Verrassende ontmoeting Abraham/Ibrahiem

Een interreligieus godsdienstproject voor leerlingen van de derde graad lager onderwijs en de eindklassen van het buitengewoon lager onderwijs werkgroep Inter-Esse van de inspectie-begeleiding RKG

Bestanden

Inleiding

“Abraham/Ibrahiem is een belangrijke figuur in Bijbel en Koran. Hij speelt ook in de hedendaagse interreligieuze dialoog een voorname rol. In de Koran is soera 14 naar Ibrahiem genoemd. In de Bijbel is het verhaal van Abraham in Genesis te vinden, maar ook elders wordt naar hem verwezen. Via zijn eerstgeboren zoon Ismaël enerzijds en zijn zoon Isaak anderzijds zou hij de stamvader zijn van Arabieren en Israëlieten. In het Nieuwe Testament wordt de verwantschap met Abraham abstracter gezien, niet door afstamming, maar door het geloof bepaald.

In beide boeken is Abraham/Ibrahiem een man die afrekent met het verleden en nieuwe paden inslaat. In de Bijbel trekt hij weg van vader en volk om vervolgens een verbond te sluiten met God. Hierin wordt aan zijn afstammelingen - op voorwaarde van goed gedrag - het land Kanaän beloofd. Zo wordt verteld hoe God de enige God wordt van dat ene volk.

In de Koran staat het verhaal over Ibrahiem en Allah op een abstracter niveau. Ibrahiem bevrijdt zich van afgoden door in te zien dat wat anderen aanbidden (de zon, de maan,…) slechts aspecten of onderdelen van de schepping zijn. Allah, de Schepper, gaat ver boven al het geschapene uit. Hier wordt het monotheïsme losgemaakt van enig volk, algemeen geldig verklaard en rechtstreeks tegenover het veelgodendom van de (voor)vaderen gesteld. Met zijn stellingname tegen afgodsbeelden haalt Ibrahiem zich de woede van zijn volk op de hals. Zij leggen hem het vuur letterlijk aan de schenen. Allah redt hem van zijn belagers door het vuur koud te maken. Ibrahiem trekt weg van zijn vader en zijn volk om een nieuwe weg in te slaan.1

Verderbouwend op het voorgaande biedt dit project een godsdienstaanbod dat aansluit bij de doelen van de derde cyclus uit het leerplan rooms-katholieke godsdienst.

“Het leerplan legt geen verplichting op om de onderwerpen en de titels, zoals ze hier functioneren over te nemen bij het maken van leermiddelen. De doelen van de onderwerpen zijn wel bindend: de kern ervan is verplicht, de uitbreiding is facultatief. Wat verplicht is, moet gerealiseerd worden in de cyclus waarvoor het in dit leerplan bestemd is. Dit moet duidelijk herkenbaar zijn.

Het staat leerkrachten en ontwerpers van leermiddelen vrij zelf nieuwe combinaties van doelen te bedenken die betrekking hebben op dezelfde cyclus. Op die wijze kan men uitkomen bij een groter (of een kleiner) aantal onderwerpen. Men kan hiervoor steeds extra inspiratie putten uit de invalshoeken.”2

De inhoud van het project werd ook in het componentenschema geplaatst naar analogie met de projectfiches uit het raamplan voor het buitengewoon lager onderwijs.

In het volgende hoofdstuk ‘Visie’ staat in een uitgebreide motivering en duiding hoe dit alles aansluit bij een eigentijds interreligieus godsdienstonderwijs.

1 naar www.bijbelenkoran.nl

2 Leerplan rooms-katholieke godsdienst voor het lager onderwijs in Vlaanderen, LICAP 1999, p. 75

Visie

“De apostel Paulus schreef dat Abraham “ons aller vader is” (Rom.4,17). Hij bedoelde daarmee: de vader van de gelovigen. “Zij die uit het geloof zijn, zijn kinderen van Abraham” (Gal.3,7). De apostel heeft daarbij het geloof van de christenen en de joden voor ogen gehad en uiteraard niet van de islam, die pas eeuwen later ontstond. Ook de islam erkent Abraham als een van de grote profeten. Naar deze gemeenschappelijke verwantschap met Abraham hebben de concilievaders van het Tweede Vaticaans Concilie in 1965 impliciet verwezen wanneer zij met waardering over de moslims schreven: “Zij leggen zich erop toe zich met heel hun hart ook aan Gods verborgen raadsbesluiten te onderwerpen zoals Abraham, naar wie het islamitisch geloof graag teruggrijpt, zich aan God onderworpen heeft.” (Verklaring over de houding van de Kerk ten opzichte van de niet-christelijke godsdiensten, nr.3).
Paulus speelt in de islam geen grote rol. In de Koran komt hij niet ter sprake. De voorstelling van Jezus in de Koran gaat volledig voorbij aan Paulus’ voorstelling van Jezus als bevrijder van het juk van de oude, joodse wet. Sommige dingen die (volgens de joodse wet en ook volgens de islamitische voorschriften) verboden waren zou Jezus toch toegestaan hebben. Heel de latere islamitische traditie heeft Paulus ervan beschuldigd dat hij Jezus’ boodschap vervormd heeft en aan het evangelie een foutieve herinterpretatie heeft gegeven.”3

3 uit: Hitchinson, F., Ontmoeting. De islam binnen de katholieke godsdienstlessen in het basisonderwijs. De Katholieke Schoolgids – cahier, april 2002, p.115.

ALGEMEEN

“In de multireligieuze context van katholieke scholen met een hoog percentage islamitische leerlingen gebeurt het godsdienstonderricht het best door bij de uitwerking van de lesthema’s aandacht te schenken aan overeenkomsten en verschillen tussen het christendom en de islam.
(…)
Het is noodzakelijk dat de leerkrachten op de hoogte zijn hoezeer het leven van hun leerlingen beheerst is door culturele elementen (…) en hoezeer ze doortrokken zijn van een religieuze duiding.”4

Het lijkt ons aangewezen in de multiculturele context van het basisonderwijs te opteren voor de figuur van Abraham/Ibrahiem als een model voor elke monotheïstische gelovige: omwille van de gemeenschappelijke aspecten, maar tevens omwille van de specifieke nuanceverschillen. Deze gelijkenissen en verschillen versterken enerzijds het wederzijds begrip en zijn anderzijds een uitdaging om tot communicatie te komen.

De keuze voor Abraham/Ibrahiem mag niet beschouwd worden als een gemakkelijk alternatief voor Paulus. Zelfs in een klas zonder moslimleerlingen kan hij een zinvol aanbod zijn, omdat er kansen in zitten die het leerplan meer vorm geven. Het project beoogt het bereiken van leerplandoelen uit verschillende onderwerpen, in het volste respect voor de beginsituatie van elke leerling en hieraan gekoppeld didactisch eerlijke aansluitingspunten. Abraham/Ibrahiem mag geen goedkoop middel zijn om de islam ter sprake te brengen.

Abraham/Ibrahiem nodigt ons uit om bij het lezen van de bijhorende verhalen in Bijbel en Koran niet op zoek te gaan naar de grootste gemene deler (alleen datgene voor waar aannemen wat in beide boeken staat), maar veeleer naar het kleinste gemene veelvoud (datgene wat elk boek nog toevoegt aan het andere boek omtrent onze gezamenlijke ‘vriend van God’, Abraham).5

Abraham/Ibrahiem is door de drie monotheïstische godsdiensten - jodendom, christendom en islam - erkend als ‘vader van de gelovigen”. Maar in de loop van hun geschiedenis zijn de drie godsdiensten hem gaan toe-eigenen als hun exclusief bezit, als de exclusieve oergelovige van hun eigen religie. Ze hebben de verschillende aspecten van de figuur Abraham/Ibrahiem, die in hun theologie goed van pas kwamen zo sterk beklemtoond dat hij als de exclusieve eigendom van hen werd beschouwd.

“Ik deel de overtuiging dat de Abraham uit de Bijbel identiek is met de Ibrahiem uit de Koran, maar ik benadruk tegelijkertijd dat de rol van Abraham in en zijn betekenis voor elk van de drie religies verschillend zijn. In de loop van de geschiedenis heeft zich in elk van de drie religies een eigen particulier beeld van Abraham als ‘vader van vele volken’ ontwikkeld dat eerder tot uitsluiting dan insluiting van de twee andere godsdiensten heeft geleid.”6

Conform de visie van het leerplan worden in de uitwerking van dit project uitgelezen waarborgen en mogelijkheden geboden om alle kinderen te laten groeien in eigen geloven, bevorderd door de interreligieuze confrontatie en communicatie.

4 Uitvoeringsnota van de Erkende instantie IDKG: Het vak rooms-katholieke godsdienst in katholieke basisscholen met een hoog percentage moslims, april 2000, p. 6.

5 Francien Van Overbeeke-Rippen, Abraham als kleinste gemene veelvoud in de dialoog tussen christenen en moslims. In: M. Moyaert en P. Kevers (red.), Wanneer alteriteit realiteit wordt. Christendom en Islam. Bijbel en Koran. Acco, Leuven, 2008, p.299.

6 Herman L. Beck, Abraham en de interreligieuze dialoog tussen christenen en moslims. In: M. Moyaert en P. Kevers (red.), Wanneer alteriteit realiteit wordt. Christendom en Islam. Bijbel en Koran. Acco, Leuven, 2008, p.278.

KEUZES

Wij kiezen voor een interreligieus leren bij de uitwerking van 'Abraham/Ibrahiem'.

‘Interreligieus leren’is het uitgangspunt voor een eigentijds godsdienstonderwijs. Dit model onderscheidt zich van het monoreligieus leren dat niet langer aangepast is aan het complexe actuele levensbeschouwelijke landschap en van het multireligieus leren dat godsdienstonderwijs beperkt tot de neutrale en vergelijkende presentatie van verschillende religies en levensbeschouwingen. (voor meer uitleg over deze drie vormen zie p. 74) Interreligieus leren (zie schema ‘interreligieuze interactie’ hieronder en uitgebreide beschrijving op p. 76) is een geëngageerde vorm van godsdienstonderwijs waarbij de godsdienstleerkracht vanuit de gelovige voorkeursoptie van het vak voor een bepaalde levensbeschouwelijke of religieuze traditie het gesprek aangaat met de eigen en andere levensbeschouwelijke en religieuze tradities en de opvoedeling uitnodigt om aan dit gesprek deel te nemen met de bedoeling om hem of haar uit te nodigen zelf een levensbeschouwelijk en/of religieus engagement op te nemen.

De grootste zorg bij de interreligieuze aanpak blijft of de beleving en de opvattingen van de andere voldoende in de aangeboden impulsen zitten. We moeten dus waken dat we niet te vlug naar één kant overhellen.
De kracht van interreligieus leren is dat de gevoelsplekken (op vlak van beleving) gerespecteerd worden; het ‘leren’ behoudt voldoende afstand om de ‘heilige grond’ van de ander niet te betreden. Dit is trouwens ook van toepassing binnen éénzelfde religieuze traditie. In de interreligieuze dialoog wordt hier wel op doorgegaan.

“Wat doen we als twee vormen van interreligieuze communicatie zich tegelijkertijd in het klasgebeuren manifesteren? De eerste vorm, waarbij jongeren sterk overtuigd zijn van hun levensbeschouwing, legt sterk de nadruk op de noodzaak aan informatie. De tweede vorm, waarbij jongeren vaak niet meer weten uit welk levensbeschouwelijk nest zij komen, sluit meer aan bij het gegeven van de meerstemmige identiteit van jongeren.”8 Onze aanpak illustreert dat een louter multireligieuze aanpak de eigenheid van ons godsdienstonderwijs niet ten goede komt.

8 Bert Roebben, Godsdienstpedagogiek van de hoop. Grondlijnen voor religieuze vorming. Acco 2007, p.150.

We kiezen om te werken met verhalen en klasrituelen

We geloven in de kracht van verhalen en (klas)rituelen.

In hoe beide tradities met de figuur van Abraham/Ibrahiem omgaan, zit een spanning. Het christendom kent Abraham als een verhaalfiguur. In de islam is Ibrahiem nauw verbonden met het ritueel van het offerfeest. Deze spanning is uiterst delicaat en dient voortdurend als een waakvlam in onze didactiek aanwezig te zijn. Zowel bij christenen als bij moslims is het geleefd geloof heel divers. De verhalen en klasrituelen in dit project bieden kansen op een gemeenschappelijk beluisteren en bleven.

We kiezen voor een inbreng vanuit beide geloofstradities: gelijkwaardig, maar niet gelijkaardig

Ons streefdoel is Bijbel en Koran op een gelijkwaardige wijze te benaderen. We vragen dit ook van elke leerkracht in de omgang met de heilige boeken.

“Eén van de gevoeligste kwesties in de contacten tussen joden, christenen en moslims is de waardering van elkaars heilige geschriften.”9 Joden en christenen erkennen de Koran niet als openbaringsgeschrift, althans niet op officieel niveau. Moslims erkennen weliswaar dat joden en christenen oorspronkelijk over zuivere openbaringsgeschriften beschikken, maar deze zijn door de laatste openbaring in de Koran uitgezuiverd en bijgewerkt.
De vraag naar dè waarheid mag geen onderdeel van het lesgebeuren zijn. Hierin merken we trouwens de delicate evenwichtsoefening van het interreligieuze leren: hoe ver kunnen en mogen we gaan? De grens blijft steeds de openheid en de eerbied voor de ander. “Ieder zijn waarheid” in de positieve zin… Het gaat steeds om openbaring, “gekregen” waarheid.
Tenslotte: omwille van het “heilige” van sommige onderwerpen, is het in het leerproces vaak beter er niet rechtstreeks op te focussen, maar aan de hand van metaforen, gelijkenissen, e.d. de eigenheid ervan te ontginnen en te ontdekken.

9 Herman L. Beck, Abraham en de interreligieuze dialoog tussen christenen en moslims. In: M. Moyaert en P. Kevers (red.), Wanneer alteriteit realiteit wordt. Christendom en Islam. Bijbel en Koran. Acco, Leuven, 2008, p.279

We kiezen om vooral te werken met bijbelse en 'koranse' verhalen

“Omdat de Koran zich ertoe beperkt waarheden te benadrukken die de mensen al kenden, herinneren de verhalen eerder aan gebeurtenissen dan ze in een bepaalde volgorde te vertellen. De verhalen over Abraham zijn bijvoorbeeld over de hele tekst verspreid en niet in de volgorde gezet waarin Abraham ze mogelijk heeft beleefd.
De Koran is in verwijzende stijl geschreven. (…) Er worden geen gebeurtenissen opnieuw verteld, er wordt naar verwezen. (…) Het effect blijft echter hetzelfde: Abraham is niet zozeer een historische figuur maar veeleer een mens van vlees en bloed die iets te zeggen heeft over de geschiedenis van de mensen. (…)
De Koran is ook eerder didactisch dan narratief. Alles staat in dienst van de opvattingen dat we dienaren Gods zijn. Daarom wijst alles wat over Abraham wordt verteld erop dat hij een voorbeeldige gelovige in een heidense wereld was.”10

In het basisonderwijs wordt meestal niet met ‘authentieke’ bijbelverhalen gewerkt. De verhalen uit kinderbijbels, de lezing van Nico ter Linden, enz. zijn bijbelse verhalen, die al dan niet goed naverteld zijn. We halen eruit wat we verstaan én wat we kunnen overbrengen. Er is dus een interpretatiemethode gebruikt of ze zijn afgesteld op het doel en het doelpubliek. De vertelstijl van ter Linden benadrukt de geloofsdimensie van het Abrahamverhaal en beperkt zich niet tot het louter historiseren.

Naast niet-authentieke bijbelverhalen gebruiken we ook niet-authentieke verhalen uit de Koran (‘koranse’ verhalen), de verhalen uit de Hadith. Deze gaan over het leven van de profeet. Hadithverhalen hebben echter wel een even officieel karakter als de Koran, wat niet zo is bij bijbelse navertellingen t.o.v. de Bijbel.

10 Bruce Feiler, Abraham. Een reis naar het hart van drie godsdiensten. Uitg. Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2002, p.35.

EVALUATIE VAN HET GODSDIENSTONDERWIJS

“De evaluatie van de leerlingen is gericht op waarneembare prestaties en op het proces dat de leerlingen doormaken om tot die prestaties te komen. In dit proces spelen persoonlijke betrokkenheid, welbevinden, concentratie en gerichtheid op communicatie een grote rol.

De doelen (met bijbehorende inhoud en beheersingsniveau) zoals in het leerplan beschreven bij elk onderwerp vormen het eerste criterium voor evaluatie. Als tweede criterium geldt de vraag hoe de leerling evolueert in zijn ontwikkeling, meer bepaald zijn levensbeschouwelijke en religieuze groei. Hoe gelovig een kind is (hetzij christelijk, hetzij islamitisch) valt niet onder de evaluatie door de leerkracht.

Doelen die slaan op kennis kunnen vrij objectief geëvalueerd worden via toetsen en ondervraging. De leerkracht kan ook vaardigheden en attituden van leerlingen evalueren: formuleren van de eigen overtuiging, openheid voor de andere en bereidheid tot dialoog nemen hier een belangrijke plaats in. Voor de godsdienst-lessen waarover het hier gaat, moet de leerkracht er in heel het didactisch proces aandacht aan schenken dat de katholieke en de islamitische leerlingen zowel inzake kennis als inzake houdingen van een verschillende beginsituatie vertrekken, waarbij ook binnen die groepen grote verschillen kunnen optreden. De principiële optie dat het godsdienstonderricht bij de leerlingen een verschillende impact heeft, geldt a fortiori voor religieus gemengde groepen zoals die waarover deze toepassingsnota handelt. Zeker bij het evalueren van leerlingen moet de leerkracht met deze verscheidenheid rekening houden.” (Uitvoeringsnota 2000, p.11)

We ijveren om allerlei vormen van product- en procesevaluatie in de klas te voorzien bij dit project. We denken dat de meeste leerkrachten vertrouwd zijn met de eerste evaluatievorm. Op verschillende plaatsen geven we voorbeelden van mogelijke procesevaluatie.

BELANG VAN HET LEERPROCES EN DE GELOOFSCOMMUNICATIE

Het leerplan pleit ervoor om voldoende tijd te voorzien voor de uitbouw van een volwaardig leerproces. (leerplan p. 235). Dit leerproces verloopt doorheen drie fasen.

In de fase van de verkenning vraagt het verhaal, de ervaring, de verscheidenheid om meer dan een vlugge kennismaking. Werkwoorden als contact maken met, stilstaan bij, aanvoelen, meevoelen, zien, luisteren, lezen, in zich opnemen, herkennen, bewust worden, … drukken in deze fase het handelen van de leerlingen uit. Het is de leerkracht die hierbij ondersteunend, confronterend en begeleidend optreedt. Hij brengt christelijk geloof en andere elementen van levensbeschouwing in het gesprek binnen.

Om het verkende verder te verdiepen wordt er uitgedaagd om het nieuwe te laten doordringen, te confronteren, te interpelleren, aandacht op te brengen, te ontdekken, zich in te leven, te vergelijken, verschillen te zien, voorbeelden te geven, … De leerkracht kan in deze fase krachtig begeleiden door het eigene van de christelijke boodschap te laten oplichten, door clichés te vermijden, door te confronteren, door te helpen ontdekken wat nieuw is, door verschillen en spanningen op te vangen, door weerbaar helpen te worden, …

Vanuit de idee dat de impact niet bij alle leerlingen dezelfde zal zijn (rekening houdend met de beginsituatie), zet het leerplan in de derde fase een aantal mogelijkheden naast elkaar: het verwerken, het verankeren, het integreren, het oriënteren. Elk van deze verwerkingsvormen heeft zijn eigen doelen en maakt gebruik van specifieke werkvormen.

Soms wordt dit leerproces in éénzelfde les geheel doorlopen, soms is het gespreid over opeenvolgende lessen.

Vanuit de communicatiedriehoek (woord – woord – Woord) dient de leerkracht erover te waken dat tijdens de uitwerking van het project geloof en zingeving een uitdrukkelijke plaats krijgen. In de visie van het leerplan wordt deze geloofscommunicatie niet beperkt tot kringgesprekken, maar bieden ook muzische werkvormen, stilte- en gebedsrituelen,… hiervoor kansen.

TOT SLOT: KANSEN

De kansen op interreligieus leren in een katholieke school zijn groot doordat de diverse levensbeschouwingen in dezelfde leergroep zitten (↔ officiële scholen). Differentiëren is een goede werkwijze om met verscheidenheid om te gaan. Het systematisch en permanent opsplitsen van de groep zou het interreligieus leren kunnen ontkrachten.

Het verdient aanmoediging die verscheidenheid in de klas als rijkdom te zien. Deze projectbundel wil kansen bieden om dat ook zo te ervaren.

Doelen

Doelen I

In onderstaand overzicht lees je geselecteerde leerplan-doelen van de derde cyclus met een koppeling aan een impuls van ‘Verrassende ontmoeting’.

De cursief gedrukte doelen zijn niet letterlijk terug te vinden in het leerplan. Het gaat hier telkens over een uitbreiding of een aanpassing vanuit de visie op interreligieus godsdienstonderwijs. Naast de aangeduide doelen is er nog ruimte voor eigen uitbreiding.

De oplijsting neemt de leerplanindeling van de onderwerpen over. Op deze manier krijg je als leerkracht zicht op welke doelen van de onderwerpen aan bod komen en welke niet.
Deze laatste zal je dus op een andere manier moeten binnenbrengen.

uit het onderwerp Grenzen van het leven (lp p. 190)

Kinderen bespreken hoe mensen vanuit hun levens- of geloofsovertuiging zoeken om te gaan met grenzen.

1 2 3 4 5 6 7 8
K

kennismaken met de manier waarop geloven en niet-gelovigen omgaan met lijden en dood

               

uit het onderwerp Bewogen worden en in beweging komen (lp p. 194)

Kinderen ontdekken waardoor mensen bewogen worden en hoe ze in beweging komen.

1 2 3 4 5 6 7 8
K ontdekken dat het religieuze bij mensen een sterke bewogenheid kan opwekken                
  Het verhaal van de roeping van Abraham bespreken                

Kinderen verkennen bij zichzelf en bij elkaar waardoor ze bewogen worden en hoe ze in beweging komen

               
K verschillende vormen van bewogen worden bij zichzelf en bij elkaar kunnen onderscheiden                
K de bijbels-christelijke term 'roeping' in verband kunnen brengen met bewogen worden                

uit het onderwerp Bewogen en zoekende mensen vinden elkaar: Kerk – andere godsdiensten (lp p. 202)

uit het onderwerp Bewogen en zoekende mensen vinden elkaar: Kerk – andere godsdiensten (lp p. 202)

1 2 3 4 5 6 7 8
K verwoorden wat hen aanspreekt en wat ze vreemd vinden in godsdiensten en levensbeschouwingen                
K kritisch respect opbrengen voor de bewogenheid waarmee mensen hun godsdienst of levensbeschouwing beleven                
U de beleving en enkele rituelen van godsdiensten als het jodendom en de islam verkennen                
  op zoek gaan naar tekenen van aanwezigheid van andere geloofsgemeenschappen in hun omgeving en er zich over informeren                
Kinderen verkennen hoe mensen zich aansluiten bij anderen tijdens hun zoektocht in deze wereld                
U kunnen aangeven wat de eigenheid is van groepen waartoe zij behoren                

Kinderen kunnen nadenken en spreken over het belang van mensen bij wie zij zich thuis voelen

               
K leren opkomen voor wat zij de moeite waard vinden, vooral als anderen moeite hebben om hen te begrijpen of te accepteren                

uit het onderwerp Samen leven tussen werkelijkheid en droom ( lp p. 206)

Kinderen herkennen in profetische mensen het beeld van een God die met mensen begaan is

1 2 3 4 5 6 7 8
               

uit het onderwerp Natuur en cultuur (lp p. 210)

Kinderen verkennen de innerlijke bewogenheid in de wereld van kunst en cultuur

1 2 3 4 5 6 7 8
K in verschillende kunstvormen op zoek gaan naar de inspiratie van de kunstenaar in religieuze kunst verwijzing naar God ontdekken een hongerdoek, icoon, glasraam, muziekstuk,… ontdekken als een kunstwerk vanuit een gelovige bezieling                
U

uit het onderwerp Verantwoordelijkheid en engagement (lp p. 214)

Kinderen herkennen in het engagement van mensen het antwoord op een uitdaging die van binnen en/of buiten kan komen

1 2 3 4 5 6 7 8
               

uit het onderwerp Bijbel (lp p. 221)

Kinderen ontdekken dat een boek een bijzondere betekenis kan hebben in hun leven

1 2 3 4 5 6 7 8
               

Kinderen zien in dat mensen in hun verhaaltradities en ‘heilige boeken’ een godsdienstige kijk op het leven verwoorden en doorgeven

               
K ontdekken hoe mensen in allerlei culturen verhalen vertellen om hun levenswijsheid door te geven van generatie op generatie raakpunten ontdekken tussen christenen en moslims door gemeenschappelijke elementen in hun heilige boeken                
  enkele godsdienstige inzichten uit 'heilige' boeken bespreken die voor gelovigen van de betrokken godsdiensten oriënterend zijn                
 

respectvol omgaan met ‘heilige boeken’

               

Kinderen onderkennen in verhalen uit het Oude Testament de godsdienstige zingeving van de joodse geschiedenis

               
K

raakpunten ontdekken tussen christenen, joden en moslims door gemeenschappelijke elementen in hun heilige boeken

Kinderen ontdekken gelijkenissen en verschillen in de  verhalen over Abraham en Sara en Abraham en Hajar

Kinderen ontdekken de Bijbel als bron van kerkelijk leven en van cultuur

               
U

enkele bijbelse spreuken, zegswijzen of beelden kunnen noemen die in de dagelijkse omgangstaal leven

kort kennismaken met …gedeelde (bijbelse) verhalen achter enkele feesten van andere godsdiensten (bv. offerfeest)

uit het onderwerp Liturgisch en pastoraal jaar (lp p. 226)

Kinderen ontdekken parallellen tussen de hadith over Hajar en Isma’iel en de rituelen tijdens de hadj.

1 2 3 4 5 6 7 8
               

uit het onderwerp Langerlopende verhalenreeksen uit de Bijbel (lp p. 231)

Kinderen leven zich in de personages van het verhaal in. Ze kunnen de symbolische betekenis vatten van voorwerpen en situaties die erin voorkomen. Ze verstaan de tekst als uitdrukking van geloof, hoop en liefde, door te ontdekken wat er gezegd wordt over de relatie tussen God en mens en tussen mens en wereld. Ze vinden in de tekst een oproep tot geloof, hoop en liefde ze brengen hun indrukken in verband met een verhaal tot expressie: in woord, drama, muzische expressie,… Ze reflecteren op het godsbeeld dat spreekt uit de verhalen en de teksten. Ze reflecteren op de betekenis van het verhaal voor mensen van vroeger en nu en denken erover na hoe aspecten van de Bijbelse boodschap of Koran een invloed kunnen hebben op hun eigen manier van denken, doen en zijn. Ze kunnen de relatie zien tussen de onderwerpen die in de loop van het jaar aan bod komen en aspecten ervan die in de verhalenreeks ter sprake komen. Ze kunnen aspecten van de boodschap van een verhaal actualiseren en in verband brengen met verschillende relatievelden in hun eigen bestaan. 1 2 3 4 5 6 7 8
               

Doelen II

Dit tweede overzicht lijst alle leerplandoelen van de derde cyclus op. We duidden alvast voor je aan welke hiervan in de impulsen van ‘Verrassende ontmoeting’ opgepakt worden.

Je kan dit overzicht gebruiken om je jaarplan godsdienst op te bouwen. Ga hiervoor in gesprek met je graadcollega’s. Zeker de doelen die openbleven, moeten nog in andere onderwerpen opgepakt worden. Ook de aangeduide doelen kunnen in die onderwerpen verder verdiept worden.
Op de bijhorende gele blaadjes van het leerplan lees je concreet welke punten van kern en uitbreiding kunnen gebruikt worden om de doelen te bereiken.
In functie van dit alles kan je de leermiddelen kritisch doorlichten en gerichte keuzes maken.

uit het onderwerp Wat maakt mij gelukkig? Wie wil ik worden? (lp p. 186)

 

Kinderen verzamelen bouwstenen waarmee mensen hun leven mooier en gelukkiger willen maken.

 

Kinderen stellen vragen bij de vele manieren waarop mensen – ook zijzelf – in hun leven geluk nastreven.

 

Kinderen zien dat christenen het geluk zoeken in Jezus’ visioen van het Rijk van God.

 

Kinderen gaan op weg om stilaan zelf vorm te geven aan hun eigen leven met bouwstenen die ze als zinvol en waardevol ontdekken.

 

uit het onderwerp Grenzen van het leven (lp p. 190)

 

Kinderen confronteren zich ermee dat de weg naar geluk geen rechtlijnige vervulling kent.

 

Kinderen bespreken hoe mensen vanuit hun levens- of geloofsovertuiging zoeken om te gaan met grenzen.

 

Kinderen ontdekken hoe volgens het christelijk geloofsgetuigenis God grenzen opent door Christus.

 

Kinderen komen tot het besef dat christenen van vroeger en nu tot engagement komen omdat ze gehoor geven aan het roepen van ‘mensen aan de rand’.

 

uit het onderwerp Bewogen worden en in beweging komen (lp p. 194)

 

Kinderen ontdekken waardoor mensen bewogen worden en hoe ze in beweging komen.

 

Kinderen verkennen bij zichzelf en bij elkaar waardoor ze bewogen worden en hoe ze in beweging komen.

 

Kinderen leren spreken over de heilige Geest van God als bron van christelijke bewogenheid.

 

Kinderen ontdekken het vormselsacrament als een deel van de christelijke initiatieritus om in de beweging van de heilige Geest te worden opgenomen.

 

uit het onderwerp Groeien in liefde en tederheid (lp p. 198)

 

Kinderen vinden een taal om over de waarden van een vriendschapsrelatie te spreken.

 

Kinderen kunnen de aard van relaties tussen mensen onderscheiden.

 

Kinderen krijgen aandacht voor het aspect lichamelijkheid in hun persoonlijke en relationele ontwikkeling.

 

Kinderen ontdekken het vormselsacrament als een deel van de christelijke initiatieritus om in de beweging van de heilige Geest te worden opgenomen.

 

uit het onderwerp Groeien in liefde en tederheid (lp p. 198)

 

Kinderen vinden een taal om over de waarden van een vriendschapsrelatie te spreken.

 

Kinderen kunnen de aard van relaties tussen mensen onderscheiden.

 

Kinderen krijgen aandacht voor het aspect lichamelijkheid in hun persoonlijke en relationele ontwikkeling.

 

Kinderen ontdekken hoe voor christenen God in mensen de liefde tot leven wekt.

 

uit het onderwerp Bewogen en zoekende mensen vinden elkaar: Kerk – andere godsdiensten (lp p. 202)

 

Kinderen verkennen hoe mensen zich aansluiten bij anderen tijdens hun zoektocht in deze wereld.

 

Kinderen kunnen nadenken en spreken over het belang van mensen bij wie zij zich thuis voelen.

 

Kinderen ontdekken dat christelijke geloofsgemeenschappen al tweeduizend jaar lang mensen samenbrengen en hen de kans geven ten volle te leven.

 

Kinderen ontdekken hoe een verscheidenheid aan godsdiensten en levensbeschouwingen aan het leven van mensen zin wil geven.

 

uit het onderwerp Samen leven tussen werkelijkheid en droom ( lp p. 206)

 

Kinderen herkennen in profetische mensen het beeld van een God die met mensen begaan is.

 

Kinderen vormen zich een beeld van de mensenwereld zoals ze die ervaren en dromen.

 

Kinderen gaan op zoek naar drijfveren en mechanismen die de samenleving maken tot wat ze is.

 

Kinderen begrijpen dat ook zij aangesproken worden om zich te engageren voor de samenleving.

 

uit het onderwerp Natuur en cultuur (lp p. 210)

 

Kinderen verwonderen zich erover hoezeer natuur, wetenschap en techniek onze leefwereld tekenen.

 

Kinderen ervaren positieve en negatieve aspecten van natuur, wetenschap en techniek.

 

Kinderen ontdekken dat omgaan met natuur en cultuur ook beschouwend kan zijn en bron van geluk en zinvol leven.

 

Kinderen verkennen de innerlijke bewogenheid in de wereld van de kunst en cultuur.

 

uit het onderwerp Verantwoordelijkheid en engagement (lp p. 214)

 

Kinderen verkennen verschillende vormen van engagement in hun eigen leefwereld en in de grote wereld.

 

Kinderen herkennen in het engagement van mensen het antwoord op een uitdaging die van binnen en/of van buiten kan komen.

 

Kinderen ontdekken dat elk engagement in christelijk perspectief een vorm van zelfgave inhoudt.

 

uit het onderwerp Verkenning van een symbool: Vuur (lp p. 218)

 

Kinderen komen vanuit meerzinnige ervaringen met het element ‘vuur’ de rijke symbolische betekenis ervan op het spoor.

 

Kinderen herkennen de symboliek van vuur in een aantal rituelen.

 

Kinderen ontdekken de symboliek van vuur in de Bijbel.

 

uit het onderwerp Bijbel (lp p. 221)

 

Kinderen ontdekken dat een boek een bijzondere betekenis kan hebben in hun leven.

 

Kinderen zien in dat mensen in hun verhaaltradities en ‘heilige boeken’ een godsdienstige kijk op het leven verwoorden en doorgeven.

 

Kinderen onderkennen in verhalen uit het Oude Testament de godsdienstige zingeving in de joodse geschiedenis.

 

Kinderen verkennen het Nieuwe Testament en herkennen daarin het geloof in en het enthousiasme van Jezus en zijn boodschap.

 

Kinderen ontdekken de Bijbel als bron van kerkelijk leven en van cultuur.

 

uit het onderwerp Liturgisch en pastoraal jaar (lp p. 226)

 

Kinderen kunnen de advent duiden als tijd van voorbereiding op Kerstmis.

 

Kinderen begrijpen Kerstmis als het feest waarin christenen hun ervaring van ‘God wordt mens’ vieren.

 

Kinderen kunnen de veertigdagentijd duiden als tijd van voorbereiding op Pasen.

 

Kinderen leren de betekenis van de Goede Week en Pasen kennen.

 

Kinderen leren de betekenis van Hemelvaart kennen.

 

Kinderen leren de betekenis van Hemelvaart kennen.

 

Kinderen maken het onderscheid tussen Allerheiligen en Allerzielen.

 

Kinderen leren Maria kennen als een bewuste, gelovige vrouw.

 

uit het onderwerp Langerlopende verhalenreeksen uit de Bijbel (lp p. 231)

 

Kinderen leven zich in in de personages van het verhaal.
Ze kunnen de symbolische betekenis vatten van voorwerpen en situaties die erin voorkomen.
Ze verstaan de tekst als uitdrukking van geloof, hoop en liefde, door te ontdekken wat er gezegd wordt over de relatie tussen God en mens en tussen mens en wereld.
Ze vinden in de tekst een oproep tot geloof, hoop en liefde.
Ze brengen hun indrukken in verband met een verhaal tot expressie: in woord, drama, muzische expressie, …
Ze reflecteren op het godsbeeld dat spreekt uit de verhalen en de teksten.
Ze reflecteren op de betekenis van het verhaal voor mensen van vroeger en nu en denken erover na hoe aspecten van de bijbelse boodschap een invloed kunnen hebben op hun eigen manier van denken, zijn en doen.
Ze kunnen de relatie zien tussen de onderwerpen die in de loop van het jaar aan bod komen en aspecten ervan die in de verhalenreeks ter sprake komen.

Ze kunnen aspecten van de boodschap van een verhaal actualiseren en in verband brengen met verschillende relatievelden in hun eigen bestaan. Voor de derde cyclus ligt hierbij het accent vooral op het relatieveld ‘zij – ik – zij’
 

Ze ontdekken in de brieven van Paulus zijn geloofsgetuigenis. Ze reflecteren op het Jezusbeeld dat spreekt uit de verhalen en de teksten.

 

Lesmateriaal

Over de lessen

De inhoud van het Abraham-/Ibrahiemproject werd verdeeld over 8 impulsen. Sommige daarvan werden opgesplitst in subimpulsen. Per sub-impuls wordt een lestijd van 50’ voorzien.

De rode draad wordt gevormd door de verhalen over Abraham uit ‘Het land onder de regenboog, verhalen uit het Oude Testament’, van Nico ter Linden, Balans, 2006, ISBN 90-5018-799-4.

Nico ter Linden studeerde theologie en was predikant in Nederland. Hij heeft na zijn zesdelig werk ‘Het verhaal gaat…’, waarvan ruim een half miljoen exemplaren verkocht werden en waarin hij de bijbelse verhalen voor volwassenen heeft herverteld en uitgelegd, ook drie kinderbijbels geschreven: ‘Koning op een ezel’, ‘Het land onder de regenboog’ en ‘De profeet in de vis’

De opeenvolgende verhalen zijn:

  • Abraham verschijnt op het toneel | Genesis 12
  • Abraham en Lot | Genesis 13 en 14
  • De wanhoop van Abraham | Genesis15, psalm 8
  • Abraham vecht | Genesis 15
  • Abraham en Hagar | Genesis 16
  • Het verhaal van de lach | Genesis 17 en 18
  • De ondergang van Sodom | Genesis 18 en 19
  • Zo gingen die beiden tezamen | Genesis 22
  • De dood van Sara | Genesis 23
  • De knecht die zoekt een vrouw | Genesis 24
  • De dood van Abraham | Genesis 25

Wanneer we verwijzen naar de verhalen uit ‘Het land onder de regenboog’, nemen we de namen van Abraham, Sara en Isaak, Hagar en Ismaël over zoals gebruikt in het boek.
In de rest van het project schrijven we waar nodig de dubbele namen: Abraham/Ibrahiem, Hagar/Hajar, Ismaël/Ismaiel, Isaak/Ishaak. We volgen hierbij de schrijfwijze uit ‘Profeten in de islamitische traditie’, Ahmed Kadri El Helou, Oase, Zoetermeer 2005, ISBN 90-74792-17-0.

We stellen voor om in de klas een nomadentent op te bouwen. Enkele goedgekozen losse attributen (stokken, doeken, touwen, zitkussens) kunnen al een hele sfeer oproepen. Bij de impulsen voorzien we naast de inhoudelijke beschrijving geregeld ook

  • achtergrondinformatie voor de leerkracht;
  • werkvormen voor geloofscommunicatie
  • een suggestie voor (product- of procesgerichte) evaluatie;
  • een tip voor een tent-moment

Impulsen

Impuls 1

1.1 Kennismaken met Abraham/Ibrahiem

Proloog-prelude

  • De werkwijze van de woordspin wordt aan de kinderen uitgelegd. Na elke les wordt er teruggeblikt en aangevuld. Deze startles is een eerste inventarisatie van wat de kinderen al weten over Abraham/Ibrahiem.
  • Je kan hiervoor een individueel groeischrift (logboek) gebruiken (lp p. 240). Als opstart vult ieder het zelf in. Deze dingen worden op het bord of later op een tentflap samengebracht.
  • Ga aan de slag met datgene wat de leerlingen reeds in de woordspin aanreiken.
  • Kondig aan dat je de eerste twee lessen over Abraham/Ibrahiem zal vertellen. Doe dit bij voorkeur in de zitkring. Start met het verhaal uit de Hadith. Leg de leerlingen het verschil uit tussen verhalen uit de Koran en verhalen uit de Hadith. Herlees hiervoor in de rubriek ‘visie’  het deel over onze keuze voor het werken met bijbelse en ‘koranse’ verhalen. De verhalen zoals ze in het genoemde boek van Baukje Offringa zijn opgenomen worden door moslims als sahieh beschouwd. (zie verder bij de achtergrondinfo)

De Koran is het enige van de door moslims erkende islamitische Heilige Boeken dat zuiver zou zijn overgeleverd. Volgens de islamitische traditie zijn de woorden in de Arabische taal door God via de engel Djibriel aan Mohammed "neergezonden". Een vertaling van de Koran wordt door moslims doorgaans niet als authentiek gezien, omdat vertalen automatisch interpreteren zou betekenen. Iedere vertaling is dus 'slechts' een interpretatie. Vertalingen vertonen, door de opbouw van de Arabische taal, op essentiële punten grote verschillen en worden dan ook niet als gezaghebbend erkend. Exegese op de Arabische Koran is wel mogelijk. De Koran is de eerste bron van de islam, maar de Overleveringen (Hadith) zijn de tweede bron. De Ahadith, meervoud van Hadith ('dat wat verteld wordt') zijn de in grote verzamelingen vastgelegde, islamitische overleveringen over het doen en laten en de uitspraken van de profeet Mohammed. Via deze overleveringen kent men de soenna, de manier van de profeet. Voor de overgrote meerderheid van de moslims vormen de Ahadith een aanvulling op en interpretatie van de Koran.

De Ahadith zijn als volgt geclassificeerd:

  • sahieh 'zeer betrouwbaar'
  • hasan 'goed, maar minder betrouwbaar'
  • da'ief 'twijfelachtig' en
  • mawdoe 'verzonnen'

De voorwaarden voor een sahieh-overlevering moet aan vijf voorwaarden voldoen. Een moslim hoeft niet te geloven in een hadith. De Koran is altijd de primaire bron.

  1. De Hadith dient terug te gaan tot Mohammed door een onafgebroken keten van overleveraars. Al-Bukhari ging hierbij er van uit dat het historisch bevestigd moest zijn dat twee opeenvolgende overleveraars elkaar ontmoet hadden. Muslim en anderen vonden dat het al voldoende was dat als deze overleveraars elkaar theoretisch gezien konden hebben.
  2. De overleveraars moeten bekend staan als oprecht. Sommigen vinden het al voldoende als een overleveraar moslim was, anderen stellen dat de oprechtheid bevestigd dient te zijn.
  3. De overleveraars dienen bekend te staan om hun goede geheugen. Ook hierover bestaat verschil van mening.
  4. De Hadith dient vrij te zijn van afwijkingen van de bevestigde standaardoverleveringen. Zo kunnen vier verschillende overleveraars dezelfde Hadith overleveren die aan de eerdere voorwaarden voldoet. Drie Ahadith hebben bij nadere bestudering dezelfde bewoordingen, terwijl een afwijkend is. Deze afwijkende Hadith wordt dan niet geaccepteerd.
  5. De Hadith dient zowel qua tekst als qua keten van overleveringen zonder een verborgen mankement te zijn die waarschuwen voor de onechtheid ervan. Hiervoor is veel deskundigheid vereist.

Ibrahiem en de afgodsbeelden
Uit: ‘Marhaban. Verhalen uit de wereld van de islam’, Baukje Offringa, p. 23-24. ISBN: 90 211 3533 7

Lang geleden heerste over het land van Babel een koning, die Namroed heette. Hij beschouwde zichzelf als een god. En daarom wilde hij dat iedereen zich in eerbied voor hem zou buigen. In de tempels liet hij beelden van zichzelf plaatsen, zodat de mensen in het hele land hem konden aanbidden. Wie dat niet deed en alleen God bleef bidden, werd streng gestraft. Daardoor bleven er nog maar weinig mensen over, die God trouw bleven.

De mensen geloofden in veel goden, waarvoor ze beelden van hout of steen maakten. Ze dachten ook dat de zon, de maan en de sterren goden waren. Maar er leefde een jongen in dat land, die er anders over ging denken. Zijn naam was Ibrahiem.

Op een avond toen de zon was ondergegaan en het donker werd, zag hij een grote ster aan de hemel verschijnen. ‘Dat is mijn God!’ riep hij uit. Maar toen de ster verdween zei hij: ‘Nee, de ster is niet mijn god.’
De volgende nacht zag hij de maan helder schijnen aan de donkere hemel, en hij zei: ‘Dat is mijn God! Hij zal mij beschermen.’ Hij ging rustig slapen. Maar toen hij de volgende morgen wakker werd, was de maan verdwenen. En Ibrahiem zei: ‘Nee, de maan is niet mijn god.’

De zon kwam stralend op en Ibrahiem zei: ‘Dàt moet mijn God zijn! Hij is het grootste licht aan de hemel!’ Maar toen het avond werd ging ook de zon onder. En Ibrahiem begreep dat ook de zon geen god is.
Hij boog zijn hoofd en zei: ‘Ik geloof niet meer in de dingen die ik zie komen en verdwijnen. Ik wil alleen geloven in God, die de Schepper is van de hemel en de aarde.’

De volgende dag werd een groot feest gevierd voor de afgoden in de tempel. ‘Kom, Ibrahiem’, zei zijn vader, ‘ga mee naar de tempel om tot de goden te bidden.’ Maar Ibrahiem wilde dat niet doen.

‘Vader, waarom vereer je dingen die niet kunnen horen en niet kunnen zien?’ vroeg hij. ‘Denk je dat die beelden goden zijn? Als je die afgoden aanbidt, sta je in dienst van de satan, die tégen God is.’ Zijn vader werd boos en zei: ‘Keer jij je af van mijn goden? Als je niet ophoudt zo over hen te spreken, zal ik je stenigen!’

Ibrahiem liep weg van zijn vader. Maar tegen de mensen, die hij tegenkwam zei hij: ‘Er is maar één God, en dat is Allah. Hij maakte de zon, de maan en de sterren, de planten en de dieren. Hij laat het voedsel groeien. God heeft de aarde zo gemaakt dat we erop kunnen leven. Die beelden, waarvoor jullie bidden, zijn niet meer dan stukken hout en steen.’
Maar de mensen lachten Ibrahiem uit en riepen: ‘Wat zeur je toch, jongen. Kom, ga met ons mee feestvieren!’ In hun mooiste kleren, met schalen vol lekker eten en kruiken met wijn liepen ze in een lange optocht zingend naar de tempel. Daar zetten ze het eten en de wijn voor de afgodsbeelden neer als een offergave. Daarna vierden ze de hele dag feest en aten en dronken van hetgeen ze voor de afgoden hadden meegenomen.

Ibrahiem was er die dag niet bij, maar in de nacht, toen alle mensen naar huis waren gegaan, nam hij een bijl en ging ermee naar de tempel. Daar was het nu stil. Ibrahiem hoorde alleen het snurken van de tempelwachters, die na het drinken van de wijn niet meer wakker konden blijven. Ze sliepen zo diep, dat ze niet eens hoorden dat Ibrahiem de afgodsbeelden met zijn bijl stuk sloeg; àlle beelden, behalve het grootste. Toen hij klaar was, hing hij de bijl om de nek van dat grote beeld en ging naar huis.

De volgende morgen zagen de tempelwachters tot hun grote schrik wat er gebeurd was. Ze waren woedend en riepen: ‘Wie dat gedaan heeft moet onmiddellijk gedood worden!’ Ze waarschuwden de priesters en alle mensen die ervan hoorden, kwamen kijken.

Een man zei: ‘Ik weet wel, wie de schuldige is. Dat is Ibrahiem! Hij haat onze goden. Op het feest heeft hij ook geen offer voor hen gebracht.’ Ibrahiem werd opgehaald en door de woedende menigte naar de tempel gesleurd.
‘Heb jij dat gedaan met onze goden, Ibrahiem?’ vroegen de priesters. Ibrahiem wees naar het grootste beeld en zei: ‘Zien jullie niet, dat jullie belangrijkste god een bijl heeft? Hij moet het dus gedaan hebben. Waarom vragen jullie het hem niet?’

‘Beelden kunnen niet spreken en ook niet met een bijl slaan’, zeiden ze. ‘Jullie bidden dus tot brokken steen die stom zijn en geen enkel nut hebben!’ zei Ibrahiem. ‘Het is een schande dat jullie zulke stomme dingen vereren en God vergeten!’

‘Deze jongen moet verbrand worden!’ riepen de priesters woedend. ‘Hij mag onze goden niet langer beledigen.’ En ze brachten hem voor koning Namroed, die de doodstraf over hem uitsprak.

Namroed liet iedere man, als een verplichting tegenover de afgoden, zoveel hout voor de brandstapel brengen als een ezel kon dragen. Toen het vuur aangestoken werd, was het zo hoog dat de gloed ervan in het hele land te zien was. Ibrahiem werd erin gegooid. En koning Namroed keek toe, met alle andere mensen. Maar toen het vuur was uitgebrand en het hout tot as verteerd, stond Ibrahiem daar… ongedeerd. Hij leefde! Terwijl de menigte stomverbaasd toekeek, liep Ibrahiem naar Namroed toe. Hij knielde niet voor de koning, maar bleef met opgeheven hoofd voor hem staan.
‘Wie is jouw God?’ vroeg Namroed.

Allah is mijn Schepper. Hij alleen geeft het leven en Hij alleen mag het leven nemen!’ zei Ibrahiem.
‘Ik doe leven en ik doe sterven’, zei Namroed en hij liet twee mensen uit de gevangenis halen. De ene liet hij doden, de andere liet hij in vrijheid gaan. ‘Zie je wel’, zei hij, ‘ik heb er één laten sterven en één laten leven.’

Ibrahiem zei: ‘God laat de zon opkomen in het oosten; laat u hem nu eens opkomen in het westen. ‘Toen zweeg Namroed want dat kon hij niet doen. En Ibrahiem keerde zich om en liep weg. Niemand hield hem tegen.

1.2 ABRAHAM/IBRAHIEM KIEST…

Neem terug plaats in de zitkring. Kondig aan dat er in deze tweede les geluisterd wordt naar een verhaal over de jonge Abraham dat tot de joodse traditie behoort.

Abraham en de beelden
Uit: ‘De gouden sleutel. Verhalen bij thema’s uit de bijbel’. Baukje Offringa. p. 141-143  ISBN: 90-211-3556-6
Naar een joods Midrasjverhaal (commentaren bij een verhaal uit de Tenach)

Abraham woonde als jongen bij zijn vader in een stad die aan de grote rivier de Eufraat lag. De vader van Abraham heette Terach. Van die Terach wordt verteld dat hij prachtige beelden kon maken: poppen van klei en poppen van hout. Terach was er beroemd om. De mensen wilden die beelden graag kopen, want ze geloofden dat zo’n beeld een god was, die hen kon beschermen tegen gevaren of dat het beeld hen beter kon maken als ze ziek waren.

Op een dag moest Abraham met de beelden, die vader Terach had gemaakt, naar de markt om ze te verkopen. Daar had Abraham helemaal geen zin in. Het was een heel eind lopen naar de markt en de zal met beelden op zijn rug was erg zwaar.

Onderweg zei hij tegen de beelden: ‘Het is niet eerlijk, dat ik jullie moet dragen. Als jullie echte goden zijn, dan moeten jullie mij kunnen dragen.’

De beelden gaven geen antwoord en Abraham kreeg pijn in zijn rug van de zware zak. Daardoor werd hij zo kwaad, dat hij de zak op de grond gooide en met een steen de beelden stuk sloeg. Met de lege zak liep hij weer terug naar huis.
‘Heb je alle beelden al verkocht?’ vroeg zijn vader verbaasd.

‘Nee vader’, zei Abraham, ‘de goden kregen onderweg ruzie en toen hebben ze elkaar stuk geslagen.’
‘Dat kan toch niet!’ zei Terach boos. ‘Dit zijn beelden, die ik met mijn eigen handen gemaakt heb. Die kunnen elkaar niet slaan.’

‘U gelooft dus zelf ook niet, dat een beeld een god kan zijn!, zei Abraham, ‘wat hebben de mensen aan zo’n ding in huis? Ik vind het dom dat ze daarvoor veel geld betalen.’

Maar Terach maakte nieuwe beelden en Abraham moest er weer mee naar de markt om ze te verkopen. Hij stalde ze uit op de markt en al gauw kwamen er kopers.
‘Wat kosten die beelden?’ vroegen ze. Met opzet vroeg Abraham zoveel geld, dat de klanten hoofdschuddend wegliepen.

Even later kwam er een oud vrouwtje de markt op. Ze stond lang naar de beelden te kijken en vroeg tenslotte: ‘Wat kost dat kleine beeldje daar?’

Abraham, die zag dat de vrouw erg arm was, zei: ‘Vrouw, je hebt niet meer verstand dan een klein kind.’
De oude vrouw schrok. Ze dacht dat Abraham boos was, omdat ze het goedkoopste beeld wilde kopen.
‘Ik heb niet genoeg geld voor een groot beeld’, zei ze, ‘dit is al het geld dat ik heb, misschien is het juist genoeg voor dat kleine beeld.’

‘Ja, dat is nu zo dom van je’, zei Abraham, ‘je wilt al je geld geven voor zo’n houten beeldje. Maar dan heb je straks geen geld meer om eten te kopen. Misschien ga je dood van de honger. Wat heb je dan aan zo’n beeld? Je kunt het niet opeten. En het kan jou ook geen eten geven.’

‘Maar jongen’, zei de vrouw, ‘dat is niet zo maar een beeld! Het is toch een god? Als ik voor die god ga bidden, zal hij er wel voor zorgen, dat ik genoeg te eten krijg en dat ik gezond blijf.’
‘Hoe oud ben je?’ vroeg Abraham.
‘Tachtig jaar’, zei de vrouw.
‘Maar wie heeft jou dan tot nu toe geholpen? Jij bent al tachtig jaar en deze beelden zijn nog maar één dag oud. Mijn vader heeft ze gisteren gemaakt.’
De vrouw vroeg: ‘Als deze goden ons niet kunnen helpen, wie helpt ons dan als we pijn of verdriet hebben? Op wie kunnen we dan vertrouwen?’
‘We kunnen alleen vertrouwen op God, die de hemel en de aarde gemaakt heeft’, antwoordde Abraham. ‘Hij is de ene God, die ons nooit in de steek zal laten.’
‘Dan wil ik op die ene God vertrouwen’, zei de vrouw, ‘en dan heb ik geen beeld nodig.’
Op deze manier raakte Abraham zijn beelden natuurlijk niet kwijt en hij verdiende geen geld voor zijn vader. Die avond liep hij weer met de zware zak op zijn rug naar huis.
Bij een rivier, waar hij doorheen moest opdat er geen brug was, gooide hij de zak met beelden op de grond en zei: ‘Ik heb jullie hierheen gedragen. Het wordt tijd, dat jullie nu ook eens wat doen. Breng me maar naar de overkant.’
De beelden zeiden niets en deden niets. Abraham gooide ze in het water en riep: ‘Ga alvast naar de overkant, dan kom ik achter jullie aan.’ Het stromende water van de rivier nam de beelden mee. ‘Kom terug!’ schreeuwde Abraham, maar de beelden dreven verder. Ze hoorden zijn stem niet.
Abraham ging bij een ondiepe plaats door de rivier naar de overkant. Met de lege zak kwam hij terug bij zijn vader, die vroeg: ‘Heb je vandaag alle beelden verkocht?’
‘Nee vader’, zei Abraham, ‘u moet de goden maar aan een ander toevertrouwen. Mij gehoorzamen ze niet, ze vinden me zeker te jong. Wanneer ik wat tegen hen zeg, begrijpen ze me niet. Ik zei, dat ze naar de overkant van de rivier moesten zwemmen. Maar ze luisterden niet naar me en lieten zich met de stroom drijven.’
‘Jongen, jij wordt elke dag dommer’, zei Terach boos, ‘je weet toch dat beelden niet kunnen horen, niet kunnen zien en niet kunnen praten!’
‘Ja, nu zegt u het zelf vader. Die godenbeelden hebben oren, maar ze kunnen niet horen; ze hebben ogen, maar ze kunnen niet zien; ze hebben een mond, maar ze kunnen niet praten. U gelooft dus zelf ook niet dat die beelden de mensen kunnen helpen.’
‘Pas op!’ waarschuwde Terach. ‘Als de koning hoort wat jij zegt over de goden van dit land, dan laat hij jou in de gevangenis gooien.’
‘En toch is er maar één God’, zei Abraham, ‘we kunnen hem niet zien met onze ogen, maar ik wil alleen bidden voor die ene God.’ En Abraham trok weg uit het land van de godenbeelden.

Bespreek met de kinderen wat ze herkennen uit het Hadithverhaal van de vorige les. Vraag naar wat nieuw of vreemd voor hen is.

Breng een vergroting van deze afbeelding in de groep. Nodig de leerlingen uit om in de schoenen van Abraham/Ibrahiem te gaan staan.
Welke gevoelens komen er bij hen op?
Noteer deze in verschillende kleuren rond de afbeelding.

Je kan dit ook op een werkblad  aanbieden:

  • Wat roept deze prent bij je op?
  • Leef je in in de gevoelens van de reiziger. Hoe zou hij/zij zich voelen?

Noteer de kruisende woorden op het bord: Kiezen is…

W
I
EN
N
VERLIEZEN
N

Wat betekent voor Abraham/Ibrahiem dat winnen? dat verliezen?

Vervolledig volgende zinnen en bespreek ze:

  • Ik kwam in beweging voor (ik koos om)  …………………...................................................(te doen; te zijn) en hierdoor kan ik niet ………………………………………………………………………….. ..

Overleg met de leerlingen hoe je op een haalbare manier samen een tent in de klas kan bouwen. Leg hierbij de link naar een verblijfplaats voor de rondtrekkende Abraham/Ibrahiem. Laat hen eventueel op internet afbeeldingen opzoeken over nomadententen.

Zorg voor een voldoende stevige constructie waaronder je op vaste momenten in het project met de klasgroep kan plaatsnemen en waaraan je allerlei verwerkingen van de impulsen kan bevestigen.

1.3 Abraham verschijnt op het toneel

Lees vooraf in het cahier 'Ontmoeting, de islam binnen de katholieke godsdienstlessen in de basisschool', van Frans Hitchinson de informatie bij de invalshoek 'Godsbeeld'. Je kan deze teksten ook hier lezen

Neem met de leerlingen plaats in de tent. Doe dit telkens je een verhaal uit de Bijbel vertelt en leid dit moment met een bijbelritueel in: zet de Bijbel open in het midden van de kring op een standaard/een kussen/een kist, creëer een sfeer van respect voor het bijbelritueel met een kaars/een olielamp/muziek,… Vertel het verhaalfragment ‘Abraham verschijnt op het toneel’ uit ‘Het land onder de regenboog’, p. 51 – 53.

Ga vanuit de tekst met de kinderen in gesprek over hoe mensen beelden en namen gebruiken als ze over God/Allah praten. In het verhaal  wordt God als ‘een stem van binnen’ benoemd

Hoe spreken wij over God/Allah?

Werk met fototaal en met de 99 mooie namen van Allah.  
Zoek beelden op in de kijker "Tekens in (on)eindigheid".
of in de fotodatabank van de Thomaswebsite
of in boeken en tijdschriften.

De kinderen kijken naar de aangeboden foto’s.

Laat hen een foto uitkiezen die hen helpt om over God/Allah te vertellen. Die misschien past bij één van de 99 mooie namen.
De leerlingen vullen de foto aan met een tekstballonnetje of denken na wat ze er straks bij willen vertellen.

Theologiseren over beelden en namen over God

De kinderen komen terug in de tent zitten met hun foto. Aan de hand van de verschillende elementen die in de verhalen en in de voorbije oefeningen aan bod gekomen zijn, vertellen ze over hun foto. Theologiseren is zoiets als filosoferen, maar nadenken, vertellen én praten over God en geloven. Het doel is hier na te gaan hoe God/Allah in beelden en door namen ter sprake komt.
Maak ook tijd voor de nabespreking:

  • Wie vond de opdracht moeilijk? Waarom?
  • Welk foto’s zijn het meest gekozen?
  • Zijn er foto’s niet gekozen?
  • Welke argumenten of redenen kan je daarvoor aanhalen?
  • Wie of wat bepaalt wat het meest waardevolle beeld van God is. Waar is het afhankelijk van?
  • Als iedereen van de klas meedoet aan een stemming tussen de beelden over God, krijg je dan het meest waardevolle beeld van God? Waarom wel of niet?
  • Is zeggen: 'God is als een berg' hetzelfde als zeggen 'God is een berg'? Waar zit de gelijkenis of het verschil? Zegt een beeld iets of niets over wat echt 'is'?
  • Welke conclusies kunnen we uit dit gesprek naar voor schuiven. Zijn er elementen waarover iedereen het een beetje eens is?
  • Kunnen we dit dan een echte waarheid over God noemen? Waarom wel of niet?

sluitend tentmoment:

Neem plaats rond de foto’s. Nodig uit om rustig te kijken en voor wie wil een passende naam of woord te zeggen. Sluit af met de eerste stiltekaart: een postkaart met op de voorzijde een bedoeïenentent en op de keerzijde het verhaal van de honderdste naam. Gebruik nu enkel de tekstzijde (zie bijlage).

Er was eens een oude man. Hij had maar één wens. Hij wilde alle namen van God kennen. Hij kende er negenennegentig. Alleen de honderdste wist hij niet.
Op een avond zat hij bij zijn kameel en zei alle namen die hij kende. Toen hij bij de honderdste aankwam, keek hij zijn kameel* aan en zei hij: ‘Ik weet dat jij die honderdste naam kent. Als ik de goede naam zeg, stamp dan met je linkerhoef in het zand.’
‘Vredesvorst?’
De kameel verroerde niet.

‘De barmhartige?’

De kameel knipperde niet eens met zijn ogen.

‘Liefhebbende vader?’

De kameel gaapte.

Intussen begon de avond te vallen.

De eerste ster fonkelde aan de hemel.

De kameel richtte zijn kop op en spitste zijn oren.

‘Schepper van de sterren?’

Maar de kameel stond weer zo roerloos als daarvoor. Het was nu helemaal donker.

 

 

De man keek naar de ontelbare sterren in de hemel. Hij werd stil en dacht: ‘Wat is dat toch mooi! En dat heeft Hij allemaal geschapen! En hij dacht niet meer aan de honderd namen van God.’

* De bedoeïenen (rondtrekkende woestijnbewoners) vertellen dat kamelen alle honderd namen van God kennen. Daarom kijken ze zo hooghartig neer op mensen. (uit Samuel, geloofstijdschrift uitgeverij Averbode, jg. 6, december 2004)

Ingescande postkaart

Nabespreking van de inhoud (productevalutie) en het verloop van het gesprek (procesevaluatie)

  • Als je terugblikt op de voorbije lessen:
    • Wat is je bijgebleven?
    • Wat heb je er uit geleerd?
    • Ga je met iets uit dit gesprek verder rekening houden?
  • Alle leerlingen vullen hun individuele woordspin aan.
  • Wat heeft dit je geleerd over God/Allah? Heeft iets van wat de andere kinderen over God/Allah vertelden je aangesproken?
  • Wat zou je graag nog in een tekstballonnetje toevoegen aan de foto over God/Allah?
  • Hoe is het gesprek verlopen? Hoe is het begonnen? Was het luisterend, respectvol, waarderend, ruziënd, gekibbel,...? Hoe heb je dit gesprek ervaren? Wat was er prettig, aangenaam, deugddoend, leerrijk,...? Wat was er saai, lastig, storend,…? Waar zouden we in een volgend gesprek meer rekening mee moeten houden?

Deze vragen naar belevingen van de werkvorm worden geconcretiseerd en niet algemeen gehouden. Niet: Was het prettig, saai,…? Maar 'Wat' was er prettig, saai,…?' De vragen opgesplitst behandelen: eerst de positieve ervaringen inzamelen, pas nadien aanvullend en corrigerend de negatieve. Wel positief, constructief en opbouwend omgaan met de kritieken.

Impuls 2

2.1 Wat Abraham/Ibrahiem wenst

Breng de stiltekaart van het einde van de vorige les terug onder de aandacht.Laat de leerlingen beschrijven wat ze er allemaal op zien.Vraag ook door naar de betekenis(sen) die ze aan de elementen geven vanuit de verhalen van Abraham/Ibrahiem.

Noteer volgende zin op het bord (uit een lied van Elly en Rikkert):

Als er een ster valt, mag je een wens doen.
Wat zal ik wensen, ik weet het niet….

Fluister met de kinderen de zin: samen, in een fluisterkoor,…

Vraag nadien de kinderen

"Wat zou jij wensen als je een ster ziet vallen?"

Laat de kinderen wensen bedenken en schrijf een aantal daarvan op het bord. Je ordent ze in drie kolommen zonder aanduiding. Nadien breng je de onderstaande symbolen aan en bespreek je hun betekenis.

  De muntjes verwijzen naar hebwensen: bv. ik wens een eigen paard. Hier gaat het om tastbare dingen die je kunt kopen of regelen.
  Het toverstokje staat voor fantasiewensen: bv. ik wens dat ik vleugels heb en naar de maan kan vliegen. Het gaat om fantasiedingen die je niet kan kopen of maken.
  Het hartje verwijst naar hartenwensen: bv. dat niemand gepest wordt in de klas, dat mijn opa beter wordt of dat ik een zusje krijg. Hier gaat het om verlangens die je niet kunt realiseren door te toveren of door iets te kopen. Het zijn belangrijke dingen in je leven

Laat de kinderen aangeven welk symbool bij welke reeks wensen past. Houd een gesprek over de wensen: is een wens haalbaar of niet? Is een wens groot of klein?

Voorzie een werkblad in het logboek met de drie symbolen (toverstok, hart, munt) en de bijhorende benamingen. Vraag de leerlingen om individueel bij elke soort wens twee eigen keuzes te noteren: van het bord of nieuw geformuleerde.

Ga met de klasgroep in de tent zitten. Hang vooraf op het achterzeil een sterrenposter of losse sterren op. Plaats een groot, kartonnen silhouet van Abraham/Ibrahiem in de tent.

Houd een filosofisch gesprek met de leerlingen rond de vragen:

  • Hebben volwassenen andere wensen dan kinderen?
  • Hebben jongens andere wensen dan meisjes?
  • Zijn er wensen die eigenlijk ieder mens wel heeft?
  • Wat heeft het woord 'beloofd' te maken met wensen?
  • Wat zien de kinderen in de opbouw van de tent?
  • Welke vragen roept deze opstelling op?

Ook Abraham/Ibrahiem heeft wensen en verlangens die soms heel verrassend uitpakken.

Doe een bijbelritueel.

Vertel het verhaal over Abraham en Lot p. 54 tot 'Abraham begreep het niet goed. God zou toch met hen zijn, hij zou toch voor hen zorgen? Of had hij het zich maar verbeeld, van die stem?'

Wat zou Abraham zich nu wensen? …
Is dit een fantasiewens, een hartenwens, een hebwens?
  • ze hebben honger en met geld kan je eten kopen = hebwens
  • hij verlangt naar kinderen= hartenwens
2.2 Abraham en Lot

Het verhaalfragment van Abraham en Sara in Egypte wordt niet uitgewerkt.

Deze hele les vindt in de tent plaats.
Doe een bijbelritueel. Plaats zonder toe te lichten een potje met zand met daarin een kaart van mooi groen gras in het midden. (zie bijlage) Vertel het tweede deel van het bijbelverhaal over Abraham en Lot p. 56-57 (§1: tot 'bij de bomen van Mamre')

Abraham laat Lot kiezen. Lot kiest voor het mooiste deel, het groene land, ook al ligt de stad Sodom daar.
Bespreek dit deel van het bijbelverhaal:

Wat vind je daar van? Zou jij dat ook kiezen? Hoe zou Abraham zich nu voelen (nu hij het dorre deel heeft)?
Abraham is tevreden met de woestijn? Zou jij dat zijn? Hij hoopt, verlangt dat het ooit eens goede grond zal zijn… begrijp jij dat?

Vertel het laatste deel van het verhaal van Abraham en Lot (p. 57 (§2) – 58) waarin Abraham het voor Lot opneemt als de laatste in nood is.

Bespreek de uitspraak van oom Ben: ‘Wie in nood is, heeft een broeder nodig.’

Heb jij mensen die jou helpen…ook als jij iets fout hebt gedaan? Wie? Waarom doen ze dat?

Sluit af met een stilteritueel en een gebed (op de keerzijde van de kaart met het groene gras)

Grote Goede God
Sommige dingen laten zien dat er iets moois komt:
een uitnodiging voor een feest,
het frisgroene gras in de lente,
een buik waarin een kindje groeit.
Mensen hebben vaak mooie wensen.

Soms zien we dat uw wens, een goede wereld, dichterbij komt:
kinderen die elkaar helpen,
een hand die troost,
mensen die hulp krijgen.


Dank u God
voor al die mensen
die niet wachten
tot de wereld mooi wordt,
maar nu al beginnen.

Help ook ons om broeder te worden van wie in nood is.

 

Individueel aanvullen van de woordspin.

Impuls 3

Maak een vergroting van het silhouet van Sara. Plaats deze mee in de tent.

3.1 Over de twijfel van Abraham/Ibrahiem

Houd een gesprek over geloven, twijfelen en zeker weten

(uit:  VAN BODEGRAVEN, N. en KOPMELS, T., Wortels en vleugels,p. 180 – 181, een oefening voor kinderen tussen 8 en 12 jaar) www.wortelsenvleugels.nl

Bied op een werkblad drie cirkels aan. Laat boven de ene cirkel ‘geloof’ schrijven, boven de tweede cirkel ‘twijfel’, boven de derde cirkel ‘zekerheid’. Laat de letter van onderstaande zinnen door elke leerling in één van de cirkels schrijven.

  1. morgen komt de zon op
  2. drie maal drie is negen
  3. ik ben nu hier
  4. dieren zijn aardiger voor elkaar dan mensen
  5. de aarde is een bol
  6. ik groei elke dag een klein beetje
  7. de zon staat nu aan de hemel
  8. er is leven op andere planeten
  9. ik ben uniek
  10. ik heb volwassenen nodig
     
Geloof Twijfel Zekerheid

Neem plaats in de tent. Doe een bijbelritueel.
Vertel het verhaal 'De wanhoop van Abraham' (p. 59 – 61) en bespreek het a.d.h.v. onderstaande vragen.

Wie twijfelt? (Abraham en Sara)
Waaraan / Aan wie twijfelen ze? (twijfelen aan God / aan zijn belofte)
Wat neemt hun twijfel weg? (contact met God/ aanvoelen van Gods aanwezigheid in de schepping/ voor Sara het aanvoelen dat Abraham rust vindt)
Hoe zal het verder gaan?

Vertel het vervolg van het bijbelverhaal a.d.h.v. onderstaand tekstfragment:

“Later kwam de twijfel weer terug bij vader Abraham,' zei oom Ben. 'Want ik zei het al: geloof gaat meestal op en neer, het komt en het gaat. Wie gelooft, droomt ervan dat alles nieuw wordt, maar kent ook het bange vermoeden dat die droom be­drog is. Er valt zo weinig van te zien.
Weer werd het nacht. Abraham lag te woelen in zijn bed, hij deed geen oog dicht. Kon hij niet beter ophouden met te hopen dat hij een zoon zou krijgen, dan hoefde hij er ook niet meer aan te wanhopen? Hij ging de woestijn in. Dan hoorde hij de stem veel duidelijker.

...

Toen de zon was opgegaan, keerde Abraham naar huis terug. Met nieuwe hoop. Als God komt, komt hij op zijn tijd.  Maar hij zal komen. God laat hem niet in de steek.” 
(naar het verhaal ‘Abraham vecht’ p. 62 – 64)

Lesafsluiter

De leerlingen nemen hun blad met de drie cirkels.
Nodig hen uit om in groepjes in elke cirkel één situatie uit het verhaal te schrijven die volgens hen bij geloof – twijfel – zekerheid past.

Ze verwoorden dit in de klasgroep. Noteer bondig op de silhouetten van Abraham/Ibrahiem en Sara.

3.2 De jaloezie van Sara

Vooraf klaar te maken: de silhouetten Hagar/Hajar en Ismaël/Ismaiel

Enkele gespreksopeners:

  • Weet je nog wat Abraham/Ibrahiem dacht?
  • Wat zou jij doen als het nog jaren en jaren duurt?
  • Kan jij geloven in een God die je niet ziet?
  • Wat denk je: ‘Is God/Allah te zien?’

Doe een bijbelritueel. Vertel het eerste deel van het verhaal over Abraham/Ibrahiem en Hagar/Hajar (p. 65 – 67)

Wie komt bij in onze tent?

Zet de silhouetten van Hagar/Hajar en Ismaël/Ismiel bij in de tent.

Kies uit onderstaande werkvormen wat aansluit bij jouw groep:

Partnerwerk:
Hoe gaat het verder? Schrijf per 2 een vervolg op het verhaal.

Bibliodrama:
De kinderen kiezen partij voor Hagar/Hajar of Sara/Sara.
Ze gaan in 2 rijen staan met hun gezicht naar elkaar.
De leerkracht speelt reporter en vraagt kinderen om hun mening te verwoorden.

Wie ben je? Hoe kijk jij naar…? Waarom denk je dat van haar? Waarom ben je boos?  Geef hen de kans op elkaar te reageren. Begrijp je dat van …?

Microdrama:
De kinderen mogen verspreid over de klas plaats nemen en zich inleven in een personage uit dit verhaal.
Jij gaat ‘als reporter’ rond en vraagt wie ze zijn; waarom; hoe ze zich voelen ‘als X’; wat ze denken van de andere personages in het verhaal.

Observeer de leerlingen tijdens bibliodrama.

Impuls 4

4.1 (Bijbelse) gastvrijheid

Maak aan de tent een tentflap die dicht kan.

Vertel het prentenboek ‘Rachid en de blauwe mannen’ van Elly Hees a.d.h.v. enkele prenten. Neem het verhaal vooraf zelf goed door en vertel het kernachtig. Het accent van de vertelling moet op het gastvrij onthaal liggen. Toon hierbij zeker de prent.

Tijdens het verhaal neem je plaats in de tent. Open de tent. Ontvang er je leerlingen gastvrij: eventueel met dadels, honing, brood, thee… Geef deze dingen een blijvende plek op een klein bijzettafeltje.

Bespreek dit alles vanuit de vertelling:

  • Wie zijn de bezoekers? Wie zijn de gastheren?
  • Hoe onthaalt men de gasten?
  • Wat doen de mannen in het verhaal om de gasten te verwelkomen?
  • Hoe wordt die gastvrijheid beantwoord?
  • Heb je dit zelf al meegemaakt? Geef een voorbeeld.

Doe een bijbelritueel.
Vertel het verhaal van de lach (p. 68 – 71). Vertel het helemaal, maar benader het in deze les enkel vanuit de gastvrijheid. In de volgende subimpuls werken we rond het lachen van Sarah.

Ook in de Koran wordt uitgebreid ingegaan op de aankondiging van de geboorte van Isaak door drie gezanten van Allah en op het wonder van de geboorte van een kind uit bejaarde ouders.

Werken met kunstprenten

Een gestructureerde methodiek om gericht te kijken en te interpreteren vanuit beelddidactiek.

 

 

  1. een moment van OBSERVEREN
    • Plaats de prent goed zichtbaar voor de groep of zorg voor meerdere kleine afdrukken.
    • Nodig uit om gedurende een korte tijd rustig te kijken: Wat valt je op? Waaraan doet het je denken? Zet ondertussen een achtergrondmuziekje op.
    • Vraag naar de eerste indrukken.
  2. een moment van ANALYSEREN
    • Samen ontleden we wat er te zien is:
      • i.v.m. de opbouw van het beeld: vlakken, onderdelen, voor- en achtergrond, boven/onder, links/rechts, tekst of niet
      • i.v.m. de figuren: aantal, soort, grootte, houding, statisch of dynamisch
      • i.v.m. de gebruikte kleuren: welke, overheersend of ontbrekend, verdeling, licht of donker
  3. een moment van INTERPRETEREN
    • Betekenis geven aan bouwstenen die in stap 2 vermeld werden.
    • Betekenis geven aan het geheel van de prent.
    • Wat heeft de kunstenaar hiermee willen uitdrukken?
    • Doet dit beeld je denken aan andere beelden, verhalen of gedichten? Wat is dan het verband?
  4. een moment van IDENTIFICEREN
    • Wat doet het jou? Wat vind je mooi, leuk? Wat stoot je af?
    • Welke houding zou jij aannemen als je de plaats van de figuur mocht innemen?
  5. een moment van persoonlijk VERWERKEN

Enkele concrete vragen:

  • Wie zijn de drie bezoekers? Wie is de gastheer?
  • Hoe onthaalt Abraham hen?
  • Wat doet hij precies om hen welkom te doen voelen?
  • Wanneer beseft Abraham dat deze bezoekers geen gewone bezoekers zijn?
  • Hoe wordt de gastvrijheid van Abraham beloond?
  • Wat herken je op alle prenten?
  • Zie je iets dat je nergens anders terugvindt?

In kleine groep gaan de kinderen in gesprek:

  • Zou jij zomaar je tent openzetten voor onbekenden?
  • Kan je voorbeelden geven van situaties waarbij mensen aan onze deur komen (breder op te vatten dan letterlijk mensen die aan de deur aanbellen) en waarvoor we niet gastvrij zijn? Daarna zoeken de leerlingen naar manieren waarop we toch voor deze mensen onze deur kunnen openzetten.
  • Maak in groep één strook: ‘Gastvrijheid is…’. We bundelen na de uitwisseling deze stroken als een deurhanger aan de tent.

 

Kunstprenten

Chagall

Van Gelder

Roebley

Koder

4.2 Het verhaal van de lach

Tot de vaste bestanddelen van Arabische namen behoren de woorden:

  • ibn: zoon van
  • bint: dochter van
  • aboe en abi: vader van
  • oemn: moeder van

Ook de zoon van Sara en Abraham heeft een betekenisvolle naam: Isaak. Dit betekent 'het kind dat de lach brengt'.

Houd het silhouet van Isaak klaar.

We gebruiken de afbeelding van Sieger Köder als stiltekaart. Op de keerzijde staat volgende tekst uit Hemel en aarde, themanummer Abraham, nr. 5 jaargang 4, zomer 2005 p. 9: Telefoongesprek. (strofe 1 en 2)

Wat zegt u, God?
Een groot volk? Ik?
Hoe komt u daar nou bij? Hoe groot dan?
De sterren tellen, hoezo?
Nou goed dan, omdat u zo aandringt:
een, twee, drie… ontelbaar.

Wat zegt u?
Nog veel meer? Hoeveel dan?
De zandkorrels van de woestijn?
Allemaal?
Nou vooruit dan maar, als u het zegt:
een, twee, drie…
Onvoorstelbaar, laat me niet lachten!

Wat zegt u?
Nee, ik lach u niet uit. Het is alleen zo, zo…
Nee, dat hoeft niet.
Ik geloof u op uw woord, echt.
Maar hoe vertel ik het mijn vrouw?
Aan u overlaten?

Weet u dat zeker? Sara is nogal,
hoe zal ik het zeggen…
Ja, precies.
U weet het zeker?
Goed. Afgesproken. Ik geloof u.
Beloofd is beloofd.
Dank u wel, God.

Kijk met de kinderen vanuit het voorgaande telefoongesprek terug naar het verhaal van de vorige les. Heb vooral aandacht voor het tweede deel.

Zoek en omschrijf samen verschillende soorten van lachen. Probeer ze ook eens uit.
Schrijf ze misschien op kleine kaartjes en laat enkelen een kaartje trekken. Laat uitbeelden en raden. Enkele mogelijkheden: blij lachen, grijnzen, groen lachen, glimlachen, gieren van het lachen, bulderen van het lachen, in het vuistje lachen, iemand toelachen, zenuwlachje, iets weglachen,…

Abraham lacht… Hoe zou hij lachen? Wie lacht hij toe?
Hoe reageert hij op de belofte van de 3 mannen?
Hoe zou jij reageren?
Sara lacht… Waarom lacht ze?
Hoe is haar lach? Zou jij zulk nieuws ook weglachen?
Zou je hopen dat het waar was of toch maar vol ongeloof reageren?

Bibliodrama: de lege/open stoel

Nodig de kinderen uit Sara vragen te stellen en als Sara te komen antwoorden.
Wat zou je haar willen vragen?

Na het gesprek vraag je of ze begrijpen waarom ze lachte?
Hoe is haar ‘lachen’?

Breng zelf de vraag binnen of zo’n ‘oude vrouw’ inderdaad nog kinderen kan krijgen? Waarom zou men dit zo in het verhaal vertellen? (om te beklemtonen dat God met mensen wondere wegen gaat.)

Een persoonlijke bezinning rond de uitspraak: Voor God/Allah is niets onmogelijk.

Nodig de leerlingen uit om in het groeischrift stil te staan bij bovenstaande gedachte.

Noteer hoe jij daarover denkt.
Wie wil of kan hierover kort iets vertellen.

Nadien vult ieder de woordspin verder aan.

Ik voelde mij bij deze taak:

omdat:

Ik onthoud van ………………… dat ………………………………………….

Herlees de kaart van het stilteritueel. Lees nu de hele de tekst voor.

Impuls 5

5 De hadj, één van de vijf zuilen van de islam

“Bijbel en Koran beschrijven de dramatische gebeurtenissen rond de twee zonen van Abraham/Ibrahiem.

Het Bijbelse verhaal is er één van vooroordeel, verbanning en verdriet. Tot twee maal toe wordt Hagar, de Egyptische slavin, gedwongen de tent van Abraham te verlaten en de woestijn in te vluchten. Maar God en zijn engel steken tot tweemaal toe een helpende hand uit. Zo ontdekt Hagar - net voordat Ismaël, de eerstgeborene, van de dorst omkomt - op tijd een waterbron. Tot slot lezen we in de Bijbel Gods belofte dat ook Ismaël stamvader van een groot volk zal worden.

Het verhaal van Hajar en Isma’iel wordt in de Koran slechts summier behandeld, zonder uitdrukkelijke vermelding van Hajar. Het koranvers 14:37 (37 O Heer, ik heb mijn gezin laten wonen in een dorre vallei, naast Uw heiligdom, zodat zij het gebed kunnen verrichten. Zorg ervoor dat de mensen medelijden krijgen en hun wat te eten geven. Misschien zullen ze me dan dankbaar zijn.”) wordt pas begrijpelijk tegen de achtergrond van het overgeleverde verhaal (hadith) dat Ibrahiem Hajar en Isma‘iel niet zonder meer (zoals in het Bijbelse verhaal) de woestijn in stuurde, maar hen naar de ruïnes van het heilige huis, de Ka‘ba in Mekka, bracht. Daar zou Hajar, in dat woeste en droge oord, wanhopig op zoek naar water voor haar baby, zeven keer op en neer zijn gerend tussen twee bergen, de as-Safa en de al-Marwa. Hajar wordt zelf in de Koran niet met name genoemd, maar de beide bergen wel. Het zeven keer heen en weer rennen, mede ter ere van het geduld van Hajar, is een van de verplichte rituelen tijdens het volbrengen van de hadj (bedevaart) naar Mekka, die elke moslim zo mogelijk eenmaal in zijn of haar leven moet volbrengen. Daarbij drinken pelgrims nog altijd van de bron (ZamZam) die Hajar en Isma‘iel uiteindelijk gered heeft.

De weinige woorden die aan Isma‘iel in de Koran besteed worden, hebben een zeer positieve lading. Hij wordt in één zin genoemd met de grote profeten. Ook over Ishaak, de tweede zoon van Ibrahiem, is de Koran lovend.

De dramatische gebeurtenis van het bijna-offer van Abrahams zoon Isaak komt ook in de Koran voor, maar daar gaat het (naar islamitische overlevering) om Isma‘iel. Er wordt immers gesproken over de eerstgeborene. Er zijn nuanceverschillen tussen de twee versies van het verhaal. Anders dan Abraham krijgt Ibrahiem geen goddelijk bevel, maar ziet in een droom dat hij zijn zoon zal offeren. Hij is ook openhartiger en bespreekt het offer met zijn zoon, waar Abraham het kind Isaak in het duister laat. Bijzonder is de bereidheid van het kind Isma‘iel om aan het offer mee te werken.

Isma‘iel wordt wel uitdrukkelijk genoemd als het gaat om het (weer) opbouwen van het heilige huis, de Ka‘bah in Mekka. Hij helpt zijn vader dit heilige huis in gereedheid te brengen voor het offerfeest, dat nog altijd door moslims gevierd wordt na de periode van de Hadj.

De twee broers treffen elkaar volgens de Bijbel nog één keer bij de begrafenis van hun vader. Na Abrahams dood krijgt Isaak Gods zegen.”
(bron: www.bijbelenkoran.nl)

Deze les vertrekt niet vanuit een verhaal, maar vanuit een specifiek ritueel uit de wereld van de islam. Nadien verklaren we het ritueel vanuit een verhaal.

Start de les met de volgende vraag:

‘Wat doen mensen om belangrijke gebeurtenissen/verhalen nooit te vergeten?’

Breng vanuit de antwoorden de betekenis van een ritueel aan. Maak dit duidelijk a.d.h.v. enkele concrete voorbeelden:

  • het breken van brood in de eucharistie bij de christenen verwijst naar het verhaal van het laatste avondmaal dat Jezus met zijn apostelen vierde,
  • de bedevaart naar Mekka van de moslims roept de gebeurtenissen uit het verhaal van Hajar en Isma’iel op,
  • de cedermaaltijd van joden brengt jaarlijks het verhaal van de uittocht uit Egypte in herinnering.

Lees vooraf grondig zelf de hadith over Hagar/Hajar en Ismaël/Ismaiel.  (bijlage 1). Ken je nog het verschil tussen verhalen uit de Koran en verhalen uit de Hadith (cfr. IMPULS 1) Besef dat beide bronnen belangrijk zijn in de moslimtraditie, maar dat ze  een ander ‘statuut’ hebben. Het verhaal zit verweven in de twee reisverslagen. Als je denkt dat het nodig is om het toch vooraf te vertellen, kan je dit doen.

In wat volgt lezen en beluisteren we eerst het verslag van Nordin die op bedevaart naar Mekka gaat. Zijn ervaringen worden in twee mails, een telefoongesprek, een postkaart en een brief verwoord. Je verdeelt de klas hiervoor in 5 groepen en bezorgt hen voldoende exemplaren van hetzelfde bericht.

Laat het bericht lezen en de moeilijke woorden opzoeken. Je kan eventueel de vormen van communicatie verder toelichten en navragen via welke kanalen zij ook wel eens communiceren.

De berichten samen vormen het volledige verslag. Na het tweede verhaal kunnen ze chronologisch geordend worden.

postkaart van Nordin aan Ahmed
 

Brief van Nordin aan een goede vriend

Beste Said,

Ik hoop dat je het goed stelt en dat je je nieuwe huis al gewoon bent. In het voorjaar kom ik je enkele dagen helpen, inch’Allah, dan gaat het werk wat sneller.

Hier bij ons gaat alles zijn gewone gangetje, behalve dat mijn moeder er met de dag op achteruitgaat. Toen ik haar vorige week in het ziekenhuis een bezoek bracht, was ze vrij rustig. Van één ding had ze spijt, zei ze: dat ze nooit de hadj had gedaan. Dat heeft bij mij iets losgemaakt: ik stel mijn bedevaart naar Mekka niet langer uit. Je denkt altijd: later, later, ik heb nog mijn hele leven voor mij… Je weet echter nooit wat de toekomst brengt. Ik zal er voor haar bidden en als ik terug ben, zal ik haar gaan vertellen wat we allemaal hebben meegemaakt.

Ik vertrek op 20 januari met het vliegtuig van Schiphol, samen met mijn vader. Ik hoop dat je ons kan komen uitzwaaien.

Mijn vaders hadj van acht jaar geleden heeft zo’n diepe indruk op hem nagelaten, dat hij absoluut nog een keer naar Mekka wil. Eigenlijk wil hij dat mijn broer ook meegaat, maar die heeft nooit tijd en vindt het te duur… De hele buurt heeft ons gelukgewenst – alleen de oude Mohammed niet: die vindt dat ik met mijn 38 jaar nog te jong ben voor de hadj. Hij is gewoon jaloers, want hij heeft niet het nodige geld om zelf naar Mekka te gaan. Ik heb hem gezegd dat ik voor hem zou bidden en dat heeft hem wat milder gestemd, maar toch…

We reizen met het reisbureau Héjaz. Onze begeleider is imam Khaled. Hij zorgt voor alles: visa’s, vliegtickets, het hotel,.. Alles is prima georganiseerd, we hoeven aan niets te denken. Ik begin al ongeduldig te worden. Zodra ik precies weet wanneer het vliegtuig naar Jedda vertrekt, laat ik het je weten.

Veel groeten,

Nordin

Telefonische boodschap uit Mina
  • Dag, je bent bij de familie Marcouch. We kunnen nu niet antwoorden. Spreek na het geluidssignaal een boodschap in en we bellen je zo snel mogelijk terug.
  • Hallo iedereen. Het is papa. Ik weet niet of je mijn mail hebt aangekregen. Het heeft geen zin dat jullie me terugbellen, want ik zet mijn gsm af. Wij zijn nu in Mina en we gaan zo dadelijk slapen. Ik ben doodmoe. We hebben de hele dag stenen geraapt in Muzdelifa en ik heb ook die van opa gedragen. Alles samen 42 stenen, kun je het voorstellen? Morgen heel vroeg gaan we met de stenen de duivel verjagen. Daarna stappen we in groep naar de berg Arafat, de berg van de profeet, om er de hele dag te bidden. We zijn de man van mevrouw Yattouti kwijtgespeeld. Ze is heel ongerust. Ik hoop dat we hem terugvinden voor we weer vertrekken.
    Zo, dat is het voornaamste. O ja, de tenten zijn hier splinternieuw. Er is absoluut geen gevaar dat ze invallen, zoals vorig jaar. Er is nu zelfs airconditioning.
    Houd je goed en tot binnenkort.

Neem plaats in de tent.

Geef iedereen het onderstaande verhaal over de hadj. (bijlage 2)
Laat de leerlingen het in stilte lezen. Het verhaal is vrij lang. Misschien moet je het opdelen in enkele delen. Je kan ook een ouder die de hadj al gedaan heeft, het verhaal uit eigen ervaring laten vertellen. Spreek dit vooraf met hem of haar goed door. Vraag om de belangrijkste momenten uit het tweede verslag zeker ter sprake te brengen.

Onderbreek het verhaal telkens op de plaats waar de leerlingen hun bericht herkennen. Hang de berichten chronologisch in de tent.

Geef de leerlingen tot slot de opdracht op zoek te gaan naar iemand die al naar Mekka op hadj geweest is. Wat zouden zij die personen willen vragen? Kennen deze mensen het verhaal van Hagar/Hajar en Ismaël/Ismiel?

Laat de leerlingen de volgende les over deze gesprekjes/ontmoetingen vertellen.

stiltemoment:

Nodig uit om het  heel stil te maken.
Vraag om te denken aan iets dat de moeite waard is om niet te vergeten: iets dat we willen herdenken, iemand die overleden is, een verhaal dat voor ons belangrijk is, een ritueel waaraan we deelnemen.

Verwoord als leerkracht de idee van verbondenheid ondanks de verschillen. 
Roep op tot respect, vraag eerbied voor de verschillen. Wij kunnen samen dingen doen in de klas, al heeft niet iedereen hetzelfde geloof.

Laat in het groeischrift de woordspin verder aanvullen vanuit deze impuls.

 

Bijlage 1: De hadith over Hajar en Isma'iel

uit ‘Marhaban. Verhalen uit de wereld van de islam’, Baukje Offringa, p. 23 – 24

Vele jaren nadat Ibrahiem uit het land van Babel was weggetrokken, liep hij met een jonge vrouw door de Arabische woestijn. De vrouw heette Hagar en ze droeg in haar armen hun zoon Ismaïel. Hagar liet haar lange rok over de grond slepen, zodat haar voetstappen in het zand uitgewist werden. Want ze was bang dat Sara, de eerste vrouw van Ibrahiem, haar achterna zou komen. Sara was jaloers op Hagar, omdat Hagar een zoon had gekregen, terwijl Sara geen kinderen had.
Ibrahiem en Hagar kwamen in de vallei van de Hidzjaaz, waarin de verwoeste Kaäba met de heilige zwarte steen onder het zand verborgen lag. Bij een heuveltje met roodbruin zand bleef Ibrahiem staan. Daar groeide een doornstruik, de enige struik die er in de vallei was. ‘Ga met Ismaïel in de schaduw van deze struik zitten’, zei Ibrahiem en hij zette een zak met dadels en een leren zak met water bij hen neer. Toen keerde hij zich om en verliet hen.
Hagar legde haar kind onder de doorstruik en liep Ibrahiem achterna. ‘O, Ibrahiem!’, riep ze angstig, ‘waar ga je heen?’ Je laat ons toch niet alleen achter hier in de woestijn waar niets en niemand te vinden is?’ Ibrahiem gaf geen antwoord en liep door. Hagar bleef vragen, maar Ibrahiem keerde zich niet om. Toen vroeg ze: ‘Heeft God gezegd dat je ons hier moet achterlaten?’
‘Ja’, zei Ibrahiem, ‘Allah wil het zo.’
‘Dan zal Hij ons niet aan ons lot overlaten’, zei Hagar en ze keerde terug naar haar kind, dat lag te huilen onder de doornstruik. Terwijl ze Ibrahiem in de verte zag verdwijnen, gaf ze Ismaïel de borst en dronk zelf van het water uit de zak. Maar dat raakte al gauw op en er was nergens water te vinden. Zand en stenen onder de hete zon, dat was alles wat Hagar om zich heen zag in de droge woestijn. Ze kreeg verschrikkelijke dorst en kon haar kind niet meer te drinken geven.
Ze legde Ismaïel in de schaduw van de doornstruik en keek naar hem zoals hij daar klagend lag te huilen. Ze wist dat hij spoedig zou sterven als ze geen water kon vinden. Ze kon het gehuil van haar kind niet meer aanhoren. Daarom liep ze naar de dichtstbijzijnde heuvel, de Safa, en beklom die. Ze keek uit over de vallei in de hoop dat er reizigers aan zouden komen, die haar konden helpen. Maar ze zag geen enkel levend wezen.
Toch gaf ze de moed niet op. Ze bond haar lange rok op, liep de heuvel Safa af en stak de vallei over naar de heuvel Marwa. Maar ook vanaf deze heuvel zag ze geen mens. Ze rende weer terug naar de Safa en toen weer naar Marwa. Heen en weer, wel zeven keer.
Nadat ze voor de zevende keer de Marwa had beklommen en uitgeput op de grond neerviel, hoorde ze een stem fluisteren. Ze luisterde… Weer hoorde ze de stem en ze zei: ‘U, die ik hoor maar niet zie, als u kunt, help me dan!’ En zie, daar stond een engel naast haar. Met zijn vleugels sloeg hij op de grond, steeds weer, totdat… er plotseling water opborrelde uit de aarde. Hagar dacht dat ze droomde. Ze deed haar ogen open en stond op. De engel was verdwenen maar het water was er werkelijk. Met een kreet van verrassing knielde Hagar neer bij de plaats waar het water naar boven kwam. Met haar handen groef ze een gat waarin het water bleef staan. Ze slurpte het op en vulde de leren zak zodat ze Ismaïel ook te drinken kon geven. Daarna droeg ze hem naar het water om hem te wassen.
Ismaïel hoorde het water borrelen en probeerde het geluid na te doen: ‘Zam-zam…’, deed hij. Daarom heet die bron nu nog: Zamzam!
Het water bleef vloeien en zo konden Hagar en Ismaïel in de eenzame vallei blijven leven. Planten en struiken konden er nu groeien en ook vogels en andere dieren kwamen op het water af. Niet lang daarna kwamen de Jurhums met hun kudden voorbij. Dat waren Arabieren uit Jemen. Ze hadden een vogel zien vliegen boven de vallei waar Hagar en Ismaïel woonden en ze zeiden tegen elkaar: ‘Dat is een vogel die altijd boven water vliegt. Wat vreemd – in deze streek hebben wij nooit water gevonden. Zou die vogel nu toch water ontdekt hebben? Laten we eens gaan kijken.’
Zo kwamen ze bij de bron Zamzam. Hagar was juist bezig water te putten. Ze was blij dat ze weer eens mensen zag. Ze ontving hen gastvrij en gaf hen van het water te drinken. De Jurhums vroegen: ‘Vind je het goed dat we hier bij de bron ons kamp opslaan?’ Hagar zei: ‘Dat is goed, maar het water is van ons. Jullie mogen de dieren laten drinken in ruil voor schapen en geiten.’

Bijlage 2: De hadj naar Mekka

een bewerking van een verhaal gevonden op http://users.raketnet.nl/masoeme/Islam 

"Opa," zegt Ahmed, "Wil je mij alles over de hadj vertellen die je vorig jaar gedaan hebt?" Zijn opa is verbaasd: "Wil jij soms zelf de hadj doen?"
"Het is voor mijn spreekbeurt, opa. Ik ga op school over de hadj vertellen."
"O ja," zegt zijn opa. Ga maar zitten, pak maar papier en pen. Ik zal  jou eens alles vertellen. Dat is helemaal niet zo moeilijk. Ik vertel - jij schrijft." Ze gaan tegenover elkaar zitten en Ahmeds opa begint...
"De hadj is de bedevaart naar Mekka en is een van de peilers of zuilen van de islam. Weet jij nog welke dat zijn, Ahmed?"
Ja, dat weet Ahmed goed, hij noemt ze op: "De vijf zuilen van de islam zijn de vijf basisverplichtingen van de moslim: de geloofsbelijdenis (sjahaada), het gebed (salaat), het geven van aalmoezen (zakaat), het vasten tijdens de maand ramadan en de bedevaart naar Mekka (hadj)."
"Heel goed opgezegd," zegt opa, "Zo is het. De vijfde verplichting van de moslim is de hadj. Als hij het geld ervoor heeft en als hij er lichamelijk toe in staat is, zal elke moslim proberen minstens één keer in zijn leven de bedevaart naar Mekka te maken."
"Wanneer moet dat, opa? Kun je niet beter al als kind gaan, want niemand weet toch hoelang hij zal leven?"
"Dat is zo," zegt opa, "maar je gaat er niet als kind heen. Het is geloof ik niet verboden voor kinderen, maar je ziet nooit kinderen in Mekka. Kinderen begrijpen nog niet alles. Het is er ook vreselijk druk. Een moslim heeft een doel met naar Mekka gaan; hij wil een of andere verandering in zijn leven bereiken."
Opa wacht even tot Ahmed een paar regels in zijn schrift heeft opgeschreven. Dan zegt hij: "Je moet er heel veel voor regelen. Je gaat niet zomaar eventjes naar Mekka. Je moet van alles voorbereiden. Je gaat nooit alleen, altijd met een groep, waarvoor islamitische reisorganisaties alles organiseren. Omdat er uit de hele wereld zoveel moslims naar Mekka willen gaan, moet je als reisgezelschap toestemming hebben; een visum, want de gezagsdragers in Saoedi Arabië bepalen van tevoren hoeveel moslims uit elk land naar Mekka mogen komen."
"Kan iedereen daar heen?" vraagt Ahmed, "kan bijvoorbeeld de vader van Loes mee met zo'n reis?"
"Nee," zegt opa, "dat kan niet. Alleen moslims mogen naar Mekka. Je gaat dus met een groep en de organisator van die karavaan naar Mekka moet alles goed regelen: hoe ga je reizen - velen gaan tegenwoordig per vliegtuig - waar ga je onderweg en in of bij Mekka overnachten. Onderweg gaan veel bedevaartgangers langs belangrijke graven en heiligdommen. Men gaat de historische plekken van een bepaalde profeet of heilige bekijken. Men gaat daar al wat offeren, zodat je gezuiverd in Mekka aankomt."
"Wacht even, opa, niet te vlug." Ahmed zit met een beetje een rood hoofd zo goed mogelijk alles wat opa zegt op te schrijven. Weer houdt opa eventjes stil.
Wanneer hij merkt dat Ahmed bij is met schrijven, gaat opa nog even terug naar het begin en zegt: "Niet alleen die organisator van de bedevaart moet van alles regelen. Jij moet zelf als moslim die op bedevaart gaat ook van alles voorbereiden. Je moet er rekening mee houden dat je onderweg of, als je geluk hebt in Mekka, misschien dood gaat en daarom je testament maken. Als je vrouw niet meegaat, moet je zorgen dat zij goed verzorgd achterblijft. Je moet kijken aan wie jij nog iets moet betalen en dat dan doen. En als je met iemand ruzie hebt, moet je dat goed maken. Je gaat op alle terreinen schoon schip maken."
"Opa, hoe bedoel je: geluk hebben als je in Mekka dood gaat?"
"Dan ga je rechtstreeks naar de hemel, jongen; dan worden jou al je zonden vergeven. Daarom vinden moslims dat iemand geluk heeft die in Mekka sterft, zoals soms gebeurt."
"Wat moet je nog meer doen? Je neemt witte bedevaartkleren mee. Die kleren zijn niet alleen wit omdat daar de zon schijnt, maar ook in je graf ga je in witte doeken. Wit is de kleur van: schoon. Alle bedevaartgangers moeten daar eenzelfde soort witte doeken om doen, zodat er geen onderscheid tussen hen bestaat, maar ze allemaal gelijk zijn."
Wat vertelt opa veel. "Ik kan niet alles schrijven," klaagt Ahmed. Opa stelt voor dat ze even pauze houden.
De volgende dag gaan ze verder. Ahmed pakt zijn schrift en pen en gaat weer tegenover zijn opa zitten. Opa heeft nu ook een papiertje voor zich liggen waarop hij een paar dingen heeft opgeschreven om niet te vergeten. Dan begint hij:
"Het is in Mekka niet het hele jaar bedevaart. De bedevaart wordt gehouden in de twaalfde maand van het islamitisch jaar. Als de hadji, de bedevaartganger, in Mekka aankomt, moet hij zich goed reinigen en zijn witte kleding aandoen. Daarna gaat men met grote groepen tegelijk een aantal rituelen uitvoeren, dat zijn heel oude heilige handelingen. Zeven maal tegen de klok in om de Ka'ba lopen en als je erbij kunt komen de zwarte steen in de ka'ba aanraken. Dan ga je zevenmaal de afstand tussen twee kleine heuveltjes al-Safa en al-Marwa afleggen. Daar rende ooit Hagar, de vrouw van Abraham, deze heuvels op en af op zoek naar water tot ze de Zamzam-bron vond. De pelgrims drinken uit de bron Zamzam. Daarna loopt men 8 kilometer naar Mina en verder 15 kilometer naar het Arafat-plateau om de negende dag van die maand met z'n allen in meditatie door te brengen op de vlakte van Arafat. Een deel van de avond wordt doorgebracht met het verzamelen van kleine steentjes. De dag daarna gaan de pelgrims die steentjes gooien naar drie zuiltjes in Mina om de duivel (Shaitan) te verjagen. Ze doen daarmee na hoe Abraham Shaitan stenigde toen die hem probeerde te verleiden om zijn zoon niet te offeren. Dan gaat men terug naar Mekka en men gaat op die tiende dag een dier offeren, meestal een schaap, maar soms een geit of een koe, of als men veel geld heeft, zelfs een kameel. Dat is de dag van het offerfeest dat over de hele wereld door moslims wordt gevierd ter nagedachtenis van Abraham die eerst gevraagd was om zijn zoon te offeren, maar daarvoor in de plaats een lam mocht nemen."
"Eten ze die schapen op, opa?" vraagt Ahmed.
"Nee, ze offeren die dieren en het vlees wordt uitgedeeld aan arme mensen. Daar komt nog heel wat organisatie bij kijken, want het gaat echt om zeer grote aantallen dieren die worden geslacht." Ze zijn even stil.
"Wil jij ook naar Mekka?" vraagt opa.
"Ik weet het nog niet, ik moet nadenken,' zegt Ahmed. "Het lijkt me daar zo warm en druk. Ik ga nu eerst schrijven. Het is veel werk. Als ik dat van te voren geweten had, weet ik nog niet of ik het zou hebben gedaan."
Van al dat schrijven wordt het laat. Moe gaat Ahmed naar bed en in zijn slaap droomt hij.
Hij droomt dat hij tussen al die pelgrims loopt. En hij droomt van het offeren van die klagend blatende schapen en hij raakt zijn opa kwijt, wordt bang en roept: "Help! Help!"
Zijn moeder komt naar hem toe en schudt hem wakker: "Wat is er Ahmed?"
"Waar is opa?" vraagt Ahmed, terwijl hij onrustig links en rechts kijkt.
"Opa is boven," zegt zijn moeder. Maar daar komt zijn opa die ook iets gehoord heeft, al aan. "Wat gebeurt er?" vraagt opa.
"Ahmed heeft een beetje koorts," zegt zijn moeder.
"Wat scheelt eraan, Ahmed? vraagt zijn opa.
"Niets," zegt Ahmed. 
Nog eens vraagt opa: "Wat is er, jongen?"
Dan zegt Ahmed: "Ik heb gedroomd van rondjes lopen om de Ka'ba, en steentjes gooien naar de Shaitan en het slachten van schapen. Dat vond ik griezelig.
"O, daarom schreeuwde jij," zegt zijn moeder.
En zijn opa zegt: "Gefeliciteerd! Jij bent hadji geworden."
"Hoezo, hadji geworden?" vraagt Ahmed verbaasd.
"Ja, als je op jonge leeftijd van Mekka droomt heeft God jou uitgenodigd en een boodschap gegeven," zegt opa.
Ahmeds moeder steekt een kaars aan en haalt de Koran erbij.
"Je moet nu gaan douchen en dan die witte kleren aandoen. En dan ga je mij nazeggen wat ik jou ga voorlezen uit de Koran en dan wordt jij een echte moslim."
"Wat zijn wij gelukkige mensen dat God ons zo waardeert," zegt zijn moeder.
'Jeetje,' denkt Ahmed, 's nachts douchen...'
"Jij was altijd een gelukbrengend kind," zegt Ahmeds moeder. "Sinds jij geboren bent zijn wij gelukkig. Jij bent besneden geboren en hoeft nu niet meer besneden te worden."
"Nadat Ahmed gedoucht heeft en de witte kleding heeft omgedaan, opent zijn opa de Koran en leest een tekst die Ahmed nazegt. Daarna feliciteert iedereen elkaar en dan gaan ze slapen. Zijn moeder gaat bij hem in bed liggen. Misschien verwacht zij nog een keer die droom, zodat haar zoon een superhadji gaat worden? Maar nu slaapt Ahmed heel rustig.

De hadj, achtergrondinfo voor de leerkracht

De hadj is de jaarlijkse bedevaart naar Mekka die iedere volwassen moslim die daartoe de middelen heeft ten minste eens in zijn leven moet verrichten. De hadj vindt altijd plaats in het begin van de twaalfde maand van de moslimkalender. De hadj brengt de moslim naar de plaats waar Mohammed de islam heeft gepredikt. Mohammeds 'afscheidsbedevaart' in zijn sterfjaar werd het voorbeeld voor het huidige hadj-ritueel. De relatie met de persoon van Mohammed is voor de moslim een belangrijk aspect van de hadj. Dit blijkt ondermeer uit het bezoek dat veel pelgrims na afloop brengen aan Mohammeds graf in Medina.

Het hadj-ritueel begint met het aannemen van de ihraam, de gewijde staat van de pelgrim. Dit is verplicht zodra men het heilige gebied rond Mekka betreedt. De pelgrims, die tegenwoordig meestal per vliegtuig arriveren, hebben de gewoonte om de ihraam bij aankomst vanaf de vliegtuigtrap aan te nemen. Voor de mannen houdt dat in dat zij gekleed gaan in twee witte ongenaaide doeken, waarvan de ene om de linkerschouder wordt geslagen en de andere om de lendenen. Voor de vrouw geldt slechts dat haar handen en haar gezicht onbedekt moeten blijven. Tijdens de ihraam moet de moehrim (of moehrima, hij of zij die in gewijde staat verkeert) zich van seksueel verkeer onthouden. Verder is het scheren en knippen van haar en nagels en ook het kammen niet toegestaan.

Onmiddellijk na aankomst in Mekka wordt een bezoek aan de Ka'bah gebracht, waaromheen het plein van de grote moskee ligt. De pelgrim begint bij de zwarte steen die in de oosthoek van de Ka'bah is ingemetseld. Zo mogelijk kust hij die steen of raakt hij hem aan. Daarna gaat hij rechtsom en maakt hij vervolgens tegen de wijzers van de klok in een zevenvoudige omgang rond de Ka'bah. Daarna verricht hij de loop tussen de met de grote moskee verbonden heilige plaatsen Safa en Marwa, eveneens zevenmaal. Dit gebeurt ter herinnering aan Hagar, die hier radeloos rondliep met haar zoontje Ismaël op zoek naar water en dit uiteindelijk vond in de bron Zamzam. Nadat de pelgrim een preek van de Qadi of rechter van Mekka heeft bijgewoond, begeeft hij zich naar de dertig kilometer ten oosten van Mekka gelegen vlakte van Arafat, de berg waar aan Mohammed de Koran werd geopenbaard. Daar brengt hij de nacht door in een tent.

Daarna begeeft hij zich in een massale wedloop in westelijke richting naar Moezdalifa, waar hij de nacht doorbrengt, opnieuw gevolgd door een wedren, nu naar Mina, op acht kilometer ten oosten van Mekka, waar hij rond zonsopgang moet aankomen. Hier gooit iedere pelgrim zeven steentjes op een steenhoop. Dit wordt gezien als navolging van Abraham, die hier de satan zou hebben verdreven toen deze hem wilde verleiden om zijn zoon niet te offeren. Hierna, op de tiende dag van de pelgrimage naar Mekka, vindt het offeren plaats van een schaap of ander vee. Dit offer is niet verplicht. Het vlees is grotendeels voor de armen bestemd. Nadat de pelgrim zich vervolgens het hoofd heeft laten scheren (bij vrouwen wordt slechts symbolisch een lok afgeknipt) is de hadj ten einde.

De waarde die aan de hadj wordt gehecht, is groot. Hij die in een afgelegen dorp als enige de hadj heeft verricht, geldt voortaan als een autoriteit op het gebied van het geloof. Vooral vroeger was de reis naar Mekka op zichzelf al een prestatie door de ontberingen en gevaren die ermee verbonden waren. Al is reizen tegenwoordig gemakkelijker geworden, het verblijf in Mekka met één à twee miljoen pelgrims tegelijk is nog steeds geen onverdeeld genoegen, vooral als het heet is. Ondanks de massale deelname is zo'n 98% van de moslims buiten Arabië door de relatief hoge kosten die eraan verbonden zijn, nooit in de gelegenheid de hadj te verrichten. Voor de moslims die thuisblijven, is de eigenlijke feestdag het offerfeest, ook wel 'het grote feest (ied al-adha)' genoemd. Op deze dag vindt na zonsopgang in de moskee een feestgebed plaats. Daarna wordt in ieder gezin zo mogelijk een schaap geslacht. Van het vlees geeft men een deel weg aan de armen.

Tips voor aanvullend materiaal

Laat de leerlingen via internet foto’s van de hadj zoeken.
Laat hen hiervoor allerlei zoektermen gebruiken: Mekka, zamzam, hadj, …

Impuls 6

6.1 Wat een feest!

Toon aan de leerlingen de kalender ‘Feesten met de buren’ van KMS.
Bekijk de samenstelling van de kalender. Bespreek wat deze kalender bijzonder maakt. Je vindt er de feesten van de verschillende grote godsdiensten en levensbeschouwingen zoals ze in Vlaanderen beleefd worden.

Sta stil bij hoe mensen op feesten verhalen vertellen: hun eigen verhalen en verhalen van en over het leven.
Bij religieuze feesten is dit niet anders. Elk feest verwijst naar zo’n verhaal. Vaak zijn dit verhalen van hoop en toekomst…

Het verhaal van het offer door Abraham/Ibrahiem vind je zowel in de Bijbel als in de Koran. Het ligt aan de basis van het islamitische offerfeest. Laat de leerlingen de twee verhalen lezen.

Achteraan deze impuls vind je twee meer kindgerichte versies van dit verhaal. Indien je wenst kan je ook deze gebruiken.
We verkiezen hier echter de originele bijbel- en koranversie aan te bieden om de kinderen met de typische stijlkenmerken te laten kennismaken. Daarnaast laat de structuur van deze teksten ook een makkelijkere vergelijkende bespreking toe.

Laat in duo’s de verschillen en gelijkenissen tussen de twee verhalen zoeken. Bespreek dit nadien met de hele klas.

Het offer van Isaak
Enige tijd later stelde God Abraham op de proef. ‘Abraham!’ zei hij... ‘Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Isaak, en ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Daar moet je hem offeren op een berg die ik je aanwijzen zal.’De volgende morgen stond Abraham vroeg op. Hij zadelde zijn ezel…hakte het hout voor het offer en ging op weg … Hij pakte het hout voor het offer....legde het op de schouders van zijn zoon Isaak en nam zelf het vuur en het mes. Zo gingen zij samen verder. ‘Vader,’ zei Isaak. ‘Wat wil je me zeggen, mijn jongen?’ antwoordde Abraham. ‘We hebben vuur en hout,’ zei Isaak, ‘maar waar is het lam voor het offer?’ Abraham antwoordde: ‘God zal zich zelf van een offerlam voorzien, mijn jongen.’ En samen gingen zij verder. Toen ze waren aangekomen bouwde Abraham een altaar, schikte het hout erop, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, op het hout. Toen pakte hij het mes om zijn zoon te slachten. Maar een engel van de Heer riep vanuit de hemel: ‘Abraham, Abraham! Raak de jongen niet aan, doe hem niets! Want nu weet ik dat je ontzag voor God hebt: je hebt mij je zoon, je enige, niet willen onthouden.’ Toen Abraham opkeek, zag hij een ram die met zijn horens verstrikt was geraakt in de struiken. Hij pakte het dier en offerde dat in de plaats van zijn zoon. Toen sprak de engel van de Heer opnieuw vanuit de hemel tot Abraham. Hij zei: ‘Omdat je dit hebt gedaan, omdat je mij je zoon, je enige, niet hebt onthouden, zal ik je rijkelijk zegenen en je zoveel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn en zandkorrels op het strand langs de zee, en je nakomelingen zullen de steden van hun vijanden in bezit krijgen.’ Genesis 22: 1-17

 

 

Isma‘iel, het offer en de Ka‘ba
Toen die zover was dat hij (Isma‘iel red.) met hem (Ibrahiem red.) mee kon gaan zei hij: ‘Mijn zoon, ik heb in de slaap gezien dat ik je zal offeren. Zie eens wat jij ervan vindt.’Hij zei: ‘Mijn vader, doe wat je bevolen is. Je zult merken dat ik, als God het wil, iemand ben die geduldig volhardt.’ Toen zij zich beiden (aan Gods wil) overgegeven hadden en hij hem op zijn voorhoofd had neergelegd (om hem te offeren red.) riepen Wij hem: ‘Ibrahiem! Jij hebt de droom doen uitkomen. Zo belonen Wij hen die goed doen. Dit was duidelijk een beproeving.’En Wij gaven voor hem een geweldig offer in de plaats. En Wij lieten voor hem een goede naam bij het nageslacht na. Vrede zij met Ibrahiem! 37:102-109

En toen Ibrahiem de fundamenten van het huis (de Ka‘bah in Mekka red.) optrok samen met Isma‘iel (smeekten zij samen red.): ‘Onze Heer, aanvaard het van ons. U bent de horende, de wetende. Onze Heer, en maak dat wij ons beiden aan U overgeven en maak van ons nageslacht een gemeenschap die zich aan U overgeeft en toon ons onze riten en wendt U genadig tot ons. U bent de genadegever, de barmhartige.’ 2: 127-128

Je vindt meer van dergelijke teksten op www.bijbelenkoran.nl en in het boek ‘Ibrahiem en Abraham, Koran en Bijbel verteld voor kinderen’ van Francien van Overbeeke-Rippen, Meinema 2003, ISBN 90-211-3806-9. Beide bieden ook heel wat achtergrondinfo.

Ga met de leerlingen in op verschillen en gelijkenissen tussen de verhalen. Laat hen dit bv. met twee kleuren markeerstiften in de teksten aanduiden. De gelijkenissen in één kleur, de dingen die maar in één van de teksten voorkomen in een andere kleur.
Enkele belangrijke ideeën:

  • In beide teksten verhindert God/Allah dat het kind gedood wordt.
  • God/Allah geeft mensen telkens weer toekomst, hoop en nieuw leven. Zijn verhaal met mensen eindigt nooit op een ‘punt’, maar telkens weer op een ‘komma’. Dit Godsbeeld is ook terug te vinden in het verhaal van Hagar/Hajar in de woestijn.
  • Op een feest brengen de gasten vaak een toost uit op de aanwezigen. Een zegenwens over de toekomst, een zegen over wat komen gaat. Duid zo het woord ‘zegenen’.
  • Je kan vanuit het verhaal van het offer ook werken rond de betekenis van ‘moslim’: dienaar van…
  • Bespreek met de kinderen of dit verhaal echt gebeurd zou zijn. Vraag waarom het zo in de Bijbel en in de Koran staat opgeschreven. (voor christenen i.v.m. het vertrouwen in God, voor moslims i.v.m. de gehoorzaamheid aan Allah)

Sluit met de kinderen af in de tent. Gebruik hiervoor de volgende stiltekaart (zie bijlage). Breng ook indien mogelijk een Bijbel en een Koran op een respectvolle wijze in de kring. Maak het rustig en stil. Bid na het bekijken van de afbeelding (let op de details) volgend gebed voor.

God,

Jij die door de mensen Allah, Jahwe of God genoemd wordt.

Waarom maken ze Jou tot doel van hun leven?

Waarom bouwen mensen

synagogen, kerken en moskeëen?

Waarom geven ze Jou allerlei namen?

Schrijven ze boeken vol over Jou?

Jij moet er dus zijn.

 

Mag ik jou leren kennen doorheen jouw verhaal?

 

6.2 Over offeren gesproken

Bij het islamitische offerfeest is het delen een belangrijke gedachte. Nadat het schaap op een speciale manier geslacht is, wordt het vlees van het geofferde dier in drie stukken verdeeld. Een stuk is voor de familie, een voor de buren en een ander stuk is voor de armen.Het kenmerkende van het offerfeest is het delen. Zien de kinderen dit ‘delen’ ook in andere culturen?

Bespreek a.d.h.v. foto’s en teksten wat offeren in onze en andere culturen kan betekenen. Je kan de materialen in de klas verspreiden en in kleine groepjes laten zoeken wat men doet, waarom men dat doet. Je kan dit ook in een hoeken- of contractwerk aanbieden.

Tekstfiche voor de leerlingen:

Een offerdier is een dier dat door de mens aan een god of goden geofferd werd (of wordt) in het geloof dat dit de goden zou behagen of dat het de toekomst gunstig zou doen verlopen.

Het offeren van dieren was in de oudheid een wijd verspreid verschijnsel. Je vindt dit bij de voorouders van de Joden, de Grieken, de oude Romeinen, de Etrusken en de Azteken. In de Bijbel lees je in het Nieuwe Testament teksten over het offeren van dieren, zoals bv. de ouders van Jezus die twee duiven offerden (Lucas 2:24). Uit het bijbelboek Genesis blijkt dat het bij de Joden gebruikelijk was om een koe, geit, duif of ram te offeren aan Jahweh.
Hoewel het offeren van geiten of schapen gebruikelijk was in het hindoeïsme van zijn tijd, keerde Boeddha zich tegen het offeren van dieren omdat hij van mening was dat alle levende wezens ons mededogen verdienen.

In het pre-islamitische Arabische schiereiland werden dierenoffers gebracht aan verschillende goden en ook vandaag nog offeren veel moslims een schaap n.a.v. het offerfeest. Daarnaast gebeurt het ook geregeld dat moslims geen schaap meer slachten en het vlees delen zoals voorgeschreven staat, maar dat zij een financiële bijdrage geven aan de gemeenschap.
Sommige volkeren kenden ook ooit het mensenoffer.

 Offeren van wierook

Offeren van bloemen op de Durbar Square (Kathmandu, Nepal)

Offeren van een haan in Nigeria Oso-igbo, de godin van de Osun rivier, is de oorspronkelijke stichter van het land. Ze bezit magische krachten, die haar aanhangers inspireren en vijanden afschrikken. Ook kan ze de zieken genezen met haar medicinale water van de rivier.  Daarom komen duizenden mensen per jaar naar de oerbossen en de rivier om daar het heilige water te drinken en offers (zoals kippen en geiten) te brengen aan de godin.

Ondertussen moest er geofferd worden voor de diensten van de tamboers over de laatste drie jaar. Zij schenken dit geld ook deze keer weer aan een goed doel, ditmaal de jeugd van Wintelre (Jong Nederland).

Het offeren van een kaars

Tijd offeren: vrijwilligers offeren eigen kerstfeest op voor kansarmen

24/12/2008 In nachtopvang De Biekorf in de Antwerpse Dambruggestraat verwachten ze vanavond zo’n dertig daklozen aan de feesttafel, maar het kunnen er ook meer zijn, of minder. In de Sint-Walburgiskerk in de Volkstraat schuiven 550 kansarmen aan voor het kerstmaal van de Sint-Egidiusgemeenschap. En dit allemaal dankzij de inzet van veel vrijwilligers.

Een schaap offeren (Senegal)

Het Offerfeest is het belangrijkste feest voor de Senegalezen (en bij uitbreiding de wereldwijde moslimgemeenschap) en gedenkt de bereidheid van Ibrahim om zijn zoon te offeren voor Allah. Deze laatste kwam daarbij tussen en zond Ibrahim een schaap om te offeren in plaats van zijn zoon. Morgen, na het gebed in de moskee, zal elke familie een schaap offeren om het offer van Ibrahim te gedenken. Het vlees wordt daarbij gedeeld met de buren en een deel wordt geschonken aan de armsten van de gemeenschap.

Deze traditie houdt een grote verantwoordelijkheid in voor elke getrouwde man : indien hij niet kan zorgen voor een schaap, faalt hij in één van zijn meest elementaire taken als gezinshoofd. Lokaal marktonderzoek leert dat je hier voor een volwassen schaap minimum 50.000 francs CFA moet neertellen, zo’n 75 euro. Aangezien heel wat mensen moeten toekomen met minder dan 20.000 francs CFA per maand (en daar amper in slagen gezien de stijgende voedselprijzen), is het duidelijk dat dit geen kleine uitgave is. Bovendien moet er ook nog geïnvesteerd worden in mooie kleren (boubou) en cadeaus.

Een geit offeren in Gambia, helpt tegen heksen.
Bron: krant: De Morgen 18/03/09

Offerblok in kerk

Bijlage 1: Offerfeest

van www.moslimkids.tk

Het Grote Feest
Maar wat is het offerfeest  werkelijk. Waar staat het voor en hoe beleven moslims het? Dat is wat hier beschreven wordt.

Oorsprong

In de Koran, hoofdstuk 37 vers 102, lees je dat Ibrahiem en zijn jonge zoon Ismaiel een gesprek voeren.


"O mijn lieve zoon, God heeft mij in een droom laten zien dat ik je moet opofferen. Zie, wat is daarop je antwoord?" Ismaiel antwoordde:"O mijn vader doe zoals u bevolen is, U zult mij, indien God het wil, zeker tot de geduldigen vinden."


Als Ibrahiem zijn vooralsnog enige zoon Ismaiel daadwerkelijk probeert op te offeren, geeft God aan Ibrahiem een ram om te offeren.



Het offer toen

Waar het in dit geval om gaat, is dat Ibrahiem en zijn zoon volgens de islamitische opvattingen beproefd worden op de sterkte en kracht van hun geloof. Zijn zij in staat om datgene wat het meest dierbaar is, namelijk de liefdesband en de vertrouwensrelatie tussen vader en zoon, op te geven voor een liefdesband en vertrouwensrelatie met God?



Het offer nu

Iedereen wordt in het leven van alledag beproefd. Zaken en personen die je moet opgeven. Geliefden, financiële zekerheden, begeertes en verlangens die je soms wegens ziekte, overlijden enzovoort moet opgeven. Soms moet jij iets afstaan wat je dierbaar is en soms ben jij het zelf die getroffen wordt door ziektes en tegenslagen.



Het slachten

Vanzelfsprekend is elke vorm van het offeren van mensen in de islam absoluut verboden. Door het offeren van een onschuldig dier en het zien wegvloeien van het bloed, wordt je herinnerd aan je eigen sterfelijkheid en dat van je naasten. Word je herinnerd aan het feit, dat ook jij zeer zeker op een bepaalde manier beproefd (gaat) worden. En wat is dan jouw antwoord en je houding? Na het slachten van het dier wordt 1/3 van het vlees aan armen en behoeftigen uitgedeeld. 1/3 wordt aan familieleden uitgedeeld en 1/3 is bestemd voor jezelf.

Bijlage 2: De droom van Ibrahiem

Het duurde een hele tijd voordat Ibrahiem terugkwam om te kijken hoe het met Hajar en Ismaiel ging. Toen hij hen weer zag, was hij erg blij en Ismaiel was al groot geworden. Op een nacht kreeg Ibrahiem een droom. In die droom zei Allah dat hij zijn zoon Ismaiel moest offeren. Offeren betekent dat je iets (heel speciaals) aan Allah moet schenken. Dit is meestal een dier, maar in dit geval was het een kind.  
Ibrahiem wilde doen wat Allah hem gezegd had, en vertelde Ismaiel over zijn droom. Beiden waren heel sterk in hun geloof en liefde voor Allah, waarop Ismaiel tegen zijn vader zei dat hij moest doen wat Allah hem gevraagd had. Ismaiel en Ibrahiem gingen naar de berg Tsabier. Onderweg kwamen ze de shaitan tegen. Hij zag eruit als een mens. De shaitan vertelde hen dat het niet Allah was die in die droom gepraat had, maar dat hijzelf dit gezegd had tegen Ibrahiem. Ibrahiem wist wel dat de shaitan wilde dat hij niet naar Allah zou luisteren. Daarom gooide Ibrahiem stenen naar de shaitan om hem weg te jagen. 
De shaitan probeerde daarna met Ismaiel te praten, zodat hij Allah niet zou gehoorzamen. Maar Allah maakte Ismaiel sterk. Ismaiel wist dat wat Allah wilde, ook zou gebeuren en hij gooide ook stenen naar shaitan. Daarop ging de shaitan naar Hajar en zei: “O moeder van Ismaiel, Ibrahiem zal je zoon doden". Waarop Hajar zei: “Nee, hij houdt veel van hem". “Maar”, zei de shaitan, "Hij zegt dat het van Allah moet gebeuren". Toen zei Hajar: “Als Allah het wil, dan moet het zo zijn!”
Toen Ibrahiem en Ismaiel in Mina aankwamen, maakte hij Ismaiel gereed om te offeren. Maar Allah had al gezien dat Ibrahiem en Ismaiel gehoorzaam waren. Daarom stuurde Allah een ram op het moment dat Ismaiel geofferd zou worden, zodat Ibrahiem zijn zoon niet hoefde te doden. In plaats van zijn zoon offerde Ibrahiem nu de ram voor Allah. Daarna bracht hij Ismaiel terug naar zijn moeder. Ibrahiem ging toen voor een lange tijd weg. Toen hij weer terug kwam was Ismaiel een man geworden en Hajar zijn moeder inmiddels gestorven.
(verhaal uit http://www.moslimkids.tk/verhalen/Ibrahim)

Bijlage 3: het verhaal volgens Nico ter Linden

Eens op een nacht – de vader van het geloof en van het ongeloof lag in een diepe slaap – verscheen God hem in een droom.

‘Abraham,’

‘Hier ben ik, Heer.’

‘Die zoon van jou, Isaak, van wie is die eigenlijk?’

‘Van mij, Heer, Isaak is van mij.’

‘Ik was al bang dat je dat zou zeggen. Denk je echt dat Isaak jouw bezit is? Hij is in de eerste plaats een kind van mij, Abraham, en pas dán ook een kind van jou. En daarom: neem je zoon, je enige, die je liefhebt, en offer hem op een van de bergen die ik je wijzen zal.’

Abraham schrok, hij wist niet wat hij hoorde. Moest hij zijn zoon afstaan? Isaak was van hem, Isaak was toch niet van God! Moest hij hem uit handen geven? ‘Misschien wil God mij wel op de proef stellen,’ dacht Abraham. ‘Dan zal ik proberen die proef te doorstaan.’

Vroeg in de morgen stond hij op, hakte hout voor het brandoffer, zadelde zijn ezel, nam twee knechten mee, samen met Isaak, zijn zoon, en vertrok naar de bergen. Zijn voeten waren zwaar, maar hij ging, want God had hem gezegd dat hij moest gaan. Vertrouwde hij erop dat God nooit de dood van Isaak kon willen? Want waarom zei hij anders halverwege tegen de twee knechten dat zij daar moesten blijven wachten totdat hij en Isaak zouden terugkeren?

Op de derde dag zag Abraham in de verte de berg waar hij moest zijn. Hij nam het hout voor het brandoffer en legde het op Isaaks schouders. Zelf droeg hij het vuur en het mes. Zo gingen die beiden tezamen.

‘Vader’ zei Isaak.

‘Hier ben ik, mijn zoon.’

‘Wij hebben het vuur en het hout bij ons, maar waar is het lam voor het brandoffer?’

‘God zelf zal voor een lam zorgen, mijn zoon.’

Zo gingen die beiden tezamen.

‘Mijn vader vertrouwt op God,’ dacht Isaak, ‘en ik vertrouw op mijn vader.’

Abraham bouwde het altaar, schikte het hout, bond Isaak vast en legde hem bovenop het hout. Hij nam zijn mes om hem te slachten.

‘Abraham, Abraham!’

Een stem uit de hemel.

‘Hier ben ik, Heer.’

‘Weg met dat mes, doe de jongen geen kwaad. Ik heb je geloof gezien, Abraham. Moge het volk dat uit Isaak geboren wordt net zo vast op mij vertrouwen als jij.’

Abraham hoorde geritsel in het struikgewas, er zat een ram vast met zijn horens. Hij pakte de ram en offerde het dier in plaats van zijn zoon.

‘Ik zal je rijkelijk zegenen, Abraham. Je nageslacht zal talrijk zijn als de sterren aan de hamel, als het zand aan de oever van de zee.’

Samen met Isaak keerde Abraham bij de knechten terug en met z’n vieren gingen ze weer naar huis.

(verhaal uit: Het land onder de regenboog, Nico ter Linden, p. 79 – 80)

  • Ik heb samengewerkt met:
  • Samen hebben we het volgende i.v.m. offeren besproken:
  • Het leukste aan dit samenwerken was:
  • Nieuw was voor mij:
  • Ik zou nog wat meer willen weten over:

Impuls 7

In deze impuls vind je een waaier aan werkvormen en ideeën waaruit je zelf gepaste keuzes kan maken. Soms biedt het materiaal kansen om vakoverschrijdend te werken. Bewaak wel de rode draad van deze impuls!

7.1 Ontmoeten

Maak met elementen uit wat volgt een ‘klaskrant vol ontmoetingen’. Bedenk samen een titel voor de krant. Verspreid ze in andere klassen, bij de ouders, in de schoolbuurt,… Zorg ervoor dat die ontmoetingen zich situeren in de kleine en de grote kring (zie verder).

Brainstorm met de leerlingen hoe ontmoetingen kunnen verlopen: verwacht of onverwacht, oppervlakkig of diepgaand, voorspelbaar of verrassend, met gelijkgezinden of andersdenkenden, formeel of informeel, …

Sta stil bij het feit dat bij het groter worden je als mens de ruimere wereld leert ontmoeten: van een ik-kring, naar een mijn-buurt-kring, naar de wereld-kring (de kleine en de grote kring). Vergelijk dit met de uitdeinende kringen van het water wanneer je een steentje erin gooit.

Nodig de leerlingen voor een kringgesprek uit:

  • Waar ontmoeten wij elkaar?
  • Waar kom je klasgenoten tegen?

Bied een werkblad aan met de volgende vraag en antwoorden. Laat hun keuzes aankruisen en motiveren.

  • Ik zou je wel eens willen ontmoeten… (Peil of iedereen dit woord goed begrijpt. In de antwoorden moet iets doorklinken van wat ontmoeten voor die leerling betekent.)
      • in de jeugdbeweging
      • in de sportvereniging
      • op het Suikerfeest
      • op een iftar-maaltijd
      • op mijn vormselviering
      • op een doopfeest
      • bij je / me thuis
      • op je verjaardagsfeestje
      • in de muziekschool / in de tekenschool
      • in de moskee / in de kerk
      • via MSN / Facebook / blog
      • op het offerfeest
      • op de straat / op het speelplein
      • in de supermarkt
      • in de wachtzaal van de dokter
      • in de Koranschool / bij de vormselcatechese
      • … (vul zelf aan)

Ga samen met de leerlingen na welke plaatsen niet gekozen werden. Laat hen vertellen waarom ze deze niet hebben aangekruist.

      • Wat is er eigen aan deze plaatsen?
      • Welke dingen verrassen ons?
      • Waar kom je als leerkracht de leerlingen tegen?

Kondig de opdracht van de fotoreportage aan.

    • Ga in de schoolbuurt op pad met een fototoestel. Maak er foto’s van plaatsen waar mensen elkaar echt ‘ontmoeten’ (winkel, bakker, café, buurthuis, park, speelplein,…)
    • Laad de foto’s op de klascomputer op.
    • Laat de kinderen vertellen waarom dit echte ontmoetingen zijn.

Ontwerp per 3 à 4 leerlingen het grondplan van een denkbeeldige droomschool. Zorg dat er zeker 3 plaatsen zijn waar je elkaar kan ontmoeten. Dit kan binnen zijn of in open lucht. Schrijf bij die plaatsen hoe je er elkaar ontmoet (in het spel, in het werk, …) Geef een originele naam aan die plaatsen.

Zoek in kranten, tijdschriften of op internet artikels over ontmoetingen tussen moslims en christenen (en joden). (Wellicht zal je hier als leerkracht zelf op voorhand een gericht aanbod ‘achter de hand moeten hebben’.)

  • Wat leren die ontmoetingen ons?
  • Stel als evaluatieopdracht een quiz samen om te ontdekken wat de leerlingen nu geleerd hebben over het ontmoeten in het dagelijks leven en hoe er in de verschillende godsdiensten gestalte gegeven wordt aan ontmoeting. Zorg voor een gezond evenwicht tussen kennen, kunnen en zijn.
7.2 Verbonden zijn: 'De dood van Abraham'

Een doorgeefverhaal

  • Lees zeker de achtergrondinformatie rond  ‘Dood, begrafenisritueel en leven na de dood.’
  • Neem het verhaal ‘De dood van Abraham’ uit ‘Het land onder de regenboog’ (p. 90 – 92).
  • Maak een dik ‘pak’ rond het verhaal. Breng regelmatig een opdracht  op een inpakvel aan en heb aandacht voor de verscheidenheid van opdrachten (kennen, kunnen en zijn). Geef het pak door op muziek die zorgt voor een wat ingetogen stemming. (Misschien Arabische muziek) Wanneer de muziek stopt, doet het kind dat het pak in handen heeft er één papier af. Wanneer er iets op staat, leest het de opdracht en voert het die uit. Het kan ook een hulplijn inroepen: iemand die helpt met de opdracht.
  • Opdrachten:
        • Vertellen bij een foto van een begraafplaats.
        • Bij een doodsprentje vertellen wat ze erover weten.
        • Een symbool i.v.m. de dood tekenen.
        • Aanvullen: als ik over de dood nadenk, stel ik me deze vraag …
        • Vertellen: dit doen wij met onze doden.
        • Wie weet iets over ‘de irham’?
        • Ken je dagen waarop doden worden herdacht?
        • Wat zou jij op een doodsbrief schrijven?
        • Reageren op een foto van het uitstalraam van een begrafenisondernemer met melding van ‘repatriëring van overledenen’.

Neem plaats in de tent en doe een bijbelritueel. Ook nu brengen we Bijbel en Koran respectvol in het midden.

Lees zelf de tekst van het bijbelverhaal ‘De dood van Abraham’ voor.

Onderbreek na:
‘God had aan Abraham een groot land beloofd… als hij sterft heeft hij één klein stukje grond waarop Sara en later hijzelf begraven worden… maar dat is genoeg. Het is hem heilig.’

Voer een kort gesprek rond ‘heilige’ plekken:
Heb jij ook heilige plekjes? Schrijf ze eens op? Waarom zijn die voor jou heilig? Wat is er zo bijzonder aan? (stilte, herinneringen,…, in de tuin, in je kamer, op school, in de natuur,…)

In het verhaal is er sprake van de ontmoeting tussen Isaak en Ismaël bij het graf van Abraham/Ibrahiem. Verken d.m.v. bibliodrama hoe die ontmoeting zou kunnen verlopen. Laat hen inleven in één van de twee zonen en dit uitspelen.

  • Verdeel de klasgroep in twee. Laat de eerste groep zich inleven in Isaak, de zoon van Abraham en Sara, die later geboren is dan Ismaël, die zijn broer al lang niet gezien heeft,…  Laat de anderen zich inleven in Ismaël, de eerstgeborene, de zoon van Hagar, die weet dat zijn moeder de woestijn is ingestuurd,… Zorg voor een goede rolopname.
  • Stimuleer bij de kinderen dat ze de rol straks gaan spelen zoals zij hier en nu dit zouden beleven. Geef hiervoor concrete aanzetten.
  • Begeleid de voorbereiding in de groepen.
  • Zorg nadien voor een individueel voorbereidingsmoment.
  • Nodig uit om de ontmoeting uit te spelen in de tent.
  • Maak tijd voor de nabespreking. Leg hier de klemtoon op de ontmoeting tussen de twee halfbroers.

Je vindt praktische info rond de methodiek van het ontmoetingsspel in ‘Bibliodrama begeleiden, wegwijzers voor de praktijk, Jean Agten e.a., Garant 2007, ISBN 978-90-441-2090-5, p. 173 e.v.

Dood, begrafenisritueel, leven na de dood

De moslim is zich sterk bewust van zijn sterfelijkheid. Iedere mens zal de dood ondergaan (Koran 3, 182). Alles vergaat behalve Gods aangezicht (Koran 55, 26v). Voor ieders leven is een termijn vastgesteld en ieders stervensuur is vastgelegd (Koran 16, 63). God heet zowel 'de levengevende' (Al-Moehyie) als 'de levenontnemer' (Al-Moemiet).


Er wordt - in tegenstelling met de Bijbel - in de Koran niet gezegd dat de dood een gevolg is van de zonde van de 'eerste mens', een straf. God heeft de dood en het leven geschapen om de mens te beproeven (Koran 67, 2).


"Wij behoren tot God en we zullen naar Hem terugkeren" (Koran 2, 156). Wanneer een moslim een sterfgeval meemaakt, herhaalt hij meermalen dit gezegde. Hij drukt daarmee zijn godsvertrouwen uit en de zekerheid in Gods goede handen te zijn; hij geeft zich over aan Gods wil.


Gebruiken bij de dood van een moslim

Wanneer iemands levenseinde nadert, wordt hij in de richting van Mekka gelegd. In het oor van de stervende fluistert men de geloofsbelijdenis "Er is geen andere god dan Allah; Mohammed is zijn profeet". Met deze vrome praktijk wil men hem helpen. De traditie houdt immers voor dat in het graf twee engelen (Moenkar en Nakir) zullen neerdalen om aan de dode te vragen: "Wie is uw Heer, wat is uw godsdienst en wie is uw profeet?" Als hij correct antwoordt "Allah, de islam en Mohammed" openen zij een raam dat de dode uitzicht geeft op de groene weiden van het paradijs en waarlangs hemelse geuren het graf binnenkomen. De ongelovige, die geen antwoord kan geven, zal daarentegen uitzicht krijgen op het vuur van de hel.


Men zal bij een sterfbed ook koranverzen opzeggen; als laatste waarschuwing zal men soera 36 reciteren, waarin onder meer staat: "Wij maken de doden weer levend en wij schrijven op wat zij vroeger gedaan hebben" (Koran 36, 12).


Het afleggen van een gestorvene heeft voor de moslims een godsdienstige betekenis en er gelden rituele voorschriften voor. Het is passend de uitvoering van die voorschriften aan de familie of geloofsgenoten over te laten.


Het lijk wordt ritueel gewassen. Meestal doet men dit thuis; sommige ziekenhuizen hebben een afzonderlijke ruimte waar moslims deze wassing kunnen verrichten. In principe worden mannen gewassen door mannen; vrouwen wassen vrouwen. Volgens de ene wetsschool mag een man zijn gestorven echtgenote wassen, maar volgens de andere niet: de dood heeft immers hun huwelijk ontbonden. Vaak gebeurt de wassing door beroepskrachten, religieuze leiders of vroedvrouwen. Martelaren worden niet gewassen. Zij worden in hun met bloed bevlekte kleren begraven; dat geldt als een eer.


Daarna wordt het lichaam in een lijkwade gewikkeld en opgebaard. De lijkwade voor mannen bestaat uit drie witte doeken, voor de vrouw uit vijf doeken, wit of gekleurd, maar niet blauw. (Deze kleur is tegen het 'boze oog', de jaloersheid, gericht, en daarvan kan na de dood geen sprake meer zijn; daarom worden als lijkwade geen blauwe doeken gebruikt.) Zij die de bedevaart naar Mekka hebben volbracht worden bij voorkeur begraven in hun witte bedevaarderskleed.


Als de nabestaanden het kunnen betalen, huren ze vaak koranlezers om tijdens de wassing en later op de begrafenis koranrecitaties te laten horen. Anders doen de familie, vrienden of kennissen dit.


Een overleden moslim wordt niet verast, omwille van het geloof in de opstanding van het lichaam op de Laatste Dag. Het is de gewoonte een gestorvene zo vlug mogelijk te begraven. Als het overlijden 's ochtends heeft plaatsgevonden, gebeurt de begrafenis nog op dezelfde dag; anders de dag daarop. Het geldt als verdienste aan de uitvaartstoet deel te nemen, al is het maar enkele stappen.


Sommige islamkenners wijzen erop dat bij een overlijden in het Westen de aandacht meest gaat naar de nabestaanden, de rouwenden. In de islam ligt het accent op de dode, die op reis gaat naar het hiernamaals. Daarom vindt in de islam de begrafenis zo snel plaats en zijn de rituelen gericht op de overledene en het hiernamaals, minder op het rouwproces van de achterblijvenden.


Begrafenis

Het begrafenisgebed vindt plaats thuis, in de moskee of op de begraafplaats.


In de moskee wordt de baar vooraan op de grond gezet. Men plaatst de baar zo dat de dode, die op de rechterzijde ligt, met het gezicht in de gebedsrichting naar Mekka gekeerd is. Achter de baar staan de mannen en achter hen de vrouwen.


Het begrafenisgebed is een verplicht gebed. Onder leiding van de imam wordt staande viermaal 'God is groter' gebeden. Bij sommige strekkingen zegt men de openingssoera van de Koran. Er wordt gebeden voor het zielenheil van de overledene; zijn/haar goede daden worden geprezen, en men vraagt vergeving voor zijn/haar zonden en voor die van alle moslims.


Na het gebed wordt de dode in een lijkkist - of bedekt met een mat - op een draagbaar naar de begraafplaats gebracht.


De mannelijke nabestaanden wisselen elkaar af bij het dragen en gaan vaak met snelle pas vooruit. Zij wenen of treuren niet met luid geklaag. Maar zij zwijgen evenmin. Zij herhalen luid: "Allahu akbar", "God is groter". Zij belijden krachtig dat er geen God is tenzij Allah. Zij spreken hun geloof uit: "Er is geen kracht of macht tenzij God". "Gelovigen die < in Cairo > de weg van de lijkstoet kruisen, herhalen de geloofsbelijdenis en heffen symbolisch de wijsvinger op: één God, Hij alleen is Heer over leven en dood. 'Hij geeft leven en laat sterven.' (Koran 9, 116)" (E. Platti, 'Hoe dragen moslims hun verdriet?', p. 95)


De vrouwen worden geacht na het begrafenisgebed afscheid te nemen van de dode en niet mee te gaan naar het graf. Volgens de traditie is dit omdat de vrouwen emotioneel zijn en zich niet zouden kunnen bedwingen om luidop te weeklagen. De dode zou dit als een pijniging ervaren. Het zou zelfs als kritiek op God kunnen worden uitgelegd. Men dient de dood in berusting te aanvaarden. Niettemin vergezellen vrouwen toch vaak de begrafenisstoet, luid klagend.


De dode wordt begraven liggend op de rechterzij, met het gezicht in de richting van Mekka, bij voorkeur in een nis in de zijwand onderaan het graf, afgesloten met planken of stenen, zodat er geen aarde op het lichaam valt. Terwijl zij bij de begrafenis een handvol aarde werpen op het graf van een verwant of vriend zeggen moslims: "Uit de aarde hebben Wij u geschapen en in haar zullen Wij u doen terugkeren en uit haar zullen Wij u weer tevoorschijn brengen" (koran 20, 55). Voordat men zich van het graf verwijdert, wordt nog eenmaal de geloofsbelijdenis voorgezegd.


Wanneer de begrafenis voorbij is en de nabestaanden de begraafplaats verlaten hebben, blijft de imam nog bij het graf om de dode aanwijzingen te geven over hoe hij de vragen van de grafengelen moet beantwoorden.


's Avonds bieden de familie, vrienden en buren aan de nabestaanden van de overledene een begrafenismaal aan.


De islamitische wetgeving keurt het versieren van een graf af. Ook de naam van de overledene mag niet worden vermeld. Het is wel toegelaten de plaats van het hoofd van de overledene aan te duiden met bijvoorbeeld een steen of een stuk hout. Soms wordt ook aan het voeteinde een verticale steen of stuk hout geplaatst. Vaak legt men over het graf een doek, vooral bij graven van vrouwen.


Niettemin bestaat in de islam een lange traditie om graven te versieren met bewerkte stenen, waarin dikwijls koranverzen zijn gebeiteld of gegrift. Ook worden de naam van de dode en zijn/haar goede daden regelmatig vermeld.


Het is een traditie moslims te begraven zonder kist, in volle grond. Zo - zegt men - kan de overledene rechtop zitten tijdens de ondervraging door de engelen; volgens een modernere interpretatie is het een symbool van de opstanding.


Een moslim moet begraven worden op een islamitische begraafplaats, of minstens op een deel dat voor moslims is bestemd. Daarom dringen sommigen erop aan in België op de begraafplaatsen een apart perceel voor moslims te voorzien.


In het begin van 2000 publiceerde het Belgisch ministerie van Binnenlandse Zaken een omzendbrief ter verduidelijking van de wettelijke bepalingen. De gemeentelijke begraafplaats is neutraal, maar de gemeenten kunnen rekening houden met 'gevoeligheden of geloofsovertuigingen' van burgers.


Een moslim kan op een apart perceel begraven worden, met een afzonderlijke toegang via een pad. Dat perceel mag niet afgescheiden worden van andere graven door een muur of planten. De graven kunnen naar Mekka gekeerd liggen en verhoogd worden.


Van een begrafenis in de volle grond, zonder kist, kan om hygiënische redenen geen sprake zijn.


Een eeuwigdurende grafconcessie wordt niet toegestaan. Dit probleem kan opgelost worden door de concessie - van minimum 15 tot maximum 50 jaar - telkens te laten verlengen.


In sommige steden (onder meer in Antwerpen, Andenne, Charleroi, Houthalen, Luik, Schaarbeek) is op de begraafplaatsen al een afzonderlijk perceel voor moslims beschikbaar. Sommige gemeenten hebben plaatsgebrek of roepen praktische bezwaren in. In Gent formuleerde de schepen in 2000 principiële bezwaren: men wil op de begraafplaatsen geen verdeeldheid volgens levensbeschouwing; uit respect worden moslims wel begraven in de richting van Mekka.


De meeste in West-Europa ingeweken moslims verkiezen na hun dood overgebracht te worden naar hun land van oorsprong omdat ze dan zeker in moslimgrond en volgens de islamitische tradities begraven worden.


Verdere rouw - de band met overledenen

Het is gebruikelijk dat de nabestaanden een rouwperiode in acht nemen waarin ze geen feesten of bruiloften bijwonen, sober gekleed gaan, geen sieraden dragen. Zij ontvangen het rouwbeklag van verwanten en kennissen. De lengte van deze periode ligt niet vast en varieert sterk van streek tot streek. De islamitische traditie beveelt een rouw van drie dagen aan, maar vaak loopt die periode op tot veertig dagen. In Marokko staat gedurende deze drie dagen het huis van de nabestaanden open voor ieder die de familie wil condoleren. Gedurende deze drie dagen sturen familie, vrienden en buren naar het huis van de nabestaanden rouwmalen, die kunnen genuttigd worden door al wie in het huis aanwezig is. Op de derde dag maken de nabestaanden zelf een rouwmaal en bieden dit aan hun gasten aan. Op deze dag wordt in het huis van de nabestaanden opnieuw de hele nacht de Koran voorgedragen, worden aalmoezen uitgedeeld en smeekbeden tot God gericht om vergiffenis te vragen voor de zonden van de overledene. Men bidt en haalt herinneringen op aan de goede en vrome daden van de overledene.


Voor de weduwe is de lengte van de rouwperiode precies bepaald. Normaal duurt deze vier maanden en tien dagen, en voor het einde van deze rouw mag de vrouw geen nieuw huwelijk afsluiten. Deze maatregel dient om te verzekeren dat - bij een nieuw huwelijk van de weduwe - een eventuele nakomeling van de voormalige echtgenoot niet aan de tweede echtgenoot wordt toegeschreven.

Moslims bezoeken de graven van hun overledenen regelmatig om voor de doden te bidden en verzen uit de Koran voor te dragen; soms offert men een dier of gebruikt men een maaltijd. Wie het kan betalen, laat regelmatig gedeelten uit de Koran voordragen bij het graf.
In de hele islamitische wereld is de veertigste dag na een overlijden een bijzondere dag waarop bepaalde ceremoniën moeten plaatsvinden. Vaak nuttigen de nabestaanden dan een maaltijd op de begraafplaats.
Als gelovige moslims aan een begraafplaats voorbijkomen wensen zij de doden 'Salaam' (vrede, goede dag): zij horen er immers nog altijd bij.

Dood, oordeel en eeuwig leven
Het geloof in 'de laatste dag' is een deel van de islamitische geloofsbelijdenis.
Mohammed predikte het hiernamaals, waarin de mens rekenschap moet afleggen voor alles wat hij tijdens zijn leven op aarde heeft gedaan of nagelaten. De Koran verkondigt op veel plaatsen een opstanding uit de dood en een Laatste Oordeel, waarna de godvrezenden het paradijs wacht en de bozen de hel. De dood is wat het leven zinvol maakt ; zij is niet het einde, maar een overgang.
Het leven is een zaaiveld voor het hiernamaals (Koran 42, 20). De mens is verantwoordelijk voor wat hij doet. Bij het oordeel wordt de balans opgemaakt; dan volgt de vergelding van wat ieder zelf heeft gedaan (Koran 36, 54).
De Koran zegt weinig over wat de dood is. Zij is de ingang tot het hiernamaals. Zij is vergelijkbaar met de slaap: de ziel wordt bij de slaap tijdelijk door God weggenomen, bij de dood is dit definitief het geval (Koran 39, 34). Het einde komt als de levensadem (de ziel) het keelgat bereikt en God dichter bij de stervende is dan zij die om hem heen staan (Koran 56, 83). Het is de doodsengel die de mensen doet sterven (Koran 32, 11). Voor ongelovigen zijn de engelen niet bepaald zachtzinnig als hun stervensuur gekomen is: Zij « slaan op de gezichten en de ruggen » (Koran 47, 27) terwijl zij zeggen: « proeft de bestraffing van de verbranding » (Koran 8, 50). Tegen de godvrezenden zeggen zij : « Heil zij u, treed binnen in het paradijs ». De martelaren, « zij die voor de goede zaak hun leven gaven », gaan rechtstreeks naar het paradijs: « zij zijn levend bij hun Heer » en het is God die hen onderhoudt (Koran 3, 169; 22, 58).
Er is in de koran duidelijk sprake van een periode tussen de dood en de opstanding. Wanneer een ongelovige gestorven is vraagt hij God om te mogen terugkeren en zijn leven te beteren. Maar dan is het te laat, want « achter hen is een versperring tot aan de dag waarop zij worden opgewekt » (Koran 23, 100).
De Koran affirmeert meermaals de opstanding. God, die de mens de eerste maal in het leven heeft geroepen, kan dat ook een tweede keer doen (Koran 2, 28 ; 22, 66). Hij hoeft slechts te zeggen : « wees » en het is (Koran 16, 40). En zoals God een tweede maal doet leven, doet Hij ook een tweede maal sterven, een sterven waaraan geen einde komt (Koran 40, 11 ; 87, 13). Bij het eerste sterven krijgen de onrechtvaardigen al een voorproefje van wat hen nog te wachten staat. Anders dan voor de godvrezenden, die trouwens ook maar eenmaal sterven (Koran 37, 58v; 44, 56), is voor de onrechtvaardigen het sterven zelf al een vreselijk gebeuren (Koran 6, 93). Hun verblijf in de hel zal nog vele malen erger zijn. Zij zullen de vernietiging wensen, maar dat zal hun onthouden worden (Koran 87, 11).
« Hedendaagse moslimintellectuelen zijn geneigd niet te veel te speculeren en zwijgen over het hiernamaals of beperken zich tot de gegevens die de koran verstrekt : de rekenschap die van de mens wordt gevraagd bij het Oordeel. De rationalisten zetten vraagtekens bij de traditionele verhalen over het leven in het graf. De preoccupatie met het hiernamaals van vorige geslachten delen zij niet. Zij leggen meer de nadruk op het leven hier en nu. Zo wordt bijvoorbeeld in een omschrijving van de doelstellingen van het godsdienstonderwijs in Turkije expliciet gezegd dat 'de islam niet alleen leert te werken voor het hiernamaals, maar ook om het leven op aarde te leiden alsof de mens niet zal sterven, in geluk, eenheid en saamhorigheid'. In alle moslimlanden is men vandaag de dag gericht op verbetering van het levenspeil en zowel modernisten als fundamentalisten hebben als adagium 'God verandert de toestand van een volk niet, voordat het zichzelf verandert' (Koran 13 :11). »
In het volkse milieu blijven de traditionele voorstellingen gehandhaafd, zoals over het leven van de geest in een of andere vorm van verbinding met het lichaam tijdens de periode tussen het overlijden en de opstanding. « In deze kringen bestaat dan ook weerstand tegen autopsie en tegen het afstaan van zijn lichaam ten behoeve van medische experimenten. De doden kunnen immers voelen en pijn lijden. » (K. Wagtendonk, 'Het memento mori van de islam', p. 134)
(uit ‘Ontmoeting, de islam in de katholieke godsdienstlessen’, Frans Hitchinson)

Impuls 8

Een touw van verbondenheid

Over verklarenderwijs werken in de derde graad
  • Ook in de derde cyclus blijven de kinderen visueel ingesteld. Beelden spreken hen sterk aan.
  • Ook hier zijn de beelden een middel om af te stappen van het louter verbale godsdienstonderricht. Via beelden worden de  kinderen aangesproken op hun verbeeldingskracht.
  • De beelddidactiek van de derde cyclus probeert de werkelijkheid doeltreffend in beelden om te zetten. De werkelijkheid moet ook hier spreken via beelden. De beelden zijn immers sprekers van ervaringen en gevoelens. Het is de bedoeling dat kinderen zich in deze ervaringen herkennen zodat er een wisselwerking tussen het verbeelde verhaal en de luisteraar ontstaat.
  • In de derde cyclus wordt er gebruik gemaakt van beelden die door anderen over een verhaal zijn gemaakt, bv. kunstwerken, …
    Kinderen leren kijken naar een bijbelverhaal of een bijbelfragment en naar het bijbehorend kunstwerk en ontdekken dat een verhaal voor interpretatie vatbaar is, dat mensen vroeger en nu met verschillende ogen naar een verhaal keken. Ze worden zich bewust dat de tijdsgeest en andere invloeden meegespeeld hebben in het interpreteren van een verhaal. Ze leren zelf op een verbeeldende wijze (bijbel)verhalen verwerken.

We gebruiken de afbeelding ‘Stammvater Abraham mit Sara und Hagar, Isaak und Ismael’ van de Indisch-Duitse kunstenares Lucy D’Souza-Krone.

Bekijk nog eens terug de stappen van beelddidactiek die we je aanreikten bij impuls 4.
Neem voldoende tijd om via de prent het verhaal terug op te roepen, te laten werken.
Vanuit de compositie kan de verwantschap van de drie grote monotheïstische godsdiensten toegelicht worden: jodendom en christendom via Sara en Isaak, islam via Hagar en Ismaël.

 

 

 

 

 

  • Duid als leerkracht waarom Abraham/Ibrahiem een stamvader is voor de joden, de christenen en de moslims.

Abraham heeft de zoekende mens  op een bepaald spoor gezet, hij heeft een nieuwe manier van in het leven staan aangemoedigd.
 

  • om op te weg gaan: geloven is een levenslang-op-weg gaan (niet vastroesten, eerlijk blijven zoeken, je niet vastklampen aan zekerheden, …) (Groene woordstrook)
  • omwille van de belofte van een groot nageslacht: in navolging van Abraham zijn er nog veel mensen die met de God van Abraham op weg willen gaan… Abraham liet ons ontdekken dat het geloof er is voor iedereen, Allah/God wil een zegen zijn voor alle mensen. (Rode woordstrook)
  • omwille van de belofte van een land: Abraham droeg grote idealen met zich mee, maar heeft die tijdens zijn leven niet volledig waar kunnen maken. Maar hij was tevreden. Abraham voelt dat we gelukkig mogen zijn telkens we een heel kleine realisatie van onze idealen mogen ervaren. Abraham heeft geen groot land, maar het kleine lapje grond is ook goed. (Gele woordstrook)
  • Nodig de kinderen uit om zich te engageren vanuit Abrahams/Ibrahiems voorbeeld.

Heeft Abraham/Ibrahiem je aan het denken gezet? Wat neem je van hem mee? Waartoe wil jij je engageren? Waartoe voel jij je geroepen?

  • Op weg gaan: bv. me door het geloof laten raken, verder verdiepen/ studeren in het geloof… (groen)
  • Groot nageslacht:  bv. open staan voor anderen,  proberen sámen met anderen aan de droom van Abraham iets te doen… (rood)
  • Beloofde land: bv. tevreden zijn met de kleine dingen die me dankbaar stemmen, met gebaren die me diep gelukkig maken. (geel) 

Laat hen op een gekleurd briefje noteren hoe zij dit concreet beleven.

  • Nodig hen uit in de tent.
    Ga in gesprek of het werken rond Abraham/Ibrahiem de groep dichter bij elkaar heeft gebracht. Of er dingen geleerd werden: over zichzelf, over de   anderen, …
    Bespreek hoe op die lesmomenten de sfeer was: luisterbereidheid, samenwerking,…
  • Doe een stilteritueel. Breng Bijbel en Koran binnen en leg er een dik touw omheen. Laat de briefjes aan het touw bevestigen.
  • Nodig hen uit om dankbaar stil te staan hoe Abraham/Ibrahiem hen als groep dichter bij elkaar bracht/brengt.
  • Breng alle stiltekaarten terug in het midden. Laat de kinderen kiezen met welke kaart we de lessenreeks afsluiten.
  • Maak in een volgende les muzische vorming vriendschapsbandjes met de drie kleuren touw, leer het lied ‘Onderweg’ aan, …
“Onderweg”


(uit Zitten of opstaan 5, Gerard van Amstel, Greet Brokerhof-van der Waa en Gerard van Midden)

Altijd zijn we onderweg.
Onderweg naar morgen.
Met de dromen van vandaag,
met geluk en zorgen.
Af en toe een beetje zon,
af en toe wat regen,
want soms is het leven fijn
en soms zit het tegen.

refrein:
Het leven is een reis.
Een reis langs heel veel wegen.
We reizen samen of alleen.
We weten soms niet goed waarheen,
maar gaan op hoop van zegen.

Altijd zijn we onderweg.
Zoeken nieuwe wegen.
En we komen elke keer
nieuwe mensen tegen.
Vragen naar de goede weg,
bang om te verdwalen.
Kiezen hoe we verder gaan
en de koers bepalen.

Laat de leerlingen een laatste keer de woordspin en hun groeischrift invullen.

Projectfiche BuBaO

PROJECT

Abraham- Ibrahiem
 

 

Belevingen, ervaringen van de kinderen, verhalen, spelsituaties, geloofstaal, Bijbel, symbolen, rituelen, …

A.

Funda­men­tele be­staans-
con­dities

A.1
Vertrou­wen
versus
wantrou­wen

Abraham vertrouwt op Gods stem, op Zijn belofte.
Abraham twijfelt wanneer Sara maar niet zwanger wordt.
Abraham vertrouwt dat God het met hem goed voorheeft. Hij blijft vertrouwen ook al stelt God zijn vertrouwen op de proef (offer Isaak- Ismael)
God leidt Abraham zijn levensweg.

Abraham trekt weg. (impuls 1.2)
Filosofisch gesprek over geloven en zeker weten. (impuls 3.1)God leidt Abraham, ook mij?(slotimpuls)

A.2
Mogelijk­he­den en
beperkin­gen

Abraham is sterk. Hij durft het aan om weg te trekken uit zijn land. Vaak twijfelt Abraham. Hij heeft het moeilijk als Gods’ belofte niet lijkt uit te komen. Toch blijft Abraham trouw aan God/Allah.

Abraham is een voorbeeld voor wie gelooft, voor wie aan zichzelf twijfelt als christen, als moslim.
Filosofisch gesprek over geloven en zeker weten. (impuls 3.1)

B.

Verbonden­heid

B.1
met zichzelf

Abraham ligt vaak in de knoop met zichzelf. Hij hoort zijn innerlijke stem, soms volgt hij die, soms ook niet.

B.2
met anderen

Abraham neemt het voor anderen op (Lot).
Abraham is gastvrij.
Abraham houdt van Sara en Hagar.
Abraham en zijn zonen: hij houdt van zijn zonen.

Abraham en Lot (impuls 2)
Het verhaal van de lach, Prentenboek Rachid en de blauwe mannen (impuls 4.1)

B.3
met gemeen­schappen

Joden, christenen en moslims zien Abraham als een grote profeet, als beeld van een echte godsgelovige.
Hoe spreken we over Abraham in de verschillende godsdiensten?
Moslims beseffen dat ze behoren tot de wereldwijde islamitische gemeenschap, de umma.

Les over de hadj (bedevaart naar Mekka) (impuls 5)

B.4
met natuur
en cultuur

Kijken naar de sterren: Abraham moet van God naar de sterren kijken als hij twijfelt. Zoveel sterren als je telt, zoveel nakomelingen zal je krijgen.
Abraham leeft als nomade in tenten, dicht bij de natuur.

 

C.

Groeien in gevoeligheid
voor goed en kwaad

Abraham is gastvrij voor de vreemdelingen.
Abraham neemt het voor anderen op.

Impuls 2 eventueel uitbreiden met Barmhartige Samaritaan, gebed p 26
Tijdens dit hele thema extra impulsen rond ‘gastvrij zijn’ voor de andere klassen. In kooklessen iets klaarmaken voor anderen. Eens een gerecht uit een andere cultuur klaarmaken.

D.

Open komen voor symbo­liek:
geloofstaal, rituelen,
vierin­gen

Symboliek van verbond, tent, 3 vreemdelingen, offer
Kennismaken met hadj, offerfeest

Een tent in de klas: teken van verbondenheid

De verhalen over Abraham en Ibrahiem lezen, bespreken. Zoeken naar gelijkenissen en verschillen.

Godsnamen- en godsbeelden (impuls 1.3)

Ritueel van de tent

Stilteritueel

Bronnen

Literatuurlijst:

Agten, J., Herrebosch, E., Verduyn, K. en Vervoort, L., Bibliodrama begeleiden, wegwijzers voor de praktijk, Garant, Antwerpen – Apeldoorn, 2007.

Beck, H. L., Abraham en de interreligieuze dialoog tussen christenen en moslims. (in: M. Moyaert en P. Kevers (red.), Wanneer alteriteit realiteit wordt. Christendom en Islam. Bijbel en Koran. Acco, Leuven, 2008, p.278).

El Helou, A. K., Profeten in de islamitische traditie, Oase, Zoetermeer, 2005.

Eynikel, E., e.a., Internationaal Commentaar op de Bijbel, Kok – Kampen, Averbode, 2001.

Feiler, B., Abraham. Een reis naar het hart van drie godsdiensten. Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2002.

Hees, E., Rachid en de blauwe mannen, Thoeris, Amsterdam, 2007.

Hemel en aarde, themanummer Abraham, Kwintessens, Amersfoort, jaargang 4, zomer 2005.

Hitchinson, F., Ontmoeting, de islam binnen de katholieke godsdienstlessen in het basisonderwijs, De Katholieke Schoolgids (cahier), 2002.
(ook te raadplegen via http://www.kuleuven.be/thomas/algemeen/actualiteit/boeken/hitchinson.php )

Hitchinson, F., Interreligieus leren, (in: De schat in elk van ons, Verslagmap colloquium directies katholiek basisonderwijs, bisdom Gent, 2003).

Leerplan rooms-katholieke godsdienst voor het lager onderwijs in Vlaanderen, LICAP 1999.

NBS/KBS, Bijbel, Nieuwe Bijbelvertaling, 2004.

D. POLLEFEYT (ed.), Interreligious Learning (Bibliotheca Ephemeridum Theologicarum Lovaniensium 201), Leuven, Peeters, 2007, 340 blz. of via  http://www.kuleuven.be/thomas/algemeen/nieuwsbrief/?page=view&id=23#item5.

Roebben, B., Godsdienstpedagogiek van de hoop. Grondlijnen voor religieuze vorming. Acco, Leuven 2007.

Trefwoord, methode voor godsdienstige en levensbeschouwelijke vorming in het primair onderwijs, Projectlijn VEELBELOVEND, SGO,  Hoevelaken, 2006.

Uitvoeringsnota van de Erkende instantie IDKG: Het vak rooms-katholieke godsdienst in katholieke basisscholen met een hoog percentage moslims, april 2000.

van Bodegraven, N. en Kopmels, T., Wortels en vleugels, Kinderen onderzoeken bestaansvragen, SWP, Amsterdam, 2004  (www.wortelsenvleugels.nl).

van Eersel, S., Hermans, C. en Sleegers, P., God, wat bedoel je? Verstaan van de a(A)nder in interreligieuze communicatie, (in: Hermans, C. (red.), God op de basisschool, Tussen niet kunnen spreken en niet kunnen zwijgen, Damon, Budel, 2004, p. 111.

van Overbeeke-Rippen, F., Ibrahiem en Abraham, Koran en Bijbel verteld voor kinderen, Meinema, Zoetermeer, 2003.

van Overbeeke-Rippen, F., Abraham als kleinste gemene veelvoud in de dialoog tussen christenen en moslims. (in: M. Moyaert en P. Kevers (red.), Wanneer alteriteit realiteit wordt. Christendom en Islam. Bijbel en Koran. Acco, Leuven, 2008, p.299).

 

Websites:

www.godsdienstonderwijs.be (fotodatabank op Thomaswebsite)

www.bijbelenkoran.nl

http://www.kuleuven.be/thomas/algemeen/actualiteit/boeken/hitchinson.php

 

Materialen voor het werken met kinderen:

Anderland, de missie is vrede, gezelsschapsspel, Kerkopkop, Kampen (www.kerkopkop.nl).

Brokerhof – van der Waa, G. en Konsek, D., Abraham en Sara, SGO, Hoevelaken, 2000.

Feesten met de buren, Kerk & Wereld en Kerkwerk Multicultureel Samenleven, jaarlijkse uitgave.

Köder, S., Kinderbibel mit Bildern von Sieger Köder, Verlag Katholisches Bibelwerk, Stuttgart, 1997.

Offringa, B., De gouden sleutel, Verhalen bij thema’s uit de bijbel, Meinema.

Offringa, B., Marhaban, Verhalen uit de wereld van de islam, Meinema.

ter Linden, N., Het land onder de regenboog, Verhalen uit het Oude Testament, Balans, Amsterdam, 2006.

Zitten of opstaan? 24 geloofsliedjes uit Trefwoord en Kiezels (deel 5), SGO Hoevelaken, 2002 (tekstboek en cd).

Bijlagen

Interreligieus leren

Het is moeilijk in kort bestek het interreligieus leren voor te stellen met zijn varianten, met de mogelijkheden en met de vragen errond. In wat volgt schetsen we de algemene visie van het interreligieus leren, omdat het een houding, een instelling bevat die in godsdienstlessen vandaag nuttig is. Het is een interessante toepassing van het thema van ons colloquium: verdraagzaam omgaan met ‘de schat in mij’ én met ‘de schat in de ander’.

Twee kenmerken van onze tijd vormen samen een vreemde combinatie: enerzijds is er secularisatie, achteruitgang van de religieuze invloed in het leven, en anderzijds is er een veelheid aan godsdiensten reëel aanwezig, niet enkel via teksten, maar door aanhangers van die godsdiensten in onze eigen samenleving. Dit noopt tot ontmoeting en gesprek. Het gesprek tussen de godsdiensten wordt een voorname opgave voor de 21ste eeuw. Deze ontmoeting is concreet toe te passen in de scholen en meer speciaal in het levensbeschouwelijk onderricht. In heel wat scholen is onder de leerlingen flink wat religieuze verscheidenheid vast te stellen. En zelfs als dat maar in beperkte mate het geval is, via de school en via de media hebben de leerlingen een venster op de wereld dat onmiskenbaar religieuze verschillen laat zien.

In dit perspectief zijn in Nederland en Vlaanderen diverse initiatieven genomen: lesprojecten, publicaties, wetenschappelijk onderzoek en studiedagen, scholen die de verscheidenheid van levensbeschouwingen niet enkel vaststellen, maar ze als uitgangspunten nemen voor levensbeschouwelijke groei: vaststellen en vergelijken, nadenken en dialogeren en verder nadenken.

Interreligieus leren, Frans Hitchinson, in ‘De schat in elk van ons’, Verslagmap colloquium directies katholieke basisscholen bisdom Gent, 2003.

Leren door vergelijken

Vergelijken is vaak een interessante bron van leren: men krijgt oog voor overeenkomsten en verschillen en leert daaruit. Bij de levensbeschouwelijke groei is het niet anders.
Volgens het Leerplan rooms-katholieke godsdienst voor het lager onderwijs in Vlaanderen hoeft die verscheidenheid “niet steeds op de voorgrond te staan. Kinderen kunnen immers doorgaans nog niet in verschillende mogelijkheden denken. (…) Bij hen kunnen verschillen soms zelfs verscheurend werken. (…) Het is noodzakelijk dat kinderen, waar mogelijk, leren oog te krijgen voor wat mensen met elkaar gemeen hebben, wat hen verbindt, ondanks de geconstateerde verschillen. Dit vormt een goede basis om op termijn tolerantie en respect te kunnen opbrengen voor mekaar, doorheen de verschillen.” (lp p. 44)
Kinderen stellen soms vast dat andere mensen anders geloven of anders leven dan zij. Al op kleuterleeftijd zien zij bijvoorbeeld dat niet alle kinderen een kruisteken maken.  Aanvankelijk kunnen zij dit vreemd vinden en leerkrachten kunnen het als hinderlijk ervaren. Het is echter waardevol dat kinderen in een eerste stap die verschillen als een feit leren aanvaarden (bv. kleuters). Ondertussen stellen zij vast dat zij en de andersgelovige kinderen veel gelijke dingen doen, zelfs heel wat samen doen. Door persoonlijk contact kunnen zij verdraagzaamheid, eerbied en verbondenheid leren.
In een volgende stap komen kinderen tot nadenken, sommige eerder vroeg, andere wat later. Zij zullen bv. vernemen waarom bepaalde kinderen geen kruisteken maken: bij sommige is het omdat zij tot een ander geloof behoren, bijvoorbeeld de islam. Stilaan zullen zij nog allerlei overeenkomsten en verschillen vaststellen. Van daaruit kunnen zij verder nadenken over de geloofsbeleving van anderen én over de eigen godsdienst.

Het leerplan verwacht dat godsdienstleerkrachten rekening houden met de religieuze verscheidenheid in de klas, en van daaruit een communicatie op gang brengen. Katholieke godsdienstlessen, gegeven in klassen waarin ook andersgelovige (bv. islamitische) leerlingen aanwezig zijn, kunnen een interessant kader scheppen om aan interreligieuze dialoog te doen, uiteraard op niveau dat bij de leerlingen past.

Er is degelijke informatie nodig, zonder te algemene, ongenuanceerde beelden op te hangen over de godsdiensten en hun gelovigen. Men werkt best met concrete voorbeelden. En hoe de leerkracht zelf met verscheidenheid omgaat (of niet kan omgaan) beïnvloedt vaak hoe de leerlingen dit doen.

Interreligieus leren: oog voor overeenkomst en verschil

Religieuze opvoeding kan op verschillende manieren gebeuren. Sommigen beperken zich tot het leren kennen van de eigen godsdienst waarin men is opgevoed en waarvoor men gekozen heeft. Dit is het monoreligieus model, een leren binnen de eigen godsdienst, ‘learning in religion’. Het staat de overdracht van en de socialisatie binnen een specifieke religieuze traditie voorop. Dit model neigt ernaar één godsdienstige traditie als de enig ware naar voor te schuiven. Dan hoeven de leerlingen over de andere godsdiensten eigenlijk niet veel te weten.

Anderen kiezen ervoor ruimer te kijken; zij willen heel wat leren over verschillende godsdiensten. Dit is het multireligieus model, ‘learning about religion’.
Dit model plaatst verschillende religieuze tradities naast elkaar. Het is erop gericht dat leerlingen een grotere kennis hebben van verschillende religieuze tradities, dat ze open staan voor al die tradities en daar zeer verdraagzaam tegenover staan. Dit model neigt ernaar niet één bepaalde religieuze traditie naar voor te schuiven; eigenlijk zijn ze allemaal relatief. ‘Wie zou aan één bepaalde godsdienst het recht willen toekennen de enige ware godsdienst te zijn’, zo denkt men binnen deze stroming wel eens in een bui van relativisme.

De laatste jaren is er aan de boom van de godsdienstige opvoeding een nieuwe tak gegroeid: het interreligieus model, leren van andere godsdiensten, ‘learning from religion’. Hier wordt een poging ondernomen om de aanhangers van verschillende religieuze tradities met elkaar in dialoog te laten treden, op twee manieren:

  • ze worden gestimuleerd om vanuit het eigen perspectief naar andere, vreemde tradities te kijken;
  • maar tevens worden ze gestimuleerd om vanuit die andere tradities naar de eigen religieuze traditie te kijken, daardoor kunnen zij de waarde van de eigen godsdienst ontdekken (bv. m.b.t. Christus, God als een goede Vader,…)

Men hoeft dus de eigen godsdienst niet los te laten en te zoeken naar één alle verschillen overstijgende godsdienst. Men kan beter proberen om respectvol om te gaan met de eigenheid van alle partners in het interreligieuze gesprek. De eigen identiteit moet daarbij niet worden weggemoffeld en de eigenheid van de andere wordt niet enkel geduld, maar beschouwd als een leerkans. In deze benadering ontstaat een ruimte waarin iedere partner tegelijk trouw kan zijn aan de eigen levensvisie én verrijkt kan worden door het anders zijn van de andere.

(…)

Hermans Chris A.M., God op de Basisschool. Tussen niet kunnen spreken en niet kunnen zwijgen. Damon, Budel 2004, 115-120 (passim).

Interreligieuze interactie gericht op het begrijpen van de ander

Mensen denken dat ze de ander begrijpen omdat zij de praktijken van de ander interpreteren vanuit hun eigen praktijk. Op het moment dat een persoon vanuit zijn eigen referentiekader betekenis geeft aan het gedrag van de ander, veronderstelt hij te weten wat de ander denkt of voelt.
Daarom is het misschien beter om te stellen dat mensen altijd op weg zijn om de ander te begrijpen. Dit geldt temeer omdat het referentiekader verbonden is met het geheel van religieuze praktijken, zoals bidden, vieren of een religieus verhaal interpreteren. We mogen een referentiekader niet redu­ceren tot opvattingen ('proposities') in de hoofden van mensen. De betekenis van een religieuze praktijk ligt in het geheel van deze praktijk besloten, dus zowel in de betekenis die de deelnemers delen met anderen, als in de betekenis van de tradities (meervoud) die doorwerken in deze praktijk, het religieuze gereed­schap (symbolen, teksten, handelingen), de invloed van instituties op deze prak­tijk, etcetera.

Behalve mijn eigen betekenissen en die van de ander, maken ook de beteke­nissen van een religieuze traditie deel uit van het geheel van een religieuze praktijk. Een religieuze praktijk wordt door Hermans omschreven als een vorm van regel-geleid handelen, waarbij de regels een institutioneel feit creëren (Her­mans, 2001). Water wordt 'doopwater' op grond van een regel die mensen met elkaar afspreken. Deze 'afspraak' wordt gemaakt op grond van het gezag van de traditie. De traditie bepaalt wanneer water tot doopwater wordt. Door deel­name aan de praktijk van dopen, wordt het gezag van de traditie erkend. Dit regel-geleide handelen van mensen geeft betekenis aan een religieuze praktijk. Deze betekenissen liggen' opgeslagen' in een voor iedereen toegankelijk refe­rentiekader. Dit wil zeggen dat iedereen toegang heeft tot de algemene regels van een religieuze traditie. Mensen hanteren dit referentiekader wanneer ze uitspraken doen als: 'volgens de christelijke traditie is God vlees geworden in de persoon van Jezus Christus', of 'de islam verbiedt het maken van afbeel­dingen van God'.
Omdat een regel gerelateerd is aan een specifieke traditie, zijn ook de betekenissen van een publiek-toegankelijk referentiekader traditie­specifiek. We spreken derhalve van een publiek referentiekader van het chris­tendom, een publiek referentiekader van de islam, etcetera. Dit publieke refe­rentiekader speelt een belangrijke rol bij het vormgeven van interreligieuze communicatie in de klas. Maar dit publieke referentiekader dient bij interreli­gieuze vorming niet als dominant referentiekader te worden gehanteerd. Dit zou een beperking betekenen van de ruimte voor het eigen referentiekader van de leerling. In een dialoog proberen mensen zichzelf verstaanbaar te maken én de ander te begrijpen. In een dialoog geven mensen vanuit hun eigen referentiekader uiting aan hun zelfverstaan en maken zij tegelijkertijd gebruik van het refe­rentiekader van de ander om de ander te kunnen begrijpen. In een dialoog wor­den dus niet uitsluitend het eigen referentiekader of een publiek referentieka­der gehanteerd, maar met name ook het referentiekader van de ander. Com­municatie met een dialogaal karakter is dus niet alleen gericht op explicitering van mijn zelfverstaan, maar met name ook op het begrijpen van het zelfver­staan van de ander. Vanwege deze wederkerigheid in het hanteren van elkaars referentiekader en vanwege de gerichtheid op het verstaan van de ander, geldt het dialogale karakter van de interactie als criterium voor goede interreligieu­ze communicatie.

Het dialogale karakter van interreligieuze communicatie kunnen we het best beschrijven in termen van interactie, omdat het woord 'interacteren' tegelij­kertijd een activiteit van het individu veronderstelt, als een activiteit van de andere deelnemers aan de communicatie. In deze interactie spelen drie oriën­taties mee: de intrapersoonlijke-, de interpersoonlijke-, en de traditiegerela­teerde oriëntatie.

Met intrapersoonlijke oriëntatie bedoelen we de communi­catie van mensen met zichzelf. In de interactie met anderen worden mensen geconfronteerd met nieuwe betekenissen. Betekenissen die kunnen worden toe­geschreven aan de ander, maar ook aan religieuze tradities. Deze betekenissen gaan in de persoon een gesprek aan met de betekenissen die die persoon zich reeds heeft toegeëigend. Dit intrapersoonlijke 'gesprek', leidt tot transformatie van het eigen referentiekader van die persoon en uiteindelijk tot een ander zelf­verstaan.

Met interpersoonlijke oriëntatie verwijzen we naar de communica­tieve ontmoeting tussen meerdere mensen. In deze ontmoeting interacteren de deelnemers aan de communicatie met elkaar, én met de materiële en symboli­sche gereedschappen die in de communicatieve ontmoeting een rol spelen (ver­halen, rituelen, woorden, gebaren). De interpersoonlijke oriëntatie biedt zo de mogelijkheid om het eigen zelfverstaan (vanuit het eigen referentiekader) in gesprek te brengen met het zelfverstaan van de ander (waarbij het referentiekader van de ander kan worden gebruikt).

Omdat het niet alleen gaat om een interacteren tussen mensen, maar ook om de interactie met religieuze gereed­schappen, vormt deze oriëntatie een schakel tussen de intrapersoonlijke oriën­tatie en de traditiegerelateerde oriëntatie. Een verhaal of een ritueel heeft niet alleen betekenis voor het individu; het draagt ook een betekenis in zichzelf die het heeft gekregen op grond van een traditie. In de interactie met anderen wordt deze traditiegerelateerde betekenis gecon­stitueerd. Een institutioneel feit komt tot stand doordat een grote groep men­sen een bepaalde betekenis toekent aan een persoon, object of handeling (Hermans, 2001). Deze betekenis wordt door het collectief in stand gehouden. Men­sen die opgroeien binnen een bepaalde traditie weten niet beter dan dat het institutionele feit eenvoudigweg bestaat. Het maakt een vanzelfsprekend onder­deel uit van de cultuur waartoe iemand behoort.

Interreligieuze communicatie wordt gekenmerkt door een onderling op elkaar betrokken zijn van de intrapersoonlijke-, de interpersoonlijke- en de traditiege­relateerde oriëntatie. Deze drie oriëntaties vormen als het ware een krachten­veld waarbinnen de interactie zich afspeelt. Voor interreligieuze communicatie is vooral de interpersoonlijke oriëntatie van belang. Deze oriëntatie richt zich immers op de ander, waarbij de ander zowel de andere gesprekspartner is, als de religieuze tradities waartoe de ander en ik behoren.

In de interpersoonlijke oriëntatie komen verschillende betekenissen samen: van mijzelf, van de andere gesprekspartners en van de tradities. Ik breng betekenis in vanuit mijn eigen referentiekader, maar door het intrapersoonlijke gesprek met mezelf verandert mijn referentiekader ook. De ander brengt zijn betekenis in vanuit zijn eigen referentiekader, en ook zijn referentiekader kan in het gesprek worden getrans­formeerd. Wanneer ik de betekenis van de ander wil begrijpen, zal ik me moe­ten verplaatsen in het referentiekader van de ander, net zoals de ander zich zal moeten verplaatsen in mijn referentiekader wanneer hij mij wil verstaan. Bei­den verhouden we ons tot de betekenissen van de religieuze tradities waartoe wij behoren, maar ook tot de betekenissen van de voor ons vreemde tradities. In dit op elkaar betrokken zijn van de drie onderscheiden oriëntaties, komt een specifieke problematiek naar boven voor interreligieuze communicatie.

Het publieke referentiekader van het christendom is een ander dan dat van de islamitische traditie. Dat betekent dat ik de betekenissen van het publieke referentiekader van de islamitische tra­ditie niet vanuit het publieke referentiekader van de christelijke traditie kan begrij­pen en omgekeerd. Ook bestaat er een verschil tussen het publieke referentieka­der van een traditie, bijvoorbeeld de christelijke, en het geleefde christendom.

Met 'geleefd christendom' bedoelen we de persoonlijke toeëigening van de tra­ditiegerelateerde betekenissen van de christelijke traditie, in de persoon van een christen. De traditiegerelateerde betekenissen van het publieke referentiekader maken deel uit van het eigen referentiekader. De betekenissen van de traditie bestaan niet alleen buiten mij. Zij worden door mij geconstitueerd én geïnter­preteerd vanuit mijn eigen referentiekader. Door te participeren aan religieuze praktijken, constitueer ik enerzijds de institutionele betekenis van die praktijk. Anderzijds wordt deze betekenis ook door mij in mijn eigen referentiekader getrokken waardoor ze voor mij zelf betekenis krijgt. In dit laatste geval spreken we over 'geleefd christendom' of 'geleefd islam'.

Op de derde plaats is er een ver­schil tussen het geleefde christendom en de geleefde islam. De christen die zich de betekenissen van zijn eigen traditie heeft toegeëigend, heeft een ander zelf­verstaan dan de moslim die tot een zelfverstaan is gekomen binnen de kaders van de islamitische traditie.

Tot slot constateren we dat er een verschil is tussen het geleefde christendom en het publieke referentiekader van de islam, en omge­keerd. In dit laatste geval is er zelfs sprake van een dubbel verschil omdat het zowel twee verschillende referentiekaders betreft als verschillende tradities.

  • voor ondersteuning door Thomassite
  • bruikbare materialen en websites (beeld van de foeragetent): www.bijbelenkoran.nl, www.moslimkids.tk , Ontmoeting van FH, Het land onder de regenboog van N.ter Linden,…

Communicatie met de ouders

  • communicatie rond dit project met de directeur, de collega's, de ouders (eventueel met voorbeeldbrieven)

To Do

^ bovenkant pagina

Deze week in de media

Nieuw op Thomas