
Fotograaf: André Bertels
Je was
zowaar
zomaar
weg
waartoe?
waarheen?
waarom?
Kaat Bollen
Vele mensen die met lijden en pijn geconfronteerd worden, stellen zich de vraag waarom hen dit overkomt en waarom de almachtige God hen men dit lijden treft. H. Kushner formuleert een antwoord op deze vraag. Het eerste artikel is goed bruikbaar voor de leerlingen van de derde graad ASO en TSO.
In het tweede artikel geeft Kolet Janssen een antwoord op deze vraag. Met dit artikel kan je in de eerste graad van het middelbaar onderwijs en de derde graad van de basisschool aan de slag gaan.
God is liefde – Wat met zijn almacht? Harold S. Kushner (°1935) is rabbijn van Temple Israël in Natick, Massachusetts. Als theologiestudent werkte hij op het Boek Job. Als rabbijn is hij de pastorale verantwoordelijke voor een joodse gemeenschap in een kleine stad in de V.S. Echt persoonlijk, zo schrijft hij, werd hij slechts geconfronteerd met het lijden, toen hij de diagnose vernam over zijn driejarige zoon Aäron: progeria, een snelle en dodelijke veroudering. Aäron stierf toen hij net veertien was. Uit die beleving schreef Harold Kushner in 1981 When Bad Things Happen to Good People (Schocken Books, New York). In 1983 bracht Ten Have, Baarn de Nederlandse vertaling: Als 't kwaad goede mensen treft. Het boek kende tientallen herdrukken.
Harold Kushner en Job
H. Kushner vertrekt van het Boek Job. Hij formuleert aan de hand van Job kernachtig in welke impasse de lijdensgeschiedenis van Aäron hem gebracht heeft:
Weinig problemen met die redenering, zolang alles goed gaat. Maar van zodra je op het lijden botst, komt de innerlijke samenhang van de drie stellingen in het gedrang. Alleen door één ervan te ontkennen, kun je de overige twee stellingen dan nog onderschrijven. En dat gebeurt reeds in het Boek Job.
De drie vrienden werpen stelling C overboord: Job is in de grond geen goed mens. Hij houdt de schijn hoog of is zich zijn schuld niet bewust. Heel hun betoog is een poging om Job schuldbewust te maken.
Job zelf is geneigd stelling B overboord te gooien: uit zijn zelfverdediging en uit de zuiveringseed blijkt dat hij vasthoudt aan eigen onschuld. Job haalt een paar keer heel scherp uit naar God: "Bewaker of cipier van mensen", noemt hij Hem of zelfs uitdrukkelijk: "God is niet eerlijk". Kushner meent dat God in het boek Job voorkomt als een oosterse potentaat, die boven alle menselijke rechtvaardigheid en goedheid verheven is. Of beter: misschien is Hij wél rechtvaardig en goed, maar dan niet in de zin waarin wij die begrippen bepalen. Waarom anders zou Hij zo brutaal toelaten dat Job door de satan op de proef wordt gesteld? En dat "antwoord" van God op het einde van het boek: zonder meer pretentieus en volkomen naast de gestelde vragen. En is de zaak opgelost, als Job tenslotte al zijn goederen dubbel terugkrijgt? En de geleden pijn? Neen, de God die Job ontmoet "is zo machtig dat Hij niet rechtvaardig hoeft te zijn".
H. Kushner zoekt een derde weg
"Ik heb een andere suggestie, namelijk dat de schrijver van het boek Job voor het standpunt kiest dat Job noch zijn vrienden innemen. Hij gelooft in Gods goedheid (B) en in de goedheid van Job (C), en hij is bereid zijn geloof in stelling (A) op te geven: dat God almachtig is. Kwade dingen treffen goede mensen in deze wereld, maar dat is niet Gods wil. God zou graag zien dat de mensen in het leven krijgen wat ze verdienen, maar Hij kan het niet altijd zo regelen. Gedwongen te kiezen tussen een goede God die geen absolute macht bezit, en een machtige God die niet absoluut goed is, verkiest de schrijver van het boek Job te geloven in Gods goedheid."
Als Kushner die thesis echter exegetisch tracht te bewijzen (wat geen uitsluitsel geeft over de existentiële waarde ervan), jaagt hij het in de gort met een unieke interpretatie van de theofanie in het Boek Job. Waar God – volgens een quasi algemene lezing – juist aan Job wil tonen dat Hij heel de schepping in handen heeft (zelfs het nijlpaard en Leviathan, de krokodil, beeld van de oerchaos in de oosterse mythologie), keert Kushner die verzen om. Ze willen volgens hem zeggen dat God het al heel erg moeilijk heeft om de wereld in het rechte spoor te houden. En dat het bijgevolg ook niet makkelijk is te zorgen dat de mensen loon naar werken krijgen. En God vraagt dan aan Job of hij misschien een sterkere arm heeft, zodat hij het beter zou doen.
En van hieruit formuleert Kushner zijn hoofdstelling.
God zendt het kwaad niet over
"In deze wereld krijgen onschuldige mensen ongelukken. Als dat gebeurt, betekent het niet dat God hen straft voor iets wat ze verkeerd gedaan hebben. Tegenspoed is helemaal niet van God afkomstig.
Misschien roept deze conclusie een gevoel van leegte op. In zekere zin was het een troost om te geloven in een alwijze, almachtige God die garant stond voor een eerlijke behandeling en een goede afloop. Maar het was alleen maar geruststellend op de manier waarop de godsdienst van Jobs vrienden geruststellend was; het werkte alleen maar zolang we de kwestie van de onschuldige slachtoffers niet serieus namen.
Vanuit de nieuwe invalshoek bekeken zouden we ons echter opgelucht moeten voelen dat het uiteindelijk God niet is die ons dit aandoet. Als God een God van gerechtigheid is, en niet van macht, dan kan Hij nog steeds aan onze kant staan als ons iets kwaads overkomt. Hij kan weten dat wij goede, eerlijke mensen zijn die beter verdienen. Ons ongeluk is niet Zijn werk, en dus kunnen we ons tot Hem wenden om hulp. Onze vraag zal niet die van Job zijn: 'God, waarom doet Gij mij dit aan?', maar veeleer: 'God, kijk eens wat er met mij gebeurd is! Kunt U mij helpen?' We zullen ons naar God toe keren, niet om geoordeeld of vergeven te worden, niet om beloond of gestraft te worden, maar om gesterkt en getroost te worden."
En verder, zegt de auteur, zijn er nog existentiële voordelen verbonden aan het opgeven van de idee van Gods almacht. We gaan ons bijvoorbeeld niet langer vastklampen aan allerlei irreële verwachtingen over wat Hij voor ons zou moeten kunnen doen. Als we die irreële verwachtingen opgeven, worden we niet ontgoocheld over God, als ze niet uitkomen. En dat is goed, want als we boos zijn op God, verliezen we het gevoel van zijn nabijheid. We zullen ons verder niet gewogen en te licht bevonden weten, als Hij niet doet wat wij verlangen, want het vervullen van onze wensen hangt niet af van zijn oordeel "of we het wel verdienen". Zo zullen we ook ophouden onszelf met allerlei schuldgevoelens nog dieper in de put te steken, als er iets tegenslaat. We kunnen voortaan boos zijn op het ongeluk, zonder boos te zijn op God. Meer nog: we weten dat God aan onze kant staat en ook boos is om het onrecht, dat ons te beurt valt:
"In plaats van het idee te hebben dat we tegen God zijn, kunnen we het gevoel hebben dat onze verontwaardiging Gods boosheid over onrechtvaardigheid is, die doorwerkt in ons, en dat wanneer we het uitschreeuwen, we nog steeds aan Gods kant staan, en Hij nog steeds aan de onze."
Een onvoltooide schepping
Van zodra we zeggen "ongeluk komt niet van God", staat de volgende vraag overeind: waar komt het ongeluk dan wel vandaan?
Hierop antwoordt H. Kushner met de tegenvraag: "Waarom kunt u niet aanvaarden dat sommige dingen helemaal geen reden hebben, dat ze ons door niemand worden overgezonden, dat ze gewoon een stuk toeval in de wereldgeschiedenis zijn?"
Van veel ongelukken kunnen we wel voor een groot stuk verklaren "hoe" ze ontstaan zijn (bv. een bosbrand), maar welk is het antwoord op de vraag "waarom die en die mensen verbrand zijn en die anderen niet"? En waarom is het net die éne zaadcel die bij die éne eicel trisomie 21 geeft? God heeft niets te zien met die auto die op de autoweg door de vangrail gaat en nét naast mijn wagen neerploft, maar op die van mijn buurman. Hoe zou je zo iets uitleggen aan de vrouw van je buurman? Daarom is Th. Wilders Bridge of San Luis Rey een belediging voor God en voor de slachtoffers. We moeten gewoon durven besluiten, aldus H. Kushner, dat een reeks ongelukken evenzeer Gods plannen als de onze doorkruisen en dat we daar géén verklaring voor hebben.
En zoals het een rabbi past, gaat hij opnieuw argumenteren vanuit de Schrift. Bekijk het Scheppingsverhaal (Genesis 1,1-2,4a). God oefent er zijn creatieve krachten uit op de chaos. Hij scheidt licht van duisternis en land van water:
"Dat is de betekenis van scheppen: niet iets uit het niets maken, maar orde scheppen in de chaos. Een creatieve wetenschapper of historicus produceert geen feiten, maar ordent ze. [...] Zo was het ook bij God, die de wereld vorm gaf waarvan het allesomvattende principe orde was, voorspelbaarheid, in plaats van de chaos waarmee hij begon: regelmatig terugkerende zonsopgangen en zonsondergangen, regelmatig terugkerende getijden, enz."
En plaats die visie nu in een dynamiek, zegt de auteur. Veronderstel dat God de vrijdagna middag tegen sluitingstijd niet helemaal klaar was. Veronderstel dat de schepping, het proces van het ordenen van de chaos, nog steeds doorgaat. Sluit men hierbij de evolutietheorie aan, dan is de mens een heel recent gewrocht van God (vrijdag, ergens kort na de middag?). De wereld is al een goed geordende kosmos, maar er zijn nog steeds chaotische hoekjes. En daar zit het "toeval". Achter het toeval moet je geen boodschap zoeken. Het toeval weerspiegelt geen keuze van God. Het zijn die plaatsen, waar Gods scheppende, ordenende geest nog niet doorgedrongen is. "Het zal misschien nog eens gebeuren dat naarmate de 'vrijdag middag' van de wereldrevolutie langzaam maar zeker voortschrijdt in de richting van de Grote Sabbat, de invloed van het willekeurige kwaad steeds minder zal worden." Het vervelende is ondertussen echter dat de willekeur – precies omdat ze willekeur is – geen onderscheid maakt tussen goede en kwade mensen. Een kogel heeft ook geen geweten.
De vrijheid van de mens
Er is minstens nog een tweede reden waarom we God niet de schuld van het lijden moeten geven. Dat is de vrijheid van de mens.
H. Kushner haalt het Boek van de Schepping aan, waar God na de schepping van de dieren zegt: "Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend" (1,26). Mensen zijn beeld van God in hun mogelijkheid tot het maken van vrije keuzen. Daarin overstijgen zij het instinctmatige dierlijke leven. Daarom bestaat er voor de mensen "een boom van de kennis van goed en kwaad" (Genesis 3,5) en voor de dieren niet. Mensen leven in een wereld waarin goed en kwaad bestaan en dat maakt het leven gecompliceerd. Vrijheid, goed en kwaad zijn drie van elkaar niet los te maken werkelijkheden:
"Het leven en de dood stel Ik u voor, de zegen en de vloek. Kies dan het leven.' (Deuteronomium 30,19). Dat zou niet gezegd kunnen worden tegen enig ander wezen dan de mens, want geen enkel ander schepsel is vrij om te kiezen. Maar als de mens werkelijk vrij is om te kiezen, als hij zich deugdzaam kan betonen door het goede te kiezen wanneer het kwade net zo goed mogelijk is, dan moet hij ook vrij zijn om het kwade te kiezen. Als het hem alleen vrij stond om het goede te kiezen, zou hij niet echt een keuze maken. Wanneer we er niet omheen kunnen om goed te doen, dan zijn we niet vrij om ervoor te kiezen."
De vrijheid van de mens sluit dus de mogelijkheid in te kiezen voor zichzelf en tegen de anderen, zonder dat God ons tegenhoudt. Het tweede scheppingsverhaal van de bijbel illustreert dit. God heeft de keuzen van de mensen niet in handen. Zelfs niet als ze een Holocaust beramen en uitvoeren:
"Waar was God terwijl dit alles gebeurde? Waarom kwam Hij niet tussenbeide om er een eind aan te maken? Waarom trof Zijn slaande hand Hitler niet in 1939, zodat er miljoenen levens zouden zijn gespaard en onuitsprekelijk lijden zou zijn voorkomen? Waarom zond Hij geen aarbeving om de gaskamers te vernietigen? Waar was God? Samen met Dorothee Sölle moet ik geloven dat Hij bij de slachtoffers was, en niet bij de moordenaars, maar dat Hij de keuze van de mens tussen goed en kwaad niet in de hand heeft. Ik moet geloven dat de tranen en de gebeden van de slachtoffers Gods medelijden opwekten, maar dat Hij, omdat Hij de mens de vrijheid heeft gegeven om te kiezen, de vrijheid om zijn naasten te schaden incluis, niets kon doen om het te voorkomen."
Een onvoltooide vrijheid
Als we op die manier God vrijspreken van schuld aan het lijden, dreigt er een ander gevaar: namelijk dat mensen onophoudelijk zichzelf gaan beschuldigen. Soms is dat reëel en noodzakelijk: er zijn een aantal dingen die wij duidelijk veroorzaken en waarvoor wij tol betalen. Dat zijn reële schuldgevoelens. Maar er zijn een heleboel imaginaire schuldgevoelens, in de zin van: "Had ik maar nog dit of dat geprobeerd voor mijn man, dan was hij misschien niet gestorven", enz.
Hier herhaalt Kushner dezelfde principes: vooreerst, die verdraaide neiging van mensen om voor alle onheil steeds een oorzaak te zoeken. Er is een franje chaos aan deze wereld en daar geldt geen oorzaak-gevolg-relatie, anders was ze geen chaos. En ten tweede, zelfs al zou er een oorzaak zijn aan een bepaald ongeluk, dan is daarmee nog niet gezegd dat precies ik daar iets aan kon doen. God heeft niet alles in handen en ik ook niet. Er is nog chaos in het universum én er is ook nog chaos in mijn vrijheid. Dat is niet zo makkelijk te aanvaarden, omdat het onze megalomanie frustreert.
Wat kan bidden nog betekenen?
Maar heeft het in die context dan nog zin iets aan God te vragen? Kan Hij überhaupt iets?
We kunnen bidden, zegt H. Kushner, en hij lijkt het met overtuiging te zeggen. Maar we moeten God in het gebed niet vragen wat Hij ons niet kan geven. Anders worden we boos op God en verliezen we zijn nabijheid. We moeten dus niet bidden tijdens de zwangerschap om een jongen of een meisje. Als we de 100 horen, moeten we niet bidden dat hij het huis van onze familie zou voorbijrijden (want dan rijdt hij ergens anders heen!). We moeten evenmin vragen dat God de natuurwetten zou veranderen om een specifiek mirakel te doen. Soms gebeuren wonderen, en dan moeten we dankbaar zijn, zegt de auteur. Maar we moeten er ons wel voor hoeden die wonderen aan God toe te schrijven. Want de volgende keer gebeurt géén wonder en dan word je boos op God, of er gebeurt een wonder bij de ander en je wordt jaloers. We moeten nog minder bidden dat God anderen zou treffen. En tenslotte moeten we God geen dingen vragen die we zelf kunnen doen.
Geen vragen om onmogelijke of onnatuurlijke dingen, niet bidden op een wraakzuchtige of onverantwoordelijke manier... Wat dan wel? Hoe helpt het gebed de lijdende mens dan wel?
Het gebed, zegt H. Kushner, doet twee dingen: het brengt ons in contact met elkaar en het brengt ons in contact met God.
Bidden: contact met medemensen
Bij het bidden treden mensen met elkaar in verbinding. We delen samen de mysteries van geboorte, groei, trouwen, lijden en sterven. Gebed is: elkaar niet alleen laten. Dat is een eerste belangrijke functie van de godsdienst: ze bindt mensen aan elkaar tot een gemeenschap en vooral bij lijden, dat steeds de neiging tot isolement versterkt, is dit belangrijk. Iemand zeggen: ""Ik bid voor je genezing", betekent minstens: "Ik zeg je mijn meelevende solidariteit toe" En je weet niet wat dat uithaalt.
Bidden: contact met God
Naast het feit dat gebed ons in aanraking brengt met elkaar, brengt het ons ook in contact met God, behalve wanneer we Hem enkel vragen een aantal dingen te veranderen. Dan heeft het gebed een omgekeerd effect, tenminste als de dingen niet in ons voordeel evolueren.
Maar echt leren bidden is een lange weg van geleidelijke groei. Aanvankelijk is ons bidden vaak commercie: gunst voor gunst. Zoals bij de jonge Jakob, die op de vlucht is en God van alles belooft, als Hij zijn vragenlijstje honoreert:
Jakob legde de volgende gelofte af:
'Als God met mij is en mij beschermt op de reis die ik nu onderneem,
als Hij mij voedsel geeft om te eten en kleding om mij te bedekken,
en als ik behouden naar mijn ouderlijk huis terugkeer,
dan zal de Heer mijn God zijn.
En deze steen, die ik als heilige steen opricht, zal het huis van God zijn;
en van alles wat U mij schenkt, zal ik U tienden geven. (Genesis 28,20-22)'
Lezen we twintig jaar (en 4 hoofdstukken) verder, dan is Jakob gerijpt. Hij staat weer bij dezelfde rivier, weer voor een zware opdracht. En hij bidt opnieuw. Hij gooit het niet meer op een akkoordje met God. Hij marchandeert niet meer. Hij vraagt enkel klaar en duidelijk om de hoofdzaak: Gods nabijheid en hulp.
'O God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Isaak, de Heer die tegen mij zei: 'Ga terug naar uw land en uw verwanten, en Ik zal u met weldaden overladen': uw dienaar is al uw gunstbewijzen en al uw blijken van trouw niet waardig. Ik had alleen maar een stok toen ik de Jordaan hier overtrok, en nu ben ik tot twee groepen uitgegroeid. Maar red mij nu ook uit de greep van mijn broer Esau, want ik ben bang, dat hij mij verslaat, met moeder en kinderen. U hebt mij toch beloofd: 'Ik zal u met weldaden overladen, en uw nageslacht zal ik zo talrijk maken als het zand aan de zee, zo talrijk dat het niet te tellen is'. (Genesis 32,10-13).
Zo'n gebed, zegt H. Kushner, wordt altijd verhoord, want het is geen vraag aan God om alle moeilijkheden weg te toveren. Het is enkel een vraag om kracht om de moeilijkheden aan te kunnen. En die kracht bestaat er vooral in niet alleen te staan in het lijden. Een gewone vraag volstaat daarvoor:
"We hoeven God niet om te kopen om ons kracht, hoop of geduld te geven. We hoeven ons alleen tot Hem te wenden, toe te geven dat we het niet alleen aan kunnen en te beseffen dat het moedig verdragen van een langdurige ziekte één van de meest menselijke én één van de meest godvruchtige dingen is die we ooit kunnen doen. Eén van de dingen die me steeds weer de zekerheid geven dat God echt bestaat, en niet alleen maar een idee is dat door religieuze leiders is bedacht, is het feit dat mensen die om kracht, hoop en moed bidden zo vaak bronnen van kracht, hoop en moed vinden die ze niet hadden voordat ze gingen bidden."
Hij illustreert dat nog met het voorbeeld van een weduwe die gebeden had dat haar man niet van kanker zou sterven. Het is toch gebeurd. "Mijn bidden heeft niets uitgehaald." "Toch wel", zegt Kushner:
"Er gebeurde geen wonder om de tragedie af te wenden. Maar u ontdekte mensen om u heen en God naast u, en binnen in u de kracht om deze tragedie te overleven. Een beter voorbeeld van gebedsverhoring kan ik u niet geven."
Een bescheiden zin voor het lijden
Zo formuleert H. Kushner op het einde van zijn boek iets als een nieuwe, bescheiden zin voor het lijden.
Want hij wil een zin voor het lijden vinden. Immers, wat volkomen zinloos is, is niet te dragen. God niet langer verantwoordelijk stellen voor het lijden staat niet gelijk met het lijden zinloos noemen. Maar niet God, doch wij moeten het lijden een zin geven:
"Ik zou willen beweren dat het kwaad dat ons in ons leven overkomt zinloos is op het moment dat het ons overkomt. Maar wijzelf kunnen er een zin aan geven. We kunnen deze tragedies boven hun zinloosheid uittillen door er een zin aan te geven. De vraag die we zouden moeten stellen luidt niet: 'Waarom is mij dit overkomen? Wat heb ik gedaan, dat ik dit heb verdiend?' Die vraag is niet te beantwoorden, die is er volkomen naast. Een betere vraag zou zijn: 'Nu mij dit is overkomen, wat ga ik eraan doen?"
En zo vat hij zijn zoeken naar zin dan samen:
Ik geloof in een God die de wereld goed geschapen heeft, ook al zijn er nog randverschijnselen.
Ik geloof in een God die mensen inspireert om elkaar te helpen in nood.
En ik geloof in een God die sommige rampen niet kan voorkomen, maar wél de kracht geeft om ze te doorstaan.
We moeten dus God niet liefhebben omdat Hij volmaakt is. We moeten God niet liefhebben, omdat Hij ons tegen alle kwaad beschermt. We moeten Hem niet liefhebben, omdat we bang zijn voor hem.
"Wij hebben God lief omdat Hij God is, omdat Hij degene is die alle schoonheid en alle orde om ons heen gemaakt heeft, en de bron is van onze kracht en de hoop en de moed die in ons leven is, en van de kracht, de hoop en de moed van anderen die ons helpen in het uur van de nood.
Wij hebben Hem lief omdat Hij het beste deel van onszelf en onze wereld is.
Dat is wat het wil zeggen, lief te hebben. Liefde is niet het bewonderen van volmaaktheid, maar het aanvaarden van iemand die niet volmaakt is, mét al zijn onvolmaaktheden.
In laatste instantie blijkt de vraag waarom het kwaad goede mensen treft, vertaald te moeten worden in een aantal andere vragen. Het is niet langer: waarom is dat en dat gebeurd, maar: hoe zullen we reageren, wat gaan we doen, nu het gebeurd is?
Bent u dus in staat om in liefde een wereld te vergeven die u heeft teleurgesteld door haar onvolmaaktheid, een wereld waarin onrechtvaardigheid en wreedheid bestaan, ziekten en misdaden, aardbevingen en ongelukken? Kunt u die onvolmaaktheden vergeven en de wereld liefhebben omdat die zo mooi is en goed kan zijn, en omdat het de enige is die we hebben?
Bent u in staat om de mensen om u heen te vergeven en lief te hebben, ook al hebben ze u gekwetst en in de steek gelaten door niet volmaakt te zijn? Kunt u hen vergeven en liefhebben, omdat er geen volmaakte mensen bestaan?
Ben u in staat om God te vergeven en lief te hebben, ook als u hebt ontdekt dat Hij niet volmaakt is, ook als Hij u in de steek heeft gelaten en u heeft teleurgesteld in ongelukken, tegenspoed, ziekte en wreedheid?
En als u tot deze dingen in staat bent, bent u dan ook in staat om te erkennen dat het vermogen om te vergeven en het vermogen om lief te hebben de wapens zijn die God ons heeft gegeven om een compleet, moedig en zinvol leven te kunnen leiden in een minder dan volmaakte wereld?"
Goed en kwaad (Kolet Janssen) De eeuwige tegenstelling
Geen mens kan een leven doorbrengen zonder ooit te maken te krijgen met lijden en kwaad. Ziekte, tegenslag, een ongeluk, brand, geweld, ruzie, pesterijen, noem maar op. Er is lijden in soorten. Voor een aantal dingen ben je zelf verantwoordelijk. Als je veel te hard rijdt, loop je meer risico op een auto-ongeval. Als je je hele leven rookt als een schoorsteen, is het dik je eigen schuld als je longkanker krijgt.
Andere gevallen van lijden zijn de schuld van andere mensen. Als jij omver wordt gereden door iemand die teveel gedronken heeft bijvoorbeeld. Of als dieven je neerslaan en je huis leegroven.
Nog andere vormen van lijden zijn moeilijk te verklaren. Waarom barstte die vulkaan precies daar uit? Waarom zat die man precies in dat neergestorte vliegtuig? Waarom wordt een kind geboren met een handicap?
Hoe verklaren mensen dat lijden, dat hen zomaar kan overvallen? En wie fluistert mensen die boze gedachten in het oor, waardoor ze slechte dingen gaan doen?
Duivels en demonen
In de oude godsdiensten, die haast allemaal meer dan één God vereerden, werd de ellende en het kwaad in de wereld toegeschreven aan de god van het kwaad. Zo ontstonden veel verhalen over de strijd tussen de goede goden en de slechte geesten of demonen. De Ramajana bijvoorbeeld is een Indisch heldendicht dat vertelt over Rama's strijd tegen de demonenkoning Ravana. Ravana heeft Sita, de vrouw van Rama, gestolen. Rama wordt geholpen door Hanuman, de aanvoerder van de apen.

Maar ook in godsdiensten die in één God geloven, werd het kwaad vroeger vaak voorgesteld als een persoon. In de christelijke traditie is het verhaal bekend van de opstandige engel Lucifer, die het gevecht tegen God met de goede engelen verliest en naar de hel wordt verbannen. Daar blijft hij als duivel een bron van gevaar en verleiding voor de mensen. In de middeleeuwen zat de angst voor de duivel en zijn invloed er goed in. Daaruit zijn bijvoorbeeld de heksenprocessen voortgekomen. De mensen dachten dat heksen onder één hoedje speelden met de duivel en het hele dorp in het ongeluk konden storten. Zo zijn heel wat onschuldige vrouwen op de brandstapel terechtgekomen. Nu zijn de verhalen van de duivel meer naar de achtergrond gedrongen. Beelden van duivels en engelen vind je bijna uitsluitend in reclameboodschappen, waar ze dienen om producten als 'hemels' of 'pikant' voor te stellen. Denk maar aan de gevleugelde vrouwen op een wolk in de reclame voor Philadelphiakaas.
Straf van God
In een godsdienst die in één God gelooft is het niet zo gemakkelijk om het kwaad en het lijden te verklaren als in een godsdienst met veel goden. Hoe kan één God nu tegelijk goed zijn en toch kwaad en lijden toelaten of zelfs veroorzaken? Daar kan een mens met zijn verstand niet bij.
In het verleden zijn er binnen de joods-christelijke traditie een aantal pogingen gedaan om die twee tegenstrijdige dingen toch aan elkaar te lijmen. De verklaring was dan dat God het kwaad naar de mensen zond om hen te straffen voor iets wat ze verkeerd gedaan hadden. Of om hen een lesje te leren en zo van hen betere mensen te maken. Wie zijn hele vermogen verloor in de brand, kreeg te horen dat dat de straf van God was voor het feit dat hij in zijn leven nog nooit iets aan de armen had gegeven. Of wie in een rolstoel terechtkwam, kon op die manier eindelijk leren aandacht te hebben voor de kleine dingen van het leven. Behalve dat je door die pech al heel wat te verduren had, kreeg je er ook nog eens een schuldgevoel bovenop. Je geloof was dus niet echt een steun als je een tegenslag meemaakte!
Langzaamaan groeiden het joodse en het christelijke geloof weg van deze verklaring van lijden. De meeste vormen van lijden gebeuren gewoon. Niemand kan er iets aan doen: de mens niet en God al evenmin. Het hoort gewoon bij het leven. We moeten ertegen vechten, maar als we het niet kunnen veranderen, moeten we ermee leren leven.
De oosterse godsdiensten zien het lijden al veel langer als iets dan gewoon bij het leven hoort. Alle leven is lijden, zegt de eerste waarheid van Boeddha. De enige manier om je ertegen te beschermen is je zoveel mogelijk van alles en iedereen los te maken. Zo word je minder diep geraakt als het fout gaat.