onze samenleving? Waarom? Op welk vlak zou dit tot een concrete verandering leiden van de positie van levensbeschouwing in de publieke ruimte?
- Het kerkelijke spreken over godsdienstvrijheid en het psychologisch verband tussen de wijze van geloven en tolerantie ten opzicht van andere zijn voorbeelden van verbanden tussen het spreken over religieuze pluraliteit vanuit levensbeschouwelijk en vanuit maatschappelijk perspectief. Wat zijn nog voorbeelden van dergelijke verbanden?
C. TOEPASSINGEN: RELIGIE EN DE PUBLIEKE RUIMTE
Doelstellingen van dit onderdeel
- de concrete gevolgen van de eigen positie m.b.t. de plaats van levensbeschouwing in de publieke ruimte kunnen aangeven, beargumenteren en toepassen in concrete contexten, bv. m.b.t. het ‘hoofddoekenverbod’
- in concrete standpunten over de aanwezigheid van religie in de publieke ruimte kunnen onderscheiden vanuit welke invalshoek er geargumenteerd wordt
- in concrete standpunten over de aanwezigheid van religie in de publieke ruimte kunnen aangeven of de positie steunt op eerder passief of eerder actief pluralistische ideeën
- kunnen aangeven waarom en op welke manieren reclame soms verwijst naar religie
- kunnen aangeven waarom het verwijzen naar religie in reclame soms tot conflicten leidt
- kunnen aangeven waarom en op welke manieren humor soms gebruik maakt van religie
- kunnen aangeven waarom humor met betrekking tot religie soms tot conflicten leidt
- de spanning tussen godsdienstvrijheid en vrije meningsuiting kunnen schetsen m.b.t. concrete conflictsituaties
I. UITGEBREIDE INLEIDING: RELIGIE IN DE PUBLIEKE RUIMTE - EEN STANDPUNT
zie: M. MOYAERT, Religie in de publieke ruimte. Erkenning, kwetsbaarheid en verscheurdheid, in Ethische Perspectieven 19/1 (2009) 71-93.
II. RELIGIEUZE SYMBOLEN IN DE PUBLIEKE RUIMTE: HET 'HOOFDDOEKENVERBOD'
Vanuit een bekommernis om neutraliteit en de scheiding tussen kerk en staat voerden in 2007 onder andere het Antwerpse en het Gentse stadsbestuur een verbod in voor het dragen van politieke en levensbeschouwelijke symbolen voor stadspersoneel dat in contact komt met de bevolking. Deze maatregel zou moeten garanderen dat de overheid waarmee de bevolking in contact komt, neutraal is. In tegenstelling tot bij het ‘neutraliseren’ van openbare gebouwen (bv. het verwijderen van kruisbeelden uit rechtbanken), beïnvloedt deze beslissing rechtstreeks een bepaalde religieuze beleving van individuele burgers. De maatregel ontketende een storm van reacties. Uit alle politieke en levensbeschouwelijke strekkingen kwamen er zowel positieve als negatieve reacties.
Deze diversiteit aan reacties is het gevolg van de complexiteit van de problematiek. Het hoofddoekenverbod gaat immers niet louter om het afwegen van het principe van de neutraliteit van de staat tegen het principe van de godsdienstvrijheid. Er zijn ook veel andere aspecten mee verbonden waardoor het verbod vanuit verschillende gezichtspunten kan worden bekeken. Wie vanuit de ene optiek tegen een verbod pleit, moet vaak erkennen dat er vanuit een andere optiek goede argumenten voor een verbod zijn. Deze complexiteit wordt nog versterkt door het feit dat gelijkaardige maatregelen vanuit heel verschillende motieven worden gemotiveerd. Zo steunen de verschillende verboden op het dragen van levensbeschouwelijke symbolen door leerlingen op scholen niet op het handhaven van een strikte neutraliteit59 maar op andere waarden en argumenten (zoals het bevorderen van de gelijkheid tussen leerlingen of de keuzevrijheid van moslimmeisjes die gedwongen zouden worden een hoofddoek te dragen). We zetten hieronder de voornaamste gezichtspunten op een rij:
De verschillende hoofddoekenverboden voor stadsdiensten (onder andere in 2007 ingevoerd in Antwerpen en Gent) werden ingevoerd vanuit het principe van de neutraliteit en de ‘scheiding tussen kerk en staat’. In het debat omtrent het verbod is de precieze interpretatie van de ‘scheiding tussen kerk en staat’ uiteraard een belangrijke factor 60. Moet de staat neutraal zijn en alle mogelijke levensbeschouwelijke verwijzingen in openbare ruimten vermijden, of mag ze juist in geen geval invloed uitoefenen op levensbeschouwingen en het dragen van levensbeschouwelijke symbolen?
Verder kan de vraag gesteld worden of uit het principe van de neutraliteit van de overheid ook volgt dat bepaalde gezagsdragers of al de werknemers voor de overheid zich neutraal moeten opstellen, of enkel mensen met een loketfunctie. Bovendien is er onenigheid of het principe van de neutraliteit van de overheid betekent dat de persoon in dienst van de overheid neutraal moet zijn, of dat de functie op een neutrale wijze moet worden uitgevoerd. Dat een loketbediende in zijn of haar kledij bepaalde waarden en overtuigingen uitdrukt, hoeft niet te betekenen dat die waarden en overtuigingen ook een rol spelen in de manier waarop de functie wordt uitgeoefend. Of houdt het principe van de “lekenstaat” in dat ook zij die genieten van publieke diensten (bv. leerlingen in het gemeenschapsonderwijs) zich moeten gedragen naar de “neutraliteit” van de staat: zoals bijvoorbeeld in Frankrijk en Turkije het geval is. Of gaat het principe zo ver dat alle mogelijke ruimten van publiek nut vrij moeten zijn van alle levensbeschouwelijke verwijzingen (cf. het wetsvoorstel dat op 9 december 2009 werd ingediend door Philippe Mahoux en de scheiding tussen kerk en staat absoluut wilde maken. Zo werd onder andere voorgesteld dat op alle goederen met een publieke bestemming, zoals begraafplaatsen, geen religieuze tekens te zien zouden zijn)?
Uiteraard is de discussie omtrent het hoofddoekenverbod verweven met het debat over multiculturaliteit en migratie. In deze optiek benadrukken sommigen dat de aanwezigheid van hoofddoeken – of andere niet-christelijke levensbeschouwelijke problemen – in publieke diensten de integratie kan bevorderen door mensen uitdrukkelijker het gevoel te geven dat ze welkom zijn in de samenleving (een argument vanuit een meer actief pluralistische houding). Het hoofddoekenverbod – officieel een verbod op opzichtige levensbeschouwelijke symbolen – lijkt immers één bevolkingsgroep in het bijzonder te viseren. Bovendien leert het uitdrukkelijk geconfronteerd worden met andere religies, mensen omgaan met verschillen in de samenleving. Echter, precies vanuit hetzelfde argument van de integratie worden ook stemmen voor een hoofddoekenverbod geuit. De hoofddoek in openbare diensten zou immers de verschillen tussen de bevolkingsgroepen kunnen benadrukken, terwijl een verbod meer de nadruk legt op de (burgerlijke) gelijkheid. Vanuit een bezorgdheid om tolerantie stellen sommigen ook dat het probleem niet ligt bij religieuze symbolen in het algemeen, maar specifiek bij de islamitische hoofddoek. De hoofddoek verwijst volgens hen immers naar een niet-verlichte en intolerante islam. Een hoofddoekenverbod dwingt de islam tot ‘low profile’ en wordt gezien als een bescherming van de tolerantie in de samenleving.
Verder speelt ook het argument van de vrije keuze en de vrouwenemancipatie een belangrijke rol. Sommige feministen beschouwen de hoofddoek als een kledingstuk dat – al dan niet expliciet – opgelegd wordt aan vrouwen en dus een teken is van hun onderwerping en van een cultuur die vrouwen minderwaardig acht. Vanuit die visie geldt het hoofddoekenverbod als een hulpmiddel in de bevrijding en emancipatie, dat moslimvrouwen kan helpen voor zichzelf op te komen en hun eigen keuzes te maken. Tegelijk benadrukken anderen, vanuit eenzelfde aandacht voor de vrije keuze van vrouwen, dat het dragen van een hoofddoek hen niet mag verboden worden. Een hoofddoek is voor moslimvrouwen geen onderdrukkend kledingstuk, maar een manier om hun religieuze identiteit uit te drukken. Vanuit deze optiek heeft een verbod juist geen respect voor de bewuste keuzes van moslimvrouwen. In dezelfde lijn wordt benadrukt dat sommige moslimvrouwen het publieke domein niet meer zouden betreden wanneer hen het dragen van de hoofddoek verboden werd. Een verbod ontneemt vrouwen dan de kans op deelname aan het publieke leven, integratie en scholing.
Belangrijk in dit verband is natuurlijk ook om in te zoomen op het statuut van de hoofddoek zelf. Heeft de hoofddoek – vanuit publiek standpunt – geen enkel speciaal statuut zodat de regelgeving betreffende hoofddeksels voldoende is? Of krijgt de hoofddoek op grond van zijn religieuze betekenis voor moslims een speciaal statuut dat hem onderscheidt van andere hoofddeksels? In dat geval wordt hij gelijk gesteld met de symbolen van andere levensbeschouwingen. Andere religieuze symbolen, zoals het kruis voor christenen of het keppeltje voor joden, moeten dan op een zelfde manier behandeld worden als de hoofddoek. In dat geval laat de overheid zich echter in haar regelgeving leiden door opvattingen en interpretaties van anderen betreffende bepaalde voorwerpen of kledingstukken. Critici wijzen er op dat neutrale voorwerpen en kledingstukken uit de samenleving dan anders moeten behandeld worden, wanneer een groep ze zou claimen als levensbeschouwelijk symbool.
Zoals de discussie over het hoofddoekenverbod laat zien, is het debat over levensbeschouwelijke symbolen in de publieke ruimte niet eenvoudig te beslechten vanuit de principiële idee van de scheiding tussen kerk en staat. Juist omdat het de samenleving en concrete mensen betreft, kan de discussie niet louter in het abstracte gevoerd worden maar spelen ook vele andere aspecten – die niet per se verband houden met tolerantie en de neutraliteit van de staat – een rol. Zo is de rol van de specifieke historische context niet te veronachtzamen: juist omdat België een andere traditie heeft wat betreft de interpretatie van de ‘scheiding tussen kerk en staat’ worden bepaalde levensbeschouwelijke verwijzingen in de publieke ruimte als minder problematisch ervaren dan bijvoorbeeld in Frankrijk, waar de laïcité strikter wordt beleefd en bijvoorbeeld geen salarissen of directe subsidies aan religieuze organisaties worden verstrekt. In Nederland heeft men daarentegen juist veel minder moeilijkheden met levensbeschouwelijke verwijzingen in de publieke ruimte 62. Wellicht heeft dit daar te maken met de langere traditie van het omgaan met verschillende levensbeschouwingen in de publieke ruimte die men heeft.
Verder blijkt dat hoewel er overeenstemming kan zijn over een principe (neutraliteit, actief pluralisme, vrijheid van religie en geweten), er verschillende manieren kunnen zijn om dit principe te interpreteren en toe te passen (wordt de hoofddoek bijvoorbeeld beschouwd als een hoofddeksel of als een religieus symbool?). Voorts is er ook onenigheid mogelijk over de prioriteit van verschillende principes en hun afweging tegenover andere waarden. Tot slot ligt de moeilijkheid bij dergelijke maatschappelijke debatten er vaak in dat naar argumenten en principes wordt verwezen terwijl de uiteindelijke conclusies soms ingegeven zijn door andere argumenten. Zo argumenteert men soms (schijnbaar) tegen ‘opzichtige religieuze symbolen’ in het algemeen terwijl in feite, vanuit ideeën over ‘integratie’ enkel hoofddoeken worden geviseerd. Of omgekeerd, argumenteert men tegen de hoofddoek, terwijl men in feite alle religieuze symbolen wil treffen. In elk geval zijn er vaak anderen in het debat die de argumenten van hun tegenstanders op deze manier interpreteren en vervolgens op hun ‘verborgen’ argumenten voortbouwen. Zelfs de (op zich al moeilijke) principiële reflectie over de toepassing van principes als neutraliteit en pluralisme lijken in de praktijk dus niet altijd te volstaan om maatschappelijke discussies te beslechten.
Uitbreiding: De hoofddoek als teken of als symbool?
De Leuvense filosoof Rudi Visker maakt het onderscheid gemaakt tussen de hoofddoek als teken en de hoofddoek als symbool 61 . Terwijl de hoofddoek in de discussies vaak als een teken (desgevallend van de onderdrukking van de vrouw, van de emancipatie van de vrouw of van het verzet tegen de westerse samenleving) wordt gezien, pleit hij ervoor de hoofddoek als een symbool te beschouwen. Wie de hoofddoek als teken beschouwt, ziet hem als de uitdrukking van een religieuze overtuiging, van de onderdrukking van vrouwen of van de mogelijkheid tot emancipatie. Het teken verwijst daarbij naar een overtuiging die sowieso aanwezig is en ook op andere manieren dan met een hoofddoek zou kunnen worden uitgedrukt. Visker daarentegen suggereert de hoofddoek als een symbool te zien. De hoofddoek is dan niet zomaar een uitdrukking van een religieuze overtuiging die ook op een andere manier kan worden uitgedrukt, maar geeft een zekere vorm en materialiteit aan wat uitgedrukt wordt. Het symbool laat datgene wat het uitdrukt niet onveranderd. Door het uitgedrukte te veruitwendigen, maakt het symbool bovendien mogelijk dat de persoon er een andere houding tot aanneemt. Een religieus symbool kan zo een zekere afstand creëren tussen de persoon en diens religieuze beleving. De hoofddoek kan dan een manier zijn om het moslim-zijn uit te drukken, zonder constant te moeten spreken en handelen vanuit die geloofspositie. Het terugdringen van de hoofddoeken en andere religieuze symbolen zou de nood kunnen verhogen om zich in het publieke domein als gelovige te gedragen en zo misschien zelfs fanatisme kunnen aanwakkeren.
Uitbreiding: De Franse traditie van laïcité
Na de Franse Revolutie, waarin er een einde kwam aan een groot deel van de kerkelijke privileges, en de Declaration des droits de l’homme et du citoyen waarin de vrijheid van godsdienst en geweten formeel erkend werd (1789) kende Frankrijk reeds een woelige strijd over de invoering en toepassing van het principe van de scheiding tussen kerk en staat. In 1905 werd de scheiding tussen kerk en staat uiteindelijk definitief uitgeroepen. In 1946 wordt het neutraliteitsprincipe opgenomen in de Franse Grondwet. Art. 2 van de huidige Grondwet, die werd afgekondigd in 1958 vermeldt: “Frankrijk is een ondeelbare, neutrale, democratische en sociale republiek. Alle burgers zijn gelijk voor de wet, zonder onderscheid naar afkomst, ras of godsdienst. De republiek respecteert alle vormen van geloof.” Bovendien wordt in de preambule van de Grondwet verkondigd dat de Grondwet zich aansluit bij de rechten van de mens en de grondbeginselen van de nationale soevereiniteit, zoals ze omschreven zijn in de Verklaring van 1789 en in de preambule van de Grondwet van 1946.” De preambule uit 1946 verkondigt onder andere dat niemand in zijn werk mag worden benadeeld op grond van zijn opvattingen of geloof en dat het aanbieden van “openbaar, gratis en neutraal (laïque) onderwijs op alle niveaus” een plicht van de staat is.
Door zowel de scheiding tussen kerk en staat als het respect van de staat voor alle godsdiensten vast te leggen, wijst Frankrijk niet alleen iedere officiële godsdienst af, maar wijst het ook een staatsatheïsme af. De staat erkent dus enerzijds de vrijheid van geweten en godsdienst, de vrije organisaties en juridische gelijkheid van godsdiensten, maar legt anderzijds een neutraal karakter op aan overheidsinstanties en publieke scholen. Zo moeten alle gebouwen van na 1905 vrij zijn van religieuze symbolen. Ook betaalt de staat geen salarissen van bedienaren van de eredienst, noch voorziet ze in directe subsidies aan kerken. De staat kan wel religieuze organisaties erkennen, maar geen religies. Toch zijn niet alle sporen van de rol van godsdienst in de geschiedenis van Frankrijk uitgewist. Zo zijn verschillende katholieke feestdagen officiële vrije dagen, en zijn er religieuze uitzendingen te bekijken op de openbare televisie..
Met het principe van de scheiding tussen kerk en staat wil Frankrijk religie zo veel mogelijk een zaak van het persoonlijke geweten laten zijn en elke invloed op de politieke macht vermijden. In de dagelijkse praktijk blijken er niet al te veel problemen te zijn met de toepassing van de laïcité. In 2003 werd, in initiatief van president Chirac, de ‘Commissie Stasi’ opgericht die een breed debat zou voeren over de toepassing van de laïcité in Frankrijk. Volgens het rapport is een grote meerderheid van de Fransen gehecht aan de laïcite “die het fundament is van de nationale eenheid”. Wel leidde de commissie tot een moeizaam debat over de neutraliteit van het onderwijs, en in het bijzonder het dragen van de hoofddoek door leerlingen. Tegenstanders van het dragen van een hoofddoek op publieke scholen wezen onder andere op het risico dat de gelijkheid van mannen vrouwen, één van de grondrechten van de Republiek, ontkend zou worden. Voorstanders van tolerantie wezen onder andere op de vele verschillende betekenissen van de hoofddoek. In 2004 werd uiteindelijk een wet gestemd die stelt dat het dragen van “ostentatieve religieuze symbolen” voor leerlingen op openbare lagere en secundaire scholen verboden is.
III. RELIGIE EN VRIJE MENINGSUITING
Omdat religie voor mensen van ultiem belang kan zijn, treden er soms moeilijkheden op wanneer religie in de samenleving gerelativeerd wordt. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer religieuze symbolen of verwijzingen gebruikt worden voor reclamedoeleinden. Ook wanneer religie het voorwerp wordt van humor of spot valt haar een relativering te beurt.
Voor religieuze personen is dit niet altijd even makkelijk te aanvaarden. Wanneer hun religie ‘gebruikt’ wordt voor commerciële doeleinden, bekritiseerd of bespot wordt, dan voelen zij zich niet altijd meer gerespecteerd in hun religieuze beleving. In naam van de godsdienstvrijheid wordt soms geëist dat deze uitlatingen over religie uit de publieke ruimte verwijderd worden. Critici reageren op deze eis steevast met het recht op vrije meningsuiting. Het recht op godsdienstvrijheid lijkt hier in botsing te komen met het recht op vrije meningsuiting.
Om concrete situaties beter te kunnen beoordelen – een conflict van rechten vindt immers steeds in een concrete context plaats – bieden we in dit deel een iets bredere achtergrond in het voorkomen van religie in reclame en in humor. We baseren ons hiervoor grotendeels op Michel Walrave (religie en reclame) en de cartoonist Quirit (religie en humor).
3.1 Religie en reclame
3.1.1 Oorzaken van het verwijzen naar religie in reclame
Communicatiewetenschapper Michel Walrave ziet verschillende oorzaken voor de verwijzing naar religie in reclame63. Enerzijds is er natuurlijk het enorme aanbod aan reclameboodschappen waardoor het almaar moeilijker wordt om de eigen boodschap nog te laten opvallen. Door op een creatieve wijze om te springen met een levensbeschouwing (meestal het dominante zingevingssysteem) hoopt men boven de massa uit te steken. Op een dieperliggend niveau kan verwezen worden naar de postmoderne samenleving die alle gevestigde zingevingssystemen in vraag stelt en de klemtoon volledig bij het individu legt. Hierdoor worden symbolen makkelijker uit hun context gerukt en in een nieuwe situatie geplaatst, wat een onverwacht, soms humoristisch effect kan opleveren.
Walrave wijst er op dat het gebruik van religieuze symbolen in het aanprijzen van goederen en diensten van alle tijden is: ook in de Oudheid en Middeleeuwen trachtte men goederen meer geloofwaardigheid te geven door te verwijzen naar het religieuze – waarbij het verband tussen de goederen en de gebruikte religieuze verwijzing soms ver te zoeken was. Zo kon men boven een toonbank van een winkel lezen “Mozes zei aan zijn volk gij zult den Here zoeken, hier verkoopt men visjens en oliekoeken.”
3.1.2 Manieren om gebruik te maken van religie in reclame
Michel Walrave maakt een onderscheid tussen drie manieren waarop reclame gebruik kan maken van religie 64.
Ten eerste kan religie gebruikt worden als aanleiding tot humor. Hiertoe worden bijvoorbeeld klerikale figuren gesitueerd in situaties waarmee ze doorgaans niet geassocieerd worden. De spot waarbij een jongeman die op het strand verleid lijkt te worden door een meisje in bikini mét een colablikje in de hand plots een soutane aantrekt is hier een goed voorbeeld van. Hetzelfde geldt voor de affiche waarop een priester een non kust, de jonge vrouw die het schopt tot paus of de maagdelijke (‘vierge’) non die een fles olijfolie ‘extra vierge’ aanprijst. De beoogde sterkte van de reclame schuilt dan in het humoristische aspect ervan.
Daarnaast wordt in reclame soms ook naar religie verwezen omwille van de kracht van religieuze symbolen en de aanwezigheid van religie in het collectieve geheugen van de samenleving. Door een product aan deze sterke religieuze symbolen te linken, hoopt men de emoties en vertrouwdheid die deze symbolen opwekken over te brengen op dit product. Een telefoongids kan bijvoorbeeld voorgesteld worden als een ‘bijbel’. De verboden vrucht uit het Aards Paradijs, in de traditie vaak ingevuld als een appel, wordt geassocieerd met een bekend computerbedrijf. Een tegelfabrikant bouwt verder op het motief van Mozes die de tien geboden ontvangt op de berg Sinaï door in een reclame op de twee kleitabletten die Mozes in zijn handen heeft de korting te vermelden die je als klant geniet. Boven de illustratie staat een nieuw gebod: “Jamais un franc de plus, tu ne paieras”. Ook aureolen, die een aanvoelen van zuiverheid opwekken, en het laatste avondmaal is een populaire religieuze referent in de reclame. Soms wordt ook naar symbolen uit andere godsdiensten verwezen in reclame. Zo wordt een automodel geprezen als reïncarnatie van veiligheid en comfort.
Als derde zijn er reclameboodschappen die inhaken op religieuze feesten en tradities. In de kerstperiode wordt Jezus, als baby, samen met Maria en Jezus bijvoorbeeld afgebeeld om de lezer te laten beseffen dat hun vlucht naar Egypte sneller zou zijn geweest met een bepaalde auto dan met een ezel. Door geestelijken op te voeren in reclame voor kaas of bier, wordt gesuggereerd dat het product op een ambachtelijke wijze tot stand is gekomen.
3.1.3 Publiciteit en/of provocatie?
Religieuze verwijzingen worden echter niet altijd door iedereen gesmaakt. Geregeld wordt een publiciteitscampagne ingetrokken na klachten van personen of religieuze groeperingen, die zich door de campagne gekwetst voelen. Er zijn ruwweg twee redenen waarom religieuze mensen verontwaardigd kunnen zijn bij bepaalde publiciteitscampagnes.
Bij reclame die religie gebruikt om tot een humoristisch effect te komen, wordt deze ‘humor’ door sommigen ervaren als spot of provocatie. Een geestelijke die wordt opgevoerd in een spot waarin verleiding centraal staat, kan het gevoel creëren dat de functie en de waarden die geestelijken bekleden belachelijk worden gemaakt.
Bij reclame die gebruik maakt van religieuze symbolen bestaat het risico dat deze symbolen getrivialiseerd worden. Door ze los te rukken uit hun context en in verband te brengen met commerciële producten worden deze symbolen ontdaan van hun oorspronkelijke betekenis. Zeker wanneer het cruciale symbolen betreft, kunnen gelovigen dit als kwetsend ervaren. Het kruis dat gebruikt wordt om de kwaliteit van vernis ‘voor eeuwig’ aan te duiden, ontleent zijn kracht aan het feit dat het in de westerse cultuur symbool staat voor het lijden en het geloof dat het leven uiteindelijk de overhand haalt op de dood. Ook het Laatste Avondmaal is voor christenen meer dan een gezellig etentje met vrienden. Christenen kunnen gekwetst zijn wanneer dergelijke voor hen zwaar beladen symbolen ‘misbruikt’ worden om meer frisdrank of een spelconsoles te verkopen.
Hiermee hangt samen de wijze waarop het gebruik van religie in reclame ontvangen wordt vaak ook te maken heeft met de aard van het religieuze onderwerp in reclame. Reclame die verwijst naar religieuze instituties (bv. de kerkelijke hiërarchie) en ambten ligt meestal minder gevoelig dan reclame die verwijst naar religieuze figuren zoals Maria en vooral Jezus. Bij religieuze symbolen, zoals het kruis of het Laatste Avondmaal, is de gevoeligheid meestal het grootst, omdat zij verwijzen naar een diepe, levensbeschouwelijke betekenis, die moeilijk te relativeren valt.
Deze gevoeligheid voor het ‘misbruik’ van religie in reclame is echter zeer verschillend bij religieuze personen. Leden van andere religies hechten vaak belang aan andere aspecten, maar ook binnen eenzelfde religieus geloof kunnen er grote verschillen zijn: wat de ene amper opmerkt, wekt bij een lichte wrevel op of is totaal onaangepast voor nog een ander. Ook bij leden van eenzelfde religieus geloof, zijn er grote verschillen
Dat bepaalde mensen en groepen soms aanstoot nemen aan sommige vormen van reclame kan te wijten zijn aan het feit dat reclamemakers zich niet altijd bewust zijn van de intrinsieke betekenis en waarde van symbolen. Wellicht is er in sommige gevallen ook provocatie in het spel en tracht men bewust reacties – en de bijhorende gratis reclame in alle media – uit te lokken. Tegelijk wijst Walrave er op dat het verwijzen naar het religieuze in reclame ook een teken kan zijn dat “deze symbolen, ondanks het postmoderne individualisme en de secularisering, een krachtige betekenis hebben behouden in onze cultuur en daarom succes kennen bij reclamelui die steeds op zoek zijn naar emotioneel geladen symbolen” 65.
Het lijkt er aldus op dat reclamemakers wel weten dat religieuze symbolen een zekere emotionele geladenheid hebben, en daar ook op inspelen, maar dat ze tegelijk zich niet volledig bewust zijn van de diepe waarden die met bepaalde symbolen verbonden zijn. Sommige stemmen wijten dit aan een gebrek aan vertrouwdheid met “de laatste vragen” in de samenleving. Omdat velen niet meer vertrouwd zijn met levensbeschouwelijke zaken, er zelden nog over spreken, begrijpen ze niet waarom sommige religieuze mensen zo diep getroffen zijn. Vanuit een meer actief pluralistische optiek is het dan ook belangrijk dat mensen die zich gekwetst voelen hun verontwaardiging mogen uiten. Op die manier wordt het religieuze symbool terug aan zijn oorspronkelijke context en betekenis gekoppeld. Levensbeschouwelijke thema’s kunnen zo voorwerp van debat blijven. Precies wanneer ze uit het debat geweerd worden, wanneer men zijn of haar verontwaardiging niet meer mag uiten, geraakt men steeds minder vertrouwd met de waarde van religieuze gehechtheden en dreigen er meer conflicten op te duiken.
Betekent dit “recht op verontwaardiging” dat kan geëist worden dat bepaalde campagnes die naar religie verwijzen, stopgezet worden? Vanuit wettelijk standpunt is dit niet eenvoudig: omwille van de scheiding tussen kerk en staat kan de staat niet bepaalde religieuze symbolen in bescherming nemen tegen het gebruik ervan voor commerciële of andere doeleinden. Omwille van het recht op godsdienstvrijheid beschermt de staat individuen in hun religieuze beleving, maar ze beschermt geen religieuze symbolen an sich. Bovendien, stellen Ronald Jeurissen en Bert van de Ven, “kan de culturele meerderheid in de samenleving niet worden verplicht om zich te conformeren aan iedere speciale gevoeligheid van een minderheidsgroepering. Dan wordt immers het recht op de eigen culturele identiteit van de meerderheid aangetast.”
66Maar tegelijk wijzen ze er op dat reclame zich afspeelt “in de openbaarheid en de openbaarheid is van iedereen. Wanneer sommigen zich door shockerende reclame niet meer op hun gemak voelen op straat, dan is reclame respectloos voor deze groepen.”
67Vanuit ethisch standpunt overschrijden sommige reclamecampagnes dan ook de grenzen van het toelaatbare, zoals ook geformaliseerd wordt in verschillende reclamecodes en -commissies. Jeurissen en van de Ven benadrukken dan ook dat “een volwassen pluriforme samenleving zowel tolerantie als respect [vergt]”
68.
3.2 Religie en humor
De relativering van (aspecten uit) religie kan ook sterk naar voren komen in humor. Religieuze humor kan van twee zijden afkomstig zijn, wat meestal een groot verschil maakt in hoe de humor ontvangen wordt.
Enerzijds is er humor mogelijk van gelovigen over hun eigen religie 69. Hoewel ook daar meningsverschillen zijn over de grenzen van deze humor, toch wordt die zelden onder vuur genomen. Men gaat er immers van uit dat deze humor niet los staat van de betrokkenheid op de religie. De intentie is niet om te kwetsen, wel om te lachen, of om kritiek te geven, maar die wordt als opbouwend ervaren.
Religieuze humor afkomstig van ‘externen’ (zoals de Deense Mohammedcartoons) ligt meestal een stuk gevoeliger. Vaak lijkt daar immers niet zozeer het lachen het doel te zijn, als wel het uitlachen. In plaats van humor, is er dan sprake van spot. Bovendien zijn personen die buiten een bepaalde religie staan, niet altijd op de hoogte van de gevoeligheden en betekenissen binnen een religie. In dat licht duikt af en toe de kwestie op van de grenzen van humor met een religieus thema en het principe van de vrije meningsuiting.
Humor en spot over religie is overigens geen recent fenomeen van een geseculariseerde samenleving
70. Reeds in de Oudheid moesten christenen de spot met hun religie ondergaan. Meerdere bronnen getuigen ervan hoe de heidenen de christenen ervan beschuldigden een ezelskop te verafgoden (cf. de eerste bekende spotprent over het christendom). Ook in de christelijke wereld van de middeleeuwen was er ruimte voor humor en spot. Her en der vonden bijvoorbeeld ‘omkeringsrituelen’ plaats, dagen waarop de bestaande gewoonten op hun kop werden gezet en men zich ontdeed van de heersende religieuze discipline. Er werden onder andere nepmissen opgevoerd met neppriesters, waarin persiflages op liturgische liederen werden gezongen, er gewijd werd met urine, oude schoenzolen werden verbrand in plaats van wierook, … Als voorbeeld uit de nieuwste tijd kan verwezen worden naar het Frans-Belgische tijdschrift Les Corbeaux dat opgericht werd aan het begin van de twintigste eeuw. Dit satirische tijdschrift zette zich op een humoristische, maar vaak ook erg bijtende manier af tegen de Kerk en haar leer, en schuwde daarbij ook het maken van karikaturen over de eucharistie, de kern van de christelijke liturgie, niet. Humor over het christendom bleef in de geschiedenis dus niet beperkt tot een mild antiklerikalisme en het aanklagen van duidelijke wantoestanden, maar neigde vaak ook naar blasfemie en het spotten met de heiligste symbolen.
3.2.1 Verschillende religieuze onderwerpen in humor
Quirit, cartoonist, onderscheidt vier soorten onderwerpen waarover cartoonisten kunnen tekenen als religie aan bod komt 71. Deze vier soorten kunnen uitgebreid worden naar andere vormen van humor betreffende religie.
Ten eerste kan humor de organisator van de religie viseren, het institutionele aspect. Wat betreft de katholieke kerk, gaat het dan vooral om de kerkstructuur, de hiërarchie en de bedienaars. Vooral wanneer in die organisatie dingen gebeuren die niet in overeenstemming zijn met de eigen leer, bijvoorbeeld bij bepaalde ‘misstappen’ van de bedienaars (zoals priesters met een homoseksuele relatie), komt deze vorm van humor aan bod. Volgens Quirit leidt dit onderwerp zelden tot protest: de gelovigen verlangen zelf immers een ‘propere’ organisatie zonder schandalen. Volgens Hans Geybels, voormalig woordvoerder van kardinaal Danneels, zal de Kerk dan ook niet reageren bij humor op basis van antiklerikalisme 72. Christenen zijn ook al heel lang vertrouwd met humor die de hiërarchie onder vuur neemt. Soms zijn dergelijke cartoons trouwens juist ontstaan ter wille van het geloof in de religieuze waarden. Quirit merkt hierbij wel op dat precies dit onderwerp, dat het minst controversieel is, niet bestaat in de islam: in de islam is er geen strakke overkoepelende structuur of hiërarchie.
Een tweede mogelijk religieus onderwerp voor humoristen is het godsbegrip dat mensen hebben; God als de oude man met de lange baard en Jezus op zijn sandalen, maar ook de engelen, de heiligen en de hemel. Volgens Quirit worden dergelijke tekeningen niet ervaren als beledigend als ze grappig bedoeld zijn. De cartoons worden dan gezien als een vorm van het worstelen van de tekenaar of de samenleving met god(sbeelden); wat in onze maatschappij en de katholieke traditie aanvaard is. Humor die echter eerder smalend van toon is, wordt gemakkelijker als blasfemisch ervaren. Ook in andere religieuze tradities, zowel in het christendom als in de islam, waarin sterker dan in het katholicisme de nadruk wordt gelegd op de gehoorzaamheid van het individu aan God en de religieuze traditie, is men vaak minder tolerant ten aanzien van een dergelijke relativerende insteek.
Ten derde kunnen de regels en inzichten van een religie het voorwerp van humor zijn. Quirit merkt hier op dat door de diepe invloed van de kerk op onze samenleving en door het door de kerk aanvaarden van wetenschappelijke inzichten er op dit vlak geen al te grote kloof is tussen kerk en samenleving. Wat betreft de kerk concentreert de humor zich dan ook voornamelijk rond ethische thema’s. Bij andere religies, die in de loop van de geschiedenis veel minder ingebed waren in de westerse samenleving, is er op dit vlak echter een ruimer scala aan mogelijke onderwerpen (bv. de verhouding man-vrouw, de kledij, wat men mag eten).
Als vierde vermeldt Quirit humor betreffende de “consumenten” van religie, de gelovigen. Daarbij meent de cartoonist dat men zelden de gelovigen zelf en datgene waarin ze steun vinden wil treffen. Wel wil men hun, soms intolerante, houding in de samenleving op de korrel nemen. Dat sommige personen zich hierdoor sneller gekwetst voelen dan anderen, heeft volgens hem veel te maken met sociale positie: mensen die geen plaats in de samenleving hebben, geen job hebben, … en alleen zingeving en zelfrespect vinden via hun religie reageren sneller wanneer ze in deze enige houvast getroffen worden.
3.2.2 Religie en humor: een moeilijk verbond?
Heel eigen aan humor is de contextgebondenheid ervan. Wat werkt aan de toog, doet dat niet in een politiek debat; wat grappig is onder vrienden is dat niet onder collega’s; wat leuk is voor christenen is dat niet voor moslims. In een samenleving die zowel meer pluralistisch als meer gemediatiseerd is, dreigt humor vaker terecht te komen in contexten waarin ze niet past. Een cartoon die past in een tijdschrift met een welbepaald publiek, kan overgenomen worden in andere media, zelfs in andere landen en zo onder ogen komen van mensen met een heel verschillende achtergrond. Deze verschillen zijn echter niet altijd duidelijk. Het verschil tussen de context van een vakantie met vrienden en een middagmaal met zakenpartners is voor velen zichtbaar en voelbaar en men zal zijn of haar humor daar aan aanpassen. Van andere verschillen daarentegen is men zich niet altijd even scherp bewust. Het omgaan met de ‘laatste vragen’ is zo’n verschil dat niet zichtbaar is maar dat wel een belangrijke invloed heeft op wat men als grappig en gepast beschouwt. Zo kunnen veel westerlingen vanuit de dominante relativerende houding in de samenleving ten aanzien van religie niet begrijpen waarom moslims spotprenten waarin Mohammed afgebeeld wordt ongepast vinden 73.
Bovendien lacht ook in eenzelfde context niet iedereen met hetzelfde. In zijn boek Lachen und Weinen beschrijft de Duitse filosoof Helmuth Plessner (1892-1985) zowel het lachen als het wenen als een reactie op een situatie waarin de mens niet weet hoe zich te oriënteren
74. In de lach wordt een afstand gecreëerd ten opzichte van deze situatie. Het wenen ontstaat wanneer men geen afstand kan nemen van de situatie en men er rechtstreeks door geraakt wordt. Dat eenzelfde situatie bij de ene mens tot lachen en bij de andere tot huilen leidt, heeft volgens Plessner zijn grond in individuele fysiologische of psychologische verschillen. Op basis van onder andere iemands persoonlijke geschiedenis worden gelijke objectieve feiten immers anders geïnterpreteerd.
3.2.3 Recht en ethiek
In een democratie die veel belang hecht aan haar eigen neutraliteit en het recht op vrije meningsuiting van haar burgers is het moeilijk de positie te verdedigen dat sommige cartoons niet gepubliceerd zouden mogen worden omdat een klein deel van de bevolking zich door de publicatie gekwetst voelt. De staat kan niet bepaalde ‘heilige huisjes’ in bescherming nemen tegen kritiek vanuit de samenleving. Daarvoor zou hij immers de grens moeten kunnen trekken tussen wie en wat geviseerd mag worden en wie en wat niet, en daarvoor heeft hij vanuit het neutraliteit geen grond. Elke burger kan zich daarom, al dan niet op humoristische wijze, uitlaten over andere religies. Dit recht betekent echter niet dat elke vorm van humor in verband met religie gepast is, of door iedereen gepast moet worden bevonden. Net zoals in het geval van reclame en religie is er hier een verschil tussen wat vanuit juridisch standpunt toegelaten is en wat vanuit ethisch standpunt gepast is. Luc Van der Kelen, hoofdredacteur van Het Laatste Nieuws drukt het als volgt uit:
Mogen we lachen met de kerk, met het geloof, met Wodan, Ra, Joseph Smith, Allah, Boeddha, Mohammed? Het antwoord is dus simpel. Natuurlijk. Het is wat we verworven hebben in de 300 jaar strijd om de ontvoogding van de mens van het verstikkende juk van kerk, staat en vaderland. Het recht om met alles en iedereen te lachen. Dat hebben we verdiend sinds de Verlichting. De katholieke kerk is dat gewoon. […] Waarom zouden we dat dan niet mogen doen met Allah en zijn profeet Mohammed? Het brengt ons bij het debat over de Mohammedcartoons. Mag dat soort humor of mag het niet omdat de moslims, of toch een deel van hen, er niet tegen kunnen? Natuurlijk mag dat. Als iemand dat wil doen, is er geen enkele wet of regel of geen enkel gebruik dat het kan en mag verhinderen. Het is ons gezamenlijk en onvervreemdbaar recht om ons te uiten, te bekritiseren, te ridiculiseren, te bespreken, iets aan alle kanten te bekijken, zonder dat iemand daar censuur kan op uitoefenen. […] Maar er is een tweede vraag. Moet dat ook? We mogen het, maar we hoeven het niet. […] Stel dat mijn buur of een lid van mijn familie diep beledigd zou zijn, als ik spot met zijn diepste gevoelens, welke goede reden heb ik dan om dat toch te doen? Mijn recht om iemand te raken in wat hem dierbaar is? Bouwen we zo een verdraagzame samenleving op? Worden we daar gelukkiger van? Is met elkaar leven niet elkaar respecteren? Voor mij volstaat het om te weten wat ik mag doen, maar daarom hoef ik het niet te doen. […] Het recht om te beledigen impliceert niet de plicht om te beledigen. Wij leven in Europa in een samenleving waarin we met veel pijn en verdriet hebben geleerd dat respect beter is dan het vervullen van ieders egoïstische of egocentrische verlangens. Wij leven niet alleen, we leven in groep. […] Natuurlijk hoeven we onze cultuur niet te relativeren. Natuurlijk moeten moslims, maar ook anderen met vergelijkbare problemen, weten dat, als wij ervoor kiezen om met hun gevoelens rekening te houden, het is omdat we daar als individu in alle vrijheid zelf toe beslissen.”
Verwerkingsvragen
- Hoe moet volgens jou omgegaan worden met levensbeschouwelijke symbolen in de publieke ruimte? Welke implicaties zou dit hebben voor het dragen van de hoofddoek in de publieke ruimte, als ambtenaar, als leerkracht of leerling in het gemeenschapsonderwijs?
- In de discussie over de hoofddoek is de principiële kwestie over de plaats van levensbeschouwing in de publieke ruimte maar één tussen vele argumenten. Moet dit argument een doorslaggevende rol spelen, of moeten andere overwegingen de overhand nemen? Waarom? Geldt hetzelfde in andere kwesties over levensbeschouwing in de publieke ruimte?
- Tjeu van den Berk schrijft in een artikel over beelden van Jezus het volgende: “Met een figuur als Jezus mag een kunstenaar blijkbaar niet ‘spotten’ die moet bloedserieus genomen worden. Enkele jaren geleden was er sprake van de volgende reclamefilm: We zien Jezus staan in een woestijn-oase. Een lichte bries gaat door de palmbladeren en de muziek kabbelt lieflijk op de achtergrond. Jezus kijkt vol bewondering naar een fles Californische Chardonnay, die hij in zijn handen houdt. Dan kijkt hij naar de camera en zegt: ‘Toen ik te Kana water in wijn veranderde, zweefde mij zoiets dergelijks voor ogen. Probeer hem eens. Geloof me!’ Die ‘spot’ is er nooit gekomen. Er zou sprake zijn van blasfemie, trivialisering en kitsch. Ik moet eerlijk bekennen dat ik daar niet zo zeker van ben. Los even van de esthetische kwaliteit van dit concrete spotje, is toch de vraag gerechtigd: nemen we Jezus niet méér serieus als we hem met humor omgeven?” (T. van den Berk, Jezus zelden 'in beeld', in Spiegel historiael 4/17 (2002) 158-163) Wat zou hij met die laatste zin bedoelen? Ben je het daarmee eens?
- Als men in een samenleving strikt voor het model van passief pluralisme opteert, hoe zou men dan omgaan met religie in reclame? En wanneer men zoveel mogelijk inzet op actief pluralisme
Presentatie
Presentatie (powerpoint)
Lessuggesties
1. impulsen
Impulsen voor het geheel van de module
1) 'Hoofddoekenverbod' of andere actuele casus van levensbeschouwelijke symbolen in de publieke ruimte
- studenten posten hun spontane mening over hoofddoeken of andere levensbeschouwelijke symbolen op een elektronisch forum; hierdoor reflecteren ze reeds een eerste keer zelf over het thema. Na afloop van de module posten ze opnieuw en kunnen zo kijken of hun visie veranderd is. Indien ja: waarom?
Ook (cf. deel C): vanuit welk perspectief vertrekt mijn standpunt?
2) Kortfilm 'Tricko' (The T-shirt)
- Film terug te vinden in de videodatabank van de Thomaswebsite (onder thema ‘Conflicten/Geweld’):
- In het kader van deze module wordt gefocust op de elementen intolerantie en geloof.
- Waarom haalt de klant zijn wapen boven voor de winkelbediende?
- Welke rol speelt zijn geloof daarin?
- Is (zijn) geloof een katalysator voor intolerantie en geweld?
Impulsen voor deel B
1) Bijbelcitaten
- Hoe zou men op basis van bepaalde Bijbelcitaten denken dat de kerk zelf staat tegenover andere levensbeschouwingen?
Zie de Bijbelcitaten bij de In de kijker ‘Sporen naar Christus in een multireligieuze wereld’.
2. Aanbevelingen van de Rondetafels van de Interculturaliteit
Op vraag van de regering brachten de ‘Rondetafels van de Interculturaliteit’ van september 2009 tot september 2010 de manier waarop ons land omgaat met diversiteit in kaart. In het eindrapport werden 64 aanbevelingen gedaan. Enkele daarvan waren erg opvallend. Zo werd een hervorming van de kalender van wettelijke feestdagen voorgesteld. Er werd gesuggereerd om 5 feestdagen te behouden (1 januari, 1 mei, 21 juli, 11 november en 25 december). Daarnaast kunnen er twee vrij gekozen worden volgens de eigen cultuur of religie, en komen er drie nieuwe, niet-religieuze feestdagen: de Internationale Vrouwendag (8 maart), de Internationale Dag tegen het Racisme (21 maart) en de Werelddag van de Culturele Diversiteit (21 mei).
Zie: http://www.nieuwsblad.be/article/detail.aspx?articleid=DMF20101108_104
De aanbevelingen kunnen hier teruggevonden worden.
Eventueel kan ook verwezen worden naar het wetsvoorstel uit 2009 van enkele senatoren voor een volstrekte scheiding tussen kerk en staat waarbij onder andere geopperd werd dat er geen kruisbeelden meer aan de ingang van een kerkhof zouden mogen staan. Zie artikel in De Standaard
Impulsen voor deel C
1. (Actuele) voorbeelden van het verwijzen naar religie in reclame of humor
- studenten kunnen hierop reageren (bv. via elektronisch forum): Kan dit? Welke waarden zijn er in het spel? Zijn er grenzen? Hoe wordt hier het best mee omgegaan? Na afloop van de module kunnen ze opnieuw posten. In hun visie veranderd? Indien ja: waarom?
2. Didactische verwerking
Deel A
1) Het leven van enkele protagonisten van de 'eerste geboorte van de tolerantie' in romanvorm
Over het leven van enkele protagonisten van het moderne tolerantiedenken zijn verschillende romans verschenen (zie bv. Joris Tulkens, Christenhond tussen moslims, Antwerpen, Houtekiet, 2006 (over Cleynaerts); J. TULKENS, De schaduw van Erasmus, Antwerpen, Houtekiet, 2006; J. TULKENS, De verloren droom van Pieter Gillis, Leuven, Davidsfonds, 2010). Aan de hand hiervan kunnen studenten zich een levendiger beeld vormen van de context waarin personen hun ideeën verdedigden en de waarden waardoor ze gedreven werden. In een verslag kunnen ze de context vergelijken met de context vandaag en op basis daarvan de hedendaagse relevantie van de ideeën van deze humanisten toetsen.
2) CD-rom Nicolas Cleynaerts
De cd-rom over Cleynaerts is een productie van het Maerlantcentrum (KULeuven) in samenwerking met de Audiovisuele Dienst van de KUL. Hij bevat een film over Cleynaerts' leven, een uitgebreide toelichting bij zijn biografie, een groot aantal uittreksels uit Cleynaerts' Latijnse brieven (met vertaling), een bibliografie en vier grondig uitgewerkte topics: één over het Leuvense Drietalencollege, een andere over Cleynaerts' reisavonturen, een derde over zijn verdiensten als leraar, een laatste over zijn merkwaardige ‘vreedzame kruistocht tegen de islam'.
3) Geografische verschillen: verspreiding religieuze denominaties en omgaan met levensbeschouwelijke verschillen
Aan de hand van enkele historische kaarten van voor en na de godsdienstoorlogen, kan geïllustreerd worden hoe bepalend dit geweld was voor de hedendaagse verspreiding van de religieuze denominaties.
Op kleinere schaal kan er ook op gewezen worden hoe de houding ten opzichte van religieuze diversiteit bijvoorbeeld ook de stadsarchitectuur heeft beïnvloed (zoals in Nederland bijvoorbeeld heel wat katholieke kerken niet in het straatbeeld liggen o.w.v. het verbod op katholieke erediensten). Deze geografische verschillen m.b.t. de historische aanwezigheid van verschillende levensbeschouwelijke groepen hebben soms vandaag nog een invloed op een samenleving. Zo vertoont men in Nederland minder terughoudendheid t.o.v. de aanwezigheid van levensbeschouwelijke symbolen (bv. hoofddoeken) in de publieke ruimte (bv. aan een winkelkassa; cf. de verschillende houding van Hema in Nederland en België). Als (groeps)opdracht kunnen studenten op zoek gaan naar historische ontwikkelingen in verschillenden landen die mee de hedendaagse omgang met levensbeschouwelijke verschillen in de publieke ruimte bepaald hebben.
4) J. Locke, A Letter on Toleration
Grondige bespreking van Lockes A Letter on Toleration kan laten zien in welke mate zijn werk nog relevant is voor vandaag.
5) Film Thomas More: A Man for all Seasons
De film geeft een meer complete beeld van Thomas More. Zie apart document met toelichting
6) Serie The Tudors
De perikelen aan het Engelse hof in de eerste helft van de 16de eeuws zijn het onderwerp van de dramaserie The Tudors (BBC). Verschillende van de eerste episodes uit de geschiedenis van de verhouding tussen katholicisme en protestantisme kunnen aan de hand van fragmenten uit deze serie geïllustreerd worden.
7) Actualiteit van Utopia: 'Een vooruitgrijpen op een moderne samenleving die zich aandient'
Naast het verdedigen van tolerantie is Mores Utopia op nog veel andere punten behoorlijk actueel. Fragmenten over thema’s als euthanasie, gemeenschap van goederen, democratie, echtscheiding, … (zie apart document) kunnen de aanzet vormen voor een discussie die het thema tolerantie overstijgt.
Deel B
1) Beeldmateriaal christelijk fundamentalisme (exclusivisme)
Op het internet is gemakkelijk beeldmateriaal te vinden van bijeenkomsten van christelijke, meestal evangelicale, strekkingen met een sterke exclusivistische visie op de mogelijkheid om het heil te verwerven (bv. fragmenten uit de documentaire Jesus Camp uit 2006 waarin gefilmd werd op een kamp waarin men kinderen opleidt tot predikers van het geloof). Een korte video kan in de les bekeken worden, waarbij studenten bijzondere aandacht kunnen hebben voor hoe men over niet- of andersgelovigen spreekt, welke beelden en taal worden gebruikt.
2) Beeldmateriaal Interreligieuze gebedsdag voor de vrede Assisi 1986
Ter illustratie van een inclusivistische (volgens sommigen pluralistische houding) kan het onder impuls van paus Johannes Paulus II georganiseerde interreligieuze gebed voor de vrede in Assisi in 1986 gebruikt worden (beeldmateriaal te vinden op internet). Merk op dat bij de bijeenkomst 25 jaar later (met paus Benedictus XVI) religieuze leiders nog wel hun engagement voor de vrede en de dialoog uitspraken, maar er geen gezamenlijk gebed meer plaatsvond.
Interreligieuze gebedsdag voor de vrede Assisi 1986
![]() |
Vrede in Assisi in 1986 |
| *Klik op de afbeelding om de video af te spelen | |
3) Video Wereldontmoeting met Gavin D'Costa
Via http://www.rkk.nl/soeterbeeck/archief/2005/detail_objectID604144.html kan een filmpje bekeken worden waarin Wilfred Kemp in gesprek gaat met de Britse theoloog Gavin D’Costa (die o.a. Christian uniqueness reconsidered. The myth of a pluralistic theology of religions schreef (1990)) over het omgaan met levensbeschouwelijke verschillen in de Nederlandse samenleving. D’Costa doet in het gesprek zowel uitspraken over hoe hij vanuit een theologisch oogpunt beschouwt als over hoe men in op het maatschappelijke veld moet omgaan met religieuze diversiteit. Wat zegt D’Costa precies over deze twee aspecten? Op welke manier hangen ze samen?
Deel C
1) Cartoon hoofddoekendebat
2) Hoofddoekendebat in de media
In de media zijn talloze bijdragen verschenen over het hoofddoekendebat, die de kwestie vanuit zeer verschillende hoeken belichten. In dit document worden fragmenten uit verschillende opinieartikels gerangschikt naargelang hun invalshoek. Hieruit blijkt onmiddellijk dat ook vanuit een en dezelfde invalshoek zowel argumenten voor als tegen een verbod kunnen worden gegeven.
Medische richtingen
In de medische praktijk wordt men geregeld geconfronteerd met vraagstukken n.a.v. levensbeschouwelijke diversiteit, bv. het weigeren van een bloedtransfusie, het weigeren van een mannelijke dokter, … Studenten kunnen nog voorbeelden binnen brengen. Welke waarden zijn er in deze concrete contexten in conflict? Hoe gaat men hiermee om?
Examenvragen
Open essay-vragen
A. Levensbeschouwelijke diversiteit en tolerantie: een historische benadering
- Waarom spreekt Guido Vanheeswijck over ‘het doodgeboren kind van de eerste fase van de moderniteit’?
- Bespreek twee figuren uit het literaire humanisme en licht toe of en waarom hun ideeën vandaag nog/niet meer relevant zijn.
- Op welke manier hangt Nicolas Cusanus’ denken over tolerantie samen met zijn ideeën over God?
- Verklaar waarom het ‘cuius regio, illius et religio’-principe dat geenszins godsdienstvrijheid verleent aan individuen, toch getuigt van een belangrijke stap in die richting.
- Wat is het verschil is tussen ‘laatste’ en ‘voorlaatste’ vragen (Vanheeswijck) en op welke manier heeft dit onderscheid een rol heeft gespeeld in de historische ontwikkeling van het tolerantiedenken?
- Hoe suggereert Thomas More om te gaan met religieuze diversiteit in Utopia? Is de Utopia op dit vlak vandaag nog relevant?
- Thomas Mores houding ten aanzien van religieuze diversiteit en tolerantie veranderde drastisch gedurende zijn leven. In welke zin? Welke factoren lagen wellicht aan de basis van deze gewijzigde houding?
B. Levensbeschouwelijke diversiteit en tolerantie vandaag: een systematische benadering
- Welke posities kan men onderscheiden in het denken van christelijke religies over de waarde van andere religies en hun aanhangers. Bespreek deze posities kort.
- Wat is volgens exclusivistische strekkingen de waarde van andere levensbeschouwingen? Kan deze theologische houding ook een invloed hebben op de maatschappelijke tolerantie van aanhangers deze religie ten opzichte van personen met een andere levensbeschouwing? In welke zin?
- Wat is volgens inclusivistische strekkingen de waarde van andere levensbeschouwingen? Kan deze theologische houding ook een invloed hebben op de maatschappelijke tolerantie van aanhangers deze religie ten opzichte van personen met een andere levensbeschouwing? In welke zin?
- Wat is volgens pluralistische strekkingen de waarde van andere levensbeschouwingen? Kan deze theologische houding ook een invloed hebben op de maatschappelijke tolerantie van aanhangers deze religie ten opzichte van personen met een andere levensbeschouwing? In welke zin?
- Hoe zijn de ideeën van de katholieke kerk over tolerantie en gewetensvrijheid de afgelopen decennia gewijzigd en welke rol speelde de Leuvense professor Albert Dondeyne daarin?
- Op welke manier is er volgens godsdienstpsycholoog Dirk Hutsebaut een verband tussen religieus geloof en intolerantie?
- Wat zijn de uitgangspunten van het passief pluralisme? Welke voor- en nadelen heeft deze positie?
- Geef drie wijzigingen van de plaats van levensbeschouwing in het publieke domein die zouden optreden wanneer een strikt beleid van passief pluralisme zou worden gevoerd in België. Licht toe.
- Geef drie wijzigingen van de plaats van levensbeschouwing in het publieke domein die zouden optreden wanneer een sterk actief pluralistisch beleid zou worden gevoerd in België. Licht toe.
C. Toepassingen: Religie in de publieke ruimte
- Bespreek vanuit drie verschillende invalshoeken telkens de argumenten voor en tegen een hoofddoekenverbod.
- Waarom zijn sommige mensen verontwaardigd wanneer naar (hun) religie verwezen wordt in reclame? Hoe wordt hier volgens jou best mee om gegaan?
- Waarom zijn sommige mensen verontwaardigd wanneer naar (hun) religie verwezen wordt in reclame? Hoe wordt hier volgens jou best mee om gegaan?
Literatuursuggesties
DEEL A: HISTORISCHE BENADERING
W. FRANÇOIS, Thomas More en het doodgeknepen kind van moderniteit en tolerantie, in Streven 77 (2010) 782-794.
G. VANHEESWIJCK, Tolerantie en actief pluralisme. De afgewezen erfenis van Erasmus, More en Gillis, Kapellen, Pelckmans/Klement, 2008.
J. TULKENS, De schaduw van Erasmus, Antwerpen, Houtekiet, 2006 (vlot leesbare roman over Erasmus, in het bijzonder diens verblijf in Rome)
J. TULKENS,
Christenhond tussen moslims, Antwerpen, Houtekiet, 2006. (vlot leesbare roman over het leven van Nicolaas Cleynaerts)
DEEL B: SYSTEMATISCHE BENADERING
Beginselverklaring ‘Actief pluralisme aan de universiteit Antwerpen’; http://www.ua.ac.be/pieter gillis
G. VANHEESWIJCK, Tolerantie en actief pluralisme. De afgewezen erfenis van Erasmus, More en Gillis, Kapellen, Pelckmans/Klement, 2008.
R. VISKER, Vreemdgaan en vreemd blijven. Filosofie van de multiculturaliteit, Amsterdam, Sun, 2005.
P. DE HERT & K. MEERSCHAUT (ed.), Scheiding van kerk en staat of actief pluralisme, Brugge, Intersentia, 2007.
S. STEVAERT (ed.), Ander geloof. Naar een actief pluralisme voor Vlaanderen, Leuven, Davidsfonds, 2005.
met bijdragen vanuit verschillende levensbeschouwelijke perspectieven (vrijzinnig, christelijk, islamitisch, boeddhistisch)
P. CLITEUR, De pervertering van het klassieke tolerantiebegrip, in M. TEN HOOVEN (ed), De lege tolerantie. Over vrijheid en vrijblijvendheid in Nederland, Amsterdam: Boom, 2001, 111-121.
J. DE TAVERNIER, Tolerantie, pluralisme en waarheid, in ID. (red.), Hoe (in)tolerant zijn levensbeschouwingen? (Cahiers voor Vredestheologie, 4), Leuven, 1992,
P. LOOBUYCK, Scheiding tussen Kerk en Staat. Op zoek naar een actief pluralistische invulling, in Streven 74 (2007) 881-894.
Helder overzicht van de geschiedenis en de betekenis van de “scheiding tussen Kerk en Staat”, zowel vanuit religieuze (christelijke) als vanuit politieke hoek.
P. LOOBUYCK, Willen maar niet kunnen… Over de gewrongen verhouding tussen godsdienst en tolerantie, in M. DE KESEL & I. DEVISCH (ed.) Fundamentalisme face to face, Kapellen, Pelckmans, 2007, 131-149.
M. MOYAERT, Van consensuspluralisme naar radicaal pluralisme. Een analyse van de vooronderstellingen van een Vlaams debat over actief pluralisme, in Bijdragen. International Journal in Philosophy and Theology 70 (2009) 284-303.
A. VAN DE PUTTE, Burgerschap in een multiculturele wereld, in B. VAN LEEUWEN & R. TINNEVELT (ed.), De multiculturele samenleving in conflict. Interculturele spanningen, multiculturalisme en burgerschap, Leuven, Acco, 2005, 79-91.
A. VAN DE PUTTE,
De natiestaat en de multiculturele samenleving. Een politiek-filosofische beschouwing, in B. RAYMAEKERS & A. VAN DE PUTTE,
Krachten voor de toekomst (Lessen voor de XXIste eeuw, 6), Leuven, Universitaire pers, 2000, 367-398.
DEEL C. TOEPASSINGEN
M. MOYAERT, Religie in de publieke ruimte. Erkenning, kwetsbaarheid en verscheurdheid, in Ethische Perspectieven 19 (2009) 71-93.
N. FADIL, Het hoofddoekendebat: meer dan een debat over een stukje stof, in Ethische perspectieven 14 (2004) 373-386.
-->Overzicht van de verschillende kwesties die aan bod komen in het hoofddoekendebat.
M. MAERTEN, Hoofddoekzorgen, in Uitgelezen 10/1 (2004) 1-6.
--> Overzicht van de verschillende argumenten met bijzondere aandacht voor het feministisch perspectief.
T. KEUSTERMANS, Hoofddoeken. Identiteit of onderdrukking? (Thomas. In de kijker eerste graad SO 1):
Islam. Een vreemd, niet-westers geloof? (Thomas. In de kijker 29);

.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
