Startpagina - Secundair onderwijs - In de kijker - Wanneer de schepping kreunt in barensweeën
print deze pagina af voeg deze pagina toe aan je favorieten e-mail deze pagina Klik hier om in te loggen Guided Tour

1 mei 2008

Wanneer de schepping kreunt in barensweeën.

Hedendaagse reflecties over schepping.


Jana Binon, 2008

Inhoud

Beginsituatie

Deze in de kijker wil leerlingen op een heel specifieke wijze laten kennismaken met de thematiek van de schepping. Zoals hieronder wordt uitgelegd, roept de notie ‘schepping’ een waaier van uitdagingen op, gaande van de verhouding tussen geloof en wetenschap tot de ecologische crisis. De beginsituatie van de leerlingen zal bij elk van de specifieke hermeneutische knooppunten erg verschillen.

Wat betreft de hele spanning tussen geloof en wetenschap en de daarmee verbonden uitdaging van het creationisme, moet rekening gehouden worden met zeer uiteenlopende interpretaties van het scheppingsverhaal. Sommige leerlingen zullen het scheppingsverhaal vanuit een objectief-wetenschappelijke attitude verwerpen als ‘achterhaald’ en ingehaald door de ‘wetenschap’ (evolutieleer). Andere leerlingen begrijpen dat deze ‘verhalen over het begin’ een ander statuut hebben dan de wetenschap. Het zijn geloofsverhalen. Maar hebben deze geloofsverhalen nog wel een boodschap voor mensen vandaag? De religieuze kijk op de werkelijkheid zal  veel leerlingen echt vreemd zijn.Heeft het wel zin om over schepping te spreken als een ‘gave van God’ - een God die zij niet meer kennen en die geen plaats heeft in hun leven. Over de natuur willen ze wel spreken, maar schepping?

Indien er moslims in de klas zitten, moet ook rekening gehouden worden met een letterlijke lezing van de scheppingsverhalen. Het creationisme is een niet te onderschatten beweging, die zeker binnen de islam opgang maakt. Niet zelden getuigen leerkrachten dat deze thematiek hun klas opsplitst in twee groepen: zij die geloven in de evolutieleer en zij die geloven wat de Bijbel/Koran zegt. In dit perspectief kan samenwerking met de leerkracht biologie aangewezen zijn.

Schepping roept ook de uitdaging van de ecologische crisis op. Het gaat hier eigenlijk om een heel andere problematiek dan die van de verhouding geloof/wetenschap, hoewel de wijze waarop de ecologische crisis wordt begrepen sterk bepaald wordt door de wijze waarop men de verhouding tussen God, mens en wereld/natuur verstaat. De scheppingsverhalen duiken hier opnieuw op. Sommige leerlingen staan met een uitgesproken ecologische gevoeligheid in de wereld. De gevolgen van de ecologische crisis zullen ook vooral hen treffen - de stijging van het waterpeil, watertekort, fijn stof in de lucht, toename van stormen, aardverschuivingen. Voorspeld wordt dat deze ontwikkelingen vooral van 2020 echt voelbaar zullen zijn, dit is wanneer deze generatie jonge mensen volwassen zullen zijn en kinderen zullen hebben. Dit neemt niet weg dat veel jonge (en ook oude) mensen nog steeds enorm slordig en onverschillig omspringen met het milieu en de ecologische grondstoffen. Het besef van de grote ecologische crisis leidt niet noodzakelijk tot aangepast verantwoordelijk gedrag. Hoe komt dit. Sommige leerlingen vertonen wellicht reeds een zekere moeheid ten opzichte van de thematiek. Ze zijn het gemoraliseer - dat sowieso notoir moeilijk ligt bij jonge mensen - meer dan moe. Waarom zouden zij overigens de lasten moeten dragen, als volwassenen zelf zo weinig doen. Er is vaak ook het gevoel dat zij er zelf toch maar weinig aan kunnen veranderen. Wat heeft het voor zien om hier (in België) energiebesparend te leven, als de V.S., de grootste vervuiler, hun verantwoordelijkheid niet nemen? Sommige leerlingen, die focussen op het hier en nu, wachten liever af tot de problemen zich werkelijk stellen en willen zich nu nog geen zorgen maken. Anderen zullen openlijk de hele crisisanalyse betwijfelen… Hier is aangewezen om samen met de leerkracht Aardrijkskunde aan de slag te gaan en ook met wetenschappelijke argumenten duidelijk te maken dat de ecologische crisis geen natuurlijk proces is en wel degelijk te wijten is aan de mens.

Ook in het licht van de biotechnologische ontwikkelingen kan er sprake zijn van een echte botsing tussen de scheppingstheologische visie die vanuit de idee dat de mens ‘geschapen’ is, toch duidelijke grenzen stelt aan wat kan en mag en er voor waarschuwt dat de mens niet ‘voor God mag spelen’ en de houding van veel leerlingen die in deze wetenschappelijke vooruitgang enkel mogelijkheden zien. Er moet in dit perspectief zeker rekening gehouden worden met de spanning tussen een denken dat vertrekt bij een ervaring van heteronomie en het ideaal van de autonomie. Het zal in dit perspectief wellicht een hele uitdaging zijn om de leerlingen te brengen tot een zekere ‘verstaan’ van wat geschapen zijn betekent en waarom dit niet enkel ‘creatieve’ mogelijkheden met zich meebrengt voor de mens, maar ook grenzen.

Een van de centrale geloofspunten van de christelijke traditie is het scheppingsgeloof. De schepping is de eerste van Gods openbarende handelingen en ze vormt ook de grondslag voor de verhouding tussen God en mens, mensen onderling en mens en de ruimere schepping. De wijze waarop schepping wordt gedacht vindt met andere woorden zijn weerslag op het christelijke Gods-, mens- en wereldbeeld. Wat betekent het geloof dat God schepper is van hemel en aarde? Hoe verhoudt God zich tot de geschapen orde? Welke plaats én rol speelt de mens in de schepping? Wat houdt het voor de mens in om imago dei te zijn en wat betekent dit voor de menselijke verhouding tot de ruimere schepping?

Deze vragen zijn niet nieuw, maar ze worden vandaag wel met een soort ‘vernieuwde’ scherpte en hoogdringendheid gesteld. Het scheppingsgeloof raakt immers ontegenzeggelijk een aantal hete hangijzers van het hedendaagse theologische denken en van de huidige tijd.

In deze context denken we in de eerste plaats aan de ecologische crisis en het groeiende milieubewustzijn. Willen christenen op een gepaste wijze reageren op deze uitdaging, dan zullen ze die onder meer moeten verbinden met de bijbelse scheppingsvisie om na te gaan wat onze gepaste grondhouding tot de wereld dient te zijn. (Roger Burggraeve, De bijbel geeft te denken, 43) Daarbij stelt zich evenwel het probleem dat de joodse en christelijke tradities met het oog op de ecologische crisis niet zelden zijn aangewezen als belangrijke oorzaken van deze crisis. Vooral de plaats van de mens in de scheppingsverhalen wordt in dit perspectief bekritiseerd. Is het immers niet precies omdat de mens als enig beeld van God de opdracht krijgt om de natuur te onderwerpen en te beheersen - een beeld dat diep verworteld is geraakt in de ‘christelijke cultuur’ - dat de mens zich is gaan verbeelden alles te mogen? Is het niet precies dit mensbeeld dat aanleiding geeft tot de verheerlijking van de mens en de objectivering en instrumentalisering van de ‘schepping’? Deze kritieken moeten zondermeer ernstig genomen worden. Toch is het ook zaak voorbij deze kritische geluiden de vraag te durven stellen of de joodse en christelijke scheppingstraditie ook geen mogelijkheden biedt om de milieucrisis vanuit christelijk ethisch-gekwalificeerd perspectief aan te pakken. (Hermeneutisch knooppunt 2)

De ecologische crisis is echter geen alleenstaand probleem maar moet ook in verband gebracht worden met de ‘humanitaire globale crisis’ van de sociale ongelijkheid. Het lijkt hier twee tegengestelde uitdagingen te betreffen. De vraag rijst welke uitdaging vanuit een joods-christelijk perspectief de prioriteit moet krijgen. Om het eenvoudig te stellen: mens of natuur? Of economische ontwikkeling of ecologisch behoud? Of is het zo eenvoudig niet? (Hermeneutisch knooppunt 3)

Nadenken over het christelijke scheppingsgeloof roept echter ook meteen de spanning op met de moderne wetenschap. Het woord schepping impliceert een bijzonder mens- en wereldbeeld dat niet zelden botst met het moderne wetenschappelijke denken dat in onze tijd vigerend is.
Wat kan het nog betekenen te geloven in God, Vader en Schepper ‘van hemel en aarde, van al wat zichtbaar en onzichtbaar is’, in een tijd waarin het wetenschappelijke wereldbeeld dergelijk geloof lijkt tegen te spreken? Hoe verhoudt het modern wetenschappelijke wereldbeeld zich tot het geloof in de schepping? IllustrationWat verstaan we precies onder Gods scheppingsact en hoe moeten we de scheppingsverhalen lezen en interpreteren? Met het oog op de recente opgang van het creationisme en de zogenaamde intelligent design theory is het meer dan ooit belangrijk om in herinnering te brengen dat de scheppingsverhalen in de eerste plaats mythische geloofsverhalen zijn, die niet als dusdanig concurreren met het wetenschappelijk wereldbeeld. Deze verhalen vragen dus gelezen te worden met een ‘postkritische’ bril die een letterlijk-orthodoxe lezing (à la creationisme) betwist. (Hermeneutisch knooppunt 1)

De discussie over de verhouding tussen geloof en wetenschap betreft echter niet de verhouding tussen de (darwinistische) evolutieleer en het scheppingsverhaal. De moderne wetenschap wekt ook tal van vragen op over de plaats en rol van de mens in de schepping. Denk in deze context vooral aan de geslaagde bio-technologische experimenten met het klonen. De mens werpt zelf zich steeds meer op als ‘schepper’. Ook deze vaststelling stemt tot nadenken en roept tal van vragen op die het hart van de scheppingstheologie raken. Wat is de rol en plaats van de mens in de schepping: is hij heerser, hoeder, rentmeester of medeschepper? (Hermeneutisch knooppunt 5)

Tot slot, moet ook aandacht besteed worden aan de ‘onverlostheid’ van de schepping, zoals die vaak door mensen ervaren wordt. Een te snel spreken over de heelheid en goedheid van de schepping, gaat voorbij aan de reële ervaringen van gebrokenheid, pijn en lijden, die niet zelden door de ‘goede schepping’ worden veroorzaakt. De schepping kan zich ook als een wrede en verwoestende kracht tegen de mens keren. Een te ‘optimistische’ scheppingstheologie kan omslaan in een onverschilligheid voor deze realiteit! In lijn hiermee, dient meteen opgemerkt dat schepping niet kan gedacht worden zonder ook te verwijzen naar de soteriologische verwachting. Altijd is er de spanning tussen het ‘nu reeds en het nog niet’: de schepping is goed, maar nog niet voltooid. De titel van deze in de kijker zelf verwijst hier reeds naar ‘Wanneer de schepping in barensweeën kreunt.’ In deze titel vinden we deze spanning in al haar scherpte terug. Enerzijds is er het ontegensprekelijke gegeven dat de schepping pijn lijdt en afziet, wat meteen ook een te harmonieuze optimistische theologie tegenspreekt. Anderzijds is de schepping nu reeds in ‘blijde verwachting’ van de uiteindelijke verlossing. In dit perspectief is het belangrijk te onthouden dat schepping in de eerste plaats verwijst naar wat Jacques Haers op de in God gegrondveste lotsverbondenheid van al het geschapene noemt- God bindt samen zonder dat we daar zelf voor gekozen hebben - en op de uitdaging om aan deze oorspronkelijke in gekozen en verantwoordelijke verbondenheid vorm te geven. Is het niet precies de roeping van de mens als imago dei om hieraan mee te werken? Vraag blijft dan nog wat dit precies betekent? (Hermeneutisch knooppunt 6)

Deze in de kijker wil precies midden de aangehaalde spanningsvelden gaan staan. We zullen de joodse en christelijke scheppingsvisie enerzijds uitdagen en waar nodig ter verantwoording roepen. De vraag is of de klassieke Godsbeelden (en mensbeelden) eigenlijk wel gepast zijn. Doen ze wel recht aan de scheppingsrealiteit? Welke blinde vlekken kunnen we ontwaren in het ‘klassieke’ scheppingsdenken en wat zijn der gevolgen daarvan voor de verhouding tussen God en mens, mens en natuur en mensen onderling? Anderzijds zetten we ook bakens uit om vanuit de joodse en christelijke traditie de verhouding mens en natuur te heroriënteren. Het opzet van deze in de kijker is:

  • de christelijke levensbeschouwing profileren aan de hand van de scheppingsverhalen;
  • het appèllerende in de scheppingsverhalen aangeven;
  • de christelijke opvatting omtrent de relatie mens/aarde schetsen en bespreken ;
  • de omgang met de natuur verduidelijken vanuit een christelijke kijk op leven en God;
  • in Genesis de samenhang verduidelijken tussen geloofservaring en symbolische taal;
  • bespreken van waaruit mensen grijpend of gevend in het leven kunnen staan;
  • op het spoor komen hoe een christen het bestaan ervaart als gave en opgave;
  • de praktische consequenties voor christenen van het 'beeld van God zijn' op het vlak van sociale rechtvaardigheid, wereldgeweten en omgang met de (rijkdommen van de) aarde opsporen en actualiseren;
  • omschrijven wat 'het beeld van God-zijn' inhoudt aan visie op de plaats en de verantwoordelijkheid van de gelovige mens.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Aanknopingspunten leerplan

In de terreinen voor het 2e jaar van de 3e graad ASO

Onder:

1 LEVEN ALS CHRISTEN - Terreinomschrijving
in de 1e paragraaf, die begint op p. 121:
op het vlak van het omgaan met het gegevene (scheppingsverantwoordelijkheid);

Onder:

1 LEVEN ALS CHRISTEN - Ingrediënten
in de 4e paragraaf, die begint op p. 122:
het bestaan als opgave: scheppingsverantwoordelijkheid, de godsdienstige zin van arbeid;

Onder:

1 LEVEN ALS CHRISTEN - Ingrediënten
in de 5e paragraaf, die begint op p. 123:
het conciliair proces rond gerechtigheid, vrede en het behoud van de schepping;

Onder:

1 LEVEN ALS CHRISTEN - Ingrediënten
in de 7e paragraaf, die begint op p. 123:
de plaats en opdracht van de mens in enkele scheppingsmythen: Mesopotamische, Sumerische;

Onder:

1 LEVEN ALS CHRISTEN - Ingrediënten
in de 7e paragraaf, die begint op p. 123:
de plaats en opdracht van de mens in het scheppingsverhaal (Gen 1);

In de terreinen voor het 1e jaar van de 3e graad TSO/KSO

Onder:

2 SAMENLEVINGSOPBOUW TUSSEN INSPIRATIE EN APPÈL - Ingrediënten
in de 3e paragraaf, die begint op p. 169:
de bijbel: een verhaal van schepping en verlossing;

In de terreinen voor het 3e jaar van de 3e graad en de 4e graad

Onder:

1 BEGINNEND PROFESSIONEEL ENGAGEMENT: vragen en problematieken vanuit het werkveld. - Ingrediënten - Spoor 1: De wisselwerking tussen persoonlijke zingeving en de concrete arbeid: omgaan en integreren van spanningsvelden
in de 1e paragraaf, die begint op p. 186:
arbeid als een scheppingsopdracht (Gen 1 en 2 kunnen ter sprake komen);

Hermeneutische knooppunten

1. De spanning tussen geloof en wetenschap

Spreken over schepping, betekent verwikkeld raken in scherpe en kritische discussies over wereldbeelden en mensvisies die het hart van ons bestaan raken. Dit wordt vooral duidelijk in de discussie tussen geloof en wetenschap. Door te spreken over God in persoonlijke termen wordt de ervaring tot uitdrukking gebracht dat God nog altijd in de wereld wekt. God is op een persoonlijke manier betrokken in en bij de dynamiek van onze wereld en in het leven van mensen. God doet iets en wij doen iets aan God. Er is actie en reactie die blijkbaar geen andere taal verdraagt dan die van de persoonlijke interactie.

Maar dan is daar ook nog de natuurwetenschap die ons vertelt hoe de wereld in elkaar zit. Die natuurwetenschap ziet niet veel in een God en al helemaal niet in de persoonlijke God van het christelijk geloof. Natuurlijk zijn er gelovige wetenschappers, maar de algehele indrukt lijkt die van een spanning te zijn tussen wetenschap en religie. Met name op het vlak van de persoonlijke interactie tussen God en wereld lijken er veel problematische kanten te zitten aan het religieuze spreken.
Hoe moet het gelovig verstaan van de schepping zich verhouden tot de natuurwetenschappelijke inzichten? Hoe kan ik als “wetenschappelijk mens” een betekenis geven aan scheppingsgeloof en meer algemeen hoe staat gelovig zijn tegenover dat wetenschappelijk zijn. Staan die twee tegenover elkaar of zijn ze verenigbaar en kunnen ze samengaan... Hoe gebruik ik scheppingsgeloof in mijn wetenschappelijk denken? Hoe moeten we de scheppingsverhalen lezen en interpreteren? Gaat het hier echt over twee wereldbeelden waartussen men moet kiezen of is de verhouding tussen geloof en wetenschap, schepping en natuur anders? Welke plaats neemt het creationisme in binnen deze hele discussie en hoe moeten christenen zich hiertoe verhouden?

Naar: Taede A. Smedes, God en de menselijke maakt. Gods handelen en het natuurwetenschappelijk wereldbeeld, Meinema, 2007, 12-13.
Naar: Didier Pollefeyt & Ellen De Boeck (red.), Niet los van God. Geloof en wetenschap.

2. Ecologische crisis: De mens hoeder of verrader van de schepping?

In de laatste jaren wordt de crisis van de natuur en cultuur de joodse en christelijke godsdienst in de schoenen gegooid. Zij wordt verweten schuld te hebben aan de huidige verloedering en vernietiging van de natuur. Men stelt dat in het scheppingsstuk Gen 1, 1-2,4 de mens een centrale plaats krijgt toebedeeld, waardoor alle nadruk komt te liggen op het onderwerpen van de natuur en het heersen over de aarde. Dit zou geleid hebben tot de ontwrichting en nefaste exploitatie van het hele ecosysteem, met als gevolg de huidige ecologische problemen. Deze kritieken roepen tal van vragen op met betrekking tot de joodse en christelijke scheppingstraditie. Wat betekent het geschapen te zijn naar Gods beeld? Wat is de rol en de plaats van de mens in de schepping? Wat is de menselijke verantwoordelijkheid voor de schepping? Is de kritiek op de joods-christelijke scheppingsvisie terecht? Ligt deze visie inderdaad aan de grondslag van de huidige ecologische crisis? Kunnen we in deze bijbelse verhalen aanknopingspunten vinden voor een meer ethisch gekwalificeerde houding ten opzichte van de natuur of roepen deze verhalen echt enkel op tot een antropocentrisme dat de natuur in niets ontziet?

Naar: Johan de Tavernier en Marc Vervenne (red.), De mens: hoeder of verrader van de schepping, Leuven, 1990, 31-32.

3. Ecologisch bewustzijn versus sociale rechtvaardigheid?

De gevolgen van de degradatie van het milieu tot speeltuin van de mens kunnen vandaag niet meer ontkend worden. Fenomenen als ontbossing, uitputting van natuurlijke hulpbronnen, water- en luchtvervuiling verbazen ons — jammer genoeg — niet meer. En dan laten we de discussie over het broeikaseffect nog ter zijde. De confrontatie met die milieuverontreiniging leidt tot een toenemende aandacht voor duurzamer leven zoals bijvoorbeeld blijkt uit het groeiende marktaandeel van biologische, vaak lokaal geteelde, producten. Onze wereld wordt echter geconfronteerd met een tweede uitdaging: de wereldwijde ongelijkheid inzake welvaart en welzijn, kortom de sociale noden. Wie hiervoor oog heeft, vindt haar gading in het marktsegment van de fair trade. Maar wordt de consument niet voor een verscheurende keuze geplaatst? Immers, wie streekproducten koopt, kan natuurlijk geen bananen geteeld aan het andere eind van de wereld kopen en moet dus prioriteiten stellen. Staan hier dus niet twee visies tegenover elkaar, namelijk de zorg om enerzijds sociale en anderzijds ecologische noden? Of kunnen beide samengaan?

Naar: Ellen van Stichel, Fair Trade of Bio? Plichten tegenover huidige en toekomstige generaties, in J. Haers, et.al., Wanneer de schepping kreunt, Halewijn, 2008, 89.

4. En God zag dat het goed was?

God is erg tevreden over zijn schepping. Meermaals zegt Hij dat de schepping goed is, zeer goed zelfs. De mens kan inderdaad vol bewondering getroffen worden door de schoonheid van de schepping en hierbij spontaan een gevoel van transcendentie ervaren - de kleinheid van de mens in het licht van al wat hem/haar overstijgt. Maar die transcendentie-ervaring kan zich ook op een andere manier voordoen, namelijk wanneer de natuur de mens overweldigt en dreigt te vernietigen. Het lijkt erop dat het menselijke bestaan meer en meer door de natuur bedreigd wordt. Is het wel gepast om in die context te spreken over de goede schepping? Kunnen we in deze context wel spreken over de schepping als een ‘symbool’ dat spreekt van God? Is de kritiek van sommige feministische theologen dat een te optimistische scheppingstheologie, die focust op de heelheid van de schepping, voorbijgaat aan de reële ervaringen van gebrokenheid die niet zelden hun oorsprong vinden in de natuur? En zijn het niet vaak precies de zwaksten en de kleinsten onder de mensen die het eerst getroffen worden door deze rampen? Zou het niet kunnen dat een scheppingsoptimistisch spreken ‘gedomineerd’ wordt door de sterke (rijke, westerse) mensen die het minste hindernis ondervinden van de natuur? Is het in dit perspectief niet belangrijk in herinnering te brengen dat schepping in eerste instantie verwijst naar lotsverbondenheid - een verbondenheid die tegelijk als gave en als opgave moet waargemaakt worden, en dit over de grenzen van continenten en generaties heen…

5. Voor God spelen? Over de nieuwe mogelijkheden in het stamcelonderzoek

We kunnen er niet langer omheen dat de mens ‘maakbaar’ geworden is. Het menselijk genoom, de verzameling van alle genetische informatie, is bijna volledig in kaart gebracht. Daarmee is de eerste fase afgerond van de ontrafeling van het ‘Boek des Levens’, maar de ‘Heilige Graal’ van de biologie is nog niet in zicht. In een volgende fase hoopt men deze kennis ten nutte te maken.Dolly opgezet tentoongesteld Dankzij voortplantingstechnieken als in vitro fertilisatie (letterlijk: bevruchting in glas) heeft men het embryo uit het duister van de baarmoeder gehaald. Met behulp van de pre-implantatie genetische diagnose tracht men reeds in de embryonale fase te achterhalen welke genen ziektes veroorzaken en hoe deze middels genetische manipulatie te verhelpen zijn. Meer nog dan het beginnende leven naar onze hand te scheppen, tracht men nu echter via de kloontechnologie zelf te scheppen. Wat betekenen deze ontwikkelingen voor de rol en de plaats van de mens in de schepping en voor de klassieke voorstelling van de mens als hoeder en rentmeester van de schepping. Doen deze beelden wel voldoende recht aan de toegenomen ‘creativiteit’ van de mens? Neemt de mens als beeld van God (Imago Dei) de plaats in van God en ‘schept’ hij een kloon naar zijn beeld en gelijkenis (‘Imago Mei’)?

Naar: Bart Hansen, Kris Dierickx & Paul Schotsmans, Voortplantingsgericht klonen. Een christelijk geïnspireerde ethische beschouwing, in Bijdragen. International Journal in Philosophy and Theology 65 (2004) 170-188, 170.

6. Schepping als mechanisme van uitsluiting

Scheppen is scheiden en op die manier trachten de chaos te cultiveren. Maar is scheppen soms ook niet meer dan dat? Is er niet vaak sprake van onderdrukking en uitsluiting. En zijn de ‘scheppende’ machten zich wel voldoende bewust van de blinde vlekken in hun eigen creaties?

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Achtergrondinformatie

1. God de schepper - de mens als schepsel: enkele basisprincipes

michelangelo-creation.jpgChristenen geloven dat God de wereld geschapen heeft. Dit is een van de belangrijkste christelijke geloofsbegrippen, omdat alles verder zal afhangen van de wijze waarop Gods scheppingsdaad wordt verstaan. De begrippen schepping, schepper, schepsel, ... zijn in de eerste plaats geloofswoorden, die ontstaan zijn binnen de relatie tussen God en mens. Ze kunnen enkel binnen deze relationele sfeer begrepen worden. Zij die deze woorden uitspreken, drukken het engagement uit God ter sprake te brengen en de wereld te beleven vanuit het geloofsperspectief. Dit impliceert de bereidheid om de wereld te zien als ‘van God’ en als verwijzend naar God en om hier ook naar te handelen. De relatie tussen God (schepper) en mens (schepsel) heeft met andere woorden meteen gevolgen voor de verhouding tussen mens (schepsel) en wereld (schepping).

Kort gezegd: geloven in God als schepper heeft gevolgen voor de wijze waarop christenen als Gods schepselen in de wereld staan. Spreken over de schepping plaatst het leven in een groter geheel, waarvan mensen niet het principe (beginsel) zijn en dus ook niet de maatstaf.

God schepper noemen, betekent in de eerste plaats God erkennen als eerste én laatste grondslag van het bestaan. God behoort niet tot deze wereld en valt er ook niet mee samen. Maar de wereld draagt wel het merkteken van God. In deze context is het gepast te spreken over de schepping als symbool of beter als sacrament van God. Deze term drukt uit dat de schepping een gratuite, liefdevolle gave van God is. Ook voor de mens betekent dit de erkenning dat de mens niet zijn eigen oorsprong is. God erkennen als schepper, betekent de geschapenheid beamen als menselijke bestaansconditie. Dit plaatst de mens van meet af aan in een houding van dankbaarheid en vertrouwen. De mens is schepsel Gods, zijn bestaan en zijn wezen heeft hij aan God te danken.

Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan,
wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt.
Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel. (Ps. 139, 14)

Deze gave Gods sticht een relatie tussen God en mens - een relatie die steunt op vertrouwen, respect en schroom. Belangrijk is dat deze gave ook een opgave met zich meebrengt - een opgave die binnen de christelijke traditie in termen van verantwoordelijkheid wordt gedacht. Met geschenk wordt niet lichtzinnig omgesprongen!

“Met betrekking tot de schepping spreekt het wellicht voor zich wat deze dynamiek impliceert: de erkenning van de wereld als een gave maant mensen aan tot het accuraat onderhouden van wat hen geschonken werd (de schepping) en door middel daarvan tevens tot het onderhouden van een optimale relatie met de schenker (de schepper). Negatief uitgedrukt heeft de negatie of de kwetsuur van de gave eveneens repercussies voor de gever: wie de schepping, in welke van haar hoedanigheden ook, schaadt, brengt schade toe aan haar/zijn relatie tot de schepper.” (Joris Geldhof, De schepping als sacrament. Enige romantische perspectieven) 

De idee dat God schepper is, brengt een aantal geloofsprincipes met zich mee:

1. Het onderscheid tussen God en zijn schepper erkennen.

Schepping en schepper vallen niet samen. De schepping bevestigt de goddelijke transcendentie. De wereld is weliswaar door God geschapen, maar de wereld als zodanig is niet goddelijk. Deze gedachte is centraal in het eerste scheppingsverhaal, dat eigenlijk ingaat tegen het in het oude nabije Oosten vigerende wereldbeeld (zie kader). Deze scheppingstheologie houdt een verbod in op idolatrie. God erkennen als schepper betekent erkennen dat geen enkel schepsel vergoddelijkt mag worden. In dit opzicht onderscheiden de joodse en christelijke traditie zich van heidense en paganistische religies. Hoewel God en wereld niet samenvallen, kunnen ze toch ook niet los van elkaar gedacht worden. Belangrijk is wel dat de wereld ervaren wordt als symbool of als sacrament van God, wat betekent dat de werkelijkheid op velerlei wijzen spreekt van God, die nu nog steeds werkzaam aanwezig is in de wereld. In de geschapen wereld kunnen we met andere woorden sporen van God vinden.

Het eerste scheppingsverhaal is ontstaan tijdens de Babylonische ballingschap. Het joodse volk zat in zak en as. Ze hebben alles verloren, hun huizen, hun steden, hun tempel. Ze worden omringd en overheerst door het Babylonische volk dat er een heel andere cultuur en religie op na houdt. De identiteit van het joodse volk staat onder zware druk. Daarbij komt nog een diepe religieuze twijfel: hebben ze hun lot wel verbonden aan de ‘juiste’ God? Hij lijkt hen immers in de steek gelaten te hebben. Velen vragen zich af of ze zich niet beter gewoon aanpassen aan de cultuur van deze vreemde overheersers, wier goden blijkbaar betrouwbaarder zijn dat Jahwe. Het joodse volk heeft het moeilijk en staat op het punt het eigen geloof op te geven.
In deze context komen de priesters tussenbeide. Ze beseffen dat het joodse volk leiding nodig heeft om deze crisis het hoofd te bieden. Ze zoeken naar manieren om weerstand te bieden aan de dominante Babylonische cultuur. Daarom formuleren ze richtlijnen om zichzelf te blijven in dit vreemde land. Ze beklemtonen bepaalde voorschriften die Mozes van God heeft ontvangen, bijvoorbeeld de besnijdenis, de spijswetten. Ze verplichten de joden zich af te zonderen van de Babyloniërs en verbieden gemengde huwelijken. Ze stellen sabbat als rustdag in en verbieden de joden mee te vieren met de Babylonische feestdagen.
Belangrijk is vooral dat het joodse volk, temidden van de chaos en de wanhoop hun vertrouwen in God moeten weervinden. Er is nood aan liederen en gebeden, die het mogelijk maken voor de Joodse gemeenschap om zich te verenigen rond één mens-, wereld- en Godsbeeld. In deze context speelt het scheppingsverhaal een cruciale rol. Op een heel subtiele wijze spreekt het de hele Babylonische cultuur tegen. Volgens de Babyloniërs zijn wij langs alle kanten door goden omgeven. Licht en duisternis, hemel, zee en land zijn goden; ook de maan, de zon en de sterren zijn machtige en ontzagwekkende godheden. Daarenboven vatten zij deze goden op als goddelijke machten, die over ons leven, ons wel en wee, doen en laten beschikken. Daarom brengen zij in vrees en beven allerlei offers aan deze goden, precies om hen mild te stemmen of hun gunsten af te smeken. Met het scheppingsverhaal gaan de priesters radicaal in tegen de visie. De ene god was er vòòr de Babylonische godheden, want zowel licht als duisternis, hemel, zee, land, zon, maan en sterren zijn door hem geschapen, zoals trouwens, planten, dieren en al wat leeft. En juist omdat ze schepselen zijn en geen goden, moeten wij er niet bang van zijn. Het scheppingsverhaal gaat zelfs zover te zeggen dat de mens op geen enkele wijze aan de zogenaamde goddelijke machten van de schepping onderworpen is, maar als beeld van God integendeel geroepen is om over al deze machten te heersen. De maan, zon en sterren zijn lampen, niet meer en niet minder. (Roger Burggraeve, De bijbel geeft te denken, 45-48)

2. In het scheppingsgeloof is een bijzondere plaats voorbehouden voor de mens, die geschapen is naar de beeldloze God. (Gen 1, 26-27)

Wat dit precies betekent wordt duidelijk wanneer we terugkeren naar de Hebreeuwse tekst. Daaruit blijkt dat beeld zijn van God niet ‘essentialistisch’ moet opgevat worden, maar veeleer relationeel en als een roeping. Op een bepaalde manier is en wordt de mens beeld van God door wat hij/zij doet met betrekking tot de aarde en de dieren. Beeld zijn van God impliceert een verantwoordelijkheid.

Dit blijkt ondermeer uit de gebruikte woorden: beeld, tselem, en demoet, gelijkenis. Het woord tselem wordt nooit gebruikt voor een concrete visuele afbeelding, maar alleen voor het pure beeld dat ontdaan is van iedere concrete inhoud of vorm. Tselem is een algemeen woord dat op een relatie wijst, een analogie aangeeft en iets aanwezig stelt dat afwezig is. Wat de mens beeld van God maakt, is niet de lichamelijke mens die voor de (on-)lichamelijke God staat, maar de mens die God present stelt in de wereld.
In heel Gen 1 is de transcendentie van God evident: God gaat vooraf aan de schepping, staat er boven en brengt alles tot bestaan. De enige continuïteit, de enige relatie tussen God en het geschapene is Gods woord en de schepping die daaruit voortkomt: deze verwijzen naar God. De mens is geschapen om het beeld van God te zijn in een wereld waar God zelf als transcendente schepper niet aanwezig kan zijn. De mens is niet geschapen om God te dienen, maar wel om Hem present te stellen in zijn schepping. Om die transcendente God ‘zichtbaar’ te maken’ is de mens als beeld geschapen. Het tweede woord demoet gelijkenis specificeert dit algemene tekenkarakter van de mens. Beeld en gelijkenis zijn dus geen losstaande begrippen, maar het tweede begrip diept het eerste uit. De mens is een teken van God vanaf het allereerste begin van de schepping tot op heden. Dit tekenkarakter van de mens door de tijd heen die krachtens zijn/haar geschapen zijn lijkt op God, geldt voor alle mensen: man en vrouw, hetero en homo, jong en oud. Alleen voorzover een mens mens is, kan hij/zij een beeld van God zijn. Niet alleen een Israëliet, maar ook een Nederlander… elk mens is beeld van God. In die zin is elke mens er om God present te stellen in de wereld. Daarom zijn alle mensen gelijk voor God. Elke mens is geschapen om God te vertegenwoordigen; elke mens verwijst voor een ander mens naar God.

Uit Ellen van Wolde, Verhalen over het begin, 41-42.

3. De idee dat God de wereld geschapen heeft, betekent ook dat schepping God toebehoort.

Mensen mogen dan allen een bijzondere plaats innemen in de schepping, maar de schepping is niet van ons. De schepping is niet het bezit van de mens, maar is de mens geschonken. De houding ten opzichte van de schepping is dus in de eerste plaats een houding van ontvankelijkheid. Door de wereld te erkennen als geschapen, en dus gegeven, erkennen mens God als schepper. De wereld behandelen als menselijk eigendom, drukt een miskenning jegens God uit. Hier klinkt een belangrijke kritiek door op het Westerse bezitsdenken. De bijzondere plaats die is weggelegd voor de mens, brengt in de eerste plaats bijzondere verplichtingen en verantwoordelijkheden met zich mee.

4. De voorstelling van God als schepper impliceert ook de goedheid van de schepping.

Steeds opnieuw bevestigt God dat de schepping goed is. Het enige dat God niet goed vindt, is dat de mens alleen is. Dit betekent dat er binnen de christelijke traditie geen plaats is voor een denken dat de geschapen wereld associeert met boze krachten. Ook al is de wereld door de zonde aangetast, ze zal altijd Gods goede schepping blijven. Dit betekent natuurlijk niet dat de hele schepping perfect is. De wereld kreunt heden in barensweeën en wacht op verlossing. Ook hieraan kunnen mensen meewerken, ook al zal de uiteindelijke verlossing niet voortvloeien uit mensenhanden alleen.

Basisliteratuur:

  • Hans Ausloos & Bénédikte Lemmelijn, De bijbel een (g)oude(n) gids. Bijbelse antwoorden op menselijke vragen, Leuven, 2005.
  • Roger Burggraeve, De Bijbel geeft te denken, Leuven, 1991, 51995.
  • Ellen van Wolde, Verhalen over het begin. Genesis 1-11 en andere scheppingsverhalen, Baarn, 1995.

2. De rol en de plaats van de mens in de schepping

Het begrip dat wij van onze wereld hebben, van onze verhouding tot de wereld en onze rol erin, is van groot belang, vooral in deze tijden van ecologische crisis, van ideologische verwarring en van angstgevoelens. De duidelijk heersende ecologische crisis en de nieuwe ontwikkelingen op biotechnologisch vlak roepen om een helder begrip van onze verhouding tot de wereld zodat we verantwoordelijkheid kunnen nemen en de problemen kunnen aanpakken en oplossen. In deze context schetsen we drie voorstellingen van de rol en de plaats van de mens in de schepping: de mens als heerser, rentmeester en geschapen medeschepper.

1. De mens als heerser over de schepping

In Gen 1, 26-28 wordt het motief van de mens als ‘beeld van God’ verbonden met de opdracht om de natuur te onderwerpen en er de baas van te zijn. Met het oog op de contemporaine ecologische crisis brengt precies deze opdracht de joodse en de christelijke traditie in verlegenheid. De mens krijgt een bijzondere plaats in de schepping - een gegeven dat hij heeft aangewend als een soort vrijgeleide om de schepping naar eigen believen te gebruiken en te misbruiken.
In reactie hierop zijn binnen de exegese tal van pogingen ondernomen om met de betekenis van de Hebreeuwse termen de gedachte van heersen en onderwerpen uit te drukken, af te zwakken of te herinterpreteren. Volgens Marc Vervenne is dit evenwel weinig zinvol. Daarenboven doen dergelijke ondernemingen onrecht aan de reële betekenis van de Hebreeuwse tekst. Er staat wel degelijk dat de mens geroepen is de schepping te beheersen en te onderwerpen. Deze woorden moeten ook vrij letterlijk begrepen worden. Toch is het mogelijk om deze termen wat te nuanceren in het licht van hun historische ontstaansgeschiedenis. Het zou misplaatst zijn ons hedendaagse ethische aanvoelen met betrekking tot de natuur zondermeer om te zetten in een veroordeling van de wijze waarop men in de Oudheid dacht over de natuur. We mogen immers niet vergeten dat de wijze waarop de mens zich verhoudt tot de natuur erg is veranderd tegen vroeger. We dienen er rekening mee te houden dat in de tijd van het ontstaan van de bijbelse teksten de natuur niet aan de mens onderworpen was maar de mens aan de natuur. Het leefmilieu was in alle opzichten dreigend. Op die achtergrond verkondigen de bijbelse schrijvers dat God orde op zaken stelt, zodat de verhoudingen voortaan anders liggen.
Deze historische situering neemt niet weg dat dit model terecht bekritiseerd wordt als een soort vrijgeleide om tot op vandaag de schepping te objectiveren en te instrumentaliseren.

Zie Johan De Tavernier & Marc Vervenne, De Mens: hoeder of verrader van de schepping? , Acco, Leuven, 1991, 60-61.

2. De mens als hoeder en rentmeester

Met het begrip rentmeester wordt geprobeerd de verhouding tussen mens en natuur een positievere wending te geven. De mens is door God tot heer en meester over de schepping gesteld en is daarbij aan de geboden van zijn opdrachtgever gebonden. Daarmee heeft de rentmeester twee functies: naar boven toe en naar beneden toe. De rentmeester heeft macht, hij heeft het land goed te beheren, de oogst binnen te halen en de arbeiders aan te sturen. Tegelijkertijd is hij op zijn beurt weer ondergeschikt aan zijn meester en is hem verantwoording schuldig. God is en blijft de eigenaar van deze aarde (Psalm 24:1).

Rentmeesterschap - begripsbepaling

Vertaling Griekse woord ‘oikonomos’. Oikos betekent huis en oikonomia wil zeggen huishoudkunde. Verwant woord is oikologia, letterlijk de verhandeling of bespreking van het huis. Dat woord kennen we als ecologie, de leer van de betrekking tussen dieren en planten, zowel onderling als met hun omgeving. Rentmeester hangt samen met het woord econoom = goed huishouden.

Principe van een rentmeester: baas geeft een eigendom uit handen dat de rentmeester in opdracht van die persoon beheert. De rentmeester is dus iemand die de huishouding van iemand anders beheert, iemand die ‘over het huis gesteld’ is. Het is dus het bestuur of de administratie van de huishoudelijke zaken van iemand anders. Christelijk: De rentmeester is geroepen tot verantwoord beheer in de wetenschap dat hij rekenschap heeft te geven van dat beheer.
Het model van het rentmeesterschap benadrukt dat de aarde van God is en dus niet het eigendom van de mens (Lev. 25:23, Ps.24:1,2, Gen. 14:22, Ex. 19:5, Ps. 50:10). De mens mag namens God op deze aarde rentmeester zijn. Hij moet met al het geschapene omgaan, zoals de Schepper het heeft bedoeld, inclusief zichzelf. Hij is niet autonoom, maar verantwoordelijk. En ook zelf afhankelijk van de schepper. God heeft de mens in de schepping een taak én bewogenheid gegeven. De bijbel laat ons een zorgende God zien, die trouw is aan het geschapene, mensen, dieren en planten. Laten wij dat net zo doen.

Kritieken op dit model

In het model van rentmeesterschap wordt God beschouwd als schepper van het heelal, inclusief de mens. Hij heeft universele en onveranderlijke wetten ingesteld. Gods bedoelingen met de mensheid kunnen ontdekt worden doorheen een reflectie op de natuur. Deze vorm van natuurwetsdenken houdt met andere woorden in dat biologische wetten en natuurlijke processen en functies die God in ons organisme gelegd heeft vereenzelvigd worden met Gods wil op ethisch gebied. Als soeverein van de schepping bepaalt Hij immers de toekomst door goddelijke voorzienigheid. Als Heer over leven en dood oefent God bepaalde rechten uit over de schepping die niet voorbehouden zijn aan de mens. Als de mens Gods recht toch in eigen handen neemt, speelt hij voor God. Vanuit deze visie wordt biotechnologisch ingrijpen begrepen als menselijke hoogmoed. Als goede rentmeester van de schepping komt het de mens niet toe de lijnen die God heeft uitgetekend, te doorbreken. Zijn verantwoordelijkheid bestaat uit het beschermen en beheren van de goddelijke schepping, inclusief de medemens en diens genetisch erfgoed.

Jean-Pierre Wils karakteriseert het klassieke model van rentmeesterschap aan de hand van vier eigenschappen: oorspronkelijkheid, afwezigheid van een alternatief, stabiliteit en optimaliteit. De oorspronkelijkheid heeft in dit model te maken met het scheppingskarakter van het zijn of de natuur. Het zijn is geschapen en heeft zichzelf te danken aan een oorspronkelijk initiatief. Elk schepsel is afhankelijk van een instantie waaruit het is voortgekomen. De totale afhankelijkheid van een Schepper, God, impliceert dat deze scheppende instantie almachtig is. De almacht van God is een macht over alles, zonder alternatief. De natuur is dus de exhaustieve demonstratie van deze almacht. Er is geen zinvol alternatief voor de bestaande kosmos. Gods organisatie van de kosmos garandeert de stabiliteit van de kosmos. Omdat de orde-structuur oorspronkelijk is en dus een theologisch geldigheids-fundament heeft, drukt zij een stempel op de optimaliteit van de dingen. De schepping is optimaal en zelfs de neiging tot sub-optimaliteit door de zondeval kan deze oorspronkelijke kwaliteit niet ongedaan maken. Optimaliteit leidt vervolgens tot optimisme. De schepping is goed. Het goed moet louter bewaard en niet gewijzigd worden. Dit model is letterlijk conservatief: de schepping moet geconserveerd worden.

Deze visie wordt evenwel tegengesproken door het feit dát de maatschappij de facto doordrongen is van biologische interventies, die duidelijk maken dat zogenaamde vaststaande natuurwetten kunnen omzeild worden. Evolutie is het nieuwe toverwoord in de biologie. Elementen in een biologisch systeem zijn voortdurend aan verandering onderhevig. Dit biologische inzicht heeft tot gevolg dat de afbakening van biologische grenzen afhankelijk is van een menselijke keuze en niet langer gedicteerd wordt door de ontdekking van natuurlijke eigenschappen van een biolgische entiteit. In het licht van deze vaststelling is het misschien aangewezen om een andere theologische visie te ontwikkelen op de plaats en rol van de mens in de schepping.

Naar: Paul Schotsmans & Bart Hansen, Menselijke stamcellen: belofte van eeuwig leven?, in Tijdschrift voor Theologie (2003) 133-148.

3. Geschapen medeschepper

De term medeschepper impliceert dat de schepping of de natuur geen ordening is, tot stand gekomen door een eenmalige scheppingsact van God. Dit is mede duidelijk geworden dankzij de groeiende kennis van de genetica. Revolutionaire genetische ontwikkelingen hebben de theologische antropologie in een evolutionair perspectief geplaatst. Spontane genetische mutaties houden enerzijds de evolutie in stand maar zijn anderzijds verantwoordelijk voor fouten in het celdelingsmechanisme, met dodelijke ziekten zoals kanker tot gevolg. Van de kant van God betekenen de inzichten uit genetica dat de schepping een evolutionair proces is waarin God voortdurend actief is. Bovendien is God alomtegenwoodig en beïnvloedt hij de schepping op elk moment in zijn kleinste bouwstenen (het erfelijk materiaal). Tenslotte is de toekomst van de evolutie onzeker, net zoals het Rijk Gods zich in het spanningsveld tussen ‘reeds nu’ en ‘nog niet’ bevindt. Samen maken deze elementen de kern uit van de doctrine van de voortdurende schepping van God of de creatio continua. Voor de mens betekent de kennis van de ontstaansgeschiedenis van een (genetische) ziekte dat hij hieraan niet langer passief onderworpen is, maar actief kan ingrijpen in het creatieve scheppingswerk van God.
Het bijwoord 'mede' in de uitdrukking ‘geschapen medeschepper’ suggereert dat de mens op gelijke voet staat met God. Dankzij de ontrafeling van het menselijk genoom kan de mens inderdaad inzicht verwerven in de geheimen van Gods schepping en met behulp van de kloontechniek kan hij deze kennis gebruiken voor de creatie van menselijk weefsel. Maar dit betekent nog niet dat de microbioloog deze kennis ook ten goede van de schepping zal gebruiken. Enerzijds kan de mens zijn technologisch vernuft aanwenden om het lijden van de schepselen te verzachten. Anderzijds is het zo dat de wetenschap en techniek eveneens aanleiding hebben gegeven tot lijden en onheil in de schepping. Een grenzeloze verering van menselijke efficiëntie, meetbaarheid en nuttigheid, waarin alle schepselen grotendeels als dingen, middelen en functies van de mens worden uitgebuit, is hiervan precies de oorzaak. Vandaar de noodzakelijke aanvulling van het adjectief geschapen aan de term medeschepper. Gods scheppingswerk is immers anders dan dat van de mens. Terwijl de mens aangewezen is op de natuurlijke eigenschappen van het reeds voorhanden materiaal, schept God uit het Niets.
Enerzijds is de door God geschapen natuur goed, doch niet voltooid en dus onderhevig aan ziekte, lijden, en dood. De mens wordt daarom als ‘beeld van God’ uitgedaagd om met behulp van zijn technologie mee te werken aan Gods uiteindelijke rijk. Anderzijds is de mens slechts beeld van God. Zijn technologische ingrijpen is onderhevig aan zonde.

Naar: Paul Schotsmans & Bart Hansen, Menselijke stamcellen: belofte van eeuwig leven?, in Tijdschrift voor Theologie (2003) 133-148.

Basisliteratuur:

  • Kris Dierckx & Jo De Tavernier, Genetische geneeskunde en uitsluiting : een theologisch-ethische analyse, in Tijdschrift voor theologie 43 (2003), 380-396.
  • Jo De Tavernier & Marc Vervenne (red.), De mens, hoeder of verrader van de schepper. Over het conciliair proces, Leuven,
  • Paul Schotsmans & Bart Hansen, Menselijke stamcellen: belofte van eeuwig leven?, in Tijdschrift voor Theologie (2003) 133-148.
  • Bart Hansen, Kris Dierckx, Paul Schotsmans, Voortplantingsgericht klonen. Een christelijk geïnspireerde ethische beschouwing, in Bijdragen. International Journal for Theology and Philosophy 65 (2004), 170-188.

3. De uitdaging van het creationisme: Een letterlijke of een symbolische lezing van de scheppingsverhalen

earth-space.jpgIn het licht van de huidige soms fel oplaaiende discussie over de verhouding tussen geloof en wetenschap en dan vooral met het oog op de opgang van het zogenaamde ‘creationisme’, stelt zich de vraag naar een lezing van de scheppingsverhalen, die hun specifieke aard als mythische geloofsverhalen recht doet. Aansluitend bij de hermeneutiek moet bezwaar aangetekend worden tegen een letterlijk verstaan van deze verhalen. Dergelijke letterlijke lezing vinden we zowel terug bij eerder ‘orthodoxe gelovigen (soms ook fundamentalistische christenen) als bij de ‘extern-kritische’ wetenschappers, die de scheppingsverhalen verwerpen als nonsens, omdat de ‘schepping in zes dagen’ niet te rijmen valt met de evolutieleer. Tweemaal worden de scheppingsverhalen met een verkeerde bril gelezen. Deze ‘ontstaansmythen’ moeten niet letterlijk maar symbolisch of postkritisch verstaan worden. Dit is ook belangrijk met het oog op het bovenvermelde probleem van het creationisme. Immers zoals de godsdienstfilosoof en theoloog Taede Smedes terecht opmerkt: het creationisme kan men niet (alleen) bestrijden door er meer ‘wetenschappelijke argumenten’ aan te brengen. Wat nodig is, is een inzicht in de religieuze motieven van het creationisme en dit vraagt een religieus-symbolisch verstaan van de Bijbelse scheppingsverhalen. 
Om deze problematiek in al haar scherpte te vatten, lichten we hieronder (1) eerst kort toe wat er met de termen ‘orthodoxie, externe kritiek en postkritisch’ bedoeld wordt. In dit perspectief verwijzen we eerst naar het onderzoek van godsdienstpsycholoog Dirk Hutsebaut. (2) Vervolgens lichten we specifiek de kenmerken van het bijbels fundamentalisme toe. (3) Ten derde staan we kort stil bij het fenomeen van het creationisme en de daar vigerende letterlijke bijbellezing. (4) Ten vierde, staan we kort stil bij het lezen van verhalen/ (5) Tot slot, geven we de pijlers van een ‘symbolische’ lezing van de scheppingsverhalen weer.

1. Verschillende geloofsstijlen uit de godsdienstpsychologie

Hutsebaut onderscheidt verschillende geloofsstijlen of geloofstypen: het gaat om letterlijk-gelovigen of 'orthodoxen'; om letterlijk-ongelovigen of 'externe kritiek'-personen; en om symbolisch-gelovigen of 'prostkritisch-gelovigen'.
Orthodox-gelovigen, letterlijk-denkend en gelovig, zijn mensen die de betekenis en inhoud van hun geloof ontlenen aan de (kerkelijke) autoriteit. Zij willen het precies weten, zij gaan ervan uit dat de geloofsinhoud niet veranderd is en zelfs niet kan veranderen. Zij hebben de neiging moeilijke vragen uit de weg te gaan, zijn in zekere zin behoudsgezind, vinden dat alles moet blijven zoals het is. Letterlijk-denken betekent ook dat zij geen interpretatie toelaten, het staat er zoals het er staat, er moet niet te veel over gedacht worden. Interpreteren brengt onzekerheid, want er zijn altijd verschillende interpretaties mogelijk. Zij zijn in die zin erg zeker van hun geloof. Hun manier van geloven geeft hen een positief gevoel, maar ook gevoelens van schuld en angst. In extreme mate kunnen we zeker spreken van fundamentalisme.
'Externe kritiek'-denkers denken letterlijk en zijn ongelovig. Zij kunnen niet geloven omdat de geloofsinhouden niet kunnen worden bewezen en aangezien zij letterlijk denken, net als de orthodox-gelovigen, komen zij in de problemen met de voorgestelde inhouden. Wat er verhaald wordt, is eigenlijk niet mogelijk, dus geloven ze niet. Zij zijn ongelovig omdat het geloof geen absolute zekerheid biedt, en het is dat wat zij zoeken: zekerheid, net zoals de positieve wetenschappen — in een bepaalde en wat achterhaalde opvatting hierover — dat zouden bieden. Daar is het immers te bewijzen en duidelijk. Hun manier om met geloven om te gaan genereert voornamelijk negatieve gevoelens. Hun ongeloof is vooral een verwerping van het geloof en die verwerping schijnt toch niet zo makkelijk te zijn. Ik meen dat we hier ook zouden kunnen spreken van een ongelovig fundamentalisme.
Postkritisch-gelovigen zijn gelovig en denken symbolisch. Fundamenteel zijn zij zich bewust van het feit dat de geloofsverhalen moeten worden geïnterpreteerd en dat ze nog enkel maar na interpretatie geloofd kunnen worden. Dat induceert een zekere vorm van onzekerheid, maar zij kunnen ermee leven. Zij zijn zich goed bewust van de vele kritieken die op geloof en gelovigen kunnen worden uitgebracht, maar desondanks blijven zij op zoek gaan naar wat geloven voor hen kan betekenen. Zij staan open voor andere religieuze visies en gewoonten en zijn er zich van bewust dat er verschillende manieren zijn om met religieuze vragen om te gaan. Zij staan ook open voor verandering en beseffen dat elke geloofsuitspraak vervat is in een historische vormgeving, die dus kan veranderen. Hun manier van geloven geeft hun een positief gevoel, zij voelen zich goed in hun vel. In zijn extreme vorm gaat het om een geloofsbeleving met een zeer algemene en vage geloofsinhoud, zonder enig duidelijk referentiepunt, waarin elke interpretatie een plausibel karakter heeft.

Leidt godsdienst tot onverdraagzaamheid? Dirk Hutsebaut in Pattyn & J. Wouters (red.), Schokgolven. Terrorisme en fundamentalisme, Leuven, Davidsfonds, 2002, p. 214-220

Zie ook website centrum voor ontwikkelingspsychologie: http://ppw.kuleuven.be/religion/religion.htm

2. Het bijbels fundamentalisme

Hoewel Bijbelse fundamentalisten, die de Bijbel letterlijk lezen op het eerste zich getuigen van een grote ‘trouw’ aan de Bijbel, merken exegeten Hans Ausloos en Benedicte Lemmelijn op dat ze eigenlijk de zware last van de eigen verantwoordelijkheid ontlopen. Bijbelse fundamentalisten kunnen niet goed om met kritische vragen. Daarom nemen ze letterlijk wat er in de Bijbel staat en ontwijken ze alle kritische reflecties. Sterker nog een kritisch geloofsverstaan wordt begrepen als ‘ketters’. Ausloos en Lemmelijn geven enkele kenmerken van het Bijbels-fundamentalisme.
Het Bijbels fundamentalisme steunt ten eerste op de woordelijke onfeilbaarheid van de Schrift. Als woord van God is de Bijbel vrij van dwaling. Dus is het ongepast om er stukken van in twijfel te trekken of kritisch te bevragen. De bijbel heeft altijd gelijk. Het gevolg is, dat fundamentalisten, de Bijbel niet zelden gebruiken als een soort receptenboek, waarmee ook tal van actuele problemen en uitdagingen - homoseksualiteit, ecologische crisis, wetenschappelijke vooruitgang,… -  kunnen ‘opgelost’ worden. Moet het nog gezegd dat dit bijzonder gevaarlijk kan zijn?
Ten tweede lezen fundamentalisten de Bijbel vaak erg selectief, waardoor men ook onrecht doet aan de teksten. Passages worden uit hun literaire en historische context gelezen en dit leidt er vaak toe dat de ‘fundamentalist’ de passage naar zijn eigen hand zet. Men baseert zich bijvoorbeeld op de wetteksten uit Leviticus om homoseksualiteit streng te bestraffen (Lev. 18, 22; 20,13). Echter indien men de wetgeving van Leviticus met betrekking tot homoseksualiteit zonder meer aanvaardt voor de 21ste eeuw, dan moet men ook andere wetten uit Leviticus klakkeloos aanvaarden en toepassen op de huidige maatschappij: Men moet menstruerende vrouwen mijden, mosselen mogen niet gegeten worden en vreemdelingen mogen als slaven behandeld worden en vrouwen die overspel plegen moeten bestraft worden met de doodstraf; blinden en kreupelen mogen geen priester worden. Het statuut van de Bijbel als juridisch receptenboek valt te betwijfelen.
Een derde kenmerk is het litteralisme. Men leest de Bijbel letterlijk en beschouwt de bijbelse overlevering als een betrouwbaar verslag van historische gebeurtenissen of als accurate informatie. Alles wat in de Bijbel wordt verteld is echt gebeurd. Eva is letterlijk uit de rib van Adam geschapen, Elia is letterlijk ten hemel opgenomen en de ark van Noach heeft bestaan.
Uit: Hans Ausloos en Bénédicte Lemmelijn, De Bijbel een (g)oude(n) gids. Bijbelse antwoorden op menselijke vragen, Leuven, 2005, 52-55.

3. Het creationisme en de letterlijke bijbellezing

creation.science.jpgWat is het creationisme? Heel simpel gezegd: creationisme is het geloof dat God hemel en aarde geschapen heeft. Nu is dat geloof al oud, terwijl het creationisme betrekkelijk jong is; het is een twintigste-eeuwse uitvinding, hoewel het wortels heeft in de 19de eeuwse Amerikaanse theologische traditie. Vooral belangrijk is de idee dat het creationisme zich opwerpt als alternatief voor de evolutieleer. Kenmerkend voor het creationisme is een letterlijke Bijbellezing. Verondersteld wordt dat de Bijbel letterlijk Gods openbaringswoord is. Daarom krijgt de Bijbel ook het statuut van onfeilbaarheid mee. Creationisten staan daarenboven ook bekend om hun vijandige houding jegens de natuurwetenschappen. In hun letterlijke lezing van de Bijbel veronderstellen creationisten dat de Bijbel feiten presenteert. Volgend citaat drukt deze houding goed uit: “De Bijbel is voor de theoloog wat de natuur is voor de man van de wetenschap. Het is een opslagplaats van feiten; en de theologische methode om vast te stellen wat de Bijbel ons leert, is dezelfde als die welke de natuurfilosoof aanneemt om vast te stellen wat de natuur ons leert.” De achterliggende gedachte is dat God twee boeken geschreven heeft: het boek van de natuur en het boek van de Bijbel. Theologie houdt zich bezig met de Bijbel en de natuurwetenschap met de natuur. Maar aangezien beide boeken van dezelfde auteur afkomstig zijn, kunnen ze elkaar niet tegenspreken. Als de conclusies van de theoloog en de natuurwetenschapper verschillen, moet een van beiden fout zijn.

Uit: Taede Smedes, Is Intelligent Design creationisme? in D. Pollefeyt & E. De Boeck (ed.) Niet los van God? Geloof en wetenschap, Leuven, Acco, 2007

Het creationisme vindt zijn oorsprong in de christelijke evangelische beweging (19e eeuw). In de Verenigde Staten van Amerika zijn het vooral christelijk geïnspireerde creationisten die hun stempel willen drukken op het onderwijs en de plaats van de evolutieleer in de biologielessen betwisten. Het creationisme maakt er aanspraak op een alternatieve (de enige ware) verklaring te geven voor het ontstaan van de ‘schepping’. Onder invloed van dit christelijk creationisme, is ook binnen de islam een creationistische denkstroming ontstaan. In België zijn het niet zozeer ‘christelijke creationisten’, dan wel het islam-creationisme dat voor discussie zorgt. Er zijn moslimleerkrachten die weigeren om les te geven over de evolutieleer te, net zoals er moslimleerlingen zijn die de evolutieleer betwisten. Toch is het belangrijk ook hier geen eenzijdig beeld op te hangen van de moslimpopulatie. Ook in de islam is het creationisme geen ‘heet hangijzer’.

Zie hiervoor:

Islam-expert Leezenberg: Creationisme (ID) is géén omstreden issue voor moslims!

Intelligent Design en de Islam / Koran:

Eén blik in de koran maakt inderdaad duidelijk dat evolutie geen groot theologisch probleem voor moslims hoeft op te leveren. Die bevat, anders dan de bijbel, geen gedetailleerd scheppingsverhaal. In de koran staan evenmin uitvoerige genealogieën in de trant van `En Adam gewon een zoon, genaamd Seth, en Seth leefde honderd en vijf jaren, en hij gewon Enos' (Genesis 5:3-6), op basis waarvan je kunt uitrekenen dat God een jaar of 6.000 geleden de wereld moet hebben geschapen in een zesdaagse werkweek. Integendeel, er staan passages die je met een beetje goede wil best als aankondigingen van de evolutieleer kunt duiden:
,,En niemand kan Ons voor zijn, wanneer Wij (jullie) door gelijksoortigen willen vervangen, en jullie
opnieuw laten ontstaan in een vorm die jullie niet kennen.'' (soera 56.60-61)

Zulke passages zijn, evenals de meeste andere koranverzen, voor velerlei uitleg vatbaar. De koran bevat simpelweg geen uitspraken die evolutie eenduidig bevestigen of tegenspreken.

Nederlandse moslims en evolutieleer

Een veel belangrijker probleem is dat wat de koran al dan niet over de evolutieleer zegt, voor de meeste moslims domweg irrelevant is. Het wil maar niet tot het publieke debat over de islam doordringen dat de koran voor verreweg de meeste mensen met een moslimachtergrond geen kennisbron van groot belang is.
Het aantal moslims in Nederland dat de koran in zijn geheel gelezen, laat staan doorgrond heeft, is klein. En het aantal moslims dat enige kennis heeft van de klassieke islamitische traditie, is nog veel kleiner. Die traditie kent genoeg invloedrijke auteurs die vooruit lijken te lopen op de evolutieleer. Algemener werd in de klassieke islam de tegenstelling tussen (natuur-)wetenschappelijke kennis en religieuze openbaring als veel minder groot en problematisch ervaren dan in het Middeleeuwse of het hedendaagse fundamentalistische christendom.

Fundamentalistische moslimstudenten

Fundamentalistische moslimstudenten die zeggen dat de evolutieleer niet in de koran staat en daarom niet kan, weten dus niet waar ze het over hebben. Als hedendaagse islamisten bezwaar maken tegen de Darwinistische evolutieleer, is dat niet omdat wetenschappelijke kennis in strijd zou zijn met de openbaring van de koran.

Veel meer zorgen maken ze zich over de alliantie van het Darwinistische evolutieleer met het goddeloze marxisme. Maar voor zover deze thematiek in de hedendaagse islamitische wereld überhaupt speelt, is ze erg recent. Pas in de jaren '80 begon ze enige aandacht te krijgen. Bovendien zijn de belangrijkste argumenten regelrecht overgenomen van Amerikaanse fundamentalisten. Niks geen islamitische traditie dus. Wie in Nederland streeft naar een serieus wetenschappelijk debat tussen creationisten en evolutionisten als een basis voor een interculturele dialoog, zadelt daarmee zowel moslims als christenen, en zowel gelovigen als atheïsten, op met een thematiek die de hunne niet is.

http://www.maroc.nl/forums/showthread.php?t=141869

4. De betekenis van verhalen

In het begin was het verhaal. God schiep en van zijn scheppen hebben wij kennis genomen door een verhaal. Zonder dat verhaal zouden wij geen beelden hebben of geen gedachten die wij met beelden konden vullen. Maar zonder feitelijk begin, zouden wij geen verhaal hebben? Niet alleen de schepping van de wereld is herschapen in woorden, ook alles wat daarna gebeurde. Alle ervaringen, emoties en gebeurtenissen zijn telkens opnieuw van inhoud voorzien door taal, door verhalen waarin telkens opnieuw een begin wordt gemaakt in de tijd en in de ruimte en een nieuwe wereld wordt gecreëerd.
De wereld van het begin heeft zijn eigen kenmerken. Een begin veronderstelt continuïteit: alles ontwikkelt zich vanuit het begin. Een scheppingsverhaal veronderstelt daarom dat de tijd is begonnen en wordt voortgezet tot in het heden? Het verhaal laat de samenhang zien tussen het begin en wat volgt, door die samenhang kan het invloed uitoefenen, de intentie van het begin duidelijk maken en vrucht dragen in elk leven daarna.
Een verhaal brengt structuur aan in de tijd door een reeks ontwikkelingen op een coherente manier met elkaar in verband te brengen. Het handelingsverloop laat een bepaalde lijn in het gebeuren zien. Inspirerende verhalen of ‘ware’ verhalen zijn niet inspirerend of waar omdat ze precies zo gebeurd zijn. Het leven is immers geen verhaal, en bevat geen strakke lijn van gebeurtenissen. Maar juist doordat het verhaal een context verschaft en de gebeurtenissen in een samenhang van begin naar eind zet, krijgen deze zin. Bij scheppingsverhalen gaat het over het absolute begin, maar andere verhalen creëren ook een begin in de tijd en gaan tot het specifieke einde ervan. Door de ordeningen van de tijd tracht een verhaal het leven te begrijpen. Verhalen weerspiegelen niet alleen de werkelijkheid, maar scheppen een verbeeldingswereld.
Verhalen over het begin zijn niet alleen gelezen als verbeeldingen van de werkelijkheid, maar als deel uitmakend van die werkelijkheid. Zij gelden niet als fictie, maar ook als een manier om het eigen verleden vertelbaar en verklaarbaar te maken. Het scheppingsverhaal in Gen 1 heeft eeuwenlang verklaard waarom de mens de heerser van de schepping is en heeft later als ondersteuning gediend voor een technologische beheersing van de wereld. Verhalen als deze hebben een wereldbeeld, een mens- en Godsbeeld geconstitueerd en een ruimte afgebakend in het geheel van het denken. In andere culturen bakent men de ruimte op een andere manier af, en ordent men de ongeordendheid in een andere betekenisstructuur. Wanneer we daar kennis van nemen, geeft dat ook inzicht in andermans denken, maar ook in ons eigen denken.
In al deze scheppingsverhalen proberen mensen met taal, met in taal verwoorde beelden en met woorden die soms aan de rand van het nog zegbare of begrijpbare staan, iets te grijpen van een andere werkelijkheid. Het is voor hen niet alleen een kwestie van geloof, maar ook van een soort levensbesef. Andere mensen nemen de wereld daarentegen zoals die is, als pure materie. Zij denken ‘Het is nu eenmaal zo en verder niks, zolang je leeft ben je er en daarna niet meer’. En zij nemen de dingen alleen als dingen, hun werkelijkheidsbeleving houdt op bij het materiële.  Scheppingsverhalen vormen een tegenwicht tegen zo’n benaderingswijze. De verwondering over en de vragen bij het leven vormen de basis ervan.  Materie wordt daarin de drager van een andere orde en de verhalen verschaffen de mensen een andere vorm van werkelijkheidsbeleving die hun aanwezigheid in de wereld of hun leven intensiveren en verdiepen.
Het lezen van verhalen vereist een bepaalde openheid bij lezers. Zij moeten in staat zijn de luiken naar de wereld open te zetten, nieuwe samenhangen en ordeningen te verwerven en te verwerken.
Binnen een bepaalde cultuur behoren de verhalen over het begin meestal tot de basis van de religieuze gemeenschap. Het is gebruikelijk de verhalen over het begin van andere culturen mythe te noemen. Wezenlijk voor deze religieuze overtuigingen in verhaalvorm is dat zij mondeling worden overgeleverd van geslacht op geslacht en dat zij met name op hoogtijdagen of bij levensbepalende gebeurtenissen zoals bij geboorte, het bereiken van de volwassenheid, huwelijk en overlijden, worden verteld. Meestal wordt dit vertellen begeleid door speciale bij die bijzondere gelegenheid behorende riten. Heilige verhalen en heilige riten zijn in die zin onlosmakelijk met elkaar verbonden: het verhaal vergezelt en verklaart de handeling, de handeling illustreert het verhaal en brengt het tot uitdrukking. Vaak betekent dit ook dat zo’n verhaal niet zomaar door iedereen mag verteld worden. Slechts de religieuze specialist mag zo’n verhaal ten gehore brengen bij bijzondere gelegenheden en op bepaalde plaatsen. In zo’n context aangeboden, ervaren de leden van de gemeenschap wat de inhoud van hun geloof is, hoe ze zich moeten gedragen en hoe de gemeenschap ingericht moet worden. Het verhaal over het begin, neemt de gelovige mee naar het begin der tijden waarin god of goden de wereldorde instelden. De gelovige rest dan ook niets anders dan deze door god of goden ingestelde orde te volgen.

Uit: Ellen van Wolde, Verhalen over het begin, 182-192.

5. Een postkritische Bijbellezing: Wat betekent 'scheppen'?

solor_system_creation.png

Volgens Gen 1 bestaat het scheppingswerk van God erin dat Hij orde schept in de Chaos, of liever dat hij de chaos overwint door een kosmos te creëren. De beschrijving dat bij het begin ‘de aarde woest en leeg was en dat er duisternis over de aarde lag’ is niet zomaar een zogenaamde mythologische rest. Het goddelijk scheppen is precies het wanordelijke overwinnen. Chaos staat voor het ongedifferentieerde van een oeverloze door elkaar wriemelende massa, waarin nog geen onderscheidingen bestaan. Er is nog niets in de zin van niet-iets of niet-iemand. De chaos is de anonimiteit, het onpersoonlijke, het onzijdige. De chaos is dichte duisternis, waarin alle vormen en onderscheidingen verdwijnen: alles gaat erin onder.
Belangrijk is dat de chaos niet definitief overwonnen wordt met de schepping, maar eigenlijk een blijvend spookbeeld is, waarvoor we in het diepste van ons hart beducht moeten blijven. De terugkeer naar de chaotische anonimiteit is een blijvende onheilspellende dreiging.
Volgens Gen 1 bestaat scheppen er precies in deze dreigende anonieme machten te overwinnen. Door de kracht van het Woord schept God de wereld als ‘orde’. Hij voert opeenvolgende scheidingen en afsplitsingen van de verschillende elementen door en kent hen hun eigen plaats, tijd, levensruimte, roeping en rol in de schepping toe. Uiteraard verloopt deze scheppingsdynamiek volledig volgens de toenmalige, dus tijdsgebonden kosmologische opvattingen, die door onze hedendaagse kosmologische inzichten achterhaald zijn en dus als dusdanig niet meer gelden. Welk blijft de grondidee van de onderscheidende scheppingsdynamiek standhouden. Let hierbij in de tekst op de termen scheiden, afscheiden, en uiteen houden, op de uitdrukkingen, ‘tussen het ene en het andere’, ieder naar zijn soort’, ‘soort na soort’ en van ‘allerlei soort’, die als een rode draad door het hele verhaal loopt.

Uit: Roger Burggraeve, De Bijbel geeft te denken, 66-76.
Uit: Ellen van Wolde, Verhalen over het begin, 44-45.

Basisliteratuur

  • Hans Ausloos & Bénédikte Lemmelijn, De bijbel een (g)oude(n) gids. Bijbelse antwoorden op menselijke vragen, Leuven, 2005.
  • Roger Burggraeve, De Bijbel geeft te denken, Leuven, 1991, 51995.
  • Lieven Boeve, Scheppingsverhalen en zondvloeden: een krachtmeting tussen wetenschap en christelijk geloof?
  • Didier Pollefeyt & Ellen De Boeck (red.), Niet los van God? Geloof en wetenschap, Leuven, 2007.
  • Taede Smedes, God en de menselijke maat. Gods handelen en het natuurwetenschappelijke wereldbeeld, Zoetermeer, 2006.
    Zie ook: www.tasmedes.nl
  • Ellen van Wolde, Verhalen over het begin. Genesis 1-11 en andere scheppingsverhalen, Baarn, 1995.
  • Voor een uitgebreide literair-theologische lezing van Gen 1-3 zie lezing van Marc Vervenne: Universiteit van de derde leeftijd 18 november 2003.

4. De schepping als ‘symbool’ van God: Voorbij het immanentisme van het ‘heidendom en het moderne atheïsme (Bron: Didier Pollefeyt)

De joodse filosofe Cathérine Chalier maakt het mogelijk een 'vergeten' dimensie van de joods-christelijke traditie op het spoor te komen, met name de verbondenheid van het bijbels Godsconcept met de hele schepping (Jer. 33,25).
Chalier spreekt van een God die zich aandient als een 'spoor' (trace) dat in de natuur is neergelegd. Met de notie 'spoor van God' bekampt Chalier twee eenzijdige visies op de verhouding tussen God en natuur: de heidense identificatie van God met de natuur en de moderne desacralisatie van de natuur.
Schepping impliceert de transcendentie van God ten aanzien van de wereld. Door de Schepping roept God iets anders dan zichzelf in het bestaan. In feite levert de bijbel hiermee een scherpe kritiek op de heidense vergoddelijking van de natuur. Volgens de joodse traditie bestaat de glorie van God precies in het feit dat Hij iemand in die schepping heeft geplaatst die Hem in Zijn separatie kan zoeken en die Hem (al dan niet) kan antwoorden. Het vasthouden aan de absolute transcendentie van de Schepper impliceert de mogelijkheid van het atheïsme. De onomkeerbare separatie tussen God en wereld kan door de mens daarom als een immense afwezigheid ervaren worden. De mens dreigt te worden overweldigd door de onmenselijke neutraliteit van een zwijgende en obscure kosmos.
De afstand tussen God en wereld is volgens de bijbel echter evenmin absoluut. Hoewel de natuur niet goddelijk is, getuigt zij wel van God. In de hele kosmos zijn de Sporen terug te vinden van Gods creatieve scheppingswerk. De schepping is een symbool van God. Maar net als alle symbolen is ook de betekenis van de schepping niet onmiddellijk duidelijk. De schepping kan ook als een groot 'Boek' (een tekst) beschouwd worden dat men moet lezen en interpreteren om Hem te kennen, Diegene die Zijn Signatuur in de hele schepping heeft nagelaten. De Schepper van de natuur en de Schenker van de Torah zijn dus één en dezelfde God.
De mens is geroepen om deze Sporen, door God in zijn schepping getrokken, uit te pluizen en hun betekenis opnieuw tot leven te brengen. Het is de Schrift zelf die ons opdraagt om naar de natuur te kijken als werk waarin God zijn Sporen heeft nagelaten. Zonder de Schrift zou de mens nooit in staat zijn om te luisteren naar de schepping als de plaats van Gods openbaring. Zowel het ‘lezen’ van de natuur als het lezen van de schrift veronderstelt bij de mens als Gods schepsel een hermeneutische en ontvankelijke houding. De 'hermeneutiek' kan hier geplaatst worden tegenover een letterlijke, orthodoxe of dogmatische lezing. Een dogma wordt zonder tegenwoord geponeerd, alsof de uitgedrukte zin eens en voorgoed zou vast te leggen zijn in het onveranderlijk karakter van de letter. In de joodse traditie daarentegen wordt gesteld dat de Torah zeventig gezichten heeft. De Torah ligt als het ware te wachten op elke (onvervangbare) nieuwe generatie van lezers. Omdat het niet om de letterlijke betekenis gaat, is elke nieuwe lezer belangrijk. De Schrift moet telkens opnieuw opgenomen worden als een weg naar haar geheim, de transcendentie, die men als het ware moet smeken te voorschijn te komen. Zonder zo'n exegese als hermeneutiek zou de Schrift voor de mens van geen betekenis zijn maar een 'vlam zonder wiek' die langzaam uitdooft.
Het oude gebod om te zoeken naar Sporen van God in de nederigheid van de verzen en de letters van de bijbel, speurend naar het deel van het geheim dat het nog in zich draagt, slaat nu mutatis mutandis ook op het volgen van het Spoor dat God in de 'klonterige kluiten van de aarde' (Job 38,28) en in de 'pieken van de rotsen' (Job 39,28) heeft achtergelaten. Want net zoals de Schrift presenteert ook de natuur haar raadsel als een taal die vraagt om geïnterpreteerd te worden. De waarheid schiet op uit de natuur zoals ze zich openbaart voor diegene die de Schrift bestudeert.
In de visie van Chalier biedt de Schrift dus de noodzakelijke vermiddeling tussen de mens en de natuur. Zonder de Schrift loopt de mens het risico zich tevreden te stellen met de immanente schoonheid van de natuur. De natuurgodsdienst is dan niet ver meer af. De studie van de Schrift daarentegen leert de mens zich te oriënteren op het Oneindige dat doorheen de kosmos geopenbaard wordt, maar dat niet zelf de kosmos is. De Schrift leert de mens verder te zien dan datgene wat hij (letterlijk) ziet. Hoe onooglijk klein ook de Schrift in vergelijking met de overweldigende dimensies van de natuur is, toch reikt zij dus het perspectief aan waarin de natuur zich kan openbaren als het woord van God.

Het probleem van de hermeneutische verlamming

Deze houding is echter verre van evident, zeker wanneer mensen geconfronteerd worden met pijn en lijden, niet zelden veroorzaakt door de ‘schepping’. Soms zijn mensen hermeneutisch verlamd. Opgesloten in hun eigen lichaam zijn ze niet langer in staat om sporen van God te ontwaren in de schepping. Dit wordt treffend geïllustreerd aan de hand van het verhaal van de lijdende Job. Na Zijn lang en verschrikkelijk zwijgen ten aanzien van Jobs protest, begint God plots met het opmaken van de rijke inventaris van Zijn schepping. Job krijgt dus niet het antwoord waarop hij hoopte: een theoretische verklaring of een woord van troost. God stelt Job gewoon Zijn schepping voor alsof daarin Zijn antwoord gelegen is. Hij onderhoudt Job over het ontstaan van de schepping: 'Waar was je toen Ik het fundament voor deze aarde legde?' (Job 38,4). De schoonheid van de Schepper die schittert in de grote en kleine dingen was aan Job voorbij gegaan. Zij diende hem onderwezen te worden, zodat hij ze pas nu met zijn eigen ogen kon zien. Het lijden vormde dus een obstakel om de taal van de schepping te vernemen. De lijdende mens is veroordeeld om te leven binnen de enge grenzen van zijn zieke lichaam. De hermeneutische verlamming van de lijdende is het gevolg van zijn onvermogen om in zichzelf nog een ruimte vrij te houden om het andere te ontvangen. De mateloze kwellingen van Job ontnamen hem de mogelijkheid om de natuur rondom hem op een andere manier te bekijken dan als datgene wat gewoon zijn koers verder zet, totaal onverschillig, haast spottend met zijn lijden.
God toont zich slechts in de schepping als een Spoor voor hen die de juiste houding bezitten. In extreme omstandigheden kan deze houding het best beschreven worden als heiligheid. Een heilige is precies iemand die in zichzelf een plaats weet vrij te houden voor het schone, zelfs wanneer alles in en rondom hem spreekt van vernietiging en dood. Zo beschrijft Etty Hillesum hoe zij diep getroffen werd door een bloeiende jasmijn die midden in het slijk van het nazi-kamp Westerbork haar weg zocht naar de blauwe hemel. Het is op de plaats waar alles verlaten is, dat Hillesum opnieuw leert luisteren naar de natuur, alsof slechts daar waar alle menselijke en natuurlijke weelderigheid verdwijnt, waar de mens op zijn laagste zijnsgraad teruggeworpen wordt, bij uitstek de zin voor het andere, verborgen in de natuur, kan vernomen worden. Chalier noemt deze ervaring een 'woestijnervaring'. In de woestijn wordt de mens van alles ontdaan, geïnitieerd in de nederigheid van de ontzetting uit elk bezit en haast noodgedwongen bekeerd tot een extreem luisteren naar de betekenis die opduikt uit de armoede van de dingen. In de woestijn ontdekt de mens dat hij niet voortdurend gedoemd is terug te keren naar zichzelf en dat hij zich kan openen voor het andere dat hem uit zichzelf wegrukt en hem van zichzelf bevrijdt. De contemplatie op de natuur kan de mens onthechten uit zijn eigen individualiteit en hem boven zijn eigen interesses uittillen. Op die wijze kan de oneindigheid in zijn bestaan binnenbreken en hem opvorderen om datgene wat hem normaal bezig houdt (gezondheid, geld en leven) op te geven terwille van een bestemming die de enge grenzen van zijn eigen inter-esse overstijgt.

5. Fair Trade of bio?

Wekelijks verschijnt in Knack de column ‘Op het tweede gezicht’ van Joël De Ceulaer. In een open brief aan Mieke Vogels schrijft hij het volgende:

“Er is één elementje uit uw partijprogramma dat u zou moeten herzien, aanpassen of helemaal verwijderen. (…) De groene invalshoek. (…) Uw concurrent Bart Staes lanceerde ooit het plan om op elk blikje voedingswaren te laten vermelden hoeveel kilometer de ingrediënten hadden afgelegd tussen oogst en supermarkt. Dat lijkt een slim idee, maar het deugt voor geen meter. Onder die ecologische reflex gaat immers een volkomen onwezenlijke nostalgie schuil: de nostalgie naar small is beautiful, naar seizoensgroenten en zelfgebakken brood - naar de jaren vijftig, kortom, toen Vlaanderen nog blank en de wereld nog geen dorp was en de noordzeegarnalen nog werden gepeld op het Noordzeestrand. Die tijd komt niet meer terug. Maar goed ook, misschien. Als zo’n garnaal naar Marokko vliegt om zich te laten pellen, denk ik niet in de eerste plaats aan de uitstoot, maar aan de werkgelegenheid die daarmee wordt teweeggebracht.” (De Ceulaer, 2007, 30)  

Dit citaat geeft uitstekend de spanning tussen sociale noden en ecologie weer, tussen intragenerationele en intergenerationele verantwoordelijkheid: de werkgelegenheid die deze economische transacties bieden, staan in schril contrast met de ecologische kosten ervan.
In eerste instantie lijkt het om een logische vergelijking te gaan. Maar wie verder denkt, stuit al gauw op enkele moeilijkheden. Immers, er wordt geen rekening gehouden met de concrete werkomstandigheden waarin garnalen gepeld worden, er wordt niet gesproken over de toenemende loonverschillen tussen de verschillende werelddelen, noch over de houdbaarheid van zulke transacties op lange termijn, laat staan over de economische logica die daarachter schuilgaat.
Dat is echter niet alles. Wie kijkt naar de concrete slachtoffers van milieurampen, toenemende milieuverontreiniging, bodemerosie, verwoestijning enz. stelt vast dat het de allerarmsten zijn die als eersten getroffen worden. Neem bijvoorbeeld de gevolgen van de klimaatverandering. In het Noorden kijkt men vooral naar de langetermijneffecten, maar een concreet gevolg ervan is reeds zichtbaar in het Zuiden: de malariamug verspreidt zich over steeds uitgestrektere en hogergelegen gebieden, “met het evidente gevolg dat malaria een prangende bedreiging vormt voor de gezondheid van aanzienlijke delen van de wereldbevolking.” (Jones & Jacobs, 2006, 164) Bovendien geldt blijkbaar “vrouwen en kinderen eerst” (Maguire, 1999, 405). Ecofeministen zoals Rosemary Radford Ruether klagen aan dat de armoede van vrouwen en kinderen hand in hand gaat met de verwoesting van de natuur: “Ontbossing betekent dat vrouwen twee en drie keer per dag onderweg zijn om hout te halen; het impliceert droogte wat betekent dat vrouwen twee en drie keer per dag op zoek zijn naar water naar hun bescheiden woningen te brengen.” (Radford Ruether, 1997, 40) Samenvattend kunnen we stellen dat diegenen die het minste bijdragen tot de ecologische crises er het eerste slachtoffer van worden.

Uit: Ellen van Stichel, Fair Trade of Bio? Plichten tegenover huidige en toekomstige generaties, in J. Haers, et.al., Wanneer de schepping kreunt, Halewijn, 2008, 92-93.

Lesimpulsen en didactische suggesties

De spanning tussen geloof en wetenschap (lesimpulsen en didactische suggesties bij hermeneutisch knooppunt 1)

Let There Be LIGHT!

1. Definitie schepping uit Van Dale

“schepping: iets wat voortgebracht, tot stand gebracht is, zie ook creatie” En dan bij creatie: “1. schepping, werk  2. modeontwerp, zie ook creatief, met name origineel en voortbrengend, zoals fantasierijk en fantasievol”.

2. Werken met Bijbelteksten

In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water. God zei: ‘Er moet licht komen,’ en er was licht. God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis; het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag. (Gen 1, 1-5)

Toen maakte God, de HEER, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen. (Gen. 2, 7)

3. Werken met een liedjestekst

Willem Vermandere, De Schepping, uit: Als ik zing, Philips, 1988.

Beluister dit nummer:

beluister snelle / trage verbinding

als god den heere de wereld schiep
en vader adam tot leven riep
hèt ie in zeven dagen zogezeid
heel de melkweg geplaveid
met water en eerde geboetseerd
d'onmeuglijkste wezens gecreëerd
nen mammoet in nen handomdraai
en een bende mussen in ééne zwaai

een zwaan en een giraffe langgenekt
en de serpenten eindloos uitgerekt
't peerd en de koe dat was nog wel
maar och god dienen puit in zijn bloot vel
den haring in't zout en de kabeljauw
pieren en mieren, de kraai en de pauw
ezels en kwezels en ne kangaroe
't zwijn en den aap en de kaketoe

ie schiep, ie schiep, ie schiep ondeurdacht
zonder besef van wat ie had voortgebracht
'n beer en de wolf in ééne wip
'n os en den ezel met nen vingerknip
ie schiep berg en dal en 't zand en 't strand
'n eik en den olm met nen tik van zijn hand
de klaver en d'haver en nen druivetros
patatten en tomaten en 't gras en 't mos

ie schiep ook de lind' en den eglantier
ie schiep op den deur voor zijn eigen plezier
krokodillen en padden en de leguaan
plankton en de kwallen in den oceaan
't krioeld' in 't water en 't kroop over 't land
zonder orde of tucht zonder enigverband
met duizenden waren ze van iedere soort
deur een fijn systeem plantte elk zich voort

maar 't kroop toch eind'lijk in god zijnen bol
scheppen is niets maar den boel slaat op hol
ie gaf scherpe klauwen aan tijger en kat
en schiep de microben in den bek van de rat
de leeuw kreeg het lam, de snoek den bliek
't wierd al opgevreten kreupel of ziek
den haas altijd wakker en 't hert op de vlucht
en altijd die kreten van angst in de lucht

maar ie wrokt en grolt en is onvoldaan
durft zelfs zijn broer dood te slaan
omdat zijn vreemd accent hem grieft
en 't kleur van zijn vel hem nie belieft
ach god 't is simplistisch voorgesteld
'k hè van ons raketten nog niets verteld
we zijn al lang g'evolueerd
god, ziet dat g'u verder goed amuseert

en dan komt de mens, verstandig en sterk
't pronkstuk van god, de kroon op't werk
ie berijdt het peerd en temt den hond
stapelt stenen, boort in de grond
ie wriemelt en wroetelt, ie lapt en tapt
maakt ploegen en messen, ie kerft en ie kapt
ie delft het goud en slijpt diamant
en bouwt kathedralen met meesterhand

4. Werken met Cartoons



5. Werken met verschillende scheppingsverhalen.

Scheppingsverhalen

www.bigmyth.com

6. Creationisme

Beeldmateriaal

http://www.youtube.com/watch?v=RSCMnOaH_7M
http://www.youtube.com/watch?v=OBc8fwgFnbY

Geluidmateriaal

'Creationisme als fundamentalistische visie op schepping past katholieken niet'
Kruispunt Radio 21/5/05

Artikels uit kranten

Darwin in eindtermen TSO, BSO en KSO.

BRUSSEL - Darwins evolutieleer wordt opgenomen in de eindtermen van het technisch secundair onderwijs (TSO), beroeps secundair onderwijs (BSO) en kunstsecundair onderwijs (KSO).
Vlaams minister van Onderwijs Frank Vandenbroecke (SP.A) gaf dit als antwoord op een vraag van Open VLD-parlementslid Annick De Ridder tijdens het parlementaire vragenrondje van vorige donderdag.
Het is niet de eerste keer dat er in het Vlaams Parlement wordt gedebateerd over het belang van de evolutietheorie tegenover het creationisme.

Wetenschappelijk onderzoek toonde enkele jaren geleden al aan dat één op de vier Belgen de evolutieleer verwerpt. Op de secundaire scholen blijken ook steeds meer allochtone leerlingen de theorie van Darwin om geloofsredenen te verwerpen.

svw

De standaard 22 februari 2008

'Ik ben tegen de scheiding van samenleving en geloof.'Ivan Put

© ivan put

BRUSSEL - INTERVIEW MARC VAN DE VOORDE

Intelligent Design en creationisme zijn in opmars, het Vaticaan roept de K.U.Leuven ter verantwoording voor haar embryo- en stamcelonderzoek. De wereld van het geloof en de rede lijken weer uit elkaar te groeien. Marc Van de Voorde schreef een boek over hoe de twee schijnbare tegenpolen met elkaar verbonden kunnen worden.

Van onze redacteur

'Ik ben geen wetenschapper', waarschuwt Van de Voorde, die na een carrière als hoofdredacteur bij Kerk en Leven al enkele jaren actief is op het kabinet van Yves Leterme. 'Ik heb dit boekje een beetje intuïtief geschreven.'

Voor Van de Voorde is het duidelijk: geloof en rede moeten niet gescheiden worden en bovendien kan het geloof niet zonder de rede. 'De mens heeft zijn verstand nodig om de wetmatigheden van deze wereld te kunnen ontdekken en begrijpen. Hoe zitten de dingen in elkaar? Maar daarmee heeft hij nog geen antwoord op een meer fundamentele vraag: waarom ben ik hier? Dat is het terrein van het geloof. En daarom zijn rede en geloof niet te scheiden: het zijn immers twee fundamentele capaciteiten van het denkend vermogen van de mens. Maar ze moeten uit elkaars vaarwater blijven.'

'De grote fouten gebeuren als het geloof zich gaat moeien met de hoe-vraag. Het bekendste voorbeeld is Galilei. We weten ondertussen dat dat fout is. Het geloof kan nooit in tegenspraak zijn met de rede. Vandaar dat ik fundamenteel tegen dat creationistische gedoe ben.'

Toch lijken heel wat gelovigen het niet met uw stelling eens te zijn?

(zucht) 'Ik denk wel eens: is dat nu echt nodig? Want het is schadelijk voor het geloof. Maar blijkbaar is bij sommige gelovigen de drang naar vastigheid erg groot en dan grijpt men terug naar die creationistische ideeën. Misschien is het ook uit onwetendheid: men weet gewoon niet meer waarover het geloof gaat. Weet je: in de Bijbel staan twee scheppingsverhalen en ze spreken elkaar tegen. Hoe zouden ze dan een wetenschappelijke pretentie kunnen hebben?'

Tertio

BRUSSEL - Geloven dat Allah de mens heeft geschapen, bevordert de integratie niet, zegt Johan Braeckman.

Van onze redacteur

Johan Braeckman: 'Dit is een ernstige vorm van creationisme. Het is wetenschappelijk analfabetisme.' Michiel Hendryckx Braeckman ging zondag in De Zevende Dag in debat met Nordine Taouil, imam in Merksem. De imam verdedigde het standpunt dat de mens is geschapen door Allah en dat Adam en Eva hebben bestaan, 'aangezien dit zo in de Koran en Bijbel staat'. De Gentse filosoof was niet verrast door dit standpunt, zei hij gisteren telefonisch aan de redactie. Maar het blijven 'schokkende uitspraken die we met argumenten moeten weerleggen'.

'Ik volg de opvattingen van de moslimgemeenschap in dit land over de evolutieleer toch al twintig jaar, en ik stel een radicalisering vast', zegt Braeckman.' Als je al je wetenschappelijke inzichten uit de Koran haalt, en de wetenschappelijke theorieën die niet met de Koran stroken, als foutief bestempelt, is dat ronduit problematisch. Dit is een ernstige vorm van creationisme. Het is wetenschappelijk analfabetisme, ik heb daar geen andere woorden voor.'

'Imam Taouil is bovendien een man met invloed en gezag in de moslimgemeenschap. Jongeren kijken naar hem op. Uit een onderzoek dat wij hebben verricht, blijkt dat negen moslims op de tien geloven in die creationistische denkbeelden. Imam Taouil wordt dan nog tot de meer progressieven in de islamwereld gerekend. Je kunt je voorstellen wat dit over de anderen zegt.'

Volgens Braeckman bemoeilijkt dit islamcreationisme de integratie van allochtonen en marginaliseert de moslimgemeenschap zich op deze manier.

'Vergelijk het met het katholicisme uit de jaren vijftig, zestig. Veel katholieken geloofden toen ook nog in het scheppingsverhaal, maar gaandeweg zijn hun ideeën geëvolueerd. De verhalen in de Bijbel worden vandaag door de meesten niet meer letterlijk genomen. Het gaat om beeldspraak.'

Dezelfde evolutie zou de islam moeten doormaken, vindt de Gentse filosoof. 'Men heeft toch de mond vol van een moderne versie van de islam? De imam en andere gezaghebbende moslimfiguren dragen hierin een verpletterende verantwoordelijkheid. Ik ben geen moslim. Naar mij zullen die moslimjongeren niet luisteren, maar naar hen wel.'

Jonge moslims die de Koran letterlijk nemen, kunnen volgens Braeckman moeilijk een universitair diploma in bijvoorbeeld Biologie of Geneeskunde behalen. 'Die studenten komen in een schizofrene situatie terecht. Docenten kunnen een student die op het examen creationistische ideeën verdedigt, toch niet laten slagen?'

'Hoe kan je met dergelijke standpunten aan wetenschappelijk onderzoek doen, waar de methode er precies in bestaat om alles ter discussie te stellen en te vertrekken van hypothesen, niet van zekerheden?' Braeckman zegt dat hij het islamcreationisme blijft bestrijden. 'Ik probeer dat niet op een agressieve of beledigende manier te doen, maar rustig en overtuigd.'

Een verhaal is altijd gelogen

© MH Michiel Hendryckx

Het creationisme op het leerplan zetten helpt jongeren niet weerbaar te worden tegen bijgeloof. Hen leren omgaan met metaforen wel. Marc Reynebeau stelt dat het katholieke erfgoed in dat kritische denken een bijdrage kan leveren.

Op mijn middelbare school gaf de leraar godsdienst, een priester, ons de keuze. Ofwel geloofden we het verhaal van Adam en Eva. Ofwel — en de man scheen deze optie fel aan te moedigen — aanvaardden we de evolutietheorie vanuit de idee dat een Opperwezen heel dat spel in gang had gezet. Kortom, de big bang als de boem paukeslag van God.

Ik vond het een rare paradox om in zo'n cruciale kwestie zo vrijblijvend te mogen kiezen. Pas nadat ik Max Wildiers had gelezen, begreep ik dat de paradox niet zo paradoxaal hoefde te zijn. (Wie kent Max Wildiers nog? De Standaard der Letteren uitvinden was nog het minste van wat hij deed.)

Het bijbelverhaal is tenslotte wat het woord zegt: een verhaal, dus literatuur of poëzie, geen wetenschappelijk exposé. De auteurs ervan probeerden met hun beperkte kennis een ontzettend complexe kwestie in taal uit te leggen, als antwoord op diepe existentiële vragen. Ze gebruikten daarvoor de vorm waarin de taal zich het treffendst manifesteert: in een verhaal, met middelen als beelden, vergelijkingen of metaforen.

Maar is literatuur ook 'waar'? Natuurlijk niet. De waarheid van literatuur bestaat alleen binnen de tekst. Verder liegen schrijvers bij het leven. Maar wat ze schrijven komt wel uit het leven, verwijst ernaar, zegt er iets over en verhoogt het begrip ervan. Maar waarheid? Nee. Met Jules Verne krijg je ook geen raket naar de maan.

Maar dat maakt Verne daarom niet minder het lezen waard. Waarheid is alleen geen gepast criterium om de waarde van de literatuur aan af te meten. Waarheid reproduceert alleen maar het bekende en het zichtbare. De kunst is echter het terrein waarop de metafoor ruimte biedt om het bestaande te verdiepen en nieuwe betekenissen te geven of om gedroomde hypothesen te toetsen. Zoals de religie ermee haar zingeving kan formuleren.

Het Amerikaanse christenfundamentalisme heeft nu, kennelijk met veel lobbygeld, een nieuwe aanval op de evolutietheorie ingezet. Het creationisme en zijn wat meer gesofisticeerde broertje van het intelligent design beweren nu dat we de Bijbel dan toch niet als metaforisch verhaal, maar als waarheid moeten lezen.

Katholieken zouden wel varen bij meer aandacht voor kunst, religie en andere vormen van verbeelding in het onderwijs. Dat lijkt nu in de ban van op enge waarheden gerichte waarden als meetbaarheid, praktisch nut of geldgewin. Dat zoiets obscurantistisch als het creationisme gehoor kan krijgen — gelukkig nog niet in de klas — is net het gevolg van onvoldoende vertrouwdheid met bepaalde mentale en talige vaardigheden. Het inzicht in de metafoor is daar maar één van.

Culturele vaardigheden hebben onder andere de verbeeldingskracht tot inzet, de zin voor creativiteit, nuance, empathie, relativering of gevoeligheid voor context. Ze scherpen het vermogen aan tot het mentaal omgaan met verschuivingen en verschillen in betekenissen en voor het denken in etages, al die domeinen waarop doctrinaire waarheden niet kunnen bestaan, waarop één plus één niet noodzakelijk twee is.

Er zijn dus terreinen denkbaar waar die optelling inderdaad een andere som oplevert, in de metaforiek bijvoorbeeld. Maar dat wil niet zeggen dat we beter vergeten dat één plus één wel degelijk twee is, bijvoorbeeld als we boodschappen doen, of als ingenieurs van de Nasa een raket naar de maan schieten. Want die som is wel degelijk twee. Tenzij het ironisch is bedoeld.

Marc Reynebeau is redacteur bij De Standaard

Creationisme versus evolutieleer: Een sluier voor het gezicht

Door An Bogaerts - © Knack 31/08/05

De Turkse Canan Guvenc is klaar met haar opleiding biomedische wetenschappen, eerst aan de Universiteit Hasselt en daarna aan de Universiteit Antwerpen. Ze gelooft niet in de theorie van evolutie door natuurlijke selectie. 'Hoewel ik wetenschapper ben, is het mijn overtuiging dat de mens geschapen is. De theorie van Darwin is knap gevonden, maar inspireert niet. Inspiratie haal ik uit mijn geloof. Allah schiep planten, dieren en mensen afzonderlijk. Hij onderscheidde de mens van de dieren door ons verstand te geven. In de Koran worden we ervoor gewaarschuwd dat niet iedereen die overtuiging deelt, en dat die mensen een sluier voor het gezicht hebben.'
De Marokkaanse Fatima uit het eerste bachelorjaar biomedische wetenschappen is nog scherper: 'Het is toch onmogelijk dat wij van de apen afstammen, want de apen zijn er nog. Die zijn toch niet allemaal mens geworden? Dieren zijn bovendien dom en mensen zijn slim. Volgens de islam kan uit een dom wezen nooit een slim wezen ontstaan.'

Geplukt van een discussieforum

Mbeya: het lijkt mij vrij simpel:

Evolutieleer hoort thuis in de lessen biologie, creationisme in de lessen godsdienst. Laat alle leerlingen alle twee volgen en dan kunnen ze daarna wel bepalen wat ze geloven of niet. En op de examens schrijf je toch gewoon "volgens de evolutieleer..." en "volgens de Islam/Joodse/christelijke geloof...." dan schrijf je toch ook niks dat tegen je geloof ingaat of zo? Je geeft gewoon een mening van een ander weer.
Als er leerlingen of ouders problemen mee hebben om bepaalde vakken te volgen omdat het tegen hun geloof ingaat, dan is dat hun probleem. Het is de taak van de school om de jongeren een zo groot mogelijke kennis mee te geven over alle verschillende vakken. Wat ze er daarna mee aanvangen is hun zaak maar dan weten ze tenminste wat ze aanvaarden of verwerpen.
Hoe meer ik naar de mens kijk, hoe minder ik geloof in evolutie... maar nog minder in intelligent design!!!

Alain Claessens:

Citaat: De evolutietheorie in de eindtermen biologie zorgt ook voor een paradox in het gemeenschapsonderwijs. Moslimleerlingen bijvoorbeeld kunnen daar in de les islam te horen krijgen dat de mens door Allah is geschapen en in de les biologie een compleet tegengesteld verhaal vernemen.

Eigenaardig dat hier enkel het voorbeeld van moslimleerlingen aangehaald wordt en dat zelfs niet terzijde gezegd wordt dat hetzelfde opgaat voor leerlingen die andere levensbeschouwelijke lessen volgen (niet-confessionele zedenleer in principe uitgezonderd).
Overigens vraag ik me af of het voor gelovigen überhaupt wel doenbaar is om aan wetenschap te doen. Want als je ervan uitgaat dat alles geschapen is door een almachtig opperwezen en dat alles zijn wil is, waarom zou je dan bestuderen waarom er een gegeven ogenblik 95% van alle leven op aarde verdween. En wat doe je met de continentendrift? Want als de schepping perfect was, waarom drijven die continenten dan rond met vulkaanuitbarstingen, aardbevingen en tsunami's tot gevolg? Als de mens geschapen werd naar het evenbeeld van God, wat doe je dan met al die verschillende kleuren en maten?

Voor een disccussie over islam en creationisme zie http://www.site.kifkif.be/forum/showthread.php?t=1127

7. The Monkey Suit [The Simpsons, seizoen 17 / aflevering 21]

Bekijk het filmpje

homer sapiens.jpg

Lisa brengt de familie naar het museum voor een tentoonstelling over weven, maar tot haar ontzetting (en tot blijdschap van Homer en Bart) is deze geannuleerd en vervangen door een tentoonstelling over de "Geschiedenis van Wapens". Geconfronteerd met de lange rij wachtenden, kruipt Homer voor bij Ned, die prompt door iedereen gepasseerd wordt. Ned en zijn jongens geraken voor sluiting niet meer binnen en bezoeken dan maar de permanente tentoonstelling over het ontstaan van de mens. Ned verneemt tot zijn afgrijzen dat de mens geëvolueerd is van de apen en dat de schepping een mythe is.  Hij praat in op pastoor Lovejoy en beide chanteren het schoolhoofd om creationisme in te voeren in het onderwijs. Lisa reageert en richt in het geheim lessen over de evolutieleer in. Ze wordt betrapt en verschijnt voor de rechter. De bewijsvoering verloopt moeizaam. De wetenschapper die voor de verdediging wordt opgeroepen geeft dubbelzinnige antwoorden betreffende het bestaan van God. De creationistwetenschapper die spreekt namens de openbare aanklager stelt dat de evolutie echt niet kan zijn, omdat er geen bewijs van een "missing link". Marge besluit Lisa te helpen. Terwijl Ned wordt ondervraagd door de verdediging, geeft Marge Homer een biertje. Homer probeert het te openen, maar slaagt hier niet in. Naarmate hij probeert, reageert hij steeds instinctiever (en primitiever). Ned verliest zijn geduld en noemt Homer een gorilla. Ned moet toegeven dat het niet valt uit te sluiten dat de mens afstamt van de apen.

8. God en Darwin (Terzake op Canvas, 30/01/2008)

Bekijk het filmpje

Wanneer elke indirecte openbaring van God als waardeloos wordt beschouwd en heilige geschriften enkel als absolute en exclusieve directe openbaring worden opgevat, dan dreigt het geloof dat hierop gebouwd is fundamentalistisch te zijn, en dus ook gevaarlijk te worden. Dit is een sluimerende realiteit bij vele moslims, maar ook in christelijke kringen zijn de voorbeelden legio. Verschillende media koppelen de onverschilligheid van de Amerikaanse president voor thema’s als Global warming aan zijn orthodoxe opvattingen over Bijbelverhalen als geopenbaarde waarheid.

9. Genesis versus Darwin, het Intelligent Design (Terzake, 09/04/2007)

Bekijk het filmpje

Is Darwins evolutieleer de enige verklaring voor het ontstaan van de mens? Of moet de rol van God ook in de les biologie onderwezen worden? TerZake zendt uitgerekend op paasmaandag een lange reportage uit over de opmars van het creationisme in Europa. Dat is het geloof dat de hele wereld gecreëerd is door een goddelijke schepper, door een Intelligent Ontwerper. In Europa blijken steeds meer mensen aanhanger te worden van het creationisme, een trend die is overgewaaid uit de Verenigde Staten.

10. “Homerazzi” [The Simpsons, seizoen 18 / aflevering 16]

Bekijk het filmpje

Homer evolueert van eencellige tot de mens die hij vandaag de dag is. Marge vraagt waarom hij er zo lang over gedaan heeft (bedoeld wordt: een paar miljoen jaren i.p.v. een 6000tal jaren volgens de bijbel).

11. Genesis (Claude Nuridsany & Marie Pérennou)

Bekijk het filmpje

Het verhaal in Genesis wordt verteld door een traditionele Afrikaanse verteller (Kouyaté). De verteller neemt de kijker al vanaf het begin van de film bij de hand door zichzelf de vraag te stellen waar hij vandaan komt. Iedereen heeft dit zichzelf weleens afgevraagd en er ontstaat meteen een band tussen de kijker en de verteller. Samen met de verteller ga je op zoek naar een antwoord. Met behulp van allerlei metaforen en een beetje magie doet de verteller de ontstaansgeschiedenis van de aarde uit de doeken. Hij vraagt zich af of zijn bestaan soms samenhangt met het bestaan van de wereld en begint zijn verhaal dan ook met de oerknal en het ontstaan van onze planeet. Vervolgens vertelt hij over de dieren die de planeet zijn gaan bevolken, over hun voortplantingsrituelen en over het afbakenen en verdedigen van hun territorium. Hij eindigt met het tot stof wederkeren van alle levende wezens. De makers van Genesis hebben voor een Afrikaanse verteller gekozen, omdat in de Afrikaanse cultuur het verhaal een belangrijk middel is om informatie door te geven. Deze verhalen hebben vaak een mysterieuze lading. En een dergelijke lading heeft de ontstaansgeschiedenis van de aarde en de mens in wezen ook. Weliswaar is er heel wat bekend over deze ontstaansgeschiedenis, maar lang niet alles is honderd procent zeker. In Genesis wordt, door gebruik te maken van een Afrikaanse verteller, aan de ene kant benadrukt dat de film een interpretatie van de ontstaansgeschiedenis is, en aan de andere kant wordt de mystiek ervan benadrukt.

12. Sterrenkundige Peter Barthel, gelovig astronoom (ND, 17/09/2007)

Peter Barthel, hoogleraar sterrenkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen, treedt op voor scholieren, kerkelijke gemeentes en amateur-sterrenkundigen. Als wetenschapper wil hij laten zien hoe het heelal in elkaar zit en als gelovige hoe wonderbaarlijk mooi het is. ,,Mijn belangrijkste drijfveer is verwondering. Ik ben zo onder de indruk van Gods schepping dat ik het naadje van de kous wil weten.’’

door Willem Bouwman

Onder sterrenkundigen is Barthel (1952) vooral bekend als auteur van een baanbrekend artikel uit 1989, waarin hij verschillende typen actieve sterrenstelsels onderbracht in één model. Bijna twintig jaar later is het ‘unificatiemodel’ van Barthel nog nauwelijks betwist.

Is de oorsprong van het heelal een existentieel beladen thema onder sterrenkundigen?

,,Ik denk het wel. Toen ik promovendus bij sterrenkunde in Leiden was, heb ik meer over geloof en wetenschap gesproken dan tijdens mijn studie natuurkunde aan de VU. De vraag naar de oorsprong van het bestaan van het heelal en de mens leeft overal, vooral onder sterrenkundigen en biologen.’’

Waarom doet u zoveel moeite om het brede publiek te informeren over het heelal?

,,Die drang heb ik altijd gehad. Als student wilde ik zelfs leraar natuurkunde worden, ik heb de lerarenopleiding nog gevolgd. Maar toen ik eenmaal onderzoek in Leiden deed, wilde ik alleen nog maar onderzoek blijven doen. Niettemin doe ik sinds mijn studententijd aan publieksvoorlichting, met lezingen, tentoonstellingen. Wie gepassioneerd is door z’n vak, wil z’n passie delen met anderen. Ik kan me niets anders voorstellen. Het is een morele plicht.’’

Waarom noemt u dat een morele plicht?

,,In de hoofdstad van Tibet, Lhasa, staat een groot en hoog paleis met bovenin de slaapkamer van de dalai lama, want daar kon hij als eerste de opkomende zon zien. Iets later dan de vorst kreeg ook het volk de zon te zien. De vorst mocht de zon niet voor zichzelf houden. Zo is het met ons, wetenschappers, ook. Wij doen ontdekkingen en mogen natuurverschijnselen als eerste zien, maar we mogen ze niet voor onszelf houden. Net als de zon is de natuur er voor ons allemaal. Daarom moeten wetenschappers doorgeven wat ze zien. Dat vind ik een morele plicht. Wat een dominee met de Bijbel doet, doet een natuurwetenschapper met de natuur: hij maakt haar inzichtelijk voor het publiek. Ik doe dat een keer of vijf, zes per jaar, en ook wel eens in een kerkelijke bijeenkomst.’’

Wat zegt u op zo’n kerkelijke bijeenkomst?

,,Ik toon beelden van het heelal en vertel hoeveel we van het heelal begrijpen, simpelweg door goed te kijken en door na te denken over wat we zien. Maar dat is niet het enige wat ik zeg, want ik ben meer dan alleen een wetenschapper. Ik spreek mijn verwondering uit over de schoonheid van het heelal, die ons kan verbazen en ontroeren, net als de schoonheid van de poëzie en de schoonheid van de muziek. Ik laat beelden zien waarvan het licht vijftig miljoen jaren onderweg is geweest voor ons oog het zag. Wie dat goed op zich laat inwerken, kan ontroerd raken of zich nietig voelen. Sommige mensen voelen er niets bij. Zij zien geen schoonheid en concentreren zich alleen op de feiten en hun samenhang. Ze kijken op wetenschappelijke wijze naar het heelal. Dat kan, dat mag, maar het is niet de enige manier om naar de natuur en het heelal te kijken. Soms vragen mensen me, of het heelal door stom toeval is ontstaan en of er meer is dan alleen de feiten van de wetenschap. Zijn we toevallige passanten in een zelfregulerend systeem, gelukkig resultaat van evolutie en selectie? Of zijn we meer dan dat en zijn we eregasten in een evoluerend heelal? Atheïsten zullen die vraag niet stellen, dat mogen ze niet van zichzelf. Mensen die meer nadenken, stellen die vraag wel, ook als ze niet kerkelijk of zelfs maar religieus zijn. Ik zeg tegen hen dat je met meer dan je verstand naar de natuur kunt kijken.’’

Wat betekent de Bijbel voor u?

,,De Bijbel is geen wetenschappelijk boek en ook geen geschiedenisboek. De Bijbel is een boek met verhalen, getuigenissen en overleveringen over de oorsprong, de zin en het doel van deze wereld. Het is dus een zeer menselijk boek, waarvan ik lang niet alles letterlijk neem. Maar dat doet niet af aan mijn geloof in de Bijbel en de God van de Bijbel. Dat is zeer goed te verenigen met mijn werk als wetenschapper. Sterker, ondanks de voortgaande secularisatie blijft het aantal gelovige wetenschappers stabiel, zodat we van een relatieve toename kunnen spreken. Dat kan ik goed begrijpen. Verwondering over de schoonheid van de schepping is een Bijbels gegeven - zie Psalm 8 - en is ook een belangrijk element in andere niet-christelijke religies. Ruimtevaarders komen God niet tegen, maar ze raken wel onder de indruk van de schoonheid, de kwetsbaarheid en de nietigheid van de aarde gezien vanuit de ruimte. Sterrenkundigen kunnen heel veel en ze begrijpen nog meer, maar ondanks hun rationele verklaringen en technologische prestaties komen ze steeds weer tot de conclusie dat het heelal wonderbaarlijk en wonder-mooi in elkaar steekt. Het meest onbegrijpelijke van het heelal is dat het zo begrijpelijk is, zei Einstein eens. Daarom is mijn belangrijkste drijfveer de verwondering. En ik ben zo onder de indruk van Gods schepping dat ik het naadje van de kous wil weten.’’

U bent aanhanger van Intelligent Design?

,,Beslist niet. Intelligent Design gebruikt God te gemakkelijk als verklaring voor dingen die wij niet of nog niet begrijpen. Een ingewikkeld en onnavolgbaar natuurverschijnsel wordt op het conto van God geschreven. Ik vind dat je daar zeer voorzichtig mee moet zijn. Zoals Bonhoeffer zei: we moeten God zoeken in de dingen die we kennen en begrijpen, niet in de dingen die we niet kennen.’

Uit: Nederlands Dagblad, 17 september 2007.

Didactische suggesties

Doelstellingen:

  • zicht krijgen op de vooronderstellingen van de leerlingen met betrekking tot de schepping
  • leren onderscheiden tussen schepping en natuur, geloofsverhaal en kosmologie; scheppingsleer en creationisme, symbolisch en letterlijk denken
  • begrijpen dat geloof en wetenschap elkaar niet uitsluiten, maar precies twee manieren zijn om naar de werkelijkheid te kijken
  • inzicht verwerven in de wijze waarop de ‘verhalen over het begin’ bepalend zijn voor het mens-, wereld en godsbeeld van een religieuze gemeenschap

1. Associatiespel

Rond de woorden 'schepper', 'schepsel' en 'schepping' kan men met de leerlingen een associatiespel doen, waarbij zij aan het bord komen noteren waaraan zij denken als zij dit woord horen. De leerkracht zal daarbij in het bijzonder aandacht besteden aan het verschil tussen letterlijke en symbolische interpretaties; het onderscheid tussen een wetenschappelijk discours en een mythe; schepping als ‘causaliteit’ of schepping als relationaliteit. Denken de leerlingen op een orthodoxe (cf. creationistische wijze), een extern-kritische wijze (wetenschappelijk en ongelovig) of eerder op een symbolische wijze.

2. Lezing van de twee scheppingsverhalen uit Genesis.

Schriftelijke opdracht (individueel of in kleine groepjes)

Oefening in tekstanalyse:

WAT staat er? Analyseer deze verhalen en maak een schema van de inhoud. Welke personages komen in de verhalen voor? Wat zeggen en/of doen ze? Op welke manier wordt ‘schepping’ in elk van deze verhalen voorgesteld? Welk Gods- en mensbeeld kan je in deze verhalen terugvinden? Hoe verhoudt God zich tot de mens? Hoe verhoudt de mens zich tot de dieren? Wat is de rol en plaats van God, mens en andere schepselen in de schepping? Vergelijk de twee verhalen met elkaar. Sluiten ze naadloos bij elkaar aan? Denken jullie dat ze door dezelfde ‘schrijver’ geschreven zijn?

Oefening in tekstinterpretatie:

WAAROM staat het er? Wat is het statuut van deze verhalende betekenis van deze verhalen? Lezen de leerlingen deze verhalen spontaan als kosmologisch (en dus achterhaalde) verhalen of eerder als een geloofsverhalen? Hier is het belangrijk uit te leggen dat deze verhalen over het begin mythen zijn en een postkritische lezing vragen. Wat is de betekenis van deze verhalen? De vraag is dan ‘Wat kunnen wij er vandaag uit leren?’

3. Willem Vermandere: De Schepping:

  • Van waar kennen jullie dit verhaal?
  • Waar vinden we het terug?
  • Is dit nu hét scheppingsverhaal?
  • Waarom (niet)?
  • Vertel in uw eigen woorden het andere scheppingsverhaal.
  • Gelooft de zanger in God?
  • Gelooft de zanger dat God de wereld heeft geschapen?
    [Spanning tussen Zogezeid en mens als pronkstuk, kroon op ’t werk ]
  • Hoe kan je deze tegenstelling verwoorden/typeren?
    [ Wetenschap/evolutie versus Geloof/schepping ]

4. Vragen bij de cartoons:

  • Welke cartoons vind je zelf scherpzinnig en welke zijn eerder flauw?
  • Wat is de betekenis van de verschillende cartoons?
  • Waarom is het scheppingsverhaal zo een populair thema voor cartoons?
  • Naar welke passages uit het scheppingsverhaal verwijzen deze cartoon?
  • Vind je ook een bepaalde theologische gedachten terug in sommige cartoons? Hoe worden God en de mens voorgesteld?

Aan de leerlingen kan de opdracht gegeven worden om zelf een cartoon te maken rond een bepaalde passage van het scheppingsverhaal. Dit dient misschien best wel te gebeuren tijdens de les, want anders bestaat het risico dat de leerlingen een cartoon die ze op het internet gevonden hebben, gaan overtekenen.

5. De scheppingsverhalen zijn geloofsverhalen

De bijbelse verhalen vergelijken met scheppingsmythen uit andere religieuze tradities. Deze verhalen staan weliswaar allemaal achter elkaar, maar hebben een erg verschillend karakter. In deze verhalen ligt telkens een ander mens-wereld en godsbeeld vervat dat bepalend is voor de identiteit van een religieuze gemeenschap. Het zijn zelfstandige teksten die stuk voor stuk binnen hun eigen cultuur en religie heilig zijn. Het is dus niet aangewezen en ook niet gepast dat de leerlingen deze teksten in een sneltempo achter elkaar lezen. Laat hen werken in kleine groepen en één verhaal grondig analyseren en vertellen.
Deze opdracht kan ook meer dynamiek krijgen door deze verhalen aan de hand van bibliodrama te verbeelden.

http://www.bigmyth.com

6. De uitdaging van het creationisme

De leerlingen kunnen in de teksten, het geluid- en beeldmateriaal op zoek gaan naar verschillende standpunten. Zij plaatsen de standpunten die verzoenbaar zijn bij elkaar en tegengestelde standpunten tegenover elkaar. Zij proberen ook aan te geven wat hun eigen positie is. Uit de verschillende teksten kunnen zij ook reeds een aantal argumenten pro en contra programma’s creationisme/evolutieleer destilleren. Moet het creationisme gegeven worden op school? En zo ja, in welke les hoort deze stroming thuis?
Men kan de klas ook in groepjes verdelen, waarbij elk groepje de inhoud van een tekst voorstelt aan de rest van de klas. Hierbij formuleren zij ook minstens drie relevante discussievragen die kunnen leiden tot een verder verdiepend gesprek.
Hieronder worden een aantal vragen geformuleerd die de leerlingen kunnen helpen bij de verwerking van de teksten of die kunnen gebruikt worden in een klassikale discussie (ook los van de teksten).

  • Wat is het creationisme?
  • Is het creationisme wetenschap of geloofsleer?
  • Zijn creationisme en evolutieleer twee concurrerende ‘verklaringen van de werkelijkheid?’
  • Is het creationisme de enige aanvaardbare ‘gelovige’ positie?
  • Waarom is het creationisme problematisch?

7. The Monkey Suit

The Simpsons (De Simpsons) is een Amerikaanse animatieserie ontwikkeld door Matt Groening. De animatieserie is een satirische parodie op de Amerikaanse samenleving, en dan met name het stereotype Amerikaanse gezin in die samenleving. De serie draait geheel om de familie Simpson bestaande uit Homer, Marge, Bart, Lisa, en Maggie.

Het begrip satire en het bijvoeglijk naamwoord satirisch worden gebruikt om elke kunstuiting aan te duiden die wantoestanden op spottende wijze aan de kaak wil stellen. In de context van het scheppingsverhaal en de evolutieleer, wordt in de aflevering ‘The Monkey Suit’ vooral de zeer orthodoxe en fundamentalistische benadering van beide geviseerd.

Bekijk de compilatie van deze aflevering (Impuls 7).
De spanning Wetenschap/evolutie versus Geloof/schepping is alomtegenwoordig.
Langs een Onderwijsleergesprek kunnen beide standpunten ‘gecatalogiseerd’ worden.

  • Wat is het standpunt van Ned Flanders m.b.t. de thematiek?
  • Wat is het standpunt van Lisa Simpson?
  • Vind je argumenten tegen de evolutieleer?
  • Vind je argumenten tegen het scheppingsgeloof?
  • Wat is het standpunt van Marge Simpson? [beide kunnen samengaan]
  • Welke voorbeelden geeft ze? [Bart is ettertje én bijzonder, Homer werkt én ontspant]

De aflevering kan gekaderd worden in de Amerikaanse setting. In de Verenigde Staten kan een groot deel van de bevolking zich vinden in christelijk creationistische ideeën. In 2005 steunde volgens een vergelijkend internationaal onderzoek ongeveer 40% van de bevolking de evolutietheorie, terwijl 40% deze verwierp en 20% van de ondervraagden twijfelden. Volgens een Gallup Poll-onderzoek uit 1997 zou zelfs 40% van de Amerikaanse volwassenen de creationistische leer steunen, tegen 40% steun voor een door God geleide evolutie en 20% voor een evolutie zonder ingrijpen van bovenaf. In de Verenigde Staten proberen creationisten via politieke weg ook het christelijk creationisme op de scholen te laten onderwijzen. Creationistische activisten in de VS hebben inmiddels via de schoolbesturen, voornamelijk in de grote staten Californië en Texas, ervoor gezorgd dat evolutie goeddeels uit de schoolboeken geschrapt is. Daar wordt echter door tegenstanders tegen ingebracht dat dit een inbreuk zou zijn op de scheiding tussen kerk en staat.

8. God en Darwin

Het fragment uit de Canvas reportage over God en Darwin (Impuls 8) stelt de gevaren voor een orthodoxe opvatting van de schepping (zoals die in Amerikaanse christelijke middens bestaat) ook scherp voor onze (school)context, zei het dan langs het moslimgeloof. Het spanningsveld dat hier wordt opgeroepen is dat van louter directe versus directe en indirecte openbaring. Bij deze impuls kan de leerkracht de symbolische betekenis van de beide scheppingsverhalen toelichten. Voor het eerste scheppingsverhaal is het verhaal ‘In het Begin’ uit de kinderbijbel ‘Land onder de regenboog’ van Nico Ter Linden een zeer toegankelijke insteek (zie achtergrondinformatie).

  1. Gn 1,1-2,4 & Gn, 2-24 uit: Nico Ter Linden, Het land onder de regenboog
  • ontgoddelijking van de natuur
  • scheppingsverhaal als spotlied tegen het meergodendom van de Babyloniërs
  • het verhaal is geen letterlijke lezing van waargebeurde feiten
  • zon, maan en sterren zijn ‘gewoon’ lampen aan het firmament: tegen idolatrie
  • als je je onderwerpt aan vele goden ben je niet vrij om jezelf te zijn

Het onderscheid dat hier vanuit het katholieke geloof zeer sterk wordt beklemtoond is dat tussen ‘echt gebeurde’ feiten en feiten die ‘waar’ zijn of waarheid bevatten.

9 en 10. Genesis versus Darwin, het Intelligent Design / Homerazzi

De impulsen ‘Genesis versus Darwin’ (Impuls 9) en ‘Homerazzi’ (Impuls 10) laten zich goed combineren. Langs het fragment ‘Homerazzi’ wordt een voor onze contreien algemeen aanvaard beeld van menselijke evolutie geschetst (evolutie een kwestie van miljoenen jaren). In die zin werkt dit fragment niet echt problematiserend, tenzij in de klas orthodoxe gelovigen aanwezig zijn (bvb. Moslimleerlingen, zie DS2). Het fragment uit TerZake schetst de opkomst van het Creationisme en Intelligent Ontwerp in de Verenigde Staten en Europa. Met name het eindstatement (Nederlands gesproken) van twee jonge studenten die ‘geloven’ dat de aarde slechts 6.000 jaar oud is, is voer voor discussie.

Opmerkelijk is dat langs deze twee impulsen het ganse middenveld schijnbaar buiten vizier blijft. Het lijkt een kwestie van naturalistisch óf creationistisch wereldbeeld. Deze zwart/wit benadering is in zekere zin dankbaar om de zaken scherp te stellen. Aan de hand van impulsen 5 en 6 (met didactische suggestie) kan de zaak vervolgens worden uitgediept met het oog op de tussenposities.

11. Genesis (Nuridsany)

“Leven is een verhaal weven tussen een begin dat je je niet herinnert en een einde waarvan je niets weet”.

Bekijk Impuls 11. Het relaas uit het fragment uit Genesis (Nuridsany) is weliswaar wetenschappelijk (verhaalt de oerknal), maar het opzet (Afrikaanse verteller) en het beeldmateriaal (esthetische dimensie) maken dat deze reportage niet eenduidig in het kamp van de wetenschappers kan worden geplaatst. De schoonheid werkt ontwapenend en werpt een nieuw licht op het begrip waarheid (cf. bovenstaand onderscheid tussen ‘echt gebeurd’ en ‘waar’). De verteller stelt zich enkele pertinente vragen:

  • Ben ik geboren de dag dat mijn moeder mij gebaard heeft?
  • Of de nacht waarop mijn ouders de liefde bedreven?
  • Waar was voor dit ogenblik wat op een dag zou samenkomen om ‘mij’ te maken?
  • Waar waren de atomen die zouden samenkomen om mij te vormen?
  • Waar waren ze toen er niets was?
  • Was er al iets van mij bij de oerknal?

Een gesprek over de beelden en de vragen die de verteller zich stelt kan leiden tot een aantal opmerkelijke vaststellingen:

  • er zijn tussenposities mogelijk tussen geloof en wetenschap;
  • een gelovige positie hoeft niet in tegenstelling te zijn met wetenschap;
  • de schepping raakt snaren [ook bij wetenschappers, zie impuls 6];
  • de schepping heeft ‘zin’.

Lees de tekst bij Impuls 11. De verwondering is het bindmiddel tussen wetenschap en geloof, zonder dat men zich hierbij in het kamp van het Intelligent Ontwerp moet begeven.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

De ecologische crisis (lesimpulsen bij hermeneutisch knooppunt 2)

Voor dit hermeneutisch knooppunt kan ook inspiratie opgedaan worden bij twee andere in de kijkers:

1. Leonardo di Caprio over de ecologische crisis

http://www.leonardodicaprio.org/whatsimportant/globalwarming_movie01.htm

2. Kritieken op het beeld van de mens als heerser over de schepping

Bijbeltekst: Gen 1, 1-2,4

God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’ [27] God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen. [28] Hij zegende hen en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’ [29] Ook zei God: ‘Hierbij geef ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde; dat zal jullie voedsel zijn. [30] Aan de dieren die in het wild leven, aan de vogels van de hemel en aan de levende wezens die op de aarde rondkruipen, geef ik de groene planten tot voedsel.’ En zo gebeurde het. [31] God keek naar alles wat hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was. Het werd avond en het werd morgen. De zesde dag. Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid. [2] Op de zevende dag had God zijn werk voltooid, op die dag rustte hij van het werk dat hij gedaan had. [3] God zegende de zevende dag en verklaarde die heilig, want op die dag rustte hij van heel zijn scheppingswerk.
[4] Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde. Zo ontstonden ze, zo werden ze geschapen. In de tijd dat God, de HEER, aarde en hemel maakte.

Aansluitend Lynn White en de ecofeministische kritiek op de scheppingsleer

In het artikel “The Historical Roots of our Ecologic Crisis” (1967) beweerde Lynn White dat de wereldwijde natuurvernietiging sinds de industriële revolutie een gevolg is van de ‘typisch christelijke arrogantie’ tegenover de natuur. White stelt in zijn artikel dat onze omgang met het milieu afhankelijk is van onze visie op de relatie tussen mens en natuur. Volgens White komt deze arrogantie voort uit de visie op de relatie tussen God, de mens en de natuur die kenmerkend is voor Genesis, het eerste boek van de bijbel. Hij verwijst hiervoor naar de zegen van God in volgende verzen:
Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen. Gen 1,27-28
God zegende Noah en zijn zonen en Hij zei tot hen : wees vruchtbaar en vermenigvuldigt u en vervult de aarde en de vrees en de schrik voor u zal over al het gedierte der aarde zijn en over al het gevogelte des hemels, over al wat zich op de aardbodem roert en over alle vissen der zee, zij zijn aan uw macht onderworpen. Gen 9,1-2

Volgens Genesis staat de mens centraal in de schepping. White meent dat zo de remming ten opzichte van het ingrijpen in de natuur door de mens opgeheven werd en dat hij bovendien aangespoord wordt om een exploiterende houding ertegenover aan te nemen. Kortom, het Christendom is volgens hem de meest antropocentrische godsdienst ter wereld. In tegenstelling met wat in de natuurgodsdiensten leeft nl. ecocentrisme , is in dit verhaal de aarde niet goddelijk of sacraal. De aarde is gewoon een schepsel en staat los van God. De mens is eveneens een schepsel, maar gemaakt naar Gods beeld. De mens kreeg volgens White vrijgeleide om de natuur aan zijn macht te onderwerpen. De christelijke visie heeft geleid tot een omgang met de natuur die uit de hand is gelopen. Daar onze visie op de relatie van de mens tot de natuur volgens White afhangt van onze religiositeit, moeten we op zoek gaan naar een nieuwe vorm van religie. Hij stelt Sint Fransiscus voor als “patron saint” voor een nieuwe ecologie.

http://hhth.files.wordpress.com/2007/03/wolter-hartog-christelijke...pdf

3. Werken met stellingen (zie in de kijker: De tuin van heden: een kosmos van vervulling of vervuiling?

  • Het geld dat nu wereldwijd wordt besteed aan het tegengaan van de klimaatverandering, kan beter worden gebruikt om iets te doen aan andere ernstige sociale problemen, zoals bijvoorbeeld honger, aids en malaria te verhelpen.
  • Mensen mogen zelf bepalen hoeveel energie ze gebruiken.
  • Ik ben een natuurliefhebber.
  • Een dikke truiendag, dat baat toch niets.
  • Kinderen lachen 360 keer per dag. In de derde wereld vermindert dit tot 300 keer per dag bij het volwassen worden. In het rijke westen blijven er bij volwassenen 20 glimlachen per dag over. Geld maakt niet gelukkig.
  • Het klimaatsprobleem is een uitvinding van Al Gore die wil dat de democraten de volgende verkiezingen winnen in Amerika.
  • Iedere autobezitter moet op zondag de auto laten staan.
  • Als ik de armoede in de derde wereld op TV zie, kijk ik even toe en eet dan weer gewoon verder.
  • De vervuiler betaalt. Vervuilende energie moet drie keer zo duur zijn als schone energie.
  • De prijs van een vliegreis moet worden verdubbeld.
  • Geen kiwi's meer uit Nieuw Zeeland of tomaten uit Marokko.
  • Elk land moet zelf bepalen hoe er aan het klimaat gewerkt wordt.
  • Gelovige mensen verbruiken minder.
  • Het christendom is de grote schuldige voor dit klimaatsprobleem. Volgens het boek Genesis moeten we immers de aarde beheren en talrijk bevolken.
  • Het zal hier lekker warm worden als we zo doordoen. Kan niet beter!
  • Als de U.S.A. het Kyoto-verdrag niet willen ondertekenen, is dat toch hun keus.
  • Om de groei van de wereldbevolking af te remmen wordt de Chinese één-kind-politiek ingevoerd.

Klimaatscepticisme en sociale psychologie

Ondanks de verbluffende bewijslast beweegt er bitter weinig op het vlak van klimaatmaatregelen en wijzigingen in (duurzaam) consumentengedrag. Dat brengt ons bij de hamvraag: waarom is het klimaatscepticisme zo populair?
In deze context moeten we een onderscheid maken tussen ‘de gewone man en vrouw op straat’, en professionele sceptici. De laatste groep heeft soms rechtstreeks belang bij het ontkennen van (de antropogene invloed op) de klimaatopwarming. Bij de sceptici onder de ‘gewone bevolking’ speelt er een complex samenspel van factoren een rol. De opwarming van de aarde stelt de mens voor een dusdanig ingewikkeld probleem dat hij niet kan teruggrijpen op zijn oplossingsvaardigheden uit het verleden. Dat is op zich een stresserende situatie. Om dan te kunnen blijven functioneren beschikken mensen over een aantal verdedigingsmechanismen, namelijk ontkenning in de letterlijke betekenis, rationele verwijdering, apathie, het afschuiven van verantwoordelijkheid of een combinatie van deze technieken.
Het eerste verdedigingsmechanisme, het ontkennen (denial) van een bedreigende situatie, is een klassiek fenomeen in de psychologie. Voorbeelden hoeven niet ver gezocht te worden. Iedereen kent wel iemand die ontkent een probleem te hebben in zijn relatie, in zijn gebruik van genotsmiddelen, in zijn beheer van zijn financiën, in zijn eetpatroon enz. Toegepast op het klimaatprobleem, bevinden de ontkenners - in de letterlijke betekenis van het woord - zich vooral in wat we loopgraaf 1 noemden. Zodra echter onweerlegbaar wordt aangetoond dat het klimaat significant opwarmt, voelt men de noodzaak een ander verdedigingsmechanisme in te zetten. Men houdt zich voor dat men niet zelf verantwoordelijk is voor het probleem en schuift de hete aardappel door naar iets of iemand anders. In de literatuur noemt men dit fenomeen ‘delegatie’ (delegation). Men wijst bijvoorbeeld “de Chinezen” als schuldigen aan, of men schuift de zwarte piet door naar ‘de industrie’ enz. Ook de believers van de zonnehypothese (zon als oorzaak van de opwarming) zijn hiervan een voorbeeld. Men hoeft zich als mens dan niet schuldig te voelen voor de huidige opwarming en is er geen enkele reden om de eigen levensstijl ter discussie te stellen.

Het besef dat de mens dan toch grotendeels verantwoordelijk is voor een immens probleem lokt allerlei emoties uit, die kunnen leiden tot meer delegatiepogingen én tot het opwerpen van nieuwe verdedigingslijnen. Een derde mechanisme bestaat er dan uit bijkomende gevoelens te onderdrukken. Men neemt afstand van het probleem (rational distancing). Björn Lomborg is een van de opiniemakers die met zijn stellingname dat de temperatuurtoename al bij al wel zal meevallen (< 2°C) de sceptici in deze fase een welkom, maar weliswaar vergiftigd geschenk aanbiedt.

Net zomin de loopgraven eindeloos verdedigbaar zijn, kan men niet blijven terugvallen op verdedigingsmechanismen wanneer de zich opstapelende bewijslast illusie na illusie onderuithaalt. In wat we de vierde loopgraaf noemden, wordt de ernst van het probleem en de verantwoordelijkheid van de mens hiervoor erkend. Wie zich hiervan rekenschap geeft, krijgt mogelijk te kampen met (existentiële) angst, onzekerheid, machteloosheid, weerstand omwille van de consequenties voor onze westerse levensstijl enz. Men weet zich geconfronteerd met de eigen sterfelijkheid, de overdonderende complexiteit van het probleem, en men siddert bij de gedachte dat men geen controle heeft over de oorzaken en consequenties ervan. Voor wie zijn strijdbaarheid verliest, zit er in deze fase niets anders op dan te vervallen in gelatenheid. Après nous le déluge. Het vierde verdedigingsmechanisme, apathie, is sterk gelieerd aan de perceptie van de (on)mogelijkheid tot ingrijpen. De milieuwetenschappelijke situatie wordt vaak op zo’n manier uitgelegd dat het publiek de indruk krijgt dat men geen impact kán hebben, ook als men het eigen gedrag wijzigt. Noodgedwongen wordt men al ziende blind en al horende doof om niet verpletterd te worden onder het loodzware gewicht van deze informatie. Ook voor deze fase van ontkenning brengt Lomborg welkome argumenten aan waarmee sceptici hun vertrouwde leven argeloos kunnen voortzetten. Volgens hem loont het immers niet de moeite zwaar te investeren in klimaatmaatregelen.

4. Werk maken van een nieuwe scheppingstheologie: focus op verbondenheid

Naar een ethiek van verbondenheid

Ondanks het feit dat de instrumenten om tot een duurzaamheidstransitie te komen gekend én realistisch zijn, zal de noodzakelijke omslag er pas echt kunnen komen als er zich tegelijkertijd evoluties voordoen qua ethiek en wereldbeeld. In de hedendaagse, “volle wereld” zijn de ecologische crisis en het mondiale rechtvaardigheidsvraagstuk niet van elkaar te scheiden. Beide crisissituaties vragen om een omschakeling van het huidige stelsel naar een ecologische economie. Dit is onmogelijk zonder draagvlak bij de bevolking. De huidige mondiale realiteit vraagt ook om de ontwikkeling en verspreiding van een nieuwe ethische basishouding (Terra Reversa, 2007). De gangbare moderne ethiek van politieke en sociale burgerrechten volstaat daarvoor niet meer. Er is geen intrinsieke band tussen méér materiële goederen en meer geluk. Dit inzicht biedt een kans op een nieuwe ethiek die gangbare beelden van het goede leven herdefinieert. Het werken aan dergelijke nieuwe ethiek is een hele opgave op zich. Het resultaat ligt bovendien niet zomaar voor het rapen in een pluralistische context zonder gemeenschappelijke taal om dergelijke morele vragen aan te pakken. Niettemin kan men deze opgave niet uit de weg gaan. Het ontwikkelen van een nieuwe ethiek houdt minstens in dat we het verband verder doordenken tussen de volgende drie principes:

Duurzaamheid als het erkennen en respecteren van ecologische grenzen. Dat impliceert minstens de erkenning van de wederzijdse afhankelijkheid (verbondenheid) van mens en natuur, respect voor de levensruimte van andere soorten en een levenswijze die gekenmerkt wordt door vormen van sufficiëntie. De klassieke antropocentrische visie, die leidt tot een pijnlijke en uiteindelijk zelfvernietigende scheiding tussen mens en natuur, is fundamenteel achterhaald. Een nieuwe ethiek van verbondenheid moet zorgen voor een verregaande verantwoordelijkheid ten aanzien van het menselijk ingrijpen in de natuurlijke omgeving. Die verantwoordelijkheid mag niet meer doorgeschoven worden naar de toekomst, en moet dus binnen de nu levende generatie opgenomen worden. Toegepast op het klimaatvraagstuk betekent dit dat de huidige generaties een krachtdadig klimaatbeleid moeten voeren in plaats van de hete aardappel door te schuiven naar de toekomstige generaties. Het religieuze ‘rentmeesterschap’ kan hier als inspiratie dienen.

De goddelijke aanwezigheid van de Geest in de schepping verbindt ons menselijke wezens met alle geschapen leven. Wij zijn verantwoordelijk voor God, in en aan de  gemeenschap van het leven, een verantwoordelijkheid die is voorgesteld op verschillende manieren: als dienaars en beheerders, als priesters van de schepping, als opvoeders, als medeschepers. Dit vereist houdingen van mededogen en nederigheid, respect en bewondering. (Wereldraad van kerken, rapport van de algemene raad, ‘Kom Heilige Geest - hernieuw de Hele Schepping! 1991)

Geen enkele samenleving kan zich veroorloven respect voor het leven, of het feit dat er een integriteit is aan de schepping, te verwaarlozen.
(Johannes Paulus II, Boodschap voor Wereldvrededag, 1990)

Wij, mensen, leven in en met de natuur. Daarover is nagedacht sinds mensenheugenis. Iedere mens en elke cultuur heeft een idee over de natuur ontwikkeld. Christenen verbinden ecologische zorg met hun geloof in een schepper en in de schepping. Vaak heeft het geleid tot een uitgesproken mensgerichte visie op de relatie tussen mens en natuur: de schepping is er voor de mens. In andere culturen houdt men er soms een minder mensgerichte visie op na. Er zijn dus vele vormen van omgaan met de schepping, maar men erkent dat de verantwoordelijkheid voor de natuur en de schepping wezenlijk tot het geloof behoort. (Netwerk rechtvaardigheid en vrede)

Initiatief kerktuinen

De kerktuin is de laagste drempel van de kerk voor de wijk. Het kan eventueel meer zijn dan een uitsluitend functioneel stukje vormgegeven groen rond een kerkgebouw. Als het zorgvuldig is ingericht kan het kerkgangers en voorbijgangers iets tonen van waaruit de kerk leeft. Het laat dan iets zien van wat geloof te betekenen heeft in het leven van de gelovige.
Geloven is leven van wat God geeft. Een gelovige beseft dat wij ons bestaan aan God te danken hebben. In dat besef kan natuur een belangrijke rol vervullen. De natuur vertegenwoordigt immers dat deel van de schepping dat er al was voordat mensen het bewerkten. Zo verwijst natuur naar de dingen die er al waren en waarvoor wij niets gedaan hebben. Het is God die alles geeft. Natuur rond de kerk kan aanleiding vormen tot verwondering om al wat is. Verwondering speelt binnen het geloof een belangrijke rol. Een kerktuin waarvoor de natuur een belangrijke inspiratiebron is, kan zo mensen stichten en draagt dan iets uit van wat binnen kerk en geloof een belangrijke rol speelt. Zo legt de kerktuin een schakel tussen zorg voor natuur en milieu en de kerk.
Stilte is in onze maatschappij een steeds zeldzamer fenomeen aan het worden. Als een kerktuin een plaats is met veel stilte, dan kunnen mensen in een dergelijke plaats tot rust komen en de concentratie vinden om bezig te zijn met de vragen over de zin en het waarom van het leven. Mensen kunnen tot bezinning komen. Even een rustige plaats om op adem te komen en de adem te voelen die ons het leven geeft. De kerktuin kan een 'rustplaats' in de wijk worden.
Sommige planten hebben binnen de christelijke traditie een symbolische betekenis. Ze hebben een verwijzende betekenis naar gedeelten uit de bijbel of naar belangrijke personen uit de kerkgeschiedenis. Veel planten dragen de naam van heiligen en bloeien dan vaak rond de feestdag van die heilige. Als mensen geattendeerd worden op de symbolische betekenis van dergelijke planten, dan leveren ze binnen een kerktuin een zinvolle bijdrage aan de verbeelding van het christelijke geloofsgoed.

www.kerktuinen.nl

Christelijke zorg om schepping en Kyoto-protocol (Tertio)

Kosmos laat kerk niet koud
Emmanuel Van Lierde

De zorg voor moeder aarde behoort tot de dringendste ethische en spirituele kwesties van onze tijd. Toch horen we zelden de stem van de kerk. Bij de verjaardag van het Kyoto-verdrag op 16 februari vragen we ons af hoe kerk en wereld naar de schepping kijken.

In zijn nieuwjaarsbrief De menselijke persoon, hart van de vrede voor de Wereldvrededag 2007 wijdt Benedictus XVI enkele paragrafen aan de zorg voor het milieu. De paus maakt een onderscheid tussen de natuurecologie en een sociale ecologie. De eerste is het respect voor de natuur, de tweede houdt verband met het menselijk samenleven. ,,De ervaring leert’’, schrijft de paus, ,,dat elke onrespectvolle houding tegenover het milieu schade berokkent aan de menselijke samenleving, en omgekeerd. Het verband wordt duidelijker tussen vrede met de schepping en vrede tussen de mensen. Zowel het een als het ander vooronderstelt een vrede met God. Het poëtische gebed van Sint Franciscus, bekend als het Zonnelied, is een even bewonderenswaardig als actueel voorbeeld van die veelvormige ecologie van de vrede.’’
Voorts maakt Benedictus XVI zich zorgen over de energiebevoorrading. Door de toenemende industriële productie nemen de energiebehoeften toe en stijgen de energieprijzen. Schaarste in energievoorzieningen kan aanleiding geven tot geweld en oorlog. De paus besluit: ,,De vernietiging van het milieu, het onechte of egoïstische gebruik daarvan en de gewelddadige greep op de natuurlijke bronnen van de aarde veroorzaken scheuringen, conflicten en oorlogen, precies omdat ze het resultaat zijn van een onmenselijke opvatting over ontwikkeling. Een ontwikkeling die zich zou beperken tot het technische en economische en daardoor de morele en religieuze dimensie veronachtzaamt, is immers geen integrale menselijke ontwikkeling en zal - juist omdat ze eenzijdig is - de vernietigingsdrang van de mens in de hand werken.’’
Voor de gelovige is de schoonheid van de schepping een verwijzing naar zijn Schepper. De natuur imponeert de mens. Toch is het zo dat de mens pas aandacht krijgt voor de schoonheid van de natuur wanneer hij macht heeft verworven over haar. Wie moet vechten voor zijn bestaan, ziet de schoonheid van de woeste natuur niet en is evenmin bekommerd om ecologisch evenwicht. De tijd dat de Alpen nog geen aantrekkelijk vakantiegebied waren, maar een te duchten barrière vol gevaren, ligt nog niet zo ver achter ons.

De mens is afhankelijk van de natuur voor zijn leven. De natuur voedt hem. De mens moet daartoe de natuur gebruiken en naar zijn hand zetten. Hij legt akkers aan, doet aan irrigatie, bouwt huizen en steden, legt dijken en wegen aan en spaart daarbij de natuur niet. De mens kan niet leven in overeenstemming met de wetten van de natuur, omdat de zogenaamde harmonie met de natuur zijn ondergang betekent. De wilde dieren, de woestenij, ziekten en kwalen zouden hem algauw volledig de baas zijn. Het boek Genesis spreekt daarom van ‘heersen’ en ‘onderwerpen’. Dat heeft de afgelopen decennia de these gevoed dat de christelijke godsdienst verantwoordelijk is voor de miserabele toestand waarin de aarde nu verkeert. Nochtans gaat het niet over een milieuvijandige houding. Mensen moeten zich wapenen tegen de dreigingen van de natuur. De natuur is niet alleen lief. ‘Heersen en onderwerpen’ is vandaag door de gewijzigde context vervangen door ‘bewaren en verzorgen, in stand houden en met aandacht omringen’. Het is de taak van de mens de chaos en dreiging tegen te gaan en ruimte voor het leven te scheppen. Dat is een blijvende opdracht.

De Bijbel kent geen concrete voorschriften voor de omgang met het milieu. De bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten bestond nog niet. Toch weet de Bijbel dat het gedrag van de mens kosmische repercussies heeft. De profeet Hosea schrijft: ,,De Heer heeft een aanklacht tegen de bewoners van het land: er bestaat geen trouw en liefde meer, en er is geen kennis van God in het land. Zweren en liegen, moorden, stelen en echtbreken is aan de orde van de dag, bloedbad volgt op bloedbad. Daarom droogt het land uit en kwijnen al zijn bewoners weg; de dieren op het veld, de vogels in de lucht en de vissen in de zee komen zelfs om’’ (Hos. 4,1-3).

De kosmos lijdt onder het wangedrag van de mens. De oorzaak daarvan ligt niet in het feit dat de mens de natuur schade toebrengt, maar in de ontrouw aan God en zijn geboden. Ethische en kosmische ordeningen blijken nauw verbonden te zijn. De mens is verantwoordelijk tegenover God en zijn medemensen, tegenover zijn kinderen en kleinkinderen en de toekomstige generaties. Daarom moet hij met grote wijsheid en eerbied omgaan met zijn leefwereld. We hebben niet nog een aarde in reserve.

5. Video Open Venster - 'Kerk en ecologie'

Hoogtijd is het volgens sommigen. Anderen trachten ons te overtuigen dat het al te laat is. Zij wijzen met de vinger naar de opwarming van de aarde en de klimaatsverandering. Alvast redenen genoeg om stil te staan bij de zorg voor de schepping. Hebben wij hier geen opdracht vanuit ons geloof? In onze reeks 'Open Venster' nodigen we wetenschapper Gerard Bodifée en theoloog Jacques Haers uit aan de rondetafel. Concrete initiatieven die geloof en ecologische zorg verbinden, vormen het vertrekpunt. (Braambos, 3 februari 2008)

6. Werken met kunst: Lucy D’ souza: het vrouwelijk gelaat van God (Wereld en zending, Jaargang 34, nummer 1, 2005

De schilderijen van Lucy D'Souza brengen de toeschouwer in contact met een Indiase christelijke spiritualiteit. Dit brengt ook Europeanen tot nieuwe inzichten.
De vrouwelijke kant van God.

Ik zie haar schilderij De vrouwelijke kant van God als het meest imponerende kunstwerk dat ze tot nu toe heeft gemaakt. Het is Indiaas van karakter, maar er gaat een universele kracht van uit. Dit werk is op een bijzondere wijze tot stand gekomen. Lucy D'Souza kreeg haar eerste belangrijke opdracht van Misereor, een katholieke ontwikkelingsorganisatie in Duitsland. Men vroeg haar enkele afbeeldingen van vrouwen uit de bijbel te schilderen voor een hongerdoek. Bang te worden afgewezen en misverstaan ontvouwde ze de mensen van Misereor haar plannen, waarin ze als centraal thema had genomen: Christus, hangend aan een mangoboom. Ze wilde daarin aangeven dat Christus in zijn sterven reeds de Opgestane is. Hij is omgeven door vrouwen uit de bijbel die voor Indiase vrouwen een bijzondere betekenis hebben. In een bespreking in Duitsland met haar werden de meeste van haar ontwerpen verworpen, waarbij nog de meeste kritiek werd geleverd op de Christus aan de mangoboom.

Terug in India besloot Lucy na lange meditatie alleen voor zichzelf een groot schilderij in olieverf te maken waarop vijf scènes met vrouwen werden afgebeeld, met in het midden een vrouwelijk uitziende Christus. Toen ze daarmee klaar was, maakte ze ten slotte ook nieuwe tekeningen voor de hongerdoek in Duitsland, die ten slotte werden geaccepteerd. Op dit werk kom ik verderop in dit artikel nog terug.
Het centrale gedeelte van het schilderij toont Christus aan het kruis, dat is veranderd in een levengevende boom. Lucy ziet in de wortels, die iets van menselijke gezichten hebben, onze voorouders, Adam en Eva, Abraham en Sara, en ook God de Vader. In de stam van de boom ziet ze Christus, en in de takken die vruchten dragen, de Heilige Geest. Dit is haar wijze om de triniteit uit te beelden. Bij het schilderen had ze een verhaal in gedachten dat waarschijnlijk op waarheid berust en dat veel ecologische activisten in India heeft geïnspireerd. Het is het verhaal over een koning in Rajasthan die zijn soldaten opdracht gaf een mangoboom om te hakken teneinde zijn paleis te kunnen vergroten. Maar de dorpsgenoten lieten niet toe dat de soldaten deze boom omhakten. Sommige vrouwen omarmden de boom, zodat de soldaten hen moesten vermoorden voordat ze de boom konden omhakken. Toen de koning dit hoorde, werd hij toornig en zei: '1k wil mijn paleis niet laten bouwen met bomen die niet uit vrije wil zijn afgestaan.' Hij liet een wet maken met een kapverbod voor bomen die door mensen werden omarmd omdat ze de boom als hun broeder beschouwden. Dit verhaal werd verteld in de Chipkobeweging, een beweging die Lucy zeer na aan het hart ligt. De leden daarvan lieten zich aan bomen vastketenen om de desastreuze wilde houtkap in India tegen te gaan. In het schilderij zien we de geliefde discipel van Jezus de boom en Jezus omarmen. Jezus draagt lang haar, waarmee D'Souza wilde aangeven dat voor haar Jezus vrouwelijke trekken heeft. Overigens heeft ze nooit een zwangere Jezus willen afbeelden.
Het middengedeelte is omgeven door vier vrouwen die de vier elementen van leven voorstellen, die elk samengaan met een van Gods eigenschappen: Gods barmhartigheid is verbonden met de aarde, Gods goedheid met het water, Gods lichtende aanwezigheid met het vuur, Gods wijsheid met de lucht. Lotusbladeren vormen de verbinding van al deze elementen. Het verhaal over Ruth is genomen als een bemoediging voor Indiase vrouwen, die volgens de traditie niet mogen hertrouwen, en daarom uitgesloten worden. Het verhaal in het Oude Testament laat immers iets heel anders zien: de schoonmoeder staat heel dicht bij Ruth en ondersteunt haar bij het aangaan van een tweede huwelijk. Zoiets is in India ondenkbaar, vooral in kasten waarin het lange tijd gebruikelijk was weduwen levend te verbranden met haar overleden echtgenoot (sati), in het bijzonder in Rajasthan, waar de Engelsen er een eind aan maakten.

7. Bereshit (Genesis 1,1-5)

Beluister het fragment

Het boek Genesis dankt zijn naam aan de Septuaginta, de oudste Griekse bijbelvertaling. Het Griekse woord genesis betekent ‘ontstaan’, ‘oorsprong’, ‘wording’. De titel in de Hebreeuwse bijbel is Beresjiet, ‘In het begin’, naar het eerste woord van het boek. De titel Genesis bevat een verwijzing naar de inhoud: het verhaal over het ontstaan van de wereld, de mensheid en Israël.

[1] In het begin schiep God de hemel en de aarde.
Bereshit bara Elohim et hashamayim ve'et ha'arets.

[2] De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte, en de geest van God zweefde over de wateren.
Veha'arets hayetah tohu vavohu vechoshech al-peney tehom veruach Elohim merachefet al-
peney hamayim.

[3] God zei: ‘Er moet licht komen,’ en er was licht.
Vayomer Elohim yehi-or vayehi-or.

[4] God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis;
Vayar Elohim et-ha'or ki-tov vayavdel Elohim beyn ha'or uveyn hachoshech.

[5] het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. De 1ste dag.
Vayikra Elohim la-or yom velachoshech kara laylah vayehi-erev vayehi-voker yom echad.

In het Eerste Testament worden verschillende aanduidingen voor God gebruikt. De kortste is El, een woord dat sterkte of macht aanduidt. Vaak staat het Eerste Testament de meervoudsvorm Elohim. Men heeft er wel sporen van vroeger polytheïsme in willen vinden of een voorafschaduwing van de christelijke leer van de triniteit. Het ligt echter meer voor de hand er een versterking van de grondgedachte van het woord in het enkelvoud in te zien. Wanneer de mens is geschapen als imago Dei en het gebruikte godsbeeld is dat van Elohim (niet YHWH of Abba), dan is daarmee een sterke aanzet gegeven tot een heel antropocentrische invulling van de scheppingsverantwoordelijkheid. De verheerlijking van de mens en de objectivering en instrumentalisering van de ‘schepping’ is hierbij nooit veraf.

8. Groene Christenen, uit: Ik geloof dat ik geloof (K. Janssen, Altiora, Averbode, 1997).

Pieter komt thuis van school. Druipnat, dat was te verwachten. Maar ja, hij wil zo graag met de fiets naar school. Milieuvriendelijk noemt hij dat. Je inzetten voor het milieu, de natuur beschermen... hij maakt er een erezaak van. Hele redevoeringen kan hij erover houden. Ook aan tafel gaat het weer die kant uit. De vervuiling van de Noordzee, de ontbossing... Wij luisteren aandachtig. We kunnen er geen speld tussen krijgen. Ik reik hem de fruitschaal aan. Als gewoonlijk haalt hij er een peer uit. Hij maakt aanstalten om erin te bijten en aarzelt: 'Weet je dat een peer zo'n dertig keer bespoten wordt? En dat vergif moeten we allemaal maar slikken! De grond wordt er helemaal door vervuild. Ze moesten die fruittelers een fikse boete laten betalen!' Ik probeer Pieter een beetje redelijkheid bij te brengen: 'Natuurlijk is het niet leuk. Maar die mensen moeten leven van de perenopbrengst. Als die perenboomluis in actie schiet, is dat een ramp voor hen. En dus gebruiken ze allerlei middeltjes.' 'Het is puur vergif', herhaalt Pieter. 'En dat alleen om perfect mooie peren te hebben!' 'Denk aan jezelf!' weerleg ik. 'Zelfs een appel met een piepklein bruin plekje eet je niet op!' 'Daar gáát het helemaal niet over!' zucht Pieter. 'Juist wel', zeg ik gelijkhebberig. 'Het ene heeft met het andere te maken.' Het is tijd om terug naar school te gaan. Pas 's avonds, bij het doorbladeren van de post, denk ik opnieuw aan Pieters opmerking. Er ligt een folder van Greenpeace met een protest tegen het uitroeien van zeehonden en het kappen van het regenwoud. Pieter heeft hem ook gezien. 'Waarom zijn mensen zo stom?' vraagt hij. 'Waarom maken ze onze wereld kapot? Is geld dan het enige dat telt?' 'Niet overdrijven', zeg ik. 'Het is waar dat er verschrikkelijke dingen gebeurd zijn en nog steeds gebeuren. Maar er is toch iets aan het veranderen. Mensen beginnen te beseffen dat ze zorg moeten dragen voor onze wereld.' 'Nu het te laat is', moppert Pieter. 'Nee hoor', zeg ik. 'De natuur is taai. Gelukkig maar. En er komen natuurreservaten en wetten om sproeistoffen te beperken. Mensen leren met meer eerbied om te gaan met onze schepping.' 'Pff, schepping!' blaast Pieter. 'Op dit gebied zijn christenen geen haar beter dan de rest.' 'Misschien niet', geef ik toe. 'Maar toch hebben we een extra reden om goed voor onze wereld te zorgen. God heeft ons volgens het scheppingsverhaal aangesteld als hoeders over de aarde. We mogen ervan genieten, maar er geen misbruik van maken. Zo wordt onze wereld stilaan een plaats waar het goed is om te leven voor alle schepselen.' 'Ook voor de perenboomluis?' lacht Pieter. 'Maar misschien had God beter andere wezens als hoeders aangesteld. De bomen of de vogels. Mensen maken er maar een knoeiboel van.' 'Toch zijn alleen mensen in staat om zorg te dragen voor de hele wereld', weerleg ik. 'Wij zijn geschapen als beeld van God. Wij hebben verstand en een gevoel voor wat goed of fout is, ook al gebruiken we het niet altijd. Daardoor hebben we een speciale plaats in de schepping. Als mensen op hun best zijn, kun je zien dat ze net als God goede hoeders zijn.' Pieter knikt. 'Zullen we voortaan dan biologische appels kopen? Ik wil dat gif niet meer.' Ik glimlach: 'Akkoord op één voorwaarde: dat je de bruine plekjes erbij neemt!'

Didactische suggesties

1. Bekijk het videofragment van Leonardo di Caprio

Wat is de opwarming van de aarde? Wat is het precieze probleem?
Is dit een natuurlijk proces?
Wie is er verantwoordelijk voor de opwarming van de aarde?
Wat moet er gebeuren om dit proces te stoppen of te vertragen?

2. Lezen van het scheppingsverhaal

Schriftelijke opdracht (individueel of in kleine groepjes)

Oefening in tekstanalyse:

WAT staat er? Analyseer deze verhalen en maak een schema van de inhoud. Welke personages komen in de verhalen voor? Wat zeggen en/of doen ze? Op welke manier wordt ‘schepping’ in elk van deze verhalen voorgesteld? Welk Gods- en mensbeeld kan je in deze verhalen terugvinden? Wat is de rol en plaats van de mens in de schepping? Hoe verhoudt de mens zich tot de rest van de schepping?

Oefening in tekstinterpretatie:

WAAROM staat het er? Wat betekent het dat de mens ‘imago dei’ is? Zien de leerlingen een verband tussen dit scheppingsverhaal en de ecologische crisis? Kan je de voorstelling van de mens als heerser over de schepping begrijpen in een historisch perspectief (het dreigende karakter van de natuur) Gedraagt de mens zich vandaag ook nog als heerser over de schepping? Wanneer gedragen de leerlingen zich als ‘heersers’? Is dit een gepaste houding? Is deze scheppingstraditie de belangrijkste verantwoordelijke voor de ecologische crisis? Is de kritiek van Lynn white terecht? Of zijn de zaken complexer? Welke andere factoren spelen ook een rol? (wetenschap, technologie…)

3. Analyse van De Meyere & Jones: ontkenningsmechanismen

Laat de leerlingen eerst discussiëren rond de stellingen.
Pas in tweede instantie wordt de tekst van De Meyere en Jones gelezen.
Gedragen de leerlingen zich altijd consequent in het licht van de ecologische crisis? Houden zij rekening met de effecten van de opwarming van de aarde? Nemen zij hun verantwoordelijkheid? Waarom wel of waarom niet? Vinden de leerlingen zorg voor de natuur belangrijk? Waarom? Hoe verstaan zij hun verhouding tot de natuur? Denken zij dat ze verantwoordelijk zijn voor de komende generaties? Welke concrete stappen ondernemen de leerlingen om op ecologisch vlak een steentje bij te dragen?
Hier kan ook gekeken worden naar websites waar de leerlingen hun eigen ecologische voetafdruk kunnen berekenen en concrete stappen kunnen ondernemen om deze te verkleinen.

http://wwf-footprint.be/nl/

Herkennen ze zichzelf in de ontkenningsmechanismen die geschetst worden door De Meyere en Jones? Wat moet er volgens de leerlingen gebeuren om tot een mentaliteitsverandering te komen?

4. Nood aan een ommekeer en het belang van een gepaste scheppingspiritualiteit

Werken met artikels en video.

In de verschillende teksten en de video met Jacques Haers zijn christenen aan het woord, die vertellen over wat ‘schepping’ volgens hen betekent. Hier kunnen de leerlingen in kleine groepen werken rond één tekst.

  • Hoe wordt God voorgesteld in de tekst?
  • Hoe wordt de verhouding God, mens, schepping begrepen?
  • In welk opzicht is de scheppingspiritualiteit in deze artikels een ‘verbetering’ op het beeld van de mens als heerser over de schepping?

5. Schilderij van Lucy d’Souza

Wat zien de leerlingen? Zien ze het verband met het thema van de schepping? Hoe wijkt de voorstelling van de Schepper, schepping en mens in dit schilderij af van de klassieke scheppingsleer? Wat probeert de schilder te verbeelden? Welke symbolen kunnen we terugvinden in dit schilderij? Vraag aan de leerlingen om drie begrippen te noteren die het beste aansluiten bij de visie van de schilder. Welke kritiek op de klassieke scheppingsleer ligt vervat in dit schilderij. Kunnen ze zich vinden in deze kritiek en op de voorgestelde scheppingspiritualiteit?

6. Bereshit

Beluister zonder verdere mededelingen het audiofragment Bereshit (Impuls 7). Vraag de leerlingen om hun reactie.

  • In welke taal wordt hier gesproken?
  • Wat wordt er gezegd?
  • Herken je bepaalde klanken of woorden?

Beluister het fragment een tweede maal en laat de leerlingen de woorden noteren die terugkeren.

  • Waarom zouden deze woorden steeds herhaald worden?
  • Wat zouden deze woorden betekenen?

Breng de godsnaam Elohim aan bord [je kan de betekenis van Elohim eventueel openbaren langs een kort geluidsfragmentje uit ‘The Prince of Egypt’ (Deliver us) waarbij in het refrein wordt gezongen: ‘Elohim God up high, can you hear your people cry, help us now this dark hour’]

  • Verklaar de godsnaam (het machtsaspect is uitermate relevant bij de behandeling van de mens als Beel van God-gedachte)

7. Groene christenen

Lees de tekst van Kolet Janssen (Groene Christenen, Impuls 8).

  • Waarom maken de mensen de wereld kapot?
  • Is geld het enige dat telt?
  • Zijn christenen beter dan anderen wat betreft de omgang met de wereld?
  • Wat is volgens de moeder de betekenis van de scheppingsverantwoordelijkheid?

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Ecologische crisis en sociale rechtvaardigheid (lesimpulsen bij hermeneutisch knooppunt 3)

Biefstuk bedreigt drinkwater

Als we er niet in slagen de waterconsumptie terug te dringen, dreigt in grote delen van de wereld nog deze eeuw massale hongersnood.
De zoetwatervoorraad op aarde neemt af. Meer dan 97 procent van het vloeibare zoet water bevindt zich niet in rivieren of meren, maar onder de grond. Grondwater wordt slechts traag of helemaal niet aangevuld - in het laatste geval spreken we over 'fossiel water', omdat het net als fossiele brandstoffen een niet hernieuwbare grondstof is. Ondergronds fossiel water is afkomstig van ijskappen die tot tienduizenden jaren geleden zijn gesmolten. Dat water sijpelde de bodem in, waar het al die tijd onaangeroerd bleef.
Tot een halve eeuw geleden, toen de technologie het mogelijk maakte om steeds meer water uit steeds diepere lagen naar boven te pompen. Sindsdien worden er steeds meer grondwaterlagen leeggehaald en raken de fossiele waterreservoirs uitgeput. Grondwater dat wel hernieuwbaar is, wordt veel sneller opgepompt dan het door neerslag wordt aangevuld. In gebieden met veel menselijke activiteit (verstedelijking, landbouw, industrie) daalt de grondwaterspiegel met 2 tot 10 meter per jaar. In dat tempo dreigt onze belangrijkste watervoorraad nog sneller op te raken dan de resterende voorraden fossiele brandstoffen.
Wereldwijd zijn 1,5 miljard mensen afhankelijk van grondwater voor hun drinkwater-voorziening. Maar de uitputting van ons ondergronds water brengt niet alleen (lokaal) de drinkwatervoorziening in gevaar, maar ook (wereldwijd) de voedselvoorziening. De dreigende waterschaarste is niet het gevolg van een overmatig huis-, tuin- en keukengebruik. Bijna 75 procent van de wereldwijde waterconsumptie wordt opgeslokt door de landbouw. Een Vlaming verbruikt gemiddeld 110 liter leidingwater per dag. Maar die hoeveelheid valt in het niet bij de onrechtstreekse waterconsumptie die nodig is om die Vlaming te voeden. Er is 300 liter water nodig voor de productie van één ei, een halve kilogram aardappelen of twee koppen koffie. Een biefstuk van 300 gram kost 5000 liter water. We verbruiken dus veel meer water dan we denken.

Virtueel water

Aangezien Vlaanderen het grootste deel van zijn voedsel importeert, moet het niet zelf al dat water leveren. We kweken bijvoorbeeld wel onze eigen varkens en kippen, maar het veevoeder waarmee die dieren worden grootgebracht, komt uit het buitenland. Vlaanderen importeert dus massaal 'virtueel water'. Probleem is dat de exporteurs van virtueel water niet zelden teren op het uitputten van hun grondwater. Bijvoorbeeld de graanoogst in het zuidwesten van de Verenigde Staten (de grootste graanexporteur ter wereld) draait voor minstens 20 procent op fossiel grondwater. In Zuid-Spanje is zowat de gehele groente- en fruitproductie (die een groot deel van de Europese supermarkten bevoorraadt) afhankelijk van fossiel water. Ook in landen die zelfvoorzienend zijn, dreigt een voedsel-tekort. In China, India en Pakistan eten 400 miljoen mensen voedsel dat wordt gekweekt met niet-duurzaam opgepompt grondwater. Experts vrezen dat de 'Aziatische voedselzeepbel' over 15 tot 20 jaar openspat. Ook in het Midden-Oosten en Noord-Afrika is de toestand alarmerend.
Alles samen eten een miljard mensen voedsel dat geteeld wordt met water dat straks niet meer bestaat. En terwijl het grondwaterpeil daalt, blijven de wereldbevolking en de welvaart groeien. Naarmate mensen rijker worden, gaan ze meer vlees, zuivel en suiker eten, wat de virtuele waterconsumptie per persoon flink opdrijft. Volgens het International Water Management Institute (IWMI) zal het waterverbruik in de landbouw tegen 2050 met 75 procent stijgen. In de jaren zeventig voorspelden wetenschappers dat de snelle bevolkingsaangroei tot massale hongersnood zou leiden, omdat er niet genoeg land op aarde was om alle mensen te voeden. Vandaag blijkt dat niet zozeer de oppervlakte, maar wel de watervoorraad de belangrijkste limiet is voor de voedselproductie.
Het waterverbruik in de landbouw kan omlaag door betere irrigatietechnieken en het telen van minder dorstige gewassen. Maar de grootste besparing kan worden gerealiseerd door de neerslag beter te benutten. Momenteel wordt bijna 80 procent van de landbouwgewassen gekweekt met water dat uit de lucht valt. Het is de overige 20 procent die grotendeels verantwoordelijk is voor het uitputten van de zoetwatervoorraad. Irrigatie heeft de groeiende wereldbevolking tot nu toe gered van hongersnood, maar er is gewoon niet genoeg water om die strategie vol te houden. Willen we iedereen in 2050 kunnen voeden, dan zal alle landbouwgrond in gebieden moeten komen waar genoeg regen valt. Vervolgens kan er virtueel water van die natte gebieden naar de droge gebieden worden geëxporteerd, in plaats van andersom.

DOOR KRIS DE DECKER
Knack - 14-11-2007

Een kiwi die vanuit Nieuw-Zeeland naar Groot-Britannië wordt gevlogen stoot vijf keer zijn gewicht aan broeikasgassen uit

Een moderne supermarkt is één groot wonder. Ook al sneeuwt het buiten en is de zomer een vage herinnering, toch kun je aardbeien, perziken of druiven kopen. Als je midden in een hittegolf knolgewassen wilt, dan kun je ze krijgen. Amerikaanse expats kunnen hun oreo-koekjes kopen, terwijl Nieuw-Zeelanders met heimwee zichzelf kunnen troosten met wijn en kiwi’s. al een paar dagen na de pluk liggen ze in je mandje met hun zomerse smaal, terwijl buiten de blaadjes vallen.
Het is allemaal geweldig, totdat je gaat nadenken over de gigantische hoeveelheid kilometers die in je boodschappenmandje ligt. Deze kiwi’s hebben er bijna 20.000 kilometers op zitten. Die hebben ze door de lucht en over de weg afgelegd. Tegen de tijd dat ze in de supermarkt liggen is ongeveer vijf keer hun gewicht aan broeikassen in de atmosfeer gepompt.
Jessica Williams, 50 feiten die de wereld moeten veranderen, Amsterdam, 2006.

Groen! lanceert 'Ecologisch Voedselplan'

Een minder energieverslindende landbouw met minder voedselkilometers, minder pesticiden en minder vee, maar met tegelijk meer streekproducten, meer biolandbouw en meer aandacht voor dierenrechten. Dat zijn de ankerpunten van het Ecologische Voedselplan van Groen! dat woensdag werd voorgesteld door Europarlementslid Bart Staes en Johan Malcorps.

Onze huidige landbouw is volgens europarlementslid Bart Staes sterk geïndustrialiseerd, vervuilend en olieverslaafd. Zo is de Vlaamse landbouw goed voor 11 pct van de uitstoot van broeikasgassen, luidt het. Groen! wil werk maken van een omschakeling naar een ecologisch duurzame landbouw en heeft daarvoor een totaalplan uitgewerkt met een tijdspad tot 2020. Zo moet de landbouw minder energie gaan verspillen en moeten energiebesparende maatregelen gestimuleerd worden. Groen! wil onder meer gratis energie-audits in de land- en tuinbouw, meer zonnepanelen en een versoepelde regelgeving rond het plaatsen van windturbines in agrarisch gebied.

Daarnaast moet het aantal voedselkilometers drastisch naar omlaag. Nu legt voedsel vaak enorme en onnodige afstanden af vooraleer het bij de consument raakt. Bart Staes geeft enkele markante voorbeelden. "Een blikje tomatensoep met balletjes legt 32.000 kilometer af voor het in onze soepkom belandt. Garnalen die voor de Belgische kust gevangen worden, worden naar Marokko getransporteerd om te worden schoongemaakt en keren dan terug voor consumptie in België. Dat is absurd", zegt Staes. Groen! wil de consument bewust maken van hoe ons voedsel is vervoerd en wil de distributie daarom verplichten om het aantal afgelegde kilometers te vermelden op de verpakking van producten.

Tegelijk moeten streekproducten opgewaardeerd worden met een kwaliteitslabel en subsidies. Groen! wil ook de vleesproductie omlaag. Veel vlees eten is niet alleen ongezond, maar ook slecht voor het milieu, klinkt het. In de productie van een biefstuk van 250 gram wordt (van wei tot bord) 2,9 kilogram CO2 uitgestoten. Dat is vergelijkbaar met de CO2-uitstoot van een autorit van 28 kilometer met een Toyota Prius of van 10 kilometer met een Audi Q7. "Een vleeseter die met een kleine auto rijdt, stuurt meer broeikasgassen de lucht in dan een vegetariër die zich met een terreinwagen verplaatst", verduidelijkt Staes nog.

Het is volgens Staes niet de bedoeling om iedereen vegetariër te maken. Toch zou het geen kwaad kunnen als we met zijn allen minder vlees zouden eten. Veel heeft volgens Staes te maken met het veranderen van attitudes. "Vrijdag was of is traditioneel een visdag. Als we nu van de donderdag een soort vegetarische dag maken, zou dat al een symbolische stap zijn", aldus Staes.

Tot slot moet ook de biolandbouw een duwtje in de rug krijgen en moet er werk gemaakt worden van een doeltreffend pesticidenreductieplan. Tegen 2020 mikt Groen! op 20 pct biolandbouw. De partij stelt daarom voor het BTW-tarief op duurzame bioproducten te verlagen van 21 naar 6 pct. Op langere termijn (tegen 2050) wil Groen! "landbouw" omvormen tot "milieubouw". Zo moet de landbouw volledig CO2-neutraal worden en moeten biologische en ecologische productie de standaard worden.

Bron: Vilt, 2/05/2007

Wekelijks verschijnt in Knack de column ‘Op het tweede gezicht’ van Joël De Ceulaer.

In een open brief aan Mieke Vogels schrijft hij het volgende:

“Er is één elementje uit uw partijprogramma dat u zou moeten
herzien, aanpassen of helemaal verwijderen. (…) De groene
invalshoek. (…) Uw concurrent Bart Staes lanceerde ooit het
plan om op elk blikje voedingswaren te laten vermelden hoeveel
kilometer de ingrediënten hadden afgelegd tussen oogst en
supermarkt. Dat lijkt een slim idee, maar het deugt voor geen
meter. Onder die ecologische reflex gaat immers een volkomen
onwezenlijke nostalgie schuil: de nostalgie naar small is beautiful,
naar seizoensgroenten en zelfgebakken brood - naar de jaren
vijftig, kortom, toen Vlaanderen nog blank en de wereld nog
geen dorp was en de noordzeegarnalen nog werden gepeld op
het Noordzeestrand. Die tijd komt niet meer terug. Maar goed
ook, misschien. Als zo’n garnaal naar Marokko vliegt om zich te
laten pellen, denk ik niet in de eerste plaats aan de uitstoot,
maar aan de werkgelegenheid die daarmee wordt teweeggebracht.”

De Ceulaer, 2007

Wereldwijd moet een op vijf mensen rondkomen van nog geen dollar per dag

Elke dag lijdt eenvijfde van de wereldbevolking honger. Dat zijn 800 miljoen mensen.

Jessica Williams, 50 feiten die de wereld moeten veranderen, Amsterdam, 2006.

Het citaat van Joël de Ceulaer geeft uitstekend de spanning tussen sociale noden en ecologie weer, tussen intragenerationele en intergenerationele verantwoordelijkheid: de werkgelegenheid die deze economische transacties bieden, staan in schril contrast met de ecologische kosten ervan.

In eerste instantie lijkt het om een logische vergelijking te gaan. Maar wie verder denkt, stuit al gauw op enkele moeilijkheden. Immers, er wordt geen rekening gehouden met de concrete werkomstandigheden waarin garnalen gepeld worden, er wordt niet gesproken over de toenemende loonverschillen tussen de verschillende werelddelen, noch over de houdbaarheid van zulke transacties op lange termijn, laat staan over de economische logica die daarachter schuilgaat.Dat is echter niet alles. Wie kijkt naar de concrete slachtoffers van milieurampen, toenemende milieuverontreiniging, bodemerosie, verwoestijning enz. stelt vast dat het de allerarmsten zijn die als eersten getroffen worden. Neem bijvoorbeeld de gevolgen van de klimaatverandering. In het Noorden kijkt men vooral naar de langetermijneffecten, maar een concreet gevolg ervan is reeds zichtbaar in het Zuiden: de malariamug verspreidt zich over steeds uitgestrektere en hogergelegen gebieden, “met het evidente gevolg dat malaria een prangende bedreiging vormt voor de gezondheid van aanzienlijke delen van de wereldbevolking.” (Jones & Jacobs, 2006, 164) Bovendien geldt blijkbaar “vrouwen en kinderen eerst.” (Maguire, 1999, 405) Ecofeministen zoals Rosemary Radford Ruether klagen aan dat de armoede van vrouwen en kinderen hand in hand gaat met de verwoesting van de natuur: “Ontbossing betekent dat vrouwen twee en drie keer per dag onderweg zijn om hout te halen; het impliceert droogte wat betekent dat vrouwen twee en drie keer per dag op zoek zijn naar water naar hun bescheiden woningen te brengen.” (Radford Ruether, 1997, 40) Samenvattend kunnen we stellen dat diegenen die het minste bijdragen tot de ecologische crises er het eerste slachtoffer van worden. Hoe is het zo ver kunnen komen?

Een eerste belangrijke oorzaak is de manier waarop natuurlijke goederen veronachtzaamd worden in de economische marktlogica. Bij elke economische activiteit worden er gevolgen geproduceerd aan derden die niet meegerekend worden in de prijs, de zogenaamde externaliteiten. De ecologische kosten van economische productie zijn een voorbeeld van negatieve externe effecten. Concreet betekent dit dat vliegen met zogenaamde lage-kosten-maatschappijen bijzonder goedkoop is, terwijl de reële kosten — rekening houdend met de kerosine-uitstoot — natuurlijk veel hoger liggen. Een meer alledaags voorbeeld — met directe consequenties voor het verpauperde deel van de wereldbevolking — is de toenemende vleesconsumptie. De cijfers zijn ontnuchterend: voor een biefstuk van 300 gram is maar liefst 5000 liter water nodig! De gevolgen hiervan zijn het meest voelbaar voor mensen die afhankelijk zijn van grondwater voor hun drinkwater. Bovendien is er nog een belangrijke verschuiving aan de gang. Omdat de productie, inclusief de verwerking van grondstoffen en halfafgewerkte producten tot afgewerkte producten, nu in toenemende mate in het Zuiden gebeurt, situeren de ecologische kosten zich vooral daar, terwijl de consumenten in het Noorden vooral de voordelen genieten, de lage kostprijs van producten en minder milieuverontreiniging.

Deze vaststellingen worden samengevat in de notie van de “ecologisch ongelijke ruil” (Jones & Jacobs, 2006, 233) en duiden op een ongelijke milieudruk: een kleine minderheid (20%) van de wereldbevolking is immers verantwoordelijk voor 80% van de milieu-impact en kan de kosten en de gevolgen daarvan afwentelen op de armsten. Verschillende auteurs pleiten er dan ook voor om de ecologische kosten mee te verrekenen (cf. Ruckelshaus, 1995, 428; Hawken, 1995, 434). Deze oplossing blijft echter binnen het denkkader van het huidige ontwikkelings- en groeimodel dat leeft bij gratie van toenemende consumptie, terwijl de voorbeelden een grote ongelijkheid weergeven in de mate en aard van consumptie in verschillende werelddelen: vliegtuigreizen en vleesconsumptie als luxegoederen staan in schril contrast met de minimale consumptie van levensnoodzakelijke goederen. Bijgevolg moet de mogelijkheid en wenselijkheid van dit model als tweede oorzaak van de crises in vraag gesteld worden.

Een globale toepassing van dit model blijkt vooreerst niet mogelijk. Wie vertrouwd is met de ecologische voetafdruk weet dat er drie à vier aardbollen nodig zijn opdat iedereen het welvaartsniveau van de gemiddelde Europeaan zou bereiken. Bovendien doen de belangrijke waarden van dit model (individualisme, ‘hebben’ in plaats van ‘zijn’, winstmaximalisatie, enz.) twijfels rijzen over de wenselijkheid ervan. Een systeem gebaseerd op toenemende consumptie, vervult niet alleen noodzakelijke, maar creëert ook nieuwe, valse behoeften. Tegelijkertijd wordt het geluk gezocht in materiële behoeftebevrediging. Erger nog, consumenten hebben goederen nodig om te zijn: in de huidige, westerse cultuur ontlenen mensen hun identiteit aan de goederen die ze consumeren. Hierbij worden zelfbeeld en status bepaald door het eigen consumptiegedrag te vergelijken met dat van anderen, waarbij de hoogte inkomensgroep de toon zet voor de anderen. We zullen nooit gelukkig zijn, niet alleen omdat er steeds meer valse behoeften gecreëerd worden, maar ook omdat we ons geluk laten bepalen door onze relatieve economische welvaart, d.w.z. in vergelijking met de anderen. Zelfs als we rijk zijn, zijn we nog steeds niet gelukkig. Layard zegt het treffend: “Een welvarend man is een man die honderd dollar per jaar meer verdient dan de man van de zus van zijn vrouw.” (Layard, 2005, 49)

Er wordt een hoge prijs betaald voor deze consumptiedrang: luxeproducten worden geproduceerd ten koste van subsistentiegoederen. Immers, de overconsumptie van een kleine minderheid bepaalt, of beter: beperkt, de consumptiemogelijkheden van de meerderheid van de wereldbevolking. Of om even terug te keren naar het voorbeeld van de biefstuk: “Dat we nog niet van honger en dorst zijn gestorven, komt omdat het grootste deel van de wereldbevolking zich (nog) geen biefstuk kan veroorloven.” (De Decker, 2007, 67) De notie van ontwikkeling moet bekritiseerd worden want momenteel “bedekt [het idee van ontwikkeling] leugenachtige feiten aangezien een massa van de ondervoeden in absolute armoede leven in een wereld die niet ontwikkelt voor hen, en de ontwikkelde naties overontwikkelde ecologische barbaren zijn.” (Maguire, 1999, 406)

Door deze overconsumptie heeft een minderheid van de wereldbevolking een “ecologische schuld” ten aanzien van haar medebewoners (Jones & Jacobs, 2006, 235ev.; Barrez, 2007, 83). De aandacht voor ecologische noden is dus niet alleen een kwestie van intergenerationele, maar ook van intragenerationele verantwoordelijkheid. Aangezien het consumptiepatroon een van de oorzaken is, is een mentaliteitsverandering nodig in de vorm van een bewust consumentisme, want in deze context is de dagdagelijkse activiteit van het consumeren “een politieke daad” (Barrez, 2007, DVD).

Ellen Van stichel, Bio of Fair trade?

Big Yellow Taxi (Counting Crows)

Beluister dit nummer:

beluister snelle / trage verbinding

They paved paradise and put up a parking lot
With a pink hotel, a boutique, and a swingin' hot spot
Don't it always seem to go
That you don't know what you got 'til it's gone
They paved paradise and put up a parking lot

They took all the trees, and put em in a tree museum
And they charged the people a dollar and a half to see them
No, no, no
Don't it always seem to go
That you don't know what you got 'til it's gone
They paved paradise, and put up a parking lot

Hey farmer, farmer, put away your DDT
I don't care about spots on my apples,
Leave me the birds and the bees
Please
Don't it always seem to go
That you don't know what you got 'til it's gone
They paved paradise and put up a parking lot
Hey now, they paved paradise to put up a parking lot
Why not?

Listen, late last night, I heard the screen door slam
And a big yellow taxi took my girl away
Don't it always seem to go
That you don't know what you got 'til it's gone
They paved paradise and put up a parking lot
Well, don't it always seem to go
That you don't know what you got 'til it's gone
They paved paradise to put up a parking lot
Why not?
They paved paradise and put up a parking lot
Paved paradise and put up a parking lot

I don't wanna give it
Why you wanna give it
Why you wanna giving it all away
Now you wanna give it
I should wanna give it
Now you wanna giving it all away (x2)

Why do you want me?
Why do you want me?

Cos' you're givin it all away,
Hey, paved paradise to put up a parking lot

Vertaling

Ze hebben het paradijs geasfalteerd en er een parking van gemaakt, met een roze hotel, een boetiek en een leuke danstent. Het lijkt er steeds weer op,
Dat je niet weet wat je hebt, tot je het kwijt bent.
Het paradijs geasfalteerd en er een parking van gemaakt

Ze hebben alle bomen genomen en ze in een bomenmuseum gezet. Nu rekenen ze de mensen geld om ze te komen zien. Neen, neen, neen
Het lijkt er steeds weer op,
Dat je niet weet wat je hebt, tot je het kwijt bent.
Het paradijs geasfalteerd en er een parking van gemaakt

Zeg landbouwers zet je pesticiden aan de kant
Ik zit niet in met bruine vlekjes op mijn appelen,
Zolang je me de vogels en de bijen laat
Ik smeek je
Het lijkt er steeds weer op,
Dat je niet weet wat je hebt, tot je het kwijt bent.
Het paradijs geasfalteerd en er een parking van gemaakt Het paradijs geasfalteerd en er een parking van gemaakt Waarom ook niet?

Verleden nacht hoorde ik de deur dichtslaan,
En een grote gele taxi nam mijn meisje bij me weg
Het lijkt er steeds weer op,
Dat je niet weet wat je hebt, tot je het kwijt bent.
Het paradijs geasfalteerd en er een parking van gemaakt
Het lijkt er steeds weer op,
Dat je niet weet wat je hebt, tot je het kwijt bent.
Het paradijs geasfalteerd en er een parking van gemaakt
Waarom ook niet?
Het lijkt er steeds weer op,
Het paradijs geasfalteerd en er een parking van gemaakt

Ik wil het niet weggeven
Waarom wil jij het weggeven
Waarom wil jij alles loslaten
Jij wil het weggeven
Ik zou het ook moeten willen
Jij wil het weggeven (x2)

Waarom wil je mij?
Waarom wil je mij?

Jij geeft het allemaal uit handen,
Het paradijs geasfalteerd om er een parking van te maken.

Oxfam Fairtrade (BV campagne 2006)

http://www.indymedia.be/files/campagne2.jpg
http://www.indymedia.be/files/campagne3.JPG
http://www.indymedia.be/files/campagne5.JPG
http://www.indymedia.be/files/campagne7.JPG
http://www.indymedia.be/files/campagne9.JPG

versus

Wekelijks verschijnt in Knack de column ‘Op het tweede gezicht’ van Joël De Ceulaer. In een open brief aan Mieke Vogels schrijft hij het volgende:
“Er is één elementje uit uw partijprogramma dat u zou moeten herzien, aanpassen of helemaal verwijderen. (…) De groene invalshoek. (…) Uw concurrent Bart Staes lanceerde ooit het plan om op elk blikje voedingswaren te laten vermelden hoeveel kilometer de ingrediënten hadden afgelegd tussen oogst en supermarkt. Dat lijkt een slim idee, maar het deugt voor geen meter. Onder die ecologische reflex gaat immers een volkomen onwezenlijke nostalgie schuil: de nostalgie naar small is beautiful, naar seizoensgroenten en zelfgebakken brood - naar de jaren vijftig, kortom, toen Vlaanderen nog blank en de wereld nog geen dorp was en de noordzeegarnalen nog werden gepeld op het Noordzeestrand. Die tijd komt niet meer terug. Maar goed ook, misschien. Als zo’n garnaal naar Marokko vliegt om zich te laten pellen, denk ik niet in de eerste plaats aan de uitstoot, maar aan de werkgelegenheid die daarmee wordt teweeggebracht.” (De Ceulaer, 2007, 30)  

versus

Clip_2

Didactische suggesties

De bovenstaande artikels en feiten spelen met de spanning tussen sociale rechtvaardigheid en de ecologische crisis. Deze spanning raakt het hart van de scheppingsleer, want verplicht mensen om de vraag te stellen wat ethisch prioriteit krijgt: de vooruitgang en ontwikkeling van mensen in de twee-derde wereld door het creëren en ondersteunen van de plaatselijke economie - het afnemen van fruit en groenten uit de minder ontwikkelde landen, waardoor er jobs wordt geschapen - of het besef dat het ‘overvliegen’ van deze producten de ecologische voetafdruk nog eens verhoogt? Mens of natuur? De bovenstaande artikels zijn retorisch opgebouwd. De eerste artikels focussen op de ecologische problematiek en sluiten goed aan bij eerdere lessen over scheppingsverantwoordelijkheid. Aansluitend daarbij is er het voorstel van groen, dat mensen oproept om hun ecologische voetafdruk te verkleinen.
Zijn de leerlingen zich bewust van deze problematiek?
Vinden ze het voorstel van groen goed? Denken ze dat het kans op slagen heeft? Waarom wel/niet? Kunnen ze een verband leggen met de psychologische ontkenningsmechanismen zoals uitgelegd door Jones en DeMeyere?
Zijn ze bereid hier rekening mee te houden en minder ‘vreemd’ fruit te kopen?
Zien ze ook een negatieve keerzijde aan het voorstel van groen?
In derde instantie is het zaak om de brug te slaan naar de tekst van Joël de Ceulaer die het voorstel van groen op de korrel neemt.
Wat is de kritiek van de Ceulaer? Heeft hij gelijk? Moet er gekozen worden tussen sociale rechtvaardigheid en ecologisch welzijn? En wat moet dan de prioriteit krijgen? Zien de leerlingen zelf ook gaten in de redenering van de Ceulaer?
In laatste instantie kan de stap gezet worden naar de analyse van van Stichel, die de tegenstelling tussen sociale rechtvaardigheid en ecologisch bewustzijn doorprikt als een valse tegenstelling.

Big Yellow Taxi

Beluister het audiofragment Big Yellow Taxi zonder de lyrics erbij te nemen.

  • Waarover gaat dit liedje?
  • Hoe zou je de boodschap samenvatten? [je weet pas wat je hebt als je het verliest]
  • Wat wordt bedoeld met het Paradijs?
  • Over welk verhaal gaat het hier?
  • Vertel na in eigen woorden.

Oxfam Fair Trade

Bekijk de campagnefoto’s bij de BV campagne van Oxfam voor het jaar 2006.

  • Wat vind je van Fair Trade?

Lees de column van Joël de Ceulaer.

  • Kan je hiermee akkoord gaan?

Bekijk de foto omtrent voedselkilometers.

  • Verandert dit dan weer je kijk op de column van de Ceulaer? Is dit dan een argument tegen eerlijke producten? Groepsdiscussie.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

En God zag dat het goed was? (lesimpulsen bij hermeneutisch knooppunt 4)

1. Lezing van het scheppingsverhaal

De schepping van hemel en aarde

[1] In het begin schiep God de hemel en de aarde. [2] De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water. [3] God zei: ‘Er moet licht komen,’ en er was licht. [4] God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis; [5] het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag.
[6] God zei: ‘Er moet midden in het water een gewelf komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt.’ [7] En zo gebeurde het. God maakte het gewelf en scheidde het water onder het gewelf van het water erboven. [8] Hij noemde het gewelf hemel. Het werd avond en het werd morgen. De tweede dag.
[9] God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar één plaats stromen, zodat er droog land verschijnt.’ En zo gebeurde het. [10] Het droge noemde hij aarde, het samengestroomde water noemde hij zee. En God zag dat het goed was.
[11] God zei: ‘Overal op aarde moet jong groen ontkiemen: zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten dragen met zaad erin.’ En zo gebeurde het. [12] De aarde bracht jong groen voort: allerlei zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten droegen met zaad erin. En God zag dat het goed was. [13] Het werd avond en het werd morgen. De derde dag.
[14] God zei: ‘Er moeten lichten aan het hemelgewelf komen om de dag te scheiden van de nacht. Ze moeten de seizoenen aangeven en de dagen en de jaren, [15] en ze moeten dienen als lampen aan het hemelgewelf, om licht te geven op de aarde.’ En zo gebeurde het. [16] God maakte de twee grote lichten, het grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren. [17] Hij plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde, [18] om te heersen over de dag en de nacht en om het licht te scheiden van de duisternis. En God zag dat het goed was. [19] Het werd avond en het werd morgen. De vierde dag.
[20] God zei: ‘Het water moet wemelen van levende wezens, en boven de aarde, langs het hemelgewelf, moeten vogels vliegen.’ [21] En hij schiep de grote zeemonsters en alle soorten levende wezens waarvan het water wemelt en krioelt, en ook alles wat vleugels heeft. En God zag dat het goed was. [22] God zegende ze met de woorden: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en vul het water van de zee. En ook de vogels moeten talrijk worden, overal op aarde.’ [23] Het werd avond en het werd morgen. De vijfde dag.
[24] God zei: ‘De aarde moet allerlei levende wezens voortbrengen: vee, kruipende dieren en wilde dieren.’ En zo gebeurde het. [25] God maakte alle soorten in het wild levende dieren, al het vee en alles wat op de aardbodem rondkruipt. En God zag dat het goed was.
[26] God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’ [27] God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen. [28] Hij zegende hen en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’ [29] Ook zei God: ‘Hierbij geef ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde; dat zal jullie voedsel zijn. [30] Aan de dieren die in het wild leven, aan de vogels van de hemel en aan de levende wezens die op de aarde rondkruipen, geef ik de groene planten tot voedsel.’ En zo gebeurde het. [31] God keek naar alles wat hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was. Het werd avond en het werd morgen. De zesde dag.

2. De tsunami in videobeelden

http://www.planet.nl/planet/show/id=2008087/contentid=666990/

3. Het verhaal van de zondvloed en de tsunami

Onze plaats in de kosmos en de schepping
God en het water

Louis Dupré

Na de zondvloed beloofde God dat nooit meer enig levend wezen door het water van de vloed zou worden uitgeroeid. Meer dan moslims en boeddhisten lijken christenen en joden het moeilijk te hebben met een natuurramp als de tsunami in Zuidoost-Azië.

joden en christenen vertrouwen op Gods woord toen Hij bij de schepping verklaarde dat de aarde en al wat erin is, goed zijn. Niets in de Schrift leert ons hoe we om moeten gaan met zulke massale natuurrampen. Integendeel! Na de zondvloed belooft God ,,dat nooit meer enig levend wezen door het water van de vloed zal worden uitgeroeid, en dat zich nooit meer een vloed zal voordoen om de aarde te verwoesten’’(Genesis 9, 11). En in de psalmen lees je voortdurend dat de Heer voorgoed de krachten van het water heeft overwonnen.

We hebben er ons langzamerhand bij neergelegd dat mensen elkaar in oorlogen in groten getale uitmoorden. Maar hier gaat het om een directe aanval van de natuur, van diezelfde aarde die je ‘moeder’ noemt en die je dag na dag voedsel, warmte en schoonheid schenkt. En plots word je gewaar dat je woont op een planeet, verloren in een eindeloze, onherbergzame ruimte. Je ervaart jezelf als een toevallig wezen: overbodig en al dan niet vervangbaar, naargelang de natuur beslist.

Alvorens we vrezen die ramp te vergeten of te verdringen, kan het wellicht goed zijn ons even te bezinnen over onze plaats in de kosmos en in Gods schepping. Of een allesomvattende verantwoording van het mysterie van het kwaad mogelijk is, valt te betwijfelen. Maar er is bij natuurrampen alleszins één moeilijkheid die je uit te weg kunt ruimen. Allereerst mogen christenen het bijbelse scheppingsverhaal niet interpreteren alsof God de kosmos met al wat er in is, heeft ‘gemaakt’ uit het niets, zoals een fabriek die produceert zonder grondstoffen. Een dergelijke voorstelling berust niet op een schriftuurtekst. Ze sluit ook niet aan bij het monotheïstische godsbegrip. Dat begrip is onverenigbaar met de voorstelling van een God die op een blauwe maandag beslist dat het beter is een kosmos te hebben dan er geen te hebben en liever die dan een andere.

Beweren dat God heeft geschapen, houdt in dat iets in Gods eigen Wezen daartoe heeft aangezet. Vandaag de dag vatten veel denkers dat Wezen op als een dynamische kracht, strevend naar zelfopenbaring. Die kracht zou zich hebben uitgedrukt in een goddelijk evenbeeld: christenen noemen dat het Woord of de Zoon. Vervolgens in een zijn dat, ondanks totale afhankelijkheid van God, toch een eigen wezen bezit. Dát is de schepping. Daar komt geen ‘maken’ bij te pas: ze is een gebeuren binnen Gods eigen leven, waarbij dat leven ook het ‘andere’ van zichzelf komt in te sluiten.

Het aanzien geven aan een ander bestaat niet in het tot stand brengen van een vooraf bepaalde vorm. Het betekent veeleer dat iets helemaal nieuws van vooraf aan begint - een baaierd of een chaos die zelf de vormen moet vinden waarin hij zichzelf kan bestendigen. Door een geleidelijk uitsluiten van interne conflicten die destructief voor het geheel zouden worden, heeft de kosmos uiteindelijk een levensvatbaar evenwicht bereikt. Zo heeft die ook het punt bereikt waar een beeld van een scheppende God mogelijk is: een bewust en vrij wezen. De hele ontwikkeling van kosmos tot mens is een enig avontuur, doordat het heelal daarbij zijn eigen weg heeft moeten zoeken. ‘Scheppen’ betekent: een op zichzelf staand wezen tot aanzijn brengen dat wel van de Schepper afhangt, maar waarover de Schepper geen controle uitoefent. Zoals ook ouders het leven geven aan kinderen, maar uiteindelijk er geen zeggingschap over hebben.

Om voor de mens leefbaar te zijn, moeten de chaotische krachten van de kosmos al een gevorderd evenwicht hebben bereikt. Zo komt het dat wij ons de natuur voorstellen als een ordelijk, organisch geheel dat vertrouwbaar en voorspelbaar is. Die veronderstelling is trouwens noodzakelijk om een natuurwetenschap mogelijk te maken. Het gewone bewustzijn is daarbij evenwel geneigd te vergeten dat die orde het resultaat is van een ontwikkeling die miljarden jaren heeft geduurd en die nooit helemaal is beëindigd. Nu en dan herinneren aardbevingen, vulkaanuitbarstingen en overstromingen ons even aan de chaos die onder de ordelijke oppervlakte verder stormt. Wanneer de oorspronkelijke wanorde zo plots doorbreekt dat zij het menselijk bestaan zelf in het gedrang brengt, kan dat niet anders dan een crisis veroorzaken.

De mens weet toch dat de kosmos op een of andere wijze in hem zijn bestemming heeft gevonden en dat diezelfde kosmos met totale onverschilligheid nu zijn leven bedreigt. Hoe zou je dan, alle argumenten ten spijt, als mens niet in opstand komen? In opstand tegen die oneindige macht die aan mens en kosmos het bestaan heeft gegeven en mét het bestaan ook de gerichtheid op een gemeenschappelijk doel. Emotioneel baat het niet te weten dat dit conflict noodzakelijk volgt uit de zelfstandigheid van kosmos en mens - waaruit juist de schepping bestaat.

In een ramp als die van de tsunami ervaart de mens dat de kosmos nooit helemaal verzoend is met, en in dienst staat van de mens, in wie hij nochtans zijn hoogste vervulling vindt. Hij kan dan in opstand komen tegen de Schepper die voor beide verantwoordelijk is. Of hij kan leren van christelijke en joodse wijzen uit alle eeuwen dat dit de prijs is die de schepping betaalt voor haar zelfstandigheid, en zich troosten met de mystici die ons leren dat die crisis plaatsheeft in Gods eigen Wezen en dat God dus met ons mede-lijdt.

Louis Dupré is emeritus professor aan Yale University.

http://www.tertio.be/archief/2005/T259/T259-k1.htm

4. Microcosmos (Claude Nuridsany & Marie Pérennou)

Bekijk het filmpje

Insecten vormen de sterkste natuurlijke soort op onze planeet. Ze waren er al lang voordat de mens ten tonele kwam en zullen ons waarschijnlijk ook ruim overleven.  De biologen Nirudsany en Perennou spendeerden 15 jaar aan onderzoek, 2 jaar aan het bouwen van de juiste opname apparatuur en vervolgens drie jaar aan het filmen in een door hen nagebouwd grasland om de wonderbaarlijke en rijke microcosmos van het insect in al zijn grandeur vast te leggen. Het resultaat is groots. Technisch perfecte opnames met prachtige close-ups, slow motion en time-lapse sequensen bieden romantiek, lust, humor, drama, rivaliteit en zelfmoord. Elke denkbare Darwinistische oplossing om te overleven onder slakken, spinnen, mieren, bijen en lieveheersbeestjes wordt, ondersteund door geluidseffecten en muziek, tot een menselijk drama verheven. Er zijn scènes waarbij Jurassic Park en slapstick comedy in het niet vallen. Er zijn momenten waarop de getoonde intimiteit het de kijker bijna moeilijk maakt nog ongegeneerd deelgenoot te zijn van een wereld die hem doorgaans koud laat. Na ruim een uur zo dichtbij de communicerende, parende en vechtende insecten te hebben doorgebracht is het bijna onvoorstelbaar geworden dat zij geen emoties zouden hebben en zich van hun eigen bestaan niet eens bewust zijn. Microcosmos is de ultieme natuurfilm.
Noot 1: [18] God, de HEER, dacht: Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past. [19] Toen vormde hij uit aarde alle in het wild levende dieren en alle vogels, en hij bracht die bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten. [20] De mens gaf namen aan al het vee, aan alle vogels en alle wilde dieren, maar hij vond geen helper die bij hem paste (Gen 2,18-20).
Het motief van het namen geven aan alle dieren, werpt enig perspectief op de machtsfactor (onderwerpen en heersen). 
Cf. Neeltje Maria Min:
Noem mij, bevestig mijn bestaan,
Laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.
Noot 2:  De natuur volgt onverstoord haar eigen ritme, zonder zich iets aan te trekken van het lot van de mens. De natuur bezorgt de mens tegelijkertijd koude rillingen van ontroering door zijn sublieme pracht, maar ook het koud zweet van onzekerheid en angst door haar vaak verborgen en bij verrassing exploderende demonische onbetrouwbaarheid. Daarenboven maakt de natuur geen onderscheid tussen 'goeden' en 'slechten'. Ze houdt met niets of niemand rekening. De natuur heeft geen ethisch gevoel of onderscheidingsvermogen, in die zin dat hij zondaars zou straffen en rechtschapen mensen belonen. Voor zover de natuur een bedreiging vormt, is de mens geroepen om de natuur te onderwerpen en te beheersen. Wie zomaar respect eist voor de natuur als zodanig, zonder tegelijk op haar donkere en chaotische dimensie te wijzen, vervalt tot domme naïviteit of tot een verholen sadisme dat de mens overlevert aan ziekte en dood. De mens staat voor de dringende taak de anonieme, dodelijke 'machten van de duisternis' steeds weer te onderwerpen en te beheersen. Dit kunnen we bestempelen als de blijvende betekenis van het scheppen als 'heersen' en 'onderwerpen'.

5. Seven Days that Shook the World (ITN reportage, Tsunami, 12/2005)

Bekijk het filmpje

Op 26 december 2004 vond er een zware aardbeving van 9,3 op de schaal van Richter plaats in de zee nabij het eiland Sumatra op een diepte van ongeveer 10 kilometer. Hierdoor werden verschillende landen rond de Golf van Bengalen getroffen door zware vloedgolven tot wel 10 meter hoog. Het dodental liep op tot ongeveer 290.000 slachtoffers in de kuststreken van de landen Sri Lanka, Indonesië, India, Thailand, Myanmar, Bangladesh, Maleisië, de Maldiven, de Seychellen en de Andaman-eilanden. Vooral het noordelijke puntje van Sumatra werd zeer zwaar getroffen. 60% van de stad Banda Atjeh werd door de tsunami verwoest en alleen hier al vielen meer dan 200.000 doden. De wederopbouw van Kota Radja zal nog jaren duren, maar ook in de andere gebieden moet er nog heel veel gebeuren om de enorme schade te herstellen.

Didactische suggesties

1. Lezing van het scheppingsverhaal

  • Wat is de beginsituatie van dit verhaal (chaos, leegte, duisternis)?
  • Wat betekent scheppen hier (orde scheppen, scheiden, structuur aanbrengen…)?
  • Wat zegt God over de schepping?
  • Is de dreiging van de chaos voorgoed verdwenen?

2. Videobeelden van de tsunami

  • Heeft het, in het licht van deze gebeurtenis, wel zin om te spreken over de goede schepping?
  • Doet dit wel recht aan het lijden van de mensen?
  • Wat kan de mens doen in situaties van dergelijk groot lijden?
  • Wat betekent het hier om beeld van God te zijn?
  • Waar toont God zich wanneer mensen geconfronteerd worden met het lijden?

3. Lezing van de tekst van Dupré

  • Welk Godsbeeld spreekt in deze tekst?
  • Welke visie op de schepping?
  • Hoe percipieert Dupré de scheppingsverantwoordelijkheid van de mens?
  • Kunnen de leerlingen zich vinden in deze visie?

4. Microcosmos

Bekijk het fragment uit Microcosmos (Nuridsany). Zie ook didactische suggestie 4 (omtrent zin en verwondering). Het beeldmateriaal van een mestkever die een bolletje heeft gerold van schapendrek, is zonder meer beklijvend.

  • de schepping raakt snaren [ervaringen van transcendentie, ook bij wetenschappers]
  • de schepping heeft ‘zin’
  • En God beschikte een worm (Jona 4,7) (En zag dat het goed was)

Het fragment helpt om de ons door God toegezegde macht (aarde onderwerpen en dieren beheersen) te kwalificeren. Deze macht is niet blindelings. Cf. de dieren kregen allemaal een naam (Gen 2,18-20) en worden zo juist in hun bestaan erkend (los van een antropocentrische benadering van de schepping).

5. Seven Days that shook the world

(OPGEPAST: SCHOKKENDE BEELDEN). Bekijk het beeldfragment. Dit fragment kan dienen om de inzichten bij hermeneutisch knooppunt 4 in de verf te zetten. De Tsunami eind 2004 was niet de eerste en enige in de mensengeschiedenis. Het was wel een tsunami die de Westerse wereld in het hart trof. Vele van de slachtoffers waren Westerse toeristen. Ook het tijdstip (feestdagen) droeg bij aan de zeer sterke contrastervaringen die op dat moment werden opgetekend.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Voor God spelen (lesimpulsen bij hermeneutisch knooppunt 5)

1.  "Ze hebben eindelijk de truc gevonden"

04/03/1997
In Schotland gekloond schaap Dolly betekent ware revolutie in technologie van voortplanting

Honderden vrouwen zijn bereid zich te laten klonen. De Schotse onderzoeker Ian Wilmut, die het gekloonde schaap Dolly het leven schonk, is de voorbije week overrompeld met aanbiedingen van mensen die graag een kopie van zichzelf willen laten maken. Sommigen dromen reeds van een fabriekje van Claudia Schiffer-klonen, daar moet beslist een markt voor zijn. Ook onvruchtbare vrouwen en mannen zien verrassende perspectieven opduiken. Zeker nu het voorbije weekend bekend raakte dat in de Verenigde Staten onderzoekers erin geslaagd zijn een aapje te klonen. Van aap naar mens, de stap kan niet meer zo groot zijn. Of toch?
"Ik vind dat zeer ernstig. Er is een belangrijke barrière doorbroken." Dat zegt professor Peter Marynen, hoofd onderzoekslabo bij het Centrum Menselijke Erfelijkheid (K.U.Leuven). Voor het eerst kan "in principe" om het even welke lichaamscel van huid, haar of spieren worden gebruikt om een identieke kopie te maken van de moeder.
Sensationeel vindt prof. Marynen dat men in Edingburgh een oplossing gevonden heeft voor een probleem dat onoverkomelijk leek. Want "cellen die zich in het lichaam ontwikkelen, bevatten niet allemáál volwaardige genetische informatie. Ze zijn geprogrammeerd voor specifieke functies, zoals de cellen van lever of hersenen. De genen in die celkernen zijn niet 'actief'. De Schotten zijn er nu in geslaagd een mutulatie door te voeren, wat betekent dat men een wijziging heeft aangebracht waardoor de genen wél actief kunnen worden. Men heeft als het ware de truc gevonden om de schakelaar aan- of af te zetten. Het is wellicht een toevalstreffer, want men schijnt nog niet te weten hoe het precies in zijn werk gaat. Maar het is gelukt, en daar gaat het om."

http://www.gva.be/dossiers/-k/klonen/9.asp

Leefde mijn zoon nog had ik het niet gedaan 

19/07/1997
Moeder die beviel op 62 heeft gemengde gevoelens
CANINO - In april van vorig jaar is in de Verenigde Staten een vrouw van 63 bevallen van een meisje. Daarmee brak de Amerikaanse vrouw het record van de 62-jarige Rosanna Della Corte die in 1994 als 62-jarige het leven schonk aan een nu 3-jarige kleuter. Toen, met de hele wereldpers op haar hielen, was Rosanna dolgelukkig. Maar drie jaar later kijkt ze met gemengde gevoelens terug.
Vandaag verdeelt Rosanna Della Corte haar aandacht en liefde tussen grote Riccardo en kleine Riccardo. De eerste is haar tienerzoon die zes jaar geleden overleed. De tweede is haar andere zoon, van wie ze drie jaar geleden beviel. Ze was 62 en wanhopig op zoek naar een reden om verder te leven.
De verstikkende hitte die dezer dagen over Italië heerst, doet haar aan haar beide zonen terugdenken. «Het was net even heet, toen ik in bed lag te rusten, voor de geboorte van Riccardo,» zegt mevrouw Della Corte. Ze heeft het over haar driejarige zoon die geboren werd op 18 juli 1994. Maar soms is het moeilijk te onderscheiden over welke Riccardo ze het heeft. Praat ze over de vrolijke kleuter met het mollige gezicht die rokken omhoog heft en de wielen van speelgoedautootjes rukt? Of zweeft haar geest terug in de tijd, naar de gebrilde jongeman die verongelukte met zijn motor, op weg naar het strand. Zijn foto's staan overal in het huis: op een tafel in de hal, op de schouw, op iedere keukenkast.

http://www.gva.be/dossiers/-k/klonen/5.asp

Een nieuwe wet regelt het onderzoek op embryo's in een proefbuis. Wat zegt ze?

  • Onderzoek op embryo's in een proefbuis mag slechts als de juiste wetenschappelijke methodologie wordt toegepast. Het moet gebeuren in een erkend labo in een centrum voor reproductieve geneeskunde, verbonden aan een universiteit.
  • Onderzoek mag slechts op embryo's tijdens de eerste 14 dagen na de bevruchting in de proefbuis. Daarbij wordt de invriezingsperiode niet meegerekend. Momenteel kan men embryo's slechts 7 dagen in een proefbuis bewaren (de invriezingsperiode niet meegerekend). Daarna zijn ze te ver ontwikkeld en wordt bewaring te complex. De termijn van 14 dagen werd gekozen omdat vanaf dan het centraal zenuwstelsel wordt aangelegd én de geslachtscellen kunnen worden geïdentificeerd. Maar sommige deskundigen noemen die termijn willekeurig. Ze menen dat experimenten moeten kunnen tot het embryo pijn kan voelen (na 20 tot 28 dagen). Nog anderen leggen de lat op 6 weken omdat dan de elektrische activiteit in de hersenen begint.
  • Er mag geen andere onderzoeksmethode zijn die even doeltreffend is.
  • De experimenten moeten tot doel hebben: het voorkomen of behandelen van ziektes. Volgens dr. Cassiman (K.U.Leuven) kan men nu zo'n 2.000 gekende gebreken aan het DNA opsporen. In enkele universiteiten gaat men na of een proefbuis-embryo mogelijk zware, ongeneeslijke genetische defecten heeft. Er worden géén veranderingen aan een 'slecht' embryo aangebracht omdat men niet kan inschatten wat de gevolgen voor latere generaties zullen zijn. Het slechte embryo wordt vernietigd.
  • In principe mag men geen embryo's in vitro maken louter en alleen voor onderzoeksdoeleinden. Men moet eerst putten uit de overtallige embryo's en die zijn er voldoende in ons land. In België worden momenteel nog geen embryo's gekweekt voor wetenschappelijk onderzoek. Wel verkopen medische labo's stamcellen en daarop is geen enkele controle. De nieuwe wet stelt daarom dat men geen embryo's of stamcellen voor commerciële doeleinden mag gebruiken.
  • Verboden blijft: menselijke embryo's waarop geëxperimenteerd is inplanten bij dieren of bij mensen. Behalve als het onderzoek net werd verricht om een erfelijke ziekte bij het embryo zelf tegen te gaan. Eugenetica of het veredelen van het menselijk ras mag al evenmin. Deze veredeling van het ras wordt ook in progressieve kringen steeds meer bepleit: de groene denker Peter Sloterdijk is er een groot voorstander van en in Frankrijk wil de omstreden auteur Michel Houellebecq het.
    Verboden blijven ook: onderzoeken en behandelingen om het geslacht van de baby's te bepalen.
  • Alle onderzoek moet worden aangevraagd bij het ethisch comité van de Universiteit én bij de Federale Commissie voor medisch en wetenschappelijk onderzoek op menselijke embryo's. Die beslist binnen de twee maanden. Om een onderzoek af te wijzen is een tweederde meerderheid nodig. De Federale Commissie bestaat uit 14 specialisten in het domein. Zij evalueert ook de wet.
  • De ouders, die hun genetisch materiaal afstaan, moeten eerst grondig geïnformeerd zijn en vrijwillig hun toestemming verlenen

http://www.gva.be/dossiers/-k/klonen/6.asp

Ecce Home van Bryan Crockett als vertrekpunt bij het bespreken van de ‘voor God spelen’ metafoor in biotechnologie. In dit kunstwerk wordt de genetische gemodificeerde oncomuis gerepresenteerd als de Christus figuur. Dit manhoge marmeren beeld is een veelzeggende verbeelding van de ‘voor God spelen’ metafoor. Het suggereert niet alleen dat wetenschappers die betrokken zijn bij muisbiotechnologie voor God spelen, maar ook dat biotechnologen pretenderen verlossing te brengen.

2. Geraaskal over het kiezen van genen

http://noorderlicht.vpro.nl/ (Ubermensch)

Lee Silver is moleculair bioloog en houdt van de controverse. Zo heeft hij een boek geschreven met de titel Remaking Eden: How Genetic Engineering and Cloning Will Transform the American Family. Zondag 8 december 2002 sprak hij over het kiezen van de erfelijke eigenschappen van je kinderen, en de gevolgen daarvan op lange termijn, in het VPRO-televisieprogramma Tegenlicht.

Didactische suggesties

  • Begrijpen de leerlingen de metafoor ‘God spelen’?
  • Wat wordt met deze metafoor precies bedoeld?
  • Welke kritiek ligt in deze metafoor vervat?
  • In de scheppingsleer wordt gesproken over de mens als hoeder of als rentmeester van de schepping.
  • Welk beeld vinden ze te verkiezen?
  • Hoe verhoudt het ‘voor God spelen’ zich tot de spirituele christelijke houding waarin de mens de schepping van God als een geschenk ontvangt?
  • Is de kloontherapie een gepaste manier om met een geschenk om te gaan?
  • Mag de mens eigenlijk wel ingrijpen in de schepping?
  • Wat zijn de problemen als de mens helemaal niet mag ingrijpen?

In deze context is het belangrijk het onderscheid tussen het therapeutisch en het reproductief klonen te introduceren.

Zie

  • Paul Schotsmans & Bart Hansen, Menselijke stamcellen: belofte van eeuwig leven?, in Tijdschrift voor Theologie (2003) 133-148.
  • Bart Hansen, Kris Dierckx & Paul Schotsmans, Voortplantingsgericht klonen. Een christelijk geïnspireerde ethische beschouwing, in Bijdragen. International Journal for Theology and Philosophy 65 (2004), 170-188.

Aansluitend hierbij: het kunstwerk van Bryan Crockett

  • Hoe begrijpen de leerlingen dit kunstwerk?
  • Zien de leerlingen een verband met de metafoor ‘God spelen’?
  • Wordt deze metafoor hier op een positieve of een negatieve wijze afgebeeld?
  • Zien ze ook het verband met de Christus-figuur die verlossing brengt?

Bekijk De Übermensch, Eugenetica

  • Wat zijn de gevaren van genetische modificatie en klonen?
  • Kunnen we iets leren van de geschiedenis van de Eugenetica?
  • Moet deze geschiedenis ons weerhouden om verder onderzoek te verrichten?

Bekijk De Übermensch, Klonen

  • Wat is de redenering van de vader in dit fragment?
  • Heb je begrip voor deze redenering?
  • Moet deze technologie mogelijk worden gemaakt voor ‘de consument’?

Bekijk De Über Mensch, Designer Babies

  • Klasdiscussie

Scheppen en uitsluiten (Lesimpuls en didactische suggestie bij hermeneutisch knooppunt 6)

Scheppen is scheiden en op die manier trachten de chaos te cultiveren. Maar is scheppen soms ook niet meer dan dat? Is er niet vaak sprake van onderdrukking en uitsluiting? En zijn de ‘scheppende’ machten zich wel voldoende bewust van de blinde vlekken in hun eigen creaties?
Deze laatste lesimpuls en didactische suggestie wil de leerlingen zelf in de rol van ‘schepper’ plaatsen en daagt hen uit om hun ‘ideale schepping’ te creëren. De nadruk ligt daarbij op creativiteit. Net als God worden de leerlingen in de rol van ‘boetseerder’ geplaatst. Met klei boetseren ze de schepping zoals die er volgens hen moet uitzien.

Deze oefening kan niet enkel uitmonden in een kleine tentoonstelling, maar kan ook uitdagen tot een syntheseproces van het hele lesgebeuren rond de scheppinsgproblematiek.
De leerlingen stellen kritische vragen bij elkaars ‘schepping’ vooral vanuit het perspectief van de uitsluiting:

  • Wat is er afgebeeld en wat niet?
  • Welke plaats heeft de mens gekregen in de schepping?
  • Welke plaats krijgen de dieren en de natuur?
  • Wat was de belangrijkste bekommernis van de schepper?
  • Hoe verhoudt de schepper zich tot zijn/haar schepping? Is hij/zij nog aanwezig in de schepping?
  • Is de schepping goed?
  • Wat is de verantwoordelijkheid van de mens?
  • Is de schepper mannelijk of vrouwelijk? En hoe is dit zichtbaar in de schepping?

More (Mark Osborne, 1998)

Bekijk het filmpje

‘More’ vertelt het verhaal van een uitvinder die in een saaie, kleurloze wereld leeft. Dag na dag werkt hij zich te pletter in een ruwe, ontmenselijkende baan. Zijn enige houvast is de herinnering aan zijn gelukkige kinderjaren. ’s Nachts werkt hij in het geheim aan een uitvinding die hem kan helpen deze herinnering opnieuw tot leven te brengen en ook te delen met iedereen in zijn met wanhoop gevuld leventje. Wanneer hij zijn uitvinding realiseert, verandert dat de manier waarop mensen de wereld bekijken. Maar zijn succes verandert ook de uitvinder zelf.

Reacties op deze in de kijker

De ingezonden reacties tot nu toe:

  • 22-06-2008
    Griet Van Coillie
    Leerkracht(e) secundair onderwijs

    Ik werkte dankbaar met deze in de kijker, gecombineerd met een vorige vanuit de film van Al Gore 'An inconvinient truth'.

    Als afsluiting van het project heb ik een deugddoende workshop Indische sacrale dans met de leerlingen gedaan, vanuit de energie in de kosmos. Een aanrader!(zie bijlage)

     

    Download bijgevoegd bestand

    Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Geef uw eigen aanvullingen, suggesties, ervaringen, reacties,... door

Vul onderstaande velden in (de identificatievelden zijn niet verplicht in te vullen) en klik op verzenden. Uw feedback wordt dan op deze pagina opgenomen.

Naam:
E-mailadres:

U bent:

Uw reactie/vraag/opmerking/suggestie:

Indien gewenst, stuur hierbij een bestand mee:

Visual CAPTCHA

Vul bovenstaande code in:


Als u een bestand meestuurt, kan het even duren vooraleer u
op de volgende pagina terechtkomt
.
Gelieve toch maar één keer op 'Verzenden' te klikken.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina


Gedichtendatabank