print deze pagina af voeg deze pagina toe aan je favorieten e-mail deze pagina Klik hier om in te loggen Guided Tour

Een jaar vol feesten

Het kerkelijk jaar van dichtbij bekeken

  1. Beginsituatie
  2. Hermeneutische knooppunten
  3. Aanknopingspunten bij het leerplan
  4. Achtergrondinformatie
  5. Impulsen
    1. Algemeen
    2. Advent
    3. Kerstmis
    4. Driekoningen
    5. Lichtmis
    6. Veertigdagentijd (met Aswoensdag)
    7. Palmzondag
    8. Witte Donderdag
    9. Goede Vrijdag
    10. Stille Zaterdag
    11. Pasen
    12. Hemelvaart
    13. Pinksteren
    14. Maria Ten Hemelopneming
    15. Allerheiligen
    16. Allerzielen
    17. Dagen Van Heiligen
  6. Didactische Suggesties
    1. Algemeen
    2. Advent
    3. Kerstmis
    4. Driekoningen
    5. Lichtmis
    6. Veertigdagentijd (met Aswoensdag)
    7. Palmzondag
    8. Witte Donderdag
    9. Goede Vrijdag
    10. Stille Zaterdag
    11. Pasen
    12. Hemelvaart
    13. Pinksteren
    14. Maria Ten Hemelopneming
    15. Allerheiligen
    16. Allerzielen
    17. Dagen Van Heiligen

1. Beginsituatie

Bij de start van het nieuwe schooljaar worden de leerlingen geconfronteerd met het gegeven dat er een tijd is voor vakantie en een tijd voor naar school gaan. De eerste schooldag vormt hierbij een soort van mijlpaal. Andere mijlpalen die de tijd structureren, zijn feesten. Een aantal van de feesten die vandaag de dag gevierd worden, of die alleszins reden zijn voor een verlofdag, zijn van oorsprong christelijke, kerkelijke feesten. Deze kerkelijke feesten spelen een belangrijke rol in het christendom. Ingebed in het kerkelijk jaar evoceren zij de verhalen en gebeurtenissen die aan de grondslag liggen van de christelijke traditie. Feit is dat vele mensen en zeker ook leerlingen de betekenis van de kerkelijke feesten (wat er gevierd wordt, wie er herdacht wordt,…) en van het kerkelijk jaar in zijn totaliteit, nog amper kennen. Een aantal van deze feesten hebben een commercieel kantje gekregen dat bij leerlingen vaak beter bekend is en de oorspronkelijke betekenis van deze feesten overschaduwt. In deze In de Kijker wordt daarom stilgestaan bij de christelijke feesten en van het kerkelijk jaar. Zowel de thematiek van (kerkelijke) feesten in het algemeen als de belangrijkste kerkelijke feesten worden in deze In de Kijker behandeld. Bij elk van de besproken feesten wordt (indien van toepassing) een bijhorende Bijbeltekst weergeven (aangeduid door het symbool ), evenals wat informatie over het feest (aangeduid met ) en één of meerdere extra impulsen (die met een worden aangegeven).

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

2. Hermeneutische knooppunten

  • Zijn feesten in onze samenleving, die door een grote snelheid en gejaagdheid gekenmerkt wordt, overbodig of net essentieel? Hebben mensen geen tijd meer om te feesten, of laten feesten mensen net, te midden de drukte, stil staan bij wat echt belangrijk is? Moet de mens vandaag de dag nog meer dan ooit zijn feesten koesteren?
  • In een kalenderjaar (en een mensenleven) zijn er heel wat feesten te onderscheiden. Geeft deze overvloed aan feesten niet het gevoel dat er elke dag wel iets te vieren is, waardoor de echte betekenis van feesten (als mijlpalen in de tijd, die net het ritme van alledag onderbreken) verloren gaat?
  • Hebben in onze tijd, waarin mensen alles op een bewust persoonlijke manier beleven, collectieve feesten, waartoe ook de kerkelijke feesten behoren, nog een kans? Of kan men deze feesten ook op een individuele manier beleven? Brengen deze feesten mensen misschien juist dichter bij elkaar?
  • Zijn feesten een universeel of een cultureel gegeven? Wat zijn de kenmerken die feesten van overal ter wereld met elkaar verenigen, en waarin verschillen bijvoorbeeld christelijke feesten van andere feesten?
  • Hoe kan men mensen en leerlingen in een cultureel klimaat waarin de oorspronkelijke betekenis van de christelijke feesten niet langer gekend is, de oorspronkelijke betekenis van deze feesten weer bijbrengen?
  • Hoe moet men omgaan met de nieuwe invalshoeken en invullingen die van oorsprong christelijke feesten gekregen hebben? Is het belangrijk om de christelijke betekenis van deze feesten te laten aansluiten bij de actuele betekenis ervan of moet men juist het verschil beklemtonen tussen de actuele invulling en de christelijke grondslag van deze feesten?
  • Is het vieren van christelijke feesten een wezenlijk onderdeel van de religieuze opvoeding van kinderen? Op welke manier worden deze feesten het best gevierd? Hoe kan men de inhoud van deze feesten en van het kerkelijk jaar het beste duidelijk maken aan kinderen? Welke beelden en symbolen dient men hiervoor te gebruiken?

 

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

3. Aanknopingspunten bij het leerplan

In de terreinen voor 1b

  • 1 TIJD - Doelen
    in de 1e paragraaf, die begint op p. 67:

1. in het eigen leven belangrijke momenten kunnen aangeven;

  • 1 TIJD - Doelen
    in de 1e paragraaf, die begint op p. 67:

4. feesten situeren in een levensbeschouwelijke kalender;

  • 1 TIJD - Ingrediënten
    in de 3e paragraaf, die begint op p. 85:

de levensbeschouwelijke kalenders;

In de terreinen voor het beroepsvoorbereidend leerjaar

  • 2 NATUUR / LICHAMELIJKHEID - Ingrediënten
    in de 1e paragraaf, die begint op p. 75:

vasten en feesten: ritme in lichaam en natuur;

  • 2 NATUUR / LICHAMELIJKHEID - Ingrediënten
    in de 1e paragraaf, die begint op p. 75:

de intrinsieke waarde van de natuur in levensbeschouwingen / de natuur als oorsprong van religieuze feesten;

In de terreinen voor het 1e jaar van de 1e graad

  • 1 TIJD - Doelen
    in de 2e paragraaf, die begint op p. 85:

2. de articulatie van de tijd door christenen en anderen illustreren en duiden;

  • 1 TIJD - Ingrediënten
    in de 2e paragraaf, die begint op p. 85:

het liturgisch jaar;

  • 1 TIJD - Ingrediënten
    in de 2e paragraaf, die begint op p. 85:

feest en herinnering.

  • 1 TIJD - Ingrediënten
    in de 3e paragraaf, die begint op p. 85:

'rituelen' en 'feesten' als mijlpalen in de tijd;

  • 1 TIJD - Ingrediënten
    in de 3e paragraaf, die begint op p. 85:

de levensbeschouwelijke kalenders;

  • 1 TIJD - Doelen
    in de 4e paragraaf, die begint op p. 85:

4. enkele 'eigentijdse' feesten en/of rituelen bevragen op hun levensbeschouwelijke karakter

  • 2 VERHALEN - Doelen
    in de 3e paragraaf, die begint op p. 88:

3. de grote levensbeschouwingen profileren aan de hand van verhalen;

  • 2 VERHALEN - Doelen
    in de 6e paragraaf, die begint op p. 88:

6. Het verhaal 'Jezus' opbouwen en vertellen

In de terreinen voor het 2e jaar van de 1e graad

  • 1 PIJN - Ingrediënten
    in de 6e paragraaf, die begint op p. 92:

het lijdensverhaal van Jezus, Mc 14-15;

  • 3 INNERLIJKHEID - Doelen
    in de 1e paragraaf, die begint op p. 96:

1. aangeven hoe mensen leven van innerlijkheid en hoe ze bronnen van leven zoeken;

In de terreinen voor het 1e jaar van de 2e graad ASO

  • 2 BRONNEN VAN LEVEN - Doelen
    in de 4e paragraaf, die begint op p. 106:

4. aangeven hoe bijbel en traditie inspirerend werken voor de ontplooiing van gelovigen en geloofsgemeenschappen;

  • 2 BRONNEN VAN LEVEN - Doelen
    in de 6e paragraaf, die begint op p. 106:

6. openheid vertonen voor het gebruik van symbolen, rituelen en tweede taal;

In de terreinen voor het 2e jaar van de 2e graad ASO

  • 3 OMGAAN MET VERSCHIL - Doelen
    in de 5e paragraaf, die begint op p. 114:

5. het omgaan met verschil als uitdaging voor het opbouwen van een levensbeschouwelijke identiteit bespreken;

In de terreinen voor het 1e jaar van de 3e graad ASO

  • 1 OMGAAN MET GRENZEN - Ingrediënten
    in de 3e paragraaf, die begint op p. 116:

het lijdensverhaal;

  • 1 OMGAAN MET GRENZEN - Ingrediënten
    in de 5e paragraaf, die begint op p. 116:

bijbelse verrijzenisverhalen: wat is verrijzenis?;

In de terreinen voor het 1e jaar van de 2e graad BSO

  • 1 WAAR STA JE NU IN JE LEVEN? (Identiteit) - Ingrediënten
    in de 1e paragraaf, die begint op p. 132:

grote momenten gevierd in verdichtingmomenten (sacramenten, feesten, ervaringen van geloof, eigentijdse rituelen ....);

In de terreinen voor het 1e jaar van de 3e graad BSO

  • 3 WAT ERVAAR IK AAN GRENZEN IN HET SAMEN-LEVEN? (Grens en eindigheid) - Doelen
    in de 1e paragraaf, die begint op p. 146:

3. de kracht van verrijzenisgeloof en hoop bij christenen illustreren;

In de terreinen voor het 1e jaar van de 2e graad TSO/KSO

  • 2 BRONNEN VAN LEVEN - Doelen
    in de 3e paragraaf, die begint op p. 159:

3. aangeven hoe mensen in de bijbel bronnen van leven vinden;

In de terreinen voor het 2e jaar van de 2e graad TSO/KSO

  • 1 KIEZEN - Ingrediënten
    in de 5e paragraaf, die begint op p. 161:

'woestijn' als bijbelse thematiek;

In de terreinen voor het 1e jaar van de 3e graad TSO/KSO

  • 2 SAMENLEVINGSOPBOUW TUSSEN INSPIRATIE EN APPÈL - Ingrediënten
    in de 3e paragraaf, die begint op p. 169:

zondag als rustdag, als dag van inkeer, tijdsbeleving, 'ora et labora';

  • 3 LIJDEN EN HOOP - Doelen
    in de 4e paragraaf, die begint op p. 171:

4. hedendaagse 'goede-vrijdag-'ervaringen opsporen en toetsen aan het passieverhaal;

  • 3 LIJDEN EN HOOP - Doelen
    in de 8e paragraaf, die begint op p. 171:

8. geloofstaal bij lijden en hoop op verrijzenis herkennen en situeren.

In de terreinen voor het 3e jaar van de 3e graad en de 4e graad

  • 4 BEGINNEND LEVENSBESCHOUWELIJK ENGAGEMENT: je leven, een verhaal in de tijd - Ingrediënten - Spoor 2 : je leven, een verhaal in de tijd
    in de 1e paragraaf, die begint op p. 196:

het liturgisch jaar als het vieren van geboorte, leven, dood en verrijzenis;

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

4. Achtergrondinformatie

1. Info over feesten

Elk jaar opnieuw

Misschien heb je je ooit afgevraagd waarom mensen vrijaf hebben eind december of op een donderdag in mei. Vrije dagen en vakantieperiodes in een bepaald land hangen vaak samen met de overheersende godsdienst. In onze christelijke streken vieren mensen, ook niet-christenen, dus Kerstmis en krijgen ze vrijaf op Hemelvaart. Je hebt ook vakantiedagen om een heel andere reden, bijvoorbeeld de nationale feestdag. Maar godsdiensten leveren op wereldvlak gezien toch verreweg de meeste feestdagen op. Feesten zijn altijd een gelegenheid om samen te komen met je familie, om lekker te eten en om te praten. Kinderen kunnen er spelen met hun neefjes en nichtjes. De oudere generatie geniet ervan om al dat jonge leven te zien en te beseffen dat dit na hun dood verder zal gaan.

Vast of wispelturig

Sommige feestdagen vallen elk jaar op dezelfde datum. Kerstmis is bijvoorbeeld altijd op 25 december, daar kun je van op aan. Andere feesten vallen wel ongeveer in dezelfde periode van het jaar, maar ze verschuiven elk jaar een beetje. Pasen is zo’n feest, dat voor christenen kan vallen tussen 22 maart en 25 april. Dat verschil heeft te maken met de zonnekalender en de maankalender.
Een maanjaar bestaat uit twaalf maanmaanden, dat is ongeveer 354 dagen. Een zonnejaar is de tijd die de aarde nodig heeft om volledig rond de zon te draaien en dat is ongeveer 365 dagen. Godsdiensten die in maanjaren rekenen passen dat vaak aan door extra dagen in te lassen zodat ze weer ongeveer gelijk uitkomen. Zo doen de joden en de hindoes het. De islam doet dat maar een heel klein beetje en rekent bijna helemaal in maanjaren. Dat betekent dat de ramadan, hun vastenmaand, elk jaar tien dagen naar voor schuift.
De maankalender is ouder dan de zonnekalender. Vroeger was het voor mensen makkelijker om met een maankalender te rekenen. Een maanmaand van nieuwe maan (als de maan helemaal weg is) tot de volgende nieuwe maan duurt ongeveer 29 dagen. Voor een zonnejaar moet je een heel jaar wachten tot je weer de kortste dag van het jaar krijgt, en dat is veel moeilijker. Daarom worden veel godsdienstige feesten berekend volgens de maankalender of met een combinatie van beide. Pasen valt dan op de eerste zondag na de eerste volle maan van de lente (dus vanaf 21 maart).

Jarig

Heel wat feesten hangen samen met de geboortedag van de stichter van de godsdienst. Kerstmis is daarvan het bekendste voorbeeld: christenen vieren dan overal ter wereld de geboorte van Jezus. Volgens het verhaal is Jezus geboren in een stal en lag hij in een voederbak. Zijn vader en moeder waren erbij en ook een stel herders. Dat zie je vaak afgebeeld in een kerststal.
In de islam vieren de kinderen de geboortedag van de profeet Mohammed door op school allerlei toneeltjes te spelen met stukken uit het leven van de profeet.
In het boeddhisme wordt het leven en de dood van Boeddha herdacht op het Wesakfeest in de maand mei. In Thailand is er dan een grote stoet met kaarsen. Op andere plaatsen zijn er speciale lezingen over Boeddha. Soms is er een ritueel waarbij mensen drie maal rondom een stoepa lopen.

Speciaal

Belangrijke gebeurtenissen in het leven van de grote leermeester of in de geschiedenis van de godsdienst kunnen ook aanleiding zijn voor een jaarlijks terugkerend feest.
De joden vieren elk jaar op Pascha, hun paasfeest, de uittocht uit Egypte in de tijd van Mozes. Toen werden ze een vrij volk. Zoals bij de meeste feesten horen hier heel speciale rituelen en gebruiken bij. Op de sedermaaltijd bij Pascha eten de joden speciale gerechten die hen doen denken aan de tijd toen ze nog slaven waren. Ze eten ook alleen matses, heel platte broden gemaakt van bloem en water. Het zijn broden die niet gerezen zijn. Dat is om terug te denken aan hun voorouders, die op hun vlucht uit Egypte geen tijd hadden om het brood te laten rijzen.

Het grote feest van de moslims, al -Ied al-kabier’, valt samen met de bedevaart naar Mekka. De moslims herdenken dan het offer van Abraham. Ze eten schapenvlees. Ze delen dat met familie en met de armen. Vaak dragen ze nieuwe kleren en geven ze elkaar geschenken.
Pasen is het grootste feest bij de christenen. Op die dag vieren ze de verrijzenis van Jezus. Dat betekent dat ze geloven dat Jezus na zijn dood door God weer tot leven werd gewekt. Zo werd de betekenis van Jezus voor alle mensen duidelijk. Pasen wordt voorbereid in de hele periode van veertig dagen die eraan voorafgaat, maar vooral in de Goede Week, vlak voor Pasen. Die begint op palmzondag, met een ritueel met palmtakken. Daarna gedenken de christenen op Witte Donderdag het laatste avondmaal van Jezus met zijn vrienden. Op Goede Vrijdag wordt de dood van Jezus aan het kruis herdacht. Veertig dagen na Pasen wordt het feest van Hemelvaart gevierd, waarop de gelovigen gedenken dat Jezus terugging naar de hemel. En vijftig dagen na Pasen volgt het Pinksterfeest, de herdenking van de dag waarop Jezus de geest van God naar de mensen zond.

Seizoenen

Oorspronkelijk vierden de mensen de seizoenen: de oogst in de herfst en het begin van nieuw leven in de lente. Op de kortste en donkerste dag van het jaar vierden ze dat vanaf dan de dagen weer langer zouden worden. Al eeuwenlang waren er allerlei tradities in omloop, nog voordat de grote godsdiensten van nu populair werden. Na de winter kijkt iedereen uit naar de lente. Mensen willen het nieuwe leven vieren. Joden en christenen vieren hun paasfeest in de lente, omdat de inhoud van deze feesten mooi aansluit bij het lentegevoel van nieuw leven. Bevrijd zijn uit de slavernij is ook een vorm van nieuw leven. En Jezus die verrijst uit de dood, lijkt op al die nieuwe blaadjes en plantjes die te voorschijn komen. Daarom geven christenen met Pasen gekleurde eieren aan elkaar. Een ei is immers een teken van leven, omdat uit een ei vaak nieuw leven ontstaat. Het boeddhistische Wesakfeest is ook een lentefeest, met vrolijke stoeten.
In de herfst danken de mensen God voor de oogst. Het joodse soekkot of Loofhuttenfeest is zo’n feest. In warme landen wonen de gelovigen dan een week lang in een zelfgebouwde hut.
Boeddhisten en hindoes hebben feesten die samenhangen met de komst van het regenseizoen. In het midden van de winter, op de dag van de winterzonnewende, is de dag het kortst. Mensen hebben dan behoefte aan licht en warmte. Christenen vieren dan Kerstmis, joden Chanoeka. Oorspronkelijk vierden de Romeinen rond die tijd de Saturnaliafeesten. Later smolt dat feest samen met Kerstmis. Met Kerstmis vieren de christenen de geboorte van Jezus. In de vier weken die aan Kerstmis voorafgaan, de advent, versieren ze een krans met kaarsen. Elke week wordt er een extra kaars ontstoken.
Iets dergelijks doen de joden met Chanoeka. Met een achtarmige kandelaar, waarvan elke dag een extra kaarsje wordt aangestoken, vieren ze dat lang geleden God zorgde voor voldoende lampenolie totdat de tempel weer klaar was voor de eredienst. De tempel was namelijk ontwijd omdat hij veroverd was door een Griekse koning die er een beeld van Zeus in had laten plaatsen. De joden kwamen in opstand en wonnen. Toen maakten ze de tempel weer klaar voor hun eigen eredienst.
Moslims volgen de maankalender en hebben daarom geen feesten die samenhangen met de seizoenen. Hun feesten verschuiven elk jaar een beetje.

Adoptie

Het is grappig om te zien hoe in de loop der eeuwen nieuwe godsdiensten feesten van oude godsdiensten ‘adopteren’ en er hun eigen invulling aan geven.
Kerstmis is daar een mooi voorbeeld van. Oorspronkelijk was het bij christenen heel ongebruikelijk om verjaardagen te vieren. De feestdag van een heilige is bijvoorbeeld nog altijd zijn sterfdag (de dag waarop hij in het eeuwig leven bij God is opgenomen) en niet zijn geboortedag. Dus ook de geboortedag van Jezus werd tijdens de eerste eeuwen niet gevierd. Sterker nog, omdat het niemand interesseerde, wist ook niemand precies op welke dag Jezus geboren was. Maar toen er na verloop van tijd steeds meer Romeinen christen werden, veranderde dag. Romeinen vieren wel verjaardagen, en zij vonden het jammer dat er geen feest was op de geboortedag van Jezus. Dus bedachten ze het volgende: Jezus is het licht van de wereld, en dat paste goed bij de feestdag van de Romeinse god Mitras, de onoverwinnelijke zonnegod. Zijn feest werd op 25 december gevierd. Daar kwam nog bij dat de Germanen in die periode hun joelfeesten hielden, ook een feest van het licht, omdat het de tijd is van de winterzonnewende, de dag waarop de zon het kortst schijnt en waarna de dagen dus weer stilaan langer worden. Allemaal goede redenen dus om de geboortedag van Jezus te vieren op 25 december… Sommige typische kerstgebruiken, zoals de boom en de hulstversiering, stammen nog van die oudere feesten.
Ook bij Halloween ging het zo. De Kelten vierden op 1 november hun nieuwjaarsfeest, Samhain. Het was het einde van het seizoen van de zon en het begin van een donkere, koude tijd. Ze herdachten ook hun doden. Toen de Romeinen hun gebieden veroverden, vermengden ze hun feest van de godin Pomona, dat op dezelfde dag viel, met het Keltische Samhain. Dat was een oogstfeest, waarin allerlei vruchten een rol speelden. Waarschijnlijk komen onze pompoenen daar vandaag. Nog later zochten de christenen een datum om Allerheiligen te vieren en hun doden te gedenken. Welk feest was beter geschikt dan Samhain-Pomona? De gebruiken van al die feesten lopen tot op onze dag door elkaar, nu de viering van Halloween op een nieuwe interesse mag rekenen.
Die overname van elkaars feesten heeft dus niets te maken met een stiekeme staatsgreep of een complot om de oude godsdiensten uit te roeien. De gebruiken van vroeger bleven meestal gewoon doorleven in een of andere vorm. De diepere betekenis van het feest, nieuwe hoop voor de toekomst of het eren van de doden, werd voortaan meer beleefd op de manier van de nieuwe godsdienst. De thema’s van de godsdiensten zijn vaak dezelfde, alleen de antwoorden verschillen.

(Uit Kolet Janssen, God en Co)

2. Extra literatuur

B. Barz, Jaarfeesten vieren met kinderen, Zeist, Christofoor, 1991.
E. Bock, De jaarfeesten als kringloop door het jaar, Zeist, Christofoor, 2007.
I. Dekoning, I. Peys, Feestwijzer. De meest gevierde dagen van het jaar, Antwerpen, CODA, 1993.
M. De Sterck, R. Janssens, e.a., Wie leest die feest, Mechelen, Bakermat, 1994.
Eenvoudig Communiceren, Van Carnaval tot Kerst. 20 feesten en dagen om te onthouden, Amsterdam, Eenvoudig Communiceren, 2008.
E. Henau, Midden in het leven. Beschouwingen rond kerkelijke feesten, Tielt, Lannoo, 2001.
K. Janssen, S. Claes, Een jaar vol kleuren, Averbode, Altiora, 2001.
A. Kesseler-van der Klauw, De feesten van het jaar, Bloemendaal, J.H. Gottmer/H.J.W. Becht, 2001.
J. Lamberts, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Averbode, Altiora, 2001.
B. Lauvrijs, Een jaar vol feesten. Oorsprong, geschiedenis en gebruiken van de belangrijkste jaarfeesten, Antwerpen, Standaard Uitgeverij, 2004.
B. Lauvrijs, Het feestenboek voor de jeugd. Verhelderende en megaleuke weetjes, Antwerpen – Rotterdam, Berghmans Uitgevers, 2006.
P. Neysters, K. H. Schmitt, e.a., Al de dagen van ons leven. Een boek voor gelovige gezinnen, Averbode, Altiora, 2000.
F. Tak, Van herfst tot zomer. Met de jaarfeesten door het schooljaar, Zeist, Christofoor, 2000.
L. van den Berg, Waarom is de paashaas geen hond? Vragen van en voor kinderen over feesten, Hasselt, Mozaïek, 1999.
I. Van Eijk, Van Allerheiligen tot Sint-Juttemis. Achtergrond van onze feestdagen, Utrecht/Antwerpen, Z&K Uitgevers, 1994.
J. van Hest, S. van der Valk, FeestVerhalen, Bloemendaal, J.H. Gottmer/H.J.W. Becht, 1996.
M. Van Leeuwen, Van feest naar feest. Over de christelijke feesten – hun geschiedenis en betekenis, Sint-Niklaas, Libris, 2004.
W. Westerman, Met feest naar school. Aandacht voor feesten in de bovenbouw, Tilburg, Zwijsen, 1994.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

5. Impulsen

1. Algemeen

Een feestelijk jaar

Feesten: wat?

Gelukkig zijn niet alle dagen hetzelfde. Er zijn dagen dat men naar school gaat. Op zaterdag en zondag hoeft het niet. Tijdens het weekend kan men even uitblazen en op adem komen van al dat harde werken. Men kan leuke dingen doen. Net als tijdens de korte en langere schoolvakanties. De meeste ervan hebben we te danken aan speciale dagen waarop iets te vieren valt. Het zijn feestdagen. Op die dagen doet men dingen die op andere dagen onmogelijk zijn. Cadeautjes geven, lekker eten en drinken en familie of vrienden bezoeken.

Waarom feesten?

Is het niet opmerkelijk dat er in alle tijden en bij alle volkeren wordt gefeest? De meeste mensen kunnen niet zonder feestgedruis. Het doorbreekt de dagelijkse sleur. Het brengt mensen bij elkaar. Men feest bijgevolg niet zomaar. Feesten verwijzen naar waarden waarop onze beschaving steunt. Het zijn mijlpalen waarop de diepte van het leven aan het licht komt. Het zijn scharniermomenten. Iets dat zo belangrijk is, dat het de moeite loont om elk jaar, op die dag te vieren.

Soort feesten

De meeste feesten hebben we te danken aan onze verre voorouders. Ze formuleerden op die manier een antwoord op voor hen belangrijke levensvragen. Omdat onze voorouders erg van de natuur afhingen, ontstonden er verschillen van streek tot streek. Daarom viert nu nog niet iedereen overal op dezelfde dag feest. Gebeurtenissen uit de geschiedenis betekenen niet voor elk land hetzelfde. Daarnaast zijn er feesten die te maken hebben met de godsdienst. Hier is het niet anders. Verscheidenheid is troef. Zie je een hindoe al Pasen vieren? Of een boeddhist Kerstmis of Sinterklaas? En ten slotte zijn er feesten met betrekking tot belangrijke gebeurtenissen uit je eigen leven: je verjaardag, je huwelijk,…

Oud geleerd, jong gedaan

We zeiden reeds dat onze voorouders aan de basis lagen van een heleboel feesten. Maar hoe vierden zij die dan concreet? Wat deden zij zo speciaal? In het oude Egypte werden ongeveer 2000 verschillende goden aanbeden. De meesten werden vereerd met een eigen feest. Priesters droegen godenbeelden uit de tempels mee in processies. Ook de Grieken eerden hun goden met feesten. Tijdens sommige voerde men toneelstukken op. Of er werden sportwedstrijden naar het voorbeeld van de Olympische Spelen gehouden. Ongeveer 1800 jaar geleden vierden de Romeinen van hun kant de Saturnaliën, een winterfeest. Behaalde het Romeinse leger daarenboven een overwinning in een belangrijke veldslag, dan werd die dag uitgeroepen tot een officiële feestdag, met een grote optocht. De oude Kelten, die vochten tegen de Romeinen en de Grieken, vierden vier grote feesten per jaar: Imbolc, Beltain, Lughnasa en Samhain. Tijdens deze feesten werden steeds grote feestmaaltijden gehouden en werd er gedanst rondom vreugdevuren.

Feesten verdwijnen

Feesten die vroeger erg in waren, vallen tegenwoordig soms veel minder in de smaak. Dat is vooral het geval met godsdienstige feesten. Wie van jullie kent bijvoorbeeld nog Maria Lichtmis op 2 februari? Ooit was het nog een vrije dag voor de schoolgaande jeugd. Ook de meeste feesten van heiligen hebben het tegenwoordig knap lastig. Bijvoorbeeld Sint-Jozef, de vader van Jezus, op 19 maart. Of Sint-Pieter en Sint-Paulus op 29 juni. Maar ook met grotere feesten als Pasen en Allerheiligen, dat vermengd geraakt is met Halloween.

Nieuwe feesten

Maar er zijn ook nieuwe feesten, die jullie grootouders nooit gekend hebben. Zoals Moederdag, Vaderdag, Valentijnsdag en Halloween. Sommige feesten ontstonden uit het niets. Zo hadden Moederdag en Vaderdag geen echte historische achtergrond. Andere nieuwe feesten bestonden eeuwen geleden al. Ze verdwenen, werden opnieuw ontdekt en in een ander jasje gestoken. Of ze hadden minstens verre voorlopers, wat zowel voor Valentijn als voor Halloween geldt. Verschillende van die moderne feesten kenden een heropleving in Amerika en veroverden van daaruit opnieuw onze contreien.

En nu maar feesten.

Het feestgamma biedt een kleurrijke variëteit. Het is samengesteld uit ontelbare mooie mozaïekjes. Voor elk wat wils. Een echt feestvarken weet waarom hij feest.

(Uit Bart Lauvrijs, Het feestenboek voor de jeugd)

Het belang van feestvieren

Dankzij supersonische vliegtuigen en hogesnelheidstreinen zijn er geen afstanden meer. Elektronische post en mobiele telefoons zorgen voor een ogenblikkelijke communicatie. Allerlei media bieden zich aan als steeds parate vluchtmogelijkheden uit een als frustrerend ervaren werkelijkheid naar het belevingspark van de virtuele realiteit, waar afstanden niet meer tellen.
In tegenstelling tot wat men zou kunnen denken, is de afstand echter geen obstakel, maar een grotere mogelijkheid voor begrip en inzicht. Dit geldt ook op het geestelijke en intellectuele vlak. Men heeft tijd nodig om tot een inzicht te komen, om dit inzicht te laten rijpen en om naar de visies van anderen te kunnen luisteren.

Omdat afstanden belangrijk zijn, kan men evenmin zonder mijlpalen en bakens. Zij maken het mogelijk dat wij ons oriënteren. Ook hebben zij iets te maken met halt houden en stilstaan. Zo is godsdienst ondenkbaar zonder haltes op de levensweg. Ooit heeft J.-B. Metz gezegd dat ‘onderbreking’ de bondigste definitie is van religie. Deze laatste is immers slechts mogelijk wanneer de voortkabbelende dagelijkse bewustzijnsstroom onderbroken wordt door een of andere (grens)ervaring.

In alle religies spelen feesten dan ook een grote rol. Van tijd tot tijd onderbreken zij de sleur van de dagelijkse gang van zaken. Zij vormen ook een middel om zich op een solide wijze te verankeren in de tijd en te weerstaan aan de zuigkracht van het onmiddellijke, door de blik te wenden naar het verleden. Feesten hebben immers te maken met de funderende feiten en verhalen van onze geschiedenis (de geboorte van Jezus als begin van onze tijdrekening) of met de waarden waarop onze beschaving gestoeld is (de herwonnen vrijheid die wij herdenken op het feest van de wapenstilstand en bevrijdingsdag). Feesten zijn bakens en mijlpalen waarop een waarheid ter sprake komt waarnaar wij ons kunnen oriënteren.

Kenmerkend voor onze tijd is echter niet enkel de snelheid waarmee wij leven, maar ook de daarmee samenhangende oppervlakkigheid waarmee we ons in de werkelijkheid bewegen. Zij is het resultaat van overhaasting, maar tevens van verzadiging aan informatie, van een overaanbod aan consumptieprikkels en een ongebreideld aantal mogelijkheden tot verstrooiing. De keerzijde is ook hier dat de mens er af en toe behoefte aan heeft stil te staan bij de grote vragen van het leven, die zich onwillekeurig opdringen. Immers, deze vragen zijn niet voorzien van een vervaldatum. Zij keren telkens terug in grenssituaties, op scharniermomenten van het bestaan, bij ervaringen van onmacht en lijden. Hier kunnen feesten en liturgische hoogtijdagen belangrijk zijn. Vooral in onze cultuur, waar zij te maken hebben met centrale feiten uit de heilsgeschiedenis. Zij bieden de gelegenheid om antwoorden te formuleren op de grote vragen van het leven: naar God en wereld, naar leven en dood, schuld en vergeving.

Onze samenleving is niet enkel gekenmerkt door overhaasting en oppervlakkigheid, ze wordt ook beheerst door eenzaamheid. Zij is een optelsom van individuen geworden. Hoeveel mensen leven niet alleen? Hoevelen zijn niet grenzeloos eenzaam? Alles wat deze eenzaamheid kan doorbreken en ervoor zorgt dat mensen elkaar in een zinvolle context kunnen ontmoeten, is goed. Ook hier kunnen feesten van groot belang zijn. Ze vormen een aanleiding om mensen bij elkaar te brengen en creëren daardoor de mogelijkheid om de schutskring van de eenzaamheid te ontsluiten.

(Uit Ernest Henau, Midden in het leven. Beschouwingen rond kerkelijke feesten)

Altijd wat te vieren

’t Is vandaag weer Dolle Donder,
morgen Vrijdag Vlinderdag.
Ik heb altijd wat te vieren:
Zater, Zotte Zonderdag.

In de lente ben ik paasei
met een grote, roze strik.
Als de zomerzotten feesten,
feest ik mee en eet me dik.

Speelt november Kale Bomen,
hoi, dan weet ik dat heel gauw
de Cadeautjesmannen komen
en de Suikertantevrouw.

Altijd heb ik wat te vieren.
Elke dag maak ik me mooi.
Mijn verdriet, dat zit vanbinnen:
Stille sneeuwpop wacht op dooi.

(André Sollie)

Op de golfslag van de geest

Het werd avond en het werd ochtend…
Reeds op de eerste bladzijde van de bijbel is de toon gezet.
Het werd avond en het werd ochtend…
Nauwgezet, als het ritmisch tikken van een grote oude klok.

Schepping is ritme.
De wenteling van de sterren
en de hartslag in ons lichaam.
De golfslag in de oceaan
en onze adem, in en uit.
Wij snikken van verdriet
en dansen van vreugde,
zoals zomer en winter
de aarde bewegen.

Leven is ritme.
Ook het groeien naar een nieuwe wereld,
het waar worden van Gods droom
gebeurt op de deining.
Van heimwee en vervulling.
Advent en Kerstmis,
Vasten en Pasen
als avond en ochtend
naar Pinksteren:
de middagzon in volle zomer.

Zo boetseert ons de Geest
als in een tweede schepping.
Romaanse kerken en abdijen
Konden zijn ritme vastleggen.
In hun stenen, in de witte muren,
In hun ingehouden zingen.
Onze kerktorens leggen zijn ritme
in het landschap en in de skyline van onze steden.
Daar binnentreden is de ruimte zoeken
om onze kleine dromen
af te stemmen op het ritme van Gods grote droom.

Kerkelijke feesten zijn ankerpunten
op onze levenslange hemel-vaart.
kergebouwen zijn dan ook.
Vreemd of vertrouwd,
dorpsklein of immens groot,
elke kerk is een plek
om even het anker uit te werpen,
te wachten tot het zich vasthecht
aan één of andere pilaar, een glasraam
of een lichtinval op het tabernakel
en zich dan verankerd en veilig te weten
in de oceaan van Gods Geest.

(uit Manu Verhulst, Op de golfslag van de Geest)

Een jaar vol kleuren

‘Vandaag had de pastoor een paarse jurk aan!’ zegt Sara als ze uit de kerk komen.
‘Dat klopt’, zegt papa. ‘Paars is de kleur voor de advent, de voorbereidingstijd voor Kerstmis. Een tijd voor inkeer en spijt over wat fout was. Paars is een beetje een rouwkleur. Maar zo’n misgewaad noem je geen jurk, Sara. En ook de altaarbekleding krijgt die kleur mee, heb je dat gezien?

‘Welke kleuren zijn er nog?’ wil Pieter weten.
‘Wit’, zegt mama. ‘Dat is de kleur van de zuiverheid en die wordt gebruikt op alle feesten van Jezus. Dus op Kerstmis en de hele kersttijd tot Driekoningen, op Witte Donderdag en op Pasen en in de paastijd. Op Pinksteren en op feestdagen van martelaren is de kleur rood. Vroeger werd er nog zwart gebruikt op Goede Vrijdag, maar nu zie je dat meestal niet meer. En op de gewone zondagen door het jaar zijn de gewaden groen.’ ‘Ik dacht dat de priester gewoon zomaar iets uitkoos waar hij die dag zin in had’, zegt Sara. ‘Het ligt dus allemaal vast?’

‘Min of meer wel’, zegt papa. ‘Hier en daar verandert er wel eens iets natuurlijk.’ ‘De kleuren passen bij wat er in dat seizoen in de kerk gevierd wordt’, legt mama uit. ‘Het vurige rood op Pinksteren bijvoorbeeld, of het paars van inkeer en bekering voor de advent en de veertigdagentijd. Het helpt mee om je in de goede stemming te brengen, samen met de typische liederen voor die tijd en de kaarsen en alles wat erbij hoort.’

‘En elk jaar met Nieuwjaar beginnen ze weer helemaal opnieuw?’, wil Pieter weten. ‘De Kerk is het burgerlijk jaar een stapje voor’, lacht papa. ‘Een kerkelijk jaar begint op de eerste zondag van de advent, dus vier zondagen voor Kerstmis. Dan volgt de kersttijd tot Driekoningen, daarna enkele gewonen zondagen na Kerstmis, dan de veertigdagentijd met de Goede week en Pasen, daarna de zondagen na Pasen tot Pinksteren, dan het feest van de Drievuldigheid en daarna een lange periode gewone zondagen door het jaar, tot het weer advent wordt.’

‘Ik vind het maar ingewikkeld, al die jaren’, zegt Sara. ‘Het burgerlijk jaar, het schooljaar en nu ook nog het kerkelijk jaar!’

‘Dat is juist leuk’, vindt Pieter. ‘Met al die jaren bij elkaar is het altijd wel ergens feest!’

(Uit Kolet Janssen, Een jaar vol kleuren)

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

2. Advent

De adventstijd is de periode van vier weken die voorafgaat aan Kerstmis. Het is de voorbereiding op de geboorte van Jezus. Destijds was de advent altijd een soort boetetijd. Hierdoor is de kleur van de kerkelijke gewaden in de kerk nu nog altijd paars. De term advent is afgeleid van het Latijnse werkwoord advenire. Dat betekent naderen. We zien ook een band met het Latijnse adventus, wat zo vertaald neerkomt op komst. Het woord adventus werd in het verleden bijvoorbeeld gebruikt bij de troonsbestijging van een Romeinse keizer. Voor christenen verwijst de advent naar de komst van Christus, naar zijn geboorte, zijn vleeswording onder de mensen. Reeds in de vierde eeuw werd melding gemaakt van de advent in geschriften. Reeds in de Oudheid was de krans een teken van overwinning, huldiging en kroning. De overwinnaar kreeg een krans op het hoofd en vaak werd die versierd; Zo is ook de adventskrans een eerbetoon aan Jezus. De krans verwijst naar de wereld die uitkijkt naar de Verlosser. Groene takken zinspelen op nieuw leven. De adventskrans telt vier kaarsen. Deze duiden op de vier zondagen voor Kerstmis. Bij elke zondag hoort een nieuwe kaars. Daardoor groeit de verwachting van Kerstmis.

(Naar Bart Lauvrijs, Het feestenboek voor de jeugd)

Aankondiging van de geboorte van Jezus

[26] In de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea, [27] naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Het meisje heette Maria. [28] Gabriël ging haar huis binnen en zei: ‘Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.’ [29] Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had. [30] Maar de engel zei tegen haar: ‘Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. [31] Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. [32] Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven. [33] Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’
[34] Maria vroeg aan de engel: ‘Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad.’ [35] De engel antwoordde: ‘De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God. [36] Luister, ook je familielid Elisabet is zwanger van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is nu, ook al hield men haar voor onvruchtbaar, in de zesde maand van haar zwangerschap, [37] want voor God is niets onmogelijk.’ [38] Maria zei: ‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’ Daarna liet de engel haar weer alleen.

(Lc 1,26-38)

Binnenste Buiten

In het donkerste van de dagen
gaat de woonkamer binnenste buiten.
De rolluiken blijven omhoog,
De gordijnen open en voor het raam
de lichtjes van de kerst,
lichtjes naar buiten,
tot in de voortuin als het kan,
zelfs lichtjes in de bomen.

Een oude droom wordt wakker in ons hart.
Zo zou de wereld kunnen zijn:
één woonkamer vol sfeer.
De straat wordt speels en licht:
herbergzaam voor iedereen,
een droom van een wereld,
een warme thuis voor elke mens,
veilig en geborgen.

Dat is advent:
dromen en verwachten,
ook in het donkerste van de dagen.
Dat in onze wereld
elke mens een sleutel in zijn zak mag vinden,
en thuis kan komen,
de zekerheid mag hebben van een plek
waar het licht is
en waar de warmte hem tegemoetkomt.

Laat de lichtjes van advent
Die onze straten sieren,
de knipperlichtjes zijn
die ons alarmeren en zeggen
dat er mensen zijn
die niet menselijk behuisd zijn,
die uitgemolken worden
en de helft van hun leefloon moeten afgeven
om te mogen wonen in een krot.
De lichtjes van advent
mogen van binnen naar buiten
als ook ons hart maar
binnenste buiten wordt gekeerd.

(uit Manu Verhulst, Op de golfslag van de Geest)

Toekomst moet je verdienen

Als kind ooit meegemaakt dat een blad uit je schrift werd gescheurd? Hoor je nog dat snerpend geluid: het geluid van de mislukking? Jouw werk werd brutaal en met één ruk teniet gedaan. Herbeginnen!

In mijn papiermand liggen nu veel verscheurde vellen. Ik heb ze zelf verscheurd: het is de enige manier om jou dat ene boekje te kunnen presenteren. Herbeginnen, telkens weer.

Zo is het leven. Hoeveel traantjes zijn niet het begin geweest van een nieuwe verstandhouding. Hoeveel verdriet en pijn was niet het begin van een ander geluk? Toekomst maak je niet met leuke dingen. Toekomst moet je verdienen. Durven herbeginnen!

Er zijn ook grote scheuren, zij lopen doorheen onze wereld. Scheuren tussen volken en beschavingen, zo diep dat ze tot in de komende generaties nog voelbaar zullen zijn.

Komt er ooit een herbeginnen? Zit er toekomst in? Advent is hierop ‘ja’ zeggen en geloven in de heelwording, blijven geloven in Gods droom zoals die beschreven staat in het boek van de ‘Wording’: een wereld als een tuin, een stuk cultuur, waarin mens en dier, mens en god harmonisch met elkaar omgaan. Een wereld als een paradijs waar het zwaard wordt omgesmeed tot het scherp van een ploeg, die de aarde vruchtbaar maakt. Waar elke speer een sikkel wordt om te oogsten en elk gevechtsvliegtuig wordt omgebouwd tot een helikopter om mensen te redden; elk vliegdekschip een drijvend hospitaal wordt dat redding brengt tot aan de uiteinden der aarde.
Dat paradijs ligt niet op voorhand geprepareerd. Slechts het ontwerp ligt in ons hart. Advent beleven, is de kleine scheurtjes in het eigen leven heel maken, laten genezen tot een nieuwe toekomst. Het is de scheuren in onze samenleving helen en geduldig bouwen aan welzijn.

(uit Manu Verhulst, Op de golfslag van de Geest)

Welzijnszorg

Welzijnszorg werkt met een pluralistische ingesteldheid en vanuit een christelijke overtuiging aan een zinvolle aanpak van armoede en sociale uitsluiting. Welzijnszorg gelooft dat ieder mens - en zeker de meest kwetsbare - recht heeft op volledige ontplooiing en volwaardige participatie aan onze samenleving. Elk jaar wordt in de adventperiode een campagne (die gepaard gaat met een inzameling) gelanceerd door Welzijnszorg, waarin de nadruk gelegd wordt op bepaalde aspecten van armoede.
www.welzijnszorg.be

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

3. Kerstmis

Met Kerstmis herdenken de Kerk en de gelovigen de geboorte van het kind Jezus. De kerstsfeer is altijd iets speciaals. Jezus’ geboorte is en blijft voor vele mensen iets bijzonders. Jezus’ geboorte en leven was zo ingrijpend dat men er zelfs de tijdrekening voor veranderde. Die werd ingedeeld in een periode voor en na Christus. Toch bestaat er over het geboortejaar en de geboortedatum van Jezus nog altijd discussie. Voor het geboortejaar van Jezus houdt men het meestal bij zes jaar voor Christus. En in de vierde eeuw bepaalde keizer Constantijn dat 25 december officieel gold als Jezus’ geboortedatum.
Het is trouwens niet toevallig dat er voor 25 december gekozen werd. Kerstmis was immers aanvankelijk het feest van de winterzonnewende, namelijk, de winter die zich langzaam naar de zon keert. Deze winterzonnewende werd door alle culturen gevierd en dit rond 25 december. Daarnaast betekende 25 december voor de Romeinen ook de geboorte van de zonnegod Mithras. Het christelijke kerstfeest werd doorheen de tijd met de bestaande tradities verbonden en groeide uit tot een van de belangrijkste christelijke feesten.

(Naar Bart Lauvrijs, Het feestenboek voor de jeugd)

De geboorte van Jezus

[1] In die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af dat alle inwoners van het rijk zich moesten laten inschrijven. [2] Deze eerste volkstelling vond plaats tijdens het bewind van Quirinius over Syrië. [3] Iedereen ging op weg om zich te laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam. [4] Jozef ging van de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad van David die Betlehem heet, aangezien hij van David afstamde, [5] om zich te laten inschrijven samen met Maria, zijn aanstaande vrouw, die zwanger was. [6] Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, [7] en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad. [8] Niet ver daarvandaan brachten herders de nacht door in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde. [9] Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. [10] De engel zei tegen hen: ‘Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: [11] vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren. Hij is de messias, de Heer. [12] Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt.’ [13] En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden: [14] ‘Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft.’
[15] Toen de engelen waren teruggegaan naar de hemel, zeiden de herders tegen elkaar: ‘Laten we naar Betlehem gaan om met eigen ogen te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt.’ [16] Ze gingen meteen op weg, en troffen Maria aan en Jozef en het kind dat in de voederbak lag. [17] Toen ze het kind zagen, vertelden ze wat hun over dat kind was gezegd. [18] Allen die het hoorden stonden verbaasd over wat de herders tegen hen zeiden, [19] maar Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken. [20] De herders gingen terug, terwijl ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden, precies zoals het hun was gezegd. (Lc 2,1-20)

Kerstkinderen

De zaterdag voor kerstmis. Twee dopen. Karsten, het zoontje van een reumatologe en een nefroloog. Ook zijn oma en opa en de peter en de meter zijn artsen. En Timor, zoontje van Kelly en misschien Kenny. De oma van Timor had de pastorie gebeld voor de doop. "Ik weet dat we wat laat zijn, maar we wilden eerst zeker zijn dat onze Kenny de vader is!" Het wicht is nauwelijks drie weken oud, maar mama Kelly is geestelijk wat achter en kijkt niet naar haar kind om. Timor is duidelijk een ‘ongelukske’. Mochten ze verzekerd zijn, dan zouden ze de bevalling ongetwijfeld met hun ongevallenpremie betaald hebben. Maar hun sjofelheid verraadt dat ze geen geld hebben voor al te veel verzekeringen. De ouders van Karsten vertellen hoe ze door de geboorte van hun kind opnieuw naar de wereld hebben gekeken. Ze vragen zich af hoe de planeet aarde waarop hun kind de volle eeuw zal doorleven zich zal gedragen. Hoe warm of koud zal het worden in de komende eeuw? Hoeveel ‘Kopenhagens’ komen er nog voor er iets aan het milieu wordt gedaan? Zal er vrede zijn? De problemen die ze verwoorden liggen buiten hen, want Karsten is door zijn afkomst voor alles verzekerd. De ouders van Timor vragen zich af hoe ze volgende week de gasrekening gaan betalen. Wie kinderen gelijk wil maken moet ze ofwel onthoofden ofwel dopen, denk ik. Want Karsten en Timor worden door de handoplegging en de zegen allebei onder Gods belofte geplaatst. We maken met alle aanwezigen een grote kring rond de kinderen en hun ouders om met gesloten ogen een wens te doen. De ouders van Timor hebben enige zenuwachtigheid om die van Karsten een hand te geven maar als ik zeg dat ze "allemaal aan elkaar moeten hangen" is hun schroom over. Nergens en waarschijnlijk hierna nooit meer komen verschillende mensen zo dicht bij elkaar als in de liturgie. Mijn wens gaat terug tot in de kerststal. Ik zie meer gelijkenis tussen Jozef en Maria en de ouders van Timor, dan die van Karsten. Opgejaagd en ontworteld door een volkstelling, straatarm, sociaal aan de rand gezet door hun onfatsoenlijke samenwonen en bevallen in een stal. En toch is er van Jezus heel wat geworden. Omdat Hij net als deze twee kerstkinderen onder een belofte stond, die we dankzij een beetje water telkens weer mogen herhalen. Dus wens ik maar dat Timor zijn naam mag waarmaken. Kenny en Kelly weten niet wat ‘Timor’ wil zeggen. Maar ik denk aan ‘Timor Dei - Vreze Gods’, volgens Salomo het begin van de wijsheid. Vooral de wijsheid van diegene die vreest God uit het oog te verliezen. Aan het einde van de dienst doet God al een eerste afbetaling op zijn belofte. Het artsenteam drukt mij discreet en met een knipoog een omslagje in de hand met een ongewoon groot bedrag in. "Misschien kent u in de buurt wel mensen waar u iets kan voor doen", zegt de nefroloog met een understatement. © Ronald Sledsens

http://www.heilighart.com/wegel/voorval.php?voorvalid=124&tekstid=35

Hoe mensen heel verschillend Kerstmis vieren

Een oudere vrouw: "Kerstmis is voor mij al lang geen feest meer. Op die dagen voel ik mij erg eenzaam en verlaten. Geen bezoek, geen gesprek, niets. Iedereen viert feest in zijn eigen gezin. Oude mensen worden dan gewoon vergeten. Ik ben altijd blij als Kerstmis weer voorbij is."

Een jongere: "Met Kerstmis is bij ons thuis niets te doen. Mijn ouders willen het feest vieren zoals vroeger, met veel vroomheid. Maar ik ben geen kind meer. Ik denk nu anders over Kerstmis. Die dagen zullen dus wel weer behoorlijk vervelend worden. Veel eten, veel drinken, veel tv-kijken, ieder jaar hetzelfde."

Een moeder: "Ik kijk elk jaar heel erg uit naar Kerstmis. Het is weliswaar een drukke dag voor mij, met alle voorbereidingen aan het eten, maar desondanks vind ik het heerlijk dat een groot stuk van de familie op die avond samen is en een leuke avond beleeft. Soms gebeurt het dat we naar de middernachtmis gaan, maar dat hangt een beetje af van de sfeer op het moment zelf."

Een dokter: "Met Kerstmis moet ik andere dokters vervangen. Dat vergt op die dagen erg veel inspanning. Altijd weer bellen mensen op met maagklachten. Ze hebben gewoon te veel gegeten en te veel gedronken. Ergst van al zijn de noodgevallen: pogingen tot zelfmoord. Dat zit je behoorlijk dwars. Dat gaat niet in je koude kleren zitten. Dat is nou de ‘vrede’ van Kerstmis."

Een kind: "Mijn verlanglijstje is ook dit jaar vrij lang geworden. Ik hoop dat mijn ouders aan alles denken. Anders is Kerstmis er alleen maar voor de grote mensen. Die praten enkel met elkaar als er bezoek komt. Wij hebben onze cadeautjes toch al. Daar moeten wij tevreden mee zijn. En we zouden samen kunnen spelen of zingen. Maar mijn moeder zegt dat we dat beter op een andere dag kunnen doen. Waarom nou niet op Kerstmis?"

Een zakenman: "De mensen kopen als gekken. Alsof er na Kerstmis niets meer te krijgen is. En ze stellen steeds hogere eisen. Met Kerstmis maak ik een reis naar het zuiden: ver weg van het klokgelui en de kerstliedjes. Die liedjes ben ik grondig beu. Je zult maar de hele dag die muziek moeten aanhoren! Nee, Kerstmis is voor mij al jaren ‘dood’. Goede zaken doen, prima, maar de rest…"

Een huisvrouw: "Als het Kerstmis is, ben ik doodop. Het huis van boven tot beneden poetsen, dagenlang in de stad rondlopen, een volle boodschappentas sjouwen, de menu’s voor de feestdagen voorbereiden, aan duizenden kleinigheden denken. Op die dag zelf krijg ik nauwelijks rust. Als Kerstmis voorbij is, zal ik een zucht van verlichting slaken."

(Naar Al de dagen van ons leven)

Kerstmis, feest van alleman

Kerstmis is uit het kerkgebouw ontsnapt,
Over duizenden en duizenden lichtjes loopt de Kerst
naar alle straten en pleinen van onze steden en dorpen,
tot in alle huiskamers, tot in de café’s en de eethuizen.
Kerstmis is uit het kerstgebouw ontsnapt
en duikt op rond de feesttafel in de huiskring
waar mensen mekaar omhelzen en plots beseffen
wat een rijkdom de één voor de ander kan zijn.
Kerstmis is uit het kerkgebouw ontsnapt,
vermomd als een kerstman,
met vrolijke lichtjes in zijn muts,
zolang de batterij het doet.
Ook een dwaze verschijning kan vertellen
van een groot heimwee naar ‘toch iets anders’ in het leven.

Gelovigen zien Kerstmis ontsnappen uit hun kerkgebouw.
Zij stellen zich vragen: Is dat nog Kerstmis?
Is Kerstmis weer een heidens feest geworden?
Het antwoord op hun vragen staat in het evangelie:
‘Schrik niet, want ik heb een goede boodschap voor u,
een grote vreugde voor heel het volk.’
Kerstmis is geen exclusief bezit
van een gesloten kerkgemeenschap.
Het is bedoeld voor heel het volk.
Het is een feest van alleman.

Kerstmis moest ontsnappen uit het kerkgebouw.
Maar de goede boodschap waarmee het allemaal begonnen is,
wordt in de kerk als in een schrijn bewaard en gekoesterd.
Het is een boodschap van hoop voor elke mens:
God is niet ver. Hij is een kind van mensen.

(uit Manu Verhulst, Op de golfslag van de Geest)

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

4. Driekoningen

Wij kennen 6 januari als Driekoningen. Tot in de achttiende eeuw heette het in België en Nederland echter Dertiendag. Omdat het dertien dagen na Kerstmis valt, tenminste als we Kerstmis zelf meetellen. In Oost- en West-Vlaanderen komt de benaming Dertiendag nog hier en daar voor. De naam Driekoningen is niet zo logisch. Over het cijfer drie en de titel koningen bestaat er nog heel wat discussie. In de Bijbel is er immers slechts sprake van wijzen in het algemeen. Het is in de loop van de geschiedenis dat men er koningen van gemaakt heeft. In de middeleeuwen kregen die koningen zelfs een naam, een afkomst en een leeftijd. Ieder van hen vertegenwoordigde een tak van het menselijke geslacht. Caspar, twintig jaar, kwam uit Afrika en had wierook bij zich. Melchior was dubbel zo oud en was afkomstig uit Europa. Zijn handelsmerk was het goud. Balthasar, zestig jaar, uit Azië, was de man met de mirre. Dat het om drie koningen gaat, verwijst naar de drie geschenken die ze bij zich hadden en waarover wel sprake is in de Bijbel. De geschenken waren goud, wierook en mirre. Goud verwees naar het koningschap van Jezus. Wierook gaf aan dat Jezus goddelijk was, terwijl mirre naar het sterfelijke in Jezus wees.

(Naar Bart Lauvrijs, Het feestenboek voor de jeugd)

Magiërs uit het Oosten

[1] Toen Jezus geboren was in Betlehem in Judea, tijdens de regering van Herodes, kwamen er magiërs uit het Oosten in Jeruzalem aan. [2] Ze vroegen: ‘Waar is de pasgeboren koning van de Joden? Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om hem eer te bewijzen.’ [3] Koning Herodes schrok hevig toen hij dit hoorde, en heel Jeruzalem met hem. [4] Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk samen om aan hen te vragen waar de messias geboren zou worden. [5] ‘In Betlehem in Judea,’ zeiden ze tegen hem, ‘want zo staat het geschreven bij de profeet: [6] "En jij, Betlehem in het land van Juda, bent zeker niet de minste onder de leiders van Juda, want uit jou komt een leider voort die mijn volk Israël zal hoeden."’ [7] Daarop riep Herodes in het geheim de magiërs bij zich; hij wilde precies van hen weten wanneer de ster zichtbaar geworden was, [8] en stuurde hen vervolgens naar Betlehem met de woorden: ‘Stel een nauwkeurig onderzoek in naar het kind.

Stuur mij bericht zodra u het gevonden hebt, zodat ook ik erheen kan gaan om het eer te bewijzen.’ [9] Nadat ze geluisterd hadden naar wat de koning hun opdroeg, gingen ze op weg, en nu ging de ster die ze hadden zien opgaan voor hen uit, totdat hij stil bleef staan boven de plaats waar het kind was. [10] Toen ze dat zagen, werden ze vervuld van diepe vreugde. [11] Ze gingen het huis binnen en vonden het kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen zich neer om het eer te bewijzen. Daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden en boden het kind geschenken aan: goud en wierook en mirre. [12] Nadat ze in een droom waren gewaarschuwd om niet naar Herodes terug te gaan, reisden ze via een andere route terug naar hun land.
(Mt 2,1-12)

De Bron der Wijzen: een Driekoningen-verhaal van Selma Lagerlöf

In het oude land van Juda ging De Droogte rond, met holle ogen en verbitterd, tussen verschrompelde distels en verdord gras. 't Was in de zomer. De zon scheen op schaduwloze bergruggen, de minste windkoelte dreef dichte wolken kalkstof op uit het witgrauwe veld, de kudden stonden bijeen in de dalen bij de uitgedroogde beken.

De Droogte ging rond en inspecteerde de watervoorraad. Ze dwaalde naar Salomons vijvers en zag zuchtend, dat ze nog een massa water tussen hun rotsige oevers bewaarden. Daarop ging ze naar de beroemde bron van David bij Bethlehem en vond ook daar water. Toen liep ze met slepende tred langs de grote landweg, die van Bethlehem naar Jeruzalem leidt.

Toen ze ongeveer halfweg gekomen was, zag zij de Bron der Wijzen, die daar dicht aan de weg ligt en zij merkte spoedig, dat die bijna uitgedroogd was. De Droogte zette zich op de rand van de put, die uit één grote, uitgeholde steen bestaat, en keek naar beneden in de bron. De blanke waterspiegel, die anders heel dicht bij de opening lag, was nu diep omlaag gezonken en slik en modder van de bodem maakten hem onrein en troebel. Toen de bron het bruin verbrande gezicht van De Droogte zag afgebeeld op haar doffe waterspiegel, begon zij te golven van angst.

"Ik zou wel eens willen weten, wanneer het met jou gedaan kan zijn," zei De Droogte. "Je zult wel geen waterader kunnen vinden daar in de diepte, die je nieuw leven kan komen brengen. En van regen kan er, Goddank, in de eerste twee, drie maanden nog geen sprake zijn." "Je kunt gerust wezen," zuchtte de bron, "niemand kan me helpen. Daar zou minstens een bronaar uit het Paradijs voor nodig zijn." "Dan zal ik je niet verlaten, voor alles voorbij is," zei De Droogte.

Ze zag dat de oude bron haar einde tegemoet ging en nu wilde ze het genoegen hebben haar druppel voor druppel te zien sterven. Ze zette zich behaaglijk op de rand van de put en verheugde zich als zij de bron in de diepte hoorde zuchten. Zij had er ook veel plezier in te zien hoe dorstige reizigers naar de put kwamen, de aker lieten neerdalen en die optrokken met een paar modderige droppels van de bodem.

Zo ging de hele dag voorbij en toen de schemering viel, keek De Droogte weer in de put. Er blonk nog wat water in de diepte. "Ik blijf hier vannacht," riep ze. "Haast je maar niet. Als het zo licht is, dat ik je weer zien kan, ben ik er zeker van, dat het met je gedaan is." De Droogte ging op het dak over de put zitten, terwijl de hete nacht, die nog akeliger en pijnlijker was dan de dag, neerdaalde over het land van Juda. Honden en jakhalzen huilden zonder ophouden en dorstige koeien en ezels antwoordden hen vanuit hun warme stallen. Toen eindelijk de wind opstak, bracht hij geen koelte, maar was heet en verstikkend, als de hijgende adem van een groot slapend monster.

Maar de sterren lichtten met haar allerliefelijkste glans en een kleine, blinkende maansikkel spreidde haar mooi groenblauw licht over de grijze heuvels. En in dat licht zag De Droogte een karavaan aankomen en de heuvel optrekken, waar de Bron der Wijzen lag.

De Droogte zat op het lage dak te kijken en verheugde zich opnieuw in al de dorst, die naar de bron kwam en daar geen druppel water vinden zou om gelest te worden. Daar kwamen zoveel dieren en kameelleiders aan, dat zij de bron wel hadden kunnen leegdrinken, al was die ook helemaal vol geweest. Plotseling kreeg zij de indruk, dat er iets wonderlijks, iets spookachtigs was aan die karavaan, die daar kwam aanzetten in de nacht.

Alle kamelen kwamen eerst te voorschijn op een heuvel, die scherp tegen de horizon afstak; het was alsof zij uit de hemel kwamen. Zij schenen ook groter dan gewone kamelen en droegen al te gemakkelijk de reusachtige lasten waarmee zij beladen waren. Maar toch kon ze niets anders denken dan dat het werkelijkheid was. Zij zag ze immers heel duidelijk. Ze kon zelfs ook zien, dat de eerste drie dieren dromedarissen waren met grauw glanzend vel en dat ze rijk opgetuigd waren, gezadeld met mooie matten met franje en bereden door schone voorname ruiters.

De hele optocht hield stil bij de bron. De dromedarissen legden zich neer op het veld met drie onwillige, schokkende bewegingen, en hun ruiters stegen af. De pakkamelen bleven staan en naarmate ze dichter bij elkaar kwamen, schenen ze een onafzienbaar bos te vormen van lange halzen en bulten en wonderlijk opeengestapelde pakken. De drie ruiters kwamen snel op De Droogte toe en begroetten haar door de handen op de borst te leggen. Zij zag, dat zij glanzend witte gewaden droegen en reusachtige tulbanden, waarop bovenaan een helder glinsterende ster bevestigd was, die straalde alsof zij direct van de hemel genomen was.

"Wij komen uit een ver land," zei een van de vreemdelingen, "en wij verzoeken u ons te zeggen of dit werkelijk de Bron der Wijzen is." "Zo wordt zij vandaag nog genoemd," zei De Droogte, "maar morgen is het geen bron meer. Zij zal vannacht sterven." "Dat kan ik begrijpen, omdat ik u hier zie," zei de man; "maar is dit niet een van de heilige bronnen, die nooit uitdrogen? En van waar heeft zij haar naam?" "Ik weet dat ze heilig is," zei De Droogte; "maar wat kan haar dat helpen? De drie wijzen zijn in het Paradijs."

De drie reizigers zagen elkaar aan. "Kent u werkelijk de geschiedenis van de oude bron?" vroegen ze. "Ik ken de geschiedenis van alle putten en beken en stromen," zei De Droogte trots. "Doe ons dan het genoegen en vertel ons die," vroegen de vreemdelingen. En ze zetten zich neer om de oude vijandin van alles wat groeit en luisterden. De Droogte kuchte even en kroop op de rand van de put, als een sagenverteller op zijn hoge stoel en begon haar verhaal:

"In Gabes, in Medië, een stad die aan de grenzen van de woestijn ligt en waar ik mij daarom gaarne ophoud, leefden voor vele jaren drie mannen, die beroemd waren om hun wijsheid. Zij waren heel arm, wat een ongewoon verschijnsel was, want in Gabes werd kennis hoog in ere gehouden en goed betaald. Maar door deze mannen kon dit haast niet anders, want een van hen was buitengewoon oud, de tweede was melaats en de derde was een neger, pikzwart en met dikke lippen. De mensen vonden de eerste al te oud om hun wat te kunnen leren, de tweede ontweken ze uit vrees voor besmetting en naar de derde wilden zij niet luisteren, omdat ze meenden te weten, dat nooit enige wijsheid uit Ethiopië gekomen was.

De drie wijzen sloten zich intussen in hun ongeluk bij elkaar aan. Zij bedelden overdag bij dezelfde tempelpoort en sliepen 's nachts op hetzelfde dak. Op die wijze hadden zij tenminste gelegenheid zich de tijd te korten door het gezamenlijk onderzoeken van al het wonderbare, dat zij bij dingen en mensen opmerkten. Op een nacht dat ze, zij aan zij, sliepen op een dak, dat dicht begroeid was met rode bedwelmende papavers, werd de oudste van hen wakker en nauwelijks had hij een blik om zich heen geworpen, of hij wekte de beide anderen.

'Gezegend zij onze armoede, die ons noodzaakt in de open lucht te slapen,' sprak hij tot hen. 'Ontwaakt en heft uw ogen op naar de hemel.'" "Nu," zei De Droogte met een wat zachter stem, "dit was een nacht, die niemand, die hem gezien heeft, ooit kan vergeten. Het heelal was zo licht, dat de hemel, die meestal op een vast gewelf gelijkt, diep en doorschijnend en vol golven scheen als een zee. Het licht stroomde er heen en weer en men zag de sterren drijven op ongelijke diepten, sommige midden in de lichtgolven, andere op hun oppervlakte.

Maar zo ver mogelijk en zo hoog mogelijk zagen de drie mannen een zwakke duisternis en dat duistere vloog door de ruimte als een bal en kwam al dichter bij en naarmate de bal naderde, begon hij te lichten. Maar hij lichtte zoals rozen - God late ze alle verdorren wanneer ze pas uit de knop komen. Hij werd al groter en het donkere hulsel er om heen sprong langzamerhand en het licht barstte naar buiten in vier heldere bladeren aan de kanten. Eindelijk, toen hij zo ver naar beneden was gekomen als de dichtstbijzijnde ster, hield hij stil. Toen bogen de donkere stukken geheel opzij en er wikkelde zich het ene blad na het andere los van een prachtig stralend rozenkleurig licht, tot hij eindelijk geheel klaar was en straalde als de schoonste onder de sterren.

Toen de arme mannen dat zagen, zei hun wijsheid hun, dat op dit uur op aarde een machtige Koning geboren werd, een wiens macht die van Cyrus en Alexander te boven zou gaan. En ze zeiden tot elkaar: 'Laat ons naar de vader en de moeder van de Pasgeborene gaan en hun zeggen wat we zoeven gezien hebben. Misschien dat ze ons dan belonen met een zak munten of met een gouden armband.'

Ze namen hun lange wandelstaven op en begaven zich op weg. Ze gingen de stad door en de stadspoort uit. Maar daar waren ze een ogenblik in de war, want nu breidde zich voor hen uit de grote droge, lieflijke woestijn, die de mensen verafschuwen. Toen zagen ze, hoe de nieuwe ster een smalle streep licht over het woestijnzand wierp en zij gingen getroost voort met de ster als wegwijzer.

Zij gingen de hele nacht voort over de witte zandvlakte en onder de hele tocht spraken ze over de jonge pasgeboren Koning, die ze zouden vinden, slapend in een wieg en spelend met edelgesteenten. Zij verkortten de uren van de nacht door er over te spreken, hoe zij tot zijn vader, de koning, zouden gaan en tot zijn moeder, de koningin, en hun zeggen, dat de hemel hun zoon kracht en macht en schoonheid en geluk voorspelde, groter dan die van Salomo.

Ze verhieven er zich op, dat God hen geroepen had om de ster te zien. Zij zeiden, dat de ouders van de jonggeborene hen niet met minder dan twintig zakken goud konden belonen. Misschien zouden zij zelfs wel zoveel geven, dat zij de pijn van de armoede niet meer behoefden te dragen."

"Ik lag op de loer in de woestijn als een leeuw," zei De Droogte, "en wilde me op deze reizigers werpen met alle ellende van de dood, maar ze ontkwamen mij. De ster leidde hen de hele nacht en tegen de morgen, toen het licht werd en de andere sterren verbleekten, bleef deze hardnekkig staan en lichtte over de woestijn, tot ze hen geleid had naar een oase, waar zij een bron en vruchtdragende bomen vonden. Daar rustten zij de gehele dag en eerst tegen de nacht, toen ze het sterrenlicht over het woestijnzand zagen, gingen zij verder."

"Voor een mens," ging De Droogte voort, "was het een heerlijke wandeling. De ster leidde hen zo, dat ze honger noch dorst behoefden te lijden. Zij bracht hen voorbij de scherpe distels. Zij ontweken het diepe losse stuifzand, zij ontweken de scherpe zonneschijn en de hete woestijnstorm. De drie wijzen zeiden aanhoudend tegen elkaar: 'God beschermt ons en zegent onze gang; wij zijn Zijn gezanten.'" "Maar zo langzamerhand kreeg ik toch macht over hen," ging De Droogte voort. "Het hart van die sterrenreizigers veranderde in een woestijn, even droog als die waar ze doortrokken. Zij werden vol onvruchtbare trots en verwoestende gierigheid. 'Wij zijn Godsgezanten,' herhaalden de drie Wijzen. 'De vader van de pasgeboren Koning beloont ons niet te hoog, als hij ons een karavaan schenkt, beladen met goud.' Eindelijk leidde een ster hen over de beroemde Jordaan en de heuvels van Jeruzalem op. En op een nacht bleef die staan boven de stad Bethlehem, die tussen de groene olijven op een heuvel lag te schitteren.

De drie Wijzen zagen rond naar een paleis en vestingtorens en muren en al zulke dingen, die bij een koningsstad horen; maar zij zagen niets. En wat erger was, het sterrenlicht leidde hen niet eens de stad in, maar bleef staan bij een grot aan de kant van de weg. Daar gleed het zachte licht naar binnen door een opening en toonde de drie wandelaars een kindje, dat op moeders schoot rustig lag te slapen.

Maar hoewel nu de drie Wijzen zagen, dat het sterrenlicht het hoofdje van het kind omstraalde als een kroon, bleven zij buiten de grot staan. Zij gingen niet naar binnen om de kleine eer en een koninkrijk te voorspellen. Zij wendden zich af zonder hun tegenwoordigheid te verraden, en zij vluchtten van het kind weg en liepen terug naar de heuvel.

'Zijn wij uitgegaan naar bedelaars, die even arm zijn als wij?' zeiden ze. 'Heeft God ons hierheen geleid, opdat wij met Hem zouden spotten, en eer en aanzien voorspellen aan de zoon van een schaapherder? Dat kind brengt het nooit verder dan dat hij zijn kudde hoeden zal hier in het dal.'" De Droogte hield op en knikte bevestigend haar toehoorders toe. "Heb ik geen gelijk?" scheen zij te vragen. "Er is iets, dat droger is dan woestijnzand, maar niets is onvruchtbaarder dan het mensenhart."

"De drie Wijzen hadden niet lang gelopen, toen het hun voorkwam, dat zij verdwaald waren en de ster niet goed gevolgd hadden," ging De Droogte voort. "En zij zagen omhoog om de ster te vinden en de rechte weg. Maar toen was de ster, die zij heel uit het oosten gevolgd hadden, van de heuvel verdwenen." De drie vreemdelingen maakten een heftige beweging en op hun gezichten lag een uitdrukking van diepe smart.

"Wat nu gebeurde," ging de spreekster voort, "is van het standpunt van een mens uit gezien, misschien gelukkig. Dit is zeker, dat de drie mannen, toen zij de ster niet meer zagen, begrepen dat zij tegen God gezondigd hadden. En hun geschiedde," vertelde De Droogte bevend verder, "zoals het veld in de herfst, als de sterke regens beginnen. Zij beefden van schrik als voor donder en bliksem, hun ziel werd week en ootmoed ontsproot in hun hart als groen gras. Drie dagen en drie nachten dwaalden zij door het land om het kind te vinden, dat zij moesten aanbidden. Maar de ster vertoonde zich niet aan hen. Zij verdwaalden steeds verder en voelden de grootste smart en wanhoop. In de derde nacht kwamen zij aan deze bron om te drinken. En toen had God hun de zonde vergeven, zodat, toen ze zich over het water bogen, zij daar in de diepte het spiegelbeeld zagen van de ster, die hen uit het oosten hierheen geleid had.

En onmiddellijk zagen zij die ook aan de hemel en zij leidde hen opnieuw naar de grot in Bethlehem. En zij knielden voor het kind en zeiden: 'Wij brengen U gouden schalen met wierook en kostbare kruiden. U zult de grootste koning worden, die op aarde geleefd heeft, van haar schepping af tot haar ondergang toe.' Toen legde het kind zijn hand op hun gebogen hoofden, en toen zij opgestaan waren, had het hun geschenken gegeven groter dan een koning ze geven kon. Want de oude bedelaar was jong geworden, de melaatse was gezond. En men zegt, dat zij zo heerlijk waren om aan te zien, dat zij heentrokken en koning werden - ieder in zijn eigen land."

De Droogte hield op met vertellen en de drie vreemdelingen prezen haar: "U hebt goed verteld," zeiden zij. "Maar het verwondert mij," zei de ene, "dat de drie Wijzen niets voor de bron deden, die hun de ster toonde. Zouden ze zulk een weldaad geheel vergeten?" "Moet zulk een bron niet altijd blijven bestaan?" zei de tweede vreemdeling, "om de mensen te herinneren, dat het geluk, dat verloren wordt op de bergen van de hoogmoed, teruggevonden kan worden in het dal van de nederigheid?" "Zijn de overledenen dan erger dan de levenden?" zei de derde. "Sterft de dankbaarheid bij hen, die leven in het Paradijs?"

Maar toen zij dit zeiden, sprong De Droogte op met een kreet. Zij had de vreemdelingen herkend, ze begreep wie die reizigers waren. En zij vluchtte als een razende om niet behoeven te zien hoe de drie Wijzen hun dienaren riepen en hun kamelen naar de bron leidden, allen beladen met waterzakken, en de arme, stervende bron vulden met water, dat zij uit het Paradijs gehaald hadden.

(http://www.beleven.org)

De legende van de vierde koning

Volgens een oude Russische legende, was er naast Caspar, Melchior en Balthazar, nog een vierde koning uit het oosten op weg gegaan om de ster te volgen, die hem naar het goddelijk kind zou leiden. Zijn naam was Coredan. Hij had drie waardevolle edelstenen meegenomen. Onderweg kwam het rijdier van Coredan echter ten val en werd kreupel.
Hij kwam nog slechts traag vooruit en dus kon hij niet op tijd - tegelijk met de andere koningen - op de afgesproken plaats aan komen. Toch wilde Coredan verder, richting Bethlehem. Onderweg, zag hij aan de rand van de weg een kind. Het bleek vrij ernstig gewond, en het huilde bitter. Coredan tilde het kind op zijn paard en reed er mee naar een dorp. Daar vond hij een vrouw die het kind wilde verzorgen. Hij nam een van de edelstenen uit zijn reistas, gaf het aan de vrouw en zei: "Zorg goed voor het kind." Daarop reed hij verder door dorpen en steden, langs sloten en rivieren. Op een dag kwam hij een lijkstoet tegen. Achter de baar liep een vertwijfelde vrouw met haar kinderen. Coredan zag hun groot verdriet. Het was hun man en vader die naar het graf werd gedragen. Het gezin had vele schulden en na de begrafenis zouden de vrouw en de kinderen als slaven verkocht worden. Coredan nam de tweede edelsteen, die eigenlijk voor de pasgeboren koning bedoeld was, en gaf het aan de vrouw. Coredan reed verder. Hij kwam in een vreemd land, waar oorlog werd gevoerd. In dat dorp hadden de soldaten de boeren bijeen gedreven met de bedoeling hen te vermoorden. Vrouwen en kinderen huilden en jammerden. Coredan had nog slechts één edelsteen om weg te geven. Met bevende handen nam hij zijn laatste steen, kocht daarmee de mannen vrij van de dood en bespaarde het dorp hiermee van de verwoesting.
Coredan had niets meer. Jarenlang zwierf hij rond. Hij raakte alles kwijt, zodat hij zelfs moest gaan bedelen. Niettemin bleef hij zwakkeren helpen en zieken verzorgen. Op een dag kwam hij in een havenstad en zag daar hoe een man weggevoerd werd uit zijn gezin om als strafgevangene op een galeischip te gaan werken. Coredan smeekte de man vrij te laten en bood zelfs aan zijn plaats in te nemen, wat prompt aanvaard werd. Maar hij was in de loop van de jaren oud geworden en het slavenwerk viel hem steeds zwaarder. Hij had zelfs alle hoop al opgegeven, toen er op een dag iets gebeurde, wat hij niet meer had durven dromen, werd hij vrijgelaten. De nacht daarop droomde hij van de tocht die hij als jonge man had ondernomen toen hij op zoek ging naar de koning der mensen. Toen hoorde hij een stem die tegen hem zei: "Sta op en vertrek!" Hij opende de ogen en zag aan de hemel weer zijn ster, schitterender dan ooit. Meteen ging hij op stap en volgde haar. De ster voerde hem tot bij de poort van een grote stad. Daar op een heuvel stonden drie kruisen opgericht. Boven het middelste kruis bleef zijn ster staan. Direct daarop flitste er een bliksemstraal uit de hemel die de oude man ten gronde wierp. Hij sloot de ogen en voelde zijn levenskrachten langzaam wegtrekken. De man aan het kruis keek hem aan met een blik waaruit goedheid en liefde spraken: En hij zei: "Coredan, jij hebt mij getroost toen ik bedroefd was, en gered toen ik in levensgevaar verkeerde; jij hebt mij gekleed toen ik naakt was". Toen slaakte hij een luide kreet en gaf de geest. Een diepe innerlijke rust daalde over Coredan. Hij wist het nu zeker: "Dit is de koning van de wereld, de man die ik al die jaren heb gezocht".

Naar Al de dagen van ons leven

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

5. Lichtmis

Hoewel de titel van het feest Maria Lichtmis naar Maria verwijst, slaat Lichtmis vooral op Jezus. De Kerk gedenkt een nieuwe epifanie. Dit betekent dat Jezus voor de eerste maal onder het volk verschijnt. Voor het eerst komt Jezus in het huis van zijn Vader, namelijk de tempel van Jeruzalem. Vandaar dat dit feest ook de opdracht van de Heer in de tempel genoemd wordt. Vroeger was Maria Lichtmis een belangrijke feestdag, die in het teken stond van Maria. Vandaag de dag wordt dit feest veel minder gevierd. Wel zijn er nog heel wat mensen die pannenkoeken bakken op Lichtmis (deze gewoonte komt voort uit het feit dat vroeger nieuwe knechten zich met Lichtmis naar hun werk begaven en koeken te eten kregen die hen moesten behoeden voor heimwee en pessimisme). Ook de Katholieke Universiteit van Leuven, die onder bescherming staat van Onze-Lieve-Vrouw Sedes Sapientiae, viert op 2 februari nog het feest van haar patrones.

(Naar Bart Lauvrijs, Het feestenboek voor de jeugd)

De twaalfjarige Jezus in de tempel

[41] Zijn ouders gingen jaarlijks voor het pesachfeest naar Jeruzalem. [42] Toen hij twaalf jaar was, maakten ze weer hun gebruikelijke pelgrimstocht. [43] Na afloop van het feest vertrokken ze naar huis, maar Jezus bleef in Jeruzalem achter zonder dat zijn ouders het wisten. [44] In de veronderstelling dat hij zich bij het reisgezelschap bevond, reisden ze een hele dag voordat ze hem overal onder hun verwanten en bekenden begonnen te zoeken. [45] Toen ze hem niet vonden, keerden ze terug naar Jeruzalem om hem daar te zoeken. [46] Na drie dagen vonden ze hem in de tempel, waar hij tussen de leraren zat, terwijl hij naar hen luisterde en hun vragen stelde. [47] Allen die hem hoorden stonden versteld van zijn inzicht en zijn antwoorden. [48] Toen zijn ouders hem zagen, waren ze ontzet, en zijn moeder zei tegen hem: ‘Kind, wat heb je ons aangedaan? Je vader en ik hebben met angst in het hart naar je gezocht.’ [49] Maar hij zei tegen hen: ‘Waarom hebt u naar me gezocht? Wist u niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?’ [50] Maar ze begrepen niet wat hij tegen hen zei. [51] Hij reisde met hen terug naar Nazaret en was hun voortaan gehoorzaam. Zijn moeder sloot alles wat er met hem gebeurd was in haar hart. [52] Jezus groeide verder op en zijn wijsheid nam nog toe. Hij kwam steeds meer in de gunst bij God en de mensen.
(Lc 2,41-52)

Een kinderfeest en een Mariafeest

‘Pannenkoeken! Roept Pieter blij, terwijl hij de deur van de keuken opengooit. ‘Ik dacht al dat ik zoiets rook!’ Hij schuift zijn schooltas tegen de muur. ‘Het is toch geen zaterdag?’ Papa maakt een wijde zwaai met de pan. De koek slingert door de lucht, draait om en landt nog net in de pan. Alleen pap keert op die manier pannenkoeken om. Mama gebruikt gewoon een spatel. Pieter vindt papa’s jongleerpannekoeken veel spannender. ‘Vandaag is het Lichtmis’, zegt papa raadselachtig. ‘En het spreekwoord zegt: al is een vrouwtje nog zo arm, met Lichtmis maakt ze haar pannetje warm. Op Lichtmis moet je dus pannenkoeken eten!’
Sara rent de keuken in. ‘Pannenkoeken! Mmm!’ zegt ze. ‘Dekken jullie de tafel?’ zegt papa. Even later stopt Sara een dikke rol pannenkoek met bruine suiker in haar mond. Het smaakt verrukkelijk. ‘Is het maar één keer per jaar Lichtmis?’ vraagt Pieter. Papa lacht.; ‘Helaas wel. Het is eigenlijk het feest van de opdracht van Jezus in de tempel. Dat gebeurde bij de joden zes weken na de geboorte. Zo staat het in het evangelie van Lucas. Jozef en Maria gaan met Jezus naar de tempel en brengen een offer. Ze ontmoeten er Simeon en Anna, twee oude wijze mensen, die al voorzien hoe belangrijk Jezus zal worden. Zo vertelt Lucas het aan zijn lezers.’

‘Maar waarom heet het dan Lichtmis?’ wil Sara weten. ‘Heel vroeger al werden er op die dag optochten gehouden met fakkels en kaarsen’, vertelt papa. ‘De christenen namen dat over door op Lichtmis alle kaarsen te wijden die dat jaar in huis of in de kerk gebruikt zouden worden. Zo’n kaars staken mensen dan aan als het onweerde bijvoorbeeld, om zo Gods bescherming te vragen.’
‘Daarstraks vertelde je over de opdracht van Jezus in de tempel’, zegt Pieter. ‘Dat doen ze toch nu niet meer, kinderen opdragen in de kerk?’ ‘Toch is er in veel parochies nog een soort kinderzegening’, zegt papa. ‘Lichtmis is een kinderfeest en een Mariafeest. De eerste babytijd is voorbij en dankzij de goede zorgen van moeder en vader groeien de kinderen op tot echte kinderen van God.’ (…)
‘Maar nu weet ik nog altijd niet waarom we vandaag pannenkoeken eten’, vraagt Pieter zich af. ‘Ik weet het ook niet, Pieter’, geeft papa toe. ‘Het is een oude gewoonte. Dat heb je wel gemerkt aan het spreekwoord over die vrouw en haar pannetje. En spreekwoorden moet je altijd respecteren.’ Pieter lacht. ‘Ik ken nog een spreekwoord’, zegt hij. ‘Lest best.’ En hij pikt de laatste pannenkoek van de schaal.

(Uit Kolet Janssen, Een jaar vol kleur)

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

6. Veertigdagentijd (met Aswoensdag)

Onze veertigdagentijd verwijst naar de veertig dagen die Jezus in stilte en eenzaamheid doorbracht en waarbij hij zich in gebed en door het vasten op God richtte. Afhankelijk van wanneer Pasen valt, begint de vastentijd in februari of maart. Christenen vasten om zich beter op het hoogfeest van Pasen voor te bereiden. Hoe moet je dan vasten? Door je bepaalde dingen te ontzeggen. Bijvoorbeeld niet te snoepen, anders te eten, niet te roken,… Of door dingen te laten die je graag doet en in de plaats daarvan dingen te doen die je minder liggen. Bijvoorbeeld je ouders helpen bij de vaat, grootmoeder een bezoekje brengen, iets geven aan armen. Kortom, vasten is sober, behulpzaam, vriendelijk,.. zijn. Vasten noemt men ook wel versterven. Dit betekent tijdelijk al een beetje sterven om te beseffen hoe goed wij het wel hebben enerzijds en anderzijds om ons voor te bereiden op ons definitieve sterven.
Aswoensdag is het begin van de veertigdagentijd. Reeds in de Oudheid was Aswoensdag een belangrijke vastendag. Men trok een boetekleed aan en werd met as bestrooid. Het nu nog bekende askruisje herinnert de mens eraan dat hij ooit zal sterven. Daarom zegt de priester bij het zetten van het askruisje vandaag nog steeds: Mens, gedenk dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren. De as die men ervoor gebruikt is sinds de twaalfde eeuw afkomstig van de palmtakken van Palmzondag van het vorige jaar, die verbrand worden.

(Naar Bart Lauvrijs, Het feestenboek voor de jeugd)

Jezus in de woestijn

[1] Daarna werd Jezus door de Geest meegevoerd naar de woestijn om door de duivel op de proef gesteld te worden. [2] Nadat hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, had hij grote honger. [3] Nu kwam de beproever naar hem toe en zei: ‘Als u de Zoon van God bent, beveel dan die stenen in broden te veranderen.’ [4] Maar Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Er staat geschreven: "De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God."’ [5] Vervolgens nam de duivel hem mee naar de heilige stad en zette hem op het hoogste punt van de tempel. [6] Hij zei tegen hem: ‘Als u de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: "Zijn engelen zal hij opdracht geven om u op hun handen te dragen, zodat u uw voet niet zult stoten aan een steen."’ [7] Jezus antwoordde: ‘Er staat ook geschreven: "Stel de Heer, uw God, niet op de proef."’ [8] De duivel nam hem opnieuw mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij toonde hem alle koninkrijken van de wereld in al hun pracht [9] en zei: ‘Dit alles zal ik u geven als u voor mij neervalt en mij aanbidt.’ [10] Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Ga weg, Satan! Want er staat geschreven: "Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen hem."’ [11] Daarna liet de duivel hem met rust, en meteen kwamen er engelen om voor hem te zorgen.

Veertig dagen klauteren

Een zachte, aardige man, hij is bezeten door de microbe van de macrofotografie, een eenzame hobby. Ik mocht er even bij zij. Zijn toestel stond scherpgesteld op het topje van een grassprietje, of liever op de plaats waar het grassprietje zich zou bevinden als het lieveheersbeestje omhoog zou zijn geklauterd. Met een oneindig geduld zag hij het insect aanstalten maken. Hij wilde het moment vastleggen waarop het de top zou bereiken, zijn vleugels uitslaan en een mini, miniatuur van levensvervulling tentoon zou spreiden. Als hij eindelijk mag afdrukken, is het alsof hij het leven zelf fotografeert, dat broos en vergankelijk fenomeen. Net zoals een vorser die in zijn microscoop een celdeling volgt, of zoals een astronoom de wording van een ster bespeurt, of zoals een zwangere vrouw haar kindje voelt bewegen: momentopnamen van het leven zelf.

Zo is ook onze veertigdagentijd een geduldig omhoog klauteren langs het banale grassprietje van ons dagelijks bestaan naar een miniatuur van levensvervulling. Wij werken aan gerechtigheid, we trekken ons op aan gezamenlijke acties van Broederlijk Delen, wij snoeien in de uitwassen van ons consumptiepatroon. Veertig dagen klauteren wij op de grashalm van onze omgang, van onze job, van ons koopgedrag, van ons liefhebben, van ons gelovig zijn. Eigenlijk klauteren wij naar een stukje levensvervulling. Na die veertig dagen zal de wereld wel niet veranderd zijn. Maar misschien zullen wij veranderd zijn, zullen wij even onze vleugels uitslaan op het uiterste topje van onze kleine grashalm en de nieuwe lente voelen. Het lieveheersbeestje had geen weet van menselijke aandacht, nog minder van de foto en of er een prijs mee gewonnen werd. Zijn wij ons bewust van die andere werkelijkheid, van die wondere kracht die ons beweegt? Durven wij nog glimlachen naar God: als een miniatuur van levensvervulling? Pasen is één ogenblik voor Hem onze vleugels uitslaan en ‘alleluia’ zingen.

(uit Manu Verhulst, Op de golfslag van de Geest)

Broederlijk Delen

De veertigdagentijd is typisch de periode waarin de campagne van Broederlijk Delen plaatsvindt. Vanuit een christelijke inspiratie zet Broederlijk Delen zich in voor het Zuiden. Broederlijk Delen heeft een typische manier van werken. Men ondersteunt groepen mensen in het Zuiden die zelf werken aan hun toekomst. Zij voeren hun eigen plannen uit in de strijd tegen armoede en onrecht. De organisaties die Broederlijk Delen steunt, noemt men ‘partnerorganisaties’, want men werkt op basis van gelijkwaardigheid. Broederlijk Delen heeft 250 partnerorganisaties in twintig verschillende landen. Ze zijn allemaal ontstaan vanuit de inspiratie, visie, deskundigheid en mogelijkheden ter plaatse. Inhoudelijk hebben hun projecten vooral te maken met duurzame plattelandsontwikkeling en met mensenrechten, democratisering en participatief burgerschap.
In 2011 is Broederlijk Delen 50 jaar. Een hongersnood in Congo was 50 jaar geleden het startsein van de allereerste campagne van Broederlijk Delen. Net als elke 50-jarige heeft Broederlijk Delen over deze verjaardag gemengde gevoelens: er is de zin om te vieren, maar er zijn ook de vragen over wat men hoopt te bereiken. Daarom lanceert Broederlijk Delen voor dit bijzonder jaar een bijzondere campagne: "Maak ons overbodig! Steun de plannen van het Zuiden."

www.broederlijkdelen.be

Vasten
Een blikken trommeltje

Wij kregen thuis maar weinig snoep. Hoogstens één keer per dag, ’s middags na het warm eten. Maar alleen zij, die hun bord hadden leeggegeten, mochten uit een mooi blikken trommeltje een snoep pakken. Die beloning kreeg ik zelden of nooit, omdat ik mijn bord meestal niet leeg at. Er was heel wat eten waar ik een gruwelijke hekel aan had: bijvoorbeeld witloof, stokvis, boerenkool, sla, andijvie, tomaten, braadworst en gehakt. Dat kon ik gewoon niet eten. Vaak werd ik van tafel gestuurd. En als moeder met het trommeltje rondging, dan sloeg ze mij over, zo eenvoudig was dat. Tandenknarsend van woede schopte ik soms een broertje of zusje dat toevallig in mijn buurt op een zuurtje stond te zuigen, tegen het scheenbeen.

’s Zondags kregen wij ‘het extra’. Meestal was dat de speciale aanbieding uit de winkel van De Gruijter. Het Snoepje Van De Week. Er zaten een paar toffees in de krakende papieren zakjes uit die winkel of een reep chocolade. Dit snoepje van de week kreeg ieder kind, ook als het zijn bord niet had leeggegeten. Ik was dol op zoetigheid. Af en toe sloop ik naar de keuken en wachtte tot ik helemaal alleen was. Ik maakte voorzichtig de deur van de grote provisiekast open, kroop er stiekem in, haalde een plak roggebrood uit de broodtrommel, smeerde er een flinke laag margarine uit het Keulse botervaatje op en doopte het geheel in het suikerblik. Terwijl ik nog in de kast stond, schrokte ik mijn brood haastig naar binnen en lette schichtig op ieder verdacht geluidje. Ik probeerde niet te kruimelen, want dat zou me kunnen verraden. Deze boterhammen waren de lekkerste van mijn hele leven!
Eens per jaar moest ik het zonder snoep en zoetigheid doen, en dat was ontzettend voor me: de veertigdaagse vasten van Aswoensdag tot Paaszaterdag. Hoe ik destijds door deze zes weken ben heen gekomen weet ik nog steeds niet. Op Aswoensdag gingen we ’s morgens om half acht naar de kerk en kregen na de mis een dik, zwart kruis van as op ons voorhoofd getekend. Dat mocht je er niet afwrijven, want de as was gewijd en een heilig teken voor de boete die je zes weken ging doen voor al je zonden. De grote mensen rookten niet, dronken geen alcohol en wij kinderen snoepten niet, tenminste, we probeerden het, ook niet op zondag… Op Aswoensdag kregen we allemaal een blikken trommeltje en in dat trommeltje spaarde je alle snoepjes en koekjes van de hele vasten. Moeder ging na het middageten net als altijd met haar grote blikken trommel rond. Dat was voor ons het grootste offer en de zwaarste boete van de hele vasten: je stond gewoon te watertanden, alleen al van de verrukkelijke snoepgeur. Er stiekem een stukje afbijten of eventjes likken, dan was je boete niet meer geldig, we durfden het niet.
Zeker niet, als er iemand bij was… Gauw het snoepje uit moeders trommel nemen, in het eigen vastentrommeltje stoppen, vlug-vlug de deksel erop! De verleiding was zo ontzettend groot. Ik rook aan de kiertjes van mijn blik en werd bijna duizelig van verlangen. Hoe hield ik dit vol? Voor mij duurde de vasten niet veertig dagen maar wel veertig jaar.
‘En? Vroegen mijn broers en zussen, als ze mij met mijn vastentrommeltje zagen. ‘Heb jij vandaag toevallig ook eens wat gekregen?’ En ze maakten treiterend het deksel van hun trommeltje open om mij te demonstreren, wat zij intussen hadden vergaard. ‘Je wilt toch niet beweren, dat je vandaag toevallig je bord hebt leeggegeten?’ Op zulke momenten had ik hen liefst de nek omgedraaid. Zij hadden geen enkel probleem met eten. Maar ik zou ze nog wel eens iets laten zien, wacht maar af! Op paaszaterdag, als alle grote en kleine klokken van alle kerktorens om twaalf uur zouden luiden, dan was ik aan de beurt. Dan was het grote moment voor mij aangebroken. Dan zou ik hun eventjes onder hun neus wrijven, wat ik in al die tijd had gespaard. Daar zouden ze nog van opkijken! Tergend langzaam en genietend zou ik de hele vastentrommel leegsnoepen en niets helemaal niets met iemand delen of ook maar ruilen, ik keek wel uit! Misschien zaten zij zelfs wel tussendoor aan hun vastentrommeltje en hadden ten slotte minder dan ik, wie weet…
Als ik in die weken bij de buren een karweitje ging opknappen vroeg ik als beloning geen geld maar snoepgoed. Soms lukt het me zelfs aan een tweede vastentrommeltje te beginnen. Ik was zuinig en voorzichtig met mijn kostbare schatten. Op zolder zocht ik een geheim plekje, waar ik alles kon verstoppen voor nieuwsgierige familieleden. Gemakkelijk was het niet, want ik was niet de enige die iets wilde verstoppen. Bovendien was je in ons huis zelden of nooit alleen. Zelfs in de verste uithoek kon het je overkomen dat er plotseling iemand te voorschijn kwam.
Af en toe sloop ik naar de zolder, maakte mijn vastentrommeltjes open, legde alle snoepjes en koekjes naast elkaar op de grond en telde ze, schreef precies op een briefje hoeveel ik van wat had. Had er iemand aan geknabbeld, gelikt of er zelfs iets van opgegeten, dan werd ik zo razend, dat ik al mijn broers en zussen met afpersingen dreigde, als ze me niet onmiddellijk zeiden wie het had gedaan. Dan onderhandelden we er lang over en meestal liet ik me de schade vorstelijk vergoeden.
Eindelijk was het dan paaszaterdag, mijn grote dag, waarop ik eindeloos in snoepjes kon zwemmen. Precies om twaalf uur begonnen alle klokken oorverdovend te luiden, terwijl wij met onze vastentrommeltjes op de trap van het terras gingen zitten. Gezamenlijk maakten we langzaam onze blikken trommeltjes open en we vergeleken met elkaar de inhoud en de hoeveelheid. Meestal was ik het, die triomfantelijk de grootste buit kon laten zien. Ik genoot ervan hen te plagen door opzettelijk traag en stuk voor stuk alles in mijn mond te stoppen, ofschoon ik wist dat ik later doodziek zou worden van al dat zoete spul. Het kon me niets schelen, dit offer bracht ik graag, en hoe! Als ik naar hun jaloerse en vraatzuchtige gezichten keek zonder hun één kruimeltje te geven, had ik de vastentijd meteen vergeten. Het paasfeest kon beginnen.

(Uit J. Van Hest & S. Van der Valk, FeestVerhalen)

Hongerdoeken

De oorsprong van hongerdoeken ligt in de 11de eeuw. Bij het begin van de vastentijd werd de ruimte waarin het altaar stat door een voorhangsel van het schip van de kerk afgeschermd. Men sprak over een ‘vasten voor de ogen’. Op woensdag van de Goede Week verwijderde men het vasten- of hongerdoek naar aanleiding van de lezing van Mt 27,51: Toen Jezus de geest gaf ‘scheurde het voorhangstel in de tempel van boven tot beneden in tweeën’. Later werden de hongerdoeken kleiner en met afbeeldingen uit het lijdensverhaal beschilderd. Vandaag de dag gaan kunstenaars hongerdoeken schilderen vanuit het opkomen voor onrecht; schilders van hongerdoeken verbinden telkens de oproep tot bezinning en inkeer in de vastenperiode met de verschillende vormen van lijden en onrecht maar tevens met de toekomstdromen en het opstandingsgeloof van verdrukte volkeren, vooral in derdewereldlanden.

(Naar Al de dagen van ons leven)

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

7. Palmzondag

Palmzondag is het begin van de Goede Week. Op Palmzondag trok Jezus vóór zijn lijden en sterven feestelijk Jeruzalem binnen. Nu nog bestaan er heel wat palmprocessies. Als rijdier gebruikte Jezus een ezel. Vandaar dat men nog steeds spreekt over een palmezel. Jezus werd daarbij dor de menigte met palmtakken toegejuicht. Daarom wijdt men op deze dag nog altijd palmtakken. Palmtakjes wordt een magische kracht toegeschreven. Ze gelden als een beschermmiddel voor het huis en zijn bewoners. Boeren steken ze in de vorm van een kruis in hun akkers. Gewijde palmtakjes mogen niet zomaar weggegooid worden. Ze moeten worden verbrand.

(Naar Bart Lauvrijs, Het feestenboek voor de jeugd)

Intocht in Jeruzalem

[1] Toen ze Jeruzalem naderden en in de buurt waren van Betfage en Betanië bij de Olijfberg, stuurde hij twee van zijn leerlingen vooruit. [2] Hij zei tegen hen: ‘Ga naar het dorp dat daar ligt. Zodra jullie er binnenkomen, zul je daar een ezelsveulen vastgebonden zien staan, dat nog nooit door iemand bereden is; maak het los en breng het hier. [3] En als iemand jullie vraagt waarom jullie dat doen, zeg dan: "De Heer heeft het nodig, hij zal het meteen weer terugsturen."’ [4] Ze gingen op weg en vonden een veulen dat buiten op straat bij een deur was vastgebonden en ze maakten het los. [5] Er stonden een paar mensen die vroegen: ‘Waarom maken jullie dat veulen los?’ [6] Ze zeiden wat Jezus hun had opgedragen te zeggen en de mensen lieten hen begaan. [7] Ze brachten het veulen naar Jezus en legden hun mantels op het dier en hij ging erop zitten. [8] Velen spreidden hun mantels uit op de weg, anderen spreidden takken met bladeren uit, die ze in het veld afhakten. [9] Allen die voor hem uit liepen of achter hem aan kwamen, riepen luidkeels: ‘Hosanna! Gezegend hij die komt in de naam van de Heer. [10] Gezegend het komende koninkrijk van onze vader David. Hosanna in de hemel!’ [11] Hij trok Jeruzalem in en ging naar de tempel. Nadat hij alles in ogenschouw had genomen, ging hij – want het was al laat geworden – met de twaalf terug naar Betanië.
(Mc 11,1-11)

De intocht van de supersterren

Dit kunstwerk doet onvermijdelijk denken aan de intrede van Jezus in Jeruzalem. De man op het kunstwerk is het prototype van een hedendaags idool: een zelfbewuste, populaire jongen met gemillimeterd haar, openhangend hemd, een tatoeage op de buik, en een vrouw aan zijn zijde. Als dusdanig heeft hij wat weg van de overvloedig getatoeëerde Britse voetballer en volksheld David Beckham, met diva en echtgenote Victoria Beckham aan zijn zijde. Het aureool rond het hoofd wijst op de goddelijke status die supersterren toebedeeld krijgen. Op de achtergrond zien we een Palestijns dorpje, met bevolking en met Romeinse soldaten. De klederdracht en tatoeages staan in contrast met deze setting. We zien echter ook reeds Golgotha op de achtergrond, compleet met kruisen en al. Het is dan ook duidelijk dat de triomf niet zal blijven duren, we krijgen reeds een verwijzing naar het lijden. In het geval van Jezus betekent dit de kruisdood, in het geval van supersterren verwijst dit naar de welhaast onvermijdelijke val, naar het einde van hun quasi goddelijke status, naar hun spreekwoordelijke onttroning.

(Naar Caleidoscoop 5: handleiding)

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

8. Witte Donderdag

De term Witte Donderdag is afgeleid van de witte kazuifel die de priester op deze dag draagt en van het witte doek waarmee het kruisbeeld bedekt wordt. Wit geldt als het symbool van het goede: kinderen dragen witte kleren bij hun doopsel, de witte bruidsjurk,…
Witte Donderdag is de dag van het Laatste Avondmaal dat Jezus met zijn leerlingen hield. Hij at met zijn twaalf apostelen en voorspelde zowel het verraad van Judas als de verloochening door Petrus. Uit dit Laatste Avondmaal ontstond onze eucharistieviering. Op Witte Donderdag wijdt men in kerken de oliën en vinden her en der voetwassingen plaats. Dit wordt gedaan in navolging van Jezus, die de voeten van de leerlingen waste. Hiermee toonde Jezus dat hij gekomen was om te dienen, niet om gediend te worden.

(Naar Bart Lauvrijs, Het feestenboek voor de jeugd)

Het laatste avondmaal

[17] Toen de avond was gevallen, kwam hij met de twaalf. [18] Terwijl ze aanlagen voor de maaltijd, zei Jezus: ‘Ik verzeker jullie: een van jullie, die met mij eet, zal mij uitleveren.’ [19] Ze werden bedroefd en vroegen een voor een aan hem: ‘Ik ben het toch niet?’ [20] Maar hij zei tegen hen: ‘Het is een van jullie twaalf, die met mij uit dezelfde kom eet. [21] Want de Mensenzoon zal heengaan zoals over hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon uitgeleverd wordt: het zou beter voor hem zijn als hij nooit geboren was.’
[22] Terwijl ze aten, nam hij een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Neem hiervan, dit is mijn lichaam.’ [23] En hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker, en allen dronken eruit. [24] Hij zei tegen hen: ‘Dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen vergoten wordt. [25] Ik verzeker jullie: ik zal niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken tot de dag komt dat ik er opnieuw van zal drinken in het koninkrijk van God.’ [26] Nadat ze de lofzang hadden gezongen, vertrokken ze naar de Olijfberg.
(Mc 14,17-26)

Hedendaagse uitbeeldingen van het laatste avondmaal

Het schokkende verhaal van de voetwassing

Samen met zijn leerlingen ligt Jezus aan tafel, kort voor het feest van Pasen.
"Leerlingen", schrijft Johannes. Er zijn er dus meer dan de 12 apostelen.
Er kunnen ook vrouwen aan gelegen hebben.
Tijdens de maaltijd staat Jezus op en hij legt zijn bovenkleed af.
Al voetenwassend gaat hij de rij langs, zwijgend en geruisloos.
De leerlingen zijn met stomheid geslagen.
Jezus, hun meester en heer, neemt een dienstwerk op zich,
dat nooit aan een jood zou worden opgedragen.
Jezus wast de voeten van zijn leerlingen.
Jezus vereenzelvigt zich met de allerminsten,
is minder dan een slaaf, bijna een voetveeg.
Dan wordt de stilte doorbroken.
Petrus trekt zijn voeten terug.
Hij wil niet door deze Jezus gediend zijn.
Hij ergert zich aan deze solidariteit met de minstens.
Hij kan het op dit moment niet aan,
dat er in de visie en de praktijk van Jezus geen meesters en leerlingen zijn,
geen heren en knechten, maar alleen broeders en zusters.
Een verbijsterend stuk evangelie
het evangelie van de voetwassing.
Het verhaal zelf is uiterst schokkend:
Jezus die rondkruipt over de grond
om zijn vrienden de voeten te wassen.
Het verhaal van de voetwassing voelt wat ongemakkelijk en bedreigend aan.
Jezus laat, met deze - symbolische - daad, aan zijn leerlingen en aan ons zien,
dat de dienst aan elkaar en de onderlinge solidariteit de kern is van het geloven.
Het gaat er om dat de mensenzoon is gekomen om te dienen,
en dienen wil zeggen: de minste willen zijn,
Jezus’ daad is een omkering van alles was vanzelfsprekend is.
Ik gaf jullie een voorbeeld, zegt Jezus.
Wil je het Koninkrijk van God waarmaken, dan zul je zó moeten handelen.
Het is niet zomaar een mens die voeten wast,
hij is het spiegelbeeld van God.
Wanneer wij mensen zo met elkaar omgaan,
ons in onze vermeende grootheid zó klein durven te maken voor de ander,
ons dienstbaar en nederig opstellen, dan stellen wij God present.

(pastoor H.J. van Ogtrop)

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

9. Goede Vrijdag

Goede Vrijdag is de dag van Jezus’ kruisiging en dood. Jezus wordt gevangen genomen, overgeleverd aan de Romeinse landvoogd Pontius Pilatus, bespot en ter dood veroordeeld. Daarom vindt bij katholieken om 15 uur in heel wat kerken een kruisweg plaats. Hoewel het officieel niet echt meer hoeft, is Goede Vrijdag (samen met Aswoensdag) de belangrijkste vastendag. Men mag dan geen vlees eten, want dit verwijst naar het lichaam en het bloed van de gekruisigde Jezus. Vandaar dat veel mensen vis eten. Vis eten is tevens een teken van nederigheid. Armen konden in het verleden geen vlees betalen. De Kerk was solidair met deze armen en gebood de rijken om eveneens geen vlees te eten.

(Naar Bart Lauvrijs, Het feestenboek voor de jeugd)

Kruisiging

[33] Aangekomen bij de plek die de Schedelplaats heet, werd hij gekruisigd, samen met de twee misdadigers, de een rechts van hem, de ander links. [34] Jezus zei: ‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.’ De soldaten verdeelden zijn kleren onder elkaar door erom te dobbelen. [35] Het volk stond toe te kijken. De leiders hoonden hem en zeiden: ‘Anderen heeft hij gered; laat hij nu zichzelf redden als hij de messias van God is, zijn uitverkorene!’ [36] Ook de soldaten dreven de spot met hem, ze gingen voor hem staan en boden hem zure wijn aan, [37] terwijl ze zeiden: ‘Als je de koning van de Joden bent, red jezelf dan!’ [38] Boven hem was een opschrift aangebracht: ‘Dit is de koning van de Joden’. [39] Een van de gekruisigde misdadigers zei spottend tegen hem: ‘Jij bent toch de messias? Red jezelf dan en ons erbij!’ [40] Maar de ander wees hem terecht met de woorden: ‘Heb jij dan zelfs geen ontzag voor God nu je dezelfde straf ondergaat? [41] Wij hebben onze straf verdiend en worden beloond naar onze daden. Maar die man heeft niets onwettigs gedaan.’ [42] En hij zei: ‘Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt.’ [43] Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.’
[44] Rond het middaguur werd het donker in het hele land omdat de zon verduisterde. De duisternis hield drie uur aan. Toen scheurde het voorhangsel van de tempel doormidden. [46] En Jezus riep met luide stem: ‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest.’ Toen hij dat gezegd had, blies hij de laatste adem uit. [47] De centurio zag wat er gebeurd was en loofde God met de woorden: ‘Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige!’ [48] De mensen die voor het schouwspel samengekomen waren en de gebeurtenissen hadden gadegeslagen, keerden terug naar huis, terwijl ze zich op de borst sloegen. [49] Alle mensen die Jezus gekend hadden waren op een afstand blijven staan, ook de vrouwen die hem vanuit Galilea gevolgd waren en alles hadden zien gebeuren.
(Lc 23,26-49)

Een kruisweg

In 1979 schilderde Armand Demeulemeester (Ronse, 1926-2002) in opdracht van de broeders van de Sint-Sixtusabdij in Westvleteren de ‘Kruisweg van de stilte’. In twaalf expressionistische doeken gaf de kunstenaar zijn eigenzinnige visie op het lijdensverhaal. Iedere statie, olieverf op doek, meet 1,50 x 1,50m. Het laatste avondmaal, driedelig 4,50 x 1,50m. De figuren zijn levensgroot.
De opdracht luidde: een middel ter meditatie. Door het ophangen van de doeken op 50cm van de grond stappen de monniken, bij het mediteren van het lijdensverhaal, als het ware in de trieste stoet mee in de slotgangen van de abdij.

Eerste statie: het Laatste Avondmaal

Tweede statie: doodsangst

Derde statie: Judaskus

Vierde statie: verloochening van Petrus

Vijfde statie: geseling

Zesde statie: veroordeling door Pilatus

Zevende statie: kruisopneming

Achtste statie: Simon van Cyrene

Negende statie: wenende vrouwen

Tiende statie: Maria en Johannes

Elfde statie: kruisdood

Twaalfde statie: verschijning aan Maria Magdalena

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

10. Stille Zaterdag

Stille Zaterdag is, zoals de naam zegt, een dag van stilte, in eerbied voor de grafrust van Jezus. Jezus ging binnen in de dood, daalde af in het dodenrijk. Hij is de menselijke dood gestorven, maar in die nacht heeft hij zijn blik op zijn Vader gehouden, zonder te twijfelen. Vandaar dat Stille Zaterdag ook een dag van hoopvol vertrouwen is. Op Stille Zaterdag is er geen eucharistieviering in de morgen. Er is geen versiering in de Kerk. Er is enkel de plechtige wake met de eucharistieviering van de Paasnacht.

(Naar Bart Lauvrijs, Een jaar vol feesten)

Het graf

[57] Toen de avond gevallen was, arriveerde er een rijke man die uit Arimatea afkomstig was. Hij heette Josef en was ook een leerling van Jezus geworden. [58] Hij meldde zich bij Pilatus en vroeg hem om het lichaam van Jezus. Hierop gaf Pilatus bevel het aan hem af te staan. [59] Josef nam het lichaam mee, wikkelde het in zuiver linnen [60] en legde het in het nieuwe rotsgraf dat hij voor zichzelf had laten uithouwen. Toen rolde hij een grote steen voor de ingang van het graf en vertrok. [61] Maria uit Magdala en de andere Maria bleven achter, ze waren tegenover het graf gaan zitten.
[62] De volgende dag, dus na de voorbereidingsdag, gingen de hogepriesters en de Farizeeën samen naar Pilatus. [63] Ze zeiden tegen hem: ‘Heer, het schoot ons te binnen dat die bedrieger, toen hij nog leefde, gezegd heeft: "Na drie dagen zal ik uit de dood opstaan." [64] Geeft u alstublieft bevel om het graf tot de derde dag te bewaken, anders komen zijn leerlingen hem heimelijk weghalen en zullen ze tegen het volk zeggen: "Hij is opgestaan uit de dood," en die laatste leugen zal nog erger zijn dan de eerste.’ [65] Pilatus antwoordde: ‘U kunt bewaking krijgen. Ga nu en regel het zo goed als u kunt.’ [66] Ze gingen erheen en beveiligden het graf door het te verzegelen en er bewakers voor te zetten.
(Mt 27,57-66)

Stil

Stil,
heel stil wordt het
als alle leven is verdwenen.
Stil,
heel stil wordt het
als iedereen je heeft verlaten

Stil ,
heel stil wordt het
als je heel alleen voor God
komt te staan
Stil,
heel stil wordt het dan
maar dicht bij God voel je:
het leven is niet gedaan

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

11. Pasen

Jezus’ verrijzenis uit het graf is het oudste en belangrijkste christelijke feest. Verrijzenis betekent dat Jezus opstond uit zijn graf. Na zijn kruisdood werd hij opnieuw levend. Met Pasen vieren de christenen dat zij tezamen met Jezus verrijzen. Vóór het christendom vierden de mensen rond deze tijd het feest van het licht en de geboorte van nieuw leven. Zo kenden de Romeinen lentefeesten en vierden de Germanen de lente ter ere van hun godin Ostara. Vrijwel overal trok men feestelijk rond de akkers. Aan de basis van het christelijke paasfeest ligt zeker ook het joodse Pesach. Daarmee wordt de exodus van het joodse volk uit Egypte herdacht, waar zij leefden als slaven. God bevrijdde hen en Mozes leidde hen naar het Beloofde Land. Pesach is het belangrijkste joodse feest.
De term Pasen komt ondermeer van het Arabische Passah. Dat betekent springen en huppelen. Dit verwijst naar de blijdschap voor de terugkeer van het licht. De zon heeft de winter overwonnen. Maar er dient ook een verband gelegd te worden met het Hebreeuwse Pesach, wat overslaan betekent. God sloeg de deuren van de joden tijdens hun slavernij in Egypte over. Hij had de joden opgedragen een lam te slachten en het bloed uit te smeren aan hun deurposten. Zo wist God waar een joods gezin woonde. Bij de Egyptenaren doodde hij echter telkens de oudste zoon. In het Engels spreekt men niet van Pasen, maar van Easter en in het Duits van Ostern. Beide namen verwijzen naar het lichtfeest ter ere van Ostara, de Germaanse godin van de lente.
Wat heeft een paasei nu met Pasen te maken? Pasen was oorspronkelijk een lentefeest, waarin nieuwe levenskracht centraal stond, en het ei is vanaf de prehistorie het symbool van die levenskracht. In alle culturen vindt men handelingen met eieren terug. De Egyptenaren gaven hun doen eieren mee op hun laatste reis. De Grieken legden eieren op de graven. Zelfs in het christendom speelde het ei een rol. Men geloofde dat het graf waaruit Jezus opnieuw opstond zich opende als een ei.

(Naar Bart Lauvrijs, Het feestenboek voor de jeugd)

Het lege graf

[1] Maar op de eerste dag van de week gingen ze bij het ochtendgloren naar het graf met de geurige olie die ze bereid hadden. [2] Bij het graf aangekomen, zagen ze echter dat de steen voor het graf was weggerold, [3] en toen ze naar binnen gingen, vonden ze het lichaam van de Heer Jezus niet. [4] Hierdoor raakten ze helemaal van streek. Plotseling stonden er twee mannen in stralende gewaden bij hen. [5] Ze werden door schrik bevangen en sloegen de handen voor hun ogen. De mannen zeiden tegen hen: ‘Waarom zoekt u de levende onder de doden? [6] Hij is niet hier, hij is uit de dood opgewekt. Herinner u wat hij u gezegd heeft toen hij nog in Galilea was: [7] de Mensenzoon moest worden uitgeleverd aan zondaars en moest gekruisigd worden en op de derde dag opstaan.’ [8] Toen herinnerden ze zich zijn woorden.
[9] Ze keerden terug van het graf en gingen aan de elf en aan alle anderen vertellen wat er was gebeurd. [10] De vrouwen die het graf bezochten, waren Maria uit Magdala, Johanna, Maria de moeder van Jakobus, en nog enkele andere vrouwen die hen vergezelden. Ze vertelden de apostelen wat er was gebeurd, [11] maar die vonden het maar kletspraat en geloofden hen niet. [12] Petrus echter stond op en rende naar het graf. Hij bukte zich om te kijken, maar zag alleen de linnen doeken liggen. Daarop ging hij terug, vol verwondering over wat er gebeurd was.
(Lc 24,1-12)

De overkant is niet zo ver weg

Het graf is leeg

Zij lopen ongedurig heen en weer, buiten adem en met drukdoende gebaren. Er moet iets ongewoons, iets ergs gebeurd zijn. Het graf is leeg! Zij staan daar nu met de overbodige balsem in hun handen en kijken onbegrijpend naar de doeken, de opgerolde zwachtels en de zweetdoek op de andere plaats. Alsof hier iemand alles nog netjes heeft in orde gebracht vooraleer weg te gaan.

Hij zag en geloofde

Die ene leerling gaat naar binnen: ‘hij zag en geloofde’ schrijft de evangelist. De opgerolde zwachtels vormen geen bewijs. Ze zijn slechts een wenk, een knipoog van de overkant waar onze taal en onze zekerheden niet meer gelden. Het is geen bewijs maar een souvenir om van te genieten, een relikwie om te koesteren. De leegte van het graf wordt nu minder leeg. ‘Hij zag en geloofde’. Hij zag de doeken en de zorg waarmee zij waren opgerold. Zo bescheiden en zo vol attentie. Dat is Jezus ten voeten uit!

Kijken naar sporen van verrijzenis

Vandaag is dat niet anders. Buiten adem lopen wij ongedurig heen en weer. We kunnen met de dood niet overweg en al wat wij doen om de doodsgedachte te balsemen schijnt zo overbodig en nutteloos. Wij moeten leren kijken naar sporen van verrijzenis, verder kijken dan de leegte van het graf naar kleine dingen, naar een teken van de overkant. Het is als leren kijken in een vierde dimensie. Alleen liefde ontdekt en begrijpt wat geen toeval kan zijn. Alleen liefde is in staat om met één enkele blik te communiceren met de afwezige dode. We durven er niet over spreken met andere mensen want het staat zo haaks op de zakelijkheid die wij gewoon zijn te hanteren. Maar als we het ter sprake durven brengen in een gesprek met vertrouwde vrienden, dan ondervinden wij dat er nog zijn die uit dergelijke ervaringen hun kracht putten.

Een manier van kijken

Als we buiten adem van stress en verdriet, plots en onverwacht een seintje krijgen van een lieve mens die ons nabij was, en nabij blijft. Dat zijn sporen van verrijzenis. Het kan een tekst zijn die ons onder ogen valt, of een tastbare hulp bij een probleem, een onverwachte inval die onze lippen tot een glimlach plooit. ‘Hij zag en geloofde’. Het geloof in de verrijzenis begint met te zien wat een ander doorgaans niet ziet. Het wordt een manier van kijken. De dagelijkse dingen zijn wat minder dagelijks En wat meer feestelijk. De werkelijkheid wordt transparant, doorzichtig. Er zit een verhaal achter, er zit liefde achter. Zo kan het overlijden van een geliefde het leven rijker maken.

Zondag, verrijzenisdag

Spijtig, het spoor van de verrijzenis is nog te weinig zichtbaar in het leven van de christenen. We gaan op in de zogezegde eindigheid van deze wereld en van deze tijd. En we durven ons niet heroriënteren op de verrijzenis. Onze zondag zou een verrijzenisdag kunnen zijn, een dag dat wij het lege graf van ons verdriet binnengaan en biddend ontdekken dat de verrezen Heer ons aanspreekt. Alleen maar onze voornaam zegt en ons gelukkig maakt. De overkant is niet zo ver weg.

(uit Manu Verhulst, Op de golfslag van de Geest)

Passie

We hebben voor de uitvoering van de Lucaspassie in ons zieltogend kerkgebouw zodanig veel reclame gemaakt dat zelfs de Gust mits aandringen en een vrijkaart gekomen is. Voor de Mattheüspassion zouden we minder klamme handen gehad hebben, maar een moderne compositie van een Vlaamse toonzetter te berde brengen in dit deel van de stad waar het schoonste den eerste tram ervan weg is, laat ieder organisator tot op het allerlaatst in het ongewisse over het aantal te zetten stoelen. Het waren er maar tweehonderd te veel, maar door ons wat breed uit te zetten leek de kerk toch half gevuld. Iets waar katholieken heel goed in zijn. Bovendien hebben we de hele vigilie voor de passie de mazoutketel zodanig verhit dat hier en daar iemand zijn jasje uitdeed. Een record. Ik liet de mij als pastoor voorbehouden plek voor wat ze was en ging op de laatste rij zitten. Ik genoot van de warme klanken die de geometrische motieven van de bakstenen hoog tegen de zoldering streelden. Neogotiek is meestal synoniem voor goeie akoestiek, met een weinig galm maar niet teveel, vooral lekker als hij niet terugkomt. Ik keek tegen de rug van grote Gust aan en vroeg me af wat er bij het horen van deze passie door hem heen ging. Een jaar geleden in de Goede week verloor hij zijn Mathilda. Voor die tijd bestond zijn leven uit passie en vuur, maar toen ze weg was werd dat vuur een vonk, een waakvlam die even later doofde. Toen was zijn leven voorbij en liep hij alleen nog biologisch rond. Ik keek naar het rijtje ruggen voor mij. De tenor zong "De centurio, die zag wat er gebeurde, verheerlijkte God en zei: Waarachtig, die man was een rechtvaardige." De bas viel in en zong "Alle mensen die voor dit schouwspel waren samengestroomd, gingen naar huis; ze sloegen zich van rouw op de borst om wat ze hadden gezien." Ik vroeg me af wat de schepen voor cultuur op de eerste, de vrijzinnige classicus op de zesde en de gepensioneerde onderwijzeres op de achtste rij straks thuis zeggen zouden. Passie-uitvoeringen zijn uitstekend catechetisch materiaal, omdat ze het verhaal vertellen van die ene persoon in de geschiedenis van de mensheid waar iedereen een mening over heeft. Want de één kent Hem als vloekwoord en de ander als Redder. Na afloop bleek Gust ontroerd. Gust kan geen Nederlands, alleen Antwerps. "Da mènneke hee toch afgezien" zegt ie, alsof hij in Jeruzalem op de eerste rij stond. "Ja Gust, als ge gère ziet, ziede veel af" zeg ik maar. "Ik vond het heel schoon, maar ik doecht dat het toch ook heel schoen zou zijn in ’t Antwaarps" zegt Gust. "Misschien, Gust, moet gij daar eens een vertaling van maken!" Gust denkt na en knikt hoofdschuddend "nee, want allee, hoorde Jezus op zijn kruis in plaats van ‘ik heb dorst’ al zeggen ‘ik spiek wattekes’ ?" Ik moet lachen. Langzaam maar zeker komt er terug paasgloed in Gust. © Ronald Sledsens

( http://www.heilighart.com/wegel/voorval.php?voorvalid=118&tekstid=35)

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

12. Hemelvaart

Op Hemelvaartsdag wordt herdacht dat Jezus na zijn verrijzenis met Pasen in de hemel werd opgenomen. Het is de overgang van Jezus van deze aarde naar de rechterhand van de Vader. Na zijn verrijzenis verscheen Jezus een aantal malen aan zijn leerlingen. Veertig dagen later werd Jezus door een wolk aan het zicht van zijn leerlingen onttrokken. Dat lezen we in het nieuwtestamentische boek Handelingen der apostelen. Hieruit besluit men dat hij in de hemel was binnengetreden. Met het waarheen van zijn hemelvaart geeft Jezus duidelijk aan: Ik ga naar de Vader.
Het feest van Jezus’ Hemelvaart valt reeds sinds de vierde eeuw veertig dagen na Pasen, zodat de datum elk jaar verandert vermits het feest mee met Pasen opschuift. Wel valt Hemelvaartsdag altijd op een donderdag. Pasen (Jezus’ verrijzenis), Hemelvaart (Jezus’ verheffing ten hemel) en Pinksteren (de zending van Jezus’ geest) hangen onlosmakelijk samen. Hemelvaart bevestigt net als Pasen dat de dood van Jezus niet zijn definitief einde was, maar slechts een begin.

(Naar Bart Lauvrijs, Het feestenboek voor de jeugd)

Jezus opgenomen in de hemel

[1] In mijn eerste boek, Theofilus, heb ik de daden en het onderricht van Jezus beschreven, [2] vanaf het begin tot aan de dag waarop hij in de hemel werd opgenomen, nadat hij de apostelen die hij door de heilige Geest had uitgekozen, had gezegd wat hun opdracht was. [3] Na zijn lijden en dood heeft hij hun herhaaldelijk bewezen dat hij leefde; gedurende veertig dagen is hij in hun midden verschenen en sprak hij met hen over het koninkrijk van God.
[4] Toen hij eens bij hen was, droeg hij hun op: ‘Ga niet weg uit Jeruzalem, maar blijf daar wachten tot de belofte van de Vader, waarover jullie van mij hebben gehoord, in vervulling zal gaan. [5] Johannes doopte met water, maar binnenkort worden jullie gedoopt met de heilige Geest.’ [6] Zij die bijeengekomen waren, vroegen hem: ‘Heer, gaat u dan binnen afzienbare tijd het koningschap over Israël herstellen?’ [7] Hij antwoordde: ‘Het is niet jullie zaak om te weten wat de Vader in zijn macht heeft vastgesteld over de tijd en het ogenblik waarop deze gebeurtenissen zullen plaatsvinden. [8] Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde.’
[9] Toen hij dit gezegd had, werd hij voor hun ogen omhooggeheven en opgenomen in een wolk, zodat ze hem niet meer zagen. [10] Terwijl hij zo van hen wegging en zij nog steeds naar de hemel staarden, stonden er opeens twee mannen in witte gewaden bij hen. [11] Ze zeiden: ‘Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken? Jezus, die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie hem naar de hemel hebben zien gaan.’
(Hand 1,1-11)

Onze hemelvaart

Met Hemelvaart herdenken we dat Christus, veertig dagen na zijn opstanding uit het graf, van de aarde opsteeg in de richting van de hemel. De apostelen zagen hoe een wolk hem opnam en hem aan hun ogen onttrok. Sindsdien heet het dat Christus vanuit ‘wolkenhoogten’ met ons is ‘tot aan de voleinding der wereld’. Opmerkelijk is dit. Christus is niet tot in de hemel gegaan, niet tot naar zijn oorsprong, maar in de ruimte tussen hemel en aarde blijven verkeren: op wolkenhoogten.
Bij Johannes de Doper zien we iets soortgelijks. Toen deze Jezus in de Jordaan doopte, zag hij ‘de hemelen scheuren’. Een tussenruimte werd gevormd, van waaruit een lichtende duif naar beneden daalde. Wat moeten we ons daarbij voorstellen, bij wolkenhoogten en tussenruimte?
Wolken ontstaan, zoals bekend, in een samenspel tussen zon en aarde. Zonnewarmte doet (zee)water tot wolken verdampen. Hieruit valt op den duur regen, sneeuw of hagel naar beneden. Vervolgens vloeit het water dat op het vasteland is gevallen via rivieren weer terug de zeeën in. Deze kringloop van zon inwerkend op zeewater – wolken – regenwater boven vasteland – rivieren die het terug laten vloeien, zou je het levende organisme van de aarde kunnen noemen. Zonder deze kringloop zou leven op aarde niet mogelijk zijn. Waar uitsluitend zon de aarde beschijnt, verschroeit het leven. Waar de zon nooit schijnt, kan niets groeien. Om de aarde vruchtbaar te laten zijn, zijn wolken onmisbaar: ze vormen het noodzakelijke intermediair tussen zon en aarde, of breder gezien, tussen hemel en aarde. Dit intermediair vormt een ruimte op zichzelf, een tussenruimte, voorwaarde voor het bestaan van al het leven op aarde. Zo bezien begint het al een beetje duidelijk te worden waarom Christus daar zijn zetel genomen heeft, en aldus deel uitmaakt van dit levende aarde-organisme.
Laten we nu eens bij onszelf kijken, in onze binnenwereld. Daar kunnen we ook een hemelse en een aardse kant ervaren. Met de hemelse kant hebben we geen moeite, maar het aardse ten volle te erkennen in onszelf valt in de praktijk niet mee. We kijken liever de andere kant op, weg van onze schaduw, richting de zon. Om diep in onszelf af te dalen, is moed nodig. Want leuk is het daar niet. Iedereen spreekt schande van oorlogsmisdaden, toenemende criminaliteit, enzovoort, maar in feite zijn wij zelf tot minstens even gruwelijke dingen in staat. In ieder van ons schuilt de dief en de moordenaar. Dit ten diepste in te zien, vraagt het uiterste van ons. We zijn gewend alleen onze goede eigenschappen te zien. Daaraan ontlenen we ons zelfbewustzijn. Wanneer het ons echter lukt het duivelse in onszelf te herkennen en te accepteren als een deel van ons wezen, dan zijn we bezig tussenruimte te creëren. Die tussenruimte is onze innerlijke verbinding tussen het aardse en het hemelse. Het is een gebied op zichzelf, waarin het wezenlijke zich openbaar. Dit uit zich in een eerste mildheid – jegens onszelf, jegens anderen. Vanuit die mildheid oordelen we niet zo snel meer over anderen, want we weten hoe we zelf zijn. Oscar Wilde heeft eens gezegd: een zondaar en een heilige zijn dezelfde mensen; alleen heeft de heilige een verleden achter zich en de zondaar een toekomst voor zich. Met andere woorden, we kunnen als mens slechts tot het hemelse komen door eerst in de hel af te dalen. Zoals Christus op paaszaterdag eerst de hellevaart ging, vervolgens uit de dood verrees en pas daarna ten hemel voer. Die weg hebben wij allen te gaan.
In verkleinde vorm ervaren we zoiets ook bij ziekte of lijden. Wanneer we hersteld zijn, ervaren we onszelf vaak lichter en beter dan ervoor. Alsof iets binnenin ons, een ziektekiem (een stukje duisternis) zich heeft vrijgemaakt en is losgekomen. Voorwaarde is de erkenning en acceptatie van de (kleine) hel in onszelf. (…) Laten we even teruggaan naar Hemelvaart. Deze vindt plaats veertig dagen na Pasen, tien dagen voor Pinksteren. Met Pasen gingen we door de dood van onze aardse persoonlijkheid heen, ontwaakten we tot het nieuwe geestelijke leven. Met Hemelvaart nemen we al het (donkere) aardse bewust mee op naar omhoog, naar het licht. De duisternis wordt daar omgewerkt, niet door ze af te stoten, maar door ze te erkennen, door ze lief te hebben. Christus had de mensheid zo lief, dat hij vrijwillig door de duisternis van de dood heen ging, en ons daarmee de weg bood het contact met de hemel te herstellen. Dit licht, dat duisternis in zich opneemt, is liefde. Dit zal onze hemelvaart zijn, onze eigen gang naar ‘wolkenhoogten’: door onze aardse persoonlijkheid heen tot en in die liefde te komen. Om uit te komen bij de pinksterbeleving: die liefde zelf te zijn.

(Uit Fred Tak, Van herfst tot zomer)

Als de einder oneindig wordt

Homo erectus

Als een peuter zijn kruiphouding opgeeft
en rechtop gaat staan,
de eerste stappen zet en loopt…
dan begint de beschaving opnieuw.
Ooit is het immers gebeurd dat één mens,
een kind misschien,
genoeg kreeg van dat kruipen en springen.
Misschien was hij of zij zo nieuwsgierig,
wilde verder kijken dan die plek voor zich,
geboeid door de einder,
gefascineerd door de wolken.
De beschaving was begonnen.
Het zou verregaande gevolgen hebben.
De handen zouden niet verder evolueren
tot stompen om te steunen.
Het zouden fijne instrumenten worden
om snaren te spannen en muziek te maken,
om te tekenen en te schilderen.
Zelfs het strottenhoofd
zou daardoor een andere vorm krijgen
en fijnere klanken kunnen voortbrengen.
Rechtop lopen maakte taal en communicatie mogelijk.

Hemelvaartmensen

Het doet ons denken
aan die andere sprong in het beschavingsproces:
de hemelvaart
Het woordje hemelvaart is een term die,
zoals zovele, ontleend is aan de scheepvaart
. Het gaat immers niet om een astronautenstunt
of om de illusie van één of andere magie.
Hemelvaart is zoals welvaart.
Het gaat om een manier van leven en van denken.
Ooit is het gebeurd dat één Mens ten hemel is gevaren.
Hij keek verder dan de laatste einder
keek uit naar dat andere landschap.
Hij vertrouwde erop dat achter de eindigheid,
een oneindigheid begint.
Het zou verregaande gevolgen hebben.
De dood zou haar dreiging verliezen,
en de mens zou bijgevolg ook het leven anders invullen.
In het zicht van die andere bestemming
zou ook de communicatie tussen mensen serener verlopen.

Eeuwen en eeuwen

Toen iemand voor de eerste keer rechtop ging lopen,
bleven al de anderen nog kruipen,
konden zelfs niet geloven dat rechtop gaan mogelijk was.
Zij voelden zich zo veel veiliger dichtbij de grond.
Wellicht heeft het nog eeuwen en eeuwen geduurd.
Ook al is één Mensenzoon ten hemel gevaren,
toch blijven al die anderen nog aards gericht.
Zij voelen zich veilig in hun aardse zekerheden.
Zij zijn bang om hemelvaartsmensen te worden,
om los te komen van het hier en nu,
van een welbehagen binnen handbereik.
Bang om het eindige los te laten
en de blik te richten naar wat onbereikbaar schijnt
en onvoorstelbaar is.
Wellicht duurt het nog eeuwen en eeuwen.

(uit Manu Verhulst, Op de golfslag van de Geest)

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

13. Pinksteren

Volgens de Handelingen der apostelen zijn de leerlingen op de vijftigste dag na Pasen in een huis samengekomen. Plots horen ze een geruis uit de hemel. Het is alsof een geweldige wind het huis helemaal vult. Er verschijnt iets dat op vuur lijkt. Het verdeelt zich in vlammen en komt op iedereen neer. Daardoor ontvangen de aanwezigen de gave van de Heilige Geest. Ze stelt hen in staat om andere talen te spreken. Een groot aantal pelgrims, die uit alle landen naar Jeruzalem zijn afgezakt voor het joodse Wekenfeest, drummen samen en kijken verbaasd toe omdat ieder van hen woorden hoort uit zijn eigen moedertaal.
Vijftig dagen na Pasen en tien dagen na Hemelvaart is het Pinksteren. Pinksteren is afgeleid van het Griekse Pentekostè, wat vijftig betekent. Op heel wat plaatsen heeft men het over Sinksen. Dit is afgeleid van de Latijnse vertaling van pentekostè, namelijk quinquagesima, wat eveneens staat voor vijftig. Voor christenen sluit Pinksteren de paastijd definitief feestelijk af. Jezus kondigt de komst van de Geest aan. Zo is Pinksteren het feest van het begin van de Kerk, en dit onder het motto: vele gaven, één Geest.

(Naar Bart Lauvrijs, Het feestenboek voor de jeugd)

De komst van de heilige Geest

[1] Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. [2] Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. [3] Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, [4] en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven.

[5] In Jeruzalem woonden destijds vrome Joden, die afkomstig waren uit ieder volk op aarde. [6] Toen het geluid weerklonk, dromden ze samen en ze raakten geheel in verwarring omdat ieder de apostelen en de andere leerlingen in zijn eigen taal hoorde spreken. [7] Ze waren buiten zichzelf van verbazing en zeiden: ‘Het zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken? [8] Hoe kan het dan dat wij hen allemaal in onze eigen moedertaal horen? [9] Parten, Meden en Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, mensen uit Pontus en Asia, [10] Frygië en Pamfylië, Egypte en de omgeving van Cyrene in Libië, en ook Joden uit Rome die zich hier gevestigd hebben, [11] Joden en proselieten, mensen uit Kreta en Arabië – wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden.’ [12] Verbijsterd en geheel van hun stuk gebracht vroegen ze aan elkaar: ‘Wat heeft dit toch te betekenen?’ [13] Maar sommigen zeiden spottend: ‘Ze zullen wel dronken zijn.’ (Hand 2,1-13)

De adem van God

- Mama, Pinksteren wat is dat?
- Dat moet je maar aan pap vragen.
- Papa, Pinksteren wat is dat?
- Dat is een feestdag, midden in de zomer
- Maar aan de andere kant van de wereld, is het nu winter? Is het daar dan geen Pinksteren?
- Pinksteren is Pinksteren en dat heeft met zomer niets te maken.
- Met wat dan wel, papa?
- Met de heilige Geest, manneke
- Wie is dat papa?
- Dat is de Geest van God, zijn adem. Daarmee is het allemaal begonnen. Net zoals jouw leven begonnen is met één schreeuw, één ademstoot. We stonden er allemaal van te kijken. Die adem van God en jouw adem hebben iet s met mekaar te maken. Pinksteren is meeademen met God om nog straffer te leven. Weet je, er zit heel veel in jou. Jij weet dat zelf niet. Maar moest je weten waartoe je allemaal in staat bent, je zou verschieten.
- Zou ik uitvinder kunnen worden, pa?
- Als je mee ademt met God, zul je van alles uitvinden om mensen te helpen. Dan staat er geen rem op je goede wil. Gods Geest inademen is groeien. Groeien van binnen.
- En is dat gratis, pa?
- God vraagt nooit iets in de plaats, dat is juist het mooie eraan. En met hoe meer mensen samen, hoe beter. God heeft niet liever.

’s Anderendaags had de kleine jongen nog een vraag:

- Die mensen die met God mee ademen, kun je die herkennen? Zijn dat Pinkstermensen?
- Je kunt die niet zo maar herkennen en ik denk dat ze dat zelf niet weten. Ademen doe je toch zonder dat je ’t weet. Met God mee ademen is ook zo. Dat doe je zonder er op te letten, of zonder dat een ander daar op let.
- Pa, ik geloof dat ik van morgen al mee geademd heb met God.
- Waarom denk je dat?
- Straks ga ik iets uitvinden, iets om te lachen.

(uit Manu Verhulst, Op de golfslag van de Geest)

Beelden van de Geest

Een hevige wind:hij laat het stof van de sleur opwaaien.
Een zachte bries: hij kent slechts het eenvoudige en het nietige.
Een verre horizon: hij bevrijdt ons uit de benauwenis van alledag.
Een vurig hart: hij kent geen onverschilligheid of vertwijfeling.
Een helder licht: hij verdrijft de duisternis van het leven.
Een aandachtig oor: hij luistert als geen ander.
Een open oog: hij ziet alle problemen van het hart.

(Uit Al de dagen van ons leven)

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

14. Maria ten Hemelopneming

Jaarlijks op 15 augustus viert de Kerk het hoogfeest van Maria ten Hemelopneming. Men gedenkt dat Maria na haar dood met ziel en lichaam door God in de hemel werd opgenomen. Reeds in de vijfde eeuw vierde men in Jeruzalem de ontslaping van Maria. Vanaf de achtste eeuw werd dit omgedoopt tot ten hemelopneming van Maria. Uit dit feest wordt de hechte band tussen Jezus en zijn moeder duidelijk. Die is zo bijzonder dat hij niet door de dood verbroken wordt. Het belangrijkste kenmerk van Maria is haar geloof. De meeste leerlingen van Jezus lieten hem bij zijn kruisdood in de steek. Maria bleef Jezus echter altijd trouw. Door haar geloof nam zij deel aan de verlossende dood van haar zoon. Vermits zij tot het einde is blijven geloven, werd zij ten hemel opgenomen.
De in de volksmond gebruikte naam Maria Hemelvaart is eigenlijk niet juist. In tegenstelling tot Jezus had Maria niet vanuit zichzelf de kracht om op te stijgen tot in de hemel. Toch werd Maria door God in de hemel opgenomen. Doorheen de eeuwen is Maria ten Hemelopneming het belangrijkste Mariafeest geworden. Dit feest is op het eerste Vaticaans Concilie (1869-1870) in een dogma gegoten. Een dogma is een geloofsartikel dat volgens de Kerk door God zo aan de mensen bekend werd gemaakt. Het moet door de mensen geloofd worden. In de lijn van heel wat andere landen vinden er ook in België processies plaats op 15 augustus. Eén van de bekendste is de Virga Jesse-ommegang te Hasselt. Om de zeven jaar is deze te bewonderen.

(Naar Bart Lauvrijs, Het feestenboek voor de jeugd)

In Maria is het wonder begonnen

‘Maria is met lichaam en ziel ten hemel opgenomen.’
Op 15 augustus, als de zomer zomert op zijn best,
houdt de kerk ons dat mysterie voor ogen.
In Maria is het wonder begonnen:
hemel raakt aan aarde, ze vloeien in elkaar samen.
Haar lichaam en ziel werden hemel.
Zij werd hemel tot in haar lichaam.
Het verhaal van het kind, het meisje de vrouw,
en de moeder van toen
vertelt God verder tot op vandaag.

Ons lichaam

Wij hebben die verwijzing naar het wonder nodig.
Ons omgaan met het lichaam blijft een zoektocht.
We kunnen het lichaam verstoppen onder een burka
of we kunnen om voor het even wat uit de kleren gaan.
Soms wringen we het in het keurslijf
van knellende moraalvoorschriften
en soms verliezen we alle zin voor proportie
en zijn we de pedalen kwijt.
Dan willen we uit de kleren gaan,
desnoods al bibberend
om als rasterpuntje te dienen op de foto van een fantast.
Of we gaan uit de kleren om te protesteren:
Het lichaam als een slogan.

Meer dan spektakel

Maria is met lichaam en ziel ten hemel opgenomen.
Zo staat zij voor altijd in onze mensengeschiedenis
als een herkenningspunt,
als een weerkerend refrein in het levenslied.
De zin van het lichaam ligt voorbij de zakelijke waarneming,
Voorbij het commerciële, voorbij het profane,
voorbij het middel.
Lichaam is meer dan spektakel.
Het hoort thuis in het wonder,
in de intimiteit, niet in de publiciteit.
Het raakt de hemel, ook al is het van de aarde.

(Manu Verhulst)

De Virga Jessefeesten

Al ruim zes eeuwen lang worden de Virga Jessefeesten als een erfstuk van de ene generatie Hasselaren doorgegeven aan de volgende. In 2010 wordt die traditie verdergezet.
Tijdens de Zevenjaarlijkse Virga Jessefeesten is de stad Hasselt in feest: sfeervolle versieringen en verlichting, muziek op de pleintjes en in de straten en allerhande initiatieven zorgen voor een uitnodigend en gastvrij karakter van de hele stad.
De christelijke oorsprong van de feesten leeft nog altijd verder in de mariale ommegang. De beeldende stoet wil de toeschouwer vooral tot bezinning brengen en ontroeren, aanspreken in beeld, woord en zang. De ommegang biedt de toeschouwer langs de weg een reflectie op ons leven van vandaag.

http://www.virgajessefeesten.be

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

15. Allerheiligen

In het begin van het christendom waren er heel wat vervolgingen van christenen. Diegenen die stierven voor hun geloof, riep de Kerk uit tot martelaren. Hieruit ontstonden later de heiligen. Dit zijn mensen die na hun dood heilig verklaard worden en dienen als een voorbeeld voor de andere gelovigen. Vandaag de dag zijn er ongeveer 6500 heiligen in de Kerk. Die kan men moeilijk allemaal op 365 dagen herdenken (hoewel er wel heiligen zijn die op een specifieke dag herdacht worden). Daarom koos de Kerk één dag uit waarop alle heiligen die op de overige 364 dagen geen plaats kregen op de kalender worden herdacht. Alzo ontstond na een tijd Allerheiligen.
Vroeger viel Allerheiligen niet op 1 november maar wel ergens in mei. Wat is er dan gebeurd dat wij Allerheiligen nu op 1 november vieren? Het antwoord is eenvoudig. De viering ervan werd door de Kerk in de negende eeuw verplaatst van mei naar 1 november, dit als antwoord op Halloween (oorspronkelijk heette dit feest Samhain), dat ook een soort van dodenfeest is. De Kerk wilde met Allerheiligen het heidense Halloween, dat op 31 oktober valt, een halt toeroepen.

(Naar Bart Lauvrijs, Het feestenboek voor de jeugd)

Kan iedereen heilig worden?

‘Gaan we straks naar het kerkhof?’ vraagt Sara. In de gang staan drie grote potten met chrysanten. De bloemen vindt ze wel mooi: wit, geel en paars. Maar het zijn geen bloemen om binnen te zetten: ze ruiken niet lekker. Chrysanten horen buiten.
Papa laat zijn krant zakken. ‘Nee, we gaan morgen. Dan is het Allerzielen. Vandaag is het Allerheiligen.’ Hij leest weer verder.
‘Is dat niet hetzelfde?’ wil Sara weten. ‘Thomas gaat vandaag naar het graf van zijn opa.’
Papa vouwt zuchtend zijn krant op. ‘Omdat de twee feesten zo vlakbij elkaar vallen en omdat vandaag zoveel mensen vrijaf hebben, loopt het een beetje door elkaar. Maar in feite is Allerheiligen toch wel iets anders. Op die dag vieren we alle heiligen samen. Wij geloven dat ze bij God zijn. Elk op hun eigen manier zijn ze een voorbeeld voor ons geweest. Een bewijs dat het mogelijk is om te leven zoals Jezus. Elk met zijn eigen mogelijkheden en talenten. Hiëronymus bijvoorbeeld als Bijbelgeleerde, Don Bosco als verdediger van de arme straatkinderen in Turijn, Elisabeth als verzorgster van arme zieken. Er waren stichters van kloosterorden bij, die in hun tijd de mensen dichter bij God wilden brengen, zoals Benedictus, Teresa van Avila of Ignatius. Er zijn zoveel heiligen, te veel om op te noemen.’
‘Weet je nog vorig jaar in dat museum?’ herinnert Sara zich. ‘Daar hingen allemaal schilderijen van heiligen en martelaars. De verhalen die erbij stonden waren soms erg bloederig. Sommige heiligen werden onthoofd of gevierendeeld of hun huid werd afgestroopt. Er was zelfs een heilige met een schaaltje waarop haar uitgestoken ogen lagen. Jakkes!’
Papa lacht. ‘Over heiligen werden veel verhalen verteld. We noemen dat legendes. En hoe vaker de mensen een verhaal over een of andere heilige vertelden, hoe gruwelijker het werd. Op den duur waren het allemaal sterke en zelfs ongeloofwaardige verhalen. Daar mag je je niet door laten verblinden. De mensen deden dat omdat ze niet goed wisten, hoe ze anders de grootheid van die persoon konden aantonen. De mensen waren toen niet anders dan nu. Als je nu een avondje tv kijkt, zie je ook heel wat sensatieverhalen.’
‘Ik weet toch niet goed wat wij nu nog met die heiligen te maken hebben’, vraagt Sara zich af. ‘Veel mensen hebben bewondering voor hen’, legt papa uit. ‘Heiligen zijn ook een soort ruggensteuntjes als je even de moed laat zakken. Soms krijgen mensen het gevoel dat het bijna onmogelijk is om als christen te leven. Dat er zoveel dingen in en buiten jezelf zijn die je tegenwerken. Heiligen zijn dan het bewijs dat het kan.’ ‘En al die heiligen zitten vanuit de hemel naar ons te kijken’, piekert Sara.
‘Ze zitten eerder voor ons te supporteren, denk ik’, zegt papa. ‘De kerk noemt dat "de gemeenschap van de heiligen". Misschien werkt hun goede invloed wel door tot in onze tijd.’ Sara denkt na. ‘Maar er zijn toch ook mensen die als heel goede christenen leven, en die nooit worden heilig verklaard. Omdat ze niet beroemd zijn en zo.’
‘Dat klopt’, zegt papa. ‘Behalve de lange lijst van officiële heiligen zijn er nog massa’s mensen doorheen de hele geschiedenis die zonder veel ophef het goede deden in hun leven. Mensen die de vreugde waren van de mensen om hen heen, zonder dat ze ooit werden opgemerkt door de Kerk. Ook zij kunnen een voorbeeld zijn voor wie hen kent.’
‘Gertjan in onze klas is protestants. Hij zegt dat ze bij hen tegen heiligen zijn’, beweert Sara. Papa lacht. ‘Misschien niet tegen heiligen, maar tegen het overdreven vereren van heiligen. In de tijd dat de protestantse Kerk ontstond, waren er veel katholieken die zoveel bezig waren met heiligen, dat ze Jezus zowat vergaten. Dat was natuurlijk niet de bedoeling. De heiligen moeten je juist dichter bij Jezus en God brengen. Daarom schaften de protestanten de hele heiligenverering in één trek af, terwijl de katholieken hun heiligen bleven behouden. Maar we passen nu wel beter op dat we ze niet in de plaats van Jezus laten komen! Anders wordt het bijgeloof. Denk maar aan dat flesje water uit Lourdes dat mama’s tante had meegenomen. Ze denkt dat je daarvan moet drinken als je ziek bent en dat Maria je dan zal genezen. Zo werkt het niet natuurlijk!’ ‘Ik ken eigenlijk niet zoveel heiligen’, bedenkt Sara.
‘Boven heb ik een boek waar er een heleboel in staan’, zegt papa. ‘Met afbeeldingen en levensverhalen erbij. Daar moet je maar eens in lezen. Je zult zien dat er heel wat stoere mannen en kranige vrouwen tussen zitten. Heiligen waren absoluut geen doetjes. Het waren mannen en vrouwen met pit. Ze probeerden vanuit hun geloof iets te doen aan wat er in hun tijd fout zat. Heel interessant.’
Sara knikt. ‘Kan iedereen heilig worden?’
Papa schiet in de lach. ‘Heb je plannen?’
Sara kijkt hem met een vernietigende blik aan. ‘Zo snel krijg je mij niet op de kast.’ Ze loopt naar de deur. ‘Oei !’ jammert papa. ‘Straks word je nog echt heilig!’ Sara trekt de deur met een smak achter zich dicht.

Een mens is heilig

Als een fotootje uit je kindertijd
Toevallig in je handen valt,
Dan sta je er wellicht glimlachend op te kijken:
‘Ben ik dat?’
De haartooi is anders,
De gestalte, het gewicht, allemaal zo uitgegroeid.
Alle lichaamscellen van toen
zijn reeds lang afgestoten en vernieuwd,
zeggen de biologen.
En toch twijfel je niet: dat ben ik!

‘Ik’ is meer dan een lichaam,
meer dan vlees en beenderen, zenuwen en klieren.
‘Ik’ is een verhaal,
een resem belevenissen die samenhangen,
een verhaal van emoties en onverwachte wendingen,
een verhaal van vergissingen en verwezenlijkingen.
Een verhaal met een beperkte duur.

‘Ben ik dat?’
Ben ik niet meer dan een verhaal,
niet meer dan ‘doorlopende videodingens in het echt’?
Ik ben toch verweven in het verhaal van andere mensen:
ik word bemind of gehaat,
gewaardeerd of gekleineerd,
gekoesterd of verlaten.
Ik leef ook een beetje in het hart van een ander.

Een fotootje uit de kindertijd
Wordt geel en gaat verloren.
Het verhaal loopt eens ten einde.
De herinnering vervaagt, verdwijnt.
Er komt een grafsteen
met een naam en twee getallen
en een toegestane parkeertijd
van vijftien jaar zonder opleg…

Maar elk jaar als de dagen korten
en de vergankelijkheid voelbaar wordt,
wordt het Allerheiligen,
een dag met een boodschap:
een mens is meer dan een lichaam,
meer dan een verhaal,
meer dan relatie.
Een mens is heilig in de letterlijke zin van het woord:
aan God toebehorend.
We hebben iets van doen
met onze Oorsprong die ons overstijgt,
die groter is dan ons hart,
groter dan ons verhaal van goed en kwaad,
groter dan onze verbondenheid of onze afstandelijkheid.
We zijn heilig omdat wij God als oorsprong hebben.
Onmiskenbaar dragen we zijn beeld en gelijkenis.

(uit Manu Verhulst, Op de golfslag van de Geest)

Sinner’s Day

Sinner’s Day (°2009) is een indoorfestival dat plaatsvindt rond Allerheiligen, met pioniers en andere groten uit de hoogdagen van punk en new wave.
Editie 1 was vorig jaar goed voor 10.000 bezoekers uit 15 landen. Editie 2 wordt wegens succes verlengd en uitgebreid.
http://www.sinnersday.com/

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

16. Allerzielen

In het zog van Allerheiligen ontwikkelde zich enige eeuwen later ook het feest van alle zielen, kortweg Allerzielen. De Kerk vond dat wat voor heiligen gold in zekere mate ook van toepassing was op elke overledene. Ook de doden werden voor een stukje als heiligen beschouwd. Zo mochten de levenden ongeveer vanaf de elfde eeuw hun doden gedenken.
In alle katholieke streken worden de begraafplaatsen rond de periode van Allerheiligen en Allerzielen schoongemaakt en met bloemen en dergelijke versierd. Op die manier roept men de herinnering aan de dierbare overledenen even op. Het begraafplaatsbezoek is een heel oud gebruik. Toch is er een probleem. De meeste mensen bezoeken de begraafplaats altijd met Allerheiligen. Dit is niet volledig correct. In feite is Allerzielen de meest geschikte dag om de graven van de overledenen een bezoekje te brengen.
Een speciale vermelding verdient Mexico. In geen enkel ander land wordt Allerzielen zo grootscheeps gevierd. Hier gedenkt men de dag van de dood. Grijnzende skeletten vindt men er overal in optochten. Zelfs kleine kinderen spelen er met speelgoedskeletten. Het zijn skeletten uit karton en klei. Doodshoofden bengelen er aan koordjes. Muren hangen vol schedels van suiker. Heel angstaanjagend, en toch is er veel volksvermaak. Het dodenfeest in Mexico looft in feite op een originele manier het leven.

(Naar Bart Lauvrijs, Het feestenboek voor de jeugd)

Het dorp met de doodshoofden

In de namiddag was ik voor een wandeling naar Ocotepec vertrokken, een vergeten dorpje ergens in Mexico. Onderweg moet ik op een verkeerd pad terecht zijn gekomen want ik raakte hopeloos verdwaald en het werd donker. Ik vreesde al dat ik de nacht onder de blote hemel zou moeten doorbrengen toen ik de scheefgezakte wegwijzer ontdekte: Ocotepec – 5 km. Ik had dus nog een flinke mars voor de boeg. Na een uur begon ik te geloven dat een Mexicaanse kilometer toch iets anders is dan een Vlaamse. Hier leek ‘km’ iets te betekenen als ‘Kom maar!’ Of was ik weer verkeerd gelopen?
Ondertussen was het zo donker geworden dat ik nog nauwelijks mijn eigen voeten kon zien. Ik herinnerde me met vreugde dat ik een zaklantaarn had meegenomen. Ik zocht hem in mijn rugzak. Flits. En daar stapte ik weer. Even na middernacht had ik het paaltje met Ocotepec – 1 km bereikt. Dat betekende dat ik er nu haast was. Natuurlijk zou ik geen hotel vinden in dat vergeten dorp. Misschien kreeg ik onderdak in een of ander n. Na nog haast een uur had ik eindelijk het eerste huisje bereikt. Ik doofde mijn lantaarn en loerde door een groezelige ruit naar binnen. Niets. Zou ik durven aankloppen? Ik twijfelde. Ik kreeg plotseling de indruk dat er helemaal geen mensen woonden in dit bouwvallige krot. Daar wilde ik zekerheid over hebben. Mijn zaklantaarn flitste aan en uit door de ruit. Nooit ben ik meer geschrokken dan toen. Bij het raam had ik een doodshoofd gezien. Een akelig echt doodshoofd. Het had me met zijn holle oogkassen aangestaard alsof het de hele dag op mij had liggen wachten. Huiverig gleed ik een eindje van de hut weg. Ik beefde van kopt tot teen. Ben je gek, zei ik na een poosje tegen mezelf. In dat krot woont misschien een of andere Indiaanse kruidendokter. Laat zien dat je een man bent.
Ik kwam weer bij het venster. Floepte mijn lantaarn aan en stond opnieuw oog in oog met het doodshoofd. Ik staarde naar de witte letters die op het voorhoofdsbeen geschreven stonden. Cornelius. Mijn naam. Mijn eigen naam! Hier had de dood op mij gewacht. Ik stond daar hulpeloos en de meest dwaze gedachten flitsten door mijn hersenen. Toch werd ik na een poosje mezelf weer meester. Ik heb op mijn reizen meer doodshoofden gezien, grijnsde ik. Hele geraamten zelfs. En mummies. Wat sta ik hier te trillen als een baby die het koud heeft. Loop verder en zoek een onderdak. Ik sukkelde naar het volgende huis dat me zoveel steviger leek. Meteen aankloppen, dacht ik. Laat nu de maan, die ik op mijn hele tocht niet had gezien, plotseling vanachter een wolk tevoorschijn komen. Ik schrok haast van mijn eigen schaduw. Versteend bleef ik staan. Achter het raam zag ik drie doodshoofden. Ze hadden elk een naam die ik vergeten ben. Maar ze stonden er, roerloos naar mij starend. Ik vluchtte weg. De maan verdween achter een wolk en alles was weer donker. Ellendig donker. Ik strompelde verder. Ik kwam bij een heel klein huis. Achter het raam, de dood, me beloerend vanuit duistere ooghoeken die heel even tot leven kwamen als het licht van mijn zaklantaarn ze wekte. Het was om gek van te worden. Het hele dorp leek uitgemoord door een waanzinnige. Hij had de hoofden van zijn slachtoffers op tafel gezet en op elk hoofd had hij de naam van een dode geschreven. Nee, dat kon hij alleen achteraf gedaan hebben als al het vlees vergaan was en alleen de beenderen overgebleven waren. Wie zou het volgende slachtoffer zijn? IK.
Terwijl ik daar nog stond te rillen en hopeloos nadacht, werd ik van achteren vastgegrepen en een kreet als van een losgebroken duivel schalde door de stilte. Toen begonnen duizend boze geesten te juichen. Ik kromp ineen met de angstgedachte: morgen staat mijn hoofd op een tafel. Na weken of maanden zal iemand er mijn naam op schrijven. Ik verzette me heftig doch de boze geesten schenen tientallen klauwen te krijgen. Ze grepen me overal vast en ze sleepten me mee. Ze bonden me vast aan een paal. Door mijn oogspleten zag ik dat ik op een dorpsplein stond. In een wijde kring om me heen zag ik mannen, vrouwen en kinderen. Niemand zei een woord. ‘Jullie waren toch dood?’ schreeuwde ik. ‘Ik heb jullie schedels gezien met de naam erop!’ Geen mens scheen me te verstaan. Uit de kring kwam een forsgebouwde man op me toe. Hij had een vlijmscherp mes in de hand. ‘Ben jij de dood?’ vroeg hij. ‘Lijk ik dood?’ brulde ik hem in het gezicht. ‘Maak me los, dan zal ik je laten zien hoe weinig dood ik ben.’ Hij antwoordde niet. Tot mijn ontzetting ontdekte ik toen dat de kinderen in de kring met doodshoofden speelden. Ze wierpen ze in de hoogte en vingen ze weer op, zoals onze jongens en meisjes met een bal doen. Ik braakte bijna toen ik zag hoe de kinderen aan de doodshoofden likten, er stukken afbraken, ze opaten.
‘Ben jij de dood niet?’ riep de man met het mes. ‘Kan ik de dood zijn? Je ziet toch hoe levend ik ben. Maak me los!’ De man scheen te aarzelen. Ten slotte sneed hij toch mijn touwen door. Ik trakteerde hem op een stoot onder zijn kin waardoor hij naar de vlakte ging. Het hele volk juichte me toe. Een van de kinderen bood me zelfs een stukje van zijn doodshoofd aan. Ik bedankte feestelijk. ‘Hoe kan je dat eten?’ walgde ik. ‘Lekker’, lachte de jongen. Hij brak een stuk af van het hoofd waar Cornelius op te lezen stond. ‘Nu jij’, zei hij. Ik moest gehoorzamen, anders kreeg ik het hele volk van Ocotepec op mijn nek. Het been… smaakte naar suiker. Dat had ik allerminst verwacht.
De oplossing van het raadsel: met Allerzielen krijgen de kinderen van Mexico een suikeren doodshoofd. Waarom? Ik weet het niet. En die ene nacht van Allerzielen komt de dood zelf door het dorp wandelen. Hij heeft zich onherkenbaar verkleed en zijn gezicht blank gemaakt. Zijn ogen flitsen aan en uit (zoals mijn zaklantaarn) en het is goed als je de dood gevangen kunt nemen. Dat hadden de mensen van Ocotepec met mij gedaan. Ze meenden wellicht dat ik van buiten het dorp gekomen was om hun kinderen de stuipen op het lijf te jagen. Ik heb die nacht veel stukken van doodshoofden moeten eten. Ik was er de volgende dag een beetje ziek van.

(Uit Jos van Hest, Saskia van der Valk, FeestVerhalen)

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

17. Dagen van heiligen

Er zijn doorheen de geschiedenis vele christenen geweest die getuigenis afgelegd hebben van hun geloof op een bijzondere manier. We zouden kunnen spreken over christenen in wiens leven het verhaal van Jezus van Nazareth als het ware werd doorverteld. Die mensen worden de heiligen genoemd. Recent nog werd pater Damiaan heilig verklaard (om heilig verklaard te worden door de Kerk dient men vandaag de dag aan een aantal voorwaarden, onder andere met betrekking tot het verrichten van wonderen, te voldoen – vroeger waren deze voorwaarden niet zo streng, maar de Kerk wilde een halt toeroepen aan het steeds groeiende aantal heiligen). Ter ere van een aantal van deze heiligen, zijn er doorheen het kerkelijk jaar feest- en gedenkdagen. In het begin golden deze gedenkdagen voornamelijk voor martelaren, maar daarna werden ook mensen geëerd die op een bijzondere manier van hun geloof hadden getuigd. Naast de christelijke kalender die geordend is rond de grote feesten van Pasen, Pinksteren en Kerstmis, ontstond geleidelijk aan ook een kalender van heiligen die dan op een vaste dag in het jaar hun feestdag kregen. Waar de heiligen in het begin vooral geëerd werden als voorbeeldige gelovigen, werd dat eren gaandeweg meer een vereren. Men begon de heiligen te aanroepen voor steun. Men bad tot de heiligen voor kracht en genezing. Heiligen werden ook schutspatronen van landen en steden, van beroepsgroepen, van mensen in speciale omstandigheden,… Hun hulp werd ingeroepen tegen gevaren of bij problemen. Voor de Kerk blijft de viering van de grote kerkelijke feesten wel belangrijker dan de feesten rond de heiligen. Sommige heiligendagen zijn vandaag de dag stevig ingeburgerd buiten de Kerk. Dit is bijvoorbeeld het geval voor 14 februari, Valentijnsdag. Dit feest gaat terug op bisschop Valentinus, over wie niet zo veel geweten is, maar over wie wel gezegd wordt dat hij aan jonge paartjes een bloem schonk als symbool van trouw en een gelukkig leven. Zo werd zijn feestdag een dag waarop geliefden elkaar kleine blijken van genegenheid gaven. Ook het feest van Nicolaas van Myra (een beschermheilige van kinderen), op 6 december, dat we vandaag de dag kennen als Sinterklaas, is hiervan een voorbeeld, net als Werelddierendag, dat teruggaat op de verering van de heilige Franciscus, die opkwam voor de dieren.

(Naar Marius van Leeuwen, Van feest naar feest)

De kleine arme van Assisi

Er was markt in Assisi! Een lange stoet reizigers trok naar het stadje. De meesten kwamen te voet, gebukt onder het gewicht van hun koopwaar, die zij in manden en zakken op de rug droegen. Zo beklommen zij moeizaam de steile bergwegen en het rode stof van de Monte Subasio bedekte hun gezicht en hun handen en kleren. Sommigen waren uitgeput, omdat ze al uren gesjouwd hadden met hun last, maar niemand dacht er over om terug te gaan, want er was markt en dat betekende in die dagen: feest!

Zwaar beladen ezeltjes strompelden mee in de stoet. Soms probeerden die de weg te verlaten, omdat ze ergens op een schaduwplekje wat gras ontdekten. Maar dan kregen ze met de zweep, want hun bazen hadden haast, die moesten naar de markt! Grote, witte ossen, met lange sierlijk gebogen horens, trokken logge karren, waarop koopwaar hoog lag opgestapeld. Maar het ergst van alles waren de schapen eraan toe. Zij hadden verscheidene dagreizen moeten lopen, er was geen tijd geweest voor grazen en rusten. Met stokken werden ze voortgedreven naar de markt, waar ze verkocht zouden worden, meer dood dan levend. Zo trokken de mensen met hun dieren door de stadspoorten van Assisi naar het marktplein. Het was er een oorverdovend lawaai! Er werd gezongen en gelachen en geschreeuwd, vooral veel geschreeuwd, want iedereen was erg opgewonden en er was al heel wat wijn gedronken. Hier en daar raakten een paar kerels aan het vechten, omdat ze het oneens waren over de prijs van een zak graan of een kreupel kalf. Aan alle kanten rinkelde het geld. Ja, er werden grote zaken gedaan! Maar de belangrijkste dingen geschiedden bijna onopgemerkt, ergens tussen het gewoel.

Zo was er in een nauw steegje een ezeltje gevallen. Dat steegje was zó steil dat men er een trap van had moeten maken, anders was het een glijbaan geworden. Het ezeltje was gestruikeld over een steen en lag nu voorover, half bedolven onder zijn eigen lading. Zijn baas sloeg hem onbarmhartig met een grote stok en schreeuwde dat het op moest staan. Maar zonder hulp kon het ezeltje niet opstaan, daarvoor was zijn bepakking veel te zwaar. Het was maar een mager ezeltje en het was doodmoe. Machteloos bleef het liggen en de slagen regenden neer op zijn rug en op zijn poten en het werd nog uitgelachen bovendien. "Sla hem dood, de luiaard!" schreeuwden de omstanders en ze bespotten de baas van het ezeltje, omdat hij met zo'n nietswaardig beest naar de markt was gekomen. Er werd gejoeld en gescholden en boven alles uit krijste een oude smerige bedelaar dat je wel een geweldige ezel moest zijn, als je zo'n stom beest nog niet eens tot lopen kon dwingen. Toen werd de eigenaar van het ezeltje natuurlijk nog bozer. Hij hief zijn zware stok hoog boven zijn hoofd om het arme dier een gemene slag op zijn neus te geven, toen er opeens iemand tussen hem en de ezel sprong.

Niemand wist waar hij vandaan was gekomen, niemand had hem tot dusverre opgemerkt. Het was ook maar een kleine, onaanzienlijke verschijning. Hij ging gekleed in een oude, versleten monnikspij en was helemaal met stof bedekt. Hij sprak geen woord. Hij keek die woedende man alleen maar aan met zijn grote, donkere ogen. Het gejoel verstomde plotseling. Iedereen hield zijn adem in, want men meende dat die kwade kerel zich nu op de kleine monnik zou werpen, dat hij hem zou neerslaan met zijn knuppel. Maar dat gebeurde niet. De opgeheven arm zakte machteloos neer, de knuppel viel op de grond. Dadelijk wendde de kleine monnik zich af en boog zich over het ezeltje. Zwijgend gespte hij de riemen los, waarmee de al te zware last op de rug was gebonden. Met zijn armen om de buik van het dier hielp hij het opstaan. Het beest trilde nog op zijn poten, maar het wreef met zijn zachte neus tegen de ruige pij. Toen nam de kleine monnik de grote last van de grond en laadde die op zijn eigen rug. Diep gebogen onder dit reusachtige gewicht strompelde hij op zijn blote voeten naar de markt. Het ezeltje liep dicht achter hem. En ook de ezeldrijver volgde, met gebogen hoofd en samengeklemde kaken. De mensen weken haastig terzijde voor de kleine monnik en pas toen hij met zijn lading en zijn gevolg verdwenen was in het gewoel, fluisterden zij: "Dat was Francesco, de zoon van Bernardone!"

Ja, dat was Francesco, die wij nu, ruim zevenhonderdvijftig jaar later Sint-Franciscus van Assisi noemen. Maar zijn tijdgenoten zagen hem toen nog niet als een heilige. Men meende dat de kleine monnik niet goed bij het hoofd was geworden, want wie trok zich nu het lot aan van dieren? En was het soms niet volkomen dwaas dat die koopmanszoon de rijkdom en de weelde van zijn vader versmaadde, dat hij alles wat hij bezat, had weggegeven aan de armen, dat hij melaatsen verpleegde, die door niemand anders werden aangeraakt? Men wist ook te vertellen dat hij met de vogels en met de andere dieren sprak alsof het zijn broeders en zusters waren! Men noemde hem spottend 'il Poverello', de kleine arme, en men tikte daarbij veelbetekenend tegen het voorhoofd. Maar toch ging het verhaal van het gestruikelde ezeltje als een lopend vuurtje over het plein. Men lachte erom, men stak de draak met de kleine arme. Alleen zij, die het voorval zelf hadden gezien, lachten niet. En de eigenaar van het ezeltje had gauw zijn waren verkocht en was er hals over kop vandoor gegaan.

Voor de San Ruffino, de oude kathedraal van het stadje, stond een grote slager. Hij had juist een lam gekocht voor de slacht. Om het beter te kunnen vervoeren had hij de poten aan elkaar gebonden en het ruwweg over zijn schouder geworpen. "Pas maar op dat il Poverello je niet ziet!" waarschuwde iemand uit het volk, "straks neemt hij je dat lam nog af!" Maar de slager lachte luidkeels. "Ik heb het eerlijk gekocht en betaald!" riep hij. "Het is van mij en ik mag ermee doen wat ik wil! Ik zou het nog aan geen tien Poverello's afstaan!" En om zijn woorden meer kracht bij te zetten, schudde hij het lam stevig, waarop het klaaglijk begon te blaten. Dat vond iedereen erg flink van die slager. Men juichte hem toe en het was duidelijk dat ze het roerend met hem eens waren.

Maar toen de kleine, grauwe monnik naar voren schuifelde op zijn blote voeten, hield opeens iedereen zijn mond. Zelfs de grote slager verschoot een beetje van kleur, toen hij in de donkere ogen van Francesco keek. Hij deed onwillekeurig een stap terug en verklaarde al bij voorbaat dat hij er niet over dacht om zijn lam weg te geven. "Dat vraag ik ook niet van je, broeder," sprak Francesco met zachte stem. "Ik weet dat je dit lam eerlijk betaald hebt en daarom wil ik het eerlijk van je terugkopen. Daar kan je toch niets op tegen hebben?" Een ogenblik staarde de slager verbluft naar de kleine arme. Maar toen begon hij opeens te bulderen van het lachen. "Wel nu nog mooier," schreeuwde hij, "broeder Francesco wil iets van mij kopen en hij heeft al zijn geld weggegeven! Vertel eens op, Poverello, waarmee wil je mijn lam betalen?"

Even keek de kleine monnik verslagen om zich heen. Had hij zelf misschien voor een ogenblik vergeten dat hij niets meer bezat, dat hij al zijn eigendommen had weggeschonken? De omstanders werden alweer rumoerig. Er werd gemompeld en gelachen. Er waren er zelfs die stenen opraapten om ermee naar Francesco te gooien! Wat had die dwaze zoon van Bernardone hier eigenlijk te maken? Waarom kwam hij zonder geld naar de markt? Meende hij misschien ongestraft een eerlijke koopman te kunnen bedriegen? De slager voelde dat hij het recht aan zijn kant had. Zelfverzekerd wendde hij zich af en wilde weglopen met zijn blatende lammetje, maar Francesco legde een hand op zijn arm.

"Wacht nog even, broeder," fluisterde hij. Verbaasd keek de slager om. Wat wilde die dwaas nu nog? Zwijgend maakte il Poverello het koord los dat zijn midden omgordde en begon toen heel bedaard zijn pij uit te trekken. De slager verbleekte. "Broeder Francesco, dat kun je niet doen! Je mag je hier niet voor al die mensen uitkleden!" Francesco glimlachte. "Ik zal het eerlijk betalen, broeder." "Maar dat is onmogelijk!" stotterde de slager, "je maakt ons allebei belachelijk! Zo iets doet men niet voor een lam!" "Nee," zei Francesco, die zijn pij nu had uitgetrokken en naakt, maar volkomen rustig tussen het volk stond, "dat heeft men zelfs niet gedaan, toen het Lam Gods naar de slachtbank werd gevoerd. Hier, broeder slager, neem mijn pij. Ik weet dat hij niet veel waarde heeft, maar ik bezit niets anders wat ik je zou kunnen aanbieden. Sta mij toe dit onschuldige lammetje vrij te kopen."

Toen boog de slager beschaamd het hoofd en gaf het lam aan Francesco. En Francesco gaf hem eerlijk zijn pij. Nog voor de slager tot bezinning kon komen en de pij, waar hij immers niets mee kon aanvangen, weer kon teruggeven, was il Poverello met het lam in zijn armen de San Ruffino binnengegaan, waar hij op de preekstoel klom en zo prachtig sprak over Jezus, het Lam Gods, dat niemand zijn ontroering kon bedwingen. En toen waren er reeds verschillenden die elkaar toefluisterden: "Waarlijk, die kleine dwaas is een heilige!"

(Uit An Kesseler-van der Klauw, De feesten van het jaar)

Sint-Franciscus (Bart Peeters)

O Sint-Franciscus,
u bleef bij de bewering
dat ontbering de weg is naar het hemelrijk
Dus bleef u kiezen
voor ascese in Assisi
en vond u glamour maar wat troosteloos gezeik

Maar is geluk dan niet
een soort van pleister
die niet eens zo bijster
lang kleeft
Zoals een voetbal
die als bij toeval
dan toch nog even
langs de doellijn zweeft

O Sint-Franciscus
U was een diva
zonder antidepressiva
mijn mystieke held
U converseerde voortdurend
met de mussen
Hebben die beestjes ondertussen
al iets wezenlijks verteld?

En is geluk niet gewoon een soort van pleister
die niet eens zo bijster lang kleeft
Behalve dan bij u, o doorgedraaide sint,
die vindt dat je in armoe pas echt leeft

Uw mediaprofiel
zal nooit ten onder gaan
Hebt u dat werkelijk, Sint-Franciscus
zonder manager gedaan
Zonder businessplan, zonder productioneel nv
zonder printcampagnes, zonder radio of teevee?

Maar is geluk niet gewoon een soort van pleister
die niet eens zo bijster lang plakt
Voor u de hemel in het klad
maar voor mij eerder een rat die diamanten kakt

O Sint-Franciscus
Ik wil niet stressen
Maar zo'n consultatie
is dat duur?
Red alsjeblief mijn ziel
en geef me duizend levenslessen
Of plukt u liever verder bessen
in de natuur?

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

6. Didactische suggesties

De meest aangewezen manier om met deze In de Kijker aan de slag te gaan, bestaat er allicht in om met de leerlingen aan het begin van het schooljaar stil te staan bij feesten in het algemeen en bij hoe een jaar altijd heel veel feesten met zich meebrengt, om dan daarna op de gepaste momenten in het kerkelijk jaar de verschillende feesten die in deze In de Kijker besproken worden, van naderbij te bekijken. Men kan er echter ook voor kiezen om reeds bij het begin van het jaar de verschillende kerkelijke feesten kort te verkennen. Een andere manier van werken kan erin bestaan om enkele feesten uit te kiezen die men van dichtbij gaat bekijken of de leerlingen zelf een feest te laten kiezen om uit te werken.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

1. Algemeen

  • Men kan de lessenreeks beginnen met de leerlingen zelf een kalender te laten maken waarop zij alle feesten noteren die zij kennen. Zowel kerkelijke feesten, als seculiere feesten, als feesten uit het eigen leven van de leerlingen (bijvoorbeeld verjaardagen) kunnen hierop een plaats vinden. De feesten die ze ook zelf vieren duiden ze met een speciaal kleurtje aan. Het is misschien best om hiervoor reeds voor de leerlingen een kalendertje te voorzien met alle dagen van het schooljaar erop (uitgaande van de gedachte dat men met de lessen start aan het begin van het schooljaar). De leerlingen zullen allicht niet alle feesten aangeduid hebben, vandaar dat het handig kan zijn om met hen de lijst aan te vullen. Men kan nu aan de leerlingen gaan vragen welke feesten van die kalender kerkelijke feesten zijn en wat volgens de leerlingen de betekenis is van deze feesten.
  • Bij de tekst rond ‘Een feestelijk jaar’ kan men aan de leerlingen vragen om in de tekst redenen te onderlijnen waarom mensen feesten en waarom feesten zo belangrijk zijn. De leerlingen krijgen de opdracht om zelf nog twee andere redenen te zoeken waarom feesten belangrijk kunnen zijn voor mensen.
  • De argumenten van Bart Lauvrijs kunnen nog aangevuld worden met argumenten uit de tekst ‘Het belang van feestvieren’, waarin de leerlingen eveneens de redenen aanduiden waarom feesten belangrijk zijn.
  • Eveneens duiden zij in de tekst aan welke soorten feesten er zijn. Dit kan men dan weer in verband brengen met de kalender die de leerlingen gemaakt hebben en waarbij ze de feesten die ze hierop hebben aangebracht zelf kunnen onderbrengen in de soorten feesten die Bart Lauvrijs noemt.
  • Bij de tekst ‘Het belang van feestvieren’ kan men aan de leerlingen de volgende vragen stellen:
    • Wat zou de uitspraak ‘onderbreking is de kortste definitie van religie’ kunnen betekenen?
    • Vind je zelf dat ons tijdperk door snelheid, oppervlakkigheid en eenzaamheid gekenmerkt wordt? Kan je een voorbeeld aanbrengen om dit te bevestigen of ontkrachten?
    • In welke zin zijn feesten een remedie tegen die snelheid, oppervlakkigheid en eenzaamheid? Leg uit.
  • De leerlingen lezen het gedicht ‘Altijd wat te vieren’. Zij trachten uit het gedicht de verschillende feesten te halen waarnaar de auteur verwijst. Eveneens geven zij aan wat de auteur zou bedoelen met "Mijn verdriet, dat zit vanbinnen: stille sneeuwpop wacht op dooi". Vanuit het gedicht kan men aan de leerlingen vragen om zelf een gedicht rond de thematiek van feesten te schrijven.
  • Ter bezinning kan de tekst ‘Op de golfslag van de geest’ gelezen worden. Ook hier kan men aan leerlingen vragen om de kerkelijke feesten uit de tekst te halen.
  • De tekst rond een jaar vol kleuren en de tekening van de kleuren van het kerkelijk jaar dienen om aan de leerlingen duidelijk te maken dat de verschillende feesten en momenten in het kerkelijk jaar ook met verschillende kleuren gepaard gaan. Eventueel kan men met de leerlingen een oefening doen door hen enkele data in het komende jaar te geven en hen te laten aangeven welke kleur op die dag overheerst in de Kerk (men kan hier bijvoorbeeld de datum van Pasen, van Hemelvaart, van Pinksteren, van een gewone zondag, van een zondag in de advent,…geven).

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

2. Advent

  • Vanuit de in de kijker over The Nativity Story kan men na lezing van het verhaal van de aankondiging via een tekst van Roger Burggraeve dieper ingaan op de onmogelijke roeping van Maria: http://www.kuleuven.be/…/50_nativity.php#impuls4 In deze tekst wordt, vanuit het aankondigingverhaal, het verschil tussen roeping en ideaal duidelijk gemaakt.
  • Ter bezinning kan men de tekst ‘BinnensteBuiten’ van Manu Verhulst lezen. Dit kan een aanknopingspunt zijn om leerlingen zelf een associatiespel te laten doen rond wat zij onder ‘advent’ verstaan. Verder kan men de leerlingen ook de vraag stellen wat Manu Verhulst met de titel ‘BinnensteBuiten’ zou bedoelen.
  • Ook naar aanleiding van de tekst kan men de leerlingen allemaal zelf een droom laten opschrijven. Eventueel kan men de leerlingen zelf een originele adventskalender laten maken, bijvoorbeeld met achter elk deurtje een leuke spreuk (of één van de dromen van de leerlingen), en waarbij men de deurtjes klassikaal kan openen.
  • De tekst ‘Toekomst moet je verdienen’ kan de aanzet vormen tot een gesprek over de titel (is de toekomst echt iets wat je moet verdienen?) en over wanneer de leerlingen het gevoel hadden dat er mislukking in hun leven aanwezig was. Eventueel kan men de leerlingen dit op een blaadje laten schrijven en laten verscheuren.
  • Verder kan men ook stilstaan bij de scheuren die er in de wereld zijn. Ook deze kunnen klassikaal genoteerd worden (bijvoorbeeld op het bord). Het is mogelijk om van hieruit stil te staan bij mogelijke oplossingen voor die scheuren. Vanuit die idee kan men verder ingaan op Welzijnszorg, als manier om scheuren te laten helen.
  • In de periode van de advent kan men met leerlingen de website van Welzijnszorg verkennen en verder ingaan op armoedebestrijding, of leerlingen zelf laten deelnemen aan een project rond armoede.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

3. Kerstmis

  • Een inleidende vraag bij het werken rond Kerstmis kan zijn wat mensen precies herdenken en vieren met Kerstmis. Dit kan men dan weer in verband brengen met de afbeelding van de kerstman die aan het wiegje van het kindje Jezus bidt en met de affiche van de ‘Christmas Carnage’.
  • Om verder in te gaan op de commercialisering van Kerstmis en het verlies van de oorspronkelijke betekenis ervan, kan men ook de tekst van Manu Verhulst lezen, waarbij men met de leerlingen van mening kan wisselen over de vraag of Kerstmis vandaag de dag nog echt ‘Kerstmis’ is en of het eigenlijk erg is dat Kerstmis uit het kerkgebouw is ontsnapt.
  • Naar aanleiding van het kerstverhaal (en/of het werken rond Advent en Driekoningen) kan men met de leerlingen naar (fragmenten uit) The Nativity Story kijken. Een heel aantal impulsen hierrond is te vinden op http://www.kuleuven.be/…/50_nativity.php)
  • Men kan met de leerlingen ook de volledige kerstverhalen lezen in het evangelie van Lucas en het evangelie van Matteüs, de twee zogenaamde kindheidsevangeliën.
  • De tekst Kerstkinderen kan klassikaal gelezen worden en na de lezing krijgen de leerlingen de opdracht om aan te geven wat de boodschap is die Ronald Sledsens wil meegeven in deze tekst. Wat wil hij duidelijk maken over de twee ‘kerstkinderen’? Waarom is dit eigenlijk een heel hoopvolle tekst.
  • Bij de getuigenissen van mensen over hoe zij Kerstmis vieren, kan men in eerste instantie aan de leerlingen vragen hoe zij zelf Kerstmis vieren en hoe ze dat ervaren. Daarna kan men de getuigenissen gaan lezen en aangeven wat de mensen uit de getuigenissen zouden kunnen doen om Kerstmis weer ten volle te kunnen beleven.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

4. Driekoningen

  • De leerlingen lezen de info over Driekoningen evenals het Bijbelverhaal. Van hieruit kan men eventueel op een bibliodramatische manier het verhaal in de klas tot leven brengen (waarbij de rollen van Herodes, de schriftgeleerden, de hogepriesters, de magiërs, Maria, Jozef,…) ingevuld kunnen worden.
  • Men kan de leerlingen de vraag stellen welke drie geschenken zij vandaag de dag aan het kindje Jezus zouden willen geven. Wat is volgens hen van grote waarde, zowel letterlijk als symbolisch.
  • In het verhaal van Selma Lagerlöf wordt de zoektocht naar de geboorteplaats van Jezus verteld vanuit het perspectief van een wezen dat een anders niets gunt: De Droogte.
  • De leerlingen lezen de tekst en antwoorden op de volgende vragen:
    • Wat zou de symbolische betekenis van deze droogte kunnen zijn.
    • In welke zin heeft de droogte zich ook meester gemaakt van de wijzen?
    • En op welke manier wordt de droogte uiteindelijk toch ‘uitgeschakeld’?
    • Wat wil Selma Lagerlöf aantonen met haar verhaal over nederigheid?
  • De leerlingen lezen het verhaal over de vierde koning en duiden aan waaraan en hoe Coredan zijn edelstenen verliest. Waarom zegt de man aan het kruis tegen Coredan: "jij hebt mij getroost toen ik bedroefd was, en gered toen ik in levensgevaar verkeerde; jij hebt mij gekleed toen ik naakt was"?
  • De leerlingen krijgen de opdracht om het verhaal van de Barmhartige Samaritaan te lezen en de gelijkenissen te zoeken met het verhaal van Coredan. Ook krijgen de leerlingen de opdracht om aan te geven in welke zin het verhaal een realisatie is van de woorden van Jezus: "Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen. Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij en het evangelie, zal het behouden." (Lc 8,34-35)

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

5. Lichtmis

  • Vanuit de info, de Bijbeltekst en het verhaal van Kolet Janssen, proberen de leerlingen op een zo uitvoerig mogelijke manier weer te geven in welke zin Lichtmis ook echt een feest van licht is. Zij geven ook aan waarom het tegelijk een kinderfeest en een Mariafeest is. Men kan ook even stilstaan bij de idee hoe moeilijk het moet geweest zijn voor de ouders van Jezus om hem gedeeltelijk los te moeten laten.
  • Eventueel kan men naar aanleiding van Lichtmis de leerlingen ook info laten verzamelen over anderen lichtfeesten (zowel uit de christelijke traditie als uit andere tradities).

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

6. Veertigdagentijd (met Aswoensdag)

  • Vanuit de idee van de veertigdagentijd als tijd van inkeer, soberheid en vasten, kan men aan de leerlingen vragen om na te denken over wat zij specifiek zouden willen doen (of laten) tijdens deze periode om dit te realiseren. Inspiratie kunnen zij misschien opdoen in de infotekst.
  • De tekst van Jezus in de woestijn kan eventueel visueel duidelijker gemaakt worden door het betreffende fragment uit de film The Last Temptation of Christ te tonen aan de leerlingen. Men kan de leerlingen de tekst ook laten analyseren door hen telkens de beproeving van de duivel en het antwoord van Jezus te laten noteren.
  • Zoals men leerlingen een adventskalender kan laten maken, kan men misschien ook de leerlingen een vastenkalender laten creëren, waarop ze voor alle schooldagen van de veertigdagentijd een mooie bezinnende tekst of een toepasselijk lied voorzien. Aan het begin van de dag (het eerste lesuur) kan men dan starten met deze tekst of dit lied. Men kan deze vastenkalender misschien beginnen met de bezinningstekst ‘Veertig dagen klauteren’.
  • De Veertigdagentijd is de periode bij uitstek om met de leerlingen of op school actie te ondernemen voor Broederlijk Delen. Daartoe kan men zich verdiepen in de nieuwe campagne en concrete initiatieven op poten zetten of ondersteunen.
  • Om het over de betekenis van vasten te hebben, kan men de bloem waarin de letters van vasten met bepaalde betekenissen van vasten verbonden worden, confronteren met de tekst over het blikken trommeltje. Men kan hierbij de leerlingen de vraag stellen of het meisje uit de tekst eigenlijk echt de betekenis van vasten heeft begrepen en waarom wel of niet.
  • Naar het voorbeeld van de hongerdoeken (waarvan men de leerlingen er nog enkele andere kan laten opzoeken) kan het interessant zijn om klassikaal, aan het begin van de vasten, en eventueel in samenwerking met het vak plastische opvoeding, een hongerdoek te maken. Hiervoor heeft men een groot doek nodig en verf, stiften, kaartjes die men op het doek kan plakken, lapjes stof, en noem maar op.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

7. Palmzondag

  • Men kan aan de leerlingen vragen of er bij hen thuis of eventueel bij grootouders soms een palmtakje hangt en/of ze weten hoe dit komt en waarvoor dit gebruik staat. Aansluitend kan men dan de tekst van de intrede van Jezus in Jeruzalem lezen.
  • Het kunstwerk van de David Beckham-Jezusfiguur kan men door de leerlingen laten vergelijken met kunstwerken van de intrede van Jezus in Jeruzalem. In welke zin is dit kunstwerk ook een intrede-kunstwerk en welke verwijzingen naar de tijd van Jezus (en naar Jezus’ leven) zijn in het kunstwerk aanwezig. Daarna kan men de leerlingen de vraag stellen naar wat zij als de betekenis van het kunstwerk zien. Eventueel kan men hen ook vertellen dat het kunstwerk iets wil vertellen over de status van supersterren. Ook hier kan men leerlingen de vergelijking laten maken (en met name de verschillen laten aanduiden) met het leven van Jezus.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

8. Witte Donderdag

  • Klassikaal kan men het verhaal van het Laatste Avondmaal lezen en duiden in welke zin het Laatste Avondmaal aan de basis ligt van onze eucharistieviering. Vanuit het kunstwerk van Da Vinci kan men even een uitstapje maken naar populaire hedendaagse verbeeldingen van het Laatste Avondmaal, vanuit de vraag of zo’n parodieën eigenlijk een manier zijn van spotten met het geloof of juist een dankbaar gebruik maken van een kunstzinnig kader om er nieuwe betekenissen aan te geven.
  • Een aspect van het Laatste Avondmaal (en van de viering van Witte Donderdag) dat leerlingen niet altijd kennen, is dat van de voetwassing. Vanuit de tekst van pastoor van Ogtrop kan men aan leerlingen vragen waarom het nu precies zo schokkend is dat Jezus de voeten van zijn leerlingen wast. Men kan hier ook vragen of zij het moeilijk of vernederend zouden vinden om de voeten van hun medeleerlingen te moeten wassen.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

9. Goede Vrijdag

  • Gezien het belang hiervan binnen het christelijk geloof, kan men met de leerlingen het hele lijdensverhaal van Jezus (uit een evangelie naar keuze) lezen in de bijbel. Om het voor de leerlingen visueel te maken, kan men hierbij eventueel ook fragmenten laten zien uit een Jezusfilm als The Last Temptation of Christ of Jezus of Nazareth. Uiteraard is het hierbij belangrijk te duiden op het verschil tussen de filmische representatie, het Bijbelverhaal en de historische feiten.
  • Een andere mogelijkheid bestaat erin om met leerlingen een kruisweg te gaan bekijken, indien dat mogelijk is, of anders om de kruisweg uit de impulsen van naderbij te bekijken en in verband te brengen met de bijhorende Bijbelteksten. Eventueel kan men de kruisweg ook door de leerlingen in de vorm van een tableau vivant laten uitbeelden.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

10. Stille Zaterdag

  • Klassikaal wordt de info en het Bijbelverhaal gelezen. Vandaaruit kan men - ook vanuit de tekst ‘Stil’ – bezinnend stilstaan bij wat de dood van Jezus voor zijn volgelingen betekend moet hebben en bij wat de dood van een geliefde voor mensen betekent.
  • Bij wijze van uitwijding kan men ook met de leerlingen nadenken over het belang van stilte in het algemeen of kan men klassikaal een stilte-moment houden waarbij de leerlingen nadenken over wat ze al verloren hebben in hun leven.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

11. Pasen

  • Eerst kan men samen met de leerlingen op basis van de info meer te weten komen over de betekenis van Pasen. Bijvoorbeeld in het boek Een jaar vol feesten van Bart Lauvrijs staan nog heel wat meer gebruiken rond Pasen uitgelegd.
  • De cartoon van de paashaas en ‘the true meaning of Easter’ kan aan de leerlingen voorgelegd worden waarbij de leerlingen proberen aan te geven welke kritiek in deze cartoon vervat zit. Dit kan de aanleiding vormen om dieper in te gaan op de commercialisering van bepaalde feesten.
  • De leerlingen lezen de tekst ‘De overkant is niet zo ver weg’ en geven bij elk van de ondertitels (het graf is leeg, hij zag en geloofde, kijken naar sporen van verrijzenis, een manier van kijken en zondag verrijzenisdag) weer wat de gedachtegang van de auteur is. Eveneens halen zij één zin uit de tekst waarbij ze zelf een persoonlijke reflectie (vanuit hun eigen leven) schrijven.
  • Pasen heeft iets te maken met passie, zowel in de betekenis van lijden als van begeestering. In Pasen wordt zelfs duidelijk dat die begeestering groter is dan het lijden. Die paaspassie wordt duidelijk in het verhaal van Gust. De leerlingen tonen dit aan door middel van voorbeelden uit de tekst. Aan de leerlingen kan men ook vragen om zelf voorbeelden te geven van passie in de dubbele betekenis.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

12. Hemelvaart

  • De leerlingen lezen de info rond en het verhaal van de hemelvaart van Jezus en geven aan wat ze vreemd en verwonderlijk vinden. Voor leerlingen is dit allicht een vreemd verhaal. Dit verhaal kan men duiden door middel van de bezinnende teksten van Fred Tak en Manu Verhulst. Aangezien dit niet zo’n evidente teksten zijn, kan men de leerlingen een aantal begeleidende vragen stellen.
    • Wat bedoelt Fred Tak met de tussenruimte bij de hemelvaart?
    • Wat bedoelt Fred Tak met de tussenruimte in ons eigen leven?
    • Wat is volgens Fred Tak de hemelse kant van mensen en wat is de aardse kant?
    • Geloof jij zelf dat mensen een hemelse en een aardse kant hebben?
    • Denk jij zelf ook dat iedereen tot erge dingen in staat is?
    • Wat bedoelt Fred Tak met ‘mildheid’? Vind jij dit zelf ook belangrijk?
    • Over welke sprongen in het beschavingsproces heeft Fred Tak het?
    • Kan je naast hemelvaart nog een aantal woorden die eindigen op ‘vaart’ noemen?
    • Waarom maakt Verhulst eigenlijk de vergelijking tussen rechtop lopen en hemelvaart? Vind jij die vergelijking terecht?
    • Waarom zegt Verhulst dat mensen bang zijn om ‘hemelvaartsmensen’ te worden?

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

13. Pinksteren

  • Inleidend kan men aan de leerlingen vragen op welk Bijbelverhaal Pinksteren betrekking heeft. Men kan hen vragen om dit Bijbelverhaal even uit te leggen. Pinksteren is één van de minst bekende feesten (zie ook de cartoon bij de impulsen), vandaar dat vele leerlingen allicht niet goed weten wat er op die dag gevierd wordt.
  • Na lezing van het Pinksterverhaal kan men het verhaaltje over ‘de adem van God’ lezen en de leerlingen laten aangeven wat de Pinksterervaring in het leven van mensen vandaag kan betekenen. Het kan ook interessant zijn om even dieper in te gaan op de Pinksterbewegingen.
  • Eveneens kan men aan leerlingen vragen om (op het internet) op te zoeken hoe de Heilige Geest in de kunst en in de christelijke traditie, maar ook vandaag nog, wordt voorgesteld, met andere woorden, hoe mensen dit ‘abstracte’ idee toch willen uitbeelden. Ook in woorden hebben mensen geprobeerd om de Heilige Geest te vatten. Enkele voorbeelden zijn te vinden in de impulsen. Men kan de leerlingen ook naar andere voorbeelden laten zoeken (of misschien ook zelf laten omschrijven).

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

14. Maria ten Hemelopneming

  • Vanuit de info kan men samen met de leerlingen even stilstaan bij het belang van Maria in het christendom. Men kan eventueel ook de andere Mariafeesten kort onder de loep nemen. Hierbij kan ook de vraag gesteld worden waarom Maria eigenlijk zo belangrijk is en was, en waarom de Mariaverering (zie ook de impuls rond de Virga Jessefeesten) vandaag de dag nog steeds zo prominent is.
  • Om een antwoord op die vraag te vinden, kan men ook inspiratie opdoen bij de tekst ‘In Maria is het wonder begonnen’. Dat Maria het aardse en het hemelse verenigde, vinden we ook duidelijk terug in de afbeelding van Maria in de kunst. Vaak zien wij haar op kunstwerken afgebeeld met rood en blauw, waarbij het rood naar het aardse verwijst en het blauw naar het hemelse. Men kan leerlingen hier voorbeelden van laten zoeken, om de betekenis van Maria als aards en hemels duidelijk te maken.
  • Vanuit de tekst kan men ook stilstaan bij de betekenis van het lichaam in het geloof. Vaak wordt geloof als een louter spirituele zaak afgedaan, maar Manu Verhulst maakt duidelijk dat geloof ook niet zonder het lichaam kan.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

15. Allerheiligen

  • Aan de hand van de cartoon en van de info kan men aan de leerlingen de link en de verschillen tussen Halloween en Allerheiligen duidelijk maken. Extra informatie is te vinden op http://www.kuleuven.be/thomas/basisonderwijs/in_de_kijker/5a_halloween.php.
  • De leerlingen lezen de tekst van Kolet Janssen en halen daaruit alle objectieve informatie over heiligen en Allerheiligen die ze vinden. Op basis van de vraag van Sara uit de tekst "Ik weet niet wat wij vandaag nog met die heiligen te maken hebben" kan men verder ingaan op de thematiek van heiligenverering. Dit wordt nog verder uitgewerkt in het onderdeel ‘Dagen van heiligen’.
  • Men kan de leerlingen vragen om zoveel mogelijk heiligen op te noemen. Hierbij kunnen ze bijvoorbeeld denken aan heiligen die hun naam gegeven hebben aan kerken (‘sint-’), enzovoort. Eveneens kan men vragen aan de leerlingen of zij toevallig hun naam delen met een heilige (bijvoorbeeld Thomas).
  • Vanuit de tekst kan men eens stilstaan bij wat heilig zijn nu precies betekent. Wat maakt dat iemand in aanmerking komt om heilig verklaard te worden en welke mensen zijn de heiligen van vandaag. Wanneer zouden de leerlingen iemand heilig noemen, en zouden ze zo ver gaan om te zeggen dat zij zelf ook een beetje heilig kunnen zijn (voor anderen)?
  • De leerlingen kunnen ook zelf iemand ‘nomineren’ tot hedendaagse heilige, iemand van wie zij zelf vinden dat deze persoon echt heel goede dingen doet of heeft gedaan voor anderen.
  • Een andere opdracht kan zijn dat de leerlingen zelf een heilige kiezen uit de christelijke traditie en daar informatie over opzoeken. Deze heilige komen ze dan (in niet meer dan 5 minuten) presenteren aan de klas, waarbij ze de nadruk leggen op de dingen die deze persoon heeft gedaan waardoor hij of zij heilig is verklaard.
  • Manu Verhulst zegt dat elke mens een beetje heilig is. Wat zou hij hiermee bedoelen? Waarom is dat voor hem een belangrijke en troostgevende gedachte?
  • In de traditie is het tegenovergestelde van een heilige een zondaar. Rond Allerheiligen wordt sinds vorig jaar Sinner’s Day georganiseerd, een muziekfestival. Op basis hiervan kan men aan de leerlingen vragen of ‘heilig’ zijn vandaag de dag wel nog aantrekkelijk is. Zijn mensen niet eerder onder de indruk van het zogenaamd ‘zondige’?

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

16. Allerzielen

  • Het werken rond Allerzielen biedt de mogelijkheid om even na te gaan bij de leerlingen of en wanneer zij nog naar het kerkhof gaan. Is dit een traditie binnen het gezin of ligt het net moeilijk? En wanneer men gaat, is dat dan pijnlijk of niet zozeer? Eveneens kan men stilstaan bij de eventuele verliezen waar de leerlingen al mee geconfronteerd geweest zijn en het even stil maken voor deze overledenen.
  • Eventueel kan men ook verder ingaan op de vraag wat leerlingen denken dat er na de dood met mensen gebeurt (en dit dan ook duiden vanuit de christelijke traditie).
  • ‘Het dorp met de doodshoofden’ is een spannende tekst die de traditie rond Allerzielen in Mexico duidelijk maakt; op basis van de tekst kan men wat meer informatie opzoeken rond de ‘dia de los muertos’. In de reeks W@=D@ is er hierrond ook een leuke reportage te vinden.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

17. Dagen van heiligen

  • Bij het stukje rond Allerheiligen zijn al enkele suggesties opgenomen voor het werken rond ‘heiligen’. Bij de dagen van heiligen kan men bijvoorbeeld verder stilstaan bij enkele van deze heiligen wiens feestdag vandaag de dag ook buiten het christendom bekend is (Valentijn, Sinterklaas, Werelddierendag).
  • Een voorbeeld van zo’n heilige is Sint-Franciscus. Om de ‘heiligheid’ van deze man duidelijk te maken, kan men met de leerlingen het verhaal ‘De kleine arme van Assisi’ lezen en aan hen vragen wat in de tekst nu precies aanwijzingen zijn voor zijn heiligheid.
  • Ook het lied van Bart Peeters kan men beluisteren en aan de leerlingen vragen waarom Bart Peeters zijn lied eigenlijk tot Franciscus richt en wat hij van hem wil weten of wil leren. Welke verschillen ziet Bart Peeters tussen zichzelf en Franciscus?

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Extra: Op basis van de info bij alle feesten kan men met de leerlingen een soort van weetjes-quiz doen, waarbij men een aantal vragen aan de leerlingen stelt (bijvoorbeeld: op welke dag valt Driekoningen, op welk joods feest gaat het Paasfeest deels terug,…) in quizvorm. Daartoe kan men eventueel ook echt quizgroepjes maken.

Reacties op deze in de kijker

De ingezonden reacties tot nu toe:

  • 31-08-2010
    Alexandra Vandenbussche
    Leerkracht(e) secundair onderwijs

    Andere suggestie : werken met foto's

    Mijn leerlingen van het zesde TSO maakten reeds twee jaar symbolische foto's rond het kerkelijk jaar.

    Ze dienen doorheen het jaar de foto's geleidelijk aan in (per email tegen een bepaalde datum) en in het tweede semester moet de powerpoint af zijn. (allerzielen, advent, kerst, vasten, palmzondag, witte donderdag, goede vrijdag, stille zaterdag, Pasen, OLH Hemelvaart en Pinksteren).

    Op hun examen krijgen ze één van hun eigen foto's en moeten dan zeggen welk feest het voorstelt en waarom + ook het feest kunnen uitleggen.

    De foto's mogen niet letterlijk zijn bv. een adventskrans. Maar wel symbolisch of welke gevoelens het feest oproepen : rouwen, hoop, inkeer, terug opstaan, samen zijn, verraad, ... Ze kunnen ook rekening houden met de kleur van het feest (rood, paars, wit).

    Eerst stelde ik voor dat ze zelf de foto's trekken maar ze kopiëren toch van internet en hoe controleer je dat ? Maar het is al mooi als ze de foto's op internet opzoeken vind ik. Ik kreeg al supermooie powerpoints !

    Je kan de foto's ook gebriken om op te hangen in de klas of in de gang met een gebed.

    Veel succes !

    Alexandra Vandenbussche

     

     

     

     

     

     

     

     

    Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

  • 15-04-2011
    Daniël Castelein
    Leerkracht(e) secundair onderwijs

    Kerkelijke feesten spelen inderdaad een belangrijke rol in het christendom.  In die zin is het positief dat deze 'In de kijker' jonge mensen blijvend informeert omtrent de 'rijkdom van het christelijk verhaal'.  Hopelijk laat ook een 'oudere generatie' zich inspireren door deze interessante informatie.

    Keer terug naar de bovenkant van deze pagina

Geef uw eigen aanvullingen, suggesties, ervaringen, reacties,... door

Vul onderstaande velden in (de identificatievelden zijn niet verplicht in te vullen) en klik op verzenden. Uw feedback wordt dan op deze pagina opgenomen.

Naam:
E-mailadres:

U bent:

Uw reactie/vraag/opmerking/suggestie:

Indien gewenst, stuur hierbij een bestand mee:

Visual CAPTCHA

Vul bovenstaande code in:


Als u een bestand meestuurt, kan het even duren vooraleer u
op de volgende pagina terechtkomt
.
Gelieve toch maar één keer op 'Verzenden' te klikken.

Keer terug naar de bovenkant van deze pagina


Gedichtendatabank