een nieuw concept voor bezinningsdagen
Opzet
Het hier voorgestelde ‘Traject voor zingeving’ wil een alternatief bieden voor de klassieke bezinningsdagen zoals ze in vele scholen voor de leerlingen van het laatste jaar S.O. worden ingericht. Dit vernieuwende concept, dat nauw aansluit bij het leerplan godsdienst en het hermeneutisch-communicatieve model, werd bedacht en uitgewerkt door Renilde Vos, in dialoog met haar collega’s van de vakgroep godsdienst derde graad (Xenia Boel, Peter De Burghgraeve, Denise Loyens en Annemie Van Dessel) van het Sint-Ursula-Instituut (SUI) te Onze-Lieve-Vrouw-Waver. Sinds twee jaar biedt het SUI deze nieuwe formule met succes aan al zijn leerlingen van de derde graad aan.
Een traject voor zingeving
Een eerste luik van dit ‘Traject voor zingeving’ is de persoonlijke levensbeschouwelijke synthese die de leerling aan het einde van het 5de jaar maakt. Onderdeel van deze synthese is een zelfanalyse waarin hij/zij op levensbeschouwelijk vlak een aantal leerpunten formuleert waaraan hij/zij wil gaan werken. In het eerste trimester van het laatste jaar gaat de leerling op zoek naar een organisatie waar hij/zij zichzelf in verband met deze werkterreinen verder kan exploreren. Tijdens drie opeenvolgende dagen van het derde trimester (exploratiedagen) werkt en leeft hij/zij mee in de gekozen organisatie en gaat hij/zij aldus verder de dialoog aan met levensbeschouwingen zoals die concreet gestalte krijgen in het werk van individuen en instellingen. De ervaringen en levensbeschouwelijke leereffecten van het traject worden ter afsluiting verwoord in een levensbeschouwelijke synthese, die onderdeel is van de eindsyntheseproef. Het traject voor zingeving helpt op deze wijze mee aan de levensbeschouwelijke groei van de leerling (levensbeschouwelijke synthese), focust uitdrukkelijk op de confrontatie tussen het denken en handelen (6de levensbeschouwelijke vaardigheid) en realiseert aldus een aantal centrale doelstellingen van het vak godsdienst.
Vakoverschrijdende eindtermen
Het project ‘Traject voor zingeving’ wil tegelijk ook vakoverschrijdende eindtermen dienen. Dit model doet de leerling inderdaad bewust kiezen, stimuleert hem/haar om zelfstandig een keuzeproces te gaan, zijn/haar keuze vorm te geven en (kritisch) te bereflecteren. Op deze wijze werken we aan een belangrijke eindterm van de 3de graad: “leren kiezen”. Het is de betrachting van elke school om de leerling ook op te voeden tot een bewuste burger die zijn/haar plaats in de samenleving kan vinden, in de hoop dat hij/zij kan bijdragen tot de uitbouw van een solidaire, menselijke samenleving. Dit model van bezinningsdagen biedt een uitgelezen kans om deze belangrijke aspecten van het opvoedingsproject mee te realiseren.
Procesbegeleiding
Dit project is zonder meer een hele uitdaging, ook voor de leerkrachten, van wie heel wat voorbereiding en begeleiding wordt gevergd. De vakleerkracht godsdienst volgt het traject van elke leerling op, kijkt waar bijsturing nodig is en biedt een hele reeks hulpmiddelen aan om het traject tot een goed eind te brengen. Elke stap van het project wordt grondig voorbereid in de klas en wordt gestuurd door concrete opdrachten en opvolg- en evaluatiemomenten. In wat volgt bieden we u een gedetailleerd overzicht van het project en van alle materialen die in het kader van dit project werden ontwikkeld.
Een nieuw concept voor bezinningsdagen
Stappenplan van het 'Traject voor zingeving'
Het ‘traject voor zingeving’ bestaat uit een aantal periodes die de leerlingen op een systematische wijze dienen te doorlopen. Het omvat de volgende stappen:
Een voorlopige balans (Periode 1)
Tijdens deze periode verwoordt de leerling op basis van wat hij/zij al leerde in het 5de jaar zijn/haar voorlopige visie op het leven in termen van hun mens-, wereld- en godsbeeld. Hij/zij onderwerpt deze synthese aan een kritische zelfevaluatie. Op basis van deze zelfevaluatie formuleert hij/zij vervolgens drie leerpunten waaraan hij/zij tijdens dit traject wil werken.
Zoeken naar een concreet project (Periode 2)
Tijdens deze periode gaat de leerling op zoek naar een concreet project dat een bijdrage kan leveren aan de leerpunten in verband met zijn/haar levensbeschouwelijke identiteit. Na een weloverwogen keuzeproces organiseert de leerling zelfstandig het verblijf op het project en stelt hij/zij een inhoudelijk dossier samen over het gekozen initiatief.
Exploratiedagen (Periode 3)
De leerling leeft en werkt tijdens drie opeenvolgende dagen mee op het gekozen project.
Eindbalans (Periode 4)
De leerlingen maakt een uitgebreid verslag over zijn/haar verblijf op het project en gaat na wat de leereffecten van het verblijf zijn in verband met zijn/haar leerpunten. Op basis van dit verslag probeert de leerling vervolgens hun levensbeschouwelijke positiebepaling te verfijnen.
Elk van deze periodes dient op een geëigende en op voorhand afgesproken manier geëvalueerd te worden. Periodes 2, 3 en 4 moeten leiden tot een dossier waarin naast de inhoudelijke voorstelling van het project, ook de persoonlijke reflectie op de leereffecten en de levensbeschouwelijke positiebepaling verwerkt zijn. Dit dossier kan dan een belangrijk onderdeel van de eindsyntheseproef godsdienst in het 6de jaar vormen.
Om het project succesvol te laten zijn moet een strikte timing afgesproken worden en worden diverse overleg- en opvolgmomenten voorzien.
Periode 1: Een voorlopige balans (3de trimester van het 5de jaar S.O.)
Omschrijving van deze periode
Tijdens deze periode maakt de leerling op basis van wat hij/zij al leerde in het 5de jaar een voorlopige balans op van zijn/haar eigen levensbeschouwing. Waar staat hij/zij op dit moment in zijn/haar leven? Wat is zijn/haar visie op de mens, op de wereld en de samenleving, en op de religieuze dimensie van het leven? Binnen welke levensbeschouwing zou hij/zij zich op dit moment plaatsen?
Het is vervolgens de bedoeling dat de leerling kritisch naar deze voorlopige balans kijkt, en vanuit de invalshoek van de levensbeschouwelijke vaardigheden zoekt naar terreinen die hij/zij verder wil bekijken, onderzoeken en uitwerken in het exploratieproject.
Doelstellingen
Deze periode heeft tot doel dat de leerling:
- een voorlopige balans kan opmaken van zijn/haar levensbeschouwelijk profiel.
- dit profiel kan verwoorden in termen van mens-, wereld- en godsbeeld.
- een kritische zelfanalyse en –evaluatie kan maken van zijn/haar levensbeschouwelijk profiel.
- terreinen kan formuleren waarrond hij/zij tijdens de exploratiedagen wil werken.
Methode
De leerling krijgt de opdracht een uitgebreide levensbeschouwelijke biografie te schrijven. Daartoe beantwoordt hij/zij de vragen uit het werkdocument ‘Een voorlopige balans: periode 1’. Hij/zij werkt deze opdracht uit op minimaal 2 en maximaal 4 bladzijden – getypt in Verdana of Arial, puntgrootte 11. Het werk moet gestructureerd worden aan de hand van de opgegeven vragen en de vetgedrukte woorden, waarbij elk van deze woorden als titel in het werkje moet voorkomen.
Tip: moedig de leerlingen aan minstens één levensbeschouwelijk werkterrein te kiezen.
Opmerkingen:
- De leerling linkt zijn/haar mens-, wereld- en godsbeeld aan de eerder tijdens het jaar gemaakte logboekopdrachten.
Bijvoorbeeld: Mythomas: een elektronisch logboek waar jongeren kunnen nadenken over levensbeschouwelijke en religieuze thema's en hierbij hun reflecties kunnen nalaten voor een periode van meerdere jaren: http://www.kuleuven.be/thomas/secundair_onderwijs/mythomas/login.php
- Voor het opstellen van hun mens-, wereld- en godsbeeld kan de leerling gebruik maken van het analysedocument ‘Mens-, wereld-, en godsbeelden’.
- Met het uitschrijven van de levensbeschouwelijke biografie geeft de leerling een inkijk in zijn/haar persoonlijke levenssfeer. Het is van belang te onderstrepen dat het werkje niet beoogt dat de leerlingen intieme details uit zijn/haar leven neerschrijft. Indien dat wél gebeurt, moet hier uiteraard met de grootste zorg en zin voor deontologie mee worden omgegaan.
Timing
Deze fase situeert zich in het derde trimester van het 5de jaar secundair onderwijs.
Evaluatie
Deze opdracht kan een onderdeel vormen van het vak godsdienst in juni.
De evaluatiecriteria zijn:
- stiptheid: inleveren na de deadline is 0
- volume van het werkje (aantal bladzijden)
- volledigheid (heeft men alle onderdelen behandeld?)
- correctheid (dekt elke titel de inhoud die eronder staat? Is wat men schrijft correct?)
- nuancering (vb: de verscheidenheid aan ideeën die de leerling ontwikkelt)
De laatste twee criteria laten toe te toetsen of de leerling de levensbeschouwelijke vaardigheden van het vak godsdienst onder de knie heeft. Bij het lezen van de werkjes kan immers nagegaan worden:
- of de leerling het begrippenkader rond levensbeschouwing kent en of hij/zij correcte/terzake doende toepassingen formuleert (mens-, wereld- en godsbeeld) (= levensbeschouwelijke vaardigheid 1)
- of en in welke mate hij/zij zijn/haar gedachten genuanceerd kan verwoorden en motiveren (= levensbeschouwelijke vaardigheden 2 en 5)
- of en op welke wijze hij/zij zijn/haar gedachten kan verbinden met een levensbeschouwing (= levensbeschouwelijke vaardigheden 3 en 4)
Tip
Biedt de leerlingen de ‘Vorderingskaart levensbeschouwelijke vaardigheden’ aan. Dit kan een belangrijk hulpmiddel voor hen zijn om in het werkje voldoende aandacht te besteden aan de verschillende levensbeschouwelijke vaardigheden.
Concreet
Onderstaande tabel biedt een overzicht van alle documenten en hulpmiddelen die betrekking hebben op deze periode, zoals ze aan de leerlingen, de ouders en de organisatie aangeboden worden.
|
Documenten voor de leerling en de godsdienstleerkracht |
Documenten voor de ouders |
Documenten voor de organisatie |
|
|
Periode 2: zoeken naar en kiezen van een project (1ste en 2de trimester van het 6de jaar S.O.)
Omschrijving van deze periode
levensbeschouwelijke identiteit. Na een weloverwogen keuzeproces organiseert hij/zij zelfstandig het verblijf op hun project en stelt hij/zij een inhoudelijk dossier samen over het gekozen initiatief.
Deze periode kan opgesplitst worden in enkele stappen:
- Stap 1: Een richting kiezen
- Stap 2: Informatie verwerven en contacten leggen
- Stap 3: Contractfase
- Stap 4: Tussentijdse zelfanalyse en –evaluatie
- Stap 5: Een eerste synthese
Doelstellingen
Dit onderdeel van het traject heeft als doel dat de leerling:
- op basis van zijn/haar zelfanalyse en de geselecteerde werkterreinen tot een keuze kan komen van initiatieven die een bijdrage kunnen leveren aan zijn/haar leerproces.
- zelfstandig informatie over het te kiezen initiatief kan verwerven en verwerken.
- de gevonden informatie rond zijn/haar initiatief kritisch kan analyseren en synthetiseren.
- een inhoudelijk dossier rond de door zijn/haar gekozen organisatie kan opstellen (ook o.a. in termen van mens-, wereld- en godsbeeld).
- zijn/haar eigen leerproces kan ontwerpen en uitvoeren.
- de verschillende fasen van het keuzeproces kent en kan doorlopen.
- zijn/haar eigen leerproces kan evalueren en zonodig aanpassen.
Methode
Om deze periode met succes af te sluiten, moet de leerling de volgende stappen te zetten:
- stap 1: Een richting kiezen: aan de hand van de richtvragen uit het werkdocument ‘Een richting kiezen’ bepaalt de leerling binnen welke richting het initiatief zich moet situeren dat hij/zij wil kiezen voor de exploratiedagen. Hij/zij moet op die manier een globaal idee krijgen van het soort organisatie/initiatief/… dat hij/zij wil contacteren.
- stap 2: Informatie verwerven en contacten leggen: aan de hand van de resultaten van stap 1 zoekt de leerling een concreet project en legt hij/zij de eerst contacten. Hij/zij gebruikt hiervoor het werkblad ‘Informatie verwerven en contacten leggen ’.
- stap 3: Contractfase: tijdens deze stap legt de leerling de afspraken die hij/zij met de organisatie maakte vast in een contract. Zo stelt hij/zij de organisatie van de exploratiedagen op punt. Hij/zij doet dit aan de hand van de richtlijnen op het werkdocument ‘Contractfase’.
- stap 4: Tussentijdse zelfanalyse en –evaluatie: tijdens deze stap moet de leerling stilstaan bij de wijze waarop hij/zij zijn/haar traject van zingeving tot dusver aangepakt heeft. (Sommige leerlingen zullen immers vrij snel definitieve contacten kunnen leggen met een organisatie; bij anderen zal het keuze- en zoekproces minder van een leien dakje lopen.) Hiertoe moet hij/zij de vragen van het werkdocument ‘Zelfanalyse en –evaluatie’ beantwoorden.
- stap 5: Een eerste synthese: aan de hand van de richtlijnen op het werkdocument ‘Een eerste synthese’ maakt de leerling, als voorbereiding op de exploratiedagen, een uitgebreide inhoudelijke voorstelling van het project waar hij/zij naartoe gaat.
Timing
Stap 1: half oktober van het 6de jaar S.O.
Stap 2: eerste week na de kerstvakantie van het 6de jaar S.O.
Stap 3: eind januari van het 6de jaar S.O.
Stap 4: eind januari van het 6de jaar S.O.
Stap 5: eind maart van het 6de jaar S.O.
Evaluatie
Stap 1:
- met deze stap kunnen eventueel punten verdiend worden voor het tussentijds rapport van de herfstvakantie
- de evaluatiecriteria zijn: stiptheid – de aanwezigheid van een verband tussen de werkterreinen en de gekozen richting/organisatie – relevantie
Stap 2:
- deze opdracht kan meetellen voor het tussentijds rapport van de krokusvakantie
- de evaluatiecriteria zijn: stiptheid – volledigheid
Stap 3:
- deze opdracht kan eveneens meetellen voor het tussentijds rapport van de krokusvakantie
- de evaluatiecriteria zijn: stiptheid – volledigheid van uitvoering van de opdracht – persoonlijke inzet
Stap 4:
- deze zelfevaluatie kan ook meetellen ter evaluatie.
- Evaluatiecriteria zijn:
- Volledigheid: heeft de leerling alle vragen beantwoord?
- Nuancering: haalt de leerling verschillende facetten aan in zijn/haar analyse en evaluatie, of blijft hij/zij aan de oppervlakte?
- Kritische zin: durft de leerling zichzelf in vraag stellen of niet?
Stap 5:
- opdracht kan eventueel meetellen voor het rapport van de paasvakantie
- de evaluatiecriteria zijn: stiptheid – volume van het werkje - volledigheid – correctheid – relevantie – nuancering
Concreet
Onderstaande tabel biedt een overzicht van alle documenten en hulpmiddelen die betrekking hebben op deze periode, zoals ze aan de leerlingen, de ouders en de organisaties aangeboden worden.
|
Documenten voor de leerling en de godsdienstleerkracht |
Documenten voor de ouders |
Documenten voor de organisaties |
|
Periode 3: exploratiedagen (3de trimester van het 6de jaar S.O.)
Tijdens drie opeenvolgende dagen in het derde trimester trekt de leerling naar de organisatie waar hij/zij zelf een contract mee heeft aangegaan. Hij/zij leeft en werkt daar mee.
Opmerking: Voor de leerlingen die geen project gevonden hebben, is er een alternatieve opdracht. Zij schrijven tijdens de driedaagse een paper uit rond een actueel maatschappelijk probleem dat zij vanuit diverse levensbeschouwelijke (waaronder twee christelijke) invalshoeken proberen te belichten. Zij werken deze opdracht uit op school en leveren de paper in aan het eind van de driedaagse.
Doelstellingen
Dit onderdeel van het traject heeft als doel dat de leerling:
- zich volop engageert voor de keuze die hij/zij maakte.
- zijn/haar werkterreinen kan toetsen (laten bevragen of bevestigd zien).
- leermomenten voor zijn/haar werkterreinen kan detecteren of oppakken.
- de levensbeschouwing van de organisatie leert kennen.
- zijn/haar eigen levensbeschouwing confronteert met deze van de organisatie.
- ervaart in welke mate er continuïteit is tussen zijn/haar levensbeschouwing en zijn/haar handelen (aanwezig zijn) in de organisatie.
Methode
Om de exploratiedagen maximale kans op slagen te geven is het belangrijk met de leerling (in de klas) af te spreken dat hij/zij:
- de inhoudelijke voorbereiding op de exploratiedagen grondig herleest zodat hij/zij duidelijk weet waarrond hij/zij wilde leren.
- enkele dagen vóór de exploratiedagen telefonisch contact op moet nemen met de organisatie om hen aan het initiatief en aan de komst van de leerling te herinneren.
- het contract dat afgesloten en ondertekend werd door de organisatie mee moet nemen tijdens de driedaagse.
- het feedbackformulier voor de organisatie en de begeleidende brief mee moet nemen, en deze documenten bij aankomst moet afgeven.
- bij afwezigheid tijdens de driedaagse én de school én de organisatie zo snel mogelijk moet verwittigen.
Timing
Drie opeenvolgende dagen tijdens de maand april van het 6de jaar S.O.
Evaluatie
De evaluatie van deze periode vormt het onderwerp van periode 4 (zie later).
Concreet
Onderstaande tabel biedt een overzicht van alle documenten en hulpmiddelen die betrekking hebben op deze periode, zoals ze aan de leerlingen, de ouders en de organisaties aangeboden worden.
|
Documenten voor de leerling en de godsdienstleerkracht |
Documenten voor de ouders |
Documenten voor de organisaties |
|
|
Periode 4: eindbalans (3de trimester van het 6de jaar S.O.)
Omschrijving van deze periode
Een heel schooljaar lang is de leerling bezig geweest om de exploratiedagen vorm te geven. Hij/zij is zelfstandig op zoek gegaan naar een project, en heeft zijn/haar verblijf op dat project nauwkeurig voorbereid. Tijdens de driedaagse heeft hij/zij de kans gekregen om wat hij/zij had ontdekt omtrent de organisatie en zichzelf verder te exploreren.
Om dit hele traject rond zingeving af te sluiten wordt van de leerling in deze vierde periode gevraagd om terug te kijken en om een eindbalans op te maken.
Doelstellingen
Dit onderdeel van het traject heeft tot doel dat de leerling:
- kan verwoorden wat hij/zij heeft ervaren tijdens het verblijf op het project.
- kan toetsen of de levensbeschouwelijke doorlichting die hij/zij van de organisatie maakte, overeenkomt met de realiteit.
- kan uitdrukken of en in welke mate de confrontatie met de levensbeschouwelijke realiteit van zijn/haar project hun denken heeft beïnvloed.
- kan toetsen of de doorlichting die hij/zij maakte van zichzelf (sterke en zwakkere eigenschappen) overeenkomt met de realiteit.
- kan uitdrukken of en in welke mate het meeleven in hun organisatie het denken over zichzelf heeft beïnvloed.
- kan onder woorden brengen of en in welke mate zijn/haar levensbeschouwing zijn/haar handelen tijdens de exploratiedagen heeft beïnvloed.
- kan uitdrukken welke leereffecten deze exploratiedagen hebben opgeleverd.
- feedback kan geven op het verloop en de organisatie van het doorlopen traject.
Methode
De leerling schrijft in een afsluitend document zijn/haar ervaringen omtrent de exploratiedagen uit. Hiertoe neemt hij/zij de voorbereiding die enkele weken geleden gemaakt werd (“een eerste synthese”) opnieuw bij de hand, en hij/zij baseert zich op de richtvragen van het werkdocument ‘eindbalans: periode 4’.
Deze eindbalans beslaat minimaal 3 en maximaal 5 pagina’s, getypt in Verdana of Arial, puntgrootte 11. De leerling structureer zijn/haar werk met behulp van de aangegeven vetgedrukte woorden.
De leerling vult daarnaast ook een feedback-formulier in waarin hij/zij het verloop van het ganse traject evalueert. Deze feedback verschaft de organiserende leerkrachten belangrijke informatie ter optimalisering van het project.
Evaluatie
Deze opdracht kan meetellen als onderdeel van het eindcijfer in juni van het 6de jaar S.O.
De evaluatiecriteria zijn:
- stiptheid: inleveren na de deadline is 0
- volume van het werkje (aantal bladzijden)
- volledigheid (zijn alle onderdelen behandeld?)
- correctheid (dekt elke titel de inhoud die eronder staat? Is wat men schrijft correct?)
- nuancering (ontwikkelt de leerling een verscheidenheid aan ideeën? Zijn deze ideeën genuanceerd verwoord?...)
De laatste twee criteria laten toe te toetsen of de leerling de levensbeschouwelijke vaardigheden van het vak godsdienst onder de knie heeft. Het gaat na:
- of de leerling het begrippenkader rond levensbeschouwing kent en of hij/zij correcte/terzake doende toepassingen formuleert (mens-, wereld- en godsbeeld) (= levensbeschouwelijke vaardigheid 1)
- of en in welke mate de leerling zijn/haar gedachten genuanceerd kan verwoorden en motiveren (= levensbeschouwelijke vaardigheden 2 en 5)
- of en op welke wijze de leerling zijn/haar gedachten kan verbinden met een levensbeschouwing (= levensbeschouwelijke vaardigheden 3 en 4)
- of en in welke mate de leerling ziet hoe zijn/haar levensbeschouwing doorwerkt in zijn/haar handelen (= levensbeschouwelijke vaardigheid 6)
Je kan de leerling dit werkje in een individueel contactmoment met de leerkracht laten toelichten.
Concreet
Onderstaande tabel biedt een overzicht van alle documenten en hulpmiddelen die betrekking hebben op deze periode, zoals ze aan de leerlingen, de ouders, en de organisaties aangeboden worden.
|
Documenten voor de leerling en de godsdienstleerkracht |
Documenten voor de ouders |
Documenten voor de organisaties |

