
Bekijk de dvd 4-kant voor God op Thomas (opent in een nieuw venster)
Nodig een priester of religieus/ze uit in uw school of in uw klas voor een getuigenis! (opent in een nieuw venster)
Inhoud
In het kader van het verschijnen van de dvd ‘4-kant voor God’ waarin priesters, priesters in opleiding en een kloosterzuster getuigen over hun roeping, stellen wij u deze in de kijker voor rond priesterroeping. Deze in de kijker sluit aan bij de in de kijker rond roeping in het algemeen die nog steeds op de Thomas-website te vinden is, maar in deze in de kijker wordt meer specifiek ingegaan op het eigene van de priesterroeping en de religieuze roeping, zonder evenwel aspecten van de roeping die alle mensen kunnen ervaren uit het oog te verliezen.
Praten over priesterroeping in een klasgroep is niet echt een evidentie; er heerst immers bij vele leerlingen een verkeerd en stereotiep beeld van priesterschap. Dit beeld is vaak gestuurd door de media, waarin problematieken als het celibaat worden uitvergroot en andere facetten van het priesterschap weinig of geen ruimte krijgen. Bovendien hebben de meeste leerlingen weinig of geen contact met priesters. De dvd ‘4-kant voor God’ en in het verlengde en ter aanvulling daarvan ook deze in de kijker trachten een meer genuanceerd beeld van priesterschap te schetsen (zonder evenwel alle aspecten van priesterschap uitgebreid te behandelen), rekening houdend met de gedachte dat het concept van ‘priesterroeping’ bij vele leerlingen niet meteen interesse zal oproepen. Wanneer men het met leerlingen over priesterschap heeft, bestaat het risico dat de discussie quasi automatisch vernauwd wordt tot het meer sensatiegerichte en het problematiserende. Hoewel het belangrijk is om hiervoor ruimte te laten, is het tegelijk de bedoeling dat men deze insteek overstijgt en voornamelijk gaat focussen op het aspect van ‘roeping’ dat met het priesterschap verbonden is.
De DVD ‘4-kant voor God’
kan besteld worden via www.roepingen.be
en kost 10 euro (5 euro + 5 euro voor verzending)
Bekijk de dvd 4-kant voor God op Thomas
Dvd 4-kant voor God
Bekijk de dvd 4-kant voor God op Thomas
Een nieuwe dvd voor het secundair onderwijs moet jongeren de weg naar het klooster of het priesterschap wijzen. De Kerk blijft immers een weinig aantrekkelijke werkgever: dit jaar begonnen slechts vijf seminaristen aan een priesteropleiding. Zeven anderen kozen voor het klooster.
Hoewel de dvd zich op jongeren richt, lijkt de toekomst van de Kerk elders te liggen. ’In het bisdom Antwerpen zijn het vooral dertigers en veertigers die voor een leven als priester kiezen’, zegt Bart Paepen, rector van de Antwerpse seminaristen.
Op de dvd 4-kant voor God vertellen jonge religieuzen over hun leven en hun roeping. Het filmpje zal beschikbaar zijn voor leerkrachten godsdienst in het secundair onderwijs en moet, dixit de perstekst, ’jongeren ook helpen om zelf tot helderheid te komen’.
"De mogelijkheid dat jongeren hierdoor hun eigen roeping ontdekken, zullen we zeker niet uit de weg gaan", zegt Bart Coenegrachts, coördinator van het Vlaams roepingenpastoraal, "maar de dvd stopt daar niet. We willen jongeren kennis laten maken met het leven van religieuzen want we merken dat de jeugd dat niet meer kent. Daarenboven kan het tieners doen stilstaan bij hun eigen levensvragen. Wat wil ik? Wat doe ik met mijn leven?"
Twaalf mensen kozen dit jaar voor een leven in dienst van god. Vijf in een seminarie, zeven in een klooster. "Er zijn bepaalde congregaties die toch nog een aantrekkingskracht hebben op jongeren", aldus Coenegrachts. "Ik denk dan vooral aan ordes met een sterke spirituele achtergrond. Eén van de ingetreden mensen, doet dat voorlopig op proef. Dat stimuleren we. Vroeger, toen de binding van Kerk en maatschappij nog sterker was, wist iedereen hoe het religieuze leven eruit zag. Nu is dat anders: voor beide partijen is het beter dat er eerst even gekeken wordt of het kloosterleven wel is wat ervan verwacht werd."
Wat de seminaries betreft is het bisdom Brugge veruit het meest succesvolle op het vlak van roepingen. Aan het Grootseminarie bereiden zich momenteel dertien kandidaat-priesters voor. Drie van hen zijn nieuw sinds dit jaar. Het gaat om twee jongens die pas afgestudeerd zijn in het secundair en één late roeping. "We zeggen vaak ’er komen er meer omdat er meer zijn’", aldus Koen Vanhoutte van het Grootseminarie. "Dat klopt. Jongeren weten dat ze hier niet alleen zijn. Er zijn er nog die de keuze gemaakt hebben. Bovendien zijn er de voorbije jaren ook wel enkele jonge priesters afgestudeerd en die komen ze in hun eigen parochies ook al wel eens tegen."
In Antwerpen bewandelen ze een andere weg. "We hebben dit jaar één nieuwe seminarist", vertelt Paepen. "Een dertiger die van opleiding reclametekenaar is. Op dit moment zijn er vier dertigers en veertigers bezig aan een priesteropleiding. Ze volgen die in Nederland: de eerste vier jaar blijven ze hun gewone werk doen en volgens ze les in het weekend, de laatste twee jaar doen ze stage. Ik geloof er sterk in dat dit het model is voor deze tijd. Kiezen voor de Kerk is allesbehalve vanzelfsprekend de dag van vandaag en mensen die op latere leeftijd toch beseffen dat ze een roeping hebben, kiezen vaak bewuster en staan sterker in hun schoenen."
www.kerknet.be

Dient er een fundamenteel onderscheid gemaakt te worden tussen de priesterroeping en andere roepingen binnen de kerk? Zijn alle roepingen gelijk of is er wel degelijk een fundamenteel en sacramenteel onderscheid tussen de roeping op basis van het doopsel en die op basis van de wijding? In de terreinen voor 1b
In de terreinen voor het beroepsvoorbereidend leerjaar
In de terreinen voor het 1e jaar van de 1e graad
In de terreinen voor het 2e jaar van de 1e graad
In de terreinen voor het 1e jaar van de 2e graad ASO
In de terreinen voor het 2e jaar van de 2e graad ASO
In de terreinen voor het 1e jaar van de 3e graad ASO
In de terreinen voor het 2e jaar van de 3e graad ASO
In de terreinen voor het 1e jaar van de 2e graad BSO
In de terreinen voor het 2e jaar van de 2e graad BSO
In de terreinen voor het 1e jaar van de 3e graad BSO
In de terreinen voor het 2e jaar van de 3e graad BSO
In de terreinen voor het 1e jaar van de 2e graad TSO/KSO
In de terreinen voor het 2e jaar van de 2e graad TSO/KSO
In de terreinen voor het 1e jaar van de 3e graad TSO/KSO
In de terreinen voor het 2e jaar van de 3e graad TSO/KSO
In de terreinen voor het 3e jaar van de 3e graad en de 4e graad

Kerkelijke documenten over priesterschap en roeping
Fragmenten uit: “Hij heeft ons krachtig moed willen inspreken” Een brief aan de priesters ter bemoediging
“Als priesters beleven we inderdaad moeilijke tijden. Er is te veel om op te noemen: secularisatie en onverschilligheid, spanningen binnen de Kerk rond dogma en moraal, het slinkende aantal priesters en religieuzen en het geringe aantal roepingen in onze streken, het afkalven van het voluntariaat en het uitdoven van het sociologisch christendom met zijn homogene christelijke cultuur. Ook de figuur van de priester verandert: hij heeft meer en meer verantwoordelijkheid te dragen over een steeds uitgebreider territorium, met als gevolgd dat hij dreigt te vereenzamen door de steeds lossere band met een concrete gemeenschap. (…)
De priester moet een bruggenbouwer zijn tussen twee oevers, tussen wet en barmhartigheid, tussen behoudend en vooruitstrevend, tussen leer en praxis, veeleisendheid en begrip. Werk voor een heilige Christoffel in een steeds versnellende stroom. De vragen die op hem afkomen worden ook steeds moeilijker: problemen (vooral inzake moraal) die vroeger alleen op de tafel van de theoloog belandden, krijgt iedere priester nu zowat elke dag op zijn bord. Eén item uit het avondjournaal volstaat al. Dan is er nog de ‘ontbossing’ van het christelijk geheugen waardoor vele christenen hun moedertaal niet meer kennen. Het valt dan ook niet meer voor de priester om te antwoorden op hun vragen. Ten slotte is er nog de eigen broosheid en zwakheid. (…)
Er zijn dus pijnpunten in ons leven als priesters, maar iedere wonde is ook een plaats van genade. Een chirurg maakt wonden om te genezen en God plant het kruis altijd in verrijzenisgrond. Daarom deze brief speciaal gericht tot u, priesters om u te bemoedigen en te danken.”
(De Belgische bisschoppen, januari 2007)
Fragmenten uit: “Medewerkers aan uw vreugde”
De oorsprong en wortel van het priesterschap ligt in de Christus, die roept en zendt. Maar worden niet alle gelovigen geroepen en gezonden? Waar ligt dan het onderscheid? 
De priester wordt geroepen en gezonden tot een heel eigen taak: Christus in de Kerk aanwezig stellen als hoofd, als Degene die verlost en heiligt. Want Christus is hoofd en ledematen, het volle lichaam. Zo zijn de priesters met de gelovigen, de ledematen van de Christus. Maar voor de gelovigen en tegenover hen, zijn de priesters diegenen die de Christushoofd vertegenwoordigen, tegenwoordig stellen. Priesters zijn uit de mensen genomen maar ze zijn voor hen aangesteld om te werken voor hen en onder hen. Het hoofd is niet gescheiden van, maar het valt evenmin samen met de ledematen. Zo ook de priester: bij alle verbondenheid met het gelovige volk blijft hij een vis-à-vis. Hij behoort tot het volk maar staat er ook tegenover. Zo wordt aan het ene priesterschap van Christus op een dubbele manier deelgenomen. Door allen krachtens hun dooppriesterschap, door de priesters krachtens hun wijding en de deelname aan het ministerieel priesterschap. Die twee vallen niet samen: ze verschillen wezenlijk, zijn onuitwisselbaar en onherleidbaar tot elkaar, maar ze zijn evenmin van elkaar te scheiden. Het is wel zo dat het priesterschap van de priester geheel gericht staat op dat van de gelovigen. Het is van de orde van het middel. Hij is er voor hen. De enige reden van het bestaan van zijn priesterschap is het andere mogelijk te maken. De gelovigen in staat te stellen om heel hun zijn en doen als een ‘geestelijke offergave’ aan God aan te bieden.
Daaruit volgt dat niemand ermee gediend is als beide priesterschappen verward worden of dooreengehaald, of als de grenzen zouden vervagen. Ook niet als ze kunstmatig tegen elkaar worden uitgespeeld. We hebben er alle belang bij als priesters meer priester worden en leken meer leek. Het gaat om de integriteit en de volle waarheid van Christus’ tegenwoordigheid onder ons: als hoofd en ledematen van het ene lichaam.
Je kan dat ook anders zeggen: de priester draagt in zich een bijzondere aanwezigheid van de Christus en hij is met de Geest bekleed op een unieke manier. Dat behoedt hem niet voor zwakheid, onwetendheid en falen, ook niet voor zondigheid. Alle priesterlijke daden zijn zelfs niet op gelijke wijze gegarandeerd. Er is wel totale garantie voor zijn sacramenteel handelen: zelfs zijn zonde doet het sacrament nooit teniet. Maar veel van zijn andere daden zijn wel getekend en soms verwond door menselijke ontoereikendheid en zonde. Daarom is het zijn opdracht en zijn plicht zich dagelijks te bekeren en te zoeken door studie, overleg en ervaring naar de gave om te kunnen onderscheiden tussen wat leidt naar “opbouw of naar afbraak” (cf. 2 Kor 10,8) van de gemeenschap. Daarom moet hij bidden, zich door zijn broeders en zusters, priesters en leken, door de Kerk laten corrigeren, helpen en bijstaan. En kijken naar wat de heiligen vóór hem hebben gedaan.
(Kardinaal Godfried Danneels, Een woord bij… Pasen 1990)
Fragmenten uit: “Hier ben ik, Heer” Over roepingen
De ‘roepingloze’ mens
Er is ons een dubbel virus binnengeslopen. Het eerste is dat van een overtrokken beroep op de rechten van de subjectiviteit: “wat ik wil, dat moet mogen en kunnen”. Het andere is de vrijheidskoorts: “niemand heeft het recht mijn terrein af te bakenen”. Dan wordt subjectiviteit subjectivisme en vrijheid ontaardt in arbitraire zelfbeschikking. Dan krijgen het sociaal gevoel en de solidariteit veel te lijden. Dit individualisme en deze vrijheidskoorts zullen sterk merkbaar zijn op het stuk van kerkbewustzijn en kerkelijk gevoel: “God mag me misschien iets vragen, maar de Kerk toch niet”.
Zo ontstaat wat men de ‘roepingloze mens’ heeft genoemd. Hij ontwikkelt geen toekomstproject meer. Het levensproject dat hij kiest, blijft ingeschreven binnen het enge kader van persoonlijk economisch comfort, sentimentele voldoening, veiligheid en gewaarborgde vrijheid. Grotere projecten maakt de ‘roepingloze’ mens niet meer. Vooral de jonge mens moet leven in een cultuur van anti-roeping. Hij is een zwerver, affectief, cultureel, moreel en religieus. Hij heeft geen woonplaats meer, hij ‘kampeert’. Van zwerven word je moe. Niet weinig jonge intelligente en begaafde jongeren, die echt willen leven, in iets geloven, een ideaal nastreven, opkomen voor een betere wereld, raken uitgedoofd.
En wat nu?
Het roepingenprobleem zit dus heel diep. We zullen het niet kunnen verhelpen met een strakke toegespitste publiciteit, met verkoopstechnieken of marktstudies. De hele cultuur moet genezen worden. Er moet zorg besteed worden aan de mentale hygiëne van een heel tijdsbestel. Er moeten fundamentele vragen gesteld en opgelost worden. Wat is vrijheid? Waar ligt de juiste verhouding tussen objectieve waarheid en wet enerzijds en subjectief verlangen en aanvoelen anderzijds?
Alleen als die vragen opgelost raken, wordt weer een mens geboren die nog toekomst wil maken, die weer idealen formuleert en projecten opzet. In zo een klimaat komt weer de frisse zuurstof binnen van de droom en de moed om die waar te maken. “Gelukkig de mensen die durven te dromen en die bereid zijn de prijs ervoor te betalen om ze te realiseren.” (Kard. L.J. Suenens)
Het gaat om veel meer dan meer priesters en religieuzen te krijgen. Er is vooral nood aan een nieuwe lente van idealisme, aan zin voor objectieve waarheid, aan een nieuw waardebesef en zin voor ware vrijheid: een ethische ‘her-stichting’ van onze beschaving.
(Kardinaal Godfried Danneels, Een woord bij… Pasen 1999)
Lumen Gentium, hoofstuk 3, ARTIKEL 11 - Het ministerie van de priesters en hun verhouding tot de bisschop, de medepriesters en het christenvolk
Christus, die door de Vader werd geheiligd en in de wereld gezonden (Joh. 10, 36), heeft door zijn apostelen de bisschoppen, die hun opvolgers zijn, deelachtig gemaakt aan zijn heiliging en zending. De bisschoppen op hun beurt hebben de taak van hun ministerie op allerlei personen in de Kerk wettig overgedragen in verschillende graden. Zo wordt het kerkelijk ministerie, dat door God is ingesteld, in verschillende rangen uitgeoefend door personen, die reeds van ouds bisschoppen, priesters en diakens worden genoemd. De priesters, hoewel niet bekleed met de hoogste waardigheid van het pontificaat en in de uitoefening van hun functie afhankelijk van de bisschoppen, delen met hen toch de eer van het priester-zijn en worden door het sacrament van het priesterschap naar het beeld van Christus, de eeuwige Hogepriester (Hebr. 5, 1-10; Hebr. 7, 24; Hebr. 9, 11-28), gewijd om het Evangelie te verkondigen, de gelovigen te leiden en de goddelijke eredienst te vieren, als echte priesters van het nieuwe verbond. In hun rang deelachtig aan de zending van de enige Middelaar Christus (1 Tim. 2, 5), prediken zij aan allen het woord Gods. Vooral echter oefenen zij hun heilig ambt uit bij de eucharistische eredienst of Synaxis, waarbij zij de persoon van Christus vertegenwoordigen, zijn mysterie verkondigen, de gebeden van de gelovigen verenigen met het offer van hun Hoofd, en het enige offer van het nieuwe verbond, nl. dat van Christus, die zichzelf als een onbevlekte offerande éénmaal heeft geofferd aan de Vader, tegenwoordig stellen en toepassen in het offer van de Mis, tot aan de komst van de Heer. Voor de boetvaardige of de zieke gelovigen oefenen zij in de hoogste mate het ministerie uit van verzoening en versterking, en zij brengen de noden en de gebeden van de gelovigen voor God de Vader. De zending van Christus, als Herder en Hoofd, oefenen zij uit naar gelang van hun gezag en verenigen zo Gods volk als een broederlijke gemeenschap, door één geest bezield, en voeren het door Christus in de Geest tot God de Vader. Te midden van hun kudde aanbidden zij Hem in geest en waarheid. Zij belasten zich met prediking en onderricht, gelovend wat zij in de wet van de Heer hebben gelezen en overwogen, onderwijzend wat zij gelovigen, belevend wat zij onderwijzen.
Als zorgzame medehelpers, die de steun en de rechterhand zijn van de bisschop, zijn de priesters geroepen, het volk Gods te dienen en vormen zij samen met hun bisschop één college van priesters, belast met verschillende taken. In de afzonderlijke plaatselijke gemeenschappen van gelovigen stellen zij de bisschop, tegenover wie zij staan in vertrouwen en loyaliteit, in zekere zin tegenwoordig, en nemen naar vermogen zijn lasten en zorgen op zich en geven daaraan hun dagelijkse toewijding. Onder het gezag van de bisschop heiligen en besturen zij het hun toevertrouwde deel van de kudde des Heren; zij maken in hun gebied de universele Kerk zichtbaar en dragen krachtig bij tot de opbouw van het gehele lichaam van Christus. In hun voortdurende zorg voor het welzijn van de kinderen Gods moeten zij trachten mee te werken aan de pastorale activiteit van geheel het diocees, ja van geheel de Kerk. Vanwege hun deelhebben aan het priesterschap en de zending van de bisschop moeten de priesters hem werkelijk als hun vader erkennen en hem eerbiedig gehoorzamen. De bisschop van zijn kant moet de priesters, zijn medewerkers, beschouwen als zonen en vrienden, zoals Christus zijn leerlingen geen dienaars meer noemt, maar vrienden. Op grond van hun wijding en hun bediening zijn dus alle priesters, diocesane en reguliere, ten nauwste verbonden met het college van bisschoppen en dienen zij, overeenkomstig hun roeping en genade, het welzijn van de gehele Kerk.
Krachtens hun heilige wijding en zending, die zij gemeen hebben, zijn alle priesters door innige banden van broederschap met elkaar verbonden; en deze broederschap moeten zij graag en spontaan tonen door wederzijdse hulp op geestelijk en stoffelijk, op pastoraal en persoonlijk terrein door bijeenkomsten en door een gemeenschap van leven, arbeid en liefde.
Voor de gelovigen, die zij door het doopsel en het onderricht geestelijk hebben voortgebracht, moeten zij zorg dragen als hun vaders in Christus. Als een voorbeeld voor hun kudde met hart en ziel (1 Petr. 5, 3), moeten zij hun plaatselijke gemeenschap zó leiden en dienen, dat deze waardig de naam kan dragen, die de erenaam is van het ene en gehele volk Gods: de Kerk van God. Zij mogen niet vergeten, dat zij, door hun dagelijks gedrag en hun dagelijkse zorg, aan gelovigen en ongelovigen, katholieken en niet-katholieken, het beeld te zien moeten geven van een waarachtig priesterlijk en pastoraal ministerie, en dat zij voor allen getuigenis moeten afleggen van de waarheid en het leven, en als goede herders ook degenen moeten zoeken die wel in de katholieke Kerk zijn gedoopt, maar vervreemd zijn van de sacramenten of zelfs van het geloof zijn afgevallen.
Naarmate de mensheid tegenwoordig steeds meer een eenheid wordt op burgerlijk, economisch en sociaal gebied, des te meer moeten de priesters, in een eendrachtig streven en met bundeling van hun krachten onder de leiding van de bisschoppen en van de paus, alles uitbannen, wat hun arbeid kan versnipperen, opdat heel de mensheid moge komen tot de eenheid van het volk Gods.
Fragmenten uit: “De priester, herder en leidsman van de parochiegemeenschap”
De hele geschiedenis van de Kerk wordt verlicht door schitterende voorbeelden van een waarlijk radicale pastorale inzet; het betreft een talrijke schare heilige priesters, zoals de pastoor van Ars, de patroon van de pastoors, die tot een erkende heiligheid gekomen zijn door een edelmoedige en onvermoeibare toewijding aan de zielzorg, gepaard gaande met een diepgaande ascese en een diep innerlijk leven. Deze herders, die door de liefde voor Christus en de daaruit voortvloeiende herderlijke liefde verteerd werden, vormen een beproefd evangelie.
Sommige stromingen binnen de hedendaagse cultuur begrijpen innerlijk leven, versterving en spiritualiteit verkeerd als een vorm van intimisme, vervreemding en derhalve egoïsme dat niet in staat is de problemen van de wereld en de mensen te begrijpen. Ook is er op verschillende plaatsen een veelsoortige typologie van priesters ontstaan: van socioloog tot therapeut, van arbeider tot politicus, tot manager … tot ‘gepensioneerd’ priester. Wat dit betreft, dient men erop te wijzen dat de priester de drager is van een ontologische wijding die voor de volle tijd duurt. Zijn wezenlijke identiteit dient gezocht te worden in het merkteken dat hem door het wijdingssacrament is verleend en waarop de herderlijke genade zich vruchtbaar ontwikkelt. Daarom zou de priester altijd als priester alles moeten kunnen doen wat hij doet. Hij is, zoals Don Bosco zei, priester aan het altaar en in de biechtstoel, evenals op school, op straat en overal. Soms worden de priesters zelf door bepaalde huidige omstandigheden bijna ertoe gebracht te denken dat hun ambt zich aan de rand van het leven bevindt, terwijl het in werkelijkheid in het middelpunt zelf hiervan staat, aangezien het in staat is alles te verlichten, te verzoenen en nieuw te maken.

De Katechismus over het priesterschap
'Het gewijde ambt of het ambtelijk priesterschap' staat ten dienste van het gemeenschappelijk priesterschap dat voortkomt uit het doopsel. Het staat er borg voor dat het in de sacramenten wel degelijk Christus is die door de heilige Geest ten bate van de kerk handelt. De heilszending die door de Vader aan zijn mensgeworden Zoon werd toevertrouwd, wordt nu aan de apostelen en, door hen, aan hun opvolgers toevertrouwd: zij ontvangen de Geest van Jezus om in zijn naam en zijn persoon te handelen. Zodoende is de gewijde bedienaar de sacramentele band die de liturgische handeling verbindt met wat de apostelen gezegd en gedaan hebben, en, door hen, met wat Christus, bron en fundament van de sacramenten, gezegd en gedaan heeft.
(Katechismus, par. 1120)
Verdere literatuur
Boeken
P. Chatilion Counet (ed.), De nieuwe priesters. Religiositeit op onverwachte plaatsen en momenten, Zoetermeer, 1999.
K. Demasure, K. Depoortere (ed.), Pastor zijn. Geven wat je ontvangt, Antwerpen,
W. Kasper, Dienaar van de vreugde. Leven als priester, dienen als priester, Tielt, 2008.
P. Pas, De zeven sacramenten op de drempel van het nieuwe millennium, Leuven, 1998.
Tijdschriften
E. Van Lierde, Priesters over hun roeping en werk. Beoefenaars van knelpuntberoep zijn gelukkig, in Tertio, 21 maart 2007.
Korte inhoud:
Uit de grootscheepse priesterenquête van Gazet van Antwerpen en Het Belang van Limburg bleek het beeld van de eenzame priester een mythe te zijn. Door de band zijn priesters gelukkige mensen. Ze zijn tevreden met hun keuze voor het priesterschap. Toch vonden de bisschoppen het nodig de priesters een hart onder de riem te steken. Ze deden dat in de brief Hij heeft ons krachtig moed willen inspreken. Priesters hebben het vandaag zeker niet gemakkelijk en daar hebben de bisschoppen alle begrip voor, was de boodschap.
Een aantal priesters vond de brief wat te zwartgallig. Vijftien Waalse priesters reageerden in La Libre Belgique dat zowel de visie op de wereld als op het priesterschap in de brief te negatief was. ,,Zo kijken wij, priesters, niet tegen onze job en de wereld aan. Wij halen voldoening uit ons werk, alleen komt de appreciatie vooral van de mensen met wie we elke dag werken.’’ De brief van de bisschoppen is wel wat analyserend en docerend. Zijn priesters nu tevreden of ontmoedigd? Tertio laat daarom vier priesters reageren op die brief, ieder over een ander thema: tijdsbesteding, gebed, celibaat en broederlijkheid. Daaruit blijkt dat vreugde en hoop het laatste woord hebben.
Eind februari werd Jan Arnalsteen 46. Op zijn verjaardag zag hij de eerste paasbloemen in de tuin van de pastorie. Wie weet zal in de toekomst zelfs de vroegste Pasen te laat komen om met narcissen te worden getooid. Maar ook in de kerk is het klimaat veranderd.
De brief van de bisschoppen is wat docerend, maar gelukkig bevat hij ook citaten uit de evangelies en uit Paulus die veel directer zijn, merkt Bart Coenegrachts op. Toch is hij blij dat de bisschoppen de priesters aanmoedigen en danken, dat ze bekennen dat ook zij soms ontmoedigd raken. Dat schept een grote verbondenheid en geeft nieuwe moed en hoop.
Ongehuwd zijn is ‘in’, maar ongehuwd zijn voor het Rijk Gods wordt als onbegrijpelijk en totaal onverantwoord aangezien, zelfs onmogelijk geacht en verdacht gevonden. Wat betekenen het celibaat en ‘ongehuwd voor het Rijk Gods’ eigenlijk? Voor Marc Meganck dekken beide termen niet dezelfde realiteit.
Jezus zond zijn leerlingen twee aan twee voor zich uit. Voor Gerard Janssen betekent dit dat iemand nooit alleen priester kan zijn en dat broederlijkheid van wezenlijk belang is voor het kerkelijk leven. Dat kan vorm krijgen door samen te overleggen, samen te eten, samen te bidden of samen te wonen.
E. Van Lierde, Parochies en pastoors blijven hoeksteen van kerk, in Tertio, 9 april 2008.
Korte inhoud:
Al vergrijst het Vlaamse priesterkorps en ontbreekt de instroom van jonge priesters, het aantal parochies blijft stabiel en het ziet er niet naar uit dat binnenkort veel kerken worden gesloten of parochies afgeschaft. Net als elke minderheidsgroep hervindt de kerk haar identiteit en daardoor wordt ze vitaler en krachtiger. Omdat parochies en kerkgebouwen de gelovige gemeenschap zichtbaar en toegankelijk maken, blijven ze het best behouden om de zending van de kerk in de wereld te realiseren. Toch beïnvloeden de wijzigingen in onze cultuur de functies die parochies en pastoors vervullen. Hoe kijken een parochiepriester, pastoraaltheoloog en parochievicaris naar de evoluties in de parochiepastoraal?
Links
www.roepingen.be
www.priesterworden.be
www.kerkvrouwen.be
www.diakenworden.be
http://seminartist.blogspot.com/search/label/roepingen

Kader: 4-kant voor God
Een thematische schriftelijke neerslag van de interviews op DVD, inclusief extra materiaal, kan u hier downloaden als Word-bestand.
De in de kijker is ontwikkeld rondom het kader van de DVD 4-kant voor God. De verschillende impulsen werken thematieken verder uit die in de DVD opgeroepen worden.


In onderstaand overzicht wordt aangegeven bij welke impulsen de verschillende DVD-fragmenten aansluiting vinden, zodat men ervoor kan kiezen om ofwel met fragmenten van de DVD te gaan werken en deze dan telkens verder uit te diepen door middel van de bijhorende impulsen, ofwel de hele DVD te vertonen en achteraf enkele sporen uit te diepen door middel van de impulsen.
Film 1: Bart: Mijn hart brandde van vreugde en vrede
Film 2: Matthias en Vincent: De keuze om priester te worden; weifelend en beslist
Film 2: Matthias en Vincent: Verliefdheid en zoektocht
Film 2: Rudi: Een ideaal dat de moeite waard is
Film 2: Elisabeth: Van twijfelende jongere tot roeping
Film 2: Bart: Mijn hart brandde van vreugde en vrede
Film 1: Elisabeth: Wat is een slotklooster?
Film 1: Elisabeth: Ik zou er opnieuw voor kiezen
Film 2: Matthias en Vincent: De keuze om priester te worden; weifelend en beslist
Film 2: Rudi: Ongehuwd: ervoor gaan en onmiddellijk opnieuw beginnen
Film 2: Elisabeth: Nog altijd met hart en ziel
Film 1: Filip: Wereldjongendagen te Rome
Film 1: Elisabeth: Ik zou er opnieuw voor kiezen
Film 1: Rudi: Onmiddellijk opnieuw beginnen
Film 2: Matthias en Vincent: Verliefdheid en zoektocht
Film 2: Rudi: Ongehuwd: ervoor gaan en onmiddellijk opnieuw beginnen
Film 2: Elisabeth: Van twijfelende jongere tot roeping
Film 2: Elisabeth: Nog altijd met hart en ziel
Film 1: Filip: Wereldjongerendagen te Rome
Film 2: Matthias en Vincent: Vrienden – een vriendin aan het woord
Film 1: Filip, Elisabeth, Rudi, Bart
Film 2: Matthias en Vincent, Rudi, Elisabeth, Bart
Film 2: Rudi: Evangelie als spelbreker
Film 1: Filip
Film 1: Rudi
Film 2: Matthias en Vincent
Film 2: Rudi
Film 1: Elisabeth
Film 1: Bart
Film 2: Elisabeth
Film 2: Bart
Film 1: Bart: Drie geloften van de religieuzen
Film 2: Matthias en Vincent: Verliefdheid en zoektocht
Film 2: Rudi: Ongehuwd: ervoor gaan en onmiddellijk opnieuw beginnen
Film 2: Elisabeth: Van twijfelende jongere tot roeping
Film 2: Bart: Drie geloften van de religieuzen
Film 1: Filip: Wereldjongerendagen te Rome
Film 1: Filip: Wat doe jij?
Film 1: Filip: Luisteren als kunst – man van God
Film 1: Rudi: Dankbaar en gelukkig
Film 1: Rudi: De droom van Jezus doorgeven
Film 1: Bart: Mijn hart brandde van vreugde en vrede
Film 1: Bart: Drie geloften van de religieuzen
Film 2: Matthias en Vincent: Motivatie en droom om priester te worden
Film 2: Rudi: Roeping van Rudi: rol van priester en leerkracht
Film 2: Rudi: Evangelie als spelbreker
Film 2: Bart: Mijn hart brandde van vreugde en vrede
Film 2: Bart: Drie geloften van de religieuzen
Film 1: Filip: Een zesde zintuig
Film 1: Filip: Luisteren als kunst – man van God
Film 1: Elisabeth: Wat is een slotklooster?
Film 1: Elisabeth: Bidden als wereldwijde verbondenheid
Film 2: Matthias en Vincent: De opleiding tot priester in een seminarie
Film 2: Rudi: Evangelie als spelbreker
Film 1: Filip: Wereldjongerendagen te Rome
Film 1: Filip: Luisteren als kunst – man van God
Film 1: Rudi: Ervoor gaan
Film 1: Rudi: God is a dj: imago van de kerk en Jezus als pedagoog
Film 1: Bart: Nieuwe mensen verwelkomen
Film 2: Rudi: Een ideaal dat de moeite waard is
Film 2: Bart: Nieuwe mensen verwelkomen
Lucas 1,26-38 verhaalt over de boodschap van de engel aan Maria en zegt ons niet alleen iets over de roeping van Maria maar over elke roeping, en over het menszijn zelf als roeping en zending.
1. Geroepen worden
Maria is een geroepene in de letterlijke zin van het woord. Haar roeping begint niet bij haarzelf, maar bij God, die haar roept tot iets wat helemaal niet strookt met haar plannen. Maria koestert haar eigen dromen, haar persoonlijk levensproject (trouwen met Jozef, dromen over een eigen huis en kinderen). Hiermee drukt zij zoals elke mens haar gezonde zelfzorg uit. En deze zorg is getekend door verantwoordelijkheid voor zichzelf: dit kunnen we een verantwoordelijkheid in de eerste persoon noemen.
Soms breekt onaangekondigd en onvoorzien het andere in ons bestaan binnen met alle gevolgen vandien. In het verhaal is het de engel Gabriël die als het andere in het bestaan van Maria binnendringt. In de lijn van de oudtestamentische traditie is de engel een boodschapper (het woord engel betekent in het Grieks en Latijn 'bode') en ook diegene die voor God naar de mens toe optreedt. Zo komt God onder de mensen aanwezig, zonder zijn heiligheid nodeloos bloot te geven.
2. Roeping niet verwarren met ideaal
De bijbelse idee van roeping (en dus ook van Maria's roeping) is niet hetzelfde dan een ideaal. Een ideaal heeft te maken met de gedachte dat ik als bewust en vrij wezen een specifieke taak of levenskeuze ontwerp, die maar betekenis heeft als ze het beste van zichzelf waarmaakt. Dat kan de mens alleen door zijn individuele mogelijkheden en gaven te ontplooien en zichzelf te realiseren. De bijbelse roepingsidee gaat regelrecht in tegen deze idee van zelfrealisatie. De bijbel legt de klemtoon op het feit dat de roeping in tegenstelling tot een ideaal niet uit mezelf ontstaat maar vanuit het andere dan mijzelf.
3. Geroepen door een gevoelige God
Het geroepen worden ondanks zichzelf gaat niet terug op een anoniem principe maar op Iemand, die het woord richt tot de mens. Het gaat letterlijk om een roeping, met de klemtoon op de passiviteit van het geroepen worden. De roeping is een taalgebeuren, waarbij het gesproken woord centraal staat. Dat roepingswoord komt 'van buiten', komt van elders op mij af, maar gaat zich tegelijkertijd nestelen in mijzelf.
4. Roeping als uitverkiezing
Hoewel de roeping radicaal is, is ze nooit een uitschakeling van het zelf en van de eigen vrijheid. De roeping is steeds een uitverkiezing. Maria wordt persoonlijk aangesproken, tot twee maal toe. Niet de mens in het algemeen, maar Maria in het bijzonder wordt geroepen om persoonlijk te antwoorden. Hierdoor krijgt zij een uitzonderlijke plaats. Door een roeping en uitverkiezing wordt men als mens uniek.

5. Uitverkiezing als zending
De uitverkiezing is niet zomaar een voorrecht, mag geen aanleiding geven tot hoogmoed en pretentie maar ze moet verstaan worden als een zending naar de mensen toe. Dat roeping onmiddellijk ook zending inhoudt, wordt duidelijk in het verhaal van Maria. De zending die Maria opgedragen krijgt, is moeder worden van Jezus. Hier kunnen we spreken over een verantwoordelijkheid in de tweede persoon: ik word verantwoordelijk gesteld voor de ander.
6. Ondanks zichzelf aan het Goede toegewijd
God is de Goede bij uitstek. Hij is geen verre en onaantastbare maar een raakbare en geraakte God, die zich verbindt met kleine en kwetsbare mensen. Maria, en ook elke mens, is ondanks zichzelf aan het Goede toegewijd. Deze gehechtheid aan het Goede gaat aan de vrije keuze vooraf. De geroepene bevindt zich immers steeds al in een verbondenheid met het Goede.
7. Een roeping die een crisis veroorzaakt
De roeping en de zending doen de mens perplex staan. Het is niet verwonderlijk dat de mens dan vragen stelt, het niet begrijpt en zelfs weerbarstig is. Sowieso veroorzaakt een roeping een crisis bij de geroepene. Ook Maria lijkt helemaal niet gelukkig te zijn met de boodschap. Haar reactie op de boodschap van de engel is er in het begin één van schrik en terugdeinzen, maar dit maakt Maria precies zo menselijk.
8. Geroepen tot het onmogelijke
De crisis van Maria wordt veroorzaakt door wat de engel zegt, namelijk door zijn boodschap. Vooral de inhoud van de boodschap zorgt voor de nodige onrust bij Maria. Die boodschap houdt iets onmogelijks in: zwanger worden en toch geen gemeenschap hebben met een man. Sowieso klinkt de idee van een maagdelijke geboorte in onze oren heel vreemd en zelfs absurd. Men kan op zoek gaan naar een andere verklaring om het verhaal plausibel te maken, maar dit maakt misschien de sterkte van het verhaal zelf ongedaan. Het onmogelijke wijst juist op het andere dat onaangemeld en tegen alle wetmatigheden in van elders komt en ook echt iets nieuws tot stand brengt. Alleen het onmogelijke is het buitengewone waardoor de loop van de geschiedenis en van de wereld onomkeerbaar opengebroken wordt naar een radicaal nieuwe toekomst.
9. Een kind van de belofte
Het verhaal van de boodschap aan Maria is in de bijbelse traditie geen toevallige uitzondering. Het onmogelijke is een teken van Gods werkdadige transcendentie. Zo krijgt in het Oude Testament het koppel Sara en Abraham ook een zoon na een zegen van God, hoewel het koppel heel oud is (Sara is al negentig jaar oud!) en Sara bovendien onvruchtbaar is. Er is dus geen twijfel mogelijk of zij op natuurlijke wijze nog een kind kan krijgen. Maar het is juist door het onmogelijke dat het nieuwe en het andere kan binnengebracht worden. Het kind van Abraham en Sara, is, net zoals het kind van Maria, de zoon van de belofte en niet de zoon van de natuur.

10. Voor God is niets onmogelijk
Jezus is een kind dat door God toegezegd wordt. Het gaat letterlijk om een buiten-gewoon of ab-normaal kind. Precies door zijn anderszijn opent Jezus als het kind van de belofte de horizon van een nieuwe wereld. Precies de moeilijkheid en onmogelijkheid van dit verhaal houdt ons wakker en prikkelt ons om aandacht te besteden aan het openbarende dat door het onmogelijke wordt opgeroepen.
Vandaar ook dat de engel op de vraag van Maria (hoe zal dit geschieden?) niet reageert door wat hij aankondigt enigszins toegankelijk en begrijpelijk te maken, maar door te stellen dat voor God niets onmogelijk is. Het onmogelijke wordt mogelijk dankzij God.
11. Maria's kritische mondigheid
Maria antwoordt op de aankondiging van haar moederschap niet zomaar in blinde gehoorzaamheid of met een onnadenkend of slaafs ja maar zij stelt uitdrukkelijk vragen. Dit staat in contrast met de traditionele voorstellingen van de brave en gehoorzame Maria. We moeten zeker de 'brave' Maria in vraag stellen, want al schrikt Maria van de aanspraak door de engel en deinst ze terug, toch laat zij zich niet intimideren en verlammen door paniek. De goddelijke huivering slaat haar niet neer maar richt haar op en wekt haar tot moedige mondigheid. Zij is een volwassen jonge vrouw die beseft wat haar overkomt en daarom met open ogen en vanuit haar onherleidbare zelfstandigheid om toelichting durft te vragen.
12. Een vrij en geïncarneerd ja
De kritische vraagstelling door Maria betekent ook dat haar vrijheid allesbehalve schaakmat gezet is, maar integendeel helemaal ingeschakeld wordt. Dat zij om opheldering vraagt, betekent dat zij niet gedwongen wordt, maar vanuit zichzelf op de roeping kan reageren. In deze zin is haar zending geen dwang, die haar vrijheid negeert of vernietigt, maar een appel dat haar vrijheid aanspreekt en tegelijk vrijlaat. Hiermee raken we de kern van de ethische vrijheid: ik moet ja zeggen maar ik kan nee zeggen. En Maria zegt, na haar kritische vraag, in volle vrijheid ja op de zending, die haar van Godswege wordt toevertrouwd. Enkel door zichzelf volledig, tot en met haar lichaam, ter beschikking te stellen, kan ze de zending om de moeder van Jezus te worden volledig waarmaken. En dit geldt voor elke roeping: een opgenomen zending kan enkel reëel zijn als ze zich op een concrete en aardse wijze voltrekt als dienst voor het heil van mensen. Een roeping mag nooit introvert zijn, dat wil zeggen naar binnen gekeerd, maar ze moet integendeel steeds extravert worden, dat wil zeggen helemaal naar buiten toe gekeerd. Elke roeping is steeds ook zending, een betrokkenheid op het andere dan zichzelf.
(Naar Roger Burggraeve)
Op weg naar mijn lief
Beluister dit nummer
Op weg naar mijn lief
ging ik langs warme huizen
waar bandeloze vrouwen me aanbaden
maar waar ik ze ook streelde
ik kon maar niet vergeten
dat ik op weg was naar mijn lief
Ze zei:
laat je niet verleiden
maar kom in mijn armen
want tot het einde der dagen
heb ik je lief
Op weg naar mijn lief
kwam ik bij koele meren
waar roekeloze maagden zich in baadden
maar hoe ik ze ook zag wenken
ik moest er steeds aan denken
dat ik op weg was naar mijn lief
Ze zei:
laat je niet verleiden
maar kom in mijn armen
want tot het einde der dagen
heb ik je lief
Op weg naar mijn lief
trok ik door verre landen
waar mannen zonder ogen voor me baden
waar moeders zonder kinderen naar me staarden
waar kinderen zonder moeder
zonder hoop en zonder huis naast me bezweken
waar huizen zonder ramen
zonder daken zonder mensen brandden in de
nacht
Waar alles tevergeefs was, zonder kracht
Alleen de rijken en de sterken
Alleen de legers en de kerken
Alleen de macht
Maar ik moest trachten te ontkomen
want ik had me voorgenomen
dat ik op weg was naar mijn lief
En toen ik eindelijk thuiskwam
was mijn lief zo wijs en zacht
Ze zei:
laat je niet misleiden
hier in mijn armen
maar ga naar al die landen
help eerst de allerkleinsten
en tot het einde der dagen
heb ik je lief
(Boudewijn de Groot)

Dit is mijn leven, of niet soms?
Keuzevrijheid is een centrale waarde in het moderne leven. Je zou het zo kunnen uitdrukken: “Ik wil niet dat iemand anders zegt wat ik moet doen. Ik wil vrij zijn om mezelf te zijn. Ik geef uitdrukking aan mijn vrijheid door het recht op het kiezen van mijn eigen kleren, mijn eigen baan en mijn eigen seksuele activiteit.” Toch wordt de veronderstelde keuze van veel mensen bepaald door gehoorzaamheid aan een verborgen agenda. Neem bijvoorbeeld de kleding. Mensen van nu zijn ervan overtuigd dat zij oneindig veel mogelijkheden hebben bij het kiezen van hun kleren, van een sjofele spijkerbroek tot een keurig pak. Toch kiezen zij meestal in reactie op wat andere mensen vinden dat ze zouden moeten dragen. De modehuizen bepalen de look van dit jaargetijde, terwijl foto’s van mode-iconen en advertenties op ons inwerken om die mode te kopen. Er zijn niet veel mensen die zich zo onafhankelijk kleden dat ze kunnen beweren vrij te zijn in hun keuze. In feite heeft dit fenomeen van de kledingmode geleid tot de term fashionista ter aanduiding van de mensen die de mode dicteren. Bij jongeren zie je vrij duidelijke voorbeelden van kledingtirannie: de allerkleinsten willen al sportschoenen van het juiste soort of merk, terwijl kinderen op de middelbare school door de kleding die ze dragen meer blijk geven van groepsidentiteit dan van individualiteit. Op scholen waar geen uniform wordt gedragen, zijn leerlingen vaak te bang om zich te onttrekken aan de ongeschreven voorschriften die door een krachtige kledingcode voor jongeren worden gedicteerd. De wijze waarop het leven van een modern mens in werkelijkheid vorm krijgt, is dus vaak anders dan men op grond van de veronderstelde keuzevrijheid zou verwachten.
Wanneer mensen de taal van de vrijheid gebruiken maar slaafs verborgen regels volgen, brengen zij zichzelf in een gevaarlijke positie. Er is niets mis met het gehoorzamen aan goede regels en er is niets mis met het uitoefenen van keuzevrijheid. Het gevaar zit in de bewering dat men het ene doet terwijl men in feite het andere doet. Wanneer mensen beweren bepaalde regels te gehoorzamen, maar die in werkelijkheid breken, noemen we dat hypocrisie – iets wat vaak gezegd wordt van godsdienstige mensen. Wanneer mensen beweren vrij te zijn, maar in werkelijkheid ongeschreven regels gehoorzamen, hebben we daar geen woord voor. Daar is geen woord voor omdat het een zeer modern verschijnsel is en mensen traag zijn in het herkennen ervan. Maar deze eigenschap van het moderne leven is gevaarlijk, omdat de mensen niet weten dat ze slaafs de agenda van andere mensen volgen en dus ook niet de noodzaak zien van het zich uit de greep van die anderen te bevrijden. Schijnbare consumentenvrijheid kan mensen blind maken voor hun dieper liggende afhankelijkheid.
In tegenstelling tot de moderne nadruk op de keuzevrijheid ziet de monastieke traditie gehoorzaamheid als wezenlijk voor het goede leven. Ik zeg ‘in tegenstelling tot’ omdat als ik ernaar zou vragen de meeste mensen van nu waarschijnlijk zouden zeggen dat gehoorzaamheid het absoluut tegengestelde is van vrijheid. Toch zijn vrijheid en gehoorzaamheid, ook al zijn ze duidelijk verschillend, niet zulke tegenstellingen als je op het eerste gezicht misschien zou denken. Dit schijnbare conflict tussen gehoorzaamheid en vrijheid werd me in de jaren tachtig eens heel duidelijk getoond. Een journalist van de Daily Express logeerde op Worth om een speciaal artikel over het kloosterleven te schrijven. De journalist interviewde pater Oliver, een monnik van in de zeventig die op achttienjarige leeftijd aan het noviciaat was begonnen. De journalist vroeg hem: “Denkt u niet dat u veel van het leven hebt gemist door al zo vroeg monnik te worden en meer dan vijftig jaar de kloosterregels te hebben moeten gehoorzamen?” Pater Oliver antwoordde snel, een beetje glimlachend en een beetje kribbig: “Hoor eens, elke dag van elk van die jaren ben ik opgestaan en heb ik in vrijheid ervoor gekozen om monnik te zijn.” Zelden is de botsing van de monastieke en wereldlijke cultuur zo bondig samengevat.
(Uit Christopher Jamison, Levenslessen van een abt, p. 93-96)
“De vrijheid zelf te kiezen, oefent een enorme dwang op ons uit. Vrij om die vrijheid te verwerpen zijn we immers niet. We zijn veroordeeld tot individualisering. Homo optionis, veroordeeld tot een tirannie van mogelijkheden. Een helse klus, dit zelfgebrouwde leven.
Het vereist onmenselijk veel vaardigheden. Langetermijnplanningen maken, organiseren, improviseren, onszelf doelen stellen, obstakels erkennen, nederlagen accepteren en opnieuw beginnen. Daartoe zijn initiatief, uithoudingsvermogen, flexibiliteit, en frustratietolerantie nodig. Onervaren koorddansers in de nok van een circustent zijn we, die regelmatig neerstorten.
Wat het nog erger maakt, is dat we ons helemaal geen architecten van ons eigen leven vóélen. Dat zijn we grotendeels ook niet. Onze samenleving is een labyrint van regels en regelingen. Die hebben we niet zelf gemaakt. Maar hoe we ons erdoorheen manoeuvreren, is wel weer onze eigen verantwoordelijkheid.”
Keuzevrijheid leidt tot stress
Onderzoeker Arno Riedl meent dat een te grote keuzevrijheid stress in de hand kan werken.
Als voorbeeld haalt hij een experiment aan dat in een supermarkt is gehouden. Klanten kregen eerst drie soorten jam gepresenteerd om uit te kiezen en later twintig verschillende soorten jam. ‘Dat laatste vonden ze helemaal niet prettig. Drie was meer dan genoeg. Ik vind het belangrijk dat we nadenken wat zinvolle beperkingen zouden zijn in de enorme keuzevrijheid.’ Tegelijkertijd beseft hij dat in deze tijd van liberalisme een beperking van keuzevrijheid snel als paternalisme opgevat zou kunnen worden. ‘Maar het is zeker de moeite waard dat debat te voeren.’
“Verder heeft de mens het recht op de vrije keuze van een levensstaat en dus op het stichten van een gezin, waarin man en vrouw gelijke rechten en plichten bezitten, ofwel op het volgen van de roeping tot het priesterschap of het kloosterleven.”
(uit Johannes XXIII, Pacem in Terris, artikel 4)
Cartoons





Het jongste reclamespotje van Proximus (gemaakt door Famous) toont wat er zich afspeelt in het hoofd van een 17-jarig meisje, dat moet kiezen tussen een nieuwe jeans of een nieuw kapsel. Haar mentale gevecht wordt in Kill Bill-stijl en met de nodige humor in beeld gebracht. Het spotje is het begin van een campagne gericht op jongeren. Voortaan zijn sms'en en mms'en voor de Pay & Generation 24/24 gratis naar alle netwerken.
Het reclamespotje kan hier gedownload worden.
Kiezen is niet altijd verliezen

“Kiezen is verliezen. En verliezen vinden we niet leuk. Daarom kiezen mensen ook zo zelden. Natuurlijk, we zeggen vaak wel dat we gekozen hebben. Maar we menen het meestal niet. Je koos ervoor om vier kilo af te vallen. Maar je beweegt te weinig en eet te veel. Je koos voor een flitsende carrière maar 's avonds zit je niet achter je boeken maar voor je televisie. Prima.

Maar wie kiest moet bepaalde dingen doen en bepaalde dingen laten. Ben Tiggelaar schreef het bekende boekje 'Dromen, durven, doen'. Hij constateert dat in dergelijke gevallen we vaak te weinig kozen vanuit 'JA'. Wie zichzelf te zwaar vindt, droomt vanuit een 'NEE'. Je wilt iets niet. Draai het om: wat wil je wel? Op welke momenten heb je echt het gevoel dat het klopt? Wanneer merk je dat mensen je dankbaar zijn? Kiezen is dus ook dromen. Als die droom klopt, is het ook niet zo moeilijk om bepaalde dingen op te offeren.
Een goede keuze zorgt voor energie en plezier. Je zit beter in je vel, je kunt meer aan. Daarmee train je je belastbaarheid. Je zult bovendien zien dat succes óók van invloed is op je belastbaarheid. Als wat je doet, zinvol is en succesvol, creëert dat kracht en energie.
Een voorbeeld: John geeft zijn vaste baan op om datgene te doen wat hij echt wil. Hij heeft gekozen en dat gééft energie in plaats dat het energie kost. Bij dergelijke keuzes ga je niet over een nacht ijs.”
[34] Hij riep de menigte met de leerlingen bij zich en zei tegen hen: ‘Als iemand achter Mij aan wil komen, laat hij dan met zichzelf breken, zijn kruis opnemen en Mij volgen. [35] Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Wie zijn leven verliest vanwege Mij en de goede boodschap, zal het redden. [36] Want wat baat het een mens heel de wereld te winnen maar zichzelf schade toe te brengen? (Mc 8,34-36)
Citaten

Dromen van ‘het andere’
Dromen, vooral dagdromen, is op weg gaan, verlangen, een beetje uit jezelf treden. Het is een speelse confrontatie met ‘het andere’. Het begrip ‘het andere’ roept enorm veel op. Je komt het voortdurend tegen in allerlei samenstellingen, bijvoorbeeld als titel van organisaties en manifestaties of als reclameboodschap: het Andere Boek, het Andere Reizen, het Andere Landschap, het Andere Amerika, het Andere Oosten, het Andere Speelgoed, het Andere Gezicht van de Techniek, zelfs het Andere Koffiesysteem. Maar we spreken ook over het andere geslacht, het andere debat over Europa, het andere team, het andere eind van de wereld, van het ene uiterste in het andere, het andere ras, het andere gelaat, het andere aanvaarden, omgaan met ‘het andere’… Hoe komt het toch dat we zoveel over ‘het andere’ spreken en dromen? Is dat een teken van ontevredenheid met ons dagelijkse lot of is het veeleer zoeken naar verruiming, het openen van perspectieven? De volksmond zegt makkelijk dat dromen bedrog zijn, maar vertellen dromen ons ook niet over wat we zouden willen zijn of doen? Maken ze in ons dan niet het verlangen wakker naar een betere wereld, naar wat nog niet is, naar wat nog komen moet. Dromen van het andere heeft wellicht iets te maken met onze onstilbare honger naar intenser geluk, met het willen overschrijden van onze grenzen, onze geslotenheid. Dromen van ‘het andere’ is dan leven met een open geest, zoeken naar verdere vervulling.
(Uit Willy Deckers, Dromen van ‘het andere’, in Mensen Onderweg)
Stichting Roeping stelt nieuwe laureaten voor
Brussel - De Stichting Roeping zorgt er al sinds 1963 voor dat mensen met een doel, en geen Messiaanse opdracht zoals de titel een beetje doet vermoeden, subsidies krijgen voor een levensproject of levensdroom. Ook in 2008 zijn er opnieuw enkele opmerkelijke laureaten. Iedereen heeft een roeping, zoveel is zeker. Maar jongeren met toekomstdromen weten vaak niet waar begonnen. Daarom is er de Stichting Roeping, die jongeren de kans geeft om hun roeping waar te maken.
Sinds het ontstaan van de Stichting in 1963 door Emile Bernheim, de gewezen baas van de Innovation, hebben al 613 jongeren een beurs ontvangen. En daar zijn enkele bekende namen bij: choreografe Anne Teresa De Keersmaeker, Koningin-Elisabethfinalist Jan Michiels, regisseur Pieter De Buysser en schrijfster Annelies Verbeke. Natuurlijk krijgt de jongere met de roeping niet zomaar een blanco cheque. Daarvoor moet hij of zij eerst langs een jury. Die bestaat uit een twintigtal vooraanstaande specialisten uit de wereld van wetenschappen, kunst, letteren en muziek. In 2008 kwamen er vierhonderd kandidaturen binnen. Een voorwaarde om deel te nemen is dat de beurzen niet gebruikt worden voor commerciële doeleinden, maar alleen om een roeping, een droom werkelijkheid te laten worden.
De Stichting reikt ook voor de zesde keer de beurs van de Gouden Klaver uit. Deze bijzondere beurs van 25.000 euro wordt uitgereikt aan een oud-laureaat voor een belangrijk project, dat in de lijn ligt van de eerder erkende roeping. De Gouden Klaver ging dit jaar naar Charlotte Geldof voor haar onderzoek van de Belgische kuststreek en de stijging van de zeespiegel.
De vijftien ‘normale’ beurzen van elk 10.000 euro gingen naar erg uiteenlopende projecten. Een selectie. Laborante Patricia Cornet vindt haar roeping in de wetenschap: ze werkt mee aan de wetenschappelijke en technische ontwikkeling van een laboratorium voor tropische geneeskunde in Angola, en wil nu met het extra geld instaan voor de verdere opvolging van plaatselijke laboranten. De organiste Cindy Castillo is al sinds haar twaalfde in de ban van het orgel en kan dankzij de beurs voortstuderen. Emilie Guillaume is gepassioneerd door actietheater, gecombineerd met acrobatie en vechtsporten. Door de Stichting studeert ze nu in de Chinese hoofdstad Peking aan een internationale kunstschool. De Brusselse Ariane Loze is eveneens bevlogen door theater, maar dan modern theater, en gaat met het extra geld een eigen theatervoorstelling maken. De in Boekarest geboren Adi-Alice Petre ten slotte bespeelt de harp en verzeilde in Brussel om aan het Conservatoire Royal te studeren. Met de steun van de Stichting kan Petre een nieuw instrument aanschaffen.
De puzzel
Beluister dit nummer
Soms droom ik wel eens dat de puzzel past 
Soms droom ik wel eens dat de puzzel past
Als dat ooit zo zou zijn
dan wordt het kot te klein
Dan kijkt iedereen tot bloedens toe verrast
Soms droom ik wel eens dat de puzzel past
Als op een dag de puzzel plotseling klopt
Dan weet ik zeker
dat de komedie even stopt
Want het is niet zo fijn
om een slappeling te zijn
Dus droom ik wel eens dat de puzzel klopt
Dus droom ik wel eens dat de puzzel klopt
Dat de puzzel past
(Soms droomt hij dat de puzzel past)
Dat de puzzel klopt
(Soms droomt hij dat de puzzel klopt)
Soms droom ik ook weleens
dat alle zever stopt
Soms droom ik wel eens dat de puzzel klopt
Soms droom ik wel eens dat de puzzel klop
Nee ik ding niet meer mee
naar een vacature
voor schotelvod schotelvod
Ik vraag aan een mechanieker
om mijn antenne bij te sturen
Want voorlopig is dat beest kapot
Want voorlopig is dat beestje kapot
Mijn antenne is kapot (zijn antenne is kapot)
Mijn antenne is kapot (zijn antenne is kapot)
Is er dan geen timmerman
die mijn schotel maken kan
Want ik ben niet graag een schotelvod
Want ik ben niet graag een schotelvod
Soms droom ik wel eens dat de puzzel past
Ik had het onlangs nog met een Ikeakast
Maar ik had weer een vijs of drie te weinig
ook al deed ik zo mijn best
Maar met vier twijgjes
bouw ik moeiteloos een nest
Maar met vier twijgjes
bouw ik moeiteloos een nest
Bouw ik moeiteloos een nest
(bouwt hij moeiteloos een nest)
Bouw ik moeiteloos een nest
(bouwt hij moeiteloos een nest)
Dus droom ik dat de puzzel past
(dat de puzzel past)
Dus droom ik dat de puzzel past
Yeh Yeh Yeh Yeh Yeh Yeh Yeh!
(dat de puzzel past)
Yeh Yeh Yeh Yeh!
(dat de puzzel past)
Oh Oh Oh Oh
En dan wist ik op hoeveel graden ...
(Oh Oh Yeh)
Je gekleurde truien wast ...
(Bart Peeters)
Afbeeldingen










Roepingsverhalen
De alchemist (Paulo Coelho)
De jongen bleef naar zijn hart luisteren terwijl ze door de woestijn reden. Hij leerde alle listen en trucs ervan kennen en ging het accepteren zoals het was. Toen verloor hij zijn angst en hoefde hij niet meer per se terug, want op zekere avond zei zijn hart tegen hem dat het tevreden was. ‘Kijk,’ zei zijn hart, ‘ik reclameer dan misschien wel wat, maar dat komt omdat ik een mensenhart ben en mensenharten zijn zo. Ze zijn bang hun grootste dromen te verwezenlijken, want ze denken dat ze het niet verdienen, of dat het hun nooit zal lukken. Wij, harten, sterven van angst alleen al bij de gedachte aan geliefden die voorgoed zijn vertrokken, aan ogenblikken die goed hadden kunnen zijn en het niet waren, aan schatten die ontdekt hadden kunnen worden en eeuwig verborgen bleven in het zand. Want als dat gebeurt, lijden we vreselijk.’
‘Mijn hart is bang om te lijden,’ zei de jongen tegen de alchemist, op een avond dat ze naar de maanloze hemel zaten te kijken. ‘Zeg het dan dat angst om te lijden erger is dan het lijden zelf. En dat geen enkel hart ooit geleden heeft wanneer het op zoek was naar zijn dromen, want ieder moment van een zoektocht is een moment van ontmoeting met God en de eeuwigheid.’
‘Als je zoekt, vind je ook altijd,’ zei de jongen tegen zijn hart. ‘Toen ik zocht naar mijn schat waren alle dagen schitterend, omdat ik wist dat ieder ogenblik deel uitmaakte van de droom die te vinden. Terwijl ik mijn schat zocht, ontdekte ik dingen die ik nooit zou hebben gevonden als ik niet de moed had gehad dingen te doen die onmogelijk zijn voor herders.’
Zijn hart bleef de hele avond stil. ’s Nachts sliep hij rustig, en toen hij wakker werd begon zijn hart hem de dingen van de ziel van de wereld te vertellen. Het zei dat ieder gelukkig mens een mens was die God in zich droeg. En dat het geluk gevonden kon worden in een doodgewone zandkorrel uit de woestijn, zoals de alchemist had gezegd. Want een zandkorrel is een moment van de schepping, en het universum heeft er miljarden jaren over gedaan hem te scheppen. ‘Ieder mens op aarde heeft een schat die op hem wacht,’ zei zijn hart. ‘Wij harten praten niet veel over die schatten, want de mensen willen ze niet meer vinden. We praten er alleen over tegen kinderen. Daarna laten we het leven elk kind naar zijn bestemming leiden.’
Waarom ben ik verpleegster geworden? Ik vraag het me de laatste tijd vaak af. Het enige antwoord dat ik tot nu toe heb bedacht is 'ik kon niet anders'. Sommige mensen spreken over een roeping. Dat vind ik een beetje overdreven, maar toch heb ik het altijd geweten. Als kind wilde ik kok worden, maar vanaf het vierde middelbaar wist ik het: verpleegster zou ik zijn. Veel mensen hebben nog geprobeerd om mij om te praten: 'zou je niet beter iets met wiskunde doen, dan weet je tenminste dat 1 en 1 twee is', 'ben je gek: al die weekends werken!', 'toch niet de sociale sector…', 'zou je geen univ doen, dan kan je veel meer kanten uit'… Maar het kon allemaal niet baten, mijn besluit stond vast. Van weinig dingen in mijn leven ben ik zo zeker geweest: ik zou mensen gaan helpen.
De twijfels rond mijn beroep zijn pas de laatste 2 jaar ontstaan. De eerste jaren moet je je nog bewijzen, tegenover jezelf en het team. Dat is een uitdaging. Dat is tof. Je verlegt je grenzen en hebt het gevoel met belangrijke dingen bezig te zijn. Je moet nog veel energie steken in het leren kennen van de technische kant van de job en je hebt weinig oog voor de echte problematiek in een situatie. Maar eenmaal je het gevoel hebt wat meer grond onder je voeten te krijgen, kan je niet meer naast de -harde- werkelijkheid kijken waar je dagelijks mee geconfronteerd wordt. Ondertussen word je zelf ook ouder en herken je je eigen kwetsbaarheid bij de patiënten.
En dan is het de kunst de nodige afstand te bewaren. Wat ik persoonlijk heel moeilijk vind. Een evenwicht zoeken tussen enerzijds betrokken zijn en het beste betrachten voor je patiënt, en anderzijds toch blijven zorgen voor jezelf. En daar gaan velen van ons volgens mij in de fout. Iemand die uit idealisme aan het beroep begint is meestal een sociaal gevoelig persoon. En als je mensen zodanig aanvoelt dat je hun probleem als het ware op je neemt, bestaat het gevaar dat je je te verantwoordelijk gaat voelen voor die mensen en na verloop van tijd je eigen verwachtingen niet meer kan inlossen. Zo ontstaan irritaties en als je niet oppast burn-out. Ik geloof echt dat de meest warme en gevoelige mensen hier het snelst mee te maken hebben. De patiënt als een 'object' beschouwen zou alles natuurlijk veel gemakkelijker en minder intensief maken. Maar waar zijn we dan mee bezig?
Roe-roe-roeping
Twee dingen die ik vroeger wilde worden: majorette en misdienaar. Het eerste voor de witte botjes en de dikke kanten onderbroek. Het tweede voor de tabernakel en de potterietjes. Het mocht niet van mijn moeder. In de plaats daarvan plooide en gooide ik mijn beentjes op de speelplaats, terwijl ik zelf de Radetzsky Mars zong. En in de mis staarde ik naar het godslampje in de hoop een teken te krijgen. Er heeft nooit iets bewogen. De koster verving de batterijen altijd op tijd. Zodoende bleef ik zonder roeping.
Samuel ja, dat was wel andere koek. Die woonde in de kinderbijbel op pagina 44. Daar lag hij te slapen toen hij ineens een stem hoorde. Samuel stond op en ging naar zijn meester om te vragen wat hij moest hebben. Niks. Drie keer hoorde Samuel wat en drie keer ging hij vragen wat er was. Niks. Tot de meester het snapte: Samuel had een roeping van god. Daarop moet je antwoorden met: Spreek heer, uw dienaar luistert. Het was een stom verhaal. Nachtenlang heb ik in mijn bed liggen luisteren en nooit heb ik iets gehoord. Ook al zei ik bij voorbaat al: Spreek heer, uw dienaar luistert. De heer ging liever op een ander roepen. Zeker omdat ik in Genk woonde in plaats van in de kinderbijbel.
Ook later, toen ik een beroep moest kiezen, was er van een roeping geen sprake. Ik kreeg op school gewoon geen enkel vraagstuk opgelost. Ik had mijn passer nooit bij. En ik dacht dat er cosinussen in mijn neus groeiden. Kortom, na het middelbaar was de keus snel gemaakt. Alles wat waar was of te bewijzen viel met een telmachine, viel af. Wat ik ging studeren was niet voorbestemd. Het was een kwestie van problemen te voorkomen. Als je nergens wat hoort roepen is dat het beste wat je kunt doen, zorgen dat je de mislukking te slim af bent.
Ik hoor collega’s soms vertellen over de huiskrant die ze vroeger op drie exemplaren verspreidden in eigen living. Voor hun is het altijd duidelijk geweest wat ze gingen worden. Het was een roeping voor iedereen, behalve voor mij. Ik herinner mij de krant van vroeger alleen maar van het spelletje met de acht verschillen. Wij hadden thuis trouwens helemaal geen krant. Oma had een krant. Misschien daarom dat ik me nooit geroepen heb gevoeld. En nu hoeven ze ook niet meer af te komen. Het is te laat voor roepingen, maar dat kan het bovenrijk klaarblijkelijk niet verdommen. Tegenwoordig krijg ik tweemaal daags een teken. ’s Morgens en ’s Avonds.
De dag begint noch eindigt zonder dat ik de duif van het balkon heb gejaagd. De duif daalt dagelijks neder en schijt alles onder, de weekendgazet op tafel, mijn tuingerief en mijn gezellige kaarsen. Soms komt de duif zelfs binnen, heeft ze zitten hurken op de keukenvloer, ligt er dons op het aanrecht. De duif denkt dat mijn terras haar nestkastje is, compleet met reusachtig vlieggat. Het is om hoorndol van te worden. Ik heb roofvogels nagedaan en met wijnkurken gegooid, maar de duif blijft komen. Roe-roe-roeping, zegt ze. Precies of ik nu nog bij de majorettes kan. Of bij de misdienaars.
(An Olaerts, in Vacature, 20 september 2008)
De wereld transparant maken
Marc Chagall, de beroemde joods-Russische schilder, schrijft in zijn memoires over zijn miserabele jeugd in Vitebsk, een onooglijk dorpje in de Russische steppe.
Daarin vertelt hij dat op een zekere dag de schoolmeester in de klas kwam met een gele rol papier onder de arm die hij behoedzaam ontvouwde en aan het bord spijkerde. Het was een reproductie van Dürer: twee gevouwen handen.
De kleine Chagall zat er gefascineerd naar te kijken, alsof er niets anders meer op de wereld bestond. Dat kon dus, met één afbeelding de hele wereld doorzichtig maken, met pen en penseel een wereld scheppen die alleen in je diepste dromen bestaat.
Chagall schrijft over dat moment: “Toen is in mij de schilder geboren…” Hij durfde kijken naar de wereld zoals die er nog niet is.
Kijken is schilderen.
Uit Manu Verhulst, Op de golfslag van de geest
Het eiland in de verte
Beluister dit nummer
Het eiland in de verte
waar ik zo menig keer
ten anker ben gekomen
beschut voor de woedende zee
Ik zie de hoge duinen
het vuur daarboven uit
ik weet daar is de haven
de luwte van de ree
Ik weet ik kan niet anders
de reis gaat eens voorbij
maar alles wordt zo donker
wat helder was voor mij
Toch lijkt het uren later
of ik de stormwind door
nog steeds verwaaide stemmen
van vroeger eiland hoor
Het eiland in de verte
waar ik beschut tegen de wind -
kom hier kom in mijn armen -
een veilige haven vind
Maar nee ik kan niet anders
ik heb de stem gehoord
o nee ik kan niet anders
de steven naar de noord
Naar waar de storm de gronden
in witte waanzin slaat
ik kan niet anders - verder -
het gaat zoals het gaat
Het eiland in de verte
waar ik zo menig keer
ten anker ben gekomen
ik kom er nimmermeer
(Boudewijn de Groot)
Poëzie
En het was op die leeftijd...De poëzie was
naar me op zoek. Ik weet niet, weet niet vanwaar
ze opdook, uit winter of rivier.
Ik weet niet hoe of wanneer,
nee, geen stemmen, stemmen waren het niet, geen
woorden, geen stilte,
maar uit een straat werd ik geroepen,
uit de takken van de nacht,
plotseling, te midden van de anderen,
te midden van de felle vuren
of alleen op de terugweg -
daar stond zij zonder gezicht
en raakte me aan.
Ik wist niets te zeggen, mijn mond
zag geen kans
iets uit te brengen,
mijn ogen waren blind,
en er sprong iets op in mijn ziel,
koorts of verloren vleugels,
en door die brand te ontcijferen,
smeedde ik
mijn eigen eenzaamheid
en ik schreef de eerste vage regel neer,
vaag, onvast, pure
nonsens,
pure wijsheid
van wie niets weet,
- en ineens
zag ik de hemel
opengaan
en zich mededelen:
planeten,
sidderende landouwen
en het donker doorschoten,
doorzeefd
van pijlen, vuur en bloeseming
de overrompelende nacht, het heelal.
En ik, nietig wezen,
van de grote sterrende leegte
dronken,
ik naar gelijkenis en beeld
van het mysterie,
voelde mij zuiver deel
van de afgrond
en ik wentelde mee met de sterren
en mijn hart sloeg op drift in de wind.
(Pablo Neruda)
Gemiste roeping: een preek op Roepingenzondag
Sommige mensen blijken interesse en handigheid te hebben op een terrein waar je het niet van hem of haar zou verwachten. Dan wordt er al eens gauw gezegd:"Jij hebt je roeping gemist". Een wiskundeleraar die aan zijn eigen huis staat te metselen of te timmeren, had dus eigenlijk bouwvakker moeten worden. Een bouwvakker die goed met honden kan omgaat was misschien wel een prima leeuwentemmer geweest. De leeuwentemmer die een mop vertelt, zou een herkansing moeten krijgen als clown.
Al degenen die in hun dagelijks leven iets anders doen dan datgene waar ze ook begaafdheden voor hebben zouden dus hun roeping hebben gemist.
Maar is dat zo? Is het niet eerder zo dat je ergens inrolt en je maakt er het beste van. Aan jonge mensen die een kind krijgen, wordt toch niet gevraagd of ze zich geroepen voelen voor de taak die hun wacht. Het gaat velen best goed af zonder dat ze pedagoog of psycholoog zijn geworden. Ze rollen er in en maken er het beste van. Jongelui die een opleiding kiezen, zijn zich vaak nauwelijks bewust van hun eigen talenten. Ze twijfelen en kiezen, soms meerdere keren achter elkaar. En met een beetje geluk hebben ze een baan. Zelden krijgen ze de baan die ze het liefste zouden willen. Het kan zijn dat ze er niet meer in zien dan het verdienen van de kost, maar het kan ook zijn dat de er in groeien en er met hart en ziel achter gaan staan. Dan kun je spreken van een roeping.
Albert Schweitzer was een wereldberoemde organist en evenzeer bekend als predikant, maar pas later bouwde hij een ziekenhuis midden in Afrika. Hij had niet zijn roeping gemist, hij had ze pas op het laatst gevonden. In dat ziekenhuis kon hij zichzelf totaal geven aan het genezen van zieke mensen. Daar had hij uiteindelijk zijn hart aan verloren.
Volgens de evangelisten voelde Jezus van Nazareth zich erg aangetrokken door het beroep van schaapherder. Dat zat er echter niet in want Jozef was timmerman. Maar als hij wat ouder is geworden en het woord krijgt in de synagoge blijkt dat hij een hoogbegaafde leraar is. Hij geeft zich aan die taak als rabbi met de beste krachten die in hem zijn met een ongekende overgave. Zijn roeping bleek op een ander vlak te liggen dan zijn beroep. (…)
Op deze roepingenzondag mogen onze gedachten ook uitgaan naar heel veel mensen die weliswaar een nuttig beroep uitoefenen, maar die daar bovenuit groeien en een taak zien en ter hand nemen die ze met hart en ziel gaan vervullen.
Ik moet u bekennen dat ik zelf wel pastoor ben geworden, maar niet omdat ik in deze een natuurtalent ben. Het kwam op mijn levensweg en als ik al een spijker in een plak sla zeg dan niet: "Je hebt je roeping gemist", want ik heb me ondanks alle beperkingen er toch maar met hart en ziel op geworpen en geprobeerd er het beste van te maken, het toch als een roeping ervaren. Zo gaat het ook bij de velen die voor de parochiegemeenschap, voor zieken of bejaarden enzovoorts zich inzetten met hart en ziel. Soms wat aarzelend begonnen, maar erin gegroeid met hart en ziel en ze hebben hun roeping niet gemist, maar gevonden.
Aan die levensinvulling, die roeping van Jezus Christus kunnen we tot op de dag van vandaag een voorbeeld nemen. Daarvoor hoeven we geen ziekenhuis te bouwen of leraar te worden, maar wel de taak die we op ons levenspad vinden oppakken en er het beste van maken..
(Naar Richard Schreurs)
Zoeken jullie iets?
Ieder mens wordt geboren met specifieke talenten en mogelijkheden om het leven van kleins af aan vorm en inhoud te geven. Daarnaast spelen de naaste omgeving, gezin en familie, tijd en cultuur een rol in hoe deze mens zal uitgroeien tot een unieke persoon. En in alles speelt ook een zekere mate van ‘roeping’ mee.
Het woord ‘roeping’ zou men kunnen omschrijven als een zich van binnenuit gedreven voelen, om een bepaalde levensopdracht op zich te nemen op grond van vermoede of werkelijk aanwezige begaafdheid. Zo zal iemand zich geroepen voelen om een bepaald beroep te leren, dat vakmanschap van handen of hoofd vraagt, naargelang de bekwaamheid die iemand aangeboren is of in hem tot ontplooiing gebracht kan worden. Het resultaat daarvan is dat iemand – zoals we zeggen – ‘aan zijn roeping beantwoordt’, maar het is ook mogelijk dat iemand ‘zijn roeping gemist heeft’, als hij blijkbaar meer mogelijkheden heeft op een ander terrein dan dat hij zich eigen gemaakt heeft. De ‘roeping’ die iemand gevolgd heeft, plaatst hem in een ‘beroep’, maar een beroep kan niet goed uitgeoefend worden als de motieven tot een bepaalde roeping niet in het beroep doorklinken. Dan ontbreekt de bezieling en wordt het beroep slechts vakmatig en daarmee zakelijk uitgeoefend. Dit geldt met name voor beroepen die maatschappelijk of kerkelijk gericht zijn en lichamelijke, psychische of geestelijke dienstverlening beogen.
Hoewel het woord ‘roeping’ in zich dus een breed spectrum aan mogelijkheden bezit naargelang de in de persoon aanwezige kwaliteiten, wordt het woord vaak verengd tot de roeping tot het priesterschap of religieus gemeenschapsleven. Zeker in katholieke kring roept het woord ‘roeping’ direct deze associatie op. Een priester of pastor, een broeder of zuster wordt ‘geroepen’ om deze keuze te maken. Het roept dan ook nog vaak de gedachten op aan hemelse stemmen of visioenen die iemand krijgt voordat hij of zij besluit aan de roeping gevolg te geven.
Daar komt nog bij dat de roeping tot deze levenswijze zo exclusief aan het worden is in onze geseculariseerde samenleving, dat ze nog maar amper tot de waaier van mogelijkheden voor een levenskeuze gerekend wordt. Een enkeling mag in onze tijd misschien nog wel eens zo een roeping hebben, maar die wordt dan met de vinger nagewezen omdat deze eigenlijk iets ongewoons doet, dat niet meer van onze tijd zou zijn.
Om aan te tonen dat deze vorm van ‘roeping’ niet slechts een enkeling geldt en bovendien niet op wonderbaarlijke wijze tot stand komt, zou ik een roepingsverhaal uit het evangelie volgens Johannes eens wat nader willen bekijken. Uit het verhaal, zoals dat onder deze tekst staat, maak ik op dat de twee genoemde leerlingen van Johannes de Doper in ieder geval ‘religieus geïnteresseerd’ waren, om het zo maar eens te noemen. De woorden van Johannes de Doper moeten bij hen religieuze gevoelens opgeroepen hebben, maar dit veronderstelt bij hen ook een religieuze gevoeligheid.
Religieus aanvoelen, religieus geraakt willen worden, openstaan voor God en zijn medelijden met mensen ligt ten grondslag van het geroepen worden. Maar dat niet alleen. Roeping komt langs gewone wegen tot stand. Zij begint op aanwijzing van anderen. De Doper maakt de leerlingen immers attent op Jezus’ aanwezigheid en vanuit hun eigen religieus aanvoelen gaan zij op deze aanwijzing in en lopen zij Jezus’ achterna. Jezus keert zich dan om en stelt hun de vraag: “Zoeken jullie iets?” Hij wil als het ware hun religieuze motivatie peilen, de diepste vragen die in elk mensenhart leven. De leerlingen antwoorden dan met een wedervraag: “Waar houdt u uw verblijf?” Ook dat is niet zo maar een oppervlakkige vraag naar zijn woonplaats alleen, maar misschien eerder een vraag naar zijn gerichtheid en bedoelingen.
Uit dit verhaal diep ik enkele woorden, voorwaarden op die kenmerkend zijn voor de roeping van elke christen, maar in het bijzonder voor de roeping tot het religieus leven. Kort samengevat zou je kunnen zeggen dat zo een roeping een religieuze gevoeligheid veronderstelt en dat zij tot stand komt op aanwijzing van anderen enerzijds, maar dat anderzijds de bereidheid aanwezig moet zijn om zich te laten bevragen – “Zoeken jullie iets?” – op zijn motivatie en dat zij gericht moet staan op werkelijke ontmoeting – “Waar houdt u uw verblijf?” – met de Heer, een in gemeenschap treden met hem.
[35] De volgende dag was Johannes daar weer; twee van zijn leerlingen waren bij hem. [36] Hij richtte zijn blik op Jezus, die daar langskwam, en zei: ‘Daar is het lam van God.’ [37] De twee leerlingen gaven gehoor aan zijn woord en volgden Jezus. [38] Jezus keerde zich om, zag dat ze Hem volgden en sprak hen aan: ‘Zoeken jullie iets?’ Ze zeiden: ‘Rabbi (dat betekent: meester), waar houdt U uw verblijf?’ [39] Hij antwoordde: ‘Kom mee en je zult het zien.’ Ze gingen mee, en zagen waar Hij zijn verblijf hield. En ze verbleven die dag bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur. (Joh 1, 35-39)
(Naar abt Ton Baeten, Kom eens kijken waar ik woon, p. 11-13)
Brief aan wie Christus wil volgen

In het evangelie horen we Jezus’ oproep: “Volg Mij!” Is het mogelijk om die oproep te beantwoorden met een engagement dat heel mijn leven omvat?
We verlangen allemaal naar een gelukkige toekomst. Maar we kunnen de indruk hebben dat we door zoveel grenzen bepaald worden, dat ontmoediging ons soms in haar greep krijgt.
Toch is God aanwezig: “Het koninkrijk van God is nabij” (Marcus 1,15). We worden zijn aanwezigheid gewaar wanneer we de situaties van ons leven aanvaarden zoals ze zijn en we ze van daaruit verder vorm gaan geven.
Niemand wil verzanden in dromen over een geïdealiseerd bestaan. We worden uitgenodigd onszelf te aanvaarden in wat we zijn en ook in wat we niet zijn.
Zoeken naar een gelukkige toekomst betekent keuzes maken.
Sommigen maken moedige keuzes om Christus te volgen in hun gezinsleven, in de maatschappij, of door inzet voor anderen. Anderen vragen zich af hoe zij Christus kunnen volgen door de weg van het celibaat te kiezen.
Van harte zou ik ieder die zo’n keuze voor het leven overweegt, moed in willen spreken:
Het kan zijn dat er ten aanzien van zo’n verbintenis twijfels in je leven. Maar als je dieper gaat, dan vind je de vreugde om jezelf helemaal te geven. Gelukkig wie niet buigt voor de angst, maar zichzelf toevertrouwt aan de aanwezigheid van de heilige Geest.
Misschien vind je het moeilijk om te geloven dat God jou persoonlijk roept en dat Hij van jouw kant verwacht dat je je laat liefhebben. Jouw bestaan is kostbaar in zijn ogen.
Als God je roept, betekent dat niet dat Hij je voorschrijft wat je moet doen. Zijn roepen is in de eerste plaats een ontmoeting met jou. Laat je door Christus welkom heten en je zult ontdekken welke weg je moet inslaan.
God nodigt je uit tot vrijheid. Hij maakt je niet tot een passief wezen. Door zijn Heilige Geest woont God in jou, maar dat betekent niet dat Hij jouw plaats inneemt. Integendeel, hij doet onvermoede krachten in jou ontwaken.
Als je jong bent, kan het zijn dat je bang bent en dat je geneigd bent geen keuzes te maken om zo alle mogelijkheden open te houden. Maar hoe zou je vervulling kunnen vinden als je op het kruispunt blijft staan?
Aanvaard dat er onvervulde verlangens en zelfs onopgeloste vragen in je leven. Vertrouw je toe en leg je hart open. Er zijn in de Kerk mensen die naar je kunnen luisteren. Als je zo een tijdlang begeleid wordt, kan inzicht in je groeien in hoe je jezelf helemaal kunt geven.
In het volgen van Christus zijn we niet alleen. We worden gedragen door dat geheim van gemeenschap dat de Kerk is. In haar wordt ons ‘ja’ tot een lofzang.
Het kan een stamelende lofzang zijn, zelfs één die opstijgt uit onze nood. Maar deze lofzang kan uiteindelijk worden tot een bron van opspringende vreugde, ons leven lang.
(Fr. Alois, in Brief uit Taizé, 2008/1)
Geroepen door God
Roeping is niet
ik wil zo graag,
ik moet zo nodig
ik voel me gedrongen
Roeping is
ik zie er tegenop
als een berg
ik heb er helemaal
geen zin in
de taak is me veel te groot
en ik ben veel te klein
en toch doe ik het
want God wil het van mij.
Hij heeft mij overreed
Hij is mij te sterk geweest.
Roeping is
dat je geroepen wordt door God
en je durft geen nee te zeggen.
Je durft de Heer niet
voor de voeten te lopen
dus ga je achter hem aan.
(Nanieke de Jong)
De drie P’s
De kerk heeft vanouds drie ambten die uit elkaar worden gehouden door de drie grote P’s: De P van priester, de P van pastor, en de P van profeet. Dit is het goddelijke evenwicht.
De priester stond voor wierook; de pastor voor goud; de profeet voor mirre.
Wierook is van belang, want het priesterlijke ambt van de kerk is van oer-belang. Dopen, begraven, trouwen - de sacramentele kant; wierook, het vertrouwen. De plechtige. Plicht van de kerk.
Ook het geschenk van het goud is plicht voor ouders en kerken: Een kerk moet je ook het gevoel geven dat je ergens bij hoort, je thuis voelt. Goud; het genieten. De pastorale kant. Een heilig ambt. Onlosmakelijk verbonden met waar de kerk voor staat. Wierook en goud. Maar de mirre?
De mirre is de derde P: die van de Profeet. Mirre wordt door profeten gebruikt om te zalven. Maria Magdalena zalft Jezus met mirre. David en de andere gezalfden werden door profeten aangewezen met mirre. Mirre is de bevestiging van een roeping - tot gezalfde, tot profeet; roeping tot het ambt van roepende. Vaak in de woestijn, helaas. Mirre moet mensen helpen hun eenzame roeping te dragen. Om de waarheid onder ogen te komen en die te openbaren, te roepen, trouw te blijven.
Jona
De heer draagt Jona op naar de verdorven stad Nineve te gaan. Nineve staat hier symbool voor het buitenland, voor de vreemde wereld van de heidenen, waar men de heer niet kent. Maar Jona weigert dienst. Hij gaat niet naar Nineve. Hij vertrekt in de tegenovergestelde richting. Hij scheept zich in voor Tarsis. Dat is richting west, de richting van de nacht en van de dood. Hij daalt af in het ruim van het schip. Zo diep mogelijk. Daar valt hij in een diepe slaap. Maar de heer ontketent een hevige storm. De matrozen trachten door het lot te achterhalen bij wie de schuld ligt. Het lot valt op Jona. Deze bekent dat hij op de vlucht is voor de heer. Op eigen verzoek wordt hij overboord geworpen. Een grote vis slokt hem op. In de buik van de vis waant Jona zich in de onderwereld. Hij ziet er de dood voor ogen. Nu begint de ommekeer. Hij roept God om hulp en bidt om bevrijding in een prachtige psalm. De heer verhoort zijn gebed. Na drie dagen spuwt de vis Jona op het droge. Zo staat hij na zijn mislukte vluchtpoging opnieuw aan het vertrekpunt.
Voor de tweede maal wordt Jona naar Nineve gezonden. Nu vlucht hij niet. Hij gaat. Als het dan toch niet anders kan, zal hij die verdorven inwoners van Nineve eens duchtig de les lezen: ‘Veertig dagen nog, en Nineve wordt met de grond gelijk gemaakt!’ (3,4). Na deze donderpreek gaat Jona buiten de stad zitten afwachten wat er met Nineve zal gebeuren. Hij wil zien hoe de heer de stad straft. De heer is zo goed om voor Jona een schaduwrijke ricinusboom te laten opschieten. Die moet hem behoeden voor een zonnesteek. Vanuit de schaduw kan Jona zien hoe Nineve ten onder zal gaan. Maar na veertig dagen gebeurt er helemaal niets. Integendeel. De bewoners doen boete, zij roepen een vasten uit en bekeren zich. Het gevolg is dat God spijt krijgt van zijn plan om Nineve te gronde te richten. Hij brengt het niet ten uitvoer. Dat maakt Jona kwaad en nijdig. Hij bidt: ‘Ach heer, heb ik het niet gezegd, toen ik nog in mijn land was! Daarom heb ik het willen voorkomen door naar Tarsis te vluchten! Ik wist immers, dat U een genadige en barmhartige God bent, toegevend en rijk aan liefde, U hebt altijd berouw over onheil’ (4,2).
Dan is het de beurt aan de heer om Jona de les te lezen. De heer laat de ricinusboom, die Jona schaduw bezorgt, na één nacht verdorren. En Hij laat de zon harder schijnen dan ooit. Dat maakt Jona kwaad, erg kwaad. Dan spreekt de heer: ‘U bent begaan met die ricinusboom, waarvoor u niets hebt gedaan en die u niet hebt opgekweekt … Zou Ik dan niet begaan zijn met Nineve, de grote stad, waar zoveel mensen wonen?’ (4,10-11). Op deze vraag volgt geen antwoord. Het blijft een open vraag. Over Jona heen wordt zij gericht aan de lezers, dus aan ieder van ons.
Het boek Jona is als volgt opgebouwd:
Bron: www.bijbel.net
Wat zegt dit verhaal over ons, mensen?
Het verhaal van Jona maakt ons bewust van onze opdracht, wijst op gevaren en biedt ons een hoopvol perspectief.
- Ieder van ons wordt in het leven aangesproken. En die oproep is onontkoombaar. Ieder mens draagt een verantwoordelijkheid waar hij niet om gevraagd heeft en die aan zijn vrijheid voorafgaat. Die verantwoordelijkheid kan hij niet uit handen geven zonder verraad te plegen aan zichzelf.
- Vaak lijden mensen aan de twee ziekten van Jona:
* ‘Tarsitis’: Jona onttrok zich aan zijn opdracht, vertrok naar Tarsis en vluchtte in de slaap en de vergetelheid. Mensen doen vaak het omgekeerde van wat God wil, net als Jona. Er is machtsmisbruik in plaats van dienstbaarheid, trotse onverdraagzaamheid in plaats van respect en nederigheid, verdedigen van het status quo in plaats van verandering en bekering. In plaats van hun opdracht en de daarmee samenhangende verantwoordelijkheid op te nemen, sluiten ze zich op in hun eigen veiligheid, hun eigen leefwereld en laten zich niet met anderen in.
* ‘Ninevitis’: Jona schrijft de Ninevieten af omdat ze anders en vreemd zijn. Dat is mensen klasseren als hopeloze gevallen: vreemdelingen, gastarbeiders, anders-globalisten, de hiërarchie… Mijn volk, mijn land, dat zijn de goeden. De anderen zijn de slechten, de indringers.
- Maar er is ook een hoopvol perspectief. Het verhaal van Jona gebeurt nog elke dag. Bekering, terugkomen van verkeerde wegen, dat kan. Soms gaat het in etappes, zoals bij Jona. En niemand in dit boek is volmaakt. Niemand heeft een zuivere godsrelatie. Maar er gaat ook niemand ten onder in dit boek, noch Jona, noch de ‘vreemde’ volkeren. Want ‘de Heer is geduldig, groot in liefde en trouw’. En dat is ‘Evangelie’, blijde boodschap.
Uit Maurits Gilissen, Jona, de profeet die zichzelf moet bekeren, in Mensen Onderweg
Samuel
[1] De jonge Samuël diende dus de HEER, onder de hoede van Eli. Er klonken in die tijd zelden woorden van de HEER en er braken geen visioenen door.
[2] Op zekere nacht lag Eli op zijn slaapplaats. Zijn ogen waren dof geworden, hij kon bijna niet meer zien. [3] Samuël lag te slapen in het heiligdom van de HEER, bij de ark van God. De godslamp was bijna uitgedoofd. [4] Toen riep de HEER Samuël. ‘Ja,’ antwoordde Samuël. [5] Hij liep snel naar Eli toe en zei: ‘Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?’ Maar Eli antwoordde: ‘Ik heb je niet geroepen. Ga maar slapen.’ Toen Samuël weer lag te slapen, [6] riep de HEER hem opnieuw. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: ‘Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?’ Maar Eli antwoordde: ‘Ik heb je niet geroepen, mijn jongen. Ga maar weer slapen.’ [7] Samuël had de HEER nog niet leren kennen, want de HEER had zich niet eerder aan hem bekendgemaakt door het woord tot hem te richten. [8] Opnieuw riep de HEER Samuël, voor de derde keer. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: ‘Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?’ Toen begreep Eli dat het de HEER was die de jongen riep. [9] Hij zei tegen Samuël: ‘Ga maar weer slapen. Wanneer je wordt geroepen, moet je antwoorden: “Spreek, HEER, uw dienaar luistert.”’ Samuël legde zich weer te slapen, [10] en de HEER kwam bij hem staan en riep net als de voorgaande keren: ‘Samuël! Samuël!’ En Samuël antwoordde: ‘Spreek, uw dienaar luistert.’ [11] Toen zei de HEER tot Samuël: ‘Let op! Ik ga in Israël iets doen waarvan ieder zo zal ophoren dat zijn beide oren tuiten! [12] Als die tijd aanbreekt zal ik alles, maar dan ook alles ten uitvoer brengen wat ik Eli en zijn familie heb voorzegd. [13] Ik heb hem aangekondigd dat ik onherroepelijk het vonnis over zijn familie zou voltrekken vanwege het wangedrag van zijn zonen: hij wist dat zij God minachtten, maar hij heeft ze niet terechtgewezen. [14] Daarom heb ik Eli’s familie gezworen dat hun schuld met geen enkel offer kan worden ingelost.’
[15] Samuël bleef tot de ochtend liggen en opende toen de deuren van het heiligdom van de HEER. Hij zag ertegen op om Eli te vertellen wat hij had gehoord. [16] Maar Eli riep hem bij zich: ‘Samuël, mijn jongen, kom eens hier!’ ‘Hier ben ik,’ antwoordde Samuël, [17] en Eli vroeg: ‘Wat heeft hij tegen je gezegd? Probeer niet het voor me te verbergen. God mag met je doen wat hij wil, als je ook maar iets achterhoudt van wat hij tegen je heeft gezegd!’ [18] Zonder iets achter te houden vertelde Samuël hem alles wat hij had gehoord, en Eli zei: ‘Hij is de HEER. Laat hij doen wat hij het beste vindt.’
[19] Samuël groeide op. De HEER stond hem bij en bracht alles in vervulling wat hij had voorzegd. [20] Daardoor kwam iedereen in Israël, van Dan tot Berseba, tot de erkenning dat Samuël door de HEER als profeet was aangewezen. [21] In de jaren daarna bleef de HEER in Silo verschijnen. Hij maakte zich daar aan Samuël bekend door het woord tot hem te richten.
(1 Sam 3)
De roeping van de leerlingen
[7] Jezus week met zijn leerlingen uit naar het meer, en een grote menigte uit Galilea volgde hem. Ook uit Judea [8] en Jeruzalem, uit Idumea en het gebied aan de overkant van de Jordaan en uit de omgeving van Tyrus en Sidon kwamen veel mensen naar hem toe, omdat ze hadden gehoord wat hij allemaal deed. [9] Hij zei tegen zijn leerlingen dat ze een boot voor hem gereed moesten houden, om te voorkomen dat hij door de menigte onder de voet zou worden gelopen. [10] Allerlei zieken verdrongen zich om hem aan te raken, want hij had al veel mensen genezen. [11] Telkens als de onreine geesten hem zagen, vielen ze voor hem neer en schreeuwden: ‘Jij bent de Zoon van God!’ [12] Hij sprak hen bestraffend toe, en verbood hun bekend te maken wie hij was.
[13] Hij ging de berg op en riep al degenen bij zich op wie hij zijn keuze had laten vallen, en ze kwamen naar hem toe. [14] Hij stelde twaalf van hen aan als apostel; ze moesten hem vergezellen, en hij wilde hen ook uitzenden om het goede nieuws bekend te maken. [15] Ze kregen de macht om demonen uit te drijven. [16] De twaalf die hij aanstelde, waren achtereenvolgens Simon, die hij de naam Petrus gaf, [17] Jakobus, de zoon van Zebedeüs, Johannes, de broer van Jakobus (aan deze twee gaf hij de naam Boanerges, wat ‘zonen van de donder’ betekent), [18] Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon Kananeüs [19] en Judas Iskariot, die hem heeft uitgeleverd.
(Mc 3, 7-19)
FAQ’s met betrekking tot het priesterschap
Midden zijn zusters en broeders in het geloof wordt de priester geroepen en gezonden om Jezus op bijzondere wijze te vertegenwoordigen. In Jezus' naam verkondigt hij de Blijde Boodschap. Hij getuigt van het geloof in de verrezen Christus. In Jezus' naam zal hij voorgaan in de viering van de Eucharistie en de andere sacramenten waarin God zijn mensen nabij blijft. Hij zal ook zijn medechristenen bemoedigen in hun geloof en bouwt met hen mee aan één gemeenschap. Daarvoor staat de priester dicht bij het godsvolk. Tegelijk is hij ook goed thuis in het gebed. Hij wil dicht bij de bron zijn van zijn zending: Gods liefde.
Voor zijn tijdgenoten was Jezus geen priesters. Nooit wordt hij in de evangeliën zo genoemd of aangeduid. De priesters waren te vinden in de tempel en waren zelfs ingedeeld in klassen. De meest gezaghebbende was de hogepriester. Jezus behoorde niet tot die groep. Het priesterschap was trouwens erfelijk. Men moest afstammen van Levi. Niettegenstaande de duidelijke afwezigheid van alle priesterlijke benamingen voor Jezus, werd Hij doorheen de eeuwen wel als priester erkend en wel als hogepriester. Jezus werd niet aangezien als priester door zijn tijdgenoten, ook niet door zijn leerlingen. Indien we Hem dan toch priester noemen, omdat Hij rondom zich een godsdienstige en morele gemeenschap vormde, moeten we daar onmiddellijk aan toevoegen dat Hij dat begrip op een eigen wijze heeft ingevuld: het was duidelijk een bekommerd zijn om mensen.
Om priester te worden dient men een opleiding te vormen die zes of zeven jaar duurt en die bestaat uit een filosofische, een theologische en een pastorale vorming. De priesteropleiding houdt ondermeer de volgende facetten in: mens worden, een evangelisch mens worden, leven en geloof delen samen met anderen, je inzetten in herderlijke zorg, je vormen door studie. Priester wordt men natuurlijk ook elke dag, door ervaring, en met vallen en opstaan.
Het priesterschap is niet voorbehouden aan het christendom. Vele wereldreligies, maar ook natuurreligies, kennen ‘priesters’ of ‘priesteressen’ (al noemen ze die personen natuurlijk niet altijd zo), met name contactpersonen tussen God, de goden of het goddelijke en de mensen.
In de rooms-katholieke kerk mogen vrouwen geen priester worden. Hoewel er vele stemmen opgaan om het priesterschap toe te laten voor vrouwen, heeft de Kerk verschillende argumenten om dit niet te doen. Deze argumenten zijn onder andere de volgende. (a) Jezus Christus heeft uitsluitend mannen gekozen om apostel te zijn, daarmee heeft hij een blijvende norm vastgelegd. (b) Paulus heeft vrouwen verboden onderricht te geven of om vóór te gaan in de liturgie. (c) Getrouw aan een ononderbroken traditie heeft de kerk vrouwen nooit tot priester gewijd. (d) Alleen een mannelijke priester kan op de juiste wijze Christus representeren. Want Christus was, per slot van rekening, zelf een man. € De kerk bezit de macht niet om vrouwen priester te wijden.
Tegen deze argumentatie brengen de voorvechters van het vrouwelijk priesterschap de volgende tegenargumenten in. (a) Ofschoon Christus destijds geen vrouwen heeft gekozen onder het aposteltal, heeft hij vrouwen in beginsel een gelijk aandeel gegeven in zijn priesterschap. (b) Paulus’ verbod gold alleen enkele plaatselijke gemeenschappen. Paulus heeft uitdrukkelijk de gelijkheid van mannen en vrouwen in Christus geleerd. (c) Het was te wijten aan maatschappelijke en religieuze vooroordelen dat vrouwen de wijding niet ontvingen. (d) Christus wordt door uitsluitend mannelijke priesters niet adequaat vertegenwoordigd. € De kerk bezit de macht aan vrouwen de priesterwijding te verlenen.
Het verplichte celibaat is een beslissing van de latijnse kerk. Het celibaat hangt dus niet samen met de christelijke kerk. Binnen de protestantse en anglicaanse kerk zijn vele van de ambtsdragers wel gehuwd. Binnen de rooms-katholieke kerk is het celibaat echter verplicht.
Er zijn heel wat priesters die doorheen de eeuwen veel goeds voor de mensheid hebben gedaan. Enkele bekende priesters en religieuzen zijn priester Poppe, pater Damiaan, priester Daens, Don Bosco, Petrus Jozef Triest, moeder Teresa, zuster Helen Prejean, kardinaal Danneels, verschillende pausen van de laatste eeuwen,…
In de kerk zijn er verschillende roepingen te onderscheiden. We zouden kunnen zeggen dat elke gelovige op grond van het doopsel een roeping heeft. Daarnaast bestaan er een aantal specifieke roepingen zoals de roeping tot religieus of religieuze, de roeping tot godgewijde maagd, tot medewerkster van het apostolaat, tot pastoraal medewerk(st)er,… Er zijn nog andere roepingen in de kerk, met name die tot diaken, priester en bisschop, maar die ontspringen aan een andere bron, met name die van het wijdingssacrament, waardoor ze fundamenteel onderscheiden zijn van de andere kerkelijke roepingen.
Diaken komt van het Griekse diakonos, wat dienaar betekent. Een diaken ontvangt van de Kerk de kracht van de wijding om zoals Jezus te dienen. Een diaken wil velen motiveren om ook dienstbaar te leven en geeft mee vorm aan een dienstbare kerk.
Diaken zijn is één van de hoogste wijdingen binnen de Kerk en is voorbehouden aan (meestal gehuwde) mannen van rijpere leeftijd. Wie niet gehuwd is kan de wijding ontvangen vanaf 25 jaar (men belooft dan wel om levenslang ongehuwd te blijven), wie gehuwd is vanaf 35 jaar.. Met het diakenschap hangt ook een opleiding samen (theologisch, gefocust op bezinning en gebed en pastoraal gericht). Wie diaken is, ontvangt een zending en een pastorale benoeming, maar kan in vele gevallen zijn gewone job verder blijven uitoefenen.Bronnen voor het geheel van de FAQ’s:
www.priesterworden.be
www.diakenworden.be
www.womenpriests.org
P. Pas, De zeven sacramenten op de drempel van het derde millennium
Iedereen priester?

Niet prostitutie –zoals wel eens beweerd wordt – maar priesterschap is het oudste beroep ter wereld. Elke mens is van nature ‘priester’. Elk mens buigt vroeg of laat voor het overweldigende fascinosum, dat men al dan niet het goddelijke, het transcendente, of gewoon God kan noemen. In de meest algemene zin van het woord mag men daarom zeggen dat elke mens die met ontzag opziet naar het hogere een priester is. Wie zijn ontzag verliest, verliest zijn priesterlijke natuur.
De aanduiding voor priester in het Oude Testament, cohen, is afgeleide – beweert men – van het akkadische kanu, dat ‘buigen’ en ‘eerbied betuigen’ betekent. Wie buigt voor hogere machten vervult principieel een priesterlijke rol. Buiten deze algemene en principiële gelijkheid zijn van oudsher – maar niet van origine – bepaalde personen apart gezet om speciaal als ‘dienaar voor God’ te staan: het institutionele priesterschap. (…)
Zover als we in de geschiedenis van de godsdiensten kunnen terugblikken – en dat is eigenlijk zover als we het spoor van ménsen kunnen traceren – zijn er priesters. De ‘verzorgde dood’ is hiervan het zichtbare teken. Mensen begraven elkaar. Dieren zullen elkaar deze dienst niet bewijzen. In feite maakt dit reeds de mens tot priesterlijk wezen: bruggenbouwer (pontifex) tussen leven en dood, hemel en aarde, God en mens. Begraven was voorbehouden aan de oudsten van de gemeenschap: het Griekse presbuteros, waarvan ons ‘priester’ is afgeleid, betekent ‘oudere’.
Officiëlere definities spreken pas van priesterschap wanneer er een cultusplaats of tempel is en een ambt dat men verkrijgt door roeping, wijding of zalving ter uitvoering van bepaalde taken waarvoor men ‘apart’ wordt gezet. In een artikel over de priester somt J. Haekel de meest voorkomende priesterlijke taken op:
Het bedienen van de sacramenten, het uitvoeren van de taken die Haekel noemt, maar ook de vele andere functies die veel priesters door hun centrale positie in de gemeenschap vervullen (vertrouwenspersoon en aanspreekpunt op politiek, maatschappelijk en sociaal terrein) maken alles bij elkaar dat de alsmaar sneller voortschrijdende terugloop van het priesterbestand grote gaten slaat niet alleen in het religieuze en spirituele, maar ook in het maatschappelijke bestel van onze samenleving.
(Naar Patrick Chatelion Counet (ed.), De nieuwe priesters, p. 2-4)

Wat is een priester?
Wat is een priester? Een minnaar van God. Iemand die houdt van de mensen. Een man die als een heilige vóór het aangezicht van de Allerheiligste uit moet lopen. Een priester moet alles begrijpen, alles vergeven. Zich voor alles inzetten. Net als Christus opent hij zijn hart zodat hij er de hele wereld in kan opnemen.
Het hart van de priester is een vat vol medelijden, een kelk van liefde, de rendez-vousplek van Gods liefde, de plaats waar vrouwen en mannen elkaar in het hart van God kunnen ontmoeten. Een priester is een man die een andere Christus wil worden, iemand die leeft om te dienen.
Een priester is een man die zichzelf kruisigt om daarna met Christus te kunnen verrijzen. Hij is de afspiegeling van Gods liefde. Niets ter wereld is geringer, brozer én groter dan een priester. Net zoals de Heer wordt een priester gekruisigd, gehaat en gevierendeeld. Hij ziet verlangend uit naar de verrijzenis. In zijn hart draagt hij alle zielen die hij tot God voert. Hij toont Gods hart.
(Naar Guy Gilbert, Het evangelie van de straat, p. 231)
Priesters van goud of van hout?
Zaterdagavond. Een zwoele avond na een snikhete hondsdag. Mijn vriend Mark is in deze late uurtjes nog aan het werk op het redactiekantoor van het dagblad waar hij één van de culturele rubrieken moet verzorgen. Af en toe bel ik hem eens op tijdens zijn laatavondwerk. Zomaar. Vrienden willen elkaar af en toe eens horen.
“Hé man,” zei ik, “jij behoort tot de zonderlinge groep van mensen –journalisten en priesters – die zich ook tijdens de weekends nuttig maken…”
“Fijn dat je me nu een teken van leven geeft,” had hij geantwoord. “Toevallig las ik in een Engels magazine net een stukje over jullie, priesters… Een paar zinnen hebben me bijzonder getroffen. En ik citeer ze voor je. Wellicht kunnen ze nog bruikbaar zijn.
‘In de tijd van St. Patrick
waren de priesters van goud
en de kelken van hout…
nu zijn de priesters van hout
en de kelken van goud…’ Sorry, een nogal straffe taal die te denken geeft. Maar ik weet dat jij bij de eerste groep wil behoren. Blijf wat je bent, man. We hebben nog nooit zo een ontzettende nood gehad aan echte priesters. Mannen die hun eigen frustraties en problemen niet op ons afreageren, maar mensen die ons laten delen in hun vreugde en ons daardoor vertrouwen inboezemen….”
Zijn woorden hebben me wel even geschokt.
“Dank je Mark,” heb ik gezegd. “Je woorden zijn als een ijskoud briesje in dit drukkende zomerweer. Materie voor mijn meditatie van morgen voor ik de hele dag ga preken in één van onze kustparochies…”
“Zie je wel,” zei hij. “Onze Lieve Heer gebruikt dan toch af en toe nog eens een leek om zijn priesters te herinneren aan wat zij moeten zijn…”
(uit Omer Tanghe, Denkend aan Alberic. Dagboeknotities van een priester, p. 64-65)
Een roepingsverhaal

Op het internaat, zoals het reilde en zeilde, begon mijn ‘roeping’ langzaam gestalte te krijgen, een woord overigens dat ik nauwelijks over mijn lippen kon krijgen en in feite ook nooit gebruikte als ik met anderen sprak over mijn verlangen om priester te worden. Het was een besmet woord, waarvoor ik me schaamde, waarschijnlijk omdat het te intiem was. En over intieme zaken bestond geen communicatie, noch met mijn ouders, noch met mijn klasgenoten, noch met de jezuïeten (…). Roeping lag op dezelfde laag als seksualiteit; beide vormden een realiteit, maar je sprak er eenvoudigweg niet over. Roeping was een geheim dat ik met me meedroeg vanaf mijn dertiende of veertiende jaar, en waarvan ik in een onbewaakt ogenblik mijn ouders per brief op de hoogte bracht. Mijn vader antwoordde per kerende post dat hij er blij mee was. Maar hij achtte het beter om mijn verlangen naar priesterschap in stilte te laten rijpen en er maar niet teveel over te praten, omdat ik immers nog van gedachten zou kunnen veranderen.
Op het internaat stemde ik mijn antennes af op signalen, die andere jongens op dit gebied zouden kunnen uitzenden. Zouden degenen, die net als ik geregeld of zelfs dagelijks naar de mis kwamen, van hetzelfde verlangen vervuld zijn? Of kwamen ze omdat ze voor een moeilijk proefwerk of eindexamen zaten, of hadden ze überhaupt geen religieuze plannen? (…)
De motieven voor priesterschap en religieus leven zijn altijd een mengeling geweest van zuivere en onzuivere motieven, enerzijds een oprechte, diep verankerde keuze, anderzijds de vlucht voor verantwoordelijkheid, seksualiteit, relatie en militaire dienst, gekoppeld aan het verlangen naar geborgenheid, affirmatie en opgenomen worden in een groter geheel. Bij mij is het niet anders geweest, al was ik me daar toen niet van bewust.
(Uit Paul Begheyn sj, Maar wie ben ik? Metamorfose van een roeping, p. 53-55)

Religieus gemeenschapsleven
“Wat doen jullie eigenlijk in een klooster?”, is een vraag die aan religieuzen vaak gesteld wordt, niet alleen door zogenaamd andersdenkenden, maar juist ook door eigen geloofsgenoten. Veel mensen hebben er blijkbaar geen flauw vermoeden van, wat religieus leven precies inhoudt en betekent. Ze gaan meestal af op uiterlijke verschijningsvormen zoals kleding en werkkring en meten daaraan het religieus leven zelf af. Dat moet dan wel een verkeerd beeld geven, omdat inhoud en zingeving van religieus leven niet enkel en uitsluitend bepaald wordt door uiterlijke factoren. Ze kunnen zelfs een totaal verkeerd beeld geven. (…)
Waarom religieus gemeenschapsleven vandaag meestal niet verstaan en begrepen wordt, ligt voor mij in het feit dat vanuit het verleden het woord ‘gemeenschap’ nog steeds opgevat wordt als een juridische band op grond van uiterlijke factoren, zoals kleding, geloften, gebedspraktijken, dagindeling enz. Veel mensen zien een religieuze gemeenschap nog als een uitwendige zaak, die door regels en voorschriften bijeengehouden wordt. Bovendien, wat nog erger is, worden die regels vaak ook nog negatief verstaan in de zin van: “Religieuzen mogen dit of dat niet en ze moeten zus of zo”. Het religieus leven schijnt voor velen aan elkaar te hangen van ‘niet-mogen’ en ‘wel-moeten’. Religieuzen ogen immers niet trouwen, niet bezitten, niet over hun eigen wil beschikken, integendeel ze moeten alles vragen, gehoorzamen op het onredelijke af en niets hun eigendom noemen. Kortom, religieus leven wordt door velen nog gezien als een ontkenning van menselijke waarden en behoeften. (…)
Dat deze benadering een verkeerd en onterecht beeld van het religieus leven geeft, zal duidelijk worden als ik het huwelijksleven op een zelfde wijze zou voorstellen. Als ik het huwelijk van twee concrete mensen afschilder als een juridische overeenkomst, gesloten volgens de normen van de burgerlijke wet, met of zonder huwelijkse voorwaarden, dan doe ik ontecht aan de relatie tussen deze twee mensen, omdat ik hun relatie zuiver uitwendig interpreteer. Ik leg hun relatie vast op uiterlijke factoren, die niet het wezen van hun relatie raken, maar slechts formules zijn, waarbinnen hun relatie formeel omschreven kan worden. Er is feitelijk namelijk veel mee dat hen bindt. Hun binding gaat veel dieper dan die uiterlijke factoren, omdat zij gefundeerd is op onderlinge liefde, genegenheid, vriendschap, aanvaarding. Deze maken het wezen van hun relatie uit en niet de uiterlijke zaken, waardoor hun relatie door de wetgever geregeld wordt.
Nu denk ik dat deze onterechte benadering volgens deze uiterlijke factoren nog vaak toegepast wordt op het religieus leven. Het wel of niet dragen van het religieus kleed bijvoorbeeld is bepalend voor het wel of niet religieus zijn. Maar ook het leven van religieuzen is juist als dat van gehuwden veel meer dan een optelsom van een aantal individuen of van een aantal regels en voorschriften, hoezeer die ook nodig zijn. Echte gemeenschap tussen man en vrouw, tussen religieuzen onderling ontstaat door iets wat bijna niet onder woorden te brengen is. Banden tussen mensen groeien niet door regels en afspraken, maar door een geheim dat ze met elkaar delen, zoals er een band groeit tussen man en vrouw, wanneer zij hem vertelt dat ze in verwachting is. Letterlijk groeit dan het geheim in haar schoot, geestelijk groeien zij in het samen te dragen geheim.
Wat is dan het geheim, die innerlijke verbondenheid, die religieuzen bindt, althans zou moeten binden? Ik denk dat dat het geheim is van de levende Heer Jezus Christus, het geloof namelijk dat Hij levend aanwezig is temidden van mensen die in zijn Naam samen zijn.
(naar abt Ton Baeten, Kom eens kijken waar ik woon, p. 21-24)
Waarom monnik?
“Waarom bent u monnik geworden?” Deze vraag wordt mij vaak gesteld en het is niet makkelijk om er antwoord op te geven. Ik denk dat het in grote lijnen op hetzelfde neerkomt als wanneer iemand je vraag uit te leggen waarom je met je echtgenoot bent getrouwd: misschien wil de vragensteller weten hoe je tegenover het huwelijk staat (waarom zijn jullie niet gewoon gaan samenwonen?), of misschien wil hij weten waarom je met deze speciale man of vrouw getrouwd bent en niet met een andere, of misschien is zijn vraag onderdeel van een gesprek over je recente scheiding. Elke situatie vraagt om een ander antwoord. Zo geef ik ook wisselende antwoorden met het oog op de telkens wisselende context. Maar het antwoord dat ik eigenlijk zou willen geven is: “Ik weet het niet.” Ik weet niet waarom ik monnik ben geworden, omdat de reden waarom ik ben ingetreden niet de reden is waarom ik ben gebleven. Toen ik intrad, dacht ik de wereld te kunnen redden door monnik te worden; ik ben gebleven omdat het klooster de plek is waar ik heb ontdekt dat ik zelf gered moest worden. Voordat ik anderen een wijkplaats zou kunnen bieden, moest ik er zelf eerst een vinden. (…)
Heeft Christus me geroepen? Ja, natuurlijk? Heeft Hij een voicemailbericht voor me achtergelaten? Natuurlijk niet. Als ik al een bepaald moment wil aangeven waarop Hij me heeft geroepen, dan was het op een avond toen ik op mijn kamer in het college in de Bijbel zat te lezen. Ik was negentien en had eerder dat jaar besloten dat het tijd was om alle evangeliën eens voor mezelf te lezen, en op dat moment las ik Matteüs. Ik las hoofdstuk 10, vers 37-39 dat wordt afgesloten met deze woorden van Jezus: “Wie zijn leven probeert te behouden zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, die zal het behouden.” Dat raakte een snaar in me en leek het dilemma onder woorden te brengen waar ik voor stond: alles behouden wat een carrière te bieden had en verliezen wat ik belangrijk vond, of verliezen wat ik op dat moment voor het grijpen had en iets anders vinden wat uit Gods hand kwam. Zo geformuleerd was het geen moeilijke beslissing, maar de praktische uitwerking van die beslissing en dat aan iedereen uitleggen, was veel moeilijker. Maar ik heb het een kans willen geven in de veronderstelling dat ik waarschijnlijk toch niet door het noviciaat heen zou komen – en tot mijn eigen verbazing ben ik steeds meer in dit leven gegroeid.
(Uit Christopher Jamison, Levenslessen van een abt, p. 13-15)
God zoeken
Ik werd monnik toen ik negentien was. Ik wilde als jongere iets presteren voor de kerk, zo wilde ik op missie gaan naar Japan of Korea. Toen ik tweeëntwintig was, voelde ik mij innerlijk heel onzeker. Het waren de jaren zestig, die in 1968 tot een soort hoogtepunt kwamen. Velen waren niet langer tevreden over de gang van zaken in de kerk en traden uit. Toen is mijn crisis begonnen die vijf jaar duurde. Via de psychologie, de zenmeditatie en de groepsdynamica heb ik een eigen weg ontdekt. (…) Ik ontdekte wat het betekende monnik te zijn. Een monnik ben je, als je God zoekt. Het zoeken, zowel in eenzaamheid als met elkaar, is heel belangrijk. Nooit blijven stilstaan, meditatie beoefenen, vragen stellen. Monnik is diegene die de innerlijke weg gaat.
(Lucette Verboven interviewt Anselm Grün, in Pelgrims onderweg, p. 14-15)
De roeping van kerkvrouwen

http://www.kerkvrouwen.be/ : Op deze site kan je de getuigenissen bekijken en beluisteren van een aantal vrouwen die een roeping gehad hebben en gekozen hebben voor een welbepaalde levensvorm (niet altijd als religieuze): apostolisch religieuze, vrouwelijke contemplatieve, godgewijde maagd of medewerkster van het apostolaat.
“Kerkvrouwen geven zich voluit aan de liefde van God. Vanuit die bewogenheid bouwen ze mee aan zijn kerk en zijn droom voor deze wereld. Kerkvrouwen doen dat door er te zijn voor anderen in hun dagelijks leven:
Naar gelang de levensvorm wordt het ene of het andere aspect meer beklemtoond.
Tien vooroordelen rond zuster zijn en leven in een klooster

In het klooster gaan, het lijkt zoiets als je vrijwillig in de gevangenis laten opsluiten. Wie kiest in godsnaam voor zo’n leven en waarom? Katelijn, zuster van het Don Bosco-klooster, legt het allemaal uit aan de hand van tien hardnekkige vooroordelen.
Vooroordeel 1: Zuster word je met je hart, niet met je verstand.
“Moeilijke vraag, met een dubbel antwoord. Ik was een heel gewone vrouw voor ik in het klooster trad: ik had een job, een vriend, een bloeiend sociaal leven. Ik had wel van kinds af een grote fascinatie voor Jezus en voor het leven in een klooster. Toch koos ik voor de ‘gewone’ weg: studeren en daarna werken. Het gaf mij voldoening, maar ik miste iets. Toen ik er dieper over begon na te denken, besefte ik dat ik nooit helemaal zou gelukkig worden met alleen een gezin en een job. Ik wilde iets meer betekenen, mijn energie voor iets ‘groters’ gebruiken. Ik wilde veel mensen kunnen bezielen. Ook het bidden trok mij aan, en het leven in een gemeenschap. Ik voelde mij dus wel geroepen, maar de beslissing om in te treden heb ik rationeel gemaakt. Ik heb afgewogen: wat wil ik in dit leven en wat zal mij het gelukkigst maken?”
Vooroordeel 2: In een klooster leef je op een eiland.
“Dat is helemaal niet zo. Wij worden door de maatschappij op een eiland geplaatst! Wij zijn niet wereldvreemd, wij weten net heel goed wat er in de maatschappij leeft. Wij vangen in ons huis regelmatig jongeren op die het thuis moeilijk hebben. Als zij letterlijk jouw douche en toilet gebruiken, dan weet je wél wat hen bezighoudt, hoor. Bovendien hebben wij hier ook een krant, we kijken naar het nieuws. Ik pik zelfs af en toe wat jongerenlectuur mee om op de hoogte te blijven van hun leefwereld. En wij hebben internet en een gsm, omdat je in deze maatschappij moeilijk zonder kunt.
Ik vind het jammer dat mensen ons als vreemde wezens zien. Als je een zuster bent, moet je je bijna verontschuldigen of je op z’n minst verantwoorden en zeggen: “Ik ben heus wel gelukkig hoor!”
Vooroordeel 3: Als je intreedt, zijn er weinig mensen die je begrijpen.
“Als je zuster wordt, lijkt het wel of iedereen het recht heeft om te vragen hoe je intieme leven in elkaar zit. Ik heb één keer gezegd: “Ik vraag toch ook niet hoe, waar en wanneer jij het gisteren hebt gedaan?” Het nieuws dat ik in het klooster ging, sloeg bij de meeste vrienden in als een bom. “Je vergooit je leven”, kreeg ik te horen, of “je zult nog op je besluit terugkomen” en “je zult totaal veranderen”. Die reacties hebben me pijn gedaan. Ik was gelukkig met mijn besluit, voelde me bevrijd en wilde dat delen.
Heel moeilijk was ook de confrontatie met mijn vriend. Zijn vriendin ging weg om non te worden, kun je je de schok voorstellen? Ik ben blij dat wij altijd eerlijk tegen elkaar zijn geweest. Ik heb hem gezegd: “Ik kan wel met jou samenwonen, maar niet samenléven. Ik kan met jou opstaan, koken, gaan slapen, maar ik zal nooit helemaal gelukkig zijn. Ik zou altijd iets missen.” Hij heeft zich daarbij neergelegd en nu hebben we nog altijd een goed contact. Daar ben ik blij om. Mijn ouders hadden mijn keuze niet verwacht, maar ze stonden er wel voor open. De enige opmerking die ze maakten, was: “Dus geen kleinkinderen...”
Vooroordeel 4: Een zuster mist de leuke dingen van het leven.
“De vraag is: wat zijn de leuke dingen in het leven? Als je shoppen, luxereizen of op café gaan bedoelt: inderdaad, dat doen wij niet. Of we doen het wel, maar anders. Wij dragen geen habijt, dus ik heb af en toe kleren nodig, maar ik blijf sober. Ik denk twee keer na voor ik iets koop en het is ook nooit duur. Een middag de stad in om veel geld uit te geven, dat doe ik niet. Ik heb ervoor gekozen om zo bescheiden mogelijk te leven en ben daar consequent in. Ik ben lerares, verdien dus mijn eigen centen, maar die worden gestort op de rekening van de gemeenschap. Als ik geld nodig heb, vraag ik dat gewoon aan onze verantwoordelijke, al zal ik achteraf wel altijd het bonnetje tonen.
Ik ben niet consumptiegericht. Eens iets gaan eten of drinken kan, maar alleen als het een weloverwogen keuze is. Ik heb een gelofte van armoede afgelegd, dus ik ga geen koffie drinken op café als dat in de gemeenschap ook kan. Wij drinken af en toe een glaasje wijn, maar alleen als het past bij de gelegenheid. Roken doen we ook niet”
Vooroordeel 5: Trouw blijven aan God is even moeilijk als trouw blijven aan een man.
“Ik heb een paar keer getwijfeld over mijn geloof en mijn keuze, ja, maar dat is volgens mij normaal. Ik zat amper twee maanden in het klooster toen mijn moeder terminaal ziek bleek te zijn. Ze was achtenveertig jaar. Dan vloek je, hoor. Want dan voel je je enorm in de steek gelaten door diegene op wie je zo erg vertrouwde. Ik ben bij mijn moeder gebleven tot ze stierf, thuis in West-Vlaanderen. Toen ik een halfjaar later opnieuw naar het klooster kwam heb ik enorm getwijfeld. En toch vond ik de kracht en motivatie terug. Ik stond wafels te bakken, op net dezelfde manier als mijn moeder: zonder recept, op het gevoel. En toen besefte ik opeens: mijn moeder leeft verder in mij, dus in principe is God wel liefde, mijn moeder is voor een stuk in mij verrezen.
Zo’n crisis als toen heb ik nooit meer gehad, maar soms ben ik nog kwaad op Jezus. Dan ga ik in de kapel in mezelf een beetje razen tegen Jezus, dan zeg ik ook letterlijk tegen Hem: “Maar man toch, hier heb je me zwaar teleurgesteld”.
Vooroordeel 6: Kiezen is verliezen.
“Wie een keuze maakt, verliest, maar wint ook altijd iets anders. Dat geldt voor iedereen, ook voor mij. Waar ik het meeste pijn van heb, is dat ik nooit zal weten wat het is om mama te zijn. Ik werk met kinderen, en dat kan best confronterend zijn. Als een meisje uit mijn klas zegt: “Mijn moeder is ook achtendertig”, dan denk ik wel eens: verdorie, jij had mijn dochter kunnen zijn. En dat doet pijn, ja. Maar onoverkomelijk vind ik het niet. Ik heb voor mijn keuze een heerlijk vervullend leven in de plaats gekregen. Bovendien krijg ik van de kinderen met wie ik werk veel warmte en affectie, dat helpt.”
Vooroordeel 7: Het celibaat is de moeilijkste gelofte.
“Dat vind ik niet, maar het is wel de meest actuele, de meest intrigerende gelofte. Toen ik binnenkwam was ik ervan overtuigd dat ik mijn seksualiteit moest afzweren. Ik dacht: nu gaat je hart op slot, nu ben je nergens meer vatbaar voor. Ik h eb geleerd dat dat niet zo is. Een mens is een seksueel wezen, alleen zie ik die seksualiteit heel breed. Vrijen met een man en een relatie hebben kan niet meer, maar dat mis ik ook niet. Ik heb vriendjes gehad. Ik weet dat seks of een relatie niet zaligmakend is.
Ik ben blij dat ik pas op mijn achtentwintigste ben ingetreden. Als ik op mijn achttiende non was geworden, was ik seksualiteit misschien beginnen te idealiseren. Dat is nu niet zo. Ik weet wat het is en mis het niet. Ik heb ook geen behoefte aan masturbatie, ik heb dat gewoon niet nodig om een rijk leven te leiden. Ik ben ook niet meer verliefd geworden sinds ik zuster ben. Soms zeg ik weleens: “Dat is een knappe gast”, maar verder gaat het niet. Misschien overkomt het me ooit nog, wie weet? Ik kan alleen maar hopen dat ik er dan rationeel genoeg mee om zal kunnen gaan.
Vooroordeel 8: Allemaal vrouwen onder één dak, dat moet problemen geven…
Natuurlijk zijn er soms conflicten, wat had je gedacht? Er wonen hier zeven zusters en vaak vangen we nog zo’n zeven à acht jongeren op. Als je met zoveel mensen samenleeft die niet voor elkaar hebben gekozen, zijn er af en toe problemen. Soms grote, maar soms ook kleine irritaties, zoals het wc-rolletje dat weer niet is vervangen. Maar conflicten zijn hier nog nooit uit de hand gelopen, omdat we er eerlijk over praten. Zuster Hilde zegt altijd: “Zwijgen voor de lieve vrede heeft nog nooit ergens vrede gebracht.” Daarom proberen wij zo eerlijk mogelijk met elkaar te zijn.
Vooroordeel 9: Nonnen lezen geen Flair.
“(Schatert het uit) We kopen Flair niet, maar ik lees’m wel bij de kapper, of bij de pedicure. Ik lees de langere interviews, maar de mode en de beauty houden me minder bezig. Wij zusters gebruiken geen make-up, besteden geen geld aan verzorgingsproducten omdat we dan weer zouden meedraaien in die consumptiemaatschappij. Ik gebruik wel graag eens een vleugje parfum.”
Vooroordeel 10: Zusters hebben geen vrijheid.
“Ik heb gekozen voor een leven in gemeenschap en respecteer de verplichtingen die dat meebrengt. Ik ben geen ochtendmens, maar ik ben wel elke morgen om halfzeven in de kapel om te bidden. Ik heb mij voor dit leven geëngageerd en doe dat dan ook zo consequent mogelijk. Ik word elke avond voor de maaltijd aan tafel verwacht, maar betekent dat dan dat ik geen vrijheid heb? In een gezin maak je toch ook afspraken? Oké, ik kan niet elke avond op café en een ‘gewone’ mens wel, maar wat zegt dat dan over zijn thuissituatie? Als je thuis moet vluchten, scheelt er iets. Ik ben graag thuis, bij de andere zusters en daarom voelt het niet aan als een beperking van mijn vrijheid.”
Uit Flair
Campagnemateriaal
Binnenlands

Buitenlands







Open oren, open hart en open handen
Het begrip gehoorzaamheid klinkt de moderne mens niet sympathiek in de oren. Het doet denken aan een ‘Befehl ist Befehl’-mentaliteit, een kadaverdiscipline die aan mensonwaardige uitwassen leidt, zoals de geschiedenis laat zien. Ook in de geschiedenis van het religieus gemeenschapsleven heeft de gehoorzaamheid deze bijklank gekregen, zodat velen nog steeds een verkeerd beeld hanteren van wat religieuze gehoorzaamheid werkelijk inhoudt. (…)
Religieuze gehoorzaamheid kan in principe gekarakteriseerd worden als geloofsgehoorzaamheid, zij is de gelovige grondhouding waarmee de religieus de werkelijkheid om zich heen beschouwt, ernaar luistert en haar actualiseert. Het is de gevoeligheid voor de oproep die oplicht vanuit de confrontatie met Gods woord in de Schrift of voor het appel dat uitgaat van Jezus’ wijze van omgaan met mensen en dingen. Het is zijn ‘oren open’ houden voor de actualiteit van het leven van elke dag en van de samenleving waarin we staan, om daaruit te vernemen wat gedaan moet worden.
De tweede in de reeks van de drie geloften is het ongehuwd leven. Reden waarom de gehoorzaamheid gevolgd wordt door de gelofte van ongehuwd leven is dat zij een relativering inhoudt van wat ons als mens het meest nabij en dierbaar is, namelijk de menselijke relatie, in feite de exclusieve gebondenheid aan één mens, die levenspartner is. Zulk een relatie is meer nabij en eigen aan ons menszijn dan de gebondenheid aan geld en goed. Afstand doen van de exclusieve relatie tot één mens grijpt dieper in een leven in dan afstand doen van zaken als geld en goed, omdat zij tevens impliceert dat de religieus eigen nageslacht, eigen huis en haard betrekkelijk stelt. (…)
De gelofte van ongehuwd leven speelt in wezen in op de toekomst van het Rijk Gods. Zij heeft slechts zin in relatie tot dat Rijk Gods, zoals Jezus zelf zegt (Lc 20,34): “In deze wereld trouwen de mensen met elkaar, maar wie waardig gekeurd worden om deel te hebben aan de toekomstige wereld, trouwen niet met elkaar.” Het ongehuwd leven omwille van een toekomstige wereld, waarin niet meer gehuwd noch uitgehuwelijkt wordt, krijgt daarmee een verwijzende functie naar iets wat nog komen moet en waarop de religieuzen door hun gelofte om niet te huwen inspelen.
Religieus celibaat blijft daarom altijd een geloofskeuze, die niet op grond van praktische overwegingen beredeneerd kan worden, die niet met verstandelijke argumenten bewezen kan worden. Het is de gelofte van een ‘open hart’, een hart dat open staat naar de komst van het Rijk Gods en naar alleen die hij op zijn weg daarheen ontmoet.
De laatste van de drie geloften is de armoede. Naar het gevoelen van zichzelf en van anderen zijn de religieuzen langzamerhand tot de categorie van de rijken gaan behoren. Niet dat zij individueel rijk zouden zijn, maar wel als gemeenschap of als instituut, dat immers de beschikking had en heeft over kapitaalgoederen en kapitaalbezit. Bezitters daarvan behoren automatisch tot de gegoede middenklasse, die in materieel opzicht niets tekort komen, ook al kunnen zij persoonlijk niets hun eigendom noemen. De gespletenheid in de armoede-beleving vroeg om noodzakelijke bezinning en heroriëntering.
Tengevolge daarvan vond in de beleving van de armoede een verschuiving plaats van materiële naar geestelijke armoedebeleving, van het niet-bezitten van materiële goederen naar het sober ermee omgaan. Omdat men aan het begrip ‘armoede’ binnen de welvaartscontext geen materiële inhoud meer kon geven, ging men haar spiritueel omschrijven als soberheid, beschikbaarheid, bescheidenheid, zelfaanvaarding, etc. Er werd niet alleen naar een nieuwe inhoud van de armoede gezocht, maar ook werden er nieuwe woorden ingevoerd, die beter zouden kunnen weergeven wat met armoede bedoeld wordt, zoals bijvoorbeeld ‘gedeeld bezit’ of ook ‘open handen’, een term waaraan ik, naar analogie met ‘open oren’ voor de gehoorzaamheid en ‘open hart’ voor het ongehuwd leven, de voorkeur geef.
Drie beloften
Een priester legt drie beloften af: van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid. Zij binden hem voor het leven. Opmerking: Formeel gezien legt een priester niet de gelofte van armoede af. Meestal proberen priesters wel een sober leven te leiden.
Armoede: Ik ben in veel pastorieën, overal ter wereld, op bezoek geweest. De Kerk heeft behoefte aan arme priesters. Sommige pastorieën die ik zag, waren luxueus. Niets wekt meer weerzin op dan een priester die in weelde leeft. Hij heeft de belofte van armoede afgelegd en hoort die dus ook te beleven. Hij mag dan nog voortdurend spreken met de armen, zij zullen naar hem niet luisteren zolang uit zijn manier van leven niet blijkt dat hij consequent leeft. Het Vaticaan geeft op dit vlak niet het beste voorbeeld. Ons voorbeeld is Jezus Christus die blootsvoets door het stof liep en overnachtte bij de mensen die hij ontmoette. Onze armoede moet evangelisch zijn.
Zuiverheid: Het celibaat is een disciplinaire regel. De Kerk kan die morgen wijzigen als zij besluit gehuwde mannen tot priester te wijden. Priesters dienen zich te houden aan de belofte van zuiverheid en zij moeten zich goed voelen in hun vel. Als mensen tegen mij zeggen: “U zou als tegenwicht moeten trouwen”, dan antwoord ik: “Hou maar op. In Parijs loopt één van de twee huwelijken op een echtscheiding uit en in de rest van Frankrijk één op de drie.” Hoeveel liefdesbanden gaan er niet stuk! Je kunt niet zeggen dat een gehuwd paar hét voorbeeld bij uitstek is van een geslaagde liefde. Trouwe paren zijn een prachtige zaak. Een priester die in onthouding leeft, is volledig beschikbaar. Mocht men mij na negenendertig jaar om mijn mening vragen, dan zou ik opnieuw zeggen: “Ik ga door zoals ik ben.” Het is een prachtig liefdesverhaal, op voorwaarde dat je het aanvaardt. Als priesters hebben wij zes à zeven jaar de tijd om daarover na te denken en onze keuze te bepalen.
Gehoorzaamheid: Door mijn zending als gespecialiseerd opvoeder ben ik nu al negenendertig jaar bij dezelfde mensen gebleven. Ik bewonder mijn collega-priesters die verplicht zijn van parochie te veranderen. Het gebeurt vaak dat ze na ergens een jaar of tien goed werk te hebben verricht, moeten vertrekken. De bisschop zegt dan tegen hen: “Jij moet ergens anders heen. Dat is belangrijk voor de Kerk.” Die priesters hebben daar soms hevig onder te lijden. Ik heb het geluk dat ik die beproeving niet hoef te doorstaan. Mij doen andere zaken (soms hevig) pijn. Het is heel moeilijk om een parochie te verlaten als je daar zeven of tien jaar lang nauw mee verbonden hebt geleefd. Wij spreken zelden over priesterlijke gehoorzaamheid. Toch moeten priesters gehoorzaam zijn aan hun bisschop. En dat is niet iets vanzelfsprekends.
Die drie beloften (van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid) binden ons even sterk als kloostergeloften. Wij moeten een voorbeeld zijn voor onze kudde. Dat is geen gemakkelijke rol. Ook priesters zijn zondaars. Wij zouden ons vergissen als wij meenden dat wij moreel hoger staan dan de gemiddelde mens. Wij moeten ons wel een degelijke spiritualiteit eigen maken. In alle godsdiensten moet de leider, het spirituele hoofd, zijn geloof beleven. Wij zijn op de eerste plaats dienaars. Wij spreken in de naam van de Zoon van God. Wij zijn bemiddelaars van zijn woord. Onze priesterlijke spiritualiteit moet ons in staat stellen het woord van God te verkondigen zonder er het stempel op te drukken van onze persoonlijke driften of wanen. Wij moeten bezield raken door de geest van liefde die ons verlicht. Wij bezitten een reuzegrote vrijheid en hebben dus een enorme verantwoordelijkheid.
(Naar Guy Gilbert, Het evangelie van de straat, p. 209-214)
Drie manieren van omgaan met het celibaat

Jeroen
Jeroen is geleidelijk naar het celibataire leven toegegroeid. Hij is eerst een aantal jaren pastoraal werker geweest en heeft zich pas priester laten wijden nadat hij voor het leven als celibatair had gekozen. Hij wist tevoren van zichzelf dat hij “seksueel vrij fel” was en realiseerde zich ten volle het gewicht van zijn keuze. Hij heeft voor een leven zonder intieme relatie gekozen, “omdat het voor mij bij mij hoort, bij mijn leven, of bij een ondergrond van zo ben ik nou”. Hij wil meer op de behoeften van anderen gericht zijn dan op zijn eigen behoeften. De celibataire leefwijze past daarin en helpt hem daarbij. Centraal staat dat hij niet zijn eigen dingen naloopt, maar vooral in het oog houdt wat een ander nodig heeft en die vervolgens weer aan zichzelf overlaat: “Die ervaring heeft voor mij veel met celibaat te maken en met God zelf, ja.”
Ondanks het feit dat het celibatair leven zijn eigen keuze is geweest, kan hij nog steeds af en toe weg zijn van een “geweldig leuke meid”. Als hij verliefd is, gaat hij meestal zijn hart uitstorten bij een vriend. Soms zou hij wel getrouwd willen zijn, maar hij is gelukkig met zijn leven zoals het nu is en wil dat er niet voor opgeven. Gemis aan seksualiteit en lichamelijkheid heeft hij vooral tijdens verliefdheden, maar die pijn gaat altijd weer over.
Jeroen is om verschillende redenen sterk gekant tegen de celibaatsverplichting. Zo is hij onder meer van mening dat dwang een misvormende werking op de persoonsontwikkeling kan hebben en betreurt hij (…) het verlies aan waardevolle pastores. Voor hemzelf geldt dat zijn celibataire leefwijze bevorderlijk is voor zijn relaties met mensen. Die vrijheid in zijn relaties maakt zijn contacten soms intenser.
Peter
Destijds bij zijn wijding heeft Peter de celibaatsverplichting er “gewoon bijgenomen”. Hij heeft jarenlang intieme relaties met vrouwen gehad, soms meerdere tegelijk. Deze relaties stelden weinig voor; het waren meer avonturen, zoals hij zelf noemt. Hij liet de relaties ook niet serieus worden, omdat hij aan de celibaatsverplichting wilde voldoen en het priesterschap niet wilde opgeven. De relaties ontstonden uit zijn hunkering naar contact en geborgenheid; tegelijkertijd hield hij echt contact af vanwege de celibaatsverplichting en uit angst gekwetst te worden. Slechts één keer in al die jaren heeft hij tegenover een meisje persoonlijke dingen over zichzelf verteld. Zij ging daarop in en toen vielen alle vermoeidheid en spanningen ineens van hem af. Voor haar was de relatie echter vrijblijvender en Peter heeft er toen een eind aan gemaakt, “omdat ik voelde aankomen dat het af zou lopen en ik wou de eer aan mezelf houden”. Hier speelden ook zijn angst voor afwijzing en zijn vrees het priesterschap te verliezen in mee. Hij is ook nooit zover gegaan dat hij seksuele gemeenschap had met zijn vriendinnen: dan zou de band te groot zijn geworden. Hij durfde met niemand over zijn problemen met de celibataire levenswijze te praten. Toen de crisis zo hoop opliep dat hij min of meer instortte, ging hij in psychotherapie. Daar leerde hij mettertijd om in zijn contacten met mensen opener te zijn en meer van zichzelf en zijn gevoelens te laten zien. Peter heeft nu alweer een paar jaar geen intieme contacten meer gehad.
Het lukt hem nu weliswaar beter om aan de celibaatsverplichting te voldoen, maar toch verlangt hij nog steeds naar een relatie, “waar je beiden een weg in kunt vinden, dat je een heleboel dingen samen kunt doen”. Tegelijkertijd zegt hij echter ook dat hij niet zou willen trouwen of samenwonen, want het alleen zijn is “een van de mogelijkheden om dicht bij mezelf te komen”.
(Naar Anke Hoenkamp-Bisschops, Celibaat: varianten van beleving, p. 59-84)
"Het celibaat is een logisch vervolg van mijn levenswijze als kloosterling, geen verplichting. Ik heb gekozen voor een gemeenschapsleven in de abdij, tussen allemaal andere broeders. Ook het priesterschap brengt natuurlijk het celibaat mee. Zo kan ik volledig vrij zijn voor God en voor de mensen die ik ontmoet. Door geen exclusieve relatie te hebben, kan ik mijn leven meer openstellen voor de mensen die ik tegenkom. Het gevaar bestaat er natuurlijk in dat je jezelf gaat wegcijferen om het celibaat leefbaar te maken, maar dat kan ook niet de bedoeling zijn. Als je het moeilijk hebt met je celibaat, moet je er met je geestelijke begeleider over spreken." (Chris Jeunen)
Een dubbel liefdesverhaal
Priester zijn is een roeping, een appel. Je kunt onmogelijk verlangen priester te worden zonder een sterk en duidelijk appel. Ik ben in de eerste plaats niet geroepen om sacramenten toe te dienen of te preken, wel om verenigd te zijn met God en zo liefde te schenken. Daarna volgt uiteraard de predikatie. (…) Als een priester de liefde niet voelt, dan heeft hij zijn roeping gemist. Een priester moet met zijn hart rechtstreeks tot het hart van de mensen spreken. Zo’n priester herken je onmiddellijk. (…)
Iedere priester beleeft een dubbel liefdesverhaal: een met God en een met het volk. (…) Op het seminarie stond mijn voorbereiding volledig in het teken van het gebed. Mijn geestelijk begeleiders hebben het er bij mij ingehamerd. “Als je geen man van gebed bent, zul je niet méér zijn dan een activist.” Onlangs zei een kardinaal: “De priesters van nu worden animatoren, opvoeders en bemiddelaars. In sommige gevallen beperkt hun rol zich tot die van maatschappelijk werkers.” Zijn kritiek is niet ongegrond. Een priester die van het een naar het ander loopt zonder de noodzakelijke tijd uit te trekken voor gebed, is een priester die zijn zending niet vervult. Hij moet zich neerzetten aan de voeten van God. De innerlijke kracht van zijn leven is verbonden met zijn relatie tot God.
(Naar Guy Gilbert, Het evangelie van de straat, p. 209-214)
Een dubbele roeping
Op mijn dertiende gaf God mij een teken: mijn vader en mijn moeder hielden heel veel van mij. De tedere en liefdevolle blik van mijn ouders is het mooiste geschenk dat ik ooit mocht ontvangen. Het was Gods eerste teken in mijn leven. Toen Hij mij riep om priester te worden, heb ik de liefde ontvangen als bindende kracht. Als seminarist dacht ik priester te worden ergens in een bisdom op het platteland. Maar na de oorlog in Algerije ontmoette ik daar een straatjong. Hij betekende voor zijn ouders minder dan een hond. Ik gaf hem onderdak voor één nacht, maar heb uiteindelijk zeven jaar voor hem moeten zorgen. Hij bracht zijn vrienden mee, allemaal gasten die in de ellende zaten. Dat was het tweede teken dat God mij in mijn leven gaf want nu ben ik priester én opvoeder.
Hij zond mij deze tweevoudige roeping van liefde. God stuurde mij dit verloren jong en later honderden anderen die ik samen met mijn medewerkers heb geholpen. Hij gaf me een teken om naar de allerarmsten toe te gaan en met hen te leven. Vanaf het begin heeft de Kerk mijn dubbele roeping aangemoedigd.
(Uit Guy Gilbert, Het evangelie van de straat, p. 141)
De vele facetten van het priesterschap in beeld





Priester bij de zieken
Bij het begin van de maand dragen we de communie naar de zieken. Vandaag zal het programma overladen zijn. Tweeëndertig zieken moeten aan huis bezocht. Ik zal hen verwittigen dat, morgenvroeg, de eucharistie bij hen gebracht wordt. Ze verwachten mijn bezoek. Ze zullen een glaasje aanbieden en een koekje. Ik zal wat langer moeten blijven dan gewoonlijk. Bij het begin van het jaar verwachten ze dit. Tweeëndertig maal gaat het over “ziek zijn, pijn hebben, medicamenten, oud worden, dokters en pensioenen”.
- Marcella is sedert enkele maanden alleen. Ze is 85 jaar. Toen, enkele maanden geleden, haar man stierf, heeft ze onnoemelijk veel verdriet gehad. “Alleen is allen,” zegt ze. “Ik sla er mij wel door, maar ik wordt het niet meer gewoon.” Ze slaapt in een klein kamertje beneden. Morgen zal ik de huisdeur zelf openduwen, licht aanmaken en de hostie geven. “Dank je, mijnheer,”zegt ze dan.
- Fons lijdt reeds lang aan chronische bloedarmoede. Op een dag moest hij dringend een bloedtranfusie ondergaan. Ik heb de dokter dan voorgesteld mijn bloed te nemen. Fons vergeet dit niet. Een trouwe kerkganger is hij nooit geweest. Hij moet stil blijven, zich niet vermoeien en kalm leven.
- In de Vaartstraat woont een stokoude vrouw. Ze is 95 jaar en potdoof. Wanneer ik haar zal aanspreken, zal ze naar mijn lippen kijken. Ze zegt steeds maar “Ik zou je zo graag wat geld geven, maar mijn geldbeugel is beneden…” Priesters zijn voor haar mensen die gedurig naar geld verwijzen. Ze is simpel en heeft een goed hart. Geregeld vraag ik mij af waaraan ze denkt. Jaren slijt ze nu haar oude dag. Behalve twee kinderen is de parochiepriesters de enige mens die iets van haar bestaan afweet.
- Dichtbij woont Miel. Hij is gebrekkig. In een zwaar auto-ongeval verloor hij zijn vrouw. Per dag rookt hij twee pakjes zware sigaretten, leest driemaal de krant van boven tot onder en kijkt uren naar de TV. Hij zal blij zijn als een kind wat te kunnen praten.
- Georges zit de ganse dag door aan het raam van zijn klein huisje te kijken naar de voorbijgangers. Ook hij, die vroeger een fanatieke socialistische militant was, zal me hartelijk begroeten. Zijn vrouw zal smerige moppen vertellen, omdat ze niet weet hoe zich anders interessant te maken. “Geef de pastoor een glas wijn,” zal Georges zeggen. In zijn keuken hangen enkele smakeloze Spaanse ballerina’s die hij vroeger op een feest geloot heeft. Ook hij verlangt bij het begin van het jaar de heilige communie. “Het kan nooit kwaad,” zegt hij. Eén gebed kent hij: het Onze Vader. Wanneer ik morgen bij hem zal hij drie Onze Vaders bidden en vijf kruistekens maken om te tonen dat hij het goed meent.
Er zijn ook jongere zieken bij. Enkele moeders die een ongeneeslijke ziekte hebben. Moedig dragen ze hun miserie. Soms vraag ik mij af, of ze niet beseffen dat hun dagen geteld zijn. Eén is er bij die stil ligt te huilen. “Het zal beteren, moederke,” zal ik zeggen. “Het weer speelt je parten.” Maar ik weet goed dat ik dan lieg.
Tweeëndertig zieken gaan in mijn verbeelding voorbij. Als een rij levende beelden. Tweeëndertig mensen die mij zeer dierbaar zijn. Ze weten dat ik bij hen kom als priester. Zieken weten beter dan wie ook, wie en wat een priester is. Geen maatschappelijk werker, geen afgevaardigde van een mutualiteit, geen boeken-intellectueel, geen medicus. Maar wel iemand die hen verwijst naar Christus en het kruis. Naar Jezus, die hen niet alleen laat. Het wordt een zware, vermoeiende dag. In ieder huis, bij elke zieke, zal ik me telkens weer afvragen: “Wat zou Christus nu doen in mijn plaats? Hoe zou Hij spreken en glimlachen? Of zou Hij mij gebruiken vandaag om hen te zeggen dat ze zijn vrienden zijn, die zijn kruis verder door de wereld dragen?” Zijn goedheid en eenvoud, zijn attentie en minzaamheid zal ik bij hen brengen. Als de uitgesproken nieuwjaarsattentie van Hem wiens priester ik ben. Van Hem die ik morgen als het levend-makend brood in hun huis zal dragen. Bij de tweeëndertig zieken uit mijn wijk.
Uit Omer Tanghe, Gewone priesters, p. 16-18
Priester in de luchthaven
Aalmoezenier sterft in luchthaven
Herman Boon, de aalmoezenier van de luchthaven van Zaventem, is vrijdagavond op 74-jarige leeftijd overleden. Hij werd dood aangetroffen in de kapel van de luchthaven. Boon was al langer ziek en had hartproblemen. Zijn tomeloze inzet voor de asielzoekers op de nationale luchthaven gaf hem nationale bekendheid. ,,Hij was een goede priester met een groot hart'', zegt Vital Orolé, de pastoor van Diegem en vriend van Boon.
Zeventien jaar lang was Herman Boon aalmoezenier op de luchthaven van Zaventem. Hij ontfermde er zich over de asielzoekers en klaagde de wantoestanden aan waarin ze op de luchthaven verbleven. Boon stelde zijn kapel open als slaapplaats voor de vluchtelingen en hielp ze waar hij kon. ,,Asielzoekers zijn geen verloren voorwerpen op de luchthaven'', herhaalde hij meermaals. Toch nam Boon nooit extreme standpunten in. Hij nam het ook op voor de rijkswachters en begeleiders in de asielcentra, die vaak zwaar bekritiseerd werden.
Maar Boon wilde niet alleen de aalmoezenier zijn van het tweeduizendtal asielzoekers dat jaarlijks langs de luchthaven van Zaventem trekt. Hij was er ook voor de duizenden werknemers en passagiers. Het faillissement van Sabena in november 2001 was een zware klap, ook voor Boon. Toch richtte hij zich in de eerste plaats tot de werknemers van de ter ziele gegane vliegmaatschappij en probeerde hij troost te bieden in de aanloop naar en na het faillissement. (…)
,,Het is misschien zijn wens geweest om in de kapel te sterven'', zegt Vital Orolé, de pastoor van Diegem. Hij en Boon kenden elkaar heel goed. ,,In een kerk sterven is de mooiste dood die een priester zich kan wensen. En Boon was een goede priester.''
Boon was al jaren een hartpatiënt, weet Orolé. ,,Zijn grote hart heeft het uiteindelijk begeven. Hij was graag gezien op de luchthaven. De vluchtelingen en de ex-Sabeniens konden op zijn onvoorwaardelijke steun rekenen. Hij heeft veel mensen geholpen en is blijven doorgaan tot het einde. Maar hij was op, uitgeleefd. Zijn hart was te traag voor zijn goedheid.''
Uit Het Nieuwsblad, 8 mei 2005
Priester op het veld
'Jezus had schitterende dieptepass'

WEIKENDORF - Christoph Pelczar is de officiele Euro-priester. Tijdens het gesprek met Christoph Pelczar (32) gaat zijn gsm af. Zijn ringtoon: een oorverdovend gejuich met daarna de stadionspeaker: '57. Spielminute! Tor für Rapid!' 57ste minuut! Doelpunt voor Rapid (Wien). De Oostenrijker met Poolse roots is niet toevallig de officiële Euro-priester.
Christoph Pelczar wordt in zijn parochie Weikendorf, een dorp 30 kilometer ten noordoosten van Wenen, op handen gedragen. De dame die ons in de naburige eetgelegenheid bedient, valt bijna in zwijm als we zeggen dat we de Euro-priester zoeken. De duim gaat omhoog: 'Ik ga nooit naar de kerk, maar hij is een fantastische man', zegt ze fier. 'Een goede vertegenwoordiger van Weikendorf.' Pelczar staat al enkele weken in het middelpunt van de belangstelling. Hij is een vast deel van de entourage van Polen en Oostenrijk, maar bracht ook al bezoekjes aan de hotels van Kroatië, Spanje en Italië. Overal biedt hij godsdienstige steun, of althans: wat hij daaronder verstaat.
'Ik ben een offensieve priester, een offensieve mens ook', steekt hij van wal. 'Ik ben gek van voetbal en combineer dat met mijn roeping. Bij Rapid Wien ben ik de spirituele begeleider. Ik praat met de spelers die in de put zitten en tracht ze eruit te halen. Daarbij moet niet om de vijf zinnen het woord God vallen. Ik ga op zoek naar de manier waarop ik die jongens weer in evenwicht kan brengen. Ik ben geen zielenknijper, maar een spiritueel begeleider.
De provocateur
Niemand zou in Pelczar, in zijn Euro 2008-truitje en jeansbroek, een priester zien. 'Dat doe ik bewust. Ik provoceer. Jezus was ook een provocateur. Hij stelde zich zo op dat de mensen tot zichzelf moesten komen. Ik zeg altijd dat Jezus een schitterende dieptepass had. Met één schitterende actie legde hij alles open. Hij ging tot het diepste van de mensen die zich blootgaven. Met die dieptepass provoceerde hij tegelijkertijd ook de doelman om uit zijn doel te komen. Jezus zou een schitterende voetballer geweest zijn.' Zijn diensten leidt de Euro-priester wel degelijk in een gewaad. Maar ook dan is voetbal nooit ver weg. 'We hebben zelfs al gevoetbald in de kerk. Vorige zondag vergeleek ik een bal met onze geest. Een bal zonder lucht is geen bal. Een mens zonder geest is geen mens. Net als lucht zie je de geest niet. Maar hij is van groot belang. Zonder bal geen voetbal. Zonder geest geen mens. Dan hebben de mensen iets om over na te denken.'
De Euro-priester trekt nog meer parallellen. 'Ik vergelijk een stadion met de kerk. Op beide plaatsen kan je emoties uiten. In het stadion is dat door te roepen, in de kerk gebeurt dat op een rustigere manier. Een voetbalwedstrijd is een feestelijk gebeuren, net als de mis. Bovendien heb je voor beide mensen nodig. Een kerk zonder mensen is geen kerk, een voetbalveld zonder spelers is ook maar triest. Het draait altijd rond mensen.'
De media-optredens en de voortdurende verwijzingen naar het voetbal kwamen Pelczar ook al op hevige kritiek te staan. 'Ik kreeg al enkele mails. Wat heeft dat allemaal met de kerk te maken?, vragen de mensen dan. Is er geen plaats voor vrouwen? Verdienen die voetballers al niet genoeg? Het gaat toch alleen maar om geld. Zo hoort het zeker? Ik heb al veel meer positieve reacties gekregen. Jongeren die door deze aanpak tot God en zichzelf willen komen. Zo komen we tot harmonie, zoals ik hoop dat het ook tussen de mensen in het stadion tussen Polen en Oostenrijk zal zijn.'
(Uit De Standaard, 12 juni 2008)
De binnenkant en de buitenkant van het religieus leven
De binnenkant van het religieus leven wordt gekenmerkt door het luisteren, dat gestalte krijgt in de gehoorzaamheid. Zij brengt de religieus ertoe zich onder Gods woord te stellen en zich over te geven aan de navolging van Jezus, zoals hij temidden van de samenleving stond. Zij doet hem ook binnentreden in de mentaliteit van Jezus, die gekomen was om in alles de wil van de Vader te vervullen tot in de verlatenheid van het kruis toe. Deze gehoorzaamheidsbeleving krijgt in het leven van de religieus uitdrukkelijk gestalte in het gebed, omdat het gebed hem in staat stelt Gods woord en wil bij dag en nacht te overwegen, zodat hij tot overgave kan groeien. Bidden is daarom voor de religieus niet een bijkomende verplichting, maar vloeit rechtstreeks voort uit de geloofsgehoorzaamheid zelf. In het gebed moet de religieus leren luisteren naar Gods woord en er gehoor aan geven.
De buitenkant van het religieus leven wordt gekenmerkt door het dienen, dat gestalte krijgt in de geloften van armoede en ongehuwd leven. Vanuit de navolgingsgehoorzaamheid wordt de religieus uitgenodigd zich los te maken uit alle bezits- en gezinsverhoudingen, nogmaals niet om deze te ontkennen of te minachten, maar om ze betrekkelijk te stellen. (…) Ze zijn de vanzelfsprekende uitdrukking van een leven van inzet samen met de Heer. Wie op deze wijze volgzaam is en vrij van huis en haard, legt daardoor getuigenis af van de aanwezigheid en komst van het Rijk Gods.
In de religieuze geloften is dus duidelijk een binnen- en een buitenkant te onderscheiden. De binnenkant luidt: met Jezus de berg opgaan om te luisteren naar de wil van de Vader, met Jezus de weg opgaan van gehoorzaamheid tot het uiterste. De buitenkant luidt: met Jezus van de berg afdalen met de mensen, met Jezus zich vrij maken van knellende bindingen om wonderen van goedheid te verrichten.
We mogen de religieuze geloften dus niet alleen maar uitleggen naar de kant van zending en verkondiging, maar evenzeer naar de kant van luisteren en leren; niet alleen naar de kant van beschikbaarheid en dienstbetoon, maar ook naar de kant van bezinning en gebed; niet slechts naar de kant van uitkeer, maar evenzeer naar die van inkeer.
(Uit abt Ton Baeten, Kom eens kijken waar ik woon, p. 45-46)
Geloof en nederigheid
Ik ben altijd bang geweest voor een Kerk die gevormd wordt door succesvolle priesters. Daar kan een groot gevaar in schuilen, precies omdat de buitenkant van hun zending overbelicht wordt terwijl het rijk van God in het verborgene langzaam rijpt. En die innerlijkheid is belangrijk. Want daar is Gods rijk te vinden.
Een priester kan in zijn parochie een tijdlang buitengewone dingen doen. Maar als er na het vertrek van die priester niets van dat alles overblijft, dan is dat een ramp. Het betekent dat het rijk van God enkel maar aan de buitenkant werd opgetrokken. Niet in de diepte.
Ik denk graag terug aan de pastoor van Ars, een man van buitengewone betekenis. Het is niet dwaas dat ze hem de titel van patroonheilige van de pastoors hebben gegeven. Bij zijn aankomst was de kerk vervallen. Niemand heette hem welkom. Enkel drie oude vrouwtjes gingen ’s ochtends naar de mis om zijn kop te zien. Het dak lekte en het plafond kwam naar beneden. Maar hij verkondigde het Rijk van God met een enorme kracht. Met de troffel in de hand restaureerde hij het kerkgebouw. Hij deed niet aan klantenwerving. Door gebed en inzet daalde hij af naar de diepte. Hij bekommerde zich om de armen. Een dienaar moet zaaien bij mooi én bij stormachtig weer. (…)
Een dienaar moet de gaven bezitten van geloof en van nederigheid. Christus heeft tegen zijn dienaars gezegd dat zij na Hem nog grotere dingen zullen doen dan Hij. Veel heiligen waren nutteloze knechten en toonbeelden van dienaars.
Onze zending overstijgt onszelf. Nu ik al zoveel jaren priester ben, valt me dat op. Wij worden gevoed door een bron, door een stroom die in ons moet vloeien en die ons niet toebehoort. Wij moeten hem gewoonweg doorgeven. Ik hou erg veel van Padre Pio, een grote hedendaagse heilige. Hij verstond de kunst door te dringen tot het geweten van de mensen en daar zaken te ontdekken die zij verborgen hielden. Als de mensen hem ondervroegen over zijn buitengewone gaven of zijn genezingen, zei hij: “Ik begrijp het niet.” Ik heb over die uitspraak vaak nagedacht. Door hem heen was de Heer aan het werk. Hij stichtte een ziekenhuis dat enig was in zijn soort en bedoeld om lichaam, hart en ziel te verzorgen. Dat is het teken van God.
Wij moeten bewondering opbrengen voor het werk dat God verricht door ons en andere mensen heen, en daarbij nederig blijven. Nederigheid is immers een gave die van groot belang is om het Rijk van God te verkondigen.
(uit Guy Gilbert, Het evangelie van de straat, p. 76-77)
Binnen en buiten in beeld


Anrijs Princy, Pastorale bewogenheid






Het gebed
Het gezicht van de priester
Ik wil mezelf niet op de voorgrond plaatsen, maar: kijk eens goed naar de figuur van de priester. Hij staat boven op de trappen van het verhoogde altaar. Niet om te zeggen dat hij de beste is, maar om duidelijk te maken dat hij jouw gezicht wil zien. Wij moeten het gezicht van de priester in gebed kunnen zien. Een priester die werkelijk bidt, hoeft niet te preken. Zijn eucharistieviering is een ware preek. De mensen die een priester zien bidden, zullen het mysterie van de eucharistie van binnenuit verstaan.
Met het woord ‘imam’ wordt een moslim-pastoor aangeduid. Het betekent ‘vooraan’. Wie vooraan staat, is er om ons naar God te leiden.
(Uit Guy Gilbert, Het evangelie van de straat, p. 57)
Bidden is luisteren
“Bidden is het verheffen van de geest tot God.” Zo zegt de Griekse Kerkvader Johannes Chrysostomus het. Dat wil zeggen dat we in het gebed onze geest moeten onttrekken aan de dagelijkse beslommeringen. En hem in alle eenvoud, onverdeeld omhoog moeten richten tot God. “Tot U is mijn verlangen verheven!”, zo dicht al biddend de Psalmist (Ps 85). Sint-Augustinus zegt: “Je verlangen is je gebed: als je verlangen aanhoudt, is je gebed aanhoudend!”
Indien bidden verlangen is, zou bidden makkelijk moeten zijn. Is een mens immers niet altijd op een of andere manier aan het verlangen? Is hij dan niet altijd aan het bidden? In zekere zin wel, ja! Het menselijk verlangen is veelal echter niet zuiver, omdat het niet gericht is op Wie het moet gericht zijn. Daardoor verlangen we niet spontaan wat goed voor ons is en wat uiteindelijk goed is voor iedereen. Daarom kan bidden geperverteerd zijn en daarom – omdat het gebed zich voortdurend dreigt te richten op de verkeerde dingen – ook zo moeilijk en zo lastig. Omdat we bijvoorbeeld niet krijgen wat we menen te ‘moéten’ hebben en we dan niet lijken te krijgen wat voor ons noodzakelijk is.
Bidden is immers vooral ‘luisteren’. Vaak denkt men dat bidden op de eerste plaats vragen is en dus spreken: zelf aan het woord zijn, met eindeloze uitgesproken of met stille, onuitgesproken zinnen. Dat kan. Bidden is echter vooral open en opmerkzaam zijn voor wat ons gegeven wordt zonder dat we er om vragen en het dankbaar aannemen: zien, eigenlijk, dat ons hoe dan ook alsmaar wordt aangeboden waar we nood aan hebben. Bidden is luisteren, via ons innerlijk oor, met heel ons wezen.
De Psalmen – het oudste gebedenboek van de Kerk – leert ons dat bidden smeken of vragen kan zijn, soms zelfs ‘vloeken’! Het ware gebed mondt echter steeds uit in dankzegging en lofprijzing en wordt voltooid in de … stilte.
De dagindeling van de trappisten van Westmalle en de rol van gebed en arbeid daarin:
Dit is de dagindeling van de monniken: |
|||
|
weekdag |
zondag |
uitzonderlijk |
nachtwake/vigilie |
4u00 |
4u00 |
- |
lectio divina / lezing meditatie / persoonlijk gebed tussendoor ontbijt |
5u00 |
5u10 |
- |
morgengebed / lauden |
7u00 |
7u00 |
- |
morgengebed / lauden + eucharistie |
- |
- |
7u00 |
arbeid |
7u35 |
- |
8u10 |
stille tijd |
- |
7u35 |
- |
terts + eucharistie |
10u45 |
10u00 |
- |
stille tijd |
11u30 |
11u15 |
- |
sekst |
- |
12u15 |
11u45 |
middagmaal (monniken) |
12u00 |
12u30 |
- |
middagrust / stille tijd |
12u30 |
13u00 |
- |
middaggebed/noon |
14u00 |
- |
- |
arbeid |
14u15 |
- |
- |
avondgebed / vespers |
17u15 |
16u00 |
16u30 |
stille tijd |
- |
16u50 |
- |
conferentie |
- |
- |
17u00 |
avondmaal |
18u15 |
18u15 |
18u00 |
stille tijd |
18u30 |
18u30 |
- |
kapittel (ma - wo - vr) |
19u00 |
- |
18u45 |
dagsluiting / completen |
19u30 |
19u30 |
- |
nachtrust |
20u00 |
20u00 |
- |
http://www.trappistwestmalle.be
“Er wordt steeds meer van een priester verwacht. Hij moet niet alleen goed kunnen preken en voorgaan in de liturgie. Hij moet er altijd, overal en liefst zo snel mogelijk zijn. Meer dan vroeger moet een priester over de vaardigheden van een goede manager beschikken, want meestal draagt hij de verantwoordelijkheid over meerdere parochies. Een priester die niet met een computer kan omgaan, is een grote sukkelaar. En velen kunnen dit niet.
Het is een feit dat het aantal priesters zienderogen achteruitgaat. Nu, ik vraag niet om extra priesters. Ik vraag om meer medewerkers die voor hun engagement een eerlijk loon ontvangen. Vroeger was de priesters de centrale figuur van een parochie. Priesters waren belangrijk. Té belangrijk. Als plaatselijke notabelen bepaalden zij in zekere zin het leven van hun parochianen. De sacramenten verleenden hun macht, terwijl een sacrament nooit als machtsinstrument is bedoeld. Vandaag kent de priester weer zijn plaats. Hij is als Jezus in zijn tijd. Onmachtig, maar krachtig in de dienstbaarheid. Vredevol en niet veroverend. Arm en niet bezittend.”
(Johnny De Mot in Knack, 5 maart 2008)
Leven in de kerk
Het kerkdak is van leisteen,
soms van koperplaat,
rustend op een oud gebinte
van stoere eikenbalken.
Het vecht al eeuwen met de winden.
En stormen
doen het kraken en kreunen
als droge scharnieren.
Het speelt met de sneeuw
en lacht met de dooi.
Schatert onder de hitte
van de zon in de zomer.
Een kerkdak is een onderdak
voor al wie zoekt
in storm en ontij
naar een huis om in te schuilen.
Een geestelijk onderdak
voor wie het spoor
naar huis en naar zichzelf
is kwijtgespeeld.
Het echte kerkdak
zijn twee stenen tafelen met de tien geboden.
Zij rusten op de oude verhalen
die alle tijd doorstaan.
Het echte kerkdak
zijn de mensen van ter plaatse
die de gemeenschap dragen.
Hun schouders zijn geborgenheid
voor wie
ten einde raad,
en in de kou bleef staan.
Uit Manu Verhulst, Op de golfslag van de geest
Een eeuwenoude boodschap in een hedendaags jasje



God is a DJ
Beluister dit nummer
This is my church
This is where I heal my hurts
This is my church
This is where I heal my hurts
This is my church
This is where I heal my hurts
It's a natural grace
Of watching young life shape
It's in minor keys
Solutions and remedies
Enemies becoming friends
When bitterness ends
This is my church (2x)
This is where I heal my hurts
For tonight
"GOD IS A DJ."
This is my church
This is where I heal my hurts
(Faithless)
Spin (kortfilm)

In deze visueel en muzikaal zeer verzorgde en wereldwijd gelauwerde kortfilm zien we het principe van God als DJ heel concreet worden. Een DJ staat te draaien in een drukke straat. Hij is getuige van een ongeval en gebruikt zijn platen om het ongeval terug te spoelen en ongedaan te maken. Telkens hij dit doet, gebeurt er toch weer iets anders, waardoor een aantal kettingreacties ontstaan…
De film kan bekeken worden op http://www.doubleedgefilms.com/spin/player.html
De leerlingen lezen de tekst van professor Burggraeve en vatten elke alinea samen in één zin. Daarna krijgen ze de opdracht om de verschillende kenmerken van een roeping uit de tekst te halen. Op basis daarvan trachten zij zelf een omschrijving op te stellen van wat roeping is.
In enkele korte tekstjes wordt het verband duidelijk gemaakt tussen een grote keuzevrijheid en stress en druk. Het kan interessant zijn om bij de leerlingen te peilen naar hoe ze dit zelf ervaren. Op basis van de tekst kan men verder ingaan op de gedachte van de homo optionis: de mens die veroordeeld is om keuzes te maken. Men kan aan de leerlingen vragen om deze gedachte visueel weer te geven, in de vorm van een tekening, collage,… Bij die uitbeelding van deze gedachte trachten de leerlingen zelf hun eigen visie met betrekking tot de idee van de homo optionis weer te geven.
Laat de cultuur wel toe dat mensen voor een leven als priester of religieus kiezen? Bestaan er naast de fashionista’s, die de kledij van mensen bepalen, ook lifestyle-ista’s, die de levensstijl van mensen dicteren?
Hoewel dit eerder op het niveau van het materiële ligt, kan men met de leerlingen een fictief spel “Te nemen of te laten” spelen (naar analogie met het tv-spel), waarbij alle leerlingen een enveloppe krijgen met daarin een fictief bedrag (gaande van 1 eurocent tot 100.000 euro). Niemand weet (behalve de leerkracht dan) wie welke enveloppe heeft gekregen. Eén van de leerlingen staat centraal in het spel: hij of zij heeft ook een enveloppe en moet alle enveloppes één voor één openen (en de eigen enveloppe als laatste). Na het openen van drie enveloppes doet de leerkracht telkens een bod, op basis van de bedragen die nog in het spel zijn. Wanneer het bedrag 50.000 euro en 100.000 euro, maar ook 2 eurocent en 10 euro op het einde nog in het spel zijn, is er een grote kans dat de centrale leerling zelf een hoog bedrag in zijn enveloppe heeft. De leerkracht biedt dan bijvoorbeeld 20.000 euro en de leerling kan het bod dan nemen of laten. Wanneer de leerling het bod laat, kan het zijn dat er in de eigen enveloppe 100.000 euro zit, maar net zo goed 2 eurocent. Dit spel toont aan dat kiezen soms echt verliezen kan zijn (‘maar’ 2 eurocent) en soms winnen (als men toch het bod aanvaardt, en men merkt dat in de eigen enveloppe 2 eurocent zat, heeft men toch 20.000 euro gewonnen)… Dit is natuurlijk een fictief spelletje dat geen grote invloed heeft op de leerlingen, maar het toont wel aan dat men door te kiezen soms kan winnen en soms kan verliezen.
Bij het liedje “Puzzel” kan men de leerlingen eerst laten aangeven waarover het liedje volgens hen gaat. Hebben zij zelf soms de ervaring dat de puzzel (nog) niet past en dat men zou willen dat dat wel zo is?
Het is mogelijk om met de leerlingen het volledige Jona-verhaal te lezen, gezien het maar een kort bijbelboek is, zodat zij de verschillende facetten van zijn roepingsverhaal leren kennen. Men kan echter ook de korte inhoud van het boek, zoals die in de impulsen werd opgenomen, met hen lezen. Op basis van het verhaal of van de korte inhoud geven zij weer waarom dit verhaal een roepingsverhaal is. Door wie wordt Jona geroepen? Waartoe? Welke moeilijkheden komt hij tegen? Gaat hij in op zijn roeping?...
Men kan beginnen met aan de leerlingen te vragen wat een brandweerman doet. Dan kan men duiden dat hij aan branden blussen maar een klein deel van zijn tijd besteedt. Dat betekent niet dat mensen die bij de brandweer werken, hele dagen zitten niets te doen dan te wachten op een brand. Ze doen ook andere dingen (zelf trainen, trainingen en rondleidingen organiseren, advies rond brandveiligheid uitbrengen, kelders leegpompen ...). Met andere woorden, hun job is veelzijdiger dan het beeld dat wij ervan hebben.Samen met enkele mensen van je parochie overleggen hoe de parochie levend kan zijn |
Eucharistieviering tijdens de middagpauze in de plaatselijke school. |
Het ziekenhuis belt met de vraag of jij bij een stervende patiënt de ziekenzalving kunt komen doen. |
Interview met de lokale radio (die ongeveer 10.000 mensen bereikt)
|
Tijd voor gebed |
Middageten |
Een gebroken venster laten herstellen in het parochiehuis |
Een verjaardagsfeestje in je familie |
Een andere priester komt langs om met jou te overleggen |
Er staat iemand aan de deur die een probleem heeft en jou wilt spreken |
Een koppel wil je spreken want ze willen binnenkort trouwen |
Een samenkomst van Ziekenzorg waar ze graag hebben dat jij aanwezig bent. |
| Een preek schrijven voor de zondagsviering | Een documentaire bekijken op TV |
Ter info: We denken soms dat we alles over iemand weten omdat we iets over hem weten. In werkelijkheid is hun leven en dikwijls ook hun werk, interessanter en veelzijdiger dan we eerst dachten. Wat een priester betreft, hij doet heel wat werk dat niet gezien wordt. Dikwijls menen de mensen dat hij bijna altijd in de kerk is.
In de inleefopdracht moeten de leerlingen zich inleven in de situatie van een priester en enkele – moeilijke – keuzes maken over wat hij die dag zou doen. In werkelijkheid is een dag van een priester niet altijd zo ingewikkeld. Toch hebben ze evenveel uren om te leven en te werken als ieder ander en moeten ze soms moeilijke keuzes maken wat ze wel of niet doen,waar ze wel of niet aanwezig zullen zijn.
EXTRA: Er bestaat de mogelijkheid om een priester of religieus/ze uit te nodigen in de klas. De dienst roepingenpastoraal van de Vlaamse kerk (http://www.roepingen.be/) verzamelde een aantal priesters en religieuzen die bereid zijn om in scholen in Vlaanderen op representatieve wijze een getuigenis af te leggen over de betekenis van priester of religieus/ze zijn vandaag en dit in de les rooms-katholieke godsdienst of in de context van schoolpastorale activiteiten. Liefst spreken ze voor overzichtelijke groepen. Via een online invulformulier kan u een priester of religieus/ze uitnodigen in de klas.
Men kan aan de leerlingen vragen wat hun voorstellingen zijn met betrekking tot religieus leven… Hebben zij bijvoorbeeld ooit al eens een gemeenschap of klooster bezocht? Kennen zij een zuster of pater of…?
Abt Jamison is de abt van Worth, waar zich de BBC-reeks “The Monastery” afspeelde. In deze reeks gingen vijf ‘gewone’ mannen (zie foto) gedurende een aantal weken samenleven met de monniken van Worth. Op Youtube zijn een aantal fragmenten te vinden van deze reeks (wanneer men de term ‘monastery 2005’ ingeeft). Via de volgende link kan men alle fragmenten bekijken: http://nl.youtube.com/user/SilenceAddict
Bij de tekst rond open oren, open hart en open handen kan men aan de leerlingen vragen welk van de drie zij met welk van de drie geloften zouden verbinden (voor hen de daadwerkelijke tekst te tonen) en waarom. Achteraf kan men hen ook vragen hoe zij die drie in hun eigen leven zouden kunnen realiseren (op een bescheiden manier uiteraard).
Ter verkenning kan men met de leerlingen kort praten over wat zij denken dat de binnenkant is van het priesterschap en het religieus leven en wat de buitenkant ervan is. Hierbij kan men hen heel concrete dingen laten opnoemen. Ook uit de fragmenten van de DVD kan men hen elementen laten destilleren die eerder bij de binnenkant horen (gebed, leven volgens het evangelie, geroepen worden,…) en elementen die eerder bij de buitenkant horen (bijvoorbeeld kledij, het kerkgebouw, het eten,…).
Met 8 jonge vrijwilligers trokken we een maand naar Mexico om in Ixtlán de los Hervores een Videskamp mee te maken. Samen met vrijwilligers uit Mexico zorgden we voor kinderanimatie in het dorp.
Het was een gewoon Mexicaans dorp met gekleurde, kleine huizen langs de straten. Ze zagen er niet goed onderhouden uit, de verf kwam los en de gordijnen waren verkleurd door de zon. Op een middag liep ik met een jongere uit het dorp mee naar haar huis. Ik heb mijn ogen uitgekeken. We gingen een kleine deur binnen en het leek alsof ik in een ander wereld kwam. Eerst was er een prachtige inkomhal met smeedijzeren hekwerk. Verder was er een binnentuin mét fontein, de meubels kwamen helemaal niet uit Ikea maar waren uit één of andere dure meubelzaak of misschien wel handgemaakt.
Dit had ik nooit verwacht als ik het huis van op de straat bekeek.
In de loop van de weken in het dorp hebben we veel gespeeld met de kinderen. Ongelofelijk hoe enthousiast ze konden zijn in de Mexicaanse warmte. Het was in de loop van onze tweede week dat één van de meisjes, ik denk dat ze 10 of 11 jaar was, tijdens een hevig spel op de betonnen vloer viel en een tijdje bewusteloos was. Ze moest naar het ziekenhuis (wat vanuit het dorp helemáál niet vanzelfsprekend was). Enkele dagen later ging ik samen met sor Alejandra (de Mexicaanse verantwoordelijke van het kamp) op bezoek bij het meisje. Opnieuw een onvergetelijke ervaring. Het meisje had een zware hersenschudding en moest rusten. Haar bed stond in de - kleine - living waar de TV voluit aan het spelen was. In de smalle gang stonden de stoelen: enkele witte plastieken tuinstoelen. Verder zag ik nog een piepklein keukentje. Dat was het. Samen met haar broertje werd ze opgevangen door haar oma maar deze had geen inkomen. Hoe ze al die tijd geleefd hebben, kan ik me niet voorstellen. Al de tijd dat wij in Ixtlán waren, leek ze ons een gewoon meisje zoals de anderen. Trouwens, ook de onderwijzeres van het dorp die haar kende van de school, wist niets van de moeilijke situatie thuis.
Dit had ik nooit verwacht als ik haar zag spelen.
De idee van binnen- en buitenkant nodigt ook uit om te spreken over het gebed als beleving van innerlijkheid, als manier om in contact te komen met de binnenkant. Daartoe kan men aan de leerlingen vragen of zij zelf nog af en toe bidden, of ze zelf een gebed kennen,… Misschien kan er in de klas eens samen gebeden worden, of zijn de leerlingen bereid om een mooi gebed te zoeken of te schrijven.
De ingezonden reacties tot nu toe:
04-12-2008
Bij mijn weten is het gedicht dat Nanieke de Jong op deze site heeft gezet van Hanna Hummer, een Duitse religieuze.
06-12-2008
Kurt Hansen
Leerkracht(e) secundair onderwijs
Opnieuw een degelijke en erg uitgebreide IDK. Bedankt hiervoor. Het filmpje "Spin" heb ik hier ontdekt en ook gebruikt in de klas. Ik vind wel dat het hier onterecht geaccapareerd wordt, wat ik hier ook uitleg (in een bericht van 6 dec 2008). Maar voor het overige niets dan lof.
14-04-2010
Filip Vandenberghe
Leerkracht(e) secundair onderwijs
Schitterend materiaal, zoals altijd. Alleen mis ik ook een eerlijk beeld. Het grootste deel van de 'geroepenen' stoppen onderweg de opleiding (soms gelukkig maar) en een behoorlijk deel van de jonge priesters houden er 'vervroegd' mee op. De moeilijkheden rond celibaat, gebed en gehoorzaamheid én de werkdruk die gepaard gaat met de roeping komen opnieuw niet aan bod.
Roepingenpastoraal focust nog steeds op dezelfde dingen. Meer nog, men vergeet telkens in het roepingsverhaal de menselijke factor te vermelden. Een roeping is niet zomaar iets wat van God neerdaalt (zoals in de wijdingsliturgie nog duidelijker wordt benadrukt) maar is een subtiel spel van God met mensen.
Ik mis een (eerlijk, open, niet verbitterd) getuigenis van een uitgetreden priester, religieuze,...
Jongeren hebben snel door wat de bedoeling is van dergelijke les. Wees dan ook eerlijk in het onderwijs. Jongeren hebben er recht op. Trouwens iemand die zich echt geroepen voelt, zal zijn/haar weg wel vinden...
Vul onderstaande velden in (de identificatievelden zijn niet verplicht in te vullen) en klik op verzenden. Uw feedback wordt dan op deze pagina opgenomen.